10d. Nota van zienswijzen bestemmingsplan Buitengebied Someren - Deelgebied 4
Tekst van het document
bebouwing, is rechtens niet relevant en doet dus ook niet
niet zeggen dat de vergunningsvrij opgerichte bebouwing niet legaal is en nu of
ter zake.
in de toekomst gesloopt moet worden. De bebouwing blijft bestaan onder dezelfde voorwaarden als waaronder deze destijds is opgericht.
2.22.7
Appellant geeft aan dat het college heeft laten weten dat de Allereerst willen wij benadrukken dat de volière in de huidige omvang in strijd is volière op Achterbroek 18 op zich is toegestaan maar dat
met de regels uit het bestemmingsplan en dat wij geen toezeggingen hebben
de hoogte meer dan 3 meter bedraagt. Het college geeft
gedaan dat deze is toegestaan. Dit is tevens besproken en terug te lezen in de
volgens appellant aan dat de volière kan worden
gespreksverslagen. Een volière is onder voorwaarden toegestaan. In het
gelegaliseerd door deze te verlagen naar 2,5 meter.
bestemmingsplan Buitengebied 2011 staat dat onder voorwaarden de maximale
Appellant begrijpt niet waar deze hoogte vandaan komt.
bouwhoogte voor bouwwerken geen gebouw zijnde achter de voorgevel en
Daarnaast geeft appellant aan dat verlaging geen oplossing
uitgezonderd terreinafscheidingen maximaal 3 meter hoog mogen zijn. In het
is. Kennelijk ziet het college (maar dat is niet geheel
nieuwe bestemmingsplan wordt opgenomen dat de maximale bouwhoogte voor
duidelijk) wel een oplossing door de volière deel uit te laten deze bouwwerken geen gebouw zijnde onder voorwaarden maximaal 2,5 meter maken van de regeling voor bijgebouwen. Dat is ook de
hoog mag zijn. De volière is hoger dan drie meter, waardoor deze in strijd met
wijze waarop medewerking kan worden verleend aan het
het bestemmingsplan is opgericht. Daarnaast kan de volière niet worden
planologisch regelen van de volière. Het college benoemt
gerekend als bijgebouw. Zo luidt de definitie van een bijgebouw: “een vrijstaand
dan vervolgens een ander probleem door aan te geven dat
of aangebouwd gebouw dat bouwkundig of architectonisch ondergeschikt is aan
daarmee de toegestane oppervlakte aan bijgebouwen zou
het hoofdgebouw.” Een gebouw is vervolgens gedefinieerd als: “elk bouwwerk,
worden overschreden. Die gestelde overschrijding is en
dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met
hoeft echter ook geen belemmering te zijn aangezien
wanden omsloten ruimte vormt.” De volière heeft geen dak, waardoor dit
maatwerk mogelijk is. Appellant beargumenteert dit door
bouwwerk niet kan worden gezien als een bijgebouw. De regels omtrent
aan te geven dat de “standaard” regels voor een woning in
bijgebouwen zijn dan ook niet van toepassing. Daarnaast is er geen sprake van
het buitengebied of bijgebouwen niet geschikt zijn,
enig verworven recht omtrent de volière, waardoor wij geen aanleiding zien om
aangezien er sprake is van een relatief groot perceel en
de oppervlakte aan bijgebouwen te verruimen.
vanwege de aard van de toegestane bedrijfsactiviteiten ook andere bouwwerken en gebouwen aanwezig zijn. Ondanks
Wij proberen per locatie naar maatwerk te kijken, maar dat dient wel te
het toegezegde maatwerk neemt het college het standpunt
gebeuren binnen de gemeentelijke beleidskaders die er zijn. De grootte van het
in dat zij geen reden ziet om een grotere oppervlakte aan
perceel en de aard van de toegestane bedrijfsactiviteiten hebben daar geen
bijgebouwen op te nemen dan in het verleden is vergund.
invloed op. Wel heeft de gemeente uitvoerig onderzocht of er mogelijkheden zijn
Appellant verzoekt om de oppervlakte aan bijgebouwen op
voor de legalisatie of het tijdelijk toestaan van het bouwwerk. Echter zijn er op
Achterbroek 18 te verruimen, zodat ook de volière valt
de locatie van appellant meerdere strijdigheden met het bestemmingsplan
binnen de bijgebouwen regeling.
geconstateerd, waardoor het meewerken aan een legalisatie of het tijdelijk toestaan van het huidige bouwwerk vooralsnog niet aan de orde is. 67
2.22.8
Appellant beschrijft dat de functies productie en
De gemeente is van mening dat de oppervlaktemaat van 50 m² bruto
detailhandel steeds vaker met elkaar gepaard gaan. Zeker
vloeroppervlakte voldoende ruimte biedt voor productiegebonden detailhandel bij
in het buitengebied of op perifere locaties. Appellant geeft
een bedrijf. Op die manier is mede gewaarborgd dat de detailhandel
aan dat het op zich prima is dat wordt gekozen voor een
ondergeschikt blijft aan het bedrijf. Het gegeven dat appellant reeds meer
systeem waarbij de vorm van detailhandel wordt "beperkt"; vierkante meters aan bebouwing gebruikt ten behoeve van productiegebonden in dit geval door de te bepalen dat die ondergeschikt en
detailhandel is geen aanleiding om de oppervlakte voor productiegebonden
inherent dient te zijn. De vraag is echter of aan die
detailhandel te vergroten. Er is namelijk geen sprake van enig verworven recht.
zogenaamde "inherentie" een (maximale) oppervlaktemaat
De gemeente kiest er dan ook voor om deze oppervlakte niet verder te
zou moeten worden gekoppeld. Los van het gegeven dat
vergroten.
een oppervlakte van 50 m² willekeurig is, de oppervlakte per bedrijf kan verschillen en de vraag of iets ondergeschikt en inherent is niet enkel afhankelijk is van een oppervlakte, geldt dat er geen verplichting is voor de raad om aan die oppervlakte vast te houden. Appellant verzoekt dan ook om de oppervlakte van 50 m² los te laten voor de locatie Achterbroek 18-20 dan wel om die oppervlakte in dit geval te verruimen door uit te gaan van een oppervlakte van maximaal 150 m² (conform de bestaande situatie). 2.22.9
Appellant verzoekt om artikel 8.2.2 onder e aan te passen
In artikel 29.2 is het volgende opgenomen voor bestaande afwijkende maten tot
in die zin dat in afwijking van dat artikel ter plaatse van
de bestemmingsgrens: “Indien afstandsmaten tot de bestemmingsgrens en/of de
een locatie die is opgenomen in de tabel in artikel 8.2.1 sub (as van de) openbare weg tot bestaande bouwwerken en/of de bouw- en/of d, ook de in die tabel opgenomen afstand tot de zijdelingse
goothoogten van bestaande bouwwerken, die gebouwd zijn met inachtneming
perceelsgrens is toegestaan. De raad wordt dan tevens
van het bepaalde bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
verzocht om de betreffende tabel aan te passen door het
niet voldoen en op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van het
opnemen van een kolom "afstand tot zijdelingse
plan meer respectievelijk minder bedragen dan in gevolge het in regels
perceelsgrens" en een afstand van 0 meter.
hoofdstuk 2 en/of regels hoofdstuk 3 bepaald is, dan mogen deze maten en hoeveelheden als maximaal danwel minimaal toelaatbaar worden aangehouden.” Op basis van verworven rechten is het op basis van artikel 29.2 toegestaan om op een kortere afstand dan 5 meter tot de bestemmingsgrens een bouwwerk te behouden. De gemeente ziet geen reden om voor alle bouwwerken voor bedrijfslocaties op te nemen dat deze op kortere afstand dan vijf meter van de bestemmingsgrens mogen worden gebouwd, aangezien deze bouwwerken niet 68
altijd legaal aanwezig en wenselijk zijn. Indien appellant wil afwijken voor het bouwen op een kleinere afstand tot de bestemmingsgrens kan dat onder voorwaarden op basis van artikel 31.2. 2.22.10 Appellant geeft aan dat gebouw 5 op Achterbroek 20 gebruikt wordt voor kantoordoeleinden. Het gebruik is
Gebouw 5 is zonder vergunning op een kortere afstand tot de bestemmingsgrens gebouwd. Hierdoor is het gebouw in strijd met het bestemmingsplan opgericht.
