10e. Someren buitengebied deelgebied 4 - planMER incl bijlagen
Tekst van het document
Deze data set zou een gebiedsemissie opleveren van 93.168 kg/jaar. Op basis van deze gegevens is vervolgens een check gedaan op de opvulbare ruimte binnen de bestaande dierverblijfplaatsen. Op basis van kentallen uit het Besluit houden van dieren en, bij het 5
Eutrofiërend = vermestend, door het vergroten van de voedselrijkdom van de bodem
6
De emissies vanuit de verschillende staltypes staan vastgelegd in de Rav, alleen deze kentallen zijn gebruikt
28/170
Kenmerk
R002-1281780LBE-V02-mdg-NL
ontbreken daarvan kentallen vastgesteld op basis van expert judgement, is het ruimtegebruik per diersoort gebruikt om vast te stellen welke latente ruimte er nog beschikbaar is binnen de al gerealiseerde stalruimte. Deze data set (in feite de autonome ontwikkeling die er nog mogelijk is binnen al gerealiseerde stallen) zou een gebieds-emissie opleveren van ruim 110.000 kg/jaar. Omdat het plangebied slechts een deel van het buitengebied van de gemeente betreft is een vergelijking met de door het CBS gerapporteerde statistieken niet goed mogelijk. 4.1.3 Kenmerken van de bouwvlakken Op basis van de beschikbare informatie is een grafische analyse gemaakt van de omvang van de bouwvlakken met intensieve veehouderij zoals die nu bij recht bestaan. Deze is weergegeven in onderstaande grafiek. Opgemerkt wordt dat in de huidige situatie de ruimte die beschikbaar is binnen de bouwvlakken nog niet overal volledig is benut. Zoals in bijlage 5 is onderbouwd is een gangbare maximaal haalbare vulgraad voor een intensieve veehouderij/niet-grondgebonden veehouderij ongeveer 50 %. Het uitgangspunt voor de maximaal haalbare vulgraad is op basis van empirisch verkregen eigen data vastgesteld op 50 %. Dit kan gezien worden als een realistisch maximum.
Echter, als er concessies worden gedaan aan met name de landschappelijke aspecten van (de uitstraling van) een overvol bouwvlak kan de vulgraad in theorie oplopen tot 80 % voor een IV-bedrijf. Daarom is er voor het bepalen van de worst case emissie uitgegaan van deze hoge vulgraad van 80 %.
Oppervlak bouwvlakken (IV) 2 1,5 1
3.0 en groter
2,75
2,5
2,25
2,0
1,75
1,5
1,25
1,0
0
0,75
0,5
0.5 en kleiner
Aantal bedrijven
2,5
Omvang bouwvlak [ha]
29/170
Kenmerk
R002-1281780LBE-V02-mdg-NL
Op basis van de beschikbare informatie is een grafische analyse gemaakt van de omvang van de bouwvlakken met grondgebonden veehouderij zoals die nu bij recht bestaan. Deze is weergegeven in de volgende grafiek.
Oppervlak bouwvlakken (niet-IV) 6
Aantal bedrijven
5 4 3 2
3.0 en groter
2,75
2,5
2,25
2,0
1,75
1,5
1,25
1,0
0,75
0
0.5 en kleiner
1
Omvang bouwvlak [ha]
Bij het vaststellen van de maximale mogelijkheden die het plan biedt, en de beoordeling van de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan (in hoofdstuk 8), is voor melkveehouderijen uitgegaan van een maximale vulgraad van 50 %. Omdat in de gemeente Someren het in principe mogelijk is om (onder voorwaarden 7) de silo’s ook buiten het bouwvlak te realiseren gaat de maximale mogelijkheid die het plan biedt dus uit van 50 % dierenverblijfplaatsen op een bouwvlak voor (melk)rundveehouderij. Echter, een dergelijke hoge vulgraad van de bouwvlakken doet zich nu nog nergens voor. Daarmee is dit een worst case aanname met een maximaal effect op emissies, en dus ook op depositie vanuit de dierverblijfplaatsen. Opgemerkt wordt dat de gebruikte maximale vulgraadpercentages in feite aan de hoge kant zijn voor een bouwvlak dat zich bevindt in een historisch landschap. In een dergelijke omgeving zijn de eigenschappen van het omringende landschap mede bepalend voor de plaats en de vorm van het bouwvlak. Hierdoor is een optimale benutting van het beschikbare oppervlak vaak minder goed mogelijk. Als er in de berekeningen toch wordt uitgegaan van 50 %, is er sprake van een worst case aanname voor de emissies, en dus ook op depositie vanuit de dierverblijfplaatsen.
7
Randvoorwaarde voor een silo buiten het bouwvlak is dat het bouwwerk echt niet binnen het bouwvlak gerealiseerd
kan worden
30/170
Kenmerk
4.1.4
R002-1281780LBE-V02-mdg-NL
Andere bronnen
Naast de bronnen van stikstof die onderdeel uitmaken van het gebiedsmodel zijn er ook andere bronnen actief, zoals mestaanwending, beweiding, overig verkeer en stookinstallaties. De te verwachten omvang vanuit deze bronnen wordt in deze paragraaf in het perspectief geplaatst van (de nauwkeurigheid van) het beschikbare gebiedsmodel. Grondgebonden emissies Vanuit het agrarisch gebruik van de gronden in het buitengebied kunnen stikstof emissies optreden die voort komen uit het aanwenden van natuurlijke mest en kunstmest. Ook vanuit beweiding komen emissies voort. De hoeveelheid stikstof die vrij komt uit het gebruik van natuurlijke mest en kunstmest wordt bepaald door de gewassen die worden geteeld en de omvang van het gebruikte areaal. Zoals blijkt uit de tabel met de stikstofgebruiksnormen 8 wordt aan grasland de hoogste stikstof gift toegediend, te weten 250 kg N/ha/jaar. In het NEMA-model dat is ontwikkeld door de WUR 9 wordt een range aan aanwendingsverliezen aangehouden. De verliezen waar rekening mee wordt gehouden gaan uit van ongeveer 2 - 5 %. Bij een worst case stikstof aanwending van 250 kg/ha voor weiland zijn de grondgebonden emissies dus ongeveer 5 - 12,5 kg N/ha/jaar. Omdat het plangebied ongeveer 900 ha groot is, waarvan ongeveer 750 ha landbouwgrond is, zijn de grondgebonden verliezen ongeveer 3.750 – 9.400 kg/jaar. Echter, de voorgenomen activiteit (i.c.
het bestemmingsplan) heeft geen gevolgen voor de omvang van het voor bemesting beschikbare areaal. Het bevat ook geen mechanisme waardoor er ten gevolge van het plan meer areaal in gebruik genomen zal worden voor weiland (met een relatief hoge stikstofgebruiksnorm). Als er al sprake zou zijn van een gevolg voor het beschikbare areaal dan zou het bestemmingsplan ervoor zorgen dat het areaal afneemt ten opzichte van het huidig feitelijk gebruik: het opvullen met gebouwen van de nog beschikbare ruimte in de bij recht te gebruiken bouwvlakken. Het beschikbare gebiedsmodel is gebaseerd op standaard uitgangspunten en aannames, en de werkelijke gebiedsemissie wordt dus met een relatief grote onnauwkeurigheidsmarge benaderd. Los van het feit dat het bestemmingsplan geen mechanisme in zich heeft waardoor de omvang van de mestaanwending zou kunnen toenemen is de berekende bijdrage vanuit mestaanwending van een dusdanige orde grote dat deze weg zou vallen in de onzekerheidsmarge van het beschikbare gebiedsmodel. Het toevoegen van deze stikstofbron aan het model zou de nauwkeurigheid van de modelleringen niet aanwijsbaar vergroten. Mestvergisting Biogasinstallaties als nevenactiviteit zijn bij alle agrarische bedrijven toegestaan indien de installatie is gericht op het verwerken van eigen geproduceerde mest (met eventuele toevoeging van derden afkomstige cosubstraten).
