10d. Nota van zienswijzen bestemmingsplan Buitengebied Someren - Deelgebied 4
Tekst van het document
dit teelt ondersteunend is. Appellanten geven aan dat dit
appellanten. Het betreft een bouwwerk, welke volgens de bouwregels uit artikel
zeker niet is bestemd om duurzaam ter plaatse te blijven,
6.2.1, niet is toegestaan. De gemeente vindt het ook niet wenselijk om binnen
want dan was er wel glas gebruikt. Appellanten vragen dan
deze bestemming rechtstreeks bouwwerken toe te staan in de vorm van een kas
ook een uitzondering te maken voor bouwsels die niet
en is dan ook niet bereid een uitzondering te maken voor bouwwerken die niet
duurzaam bestemd zijn om ter plaatse te blijven.
duurzaam bestemd zijn.
2.14.4 Appellanten geven aan dat er een schuurtje op het perceel
Wij vermoeden dat appellanten doelen op bouwwerk B uit het controlerapport.
staat (betreft een soort steigerhouten rand van 1 meter
Op basis van het bestemmingsplan is het niet toegestaan om dit bouwwerk
hoog, zonder fundering, en een dakje van golfplaten). Dit
zonder vergunning op te richten. Wij zien dan ook geen reden om dit bouwwerk
gebruiken appellanten om tuingereedschap in op te bergen, toe te staan. zodat het niet steeds wordt gestolen en zodat het perceel netjes kan worden bijhouden. Het valt totaal niet op, omdat het maar een laag schuurtje is en de vorige eigenaar heeft het waarschijnlijk destijds geplaatst in de veronderstelling dat het vergunningvrij was, omdat het zeer laag is en zeker geen 3 meter hoog. 2.14.5 Appellanten geven aan dat de gemeenteraad zich op 24
Op basis van de gemeentelijke beleidskaders proberen wij zo veel mogelijk
mei 2022 heeft uitgesproken in een amendement om
maatwerk te leveren, waar dat mogelijk is. Zo kijken wij per locatie naar
coulanter om te gaan met de regels. De gemeenteraad
oplossingsmogelijkheden wanneer er strijdigheden zijn met het
heeft het college van B&W verzocht om beter naar
bestemmingsplan. In sommige gevallen kan de strijdigheid met het
oplossingen te zoeken, door voldoende gehoor te geven
bestemmingsplan niet worden opgelost, aangezien dat niet passend is binnen de
aan de opgehaalde geluiden van de burgers.
gemeentelijke beleidskaders. In dat geval is het vaak ook niet wenselijk om de strijdigheid te legaliseren. Dit wil echter niet zeggen dat in eerste instantie altijd
Tevens moet het nut en de noodzaak worden aangetoond,
gekeken wordt naar maatwerk.
om na al die jaren opeens te handhaven. Naar mening van 45
appellanten is deze er niet. Niemand heeft er last van en er
Omtrent het standpunt van appellant dat er jaren niet gehandhaafd is en dat
is al die jaren nog nooit door de gemeente geklaagd.
niemand er last van heeft, wil niet zeggen dat de situatie hiermee legaal is geworden. Vanaf het moment van het oprichten van de diverse bouwwerken en
Tevens is het naar mening van appellanten nog steeds
voorzieningen en het plaatsen van opslag op het perceel, zijn deze zaken al
conform het gebruik van het bestemmingsplan. De
strijdig geweest met het bestemmingsplan, derhalve illegaal. Het is helaas (en
gemeente maakt er echter een onlogische regeling van,
gelukkig voor appellanten) alleen niet eerder door onze toezichthouders
waarbij men er wel dieren mag houden, maar er niet goed
geconstateerd, dan wel niet eerder door de afdeling Handhaving geprioriteerd,
voor mag zorgen.
waardoor niet eerder daartegen is opgetreden. Wij zien dan ook niet in dat de bestemming in het bestemmingsplan Buitengebied 2011 ambtshalve had moeten
Tevens is in het amendement besloten dat een volière of
worden gewijzigd.
hondenhok en dergelijke niet mee te tellen als bebouwing. Omtrent het standpunt van appellanten dat er sprake is van een onlogische regeling, verwijzen wij naar het antwoord onder 2.14.2. Omtrent het standpunt van appellanten over volières of hondenhokken geldt dat de gemeenteraad heeft besloten om deze bouwwerken niet mee te rekenen in de oppervlakte aan bijgebouwen. Dat is ook logisch, aangezien volières en hondenhokken veelal geen bijgebouwen zijn. Hondenhokken en volières worden niet gezien als bijgebouw, wanneer deze in bouwtechnische zin niet worden aangemerkt als bijgebouw. Dit zijn namelijk bouwwerken, geen gebouw zijnde. Zo luidt de definitie van een bijgebouw: “een vrijstaand of aangebouwd gebouw dat bouwkundig of architectonisch ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.” Een gebouw is vervolgens gedefinieerd als: “elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.” Hondenhokken en volières die niet voor mensen toegankelijk zijn, zijn dus geen bijgebouwen. Volières hebben daarnaast veelal geen dak, waardoor deze bouwwerken ook niet kunnen worden gezien als een bijgebouw. Op het perceel P 193 wordt de volière ook niet gezien als bijgebouw, maar als bouwwerk geen gebouw zijnde.
Echter blijft dit bouwwerk in strijd met het bestemmingsplan, aangezien deze niet binnen de agrarische bestemming had mogen worden opgericht.
46
2.14.6 Appellanten vragen om te zoeken naar een oplossing en
De bouwwerken, voorzieningen en de opslag zijn in strijd met het
eventueel het legaliseren of gedogen van de situatie.
bestemmingsplan. Daarnaast is er geen sprake van enig verworven recht,
Appellanten ontvingen van de gemeente een brief dat hun
waardoor wij geen reden hebben om het bestemmingsplan hierop aan te passen.
situatie niet te legaliseren was, maar naar mening van
Beleidsmatig is er dus geen oplossing voor de genoemde voorzieningen,
appellanten is dit juist de uitgelezen kans om te legaliseren, aangezien dit niet passend is binnen het bestemmingsplan. De strijdigheden met omdat het bestemmingsplan nu nog kan worden
het bestemmingsplan zullen daarom worden overgedragen aan team Toezicht en
aangepast. Er staan nu dieren op en deze kunnen niet
Handhaving. Vervolgens zal er een afweging gemaakt worden of het wenselijk en
zomaar worden verplaatst. Appellanten vragen dan ook
haalbaar is om de situatie te gedogen.
nogmaals, om dit in heroverweging te nemen en eventueel het bestemmingsplan hierop aan te passen of te zoeken naar een oplossing waarbij de partijen aan beide kanten tevreden kunnen zijn. Appellanten geven aan hier in de inspraakreactie niets over terug te kunnen vinden. 2.14.7 Appellanten vragen zich af wat het doel van de gemeente is Omtrent het doel van de herziening van het bestemmingsplan verwijzen wij om een dergelijk strikte handhaving na te streven in het
appellanten naar paragraaf 1.2 van de toelichting van het nieuwe
buitengebied in deze situatie.