mogelijk en toegestaan. Volgens de gemeente is er een probleem, omdat het betreffende gebouw zonder vergunning zou zijn opgericht en niet voldoet aan de bouwregels. Het gebouw zou daar nu niet passend zijn op de huidige locatie. De gemeente geeft verder geen inzicht in de vraag waarom het gebouw dan niet passend zou zijn. 2.22.11 Appellant geeft aan dat het betreffende gebouw 5 op
Planologisch gezien is het gebruik van gebouw 5 voor kantoordoeleinden in
Achterbroek 20 al meer dan 20 jaar in gebruik is en ook al
overeenstemming met de gebruiksregels van het bestemmingsplan. Echter zijn
geruime tijd wordt ingezet voor kantoordoeleinden. Dat is
het gebruik en het bouwen van een bouwwerk planologisch gezien twee
op zich ook in overeenstemming met het bestemmingsplan
verschillende aspecten. Het gebruik zegt namelijk niets over of het bouwwerk
en de gemeente heeft daar ook nimmer enig bezwaar tegen legaal is gebouwd. Conform de bouwregels is gebouw 5 namelijk in strijd met het geuit. Er is dus vanuit ruimtelijk oogpunt geen beletsel
bestemmingsplan opgericht. Gebouw 5 is sinds het oprichten in strijd met de
tegen het positief bestemmen van dit gebouw. Appellant
wet- en regelgeving. Het is helaas (en gelukkig voor appellant) alleen niet eerder
geeft aan dat er sprake moet zijn van maatwerk.
door onze toezichthouders geconstateerd, dan wel niet eerder door de afdeling Handhaving geprioriteerd, waardoor niet eerder daartegen is opgetreden. Daaraan kunnen geen rechten worden ontleend. Dit is dan ook geen reden om het bouwwerk positief te bestemmen.
2.22.12 Appellant doet het verzoek om planologisch te regelen dat de planregels worden aangepast in die zin dat:
Omtrent verzoek 1 verwijzen wij appellant naar het antwoord onder 2.22.9. Omtrent verzoek 2 zien wij geen reden om de oppervlakte aan bedrijfsbebouwing verder te verruimen. Er is namelijk geen sprake van enig verworven recht,
1. het mogelijk is om ook in de zijdelingse perceelsgrens gebouwen te realiseren; 2. de toegestane oppervlakte aan gebouwen voor de
waardoor een grotere oppervlakte aan bedrijfsbebouwing zou moeten worden opgenomen. Daarnaast is er geen concreet plan ingediend om deze oppervlakte te verruimen.
locatie Achterbroek 18-20 wordt verruimd, met als doel het bestaande gebouw dat dienst doet als kantoor mogelijk te maken.
69
Op die wijze zou de raad dan ook toepassing kunnen geven aan maatwerk. 2.22.13 Appellant verzoekt om planologisch te regelen dat
De gemeente acht het noodzakelijk om middels een omgevingsvergunning af te
buitenopslag ter plaatse mogelijk is en ook blijft zonder
wijken van het bestemmingsplan voor buitenopslag bij een bedrijf. Op die manier
vergunningsplicht. Appellant geeft aan dat de buitenopslag
kan er een goede afweging worden gemaakt of er voldaan wordt aan alle
noodzakelijk is om de bedrijfsvoering ter plaatse te kunnen
voorwaarden en of de buitenopslag wenselijk wordt geacht. Daarmee kan de
ontplooien. Het college heeft aangegeven te kiezen voor
gemeente zicht houden op het doel om de ruimtelijke kwaliteit in het
een regeling waarbij middels een omgevingsvergunning
buitengebied te waarborgen. Daarnaast is er ook geen sprake van een verworven
onder voorwaarden kan worden afgeweken voor
recht dat ertoe zou leiden dat de buitenopslag ambtshalve geregeld dient te
buitenopslag bij een bedrijf. Het verzoek was niet om een
worden in het bestemmingsplan. De gemeente heeft dan ook geen wijzigingen
nieuw vergunningstelsel te introduceren maar om het
omtrent buitenopslag op de locatie doorgevoerd. In artikel 8.5.3 van het nieuwe
simpel te houden door de buitenopslag nu direct
bestemmingsplan zijn de voorwaarden te vinden, waaraan een
planologisch te regelen. Het is immers helemaal niet nodig
vergunningaanvraag wordt getoetst.
om hiervoor weer een vergunningsplicht in het leven te roepen. Sterker nog: het is een typisch voorbeeld van reguleren waar juist dereguleren mogelijk is. 2.22.14 Tot slot geeft appellant aan dat een aantal verzoeken is
Naar ons inziens passen wij zo veel mogelijk maatwerk toe binnen de
ingewilligd, maar dat het college ook heeft laten weten niet
gemeentelijke en provinciale beleidskaders die er zijn. Daarbij willen wij
altijd maatwerk te willen toepassen. Ook is duidelijk
aangeven dat in het nieuwe bestemmingsplan niet zonder meer extra rechten
geworden dat het college vanuit een formele kant
kunnen worden toegekend aan een bepaalde locatie op basis van de feitelijke
redeneert en daarbij voorbijgaat aan de opgave dat enkel
bestaande situatie. Het zou immers niet eerlijk zijn tegenover andere locaties om
moet worden getoetst aan een "goede ruimtelijke
een bepaalde locatie meer rechten toe te kennen op basis van de bestaande
ordening". De raad heeft nu de mogelijkheid om in het
situatie zonder dat daarvoor een tegenprestatie is geleverd of reeds sprake is
kader van die goede ruimtelijke ordening te komen tot de
van een verworven recht.
vaststelling van een ontwerpbestemmingsplan op een wijze waarbij waarde wordt gehecht aan de bestaande situatie en het verzoek om regels aan te passen. Het gaat dan niet alleen om maatwerk maar ook om het gebruik maken van de mogelijkheid om de regels flexibeler te maken en meer rekening te houden met de feitelijke situatie ter plaatse. Appellant is van mening dat er niet veel van de raad wordt gevraagd, aangezien er enkel gevraagd wordt rekening te 70
houden met de feiten, bestaande situatie en de belangen van appellant.
2.23
Appellant 23 – Winkelstraat 18 Zienswijze
Gemeentelijke beantwoording
Zienswijze inzake Winkelstraat 18, 5715 PN te Lierop, d.d. 28 juni 2022, ontvangen 29 juni 2022 2.23.1 Appellant kan zich niet vinden in het standpunt van de
Appellant verwijst naar een vergunning voor het uitbreiden van een woning.
gemeente dat er illegale bouwwerken aanwezig zijn,
Deze vergunning ziet toe op de uitbreiding van het woonhuis en niet op de
aangezien hier in het verleden uitvoerig over gesproken is
overige bouwwerken. Er kunnen dan ook geen rechten aan deze vergunning
in het kader van verleende bouwvergunningen en de reeds
worden ontleend voor de overige al aanwezige bouwwerken. Tevens betreft het
aanwezige gebouwde objecten. Appellant verwijst hiervoor
document waar appellant naar verwijst een situatietekening. Het gegeven dat de
naar de vergunning met dossiernummer Wabo 2011-0056,
aanwezige bouwwerken op de situatietekening zijn ingetekend, wil niet zeggen
waaruit volgt dat dit document eveneens door de gemeente dat deze vergund zijn. Het betreft immers een tekening van de bestaande is afgestempeld en dus kennis is genomen van alle
situatie, ook als deze niet legaal is.
bouwwerken. Deze vergunning is zelfs na de controle goedgekeurd zonder op- of aanmerkingen.
Naast het gegeven dat aan een situatietekening geen rechten kunnen worden ontleend, betreft de situatietekening waar appellant naar verwijst een situatietekening van 15 februari 2011. Op 10 maart 2011 is echter een brief naar appellant gestuurd, waarin is aangegeven dat de situatietekening aangepast dient te worden. In deze brief was tevens aangegeven dat de maximaal toegestane oppervlakte aan bijgebouwen en overkapping met de destijds aanwezige bebouwing zeer waarschijnlijk al is gerealiseerd. Vervolgens is op 8 april 2011 een gewijzigde situatietekening ingediend, welke onderdeel uitmaakt van het besluit om de vergunning voor het uitbreiden van het woonhuis te verlenen. In de officiële situatietekening bij de vergunning voor het uitbreiden van het woonhuis van 8 april 2011 staan de gearceerde bouwwerken niet ingetekend. De situatietekening van appellant met daarin de ingetekende bouwwerken op zijn perceel maken dus geen onderdeel uit van het daadwerkelijke besluit van de vergunning.