Het betreft daarmee het lokaal bewerken van de
8
Tabel 1 behorende bij het Mestbeleid 2019-2021
9
Emissies naar lucht uit de landbouw in 2014 - Berekeningen met het model NEMA - WOt-technical report 90
31/170
Kenmerk
R002-1281780LBE-V02-mdg-NL
vrijkomende mest. Jurisprudentie 10 leert dat het gebruik van dergelijke mestvergistingsinstallaties ten behoeve van het eigen agrarische bedrijf niet betrokken hoeven te worden in planMER’s en de passende beoordelingen omdat het een ondergeschikt onderdeel van de agrarische bedrijfsvoering is dat niet afzonderlijk behoeft te worden onderzocht. Ook omdat de inzet van een dergelijke installatie naar verwachting voor een afname van de bedrijfsemissies 11 zal zorgen is deze ontwikkeling niet meegenomen in de gebiedsgerichte modellering. Overig verkeer In de TNO Factsheet d.d. oktober 2019 over de emissies en depositie van stikstof in Nederland wordt kort samengevat welke bronnen in welke mate bijdragen aan de depositie in Nederland. TNO rapporteert dat de belangrijkste bijdrage aan de totale depositie wordt veroorzaakt door de landbouw (= 45 %). Het Nederlands wegverkeer draagt slechts 6 % bij aan de totale depositie. Er wordt ook ingegaan op mogelijke regionale verschillen. Uit de figuur 4.1 blijkt dat de variabele sectorbijdrage voor landbouw in Noord-Brabant ongeveer 12 kg/ha bedraagt (155 mol/ha). Het wegverkeer in Noord-Brabant draagt ongeveer 3 kg/ha bij (28 mol/ha). Deze door TNO gerapporteerde regionale variabele sectorbijdragen komen redelijk overeen met het landelijke beeld zoals geschetst door TNO.
Figuur 4.1 Variabele sectorbijdragen aan de stikstofdepositie (bron: Factsheet emissies en depositie van stikstof in Nederland - oktober 2019)
Bovenstaande geeft weer dat in de huidige situatie de bijdrage aan de depositie vanuit het wegverkeer ongeveer 25 % is ten opzichte van de bijdrage aan de depositie vanuit de landbouw. Het is echter de vraag welke bijdrage de ontwikkelingsmogelijkheden die het plan biedt levert aan 10
RvS-uitspraak ‘Buitengebied’ van de gemeente Oisterwijk’, 14 augustus 2013 / ECLI:NL:RVS:2013:697
11
Door de snelle verwerking van mest in een vergister wordt de emissie verlaagd; deze effecten zijn nog niet in een
Rav-emissiefactor verdisconteerd. Dit betekent dat de nu berekende gebiedsemissie een overschatting is van de werkelijke situatie
32/170
Kenmerk
R002-1281780LBE-V02-mdg-NL
de groei van het verkeer. Opgemerkt wordt dat de ontwikkeling van de veehouderij zich vooral kenmerkt door een steeds verdergaande schaalvergroting. De schaalgrootte van de bedrijven neemt toe. Het lijkt daarom aannemelijk dat de aard van de verkeersaantrekkende werking ook gekenmerkt wordt door een steeds toenemende schaalgrootte: de emissie per Groot Vee Eenheid (GVE) neemt dan af. Daarnaast geldt dat het in de lijn der verwachting ligt dat de omvang van de veehouderij structureel verder af zal nemen. Ook dit zal per saldo zorgen voor minder verkeer. Dus, los van het feit dat het vooralsnog onduidelijk is of het bestemmingsplan wel een mechanisme in zich heeft waardoor de omvang van het lokale verkeer zou kunnen toenemen, is de te verwachten bijdrage vanuit het verkeer van een dusdanige orde van grootte dat deze weg zou vallen in de onzekerheidsmarge van het beschikbare gebiedsmodel. Het toevoegen van deze stikstofbron aan het model zou de nauwkeurigheid van de modelleringen niet aanwijsbaar vergroten. Stookinstallaties Voor het verwarmen van dierenverblijfplaatsen zijn stookinstallaties van beperkte omvang nodig. De mogelijke groei van het aantal dieren in het plangebied (als die al gerealiseerd zou kunnen worden) kan zorgen voor een beperkte groei van de opgestelde verwarmingscapaciteit.
Gezien het geringe effect op de depositie vanuit een toename van de veehouderij is het niet erg aannemelijk dat de groei van de stookinstallaties in de dierenverblijfplaatsen binnen het plangebied van een dusdanige orde van grootte zou zijn dat deze uit zal stijgen boven de onzekerheidsmarge van het beschikbare gebiedsmodel. Het toevoegen van deze stikstofbron aan het model zou de nauwkeurigheid van de modelleringen niet aanwijsbaar vergroten. Beweiden in het planMER Door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna te noemen: de Afdeling) is op 29 mei 2019 uitgesproken dat er geen rechtsgeldige reden was om voor het beweiden van vee een vrijstelling te verlenen van de vergunningplicht op grond van de Wnb 12. Echter, sindsdien is vastgesteld dat voor een goede bedrijfsvoering beweiden (en bemesten) noodzakelijk zijn. Er is daarom door de rijksoverheid met provincies afgesproken om beweiden en bemesten niet vergunningsplichtig te maken. Dit sluit aan bij het advies bemesten en beweiden van het Adviescollege Remkes. Voor beweiden en bemesten was eerder ook geen vergunning nodig. Het effect vanuit (eventuele veranderingen in) beweiden is daarom nihil. Overigens geldt dat, zowel bij de berekening van de referentie situatie, als bij de berekening van de worst case, is uitgegaan van het gedurende 100 % van de tijd op stal houden van het rundvee.
De absolute gebiedsemissie is daarom in beide gevallen een overschatting van de werkelijke situatie waarin het rundvee wel een deel van de tijd in het weiland staat. Het effect van het worst case alternatief op de depositie is vervolgens bepaald door beide alternatieven van elkaar af te trekken. Als de differentiatie voor beweiding wel aangebracht zou zijn, dan zou dat geen gevolgen hebben gehad voor de resultaten van het onderzoek zoals die in het planMER zijn gepresenteerd. 12
ECLI:NL:RVS:2019:1603
33/170
Kenmerk
R002-1281780LBE-V02-mdg-NL
Het worst case scenario betekent immers altijd een behoorlijke toename van stikstof ten opzichte van de referentie situatie ook al zouden beide gecorrigeerd worden voor beweiding. Daar komt bij dat het bestemmingsplan er niet op is gericht om het areaal dat gebruikt wordt voor agrarisch gebruik, dan wel (meer specifiek) voor beweiding, te beïnvloeden. In het licht van de te verwachten ontwikkelingen in de sector in het algemeen, en in deelgebied 4 van Someren in het bijzonder, is het aannemelijk dat dat areaal in de planperiode eerder af dan toe zal nemen. Bemesten in het planMER De Afdeling sprak op 29 mei 2019 ook uit dat er geen rechtsgeldige reden is om voor het bemesten van gronden een vrijstelling te verlenen van de vergunningplicht op grond van de Wnb. Eerder 13 stelde de Afdeling echter al vast dat het bemesten van gronden niet onlosmakelijk samenhangt met de exploitatie, oprichting en uitbreiding van een agrarisch bedrijf. Het uitrijden van mest is namelijk niet noodzakelijk voor de afvoer van mest van een agrarisch bedrijf, omdat er alternatieven zijn zoals de verwerking ervan op een andere locatie dan de gronden van het bedrijf.
Ook geldt dat, in het plangebied van het bestemmingsplan Someren deelgebied 4, het areaal aan landbouwgrond in het plangebied niet toeneemt ten opzichte van het vorige bestemmingsplan en is evenmin sprake van een feitelijke toename van landbouwgrond. Eerder is er sprake van een geleidelijke afname daarvan. Daarnaast geldt dat uitrijden van mest is op zich zelf, in het nieuwe stikstofbeleid, geen vergunningsplichtige activiteit is die ook los staat van het in gebruik hebben van dierenverblijfplaatsen in het buitengebied, waar het planMER over gaat. Overigens geldt dat het toepassen van moderne mest injectie technieken de ammoniakverliezen aan de atmosfeer heeft teruggebracht van 74 % naar 2 % 14. Uit de conclusie van commissie Remkes volgt ook dat de wettelijke gebruiksnormen voor gewassen de afgelopen decennia zijn verlaagd en dus in de meeste gevallen lager zijn dan de referentiedatum. Uit het advies van de commissie Remkes volgt dat er in principe geen vergunningplicht is voor het bemesten. Dat betekent als het effect van bemesten wel zou zijn onderzocht, dan zou dat slechts marginale gevolgen hebben gehad voor de resultaten van het onderzoek zoals die in het planMER zijn gepresenteerd, los van het feit dat een effect van bemesten zich niet goed met planregels laat ondervangen.