bestemmingsplan. Tevens is het doel en de aanleiding van dit proces toegelicht tijdens de digitale informatiebijeenkomst op 26 januari 2022. Het proces brengt
Appellanten willen er op wijzen dat dit bestemmingsplan
met zich mee dat er handhavend kan worden opgetreden tegen locaties waar
niet in overleg met hun als eigenaren tot stand is gekomen, geen oplossing is voor strijdige zaken. wat zo wel lijkt als appellanten de aankondiging van de bestemmingsplanwijziging lezen. Appellanten zouden graag
De gemeente kan zich niet verenigen in het standpunt van appellant dat het
in gesprek gaan met de gemeente om naar mogelijkheden
bestemmingsplan niet in overleg met de eigenaren tot stand is gekomen. Zo
te zoeken in plaats van onmogelijkheden.
hebben projectmedewerkers namens de gemeente Someren op 23 december 2021 een gesprek met appellanten gehad over de bestemmingsplansituatie. Vervolgens is in de brief van 8 april 2022 nogmaals aangegeven dat wanneer appellanten een nadere toelichting willen op hetgeen is medegedeeld in die brief, zij daarover contact kunnen opnemen. Vervolgens hebben wij tot de inzage van het ontwerpbestemmingsplan niets meer van appellanten vernomen. De gemeente ziet voor nu geen aanleiding om nogmaals het overleg aan te gaan. Hiervoor hebben appellanten eerder de mogelijkheid gehad en daarnaast zal de conclusie van het gesprek van 23 december 2021 ongewijzigd blijven. 47
2.15
Appellant 15 – Broekkant 13b Zienswijze
Gemeentelijke beantwoording
Zienswijze inzake Broekkant 13b, 5715 PR te Lierop, d.d. 27 juni 2022, ontvangen 28 juni 2022 2.15.1 Appellant verzoekt om bij de vaststelling van het
Zoals aangegeven in de beantwoording van de inspraakreactie komt het
bestemmingsplan het huidige gebruik van perceel
eigendom en de feitelijke situatie niet overeen met het bestemmingsvlak. Op
Broekkant 13b te Lierop planologisch te verankeren. Zo is
basis van de provinciale Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant is het
er tijdens het gesprek met de wethouder aangegeven meer
niet mogelijk om het agrarische bedrijfsbestemmingsvlak op te delen in twee
in oplossingen te denken en is er daarnaast tijdens de
aparte bouwvlakken. Er zou dan sprake zijn van planologische nieuwvestiging.
raadsvergadering van 24 mei 2022 aangegeven dat de
Op het moment dat het bestemmingsvlak wordt aangepast in lijn met het
gemeente Someren te veel denkt in regels in plaats van in
eigendom van het perceel op Broekkant 12, dan betekent dit dat het perceel op
oplossingen en dat dit veranderd dient te worden.
Broekkant 13b eveneens een passende bestemming dient te krijgen. Zoals gesteld is een bestemmingsvlak waarbinnen gebouwd mag worden niet mogelijk gezien het provinciale beleid. Daarnaast is een agrarische gebiedsbestemming niet passend aangezien er bebouwing op het perceel staat die bestemd dient te worden. Het anders bestemmen van de gronden op het perceel van de eigenaar van Broekkant 13b of de bestemmingsgrens verleggen kan betekenen dat deze gronden in waarde verminderen, waardoor het bestemmingsvlak niet ambtshalve kan worden aangepast aan het kadastrale eigendom. Wij proberen binnen de wet- en regelgeving zo veel mogelijk in oplossingen mee te denken. Echter is het toekennen van een extra bouwvlak niet mogelijk binnen de huidige wet- en regelgeving.
2.15.2 Appellant verwijst naar de recentelijk gewijzigde Interim
Appellant verwijst naar een regeling uit de Interim Omgevingsverordening,
omgevingsverordening Noord-Brabant, waarin als
waarbij de mogelijkheid bestaat om de grens van een werkingsgebied te
uitgangspunt is opgenomen: “Daarnaast kunnen
wijzigen. Echter ziet dit toe op de grenswijziging van een werkingsgebied.
gemeenten op basis van een concreet bestemmingsplan om Werkingsgebieden zijn digitaal vastgestelde gebieden uit de Interim wijziging van de grens van een werkingsgebied vragen. In
Omgevingsverordening waaraan regels zijn gekoppeld. Het betreft dus geen
zo'n geval wordt de procedure voor de grenswijziging
aanpassing van bestemmingsvlakken. Het loskoppelen van de
gekoppeld aan de procedure van het bestemmingsplan. Het
bestemmingsvlakken veroorzaakt planologische nieuwvestiging, wat op basis van
koppelen van beide procedures biedt aan iedereen meer
het provinciale beleid niet is toegestaan.
duidelijkheid en vermindert procedures en bestuurslasten.” 48
Daarnaast heeft een medewerker namens de gemeente Someren de situatie Appellant geeft aan dat het op basis van provinciaal beleid
voorgelegd aan een medewerker van de provincie Noord-Brabant en mogelijke
is toegestaan om percelen te ontkoppelen middels een
oplossingsrichtingen besproken. Het loskoppelen van de bestemmingsvlakken is
bestemmingsplanprocedure.
niet mogelijk kan dan dus ook niet worden gezien als een oplossing. Andere mogelijke oplossingen zijn met appellant gedeeld.
2.16
Appellant 16 – Achterbroek 26, Achterbroek 32-34, Achterbroek 33, Herselseweg 14 en Kerkenhuis 5 Zienswijze
Gemeentelijke beantwoording
Zienswijze inzake Achterbroek 26, Achterbroek 32-34, Achterbroek 33, Herselseweg 14 en Kerkenhuis 5, te Lierop, d.d. 28 juni 2022, ontvangen 28 juni 2022 en aangevuld 14 juli 2022 2.16.1 Appellant geeft aan dat artikel 30.17 lid 2 van het
Wij streven er naar om alle inpassingsplichten te borgen in het nieuw op te
ontwerpbestemmingsplan een verplichting bevat tot het
stellen bestemmingsplan door middel van een aanduiding met daaraan
realiseren van hetgeen in het bijbehorende inpassingsplan
gekoppeld waar mogelijk een voorwaardelijke verplichting. Op die manier is er
is opgenomen. Opgedragen wordt om deze
voor eenieder een duidelijk en transparant overzicht van alle inpassingsplichten
landschappelijke inpassing binnen 12 maanden na de
per locatie. Het is onze werkwijze om zowel de realisatie als instandhouding te
inwerkingtreding van het bestemmingsplan uit te voeren en verankeren. De inpassingsplichten komen voort uit verleende vergunningen, in stand te houden. Van enige voorwaardelijkheid is geen
vigerende bestemmingsplan of nieuwe ontwikkelingen, waardoor er sprake is van
sprake. Deze landschappelijke inpassing is immers niet als
een voorwaardelijke verplichting uit een dergelijke ontwikkeling. Immers zijn
voorwaarde gekoppeld aan bijvoorbeeld een bouw- of
deze landschappelijke inpassingen daar als voorwaarden aan gekoppeld.
gebruiksactiviteit. Een dergelijke directe verplichting verdraagt zich niet met het aan de Wet ruimtelijke ordening Wij zien dan ook geen juridische redenen om landschappelijke inpassingsplannen ten grondslag liggende uitgangspunt dat een
niet op de huidige wijze op te nemen in het bestemmingsplan en zijn van mening
bestemmingsplangrondgebruikers niet kan verplichten tot
dat de planregel hieromtrent met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.