71
De controle waar appellant naar verwijst ziet enkel toe op de opleveringscontrole waarvoor de vergunning is verleend. Dit betreft de vergunning voor het uitbreiden van de woning. Deze opleveringscontrole ziet dus niet toe op de overige bouwwerken, waardoor het logisch is dat deze is goedgekeurd zonder op- of aanmerkingen. 2.23.2 Appellant heeft ook eerder gecorrespondeerd met een
In de mail waar appellant naar verwijst, wordt aangegeven dat de aanpassingen
andere medewerker van de gemeente. De e-
in één keer worden aangepast en appellant bericht krijgt zodra de aanpassingen
mailcorrespondentie met deze ambtenaar is eveneens als
zijn doorgevoerd. In het voorontwerpbestemmingsplan van het bestemmingsplan
bijlage bijgevoegd. Hieruit volgt dat het bouwblok zou
uit 2011 was het woonbestemmingsvlak kleiner ingetekend, waardoor de
worden vergroot. Van deze aanpassing heeft appellant
vergunde stal buiten het woonbestemmingsvlak lag. In het vastgestelde
vervolgens niets meer mogen vernemen.
bestemmingsplan Buitengebied 2011 is het bestemmingsvlak vergroot ten opzichte van het voorontwerpbestemmingsplan, waardoor de vergunde stal binnen het woonbestemmingsvlak is gelegen. Het bestemmingsplan Buitengebied 2011 is gepubliceerd via de wettelijke procedure. Op die wijze is appellant bericht over de aanpassingen in het bestemmingsplan. Indien appellant het destijds niet eens was met de wijze waarop zijn locatie bestemd is, had appellant destijds een zienswijze kunnen indienen. Dit is echter niet gebeurd, waardoor enkel het vergunde deel van het bouwwerk binnen het woonbestemmingsvlak is gelegd.
2.23.3 Appellant geeft aan dat er helaas nog enkele discussiepunten met de gemeente zijn, bestaande uit: 1. De legalisatie van de koeienstal met mest-
Per onderdeel zullen wij in volgorde van de punten van appellanten onze reactie geven: 1. De oude afhang en container, zoals die voor 2016 aanwezig waren,
/composteringsopslag (punt D in de gemeentelijke
waren destijds ook in strijd met het bestemmingsplan. Vervolgens is de
correspondentie). Tijdens de asbestsanering op 19
illegale afhang en container verwijderd en is de stal zonder vergunning
juni 2016 heeft appellant de bestaande container
en in strijd met het bestemmingsplan doorgetrokken in lijn met de
en afhang met asbest, die als stal voor de koeien
bestaande stal. Het gegeven dat de omvang/oppervlakte van het nieuwe
gebruikt werd, zoals op situatietekening van 15
gedeelte van de stal hetzelfde was als de voormalige afhang en
februari 2011, vervangen. Deze stal is vervolgens
container, wil niet zeggen dat dit nieuwe gedeelte van de stal hierdoor
doorgetrokken in lijn met de bestaande stal en
legaal is opgericht. Dit geldt tevens voor de mestopslag, welke zonder
heeft dezelfde oppervlakte als de oude afhang en
vergunning en in strijd met het bestemmingsplan is opgericht.
container. De mestopslag was al aanwezig maar is 72
door appellant zodanig ingericht dat hetgeen wat opgeslagen wordt kan composteren. 2. Het legaliseren van het terras bij de vijver (punt E
2. In het bestemmingsplan Buitengebied 2011 is het bestemmingsvlak op de huidige wijze bestemd. Hiertegen is door appellant geen zienswijze ingediend. Daarnaast is het terras met bouwwerk E (uit het
in de gemeentelijke correspondentie). Appellant wil
inspectierapport) zonder vergunning opgericht. Er is geen sprake van
graag nogmaals dit terras bespreekbaar maken.
enig verworven recht, waardoor wij bouwwerk E en het terras niet op
Appellant ziet dit zelf als onderdeel van het bouwblok waar het hertenhok op staat en waar,
kunnen nemen in het nieuwe bestemmingsplan. 3. Bouwwerk G (uit het inspectierapport) is zonder vergunning en in strijd
toen appellant het destijds gekocht heeft, zelfs een
met het bestemmingsplan opgericht. Er is geen sprake van enig
oude boerderij stond.
verworven recht, waardoor wij geen aanleiding zien om voor het
3. Het hertenhok c.q. het kleindierdagverblijf (punt G in de gemeentelijke correspondentie). Appellant verwijst hiervoor naar een brief van de gemeente met kenmerknummer RO, 11-03-1993, blad 2.
bouwwerk een bouwvlak op te nemen. Indien appellant dit bouwwerk wenst te legaliseren, kunnen de stappen worden doorlopen zoals beschreven in de brief van 15 juli 2021. 4. Zoals aangegeven in de beantwoording van de inspraakreactie is op
Appellant is van mening dat het hertenhok ook als
aanvraag van de gemeenteraad het beleid en de daarbij behorende
bouwblok moet worden opgenomen in het
zoekgebieden voor ruimte-voor-ruimtewoningen geëvalueerd. De
voorliggend ontwerpbestemmingsplan, refererend
evaluatie van dit beleid is op 22 december 2021 vastgesteld door de
naar de boerderij die er in het verleden gestaan
gemeenteraad. Met de evaluatie is besloten om de zoekgebieden voor
heeft.
ruimte-voor-ruimtewoningen aan te passen. De Winkelstraat maakt niet
4. De zoeklocatie voor ruimte voor ruimte-woningen
langer onderdeel uit van dit zoekgebied. De reden hiervoor is dat de
en in het specifieke geval van appellant, perceel
gemeente de landschappelijke kwaliteit wil waarborgen en het
U534, is tijdens de gemeenteraadsvergadering op
zoekgebied te vol werd gebouwd.
22 december 2021 aangepast. Het perceel van appellant is hierbij uitgesloten. Appellant kan zich hierin niet vinden, te meer nu uit de toelichting van het bestemmingsplan ‘Ruimte voor Ruimte Winkelstraat ong.’ blijkt dat er eerder ruimhartig om werd gegaan met de oprichting van een Ruimte-voor-Ruimtewoning. 2.23.4 Appellant doet het verzoek om het aantal vierkante meters
Het ingediende beplantingsplan op 22 september 2022 is aangepast en
aan bijgebouwen op te hogen. Hiervoor heeft appellant een
voldoende beoordeeld door afdeling Groen van de gemeente Someren. Met dit
beplantingsplan toegevoegd.
goedgekeurde beplantingsplan is de oppervlakte aan bijgebouwen verruimd naar 250 m². Daarnaast zorgt het beplantingsplan ervoor dat het 73
woonbestemmingsvlak is aangepast, zodat de oprit binnen het woonbestemmingsvlak is gelegen. 2.23.5 Appellant wil graag in overleg over de genoemde discussiepunten.
Op 12 augustus 2021 heeft een overleg met appellant plaatsgevonden over de mogelijkheden die appellant heeft om het bestemmingsplan aan te passen en een deel van de strijdigheden op te lossen. Op 23 december 2021 is de eigenaar nogmaals per mail geïnformeerd over de mogelijkheden die appellant heeft om de strijdigheden op te lossen. Appellant heeft vervolgens een beplantingsplan ingediend, welke is aangepast en vervolgens als voldoende is beoordeeld. In de mail van 23 september 2022 is appellant geïnformeerd dat met het goedgekeurde beplantingsplan de toegestane oppervlakte aan bijgebouwen verruimd wordt naar 250 m² en het woonbestemmingsvlak van vorm veranderd, zodat de oprit binnen het woonbestemmingsvlak is gelegen. In de mail van 29 september 2022 heeft een medewerker namens de gemeente Someren nogmaals laten weten dat voor de overige strijdigheden met uitzondering van bijgebouw G geen legalisatiemogelijkheden worden gezien. In zoverre zijn wij van mening dat duidelijk is gecommuniceerd wat wel en niet mogelijk is om te legaliseren. De meerwaarde van een gesprek wordt dan ook niet ingezien, aangezien de conclusie duidelijk is en ongewijzigd zal blijven. Indien appellant nog vragen heeft over de mogelijkheden voor het legaliseren voor bouwwerk G, zijn wij uiteraard bereid om daarover een nadere toelichting te geven.
Gezien de vergevorderde status van het nieuwe bestemmingsplan voor deelgebied 4 is het echter niet meer mogelijk om bouwwerk G in dit bestemmingsplan nog te legaliseren. Indien appellant bouwwerk G wenst te legaliseren, verzoeken wij appellant om contact op te nemen met de gemeente.