4.1.5 De verspreidingsberekeningen In het planMER is, op basis van de inventarisaties van de vergunning/melding dossiers een gebiedsmodel gebouwd. In dat gebiedsmodel zijn de kenmerken van de verschillende veehouderijen opgenomen. Het model richt zich met name op de gegevens die van belang zijn voor het vaststellen van de huidige stikstofemissie vanuit het gebied. Dit is gedaan op een dusdanige manier dat, op een abstractieniveau passend bij een bestemmingsplan, de data gebruikt kunnen worden om de stikstofdepositie vanuit het gebied op Natura 2000-gebieden met voldoende nauwkeurigheid vast te kunnen stellen. De bepalende parameters waar rekening mee 13
ABRvS 17 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1260
14
Emissies naar lucht uit de landbouw, 1990-2013; WOt-technical report 46
34/170
Kenmerk
R002-1281780LBE-V02-mdg-NL
is gehouden zijn het soort dieren, het aantal dieren, het soort stal en de omvang van het bouwvlak. Detailgegevens over het stalontwerp vallen buiten het gebiedsmodel. Voor berekeningen ten behoeve van een (vergunningaanvraag voor) een individueel bedrijf doen detailgegevens over het stal ontwerp er wel toe. Maar het onderzoek op gebiedsniveau vindt plaats op een ander abstractieniveau. In het planMER is, gebruik makend van het verspreidingsmodel AERIUS2021, doorgerekend hoe groot de stikstofdepositie vanuit het plangebied is in de huidige situatie. Vervolgens is, vanuit het in het planMER beschreven worst-case alternatief, vastgesteld hoe groot de toename van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden zou kunnen zijn als rekening wordt gehouden met de maximale groeimogelijkheden die er nog zijn binnen de toe te kennen bouwvlakken, zonder de emissiereducerende techniek aan te passen. Berekend is dat de toename van de stikstofdepositie op plaatsen tot maximaal 40 mol/ha/jaar zal zijn. In het kader van de passende beoordeling is vastgesteld dat een toename van de stikstofdepositie aanleiding geeft tot significant negatieve effecten. Overigens wordt opgemerkt dat ook niet-agrarische bedrijvigheid weliswaar een (beperkt) stikstofeffect kan hebben, maar dat die niet-agrarische bedrijvigheid niet is gemodelleerd voor de stikstofberekening.
Het ten opzichte van agrarische bedrijven ondergeschikte stikstofeffect in relatie tot de onnauwkeurigheidsmarges in het model maakt dat een verdergaande modellering niet tot wezenlijk andere resultaten zal leiden. Het uitvoeren van meer gedetailleerd verspreidingsberekeningen zal dus geen ander resultaat opleveren: ook nieuwe berekeningen zullen laten zien dat de maximale mogelijkheden van het plan ongewenste effecten op de stikstofdepositie tot gevolg zullen hebben.
4.2
Referentiesituatie
In dit planMER wordt invulling gegeven aan de vereisten die voortvloeien uit de Wet milieubeheer en de Wet natuurbescherming. De referentiesituaties die gehanteerd worden voor de effectbeschouwingen zijn echter voor beide kaders verschillend. Hieronder wordt aangegeven op welke wijze dit onderscheid in het planMER wordt ingevuld. 4.2.1
Referentie vanuit de wet natuurbescherming (Wnb)
Vanuit de directe en indirecte kaders die worden gesteld vanuit de (jurisprudentie met betrekking tot de) Wet natuurbescherming zijn de uitgevoerde inventarisaties erop gericht om de voorgenomen activiteit te kunnen vergelijken met het ‘huidig gebruik’. De basis voor de bepaling van het huidige gebruik in dit planMER zijn de vergunningen/meldingen geweest zoals die staan geregistreerd bij de gemeente. Het betreft een interne gemeentelijke inventarisatie uit 2020. In de onderstaande figuur is verder toegelicht hoe de oorspronkelijke data zijn bewerkt om tot een valide referentie te kunnen komen.
35/170
Kenmerk
R002-1281780LBE-V02-mdg-NL
Vaststellen van de referentie situatie Wet natuurbescherming (Wnb) Inventarisatie van de vergunningen
Correctie door handhaving voor feitelijke werkelijkheid
Correctie voor verouderde emissie factoren
Check op dieraantallen via meitellingen is in deze casus niet goed mogelijk
Referentie situatie voor de Wnb: de feitelijk huidige planologisch juridisch legale situatie
Figuur 4.2 Toelichting op het vaststellen van de referentiesituatie van de Wet natuurbescherming
Op basis van de geregistreerde gebruiksgegevens is een eerste gebiedskaart gemaakt. Deze is vervolgens gecorrigeerd naar de feitelijke situatie, gebruik makend van de gebiedskennis zoals die bij de handhavers beschikbaar is. Na de boven aangegeven correcties is vastgesteld dat de gebiedsemissie ten opzichte waarvan in de passende beoordeling getoetst wordt ruim 93.000 kg/jaar is. De depositie die daaruit voortkomt is berekend in AERIUS 2021 (zie figuur 4.3). Daarmee is bewerkstelligd dat deze referentiesituatie zo goed als mogelijk overeenkomt met de definitie van ‘huidig gebruik’ zoals die voortkomt uit de Wet natuurbescherming. Het gaat dus om de feitelijke, planologisch legale situatie op het moment van publicatie van het ontwerpbestemmingsplan.
Figuur 4.3 Resultaten van de gebiedsgerichte modelleringen van het huidig gebruik met een gebiedsemissie vanuit de melkveehouderij en de intensieve veehouderij, zoals berekend met Aerius
36/170
Kenmerk
4.2.2
R002-1281780LBE-V02-mdg-NL
Referentie vanuit de Wet milieubeheer (Wm): de Autonome Ontwikkeling
Vanuit de eisen die de Wet milieubeheer aan een planMER stelt wordt de voorgenomen activiteit vergeleken met de autonome ontwikkeling. Daarvoor geldt dat in eerste instantie de huidige situatie in het referentiejaar 2021 beschreven moet worden en vervolgens de te verwachte autonome ontwikkelingen. Het gaat om de ontwikkelingen die voortkomen uit autonoom (reeds vastgesteld) beleid. De referentiesituatie 15 bestaat uit: • De huidige feitelijke situatie (vertrekpunt is geweest alle vergunde activiteiten die zijn gerealiseerd, uitgezonderd illegale activiteiten) De toekomstige, zekere ontwikkelingen binnen en buiten het plangebied: dit zijn bestemde en vergunde activiteiten die zeker binnenkort ingevuld worden Generieke, plan overstijgende ontwikkelingen: die spelen niet in deze casus
• •
Vaststellen van de referentie situatie Wet milieubeheer (Wm) Inventarisatie van de vergunningen
Correctie door handhaving en opvullen latente stalruimte
Autonome Ontwikkeling = referentie situatie voor de Wet milieubeheer
Figuur 4.4 Toelichting op de manier waarop de referentiesituatie vanuit de Wm is vastgesteld
Vanuit het ruimtelijk spoor zijn er geen relevante autonome ontwikkelingen waar rekening mee gehouden moet worden, anders dan het benutten van de latent aanwezige stalruimte. Opgemerkt wordt dat als de latent aanwezige stalruimte ten volle zou worden benut is er sprake van een gebiedsemissie van ruim 110.000 kg/jaar. De depositie op de omgeving neemt in de autonome ontwikkeling dus ook toe ten opzichte van de huidige situatie.
4.3
Worstcase alternatief: maximale ontwikkelmogelijkheden landbouwsector
Vervolgens wordt vastgesteld wat het maximaal mogelijke effect kan zijn vanuit dit deel van het Buitengebied van de gemeente Someren (‘worstcase’). Dat is gedaan door uit te gaan van de uitgangspunten en randvoorwaarden uit het ontwerp bestemmingsplan zoals die staan samengevat in paragraaf 3.2.2: alleen de bij recht toegekende bouwvlakken kunnen worden benut. Voor het maximaal opvullen van elk bouwvlak is daarbij uitgegaan van de maximale toename die nog past binnen de planologische randvoorwaarden. Zo geldt bijvoorbeeld (op basis van 15
Bron van deze opsomming is de Factsheet Referentiesituatie in MER voor bestemmingsplan van de Commissie
voor de m.e.r. van 29 mei 2012
37/170
Kenmerk
R002-1281780LBE-V02-mdg-NL
provinciaal beleid) dat binnen gebouwen ten hoogste één bouwlaag mag worden gebruikt voor het houden van dieren. In bijlage 6 staat het worst case alternatief in detail uitgewerkt. Vanuit de huidige situatie is het maximaal aantal dieren dat gehouden kan worden uitgerekend door de bebouwing op te rekken tot 80 % respectievelijk 50 % voor intensieve dan wel grondgebonden veehouderij; hier komt een emissie-vracht uit voort in combinatie met het daarbij behorende aantal dieren. Een worst case gebiedsemissie is aldus berekend van 190.554 kg/jaar. Het effect van deze toename op de depositie ten opzichte van de huidige situatie staat weergegeven in de onderstaande figuur.