het zonder meer uitvoeren van hetgeen in het bestemmingsplan is geregeld. De Wro en daarmee het bestemmingsplan, is gebaseerd op het principe van toelatingsplanologie. De huidige redactie van artikel 30.17.1, lid 2 van de planregels is dan ook in strijd met artikel 3.1, lid 1 Wro. Ter toelichting verwijst appellant naar 49
een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 augustus 2016, waarin de Afdeling over een soortgelijke planregel oordeelde dat deze in strijd is met artikel 3.1, eerste lid, van de Wro. Van enige voorwaardelijkheid is in de planregel geen sprake. 2.16.2 Appellant geeft aan dat de eigenaar van Achterbroek 26-
In artikel 6.1 van het voorliggende bestemmingsplan is te lezen waarvoor de
26a-26b een strook grond wil verharden, waar de
gronden die bestemd zijn als ‘Agrarisch met waarde – Landschapswaarden’ zijn
enkelbestemming ‘Agrarisch met waarden –
bedoeld. Verharding is niet passend binnen deze doeleinden, zoals die in artikel
Landschapswaarden’ op rust. Appellant beschrijft dat in
6.1 zijn benoemd. Zo draagt verharding onder andere niet bij aan het behoud,
reactie op de inspraakreactie burgemeester en wethouders
herstel en/of de ontwikkeling van de aanwezige landschapswaarden. Daarnaast
schrijven dat een dergelijke verharding niet wenselijk wordt is in artikel 1.11 beschreven dat onder agrarisch gebruik/doeleinden het al dan geacht op agrarische gronden en zij geen reden zien om
niet bedrijfsmatig gebruik van gronden of gebouwen voor het telen van
het bestemmingsplan daarop aan te passen. Waarom dit
gewassen of het houden van dieren wordt verstaan. Verharding is niet passend
niet wenselijk is, lichten burgemeester en wethouders niet
binnen agrarisch gebruik/doeleinden. De gemeente acht het daarom niet
toe. De betreffende gronden liggen geheel in de
wenselijk om op agrarische gronden verharding toe te staan, waardoor zij geen
invloedssfeer van het bedrijf en hebben geen andere
reden ziet om het bestemmingsplan hierop aan te passen. Daarnaast dienen op
zelfstandige waarde dan agrarisch. Met verbetering van de
basis van het bestemmingsplan alle voorzieningen ten behoeve van het agrarisch
ontsluiting wordt bovendien een algemeen verkeersbelang
bedrijf, waaronder verhardingen, binnen het agrarische bedrijfsbestemmingsvlak
gediend. Dat miskennen burgemeester en wethouders.
te liggen.
Appellant verzoekt om het bestemmingsplan zodanig aan te passen, dat zowel de bouw- als gebruiksregels als de regels die gelden voor het uitvoeren van werken/werkzaamheden, de realisering van de erfverharding bij recht wel toestaan. 2.16.3 Appellant geeft aan dat het college niets doet met het
De gemeente is van mening dat er nog geen concreet plan is ingediend om het
verzoek om het bouwblok te verruimen op Achterbroek 26-
bestemmingsvlak te verruimen. Hierdoor is er nog geen plan dat voldoende kan
26a-26b om de bedrijfsbebouwing te kunnen
worden beoordeeld. Indien appellant het bouwvlak wil vergroten, dient er een
herstructureren. De gemeente handhaaft ook de regeling
concreet plan ingediend te worden, waarna het college van burgemeester en
dat de oppervlakte voor bebouwing, verharding en andere
wethouders een afweging kan maken over de ontwikkeling. Wij achten de kans
voorzieningen maximaal 90% van het bouwvlak mag zijn.
van slagen echter klein, aangezien de gemeente het niet wenselijk acht om het
Infiltratievoorzieningen dienen binnen het bestemmingsvlak bouwvlak van een agrarische bedrijfsbestemming te vergroten boven de 1,5 te liggen. Dat beperkt de ruimte voor herstructurering
hectare.
onnodig. Burgemeester en wethouders gaan er aan voorbij 50
dat sprake is van een toekomstgericht bedrijf dat gericht is
Tot op heden hebben wij geen uitgewerkt plan ontvangen om het bouwvlak te
op duurzame productie van voedsel. Gelet op de
vergroten. Wij zien dan ook geen reden om het bouwvlak aan te passen.
noodgedwongen krimp in de veehouderijsector, is een dergelijk bedrijf zeer perspectiefrijk voor de toekomst en dient daaraan vanuit ruimtelijk oogpunt ontwikkelingsruimte te worden geboden. Op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak dient de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met een particulier initiatief betreffende ruimtelijke ontwikkelingen, voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan worden beoordeeld. Zie bijvoorbeeld AbRS 12 augustus 2020, ECLI:NL;RVS:2020:1923. Van den Einden Agro B.V. heeft een voldoende concreet initiatief aan burgemeester en wethouders voorgelegd dat daadwerkelijk beoordeelbaar is. Burgemeester en wethouders menen dat een principeverzoek moet worden ingediend. Dat is een te vergaande eis. Vaste rechtspraak verlangt dat er een beoordeelbaar initiatief ligt. De plannen die Van den Einden Agro B.V. aan burgemeester en wethouders heeft gepresenteerd voldoen hier aan. 2.16.4 Appellant doet het verzoek het ontwerpbestemmingsplan
Alle voorzieningen ten behoeve van een woning op Achterbroek 33, waaronder
zodanig gewijzigd vast te stellen, dat zowel de bouw- als
de inrit/uitweg, dienen binnen het woonbestemmingsvlak te liggen. Wanneer de
gebruiksregels als de regels die gelden voor het uitvoeren
inrit wordt verlegd naar perceel P 79 ligt de inrit buiten het
van werken/werkzaamheden, de realisering van de
woonbestemmingsvlak en op agrarische gronden. Het woonbestemmingsvlak
erfverharding bij recht wel toestaan, de bestemming naar
vergroten is geen optie, aangezien het woonbestemmingsvlak reeds groter is dan
Tuin te wijzigen en de gevraagde landschappelijke
2.500 m². Tevens vindt de gemeente het niet wenselijk om de bestemming op
inpassing mogelijk te maken op Achterbroek 33. Op die
perceel P 79 te wijzigen naar ‘Tuin’. Zie de beantwoording onder paragraaf 51
manier kan de gewenste inrit/uitweg naar het woonhuis
2.16.2 voor de redenen waarom de gemeente het niet wenselijk vindt om
worden verlegd, zodat niet direct voor het woonhuis langs
verharding op agrarische gronden toe te staan.
hoeft te worden gereden. Appellant geeft aan dat burgemeester en wethouders een ruimtelijke onderbouwing
Appellant benoemt dat de landschappelijke inpassing een enorme verbetering
verlangen. Daarbij gaan zij voorbij aan het gegeven dat de
oplevert. Dit is echter geen directe aanleiding om de agrarische bestemming te
nu geldende agrarische bestemming niet meer reëel is en
wijzigen. Om de inrit mogelijk te maken zal het woonbestemmingsvlak van vorm
de voorgestelde landschappelijke inpassing een enorme
moeten worden veranderd. Voor het veranderen van het woonbestemmingsvlak
verbetering oplevert.
dient er een ruimtelijke onderbouwing te worden ingediend. Hierin zal moeten worden aangetoond dat alle voorzieningen binnen het woonbestemmingsvlak liggen en er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarnaast dient de noodzaak van de vormverandering van het bestemmingsvlak te worden aangetoond. De gemeente ziet vooralsnog niet de noodzaak in om het woonbestemmingsvlak van vorm te veranderen, waardoor het bestemmingsvlak hierop niet is aangepast.