74
2.24
Appellant 24 – Oude Goorenweg 6 Zienswijze
Gemeentelijke beantwoording
Zienswijze inzake Oude Goorenweg 6, 5715 PH te Lierop, d.d. 28 juni 2022, ontvangen 29 juni 2022 en aangevuld 12 juli 2022 2.24.1 Appellant geeft aan dat de afwijkingsbevoegdheid om af te
De gemeente heeft de afwijkingsbevoegdheid om af te kunnen wijken van de
kunnen wijken van de minimale afstand van vijf meter tot
minimale afstand van vijf meter tot de bestemmingsgrens niet uit het nieuwe
de bestemmingsgrens uit het ontwerpbestemmingsplan is
bestemmingsplan voor deelgebied 4 gehaald. Deze afwijkingsbevoegdheid is
gehaald van deelgebied 4. Appellant is van mening dat het
namelijk nog steeds aanwezig onder artikel 31.3 van het bestemmingsplan voor
ontbreken van de mogelijkheid om af te kunnen wijken van
deelgebied 4.
de afstand tot de bestemmingsgrens, de ontwikkelingsruimte van appellant beperkt. Derhalve verzoekt appellant de gemeente om in het bestemmingsplan te voorzien van een afwijkingsbevoegdheid die de mogelijkheid biedt om af te kunnen wijken van de afstand van bouwwerken tot de bestemmingsgrens.
2.25
Appellant 25 – Broekkant 4 Zienswijze
Gemeentelijke beantwoording
Zienswijze inzake Broekkant 4, 5715 PR te Lierop, d.d. 28 juni 2022, ontvangen 29 juni 2022 en aangevuld 14 juli 2022 2.25.1
De relevantie van de gebiedsaanduidingen 'overige zone -
Op basis van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant ligt de locatie
beperkingen veehouderij' en 'overige zone -
Broekkant 4 binnen het werkingsgebied beperkingen veehouderij en het
stalderingsgebied' ontgaat appellanten. Burgemeester en
stalderingsgebied. De gemeente Someren kiest ervoor om deze regeling op te
wethouders geven daarvoor ook geen onderbouwing.
nemen in het bestemmingsplan, zodat er voldaan wordt aan provinciale regelgeving. De gemeente ziet op basis hiervan geen reden om de aanduiding niet over te nemen. Immers geldt de regeling behorende voor de beperkingen veehouderij en het stalderingsgebied ook op basis van de provinciale Interim 75
Omgevingsverordening op Broekkant 4. De onderbouwing waarom deze gebiedsaanduidingen zijn opgenomen is terug te vinden in paragraaf 5.3.3.5 van de toelichting. 2.25.2
Appellant geeft aan dat in het ontwerpbestemmingsplan de
Zoals ook is te lezen in de beantwoording van de inspraakreacties is in het
bestemmingsvlakken niet overeenkomstig de kadastrale
bestemmingsplan ‘Broekkant 4 en 5’ de achterzijde van het
verdeling is ingetekend. Zo ligt de enkelbestemming
woonbestemmingsvlak van Broekkant 5 op de huidige wijze bestemd. Wanneer
'Wonen' van het buurperceel aan de achterzijde gedeeltelijk het woonbestemmingsvlak van Broekkant 5 in het nieuwe bestemmingsplan op het perceel van appellant.
gelijk wordt gelegd aan de kadastrale perceelsgrens, kan dit nadelige gevolgen hebben voor de eigenaren van Broekkant 5. Indien in overeenstemming met de eigenaren van Broekkant 5 een verzoek wordt ingediend om het woonbestemmingsvlak van Broekkant 5 aan de achterzijde gelijk te leggen met de perceelsgrens, kan de gemeente een afweging maken hoe hiermee wordt omgegaan.
2.25.3
Op een deel van dit perceel rust bovendien de
In het bestemmingsplan ‘Broekkant 4 en 5’ is geregeld dat de agrarische
functieaanduiding 'specifieke vorm van groen -
bedrijfsbestemming is omgezet naar een woonbestemming. Hieraan verbonden
landschappelijke inpassing 406'. De (voorwaardelijke?)
is de landschappelijke inpassing. De landschappelijke inpassing is dus als
verplichting uit artikel 30.17.1 van de planregels is voor dit
voorwaarde gekoppeld om in de woningen van Broekkant 4 en 5 te mogen
deel van het perceel voor de eigenaren van Broekkant 5
wonen. Op basis van het bestemmingsplan ‘Broekkant 4 en 5’ heeft de gemeente
derhalve niet uitvoerbaar, nu zij niet over de eigendom (en
de landschappelijke inpassingsplicht overgenomen. Daarnaast is er een
daarmee de rechten) beschikken van dit deel van het
anterieure overeenkomst getekend door de voormalige eigenaar, waarin is
perceel. Niet valt in te zien waarvoor, zoals u in de
opgenomen dat de landschappelijke inpassing gerealiseerd moet worden en in
'beantwoording inspraakreactie' aangeeft,
stand moet worden gehouden. In deze overeenkomst is opgenomen dat deze
overeenstemming benodigd is met de eigenaren van
verplichting over gaat op een eventuele nieuwe eigenaar. Tevens is in de
Broekkant 5 om het woonbestemmingsvlak aan te passen.
koopakte benoemd dat de landschappelijke inpassing gezamenlijk met de nieuwe
Zij zijn immers geen eigenaar van het betreffende deel van
eigenaar van Broekkant 5 gerealiseerd moet worden. Uit het bestemmingsplan,
het perceel en zijn ook op geen enkele andere wijze
de anterieure overeenkomst en de koopakte blijkt dat de eigenaren van
(rechtens) bevoegd over het perceel te beschikken. Hun
Broekkant 4 en Broekkant 5 gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor de realisatie
'toestemming' is dan ook niet benodigd om op dit deel van
en instandhouding van de landschappelijke inpassing. Daarnaast staat de
het perceel een andere bestemming te leggen. Bovendien
kadastrale indeling van de percelen los van het bestemmingsplan. De gemeente
kan appellant niet worden verlangt dat zij zorgdragen voor
is dan ook van mening dat de landschappelijke inpassing wel degelijk uitvoerbaar
de landschappelijke inpassing voor Broekkant 5. Appellant
is.
verzoekt om het ontwerpbestemmingsplan zodanig 76
gewijzigd vast te stellen dat een reële bestemming wordt
Ten aanzien van het aanpassen van het woonbestemmingsvlak dient rekening te
gelegd en rekening wordt gehouden met de
worden gehouden met de belangen van de eigenaren van Broekkant 5. Zoals te
eigendomsverhoudingen. Op dit onderdeel is het
lezen onder 2.25.2 kan het aanpassen van het woonbestemmingsvlak nadelige
ontwerpbestemmingsplan op dit moment onuitvoerbaar.
gevolgen hebben voor de eigenaren van Broekkant 5. Het gegeven dat zij geen eigenaar zijn van een gedeelte van de grond, wil niet zeggen dat het bestemmingsplan daarom kan of moet worden aangepast. Immers dient er rekening te worden gehouden met de bestaande rechten die de eigenaren van Broekkant 5 hebben. Die rechten kunnen beperkt worden, wanneer hun woonbestemmingsvlak wordt aangepast.
2.25.4
Appellant geeft aan dat er volgens gemeentelijk beleid een
Onderstaand zullen wij alsnog aandacht besteden aan dit punt.
oppervlakte van 250 m² aan bijgebouwen wordt
Het is niet geheel duidelijk aan welk beleid appellant refereert. De gemeente
toegestaan. Daarin passen alle aanwezige bijgebouwen. De
heeft het beleid om bijgebouwen op te plussen uitgewerkt in de
door burgemeester en wethouders ontworpen planregeling
Landschapsinvesteringsregeling 2020 (LIR). De LIR maakt het mogelijk om tot
is echter beperkter. Een ruimtelijke noodzaak daarvoor
maximaal 350 m² aan bijgebouwen op een locatie toe te staan. Echter staat hier
ontbreekt en is door burgemeester en wethouders ook niet
tegenover dat er een tegenprestatie in de vorm van een extra
toegelicht of onderbouwd. Op dit punt heeft appellant
kwaliteitsverbetering van het landschap wordt geleverd. Het is dus niet zo dat er
concreet ingesproken. Burgemeester en wethouders
zondermeer 250 m² of 350 m² aan bijgebouwen is toegestaan op een locatie.
besteden hieraan geen enkele aandacht.