Figuur 4.5 Verschil van de depositie vanuit het worstcase gebruik van de huidige bouwvlakken ten opzichte van de huidige situatie (dus groei zonder het aanpassen van de emissie-factoren)
4.4
Planalternatief
Omdat er in de worstcase sprake blijkt te zijn van significant negatieve effecten op in (de omgeving van) het plangebied aanwezige Natura 2000-gebieden, worden, als onderdeel van de Passende Beoordeling, maatregelen onderzocht die kunnen voorkomen dat er sprake zal zijn van dergelijke ongewenste effecten. 4.4.1 Planologisch slot op de muur voor de veehouderij In eerste instantie is onderzocht wat de effecten zouden kunnen zijn van het aanbrengen van een planologisch slot-op-de-muur voor de veehouderij. Een dergelijk slot-op-de-muur heeft gevolgen
38/170
Kenmerk
R002-1281780LBE-V02-mdg-NL
voor de omgeving, maar vooral voor de bedrijfsvoering. Het eindbeeld kan langs drie sporen worden bereikt: • Fixeren van het aantal dieren dat wordt gehouden • Fixeren van de harde veestalmuren op de nu geldende situatie (conform provinciaal beleid) •
Fixeren van de emissie / depositie op de nu geldende situatie
Opgemerkt wordt dat in alle drie varianten het depositieprofiel van de huidige situatie niet verandert. Deze planregels kunnen dus, na invoering, significante effecten voorkomen ten opzichte van het huidig gebruik. 4.4.2 Fixeren van het aantal dierplaatsen, ook in de melkveehouderij Als het vanuit ruimtelijke overwegingen noodzakelijk is, kan worden overwogen om in het bestemmingsplan het aantal dierplaatsen vast te leggen in het bestemmingsplan (de uitspraak van 8 mei 2013 - nr. 201208118/1/R1 - bevestigt dat het vastleggen van een maximum aantal dieren in het bestemmingsplan kan). Een dergelijke invulling van een slot-op-de-muur geeft aan de ondernemers in het plangebied de mogelijkheid om verbeteringen aan te brengen in de bedrijfsgebouwen. Groei van de onderneming, bijna altijd een randvoorwaarde om ontwikkelingen mogelijk te maken, is in dit spoor echter alleen mogelijk door (uitgebreide) planologische procedures te doorlopen of in ieder geval een omgevingsvergunning aan te vragen die het toe staat om, in afwijking van de bestemming, een dergelijke uitbreiding toe te staan. Dit spoor levert een zekere flexibiliteit maar zorgt ook voor procedurele verplichtingen met alle nadelen van dien. Dit handvat biedt te weinig perspectief en zal niet worden aangegrepen.
4.4.3 Fixeren van de harde (stal)muren Gehoor gevend aan provinciaal beleid wordt er in principe geen uitbreiding toegestaan van de ruimte die nu wordt gebruikt door gebouwen waarin dieren gehouden kunnen worden. Dit kan betekenen dat voor elke verbouwing een (uitgebreide) planologische procedure doorlopen moet worden of in ieder geval een omgevingsvergunning die het toe staat om, in afwijking van de bestemming, een dergelijke uitbreiding toe te staan. Een dergelijk onvoorwaardelijk planologisch slot op de muur garandeert dat het aantal dierplaatsen niet toe kan nemen op basis van het onderhavige plan bij dezelfde bedrijfsvoering. Het zorgt echter ook voor een zware procedurele last voor de ondernemers die, om gezond te kunnen blijven boeren, de mogelijkheid moeten hebben om (kleine) veranderingen / verbeteringen aan te kunnen brengen in de manier waarop de bedrijfsvoering plaats vindt. De provinciale verordening biedt ruimte om, onder strikte voorwaarden, toch een zekere uitbreiding van de dierverblijfplaatsen te realiseren. Daartoe worden kwaliteitseisen gesteld aan de nieuw te bouwen stallen die verder gaan dan de emissie grenswaarden uit het nieuwe Besluit huisvesting. Als van deze mogelijkheden die de provinciale verordening gebruikt gemaakt wordt zal echter de gebiedsemissie toe kunnen nemen en is er (zonder aanvullende planologische maatregelen) geen
39/170
Kenmerk
R002-1281780LBE-V02-mdg-NL
sprake meer van een slot op de muur. Zonder aanvullende planmaatregelen zullen er langs dit spoor naar alle waarschijnlijkheid significant negatieve effecten optreden op de kwalificerende habitats in de nabij gelegen Natura 2000-gebieden. 4.4.4 Fixeren van de emissie / depositie vanuit de veehouderij Een slot-op-de-muur kan ook langs een derde spoor worden bereikt, namelijk door in de planregels een voorwaardelijke verplichting op te nemen ook wel aangeduid als een ‘verbale regeling’ of een ‘vangnet constructie’. In materiële zin laat een dergelijk regeling alleen ontwikkelingen toe als is aangetoond dat de depositie in de nieuwe situatie (met grotere stallen) niet zal toenemen ten opzichte van de huidige depositie. Het voordeel van een dergelijke regeling is dat er voor bedrijfsontwikkelingen geen aanvullende ruimtelijke procedures doorlopen hoeven te worden. Salderingsruimte binnen de veehouderij Doel van het onderzoek in dit stadium is aan te tonen of, en zo ja hoeveel, ontwikkelruimte er voor de veehouderij in het plangebied beschikbaar is vanuit een interne saldering in het gebied, zonder dat er negatieve effecten op zullen treden ter plaatse van de kwalificerende habitats in de Natura 2000-gebieden.
In de onderstaande matrix is weergegeven wat het effect van sectorale emissie beperkende maatregelen kan zijn, langs het spoor van interne saldering per bouwvlak, op de emissies uit het gebied. Voor wat betreft de maximale vulgraad is er in deze set berekeningen uitgegaan van 80 % en 50 % voor respectievelijk de intensieve en de grondgebonden veehouderij.
Gebiedsemissie in de huidige situatie: 93.168 kg/jaar emissie reductie (%) uitbreiding tot maximaal (in hectares) Niet Intensieve intensieve veehouderij veehouderij 1 ha 1,5 ha 2, 0 ha 0 0 103.906 155.859 207.812 0 26 101.090 151.634 202.179 0 54 98.073 147.109 196.146 0 60 88.354 132.530 176.707
2,5 ha 259.766 252.724 245.182 220.884
huidig 3,0 ha bouwvlak 311.719 190.554 303.269 181.202 294.219 171.186 265.061 160.327
70 70 70 70
0 26 54 60
49.317 42.577 35.319 33.764
73.975 63.866 52.979 50.646
98.633 85.154 70.639 67.528
123.292 106.443 88.298 84.410
147.950 127.731 105.958 101.292
92.430 79.332 65.226 62.204
85 85 85 85
0 26 54 60
37.619 30.879 23.621 22.066
56.428 46.319 35.432 33.099
75.238 61.759 47.243 44.132
94.047 77.198 59.054 55.166
112.857 92.638 70.864 66.199
71.404 58.306 44.200 41.177
In het onderzoek wordt onderscheid gemaakt tussen emissie reductie in de intensieve veehouderij versus de niet intensieve veehouderij (meest melkvee). De gekozen emissie reductie percentages zijn terug te voeren op de maatregelen zoals die in de Rav zijn vastgelegd.
40/170
Kenmerk
R002-1281780LBE-V02-mdg-NL
In de matrix wordt in eerste instantie gerekend met geen enkele emissie reductie maatregel in de intensieve veehouderij. De matrix toont aan dat als er in de intensieve veehouderij geen reductiemaatregelen worden getroffen, de gebieds emissie vrijwel altijd toe zal nemen, zelfs als in de niet intensieve veehouderij de meest vergaande emissie reductie maatregelen 16 worden genomen. De matrix toont verder aan dat een inzet van 85 % emissiereductie op I.V.-stallen de gebiedsemissie in vrijwel alle gevalle doet afnemen tot onder de gebiedsemissie die voor de huidige situatie is vastgesteld, ook als alle bij recht toegekende bouwvlakken volledig worden benut. Daarmee is er op gebiedsniveau aangetoond dat er voldoende interne salderingscapaciteit beschikbaar is om alle bouwvlakken te verdichten, zonder dat de emissie vanuit het gebied zal toenemen.