2.16.5 Appellant geeft aan dat een deel van de met vergunning tot Op basis van het overgangsrecht is het woonbestemmingsvlak van vorm stand gekomen en/of overgangsrechtelijk beschermde
veranderd, zodat alle gebouwen en de toegangsweg op Herselseweg 14 binnen
voormalige (agrarische) bedrijfsgebouwen op Herselseweg
het woonbestemmingsvlak gelegen zijn. Indien appellant de vergunde en/of
14 buiten het woonbestemmingsvlak is gelegen. Dat geldt
overgangsrechtelijk beschermde oppervlakte aan bijgebouwen wil opplussen
ook voor de toegangsweg. In het bestemmingsplan
dient appellant de stappen te doorlopen, zoals die beschreven zijn in de brief van
"Buitengebied 2011" is deze woonsituatie niet adequaat
18 juni 2021. Indien appellant het woonbestemmingsvlak wil vergroten, zodat
geregeld, terwijl die situatie toen al wel bestond. Het
ook de parkeervoorzieningen binnen het bestemmingsvlak worden gelegd, dient
college van burgemeester en wethouders heeft eerder
appellant de stappen te doorlopen uit de brief van 22 september 2021. De
aangegeven dat zij wil meewerken aan voornoemde punten
kwaliteitsverbetering in het landschap moet worden uitgewerkt in een
als een stappenplan wordt doorlopen en een
beplantingsplan. Tot op heden hebben wij geen ruimtelijke onderbouwing of
beplantingsplan wordt aangereikt, waarin echter niet de
beplantingsplan ontvangen, waardoor wij geen reden hebben om de oppervlakte
gerealiseerde parkeervoorzieningen zouden worden
aan bijgebouwen op te plussen of het woonbestemmingsvlak verder te
meegenomen. Dat valt overigens nu niet terug te lezen in
vergroten.
de reactie van burgemeester en wethouders op de inspraakreactie. Het gedeelte van het perceel met de parkeervoorzieningen en de toegangsweg is in het ontwerpbestemmingsplan 52
ongewijzigd overgenomen. Dit terwijl de in het ter plaatse aanwezige bebouwingslint de agrarische bestemming niet meer passend en reëel is. Appellant beargumenteert dat in het bestemmingsplan kan worden geregeld dat op de plek van de parkeervoorzieningen het doorzicht bewaard blijft door bebouwing uit te sluiten en dat de beschermde waarden en het besloten karakter niet worden aangetast. Appellant geeft aan dat er een kwaliteitsverbetering in het landschap heeft plaatsgevonden. Appellant verzoekt dan ook het ontwerpbestemmingsplan zodanig gewijzigd vast te stellen, dat de agrarische bestemming wordt geschrapt, de parkeervoorzieningen binnen het woonbestemmingsvlak worden gelegd en de toegestane oppervlakte aan bijgebouwen in het bestemmingsplan worden verruimd de feitelijke situatie. 2.16.6 Appellant geeft aan dat het bestemmingsvlak van
Om het bestemmingsvlak op Kerkenhuis 5 te kunnen vergroten in het nieuwe
Kerkenhuis 5 circa een halve hectare is. Daarmee heeft dit
bestemmingsplan dient er een plan te worden ingediend, welke wordt
bouwblok te weinig ontwikkelperspectief. De eigenaar
goedgekeurd door het college van burgemeester en wethouders. De adviseur van
bepleit een vergroting naar 1 hectare, zodat de bestaande
de eigenaar heeft op 6 juni 2019 een concept ontwerpbestemmingsplan
bedrijfsloods kan worden uitgebouwd en ruimte ontstaat
toegestuurd voor de plannen op Kerkenhuis 5. Op 26 november 2019 heeft het
voor de hiervoor benoemde noodzakelijke activiteiten.
college van burgemeester en wethouders niet ingestemd met de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan. De voorwaarde vanuit college is gesteld dat,
Met de directe buren heeft - anders dan burgemeester en
voordat het ontwerp ter inzage gaat, een omgevingsdialoog aangegaan dient te
wethouders kennelijk veronderstellen- afstemming
worden met de buurt.
plaatsgevonden. Het plan wordt daar toegejuicht. Ongewis is waarom burgemeester en wethouders menen dat het
Hoewel appellant aangeeft dat afstemming heeft plaatsgevonden met de directe
plan tot op heden niet in een dermate gevorderd stadium is
buren, had de gemeente hier nog geen formeel ondertekend document van
waardoor het bestemmingsplan op deze locatie niet kan
ontvangen. De omgevingsdialoog was daardoor nog te summier uitgevoerd en
worden aangepast.
een medewerker van de gemeente Someren heeft dit op 5 september 2022 toegelicht. Tijdens het gesprek op 5 september 2022 is door de adviseur en
Appellant verzoekt dan ook het ontwerpbestemmingsplan
initiatiefnemer aangegeven dat de beoogde loods kleiner wordt gerealiseerd dan
zodanig gewijzigd vast te stellen, dat het bestemmingsvlak
voorheen is opgenomen in het plan dat naar het college is gegaan. De 53
wordt vergroot naar 1 hectare met het oog op uitbreiding
aangepaste plannen en verslaglegging van het omgevingsdialoog zijn opnieuw
van de loods en ruimte wordt geboden voor realisering van
aangeleverd door adviseur, waardoor vervolg wordt gegeven aan de
het inpassingsplan.
bestemmingsplanprocedure. Tot op heden is het plan nog niet in een dermate gevorderd stadium, waardoor het plan van appellant op de locatie Kerkenhuis 5 niet in dit bestemmingsplan kan worden opgenomen.
2.17
Appellant 17 – Winkelstraat 6 Zienswijze
Gemeentelijke beantwoording
Zienswijze inzake Winkelstraat 6, 5715 PN te Lierop, d.d. 24 juni 2022, ontvangen 26 juni 2022 2.17.1 Appellant heeft een overeenkomst bereikt om sloopmeters
De gemeente heeft de landschappelijke inpassing beoordeeld en deze is
op een andere locatie over te kopen. Daarnaast heeft
voldoende om de oppervlakte aan bijgebouwen middels de aankoop van
appellant een landschappelijke inpassing als bijlage
sloopmeters te verruimen naar 348 m². Zo wordt er namelijk 247 m² aan
toegevoegd. Appellant verzoekt met de aankoop van de
overtollige bebouwing opgeplust. Met de aankoop van 202 m² aan sloopmeters
sloopmeters en de landschappelijke inpassing om de
in een bebouwingsconcentratie kan daarnaast 101 m² op de locatie van appellant
oppervlakte aan bijgebouwen te verruimen tot 350 m².
extra worden opgeplust. In totaal is hierdoor een oppervlakte van 348 m², en niet 350 m², aan bijgebouwen opgenomen op de locatie van appellant.