Normaliter wordt op basis van het gemeentelijk beleid bij een reguliere woonbestemming een standaard toegestane oppervlakte aan bijgebouwen opgenomen van 100 m². Aangezien appellant op basis van verworven rechten tot 200 m² aan bijgebouwen mag oprichten, is deze oppervlakte aan bijgebouwen opgenomen in het bestemmingsplan. Appellant heeft geen plan ingediend welke als voldoende word beschouwd om de oppervlakte aan bijgebouwen in het nieuwe bestemmingsplan te kunnen verruimen, waardoor het bestemmingsplan hierop niet is aangepast.
2.25.5
Appellant heeft een alternatief beplantingsplan ingediend,
Op 4 februari 2022 heeft appellant van een projectmedewerker namens de
welke volgens de gemeente niet voldoet aan het
gemeente per mail een reactie ontvangen op het ingediende beplantingsplan.
Beeldkwaliteitsplan Buitengebied en de
Hierin is aangegeven dat er in het beplantingsplan niet duidelijk is aangegeven
richtlijnen die de gemeente hanteert. De reden dat het
wat de beheertypen, afmetingen, plantverbanden, plantsoorten, planmaten en
beplantingsplan niet voldoende is wordt geheel niet
hoeveelheden zijn. Ook is hierin aangegeven dat het niet duidelijk te zien is waar
gemotiveerd en een inhoudelijke reactie heeft de gemeente
een bepaald type beplanting staat. Het is van belang dat beplantingsplannen dit
ook niet paraat.
duidelijk weergeven, zodat de uitvoering van het beplantingsplan door onze 77
toezichthouders goed gecontroleerd kan worden. Het ingediende alternatieve beplantingsplan is daardoor nog onvoldoende om te kunnen beoordelen en daardoor nog niet voldoende. Wij adviseren appellant het toegestuurde format te hanteren, aangezien daarin een beplantingsplan is weergeven, welke voldoet aan de richtlijnen die de gemeente hanteert. Een gedigitaliseerd beplantingsplan heeft tevens onze voorkeur. 2.25.6
Appellant wenst de huidige rijbak (in de praktijk niet meer
Zoals te lezen is in de beantwoording van de inspraakreactie is het gebruik van
dan een met een draadje afgezet deel van een weiland en
de gronden niet in strijd met het bestemmingsplan, wanneer de hoofdfunctie van
voorzien van 2 lichtmasten) te handhaven. Dat past in de
de gronden anders is dan paardrijden. Wanneer de hoofdfunctie van de gronden
huidige bestemming, omdat in feite sprake is van
een buitenrijbaan voor paarden is, is dit in strijd met de gebruiksregels van het
toegestaan extensief recreatief medegebruik. Appellant
bestemmingsplan. Daarnaast voldoen de lichtmasten niet aan de bouwregels van
benoemt de definitie van dag recreatief medegebruik en
het bestemmingsplan. Zo mag de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw
verwijst naar de reactie van burgemeester en wethouders.
zijnde in het huidige bestemmingsplan maximaal 2,5 meter hoog zijn, terwijl de
Appellant geeft aan dat burgemeester en wethouders het
aanwezige lichtmasten hoger zijn.
gebruik als buitenrijbaan lijken toe te staan. De planregels laten hierover evenwel onzekerheid bestaan. Die
Zoals in de bestemmingsomschrijving van de bestemming ‘Agrarisch met
rechtsonzekerheid dient te worden weggenomen. De
waarden – Landschapswaarden’ is terug te vinden is extensief recreatief
lichtmasten zijn aan te merken als 'bouwwerken, geen
medegebruik toegestaan. Extensief recreatief medegebruik wordt gedefinieerd
gebouwen zijnde. De lichtmasten zijn daarmee aan te
als ‘het medegebruik van gronden voor routegebonden recreatieve activiteiten,
merken als bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten
zoals wandelen, fietsen, ruitersport en kanovaren, alsmede route-
dienste van het extensieve recreatieve medegebruik, in dit
ondersteunende voorzieningen zoals picknick-, uitzicht-, rust- en
geval de buitenrijbaan. Burgemeester en wethouders
informatieplaatsen, voor zover de overige functies van de gronden dit toelaten.’
menen desondanks dat de lichtmasten niet zijn toegestaan. Het privégebruik van de gronden als buitenrijbaan voor paarden heeft niets te Burgemeester en wethouders motiveren dit in het geheel
maken met routegebonden recreatieve activiteiten. Appellant heeft het daarnaast
niet.
over dagrecreatief medegebruik, maar deze definitie is niet opgenomen in het bestemmingsplan. Daarnaast zijn de gronden niet bestemd ten behoeve van dagrecreatief medegebruik, zoals terug te lezen in de bestemmingsomschrijving in artikel 6.1.
2.25.7
Appellant geeft aan dat burgemeester en wethouders
De gemeente heeft een gedegen afweging gemaakt om een minimale afstand
menen dat een afstand van 50 meter tot nabijgelegen
van een paardenrijbak tot nabijgelegen woningen aan te houden. Daarbij is de 78
woningen dient te worden aangehouden voor de rijbaan.
gemeente van mening dat een minimale afstand van 50 meter tot nabijgelegen
Burgemeester en wethouders lichten dit niet toe. Een
woningen redelijk is. Dit voorkomt namelijk geluidsoverlast en
paardenrijbak kwalificeert niet als dierenverblijf. Er is
lichtvervuiling/lichthinder voor omwonenden.
volgens appellant dan ook geen wettelijke regeling die een afstand van 50 meter voorschrijft. 2.25.8
Appellant geeft aan dat het opvallend is dat burgemeester
Op basis van het bestemmingsplan kan er onder voorwaarden worden afgeweken
en wethouders vasthouden aan een hoogte van 6 meter
voor het oprichten van een buitenrijbaan voor paarden buiten een bouwvlak. Een
voor de lichtmasten. Burgemeester en wethouders vinden
voorwaarde daarbij is dat er maximaal vier lichtmasten aanwezig mogen zijn met
lichtmasten van 8 meter onwenselijk vanwege de
een maximale hoogte van zes meter. Het gegeven dat appellant reeds twee
ruimtelijke impact. Dat is volgens appellant onnavolgbaar.
lichtmasten illegaal heeft opgericht van hoger dan zes meter is voor de
Er is geen ruimtelijk relevant verschil tussen lichtmasten
gemeente geen aanleiding om de regeling hierop aan te passen. Zoals reeds
van 8 meter of 6 meter hoogte. Bovendien miskennen
aangegeven in de beantwoording van de inspraakreactie acht de gemeente
burgemeester en wethouders (en zij gaan daar ook volledig hogere masten niet wenselijk, mede gelet op de ruimtelijke impact. De aan voorbij) dat juist ter voorkoming van lichtoverlast voor
gemeente kan zich dan ook niet verenigen in de mening van appellant dat er
derden voor hogere masten (8 meter) is gekozen. De rijbak geen ruimtelijk relevant verschil is tussen lichtmasten van acht of zes meter kan dan beter worden aangestraald, waarmee verspreiding
hoog.
van het licht juist wordt voorkomen. 2.25.9
Appellant verzoekt bij de vaststelling van het
Zoals is aangegeven bij appellant voldoet het alternatieve plan nog niet aan het
bestemmingsplan het alternatieve beplantingsplan op te
Beeldkwaliteitsplan Buitengebied en de richtlijnen die de gemeente hanteert,
nemen en daarvoor ook een langere aanlegtermijn op te
waardoor deze niet als alternatief beplantingsplan kan worden opgenomen in het
nemen. In het eerdere inrichtingsplan is meidoorn
bestemmingsplan. Het alternatieve beplantingsplan kan pas worden opgenomen,
opgenomen. Vanwege veiligheidsoverwegingen ten aanzien
wanneer het beplantingsplan wel voldoet aan de richtlijnen van de gemeente en
van de kinderen is dergelijke beplanting ongewenst.
de gewenste tegenprestatie.