4.5
Mogelijkheden en effecten van het fixeren van de emissie/depositie
In deze paragraaf wordt ingegaan op de mogelijkheden die geboden worden door het fixeren van de stikstofemissie / depositie op het referentieniveau. Daarbij wordt ook gekeken naar eventuele onwenselijke gevolgen van een dergelijke maatregel. 4.5.1
Mogelijke maatregelen die de effecten kunnen voorkomen
Om de negatieve effecten uit de worstcase te voorkomen zijn (planologische) maatregelen noodzakelijk. De emissieberekeningen gepresenteerd in paragraaf 4.4.4 hebben aangetoond dat bij de inzet van emissiebeperkende maatregelen op bestaande en nieuwe dierverblijfplaatsen, het redelijkerwijs mogelijk is alle bestaande bouwvlakken volledig te benutten zonder dat er sprake is van een toename van de stikstofemissies vanuit het plangebied. Het is daarom niet onredelijk om een voorwaardelijke beperking in het bestemmingsplan op te nemen: uitbreidingen van de bestaande dierverblijfplaatsen zijn mogelijk, binnen het bestaande bouwvlak, met dien verstande dat het gebruik van de bestaande en nieuwe dierverblijfplaatsen onmogelijk is als er sprake zou zijn van een toename van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden (als gevolg van emissies uit het bouwvlak) ten opzichte van de referentiesituatie. Opgemerkt wordt dat het toepassen van deze regeling op basis van de uitspraak 201201041/1/R4 van 1 juni 2016 (in zake het bestemmingsplan Weststellingwerf) beschouwd kan worden als in lijn met de geldende jurisprudentie. 4.5.2 De gebruiksregel geldt niet altijd De uitspraak 201201041/1/R4 van 1 juni 2016 (in zake het bestemmingsplan Weststellingwerf) biedt in ieder geval één mogelijkheid om een uitzondering te maken op de gebruiksregel zoals die is beschreven in paragraaf 4.5.1.
Deze door de Raad van State aangehaalde mogelijkheid om een uitzondering te maken op de gebruiksregel wordt gevormd door al die bouwvlakken waarvoor op
16
De 60 % reductie in de melkveehouderij is een theoretische situatie omdat de Rav de daarbij behorende gas was
systemen vrijwel in geen enkele situatie meer toe staat.
41/170
Kenmerk
R002-1281780LBE-V02-mdg-NL
de datum dat het bestemmingsplan definitief wordt vastgesteld geldt dat er een onherroepelijke vergunning Wet natuurbescherming (voorheen Nb-wet vergunning) is afgegeven 17.
4.6
De resultaten van de emissieberekeningen samengevat
Door emissieberekeningen is vastgesteld dat er maatregelen nodig zijn om de (agrarische) bouwvlakken in het bestemmingsplan volledig te kunnen benutten zonder dat daar significante effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de kwalificerende habitats in Natura 2000gebieden uit voortvloeien. Door in een generieke gebruiksbeperking de toename van stikstofdepositie tot strijdig gebruik te verklaren worden significante effecten voorkomen. Als er op het moment van het vaststellen van het plan sprake is van een agrarisch bouwvlak met een nog niet gerealiseerde vergunning Wnb die voldoet aan de criteria beschreven in de uitspraak van 1 juni 2016 in zake het bestemmingsplan voor Weststellingwerf geldt de gebruiksbeperking niet 18.
17
Voor de randvoorwaarden waaraan deze beschikking dient te voldoen wordt verwezen naar de uitspraak van
1 juni 2016 in het algemeen, en naar paragraaf 49.9 van deze uitspraak in het bijzonder 18
Opgemerkt wordt dat één-op-één-inpassing niet mogelijk is voor onder het PAS-regime verleende
natuurvergunningen (m.u.v. de vergunningen die in die periode onder het overgangsrecht vielen en nog conform het pre-PAS-regime zijn verleend)
42/170
Kenmerk
R002-1281780LBE-V02-mdg-NL
5 Natuur Een belangrijk onderwerp in dit milieueffectrapport is natuur. Er is inzichtelijk gemaakt of door ontwikkelingsmogelijkheden in het bestemmingsplan (significant) negatieve effecten kunnen optreden op relevante natuurwaarden. Daarbij is ook van belang of eventuele effecten een probleem kunnen vormen voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in het licht van natuurwetgeving, zoals de Wet natuurbescherming. Dit hoofdstuk gaat in op de effecten op natuurwaarden.
5.1
Beoordelingskader
De ontwikkelingsruimte die het bestemmingsplan mogelijk maakt kan op verschillende manieren van invloed zijn op beschermde natuur. Onderstaande tabel toont welke beoordelingskaders zijn toegepast voor dit onderdeel. Tabel 5.1 Wijze van beoordeling effecten op natuur. Aspect
Criterium
Beoordeling
Gebiedsbescherming – Natura
Uitvoerbaarheid bestemmingsplan, betreft:
Kwantitatief en
2000
Effecten op instandhoudingsdoelen door mogelijk
kwalitatief
gemaakte ontwikkelingen Gebiedsbescherming -
Uitvoerbaarheid bestemmingsplan, betreft:
provinciaal beleid: NNN,
Effecten op wezenlijke waarden en kenmerken door
Natte Natuurparels,
mogelijk gemaakte ontwikkelingen
Kwalitatief
Attentiezone waterhuishouding, Werkingsgebied ‘behoud en herstel van watersystemen’, de Groenblauwe mantel Beschermde soorten
Uitvoerbaarheid bestemmingsplan, betreft:
Kwalitatief
Effecten op beschermde soorten, mogelijkheid overtreding verbodsbepalingen door mogelijk gemaakte ontwikkelingen Beschermde houtopstanden
Uitvoerbaarheid bestemmingsplan, betreft:
Kwalitatief
Effecten op beschermde houtopstanden, mogelijkheid kappen beschermde houtopstanden door mogelijk gemaakte ontwikkelingen
Bovenstaande beoordelingskaders komen in dit hoofdstuk achtereenvolgens aan bod. Hiermee wordt een volledig beeld gevormd van relevante effecten op natuurwaarden en de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan op het gebied van de natuurwet- en regelgeving.
43/170
Kenmerk
5.2
R002-1281780LBE-V02-mdg-NL
Ontwikkelingen en te verwachten effecten
De ontwikkelingen die het nieuwe bestemmingsplan mogelijk maakt, en een mogelijk effect op de natuurwaarden hebben zijn: • Uitbreiding bebouwing binnen bestaande bouwvlakken • •
Kleinschalig recreatief medegebruik Kleinschalige ontwikkelingen zoals het plaatsen van lichtmasten, beheer en onderhoud
Actueel liggen er geen concrete plannen voor nieuwe natuurontwikkeling binnen deelgebied 4. Wel is er binnen de bestaande begrenzing van het Natuurnetwerk Brabant sprake van een natuurambitie. De idee is om bepaalde terreinen rond de Goorloop en Sang en Goorkens, die reeds zijn begrensd als natuurgebied, als natuur in te richten. Dat is in de toekomst een mogelijk ontwikkeling die gunstig uitpakt voor natuur. Type effecten Effecten op natuur kunnen op verschillende manieren optreden. De typen effecten zijn te verdelen in fysieke en niet-fysieke effecten. Hieronder zijn de typen effecten benoemd die kunnen optreden ten gevolge van de eerdergenoemde ontwikkelingsruimte die het bestemmingsplan biedt. Op deze onderdelen is in de ecologische effectbeoordeling getoetst aan de relevante wetgeving: Wet Natuurbescherming (Natura 2000-gebieden en beschermde soorten) en provinciaal beschermde gebieden, zoals het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Directe effecten • • •
Oppervlakteverlies en versnippering Verandering populatiedynamiek en bewuste verandering soortensamenstelling Kap of snoei van vegetatie
•
Aantasten of verwijderen van verblijfplaatsen/essentieel leefgebied soorten
Indirecte effecten (externe werking) • • •
Verontreiniging Effecten op het watersysteem: vernatting of verdroging Verstoring door geluid, licht, trilling of optische verstoring
•
Verzuring of vermesting ten gevolge van stikstofuitstoot veehouderijen en verkeer aantrekkende werking
5.3
Huidige natuurwaarden en autonome ontwikkeling
De natuurwaarden binnen deelgebied 4 van het buitengebied Someren zijn voornamelijk afhankelijk van de bos- en natuurgebieden, maar ook van landschapselementen en (oude) bebouwing in het agrarisch gebied. Binnen het plangebied zijn natuurwaarden aanwezig die zijn beschermd door de Wet natuurbescherming onder soortbescherming. In het plangebied liggen geen Natura 2000-gebieden. In de omgeving van het plangebied liggen meerdere Natura 2000-gebieden. Het betreft onderstaande gebieden: • Strabrechtse Heide & Beuven • •
Leenderbos Groote heide & De Plateaux
44/170
Kenmerk
R002-1281780LBE-V02-mdg-NL
•
Groote Peel
• •
Deurnsche Peel & Mariapeel Weerter- en Budelerbergen & Ringselven
In het plangebied liggen wel delen van het Natuurnetwerk Brabant (onderdeel van het NNN) en andere provinciaal beschermde gebieden zoals EVZ, de groenblauwe mantel, natte natuurparels, attentiezones waterhuishouding en werkingsgebieden in het kader van behoud en herstel van watersystemen. 5.3.1
Autonome ontwikkeling biodiversiteit
Bij de beschrijvingen van de natuurwaarden is geen nadrukkelijk onderscheid gemaakt tussen de huidige situatie en de autonome ontwikkeling. De achtergrond daarvan wordt hieronder toegelicht. Uit de Balans van de Leefomgeving 2020 [PBL, 2020 19] blijkt dat de Nederlandse natuur zich langzaam herstelt, maar dat dit vooralsnog onvoldoende is om gestelde doelen binnen Europa te behalen. Dit gemiddelde beeld van herstel wordt echter sterk gekleurd door de toename van algemenere soorten. Voor veel zeldzame soorten is sprake van een aanhoudende teruggang. Met name soorten die hoge eisen stellen aan de kwaliteit van het leefgebied en soorten die kenmerkend zijn voor het agrarisch landschap nemen in veel gevallen nog steeds sterk af. Deze negatieve trend valt onder andere te verklaren doordat ruimtelijke en milieucondities nog onvoldoende zijn voor herstel. Door aanhoudende verdroging, vermesting, verzuring en een gebrek aan ruimtelijke samenhang blijft sprake van een ‘vervlakking’ van de biodiversiteit. Wetgeving Er mag van worden uitgegaan dat de gebieds- en soortenbescherming in het kader van de Wet natuurbescherming, behoud en ontwikkeling van het NNN en andere ruimtelijke beschermingsregimes een belangrijke bijdrage leveren aan het remmen van de achteruitgang van biodiversiteit.