2.18
Appellant 18 – Achterbroek 5 en 5a Zienswijze
Gemeentelijke beantwoording
Zienswijze inzake Achterbroek 5 en Achterbroek 5a, 5715 BM te Lierop, d.d. 27 juni 2022, ontvangen 29 juni 2022 2.18.1 Appellant beschrijft dat de gemeente de bebouwing of het
Naast het overgangsrecht uit het bestemmingsplan Buitengebied 1976, toetsen
gebruik na 1976 als illegaal beoordeeld, wanneer er geen
wij ook aan het voormalige bestemmingsplan Buitengebied 1998 en het
vergunning en/of vrijstelling is verleend. Appellant kan
vigerende bestemmingsplan. Er wordt dan ook rekening gehouden met het
deze keuze niet goed volgen. Na 1976 zijn er immers nog
overgangsrecht van de voorgaande bestemmingsplannen en het vigerende
andere bestemmingsplannen vastgesteld (met
bestemmingsplan. Het is dus niet zo dat alleen wordt getoetst op het
overgangsrecht) en heeft de gemeente mogelijk ook
overgangsrecht van het bestemmingsplan uit 1976. Tevens wordt er getoetst
impliciet meegewerkt aan bepaalde ontwikkelingen. Daarbij
aan de voormalige dan wel huidige regelingen voor vergunningvrij bouwen. 54
is het overigens de vraag of de administratie van de
Appellant stelt vraagtekens omtrent de administratie van de gemeente op het
gemeente zodanig op orde is dat telkens kan worden
gebied van de vergunningen en vrijstellingen. In het archief van de gemeente
achterhaald of al dan niet een vergunning en/of vrijstelling
Someren zijn alle verleende vergunningen tot in ieder geval 1937 terug te
is verleend.
vinden. Er is dan ook per locatie een goed beeld over welke vergunningen verleend zijn. Tevens worden alle bouwwerken getoetst aan de vergunningen die verleend zijn en is een overzicht hiervan ook aan de eigenaren zelf verstuurd, waardoor men kan aangeven wanneer er zaken niet kloppen of onvolledig zijn. Wanneer er impliciet is meegewerkt aan een bepaalde ontwikkeling op Achterbroek 5 of Achterbroek 5a, welke nu is aangemerkt als strijdig, vernemen wij dat graag. Hiervan ontvangen wij dan graag een nadere toelichting en documentatie, waarin dit wordt aangetoond.
2.18.2 Appellant schrijft dat er op de huidige wijze op geen enkele
Omtrent handhaving en legalisering is de eigenaar zelf verantwoordelijk voor de
wijze rekening wordt gehouden bij handhaving en
ontstane strijdigheden met het bestemmingsplan. Het is helaas (en gelukkig voor
legalisering met bijvoorbeeld het ruime tijdsverloop. Het is
appellant) alleen niet eerder door onze toezichthouders geconstateerd, dan wel
per situatie afhankelijk of men al dan niet rekening dient te
niet eerder door de afdeling Handhaving geprioriteerd, waardoor niet eerder
houden met tijdsverloop en het is goed voorstelbaar dat
daartegen is opgetreden. Wij zien dan ook niet in dat het nieuwe
zich ook na 1976 (inmiddels 46 jaar geleden) nog relevante bestemmingsplan ambtshalve moet worden gewijzigd. Er zijn op de locaties ontwikkelingen hebben voorgedaan waarmee rekening kan
namelijk een aantal strijdige zaken met het bestemmingsplan, welke niet onder
en dient te worden gehouden.
het overgangsrecht vallen en er is geen sprake van enig verworven recht.
2.18.3 Appellant geeft aan dat de gemeente kenbaar heeft
Op basis van de gemeentelijke beleidskaders wordt getracht zo veel mogelijk
gemaakt maatwerk belangrijk te achten en dit ook toe te
maatwerk te leveren, waar dat mogelijk is. Zo wordt per locatie gekeken naar
passen. Op basis van de eerdere besprekingen en het nu
oplossingsmogelijkheden wanneer er strijdigheden zijn met het
voorliggende ontwerpbestemmingsplan is de conclusie
bestemmingsplan. In sommige gevallen kan de strijdigheid met het
gerechtvaardigd dat de door de gemeente Someren
bestemmingsplan niet worden opgelost, aangezien dat niet passend is binnen de
voorgestane aanpak inhoudende dat maatwerk wordt
gemeentelijke beleidskaders. In dat geval is het vaak ook niet wenselijk om de
geleverd, helaas nog ten dele ontbreekt.
strijdigheid te legaliseren. Dit wil echter niet zeggen dat in eerste instantie altijd gekeken wordt naar maatwerk. Voorbeelden waarbij dergelijk maatwerk wordt toegepast, zijn de mogelijkheden om bijgebouwen op te plussen via de gemeentelijke Sloopbank of de Landschapsinvesteringsregeling 2020 en de mogelijkheden om bijgebouwen die niet voldoen aan de bouwregels onder voorwaarden met terugwerkende kracht te vergunnen. 55
2.18.4 Appellant verzoekt om in de planregels behorend bij de
De gemeente is het er mee eens dat in sommige gevallen buitenopslag moet
bestemming ‘Wonen’ te regelen dat beperkte opslag
kunnen worden toegestaan in het buitengebied. De gemeenteraad heeft dan ook
mogelijk is. Verzocht wordt om artikel 17.4.1 onder e aan
op 24 mei 2022 een amendement aangenomen waarin is opgenomen dat er voor
te passen. Die bepaling kan worden gewijzigd in de
het onderwerp ‘Buitenopslag bij particulieren’ op korte termijn een beleidsnotitie
navolgende zin: "het gebruik van gronden en/of opstallen
opgesteld dient te worden, waarin wordt verwerkt hoe dit onderwerp in bestaand
voor doeleinden van (buiten)opslag, stort of lozing met
beleid aangepast kan worden. Aanleiding hiervoor was het raadsvoorstel van 24
uitzondering van opslag inherent en ondergeschikt aan het
mei 2022 waarin een nieuwe werkwijze werd voorgesteld voor de beoordeling
toegelaten gebruik".
van buitenopslag. Vervolgens is in de gemeenteraad van 29 september 2022 zojuist genoemde beleidsnotitie aangenomen. In deze beleidsnotitie wordt voorgesteld om het begrip ‘opslag’ anders te definiëren in de begripsbepalingen van het bestemmingsplan. Aan de hand van het voorstel is het begrip ‘buitenopslag’ opgenomen, waarbij kan worden gesteld dat buitenopslag van materialen die geen zichtbare negatieve invloed hebben op de belevingswaarde van het gebied dan wel voor bedrijfsmatige doeleinden zijn, niet in strijd zijn met het bestemmingsplan. Daarmee is buitenopslag op het perceel tot op zekere hoogte toegestaan. Een belangrijke voorwaarde is dat de buitenopslag niet visueel zichtbaar is vanaf de openbare ruimte. Alle door de gemeente aangemerkte locaties met strijdige buitenopslag zullen aan deze nieuwe definitie voor opslag worden getoetst. De suggestie van appellant voor het aanpassen van de definitie voor opslag wordt niet overgenomen.