Bovendien is een termijn van 12 maanden voor de realisatie te kort. Burgemeester en wethouders menen
Daarnaast is, zoals ook is aangegeven in de beantwoording van de
daarentegen dat de inpassing al gerealiseerd had moeten
inspraakreactie, in het bestemmingsplan ‘Broekkant 4 en 5’ uit 2013 opgenomen
zijn en gaan daarom niet akkoord met een langere termijn.
dat de landschappelijke inpassing moet worden aangelegd en in stand moet
Burgemeester en wethouders miskennen dat realisering
worden gehouden, voordat de betreffende voorziening in gebruik wordt
een forse financiële inspanning vergt en een plantseizoen in genomen. De landschappelijke inpassing is dus een voorwaardelijke verplichting feite te kort is om de beplanting aan te brengen.
die gekoppeld is aan het bewonen van de woning op Broekkant 4. De landschappelijke inpassing had dus al gerealiseerd moeten worden in 2013 en hier hebben appellanten meer dan voldoende tijd voor gekregen. De gemeente 79
stelt zich echter coulant op, waarbij er bij het in werking treden van het nieuwe bestemmingsplan nogmaals een termijn van 12 maanden wordt gegeven voor de realisatie van de landschappelijke inpassing. Aangezien de landschappelijke inpassing al gerealiseerd had moeten zijn, gaat de gemeente er niet mee akkoord om het termijn voor de realisatie van de beplanting te verlengen. Daarnaast is de gemeente van mening dat de termijn van 12 maanden voor de realisatie van de beplanting meer dan voldoende is. Wij miskennen niet dat dit een financiële inspanning vergt. Echter is appellant zelf akkoord gegaan met dit beplantingsplan. Hiervoor verwijzen wij naar de anterieure overeenkomst en de koopakte. Appellant was dus op de hoogte dat dit beplantingsplan gekoppeld was aan de ontwikkeling en dat deze gerealiseerd moet worden/in stand moet worden gehouden. Dat hieraan kosten verbonden zijn, wist appellant dus al voor de ontwikkeling mogelijk werd gemaakt. 2.25.10 Burgemeester en wethouders lichten niet toe waarom een
De gemeente heeft de functieaanduiding opgenomen voor de landschappelijke
gebiedsaanduiding en een functieaanduiding die beide
inpassing om inzichtelijk te maken waar de landschappelijke inpassing zich
tegelijkertijd toezien op landschappelijke inpassing naast
bevindt op het perceel. De gebiedsaanduiding betreft de voorwaardelijke
elkaar noodzakelijk zijn. De planregeling is volgens
verplichting die is gekoppeld aan de landschappelijke inpassing. Wij zien geen
appellant rechtsonzeker.
reden in waarom de planregeling rechtsonzeker is.
2.25.11 Artikel 30.17.1, lid 2 van de planregels bevat een
Zie het antwoord onder 2.16.1. Daarnaast is de landschappelijke inpassing
verplichting tot het realiseren van hetgeen in het
gekoppeld aan artikel 30.18, waarin de voorwaardelijke verplichting is
bijbehorende landschappelijke inpassingsplan is
opgenomen.
opgenomen. Opgedragen wordt om deze landschappelijke inpassing binnen 12 maanden na de inwerkingtreding van het bestemmingsplan uit te voeren en in stand te houden. Van enige voorwaardelijkheid is geen sprake. Deze landschappelijke inpassing is immers niet als voorwaarde gekoppeld aan bijvoorbeeld een bouw- of gebruiksactiviteit. Een dergelijke directe verplichting verdraagt zich niet met het aan de Wet ruimtelijke ordening (hierna: 'Wro') ten grondslag liggende uitgangspunt dat een bestemmingsplan grondgebruikers niet kan verplichten tot het zonder meer 80
uitvoeren van hetgeen in het bestemmingsplan is geregeld. De Wro en daarmee het bestemmingsplan, is gebaseerd op het principe van toelatingsplanologie. De huidige redactie van artikel 30.17.1, lid 2 van de planregels is dan ook in strijd met artikel 3.1, lid 1 Wro. Appellant verwijst hiervoor naar een uitspraak van de bestuursrechter en geeft aan dat de reactie van burgemeester en wethouders hiermee niet in overeenstemming is.
2.26
Appellant 26 – Gebergte 6 Zienswijze
Gemeentelijke beantwoording
Zienswijze inzake Gebergte 6, 5715 PM te Lierop, d.d. 29 juni 2022, ontvangen 29 juni 2022 2.26.1
Appellant schrijft over het behoud van de agrarische
De gemeente heeft kennis genomen van de standpunten van appellant. Op basis
identiteit van het Somerense landschap met het agrarisch
van de wet- en regelgeving en het gemeentelijke beleid worden bepaalde
erfgoed als beeldbepalende factor in dat landschap.
waardevolle gebieden of panden aangeduid, waardoor ze beschermd worden.
Appellant geeft aan dat het bestemmingsplan ingaat op
Daarnaast zijn er in het bestemmingsplan verschillende bouwregels opgenomen
diverse aspecten van deze agrarische identiteit maar dat er
voor bouwwerken, waardoor nieuwe bouwwerken niet zondermeer dicht op
nog onvoldoende aandacht is voor de waarde en het
bestaand erfgoed kan worden gebouwd. Tevens is deze
behoud van het landelijk erfgoed. Appellant licht dit in zijn
bestemmingsplanherziening erop gericht om het buitengebied te verfraaien. Naar
zienswijze nader toe.
ons inziens zijn er voldoende regelingen opgenomen om het buitengebied te verfraaien met oog voor het behoud, herstel en versterken van de agrarische identiteit en het historisch erfgoed. In het nieuwe vastgesteld Beeldkwaliteitsplan Buitengebied 2022 is tevens extra aandacht besteed aan cultuurhistorische waarden in het gebied.
2.26.2
Appellant geeft aan dat het hem bevreemd dat er niet
Het gebied waar appellant op doelt ligt buiten het bestemmingsplan Buitengebied
wordt ingegaan op de eerder kenbaar gemaakte ambitie
Someren – Deelgebied 4. De suggestie die appellant geeft dat de bestemming
om de bestemming ‘Bos’ van een deel van de Herselse
‘Bos’ verandert ten behoeve van de motorcrossactiviteiten is in dit
bossen te veranderen ten behoeve van de
bestemmingsplan niet aan de orde.
motorcrossactiviteiten ter plaatse. Appellant heeft verschillende vragen waarom de bestemming ‘Bos’ wordt 81
veranderd ten behoeve van de motorcrossactiviteiten. Daarnaast draagt appellant argumenten aan om de motorcrossactiviteiten niet te regelen in het bestemmingsplan. 2.26.3
Appellant geeft aan dat de gemeente het voorstel van
Wij dienen het verzoek inderdaad te behandelen als een regulier verzoek,
appellant omtrent het plaatsen van een historische
aangezien het initiatief een nieuwe ontwikkeling betreft. Met een principeverzoek
karschop op Gebergte 6 beoordeeld heeft volgens een
kan de gemeente een goede afweging maken over de door appellant gewenste
standaard procedure zonder rekening te houden met de
ontwikkeling. Daarnaast dienen wij ons bij de toetsing van het voorstel te
geleden schade. Zo geeft appellant aan dat hij ten onrechte houden aan de gemeentelijke beleidskaders. Het gegeven dat de veldschuur in een deel van zijn aanwezige veldschuur heeft afgebroken,
2007 mogelijk ten onrechte is meegeteld bij de oppervlakte aan bijgebouwen, wil
doordat het bouwwerk op verkeerde gronden is beoordeeld. niet zeggen dat dit als ruilmiddel kan worden ingezet om een nieuwe Voor de plaatsing van de karschop dient een aanpassing
ontwikkeling mogelijk te maken. Wanneer appellant een concreet plan heeft
van het woonbestemmingsvlak nodig te zijn. Appellant
ingediend, kan beoordeeld worden of het plan wenselijk is. Vooralsnog heeft de
heeft als blijk van goede wil bovendien 100 m² bomen
gemeente geen dermate gevorderd plan ontvangen, waardoor het
toegevoegd op het perceel, waardoor de nieuwe half open
bestemmingsplan hierop niet is aangepast.
karschop mooi in het landschap wordt ingepast. Appellant verzoekt op het ingediende plan dat voldoet aan alle geldende regels, voorziet in extra groen, het buitengebied mooier maakt, historisch verantwoord is en in lijn is met alle planologische doelstellingen uit het bestemmingsplan, graag in deze bestemmingsplan ronde gerealiseerd en ingepast zien worden. 2.26.4
Appellant verzoekt om de veldschuur op Gebergte 6 positief De veldschuur is op basis van het overgangsrecht positief bestemd. Dit geldt te bestemmen, waarbij de oorspronkelijk grootte wordt
alleen voor bestaande bebouwing. Reeds gesloopte bebouwing kan niet onder
gehanteerd.
het overgangsrecht worden gebracht, waardoor de oorspronkelijke oppervlakte van de veldschuur niet positief kan worden bestemd.