Dat er desondanks toch nog steeds sprake is van een vervlakking van de biodiversiteit hangt, zoals hiervoor omschreven, dus vooral samen met een onvoldoende verbetering van duurzame ruimtelijke en milieucondities. Hoewel de milieucondities de laatste decennia wel verbeterd zijn, is momenteel sprake van een afvlakking van de snelheid van verbetering. Op korte termijn zullen daardoor de gestelde doelen voor duurzame milieucondities voor behoud van biodiversiteit nog niet gehaald worden. Hoewel er veel onzekerheid is over de doelstellingen in de tijd, geldt wel dat de ambities voor het realiseren van het NNN grotendeels intact blijven. In het kader van de Habitat- en Vogelrichtlijn heeft Nederland zich verder verplicht om zorg te dragen voor het behalen van de instandhoudingsdoelen voor Natura 2000-gebieden. Ook voor veel Europees en nationaal bedreigde soorten geldt dat sprake blijft van een passende bescherming via de Wet natuurbescherming, waar het gaat om bijvoorbeeld ruimtelijke ingrepen zowel binnen als buiten natuurgebieden.
19
PBL, 2020. Balans van de Leefomgeving 2020. Burger in zicht, overheid aan zet, PBL-publicatienummer 4165
45/170
Kenmerk
R002-1281780LBE-V02-mdg-NL
Inpassing in ruimtelijk beleid en toetsing Beïnvloeding van milieucondities hangt veelal samen met langlopende beleidsambities en ontwikkelingen op landelijke of zelfs internationale schaal. Deze worden niet wezenlijk beïnvloed door het ruimtelijke ordeningsspoor op lokale schaal, en blijven hier verder buiten beschouwing. Vanuit het perspectief van het bestemmingsplan hanteren we daarom als uitgangspunt dat de autonome ontwikkeling van natuurwaarden op basis van geldend beleid en geldende wetgeving minimaal neutraal zal (moeten) zijn. Dit betekent concreet dat we de autonome ontwikkeling gelijk stellen aan de huidige situatie. Bij de beschrijvingen van de natuurwaarden voor het buitengebied van Someren deelgebied 4 is daarom geen nadrukkelijk onderscheid gemaakt tussen de huidige situatie en de autonome ontwikkeling. 5.3.2 Natura 2000-gebieden De toetsing van effecten op Natura 2000-gebieden betreft een passende beoordeling zoals bedoeld in artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming. Daarbij is onder meer ruime aandacht besteed aan mogelijkheden in relatie tot de milieukwaliteit binnen het Natura 2000-areaal (met name stikstofdepositie). In de ruime omgeving van de gemeente Someren liggen diverse gebieden die zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming. Dit zijn Natura 2000-gebieden (zie tabel 5.2 en figuur 5.1) in zowel binnen- als buitenland.
Effecten op gebieden die op circa 10 km of meer van het plangebied liggen zijn, met uitzondering van effecten als gevolg van stikstof, uitgesloten. Dit vanwege de tussengelegen afstand en de aard van de ontwikkelingen. De gebiedsbeschrijving en de beschrijving van de doelen per gebied zijn opgenomen in bijlage 3. Tabel 5.2 Nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Per gebied is de minimale tussengelegen afstand (indicatief) weergegeven tot deelgebied 4 van het buitengebied van Someren (VR = Vogelrichtlijn; HR = Habitatrichtlijn). Natura 2000
Type gebied
Stikstof-
Afstand
gevoelig Strabrechtse Heide & Beuven
VR + HR
Ja
10 m
Leenderbos, Groote heide & de Plateaux
VR + HR
Ja
7,7 km
Groote Peel
VR + HR
Ja
9,8 km
Deurnsche Peel & Mariapeel
VR + HR
Ja
10,5 km
Weerter- en Budelerbergen & Ringselven
VR + HR
Ja
11,3 km
46/170
Kenmerk
R002-1281780LBE-V02-mdg-NL
Figuur 5.1 Ligging van het plangebied ten opzichte van nabijgelegen Natura 2000-gebieden.
5.3.3
Gebiedsbescherming - provinciaal beleid
In de provincie Noord-Brabant zijn gebieden met natuurwaarden beschermd. Dit is vastgelegd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant [provincie Noord-Brabant, geconsolideerde versie januari 2020] die regels stelt ten aanzien van: • • •
Het Natuurnetwerk Brabant (NNB; de provinciale invulling van het NNN) De Ecologische Verbindingszones (EVZ) Natte natuurparels
• • •
De zogenaamde ‘attentiezone waterhuishouding’ Werkingsgebied ‘behoud en herstel van watersystemen’ De Groenblauwe Mantel
In het plangebied liggen gebieden die deel uitmaken van het NNB en gebieden die zijn aangewezen als de Groenblauwe mantel. In het kader van het NNB zijn binnen het plangebied ook EVZ’s opgenomen, te weten delen van de Zuid-Willemsvaart, het Eindhovensch kanaal en de Goorloop (zie figuur 5.2). Deze EVZ’s liggen langs de randen van het plangebied. Daarnaast liggen er binnen het plangebied delen van twee Natte natuurparels (Sang en Goorkens & Oude Gooren), delen van de attentiezone waterhuishouding en delen van het werkingsgebied voor het behoud en herstel van watersystemen (zie figuur 5.3). In de navolgende paragrafen is het provinciaal beleid per relevant gebiedstype toegelicht.
47/170
Kenmerk
R002-1281780LBE-V02-mdg-NL
Figuur 5.2 Ligging plangebied ten opzichte van het Natuurnetwerk Brabant, EVZ’s en de Groenblauwe Mantel
Figuur 5.3 Ligging plangebied ten opzichte van attentiezones waterhuishouding, natte natuurparels en werkingsgebied behoud en herstel watersystemen
48/170
Kenmerk
R002-1281780LBE-V02-mdg-NL
NNB - Natuurnetwerk Brabant Alle grotere natuurgebieden, ook de gebieden die niet zijn aangemerkt als Natura 2000-gebied, zijn in Nederland planologisch beschermd. Deze gebieden maken deel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), het samenhangende netwerk van natuurgebieden in Nederland. Het beleid voor het NNN is gericht op behoud en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden. Daarom geldt in het NNN het ‘nee, tenzij’-regime. Ruimtelijke ingrepen in het NNN met negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied zijn in beginsel niet toegestaan. Een dergelijk project kan alleen doorgaan, als er geen reële alternatieven mogelijk zijn én er sprake is van redenen van groot openbaar belang. Een initiatiefnemer is in dit geval verplicht om de negatieve effecten te mitigeren. Dit houdt in dat het optreden van negatieve effecten wordt voorkomen of beperkt door aanvullende maatregelen te treffen. Bij overblijvende negatieve effecten is compensatie de laatste stap om de optredende schade te herstellen [ministerie van LNV, 2007]. Het bestemmingsplan dient regels te stellen betreft het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ‘ecologische waarden en kenmerken’ van het Natuurnetwerk Brabant.