2.18.5 Appellant beschrijft dat de gemeente heeft aangegeven dat de bijgebouwen op Achterbroek 5 verkeerd zijn gesitueerd,
Omtrent de bepaling van de voorgevelrooilijn op Achterbroek 5 verwijzen wij appellant naar paragraaf 2.30.3 van de beantwoording van de inspraakreactie in
namelijk voor de voorgevelrooilijn. Volgens appellant lag de het ‘Eindverslag inspraak en vooroverleg’. De gemeente blijft van mening dat de as van de weg waaraan werd gebouwd vroeger anders dan
voorgevel de noordkant van de woning betreft. Dit is tevens zo benoemd in de
nu het geval is. Dat verklaard ook dat de voordeur aan de
verleende vergunning uit 1975 voor het veranderen van het woonhuis. Gelet op
achterzijde is gesitueerd. Het is een theoretische discussie
de definitie van de voorgevelrooilijn uit het bestemmingsplan is dat logisch. Er
geworden waarbij het college uitgaat van een formele lijn.
wordt namelijk niet gekeken naar de situering van de voordeur, maar naar de
Appellant verzoekt de raad om vooral rekening te houden
denkbeeldige lijn, evenwijdig aan de as van de weg waaraan gebouwd wordt. 56
met de feitelijke situatie en het gegeven dat er nu eenmaal
Daarnaast zijn de bijgebouwen groter dan 100 m², wat niet rechtstreeks is
al heel lang bijgebouwen aanwezig zijn. Appellant geeft aan toegestaan in het bestemmingsplan. De gemeente ziet dan ook geen reden om dat een vergunningaanvraag voor de bijgebouwen op
het bestemmingsplan hierop ambtshalve aan te passen. Op basis van het Besluit
Achterbroek 5 niet nodig en onzinnig is. De raad kan
Omgevingsrecht dient er dan ook een vergunning te worden aangevraagd voor
immers in het kader van het bestemmingsplan nu al
bijgebouwen voor de voorgevel.
bepalen dat de bijgebouwen op zich planologisch acceptabel zijn. Nadat de raad dat heeft gedaan, is er ook een directe grondslag om te komen tot het verlenen van een omgevingsvergunning. Aan de raad wordt concreet verzocht om het bestemmingsplan aan te passen in die zin dat de bestaande bijgebouwen als bestaande bebouwing wordt aangemerkt. 2.18.6 Appellant verzoekt om de bijgebouwen B en E op
In het bestemmingsplan wordt een aanduiding ‘specifieke vorm van wonen –
Achterbroek 5a positief te bestemmen en daarmee deze
overtollige bebouwing’ opgenomen voor bouwwerken B en E, waarbij geldt dat er
gebouwen aan te merken als normale gebouwen (en niet
bebouwing aanwezig is die valt onder het vergunde recht dan wel het
als "overtollige bebouwing"). De regeling behorende bij de
overgangsrecht voor bouwen, maar niet voor het gebruik. De gebouwen zijn
aanduiding ‘overtollige bebouwing’ is onvoldoende en doet
namelijk vergund en/of overgangsrechtelijk beschermd ten behoeve van
afbreuk aan de bestaande situatie. Er is immers geen
agrarische doeleinden. Dit betekent dat het huidige gebruik van deze gebouwen
sprake van "overtollige bebouwing" maar van bebouwing
niet overeenkomt met de verleende vergunning en/of het gebruik op het moment
die al gedurende een hele lang tijd een concrete functie
van oprichten, waardoor het overgangsrecht ook maar beperkt van toepassing is.
hebben en ook ter plaatse aanwezig zijn. Die gebouwen zijn De bebouwing is in het voorgaande plan onder het overgangsrecht gebracht met daarmee aan te merken als normale bebouwing en niet als
de gedachte dat deze in de planperiode verwijderd zou worden. Nu blijkt dat
overtollige bebouwing. Vanuit planologisch oogpunt is
deze bebouwing in de planperiode niet is verwijderd, heeft de gemeente er voor
immers relevant dat de betreffende bijgebouwen aanwezig
gekozen om voor deze bebouwing de aanduiding “overtollige bebouwing” op te
zijn en daarmee ook acceptabel.
nemen. Door de opname van de aanduiding wordt vastgelegd dat de bestaande met vergunning tot stand gekomen en/of overgangsrechtelijk beschermde voormalige (agrarische) bedrijfsgebouwen zijn toegestaan op de locatie. Daarnaast wordt er een bouw- en gebruiksbeperking opgelegd. Het doel van dit beleid is dat er in de toekomst een afweging wordt gemaakt over de voormalige agrarische bebouwing en dat een overschot aan bouwwerken uiteindelijk wordt verwijderd. De gemeente heeft als doelstelling het buitengebied te ontstenen en de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied te verbeteren. Door de aanduiding 57
op de locatie op te nemen, wordt de sloop van overtollige bebouwing op termijn extra gestimuleerd. Daarbij bieden we ook de mogelijkheid om de oppervlakte aan bijgebouwen op te plussen via de Sloopbank of als deze niet toereikend is door een gebrek aan aanbod van sloopmeters via de gemeentelijke Landschapsinvesteringsregeling 2020 (LIR). Hiervoor dient een kwaliteitsverbetering te worden geleverd in het landschap. Tot op heden hebben wij een plan die uitvoering geeft aan de kwaliteitsverbetering van het landschap niet ontvangen, waardoor deze oppervlakte aan bijgebouwen niet rechtstreeks kan worden opgenomen in het bestemmingsplan. Het gegeven dat de bijgebouwen aanwezig zijn, wil niet zeggen dat de bijgebouwen acceptabel zijn of altijd mogen worden herbouwd. 2.18.7 Appellant verzoekt de raad om planologisch te regelen dat
Hoewel de gemeente positief staat tegenover het stimuleren van de
ter plaatse bijgebouw F op Achterbroek 5a, dat wordt
biodiversiteit, dient appellant zich wel te houden aan de gestelde regels uit het
gebruikt voor bijen, is toegestaan. Specifiek wordt
bestemmingsplan. Bouwwerk F is zonder vergunning en in strijd met het
gevraagd om de planregels en de bestemming hierop aan
bestemmingsplan opgericht. Op de bestemming ‘Agrarisch met waarden –
te passen. Appellant beargumenteert dat het gaat om een
Landschappelijke waarden’ is het namelijk niet toegestaan om gebouwen op te
gebouw dat al lange tijd aanwezig is, niet op bezwaren stuit richten. Bouwwerk F is dan ook vanuit planologisch oogpunt niet passend binnen van omwonenden en vooral ook past binnen de
de regels van het bestemmingsplan. Aangezien er geen vergunning is verleend
bestemming en het gemeentelijke beleid. Het houden van
voor dit bouwwerk, kan deze niet worden opgenomen in het nieuwe
bijen ter plaatse (op kleine schaal) is op ecologische
bestemmingsplan. Appellant had ook binnen het woonbestemmingsvlak conform
principes gebaseerd. Er wordt gestreefd naar biodiversiteit
de bouwregels of met vergunning een bouwwerk ten behoeve van bijen kunnen
en het plaatsen van een aantal bijenvolken past daarin.
oprichten om een bijdrage te leveren aan de biodiversiteit. In plaats daarvan heeft appellant rond 2013 bouwwerk F zonder toestemming van de gemeente illegaal opgericht. De gemeente ziet dan ook geen reden om bouwwerk F op te nemen in het bestemmingsplan.