2.26.5
Appellant geeft aan dat het streefbeeld van het
De gemeente streeft naar een buitengebied waar een goede samenhang en
bestemmingsplan naar een mooi en kwalitatief versterkt
balans is tussen het menselijk, natuurlijk en economisch kapitaal. Om invulling
buitengebied in conflict is met de groeiende toepassing van
te geven aan de samenhang en balans tussen people, planet en profit willen we
teeltondersteunende voorzieningen. Appellant geeft hiervan uitbreidingsruimte toekennen aan teeltondersteunende voorzieningen in die impressies en vraagt zich af of op elk stuk agrarische grond gebieden die voor dat type teeltondersteunende voorziening geschikt zijn, mits dit soort beeldverstorende teeltondersteunende installaties
de ontwikkeling gepaard gaat met het behoud en ontwikkeling van een 82
mogen worden neergezet. Appellant vraagt of dit soort
aantrekkelijk, groen en landelijk buitengebied. In paragraaf 2.3 van het ‘Beleid
visueel ingrijpende teeltondersteunende voorzieningen niet
teeltondersteunende voorzieningen 2018’ is beschreven wat de nut en noodzaak
beperkt zouden moeten worden tot bepaalde locaties, net
is van deze voorzieningen. De visueel ingrijpende teeltondersteunenende
zoals dit ook voor kassen het geval is
voorzieningen worden beperkt tot bepaalde locaties. Zo mogen op de bestemmingen ‘Agrarisch met waarden – abiotische waarden’, ‘Agrarisch met waarden – landschapswaarden’ en ‘Agrarisch met waarden – natuurwaarden’ niet zondermeer teeltondersteunende voorzieningen worden geplaatst. Wel kan er worden afgeweken van het bestemmingsplan middels een omgevingsvergunning of kan het bestemmingsplan gewijzigd worden om op deze bestemmingen tijdelijke of permanente teeltondersteunende voorzieningen te plaatsen, maar dan moet er aangetoond worden dat er aan verschillende voorwaarden voldaan wordt. De voorwaarden zijn terug te vinden in artikelen 5.3.1, 5.6.2, 6.3.1, 6.6.2, 7.3.1 en 7.6.2 van het nieuwe bestemmingsplan. Verder zijn er ook agrarische gronden zonder specifieke waarden met de bestemming ‘Agrarisch’. Op deze gronden zijn in beginsel alleen tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen toegestaan. Hiervoor geldt ook dat middels een omgevingsvergunning of wijzigingsplan permanente voorzieningen kunnen worden toegestaan, mits er voldaan wordt aan verschillende voorwaarden. Deze voorwaarden zijn te vinden in artikel 3.5.2. Op bovenstaande manieren worden visueel ingrijpende teeltondersteunende voorzieningen beperkt tot bepaalde locaties.
2.26.6
Appellant verwijst naar hoofdstuk 5.4.10 van het ‘Beleid
Zie het antwoord onder 2.26.5 omtrent de voorwaarden die gesteld worden voor
teeltondersteunende voorzieningen’, waarin staat dat voor
tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen op de bestemming ‘Agrarisch met
bepaalde bestemmingen ‘Agrarisch met waarden-
waarden – Landschapswaarden’. In deze voorwaarden wordt het belang van een
Landschapswaarden’ extra voorwaarden gesteld worden
mooi buitengebied al zwaar aangezet. Omtrent de vraag of bepaalde
aan de tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen.
bestemmingen kunnen worden uitgesloten van met name hoge visueel
Appellant vraagt zich af wat deze extra voorwaarden zijn en verstorende teeltondersteunende voorzieningen, is de gemeente van mening dat of deze expliciet gemaakt kunnen worden. Appellant vraagt
er per gebied hiervoor een afweging zal moeten worden gemaakt. Op agrarische
zich ook af of het belang van een mooi buitengebied hier
gronden met waarden zijn teeltondersteunende voorzieningen niet zondermeer
zwaarder kan worden aangezet zeker als een goede
toegestaan. Deze gebieden zijn in het bestemmingsplan al opgenomen.
landschappelijke inpassing ontbreekt. Of beter nog, kunnen bepaalde bestemmingen, bijvoorbeeld op de kaart in het 83
beeldkwaliteitsplan aangegeven met “open ruimte”, worden uitgesloten van met name deze hoge en visueel verstorende teeltondersteunende voorzieningen? 2.26.7
Appellant geeft aan dat in hoofdstuk 3.3
Het Beeldkwaliteitsplan Buitengebied geeft per gebied richtlijnen voor de
‘Beeldkwaliteitsplan’ staat dat dit plan zowel een
structuur en inrichting van het landschap. Daarnaast geeft dit plan per gebied
inspiratiebron is als een toetsingskader voor het
richtlijnen voor de bebouwing en inrichting en inpassing van een kavel.
waarborgen en verhogen van de ruimtelijke kwaliteit. Uit
Beplantingsplannen en nieuwe ontwikkelingen worden hieraan getoetst. Dat
een analyse van het beeldkwaliteitsplan volgt eigenlijk dat
houdt niet in dat er sprake kan zijn van maatwerk bij bepaalde locaties.
het in de praktijk helemaal niet als toetsingskader wordt
Tegelijkertijd is het Beeldkwaliteitsplan Buitengebied een gemeentelijk plan. Dit
gebruikt en zelfs de gemeente zelf naar believen afwijkt
houdt in dat op basis van nationale en provinciale wet- en regelgeving in
van het plan als dat even beter uitkomt. Een open zichtlijn
sommige gevallen een ontwikkeling kan plaatsvinden zonder dat daarbij
die wordt volgebouwd met woningen bijvoorbeeld. Onder
kan/hoeft te worden getoetst aan het Beeldkwaliteitsplan Buitengebied. Denk
welke voorwaarden is dit eigenlijk toegestaan en mag de
bijvoorbeeld aan de regeling voor vergunningvrij bouwen (Besluit
gemeente zelf afwijken van dit beeldkwaliteitsplan? Wat
Omgevingsrecht)
gaat er veranderen in de komende planfase zodat het plan ook daadwerkelijk als toetsingskader gaat fungeren? Op de
Appellant geeft aan dat een open zichtlijn wordt volgebouwd met woningen en
huidige manier heeft het beeldkwaliteitsplan slechts een
vraagt zich af onder welke voorwaarden dit kan. In het buitengebied Someren
inspirerende waarde.
kunnen alleen extra woningen worden gebouwd op basis van de provinciale ruimte-voor-ruimteregeling. De gemeente heeft bepaalde gebieden aangewezen waar ruimte-voor-ruimtewoningen voorstelbaar zijn. Deze zoekgebieden zijn in het bestemmingsplan aangeduid als ‘bebouwingsconcentratie’. Vervolgens kan er op basis van de beleidsnotitie toepassingsregeling ruimte-voor-ruimteregeling worden getoetst aan de voorwaarden die daarin zijn opgenomen. Echter, op 22 december 2021 heeft de gemeenteraad de herziening beleidsnotitie toepassingsregels ruimte-voor-ruimteregeling vastgesteld. Hierin zijn de zoekgebieden voor ruimte-voor-ruimtewoningen beperkt, zodat de landschappelijke kwaliteit en open zichtlijnen zo veel mogelijk behouden blijven. Bij de realisatie van nieuwe bebouwing wordt daarnaast rekening gehouden met het Beeldkwaliteitsplan Buitengebied. Het Beeldkwaliteitsplan Buitengebied is geëvalueerd en op 3 november 2022 is het nieuwe Beeldkwaliteitsplan Buitengebied 2022 vastgesteld. Hierin is opgenomen dat de richtlijnen in het 84
beeldkwaliteitsplan geen eisen zijn die zeggen hoe het moet, aangezien elke locatie uniek is. Het nieuwe beeldkwaliteitsplan moet houvast bieden om aan de slag te gaan in het buitengebied en de beeldkwaliteit ervan te behouden en waar mogelijk te versterken. Het is niet bedoeld als toetsingskader waar niet van afgeweken mag worden. Maar als er afgeweken wordt, is het belangrijk om goed te motiveren waarom afgeweken wordt en waarom de voorgestelde afwijking toch zoveel mogelijk aansluiting zoekt bij het gedachtengoed van het beeldkwaliteitsplan. Het Beeldkwaliteitsplan heeft dus niet slechts een inspirerende waarde, zoals appellant suggereert. In het bestemmingsplan is daarnaast als voorwaarde voor nieuwe ontwikkelingen in veel gevallen opgenomen dat er voldaan moet worden aan het Beeldkwaliteitsplan Buitengebied. 2.26.8
Appellant geeft aan dat in hoofdstuk 4.4.1 ‘eisen aan de
Het gegeven dat een bepaald soort dier of plant niet in de toelichting wordt
leefomgeving’ van de toelichting, ‘amfibieën en reptielen’
benoemd, wil niet zeggen dat dit soort geen natuurwaarde heeft. De gemeente
expliciet als natuurwaarden genoemd. Appellant vraagt of
vindt het dan ook onnodig om alle waardevolle plant- en diersoorten op te
gewone reeën geen natuurwaarde hebben. Verder vraagt
nemen die voor kunnen komen in het buitengebied. Het gemeentelijk beleid is er
appellant of onder de natuurwaarde ‘planten en
op gericht om de natuurwaarden te versterken en hiervoor zijn diverse
plantgemeenschappen’ ook niet expliciet de jeneverbes
regelingen opgenomen.