De ‘wezenlijke waarden en kenmerken’ zijn de natuurbeheertypen die zijn vastgesteld in de beheertypen- en ambitiekaart van het Natuurbeheerplan [provincie Noord-Brabant, 2022]. Ontwikkelingen dienen niet alleen te worden getoetst op directe effecten, maar ook op indirecte effecten (externe werking), met uitzondering van verspreiding van stoffen door de lucht of water. Negatieve effecten moeten waar mogelijk worden beperkt. Overblijvende, negatieve effecten worden gecompenseerd. In het plangebied zijn gebieden aangewezen als NNB, onderdeel van het NNN. Kerngebieden voor het NNB in het plangebied zijn grofweg de Herselse bossen, de Oude Gooren en Sang en Goorkens. De Herselse bossen liggen centraal in het plangebied en worden nagenoeg volledig beheerd als droog bos met productie (N16.03). Deze als NNB begrensde bosgebieden zijn vooral van ecologisch belang als broedgelegenheid voor bosvogels en leefgebied voor landzoogdieren. Binnen dit beheertype is ook houtoogst een doel. De Oude Gooren is een klein natuurgebied aan de oostzijde van het plangebied, grenzend aan de Zuid-Willemsvaart. NNN-gebied de Oude Gooren staat bekend om de aanwezigheid van zeldzame planten als gevolg van een lokale kalkrijke kwelsituatie. De huidige beheertypen zijn hoog- en laagveenbos (N14.02), natte schraallanden (N10.01) en vochtige hooilanden (N10.02).
Er ligt een natuurambitie om het oppervlakte aan natte schraallanden (N10.01) uit te breiden en in te zetten op het beheer van de beboste delen als zijnde rivier- en beekbegeleiding bos (N14.01). Het natuurgebied Sang en Goorkens betreft een beekdalzone van onder andere de Goorloop en de Vleutloop. Dit natuurgebied ligt in een kwelbekken met kalkrijke kwel. De aanwezige flora bestaat voor een groot deel uit typische soorten van het elzenzegge-elzenbroekbos. De huidige beheertypen zijn hoogen laagveenbos (N14.02), Dennen-, eiken- en beukenbos (N15.02) en vochtig hooiland (N10.2). Net als in de Oude Gooren speelt ook hier de natuurambitie om het oppervlakte aan natte schraallanden uit te breiden en in te zetten op het beheer van de beboste delen als zijnde rivieren beekbegeleiding bos (N14.01). Lokaal ligt er een ambitie voor het ontwikkelen van dynamisch moeras (N05.04), vochtig hooiland (N10.02), vochtig bos met productie (N16.04), kruiden en faunarijk grasland (N12.02) en Dennen-, eiken- en beukenbos (N15.02).
49/170
Kenmerk
R002-1281780LBE-V02-mdg-NL
EVZ - Ecologische Verbindingszones Het bestemmingsplan moet regels opstellen om te voorkomen dat het gebied minder geschikt wordt voor de realisatie, het behoud en het beheer van Ecologische Verbindingszones. Hierbij is het vooral van belang regels te stellen die bebouwing en grote oppervlakteverharding in het gebied beperken. de Zuid-Willemsvaart, het Eindhovensch kanaal en de Goorloop zijn aangewezen als EVZ. Deze liggen langs de randen van het plangebied. De EVZ’s vormen een essentiële bouwsteen van het NNB en functioneren als migratieroutes voor soorten. De Zuid-Willemsvaart is naar verwachting vooral van ecologische waarde voor vissen, vleermuizen, otter en bever die deze watergang (kunnen) gebruiken om te migreren. Het Eindhovensch kanaal heeft een iets natuurlijk karakter. Deze watergang is natuurlijk ingepast, want er staan houtsingels naast. Bij de Goorloop is in de afgelopen jaren gewerkt aan beekherstel om de gewenste stroomsnelheid en natuurlijke beekoevers terug te brengen. De Goorloop biedt leefgebied en migratiemogelijkheden voor vissen als bermpje, winde, kopvoorn, riviergrondel en kleine modderkruiper. Doelsoorten voor deze EVZ zijn de kamsalamander, struweelvogels, ijsvogel en kleine en grote modderkruiper. Daarnaast zijn er verschillende soorten ongewervelden en landzoogdieren die profiteren van de EVZ.
Groenblauwe Mantel Een bestemmingsplan binnen de Groenblauwe mantel heeft als doel het behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de daarmee samenhangende ecologische, landschappelijke en hydrologische waarden en kenmerken van het gebied. Grote delen van het plangebied welke niet zijn begrensd als NNB zijn wel opgenomen in de Groenblauwe mantel. Het betreft hoofdzakelijk agrarische gebieden grenzend aan het NNB. Natte natuurparels Natte natuurparels zijn de waterafhankelijke delen van het NNB die behoren tot een samenhangend complex van natuurgebieden die sterk afhankelijk zijn van hoge grondwaterstanden of kwel. Ook wordt hier gewerkt ingezet op verbetering van de waterkwaliteit. In het plangebied zijn twee gebieden aangewezen als Natte natuurparel, namelijk Sang en Goorkens en Oude Gooren. Deze gebieden zijn ook als NNB begrensd. Attentiezone waterhuishouding In de Attentiezone waterhuishouding gelden restricties ten aanzien van grondwateronttrekkingen. Het bestemmingsplan moet regels stellen tot bescherming van de waterhuishouding en sluit functies en activiteiten uit die een negatief effect hebben op de hydrologische instandhoudingsdoelen van het hierbinnen gelegen NNB en Natte Natuurparels. Grote delen van het plangebied zijn aangewezen als attentiezone voor waterhuishouding.
50/170
Kenmerk
R002-1281780LBE-V02-mdg-NL
Werkingsgebied ‘Behoud en herstel watersystemen In deze gebieden is het beleid vanuit een regionaal belang gericht op behoud, verbetering en herstel van het natuurlijke watersysteem. Het gaat om: • Waterlopen met de functie waternatuur • •
(Natte) ecologische verbindingszones Gebieden die in de reconstructie- en gebiedsplannen zijn aangeduid als 'ruimte voor beek- en kreekherstel'
Binnen de gebieden zijn of worden maatregelen uitgevoerd op het gebied van de morfologie, zoals het laten hermeanderen van beken, het aanleggen van plas-draszones en het herstel van kwel. Binnen de gebieden gelden beperkingen voor functies en activiteiten die het realiseren van watersysteemherstel belemmeren of onnodig kostbaar maken. In zijn algemeenheid is er sprake van een zone van 25 m rondom een waterloop. Het werkingsgebied behoud en herstel van watersystemen overlapt voor een deel met het Natuur Netwerk Brabant - ecologische verbindingszone (NNB-evz) en de groenblauwe mantel. Binnen behoud en herstel van watersystemen zijn dan aanvullend, specifieke regels gesteld ter bescherming van het belang, zoals het ophogen van gronden. In het plangebied zijn de Goorloop, Vleutloop en de Zuid-Willemsvaart aangewezen als werkingsgebieden voor het behoud en herstel van watersystemen. Deze gebieden zijn eveneens aangewezen als NNN ofwel opgenomen als EVZ, als onderdeel van het NNN. 5.3.4 Beschermde soorten Diverse dier- en plantsoorten zijn door de Wet natuurbescherming beschermd. Deze soorten zijn genoemd in de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn bijlage IV, Conventie van Bern bijlage I en II en Conventie van Bonn bijlage I, en de bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming.