58
2.19
Appellant 19 – Achterbroek 28 Zienswijze
Gemeentelijke beantwoording
Zienswijze inzake Achterbroek 28, 5715 BM te Lierop, d.d. 27 juni 2022, ontvangen 29 juni 2022 2.19.1 Appellant geeft aan zich met name te ergeren aan de
De gemeente kan zich niet verenigen met het standpunt van appellant omtrent
beantwoording van de inspraakreactie onder paragraaf
de communicatie. Zo heeft de gemeente op 26 mei 2021 een brief gestuurd met
2.3.6. Appellant geeft aan dat hij een oplossing zoekt voor
de gedane constateringen inzake de bestemmingsplansituatie. Daarin is
de stalling van de tractor. Het zou de gemeente sieren als
nadrukkelijk het verzoek gedaan om contact op te nemen met de gemeente
zij hierover contact opnemen. Appellant geeft aan dat er
indien appellant de mogelijkheden wil onderzoeken om (een gedeelte van) zijn
nul communicatie is.
bijgebouwen te legaliseren. Nadien hebben wij tot de ter inzagelegging van het voorontwerpbestemmingsplan niets meer van appellant vernomen. Vervolgens heeft appellant op 21 november 2021 een inspraakreactie ingediend tegen het voorontwerpbestemmingsplan, waarin hij kenbaar maakt de overkapping voor zijn tractor te willen legaliseren. Op 12 mei 2022 heeft de gemeente deze inspraakreactie beantwoord en aangegeven dat er mogelijkheden kunnen zijn om de overkapping voor de tractor te legaliseren middels de Sloopbank of de Landschapsinvesteringsregeling. Echter hebben wij nadien wederom niks van appellant vernomen tot de ter inzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan. Appellant heeft naar ons inziens meerdere mogelijkheden gehad om contact op te nemen met de gemeente over de mogelijkheden om de overkapping te legaliseren.
2.19.2 Appellant heeft vernomen dat de raad een amendement
Hondenhokken en volières worden inderdaad niet gezien als bijgebouw, wanneer
heeft aangenomen dat hondenhokken en volières niet
deze in bouwtechnische zin niet worden aangemerkt als bijgebouw. Dit zijn
worden meegenomen in de totaal aanwezige vierkante
namelijk bouwwerken, geen gebouw zijnde. Zo luidt de definitie van een
meters aan bijgebouwen. Het lijkt appellant redelijk dat dat
bijgebouw: “een vrijstaand of aangebouwd gebouw dat bouwkundig of
ook geldt voor tuinkasjes, aangezien dat ook een hobby is.
architectonisch ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.” Een gebouw is vervolgens gedefinieerd als: “elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.” Hondenhokken die niet voor mensen toegankelijk zijn, zijn dus geen bijgebouwen. Volières hebben daarnaast in veel gevallen geen dak, waardoor deze bouwwerken ook niet kunnen worden gezien als een bijgebouw. Een tuinkas 59
is echter wel voor een mens toegankelijk en heeft wanden met een dak. Geconcludeerd moet worden dat een tuinkas dus wel een bijgebouw betreft, welke mee moet worden gerekend bij de oppervlakte aan bijgebouwen. Het gegeven dat een bouwwerk gebruikt wordt voor een hobby doet daar niets aan af. 2.19.3 Appellant geeft aan dat de Sloopbank voor hem geen optie
Bij de toepassing van de gemeentelijke Sloopbank maakt de hoeveelheid
is, aangezien hij niet zo veel bijgebouwen heeft. Over
vierkante meters aan bijgebouwen die appellant wenst te legaliseren niet uit.
beplanting valt echter wel te praten, aangezien zijn tuin vol
Immers kan ook een kleine oppervlakte aan bijgebouwen worden gelegaliseerd
staat met beplanting. Appellant gaat hierover dan ook
middels de Sloopbank. Op het moment dat de Sloopbank niet toereikend genoeg
graag het overleg aan.
is door een gebrek aan aanbod, kan de Landschapsinvesteringsregeling 2020 (LIR) uitkomst bieden. Indien appellant de oppervlakte aan bijgebouwen wil verruimen is dat dus mogelijk met toepassing van de gemeentelijke Sloopbank. In deze Sloopbank kan men sloopmeters elders in de gemeente Someren opkopen en tegen een bepaalde verhouding op de eigen locatie opplussen. De gemeente kan mensen die meters willen kopen in contact brengen met de bewoners die vierkante meters inbrengen in de Sloopbank. De prijs wordt bepaald door de aanbieders van de sloopmeters. Zodra er extra meters zijn gekocht via de Sloopbank zullen deze worden opgenomen in het bestemmingsplan. Hieraan gekoppeld zal vervolgens een goede landschappelijke inpassing van het perceel geëist worden. Wanneer de Sloopbank niet toereikend is door een gebrek aan sloopmeters, kan de oppervlakte aan bijgebouwen worden verruimd met toepassing van de Landschapsinvesteringsregeling 2020 (LIR). Door het opplussen van de bijgebouwen ontstaat er een waardevermeerdering van het perceel. In de LIR is opgenomen dat 50% van deze waardevermeerdering moet worden gecompenseerd door een kwaliteitsverbetering in het landschap op grond van een (forfaitaire) berekening van bestemmingswinst. In de LIR zijn de normbedragen beschreven die gelden voor het opplussen van extra vierkante meters aan bijgebouwen.
60
Wanneer de oppervlakte aan bijgebouwen is verruimd middels de Sloopbank of de LIR, zal de bebouwing vervolgens moeten voldoen aan de regels uit het bestemmingsplan. Indien dat niet het geval is, kan appellant een vergunningaanvraag doen om af te wijken van de bestemmingsplanregels. We hebben geen concrete plannen ontvangen om de oppervlakte aan bijgebouwen te verruimen in het nieuwe bestemmingsplan. Gezien de vergevorderde status van het nieuwe bestemmingsplan voor deelgebied 4 is het dan ook niet meer mogelijk om de oppervlakte aan bijgebouwen in dit bestemmingsplan nog op te plussen. Naar verwachting treedt op 1 juli 2023 de Omgevingswet in werking, waarna alle bestemmingsplannen één omgevingsplan vormen. Indien appellant (een gedeelte van) zijn bijgebouwen wenst te legaliseren/op te plussen, zal na het in werking treden van het bestemmingsplan voor deelgebied 4 moeten worden bezien of en op welke manier dit mogelijk is. Wij verzoeken appellant tegen die tijd contact op te nemen met de gemeente. Dat is het geschikte moment om het overleg aan te gaan. 2.19.4 Appellant geeft aan dat hij het amendement van de raad
De gemeente heeft kennis genomen van het standpunt van appellant. De
omtrent het toestaan van buitenopslag waardeert. Zo geeft
gemeenteraad heeft op 24 mei 2022 een amendement aangenomen waarin is
appellant aan dat het absurd zou zijn om buitenopslag te
opgenomen dat er voor het onderwerp ‘Buitenopslag bij particulieren’ op korte
verbieden, aangezien buitenopslag bij het buitenleven
termijn een beleidsnotitie opgesteld dient te worden, waarin wordt verwerkt hoe
hoort. Ook heeft buitenopslag een functie als broed- en
dit onderwerp in bestaand beleid aangepast kan worden. Aanleiding hiervoor was
schuilplaats voor de aanwezige fauna. Appellant wijst er
het raadsvoorstel van 24 mei 2022 waarin een nieuwe werkwijze werd
daarnaast op dat het maken van een nieuw
voorgesteld voor de beoordeling van buitenopslag.
bestemmingsplan ook aanleiding kan zijn om er eens over na te denken of de regels wel zo’n succes zijn. Appellant
Vervolgens is in de gemeenteraad van 29 september 2022 zojuist genoemde
schrijft daarnaast dat men zegt dat we in een vrij land
beleidsnotitie aangenomen. In deze beleidsnotitie wordt voorgesteld om het
leven, dus doet het verzoek aan de raadsleden om dat zo
begrip ‘opslag’ anders te definiëren in de begripsbepalingen van het
te houden.
bestemmingsplan. Aan de hand van het voorstel is het begrip ‘buitenopslag’ opgenomen, waarbij kan worden gesteld dat buitenopslag van materialen die geen zichtbare negatieve invloed hebben op de belevingswaarde van het gebied dan wel voor bedrijfsmatige doeleinden zijn, niet in strijd zijn met het bestemmingsplan. Daarmee is buitenopslag op het perceel tot op zekere hoogte 61
toegestaan. Een belangrijke voorwaarde is dat de buitenopslag niet visueel zichtbaar is vanaf de openbare ruimte. Alle door de gemeente aangemerkte locaties met strijdige buitenopslag zullen aan deze nieuwe definitie voor opslag worden getoetst.