opgenomen zou moeten worden die in dit deelgebied voorkomt en met uitsterven bedreigd wordt. 2.26.9
Appellant geeft aan dat in hoofdstuk 4.6.3 ‘Agrarisch
De flexibiliteitsbepalingen betreffen de afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden
gebied met abiotische waarden’ van de toelichting wordt
die zijn opgenomen in de regels van het bestemmingsplan. Bij de bestemming
gesproken over “flexibiliteitsbepalingen”. Deze worden niet
‘Agrarisch met waarden – abiotische waarden’ zijn deze afwijkings- en
nader toegelicht. Appellant vraagt zich af waar zijn deze
wijzigingsbevoegdheden opgenomen in artikelen 5.3 en 5.6 van het voorliggende
vastgelegd of te vinden.
bestemmingsplan.
2.26.10 In hoofdstuk 4.6.4. ‘Agrarisch gebied met
Hiermee wordt bedoeld dat voor het agrarisch bodemgebruik wordt gestreefd
landschapswaarden’ van de toelichting onder het kopje
naar een duurzame kwaliteit van het milieu, waarbij de bodem niet overmatig
‘beleid’ staat: “Voor het agrarisch bodemgebruik wordt
belast wordt en tegelijkertijd nog ruimte is voor agrarisch gebruik van de grond
gestreefd naar het bereiken van een algemene
door de mens. Er wordt dus gestreefd naar een evenwicht tussen mens en
milieukwaliteit met een duurzaam evenwicht op lange
natuur. Belangrijk hierbij is dat het unieke cultuurlandschap beschermd wordt
termijn ten opzichte van het fysieke milieu.” Appellant
door het behoud en herstel van de landschappelijke waarden.
vraagt zich af wat hier precies mee wordt bedoeld? Wat is 85
een algemene milieukwaliteit en welk evenwicht van het fysieke milieu? 2.26.11 In hoofdstuk 7.4 van de toelichting staat: “Het
De zin waar appellant naar verwijst gaat enkel over het gegeven dat het
bestemmingsplan maakt geen nieuwe geluidsbron mogelijk
bestemmingsplan voor deelgebied 4 geen nieuwe geluidsbron binnen het
en leidt ook niet tot het oprichten van nieuwe
deelgebied mogelijk maakt. Dit leidt dan ook niet tot het oprichten van een
geluidsgevoelige objecten binnen de geluidszones.”
nieuw geluidsgevoelig object binnen de geluidszones. Daarmee wordt geen
Appellant geeft aan dat geluid niet bij de grens van
conclusie getrokken over de geluidsbelasting die in deelgebied 4 kan ontstaan
deelgebied 4 stopt. Het aanbrengen van een geluidwal aan
door het plaatsen van een geluidwal buiten het deelgebied.
de andere zijde van de A67, net buiten deelgebied 4, zal door reflectie van geluid voor meer geluidsbelasting van deelgebied 4 leiden. De betreffende zinsnede lijkt appellant daarmee onjuist.
2.27
Appellant 27 – Lungendonk 22 Zienswijze
Gemeentelijke beantwoording
Zienswijze inzake Lungendonk 22, 5715 PA te Lierop, d.d. 29 juni 2022, ontvangen 30 juni 2022 2.27.1 Appellant geeft aan dat de inspraakreactie als herhaald kan worden beschouwd.
De gemeente ziet geen aanleiding om de beantwoording van de inspraakreactie van Lungendonk 22 aan te passen. Wij verwijzen hiervoor dan ook naar het ‘Eindverslag inspraak en vooroverleg’.
2.27.2 Appellant wil de inspraakreactie aanvullen omtrent de
Zoals ook is aangegeven in de beantwoording van de inspraakreactie is in 2018
toegestane oppervlakte aan bijgebouwen. Zo is op 11 mei
een omgevingsvergunning verleend voor het heroprichten van een bijgebouw.
2017 door twee werknemers van de gemeente Someren
Als onderdeel van deze vergunning is door appellant een ruimtelijke
toegezegd dat van de aanwezige bebouwing maximaal 500
onderbouwing ingediend. In deze ruimtelijke onderbouwing is beschreven dat de
m² mocht worden teruggebouwd. Appellant is dan ook van
oppervlakte in de nieuwe situatie in totaal 481 m² zal bedragen, waardoor deze
mening dat het recht bestaat om voor maximaal 500 m²
oppervlakte destijds ook vergund is. Deze oppervlakte aan bijgebouwen wordt
aan bijgebouwen op zijn perceel aanwezig te hebben.
daarom opgenomen in het nieuw op te stellen bestemmingsplan. De ingediende ruimtelijke onderbouwing is juridisch leidend. In de ruimtelijke onderbouwing is aangegeven dat er tot 481 m² wordt herbouwd, waaraan de rechten ontleend worden. 86
2.27.3 Appellant verzoekt om het hondenhok en de houtopslag
Binnen de gemeentelijke beleidskaders proberen wij zo veel mogelijk oplossingen
alsnog te legaliseren door deze mee te nemen in de
te zoeken om strijdigheden met het bestemmingsplan op te lossen. Ook in het
onderhavige bestemmingsplanprocedure. Hiervoor verwijst
geval van appellant is dit gebeurd. Zo is er naar een passende oplossing gezocht
appellant naar het amendement van 24 mei 2022.
voor een alternatieve landschappelijke inpassing. Daarnaast verwijst appellant
Handhavend optreden tegen het hondenhok en de
naar het amendement van 24 mei 2022, waarin is opgenomen: “Een hondenhok
houtopslag zou volgens appellant onevenredig zijn en gaat
of volière dat/die is uitgevoerd als hondenhok of volière en als zodanig in gebruik
voorbij aan de doelen die worden beoogd.
is niet in de oppervlakte bijgebouwen mee te tellen.“ Hondenhokken en volières worden inderdaad niet gezien als bijgebouw, wanneer deze in bouwtechnische zin niet worden aangemerkt als bijgebouw. Dit zijn namelijk bouwwerken, geen gebouw zijnde. Zo luidt de definitie van een bijgebouw: “een vrijstaand of aangebouwd gebouw dat bouwkundig of architectonisch ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.” Een gebouw is vervolgens gedefinieerd als: “elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.” Hondenhokken die niet voor mensen toegankelijk zijn, zijn dus geen bijgebouwen. Volières hebben daarnaast veelal geen dak, waardoor deze bouwwerken ook niet kunnen worden gezien als een bijgebouw. Het is de vraag of het hondenhok van appellant voor een mens toegankelijk is. Daarnaast heeft het bouwwerk meerdere wanden en een dak. Voor de houtopslag geldt tevens dat deze in bouwtechnische zin kan worden aangemerkt als bijgebouw. Daarnaast is voor beide bouwwerken geen sprake van enig verworven recht. De gemeente heeft uitvoerig onderzocht of er mogelijkheden zijn voor de legalisatie van het hondenhok en de houtopslag. Voor beide voorzieningen zien wij geen mogelijkheden om deze te legaliseren door ze op te nemen in het bestemmingsplan.
Er zal in een later stadium, wanneer de afdeling Toezicht en Handhaving met de situatie aan de slag gaat, een nadere afweging worden gemaakt over de constateringen. Alsdan zal het aangenomen amendement en de beleidsnotie hieromtrent in ogenschouw moeten worden genomen.
87
2.27.4 Daarbij merkt appellant op dat het hondenhok al
Zoals al gesteld heeft de gemeente uitvoerig onderzocht of er mogelijkheden zijn
decennialang - vanaf 1976 - op het perceel aanwezig is.
voor de legalisatie van het hondenhok. Er worden geen mogelijkheden gezien om
Het feit dat dit hondenhok in de tussentijd om praktische
het hondenhok te legaliseren door deze op te nemen in het bestemmingsplan. Er
redenen meerdere malen is verplaatst maakt deze
zal in een later stadium, wanneer de afdeling Toezicht en Handhaving met de
omstandigheid niet anders. Het huidige hondenhok heeft
situatie aan de slag gaat, een nadere afweging worden gemaakt over de