De bescherming houdt in dat bij werkzaamheden of ruimtelijke ingrepen, schade aan deze soorten moet worden voorkomen, mogelijk met inbegrip van mitigerende (verzachtende) maatregelen. Als dit niet mogelijk is, dan moeten vooraf compenserende maatregelen worden genomen en een ontheffing Wnb worden aangevraagd. Vogelnesten die in gebruik zijn, zijn altijd beschermd. De nesten van een aantal soorten vogels zijn ook buiten de broedperiode beschermd. Dit zijn de zogeheten jaarrond beschermde vogelnesten (Wnb artikel 3.1, categorie 1 tot en met 4). In tabel 5.3 is weergegeven welke beschermde soorten en vogelnesten (categorie 1 tot en met 4) van de Wet natuurbescherming kunnen voorkomen in het plangebied. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen soorten waarvoor het agrarisch gebied belangrijk is als leefgebied en soorten die zich in hun verspreiding vooral beperken tot de bos- en natuurgebieden. Dit onderscheid is gemaakt, omdat het bestemmingsplan vooral ontwikkelingsruimte biedt in het agrarisch gebied. Het belang van het agrarisch leefgebied voor de verwachte soorten is in de navolgende alinea’s nader toegelicht.
51/170
Kenmerk
R002-1281780LBE-V02-mdg-NL
Tabel 5.3 Beschermde soorten (Wet natuurbescherming) die in of nabij het plangebied te verwachten zijn. Niet cursief: soorten die uitsluitend voorkomen in natuurgebied en bosgebied. Cursief: soorten die daarnaast ook kunnen voorkomen in agrarisch gebied. Soortgroep
Soort
Beschermd onder Wnb
Vaatplanten
Drijvende waterweegbree
Artikel 3.5
Smalle raai
Artikel 3.10
Wilde ridderspoor
Artikel 3.10
Dreps
Artikel 3.10
Grote leeuwenklauw
Artikel 3.10
Bever
Artikel 3.5
Boommarter
Artikel 3.10
Bunzing
Artikel 3.10
Das
Artikel 3.10
Eekhoorn
Artikel 3.10
Hermelijn
Artikel 3.10
Otter
Artikel 3.5
Steenmarter
Artikel 3.10
Waterspitsmuis
Artikel 3.10
Wezel
Artikel 3.10
Wild zwijn
Artikel 3.10
Baardvleermuis
Artikel 3.5
Franjestaart
Artikel 3.5
Gewone dwergvleermuis
Artikel 3.5
Gewone grootoorvleermuis
Artikel 3.5
Grijze grootoorvleermuis
Artikel 3.5
Ingekorven vleermuis
Artikel 3.5
Kleine dwergvleermuis
Artikel 3.5
Laatvlieger
Artikel 3.5
Meervleermuis
Artikel 3.5
Rosse vleermuis
Artikel 3.5
Ruige dwergvleermuis
Artikel 3.5
Tweekleurige vleermuis
Artikel 3.5
Watervleermuis
Artikel 3.5
Boomvalk
Artikel 3.1
Buizerd
Artikel 3.1
Gierzwaluw
Artikel 3.1
Grote gele kwikstaart
Artikel 3.1
Havik
Artikel 3.1
Huismus
Artikel 3.1
Kerkuil
Artikel 3.1
Ooievaar
Artikel 3.1
Ransuil
Artikel 3.1
Roek
Artikel 3.1
Slechtvalk
Artikel 3.1
Grondgebonden zoogdieren
Vleermuizen
Vogels
52/170
Kenmerk
Soortgroep
R002-1281780LBE-V02-mdg-NL
Soort
Beschermd onder Wnb
Sperwer
Artikel 3.1
Steenuil
Artikel 3.1
Wespendief
Artikel 3.1
Reptielen
Levendbarende hagedis
Artikel 3.10
Amfibieën
Alpenwatersalamander
Artikel 3.10
Heikikker
Artikel 3.5
Kamsalamander
Artikel 3.5
Poelkikker
Artikel 3.5
Rugstreeppad
Artikel 3.5
Vinpootsalamander
Artikel 3.10
Vissen
Grote modderkruiper
Artikel 3.10
Libellen
Gevlekte glanslibel
Artikel 3.10
Beekrombout
Artikel 3.10
Bosbeekjuffer
Artikel 3.10
Gevlekte witsnuitlibel
Artikel 3.5
Kleine ijsvogelvlinder
Artikel 3.10
Spiegeldikkopje
Artikel 3.10
Bruine eikenpage
Artikel 3.10
Gentiaanblauwtje
Artikel 3.10
Grote vos
Artikel 3.10
Grote weerschijnvlinder
Artikel 3.10
Teunisbloempijlstaart
Artikel 3.10
Vermiljoenkever
Artikel 3.5
Dagvlinders
Kevers
Vaatplanten In het agrarisch gebied kunnen (zwaarder) beschermde vaatplanten voorkomen. Drijvende waterweegbree is een vrij zeldzame soort, maar komt in Noord-Brabant verspreid voor. De soort komt voor in natuurgebieden (vennen en laaglandbeken), maar incidenteel ook in sloten en beken in het agrarisch gebied. Op basis van regionale verspreidingsgegevens kunnen ook enkele akker(on)kruiden (zoals bijvoorbeeld dreps, smalle raai, grote leeuwenklauw) in potentie voorkomen in het plangebied. Echter, door het intensief beheerde karakter van de agrarische grond in het plangebied wordt de aanwezigheid van deze groep planten niet verwacht. In de nabijheid van het plangebied is wel een waarneming bekend van wilde ridderspoor. Deze soort is doorgaans te vinden op matig voedselrijke kalkhoudende zandige klei en op ruderale omgewerkte terreinen. Het aanwezige biotoop in het plangebied voldoet onvoldoende aan de eisen die deze soort stelt aan een groeiplaats. Grondgebonden zoogdieren Een aantal grondgebonden zoogdieren kan voorkomen in het agrarisch gebied, waaronder bunzing, boommarter, das, eekhoorn, hermelijn, steenmarter en wezel. Steenmarter heeft onder meer verblijfplaatsen in gebouwen zoals agrarische schuurtjes. Bunzing, hermelijn en wezel
53/170
Kenmerk
R002-1281780LBE-V02-mdg-NL
hebben een scala aan verblijfplaatsen in holen zoals oude konijnen- of muizenholen, of onder boomwortels, maar ook oude gebouwen en schuren. Ze foerageren vaak op randzones tussen bos en agrarisch gebied en maken gebruik van lijnelementen zoals watergangen en structuren met voldoende dekking als houtwallen. Boommarter en eekhoorn hebben verblijfplaatsen in bomen, maar foerageren hierbij ook in het agrarisch gebied. Das maakt verblijfplaatsen in vergraafbare grond, vaak in niet-verstoorde delen van bosschages, maar ook op de rand van agrarische percelen. De das foerageert ook in het agrarisch gebied. Bever kan voorkomen in het gebied in de nabijheid van waterlichamen. Vaste rust- en verblijfplaatsen worden niet verwacht op of direct rondom bestaande bouwvlakken van veehouderijen. Wild zwijn leeft in voedselrijke bossen (zowel gemengd bos als loofbos). Foerageren doen wilde zwijnen ook op agrarische percelen aan de randen van een bos. Waterspitsmuis komt voor in schone wateren, met voldoende onderwater- en oevervegetatie. Daarnaast moet er voldoende schuilmogelijkheden in de buurt van de oever aanwezig zijn. De soort kan daarom in watergangen nabij agrarische percelen voorkomen. De otter leeft in diverse soorten wateren met een goede dekking op de oever en rust.
De soort kan in dergelijke wateren ook nabij agrarische percelen leven of deze passeren, maar komt normaliter voor in natuurgebieden en natuurlijke wateren. Vleermuizen Diverse vleermuissoorten kunnen voorkomen in het agrarisch buitengebied. Een deel van deze soorten maakt gebruik van bebouwing als rust- en verblijfplaats. Andere soorten gebruiken bomen als rust- en verblijfplaats. Daarnaast kunnen alle genoemde soorten gebruik maken van bijvoorbeeld bomenrijen en wateren in het agrarisch gebied als vliegroute of als foerageergebied. Vogels met jaarrond beschermde nesten (categorie 1 tot en met 4) In het agrarisch buitengebied kunnen een aantal vogelsoorten broeden waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn. Zo broedt de kerkuil in grotere schuren, de steenuil in grotere schuren en oude knotwilgen en de huismus en gierzwaluw in en onder dakbedekking. Boomvalk, buizerd, havik, roek, sperwer en ransuil broeden in hogere bomen, zoals in houtwallen in het agrarisch gebied. Ooievaar broedt in oude bomen of op palen nabij agrarische percelen of bosterreinen. Slechtvalk broedt op hoge gebouwen en objecten zoals hoogspanningsmasten. Grote gele kwikstaart broedt bij stromend water in nissen van bruggen en muren of tussen boomwortels in de oever. Wespendief wordt in Nederland vooral als doortrekker waargenomen, maar lokaal wordt in grotere bosgebieden ook gebroed.