2.20
Appellant 20 – Groenebeemdweg 64 Zienswijze
Gemeentelijke beantwoording
Zienswijze inzake Groenebeemdweg 64, 5715 PS te Lierop, d.d. 27 juni 2022, ontvangen 29 juni 2022 2.20.1 Appellanten geven de volgende toelichting op de
Toen de gemeente begon aan de herziening van het bestemmingsplan voor
gemeentelijke beantwoording van de inspraakreactie op
deelgebied 4 werd een lockdown aangekondigd vanwege het coronavirus. Een
punt 2.50.1: “Door privé omstandigheden is niet
fysieke bijeenkomst/informatieavond was daardoor niet mogelijk. Er is toen voor
gereageerd op de e-mail voor het inplannen van een
gekozen om appellanten per brief te informeren over het proces omtrent de
afspraak. Verder is er volgens ons eenmaal telefonisch
herziening van het bestemmingsplan Buitengebied. Achteraf is gebleken dat de
contact geweest en is een e-mail ontvangen. Na het
behoefte voor een informatieavond groot was. Daarom is er na het
verlopen van de termijn van de inspraakreactie in
controlebezoek nog een digitale informatieavond georganiseerd. Wij erkennen
december 2021 is er een digitale bijeenkomst geweest.
dat het beter was geweest om voorafgaand aan deze bezoeken een
Hierin is het een en ander uitgelegd. Mogelijk had een
informatieavond te organiseren. Wij zullen dit als leerpunt meenemen voor de
bijeenkomst voorafgaand aan de rapporten het een en
volgende deelgebieden.
ander vooraf duidelijk gemaakt. Indien het nog mogelijk is om een afspraak in te plannen, willen wij van deze
Tot op heden hebben wij geen concrete plannen ontvangen om strijdige zaken te
mogelijkheid gebruikmaken.”
legaliseren. Gezien de vergevorderde status van het nieuwe bestemmingsplan voor deelgebied 4 is het niet meer mogelijk om strijdige zaken in dit bestemmingsplan nog op te lossen. Naar verwachting treedt op 1 juli 2023 de Omgevingswet in werking, waarna alle bestemmingsplannen één omgevingsplan vormen. Indien appellanten (een gedeelte van) de strijdige zaken wenst te legaliseren, zal na het in werking treden van het nieuwe bestemmingsplan voor deelgebied 4 moeten worden bezien of en op welke manier dit mogelijk is. Wij verzoeken appellanten tegen die tijd contact op te nemen met de gemeente. Dat is het geschikte moment om het overleg aan te gaan. 62
2.20.2 Appellanten geven aan dat ze op dit moment blijven bij de
Appellanten doelen op de ingediende inspraakreactie van 22 december 2021. De
standpunten, zoals reeds aangegeven in de brief van
gemeente heeft voor het merendeel van de gestelde punten in de inspraakreactie
december 2021.
geen aanleiding om de beantwoording hiervan onder paragraaf 2.50 van het ‘Eindverslag inspraak en vooroverleg’ aan te passen. Enkel voor de buitenopslag waar appellanten op ingaan in paragraaf 2.50.20 is het gemeentelijke standpunt aangepast. Zo is in de gemeenteraad van 29 september 2022 een beleidsnotitie aangenomen, waarin wordt voorgesteld om het begrip ‘opslag’ anders te definiëren in de begripsbepalingen van het bestemmingsplan. Aan de hand van het voorstel is het begrip ‘buitenopslag’ opgenomen, waarbij kan worden gesteld dat buitenopslag van materialen die geen zichtbare negatieve invloed hebben op de belevingswaarde van het gebied dan wel voor bedrijfsmatige doeleinden zijn, niet in strijd zijn met het bestemmingsplan. Daarmee is buitenopslag op het perceel tot op zekere hoogte toegestaan. Een belangrijke voorwaarde is dat de buitenopslag niet visueel zichtbaar is vanaf de openbare ruimte.
2.20.3 Appellanten willen nog aangeven dat zij het bijzonder
Naast het overgangsrecht uit het bestemmingsplan Buitengebied 1976, toetsen
vinden dat het mogelijk is om terug te gaan naar de
wij ook aan het voormalige bestemmingsplan Buitengebied 1998 en het
situatie van 1976. Een aantal bijgebouwen/gebouwen
vigerende bestemmingsplan. Er wordt dan ook rekening gehouden met het
waren reeds bij de aankoop in 1997 en 2013 aanwezig.
overgangsrecht van de voorgaande bestemmingsplannen en het vigerende
Mogelijk dat ook een aantal zaken overgangsrechtelijk
bestemmingsplan. Het is dus niet zo dat wij alleen toetsen op het overgangsrecht
beschermd zijn.
van het bestemmingsplan uit 1976. Tevens wordt er getoetst aan de voormalige dan wel huidige regelingen voor vergunningvrij bouwen. De conclusie uit de brief van 27 augustus 2021 blijft ongewijzigd. Het gegeven dat een aantal gebouwen al aanwezig waren bij de aankoop in 1997 en 2013, wil niet zeggen dat deze daardoor legaal aanwezig zijn. Het is namelijk de plicht van een kopende partij om te onderzoeken of alle voorzieningen legaal zijn opgericht. De gemeente is daar geen partij in.
63
2.21
Appellant 21 – Verhagenstraat 12 Zienswijze
Gemeentelijke beantwoording
Zienswijze inzake Verhagenstraat 12, 5715 BL te Lierop, d.d. 5715 BL, d.d. 28 juni 2022, ontvangen 29 juni 2022 2.21.1 Appellant doet het verzoek om de toegestane oppervlakte
Op 2 augustus 2022 is appellant geïnformeerd dat het beplantingsplan nog niet
aan bijgebouwen te verruimen naar 235 m². Hiervoor heeft
voldoet aan de richtlijnen die de gemeente hiervoor hanteert. Appellant is toen
appellant een beplantingsplan toegevoegd.
geïnformeerd over de aanpassingen die gedaan kunnen worden, zodat er wel voldaan wordt aan de richtlijnen. Op 30 september 2022 is een reminder naar appellant gestuurd om een aangepast beplantingsplan in te dienen voor 9 oktober 2022. Doordat geen aangepast beplantingsplan voor 9 oktober 2022 is ontvangen, welke voldoet aan de richtlijnen van de gemeente, is de oppervlakte aan bijgebouwen niet verruimd in het nieuwe bestemmingsplan.
2.22
Appellant 22 – Achterbroek 18-20 Zienswijze
Gemeentelijke beantwoording
Zienswijze inzake Achterbroek 18-20, 5715 BM te Lierop, d.d. 28 juni 2022, ontvangen 29 juni 2022 2.22.1
Appellant beschrijft dat de gemeente de bebouwing of het
Zie antwoord onder 2.18.1.
gebruik na 1976 als illegaal beoordeeld, wanneer er geen vergunning en/of vrijstelling is verleend. Appellant kan deze keuze niet goed volgen. Na 1976 zijn er immers nog andere bestemmingsplannen vastgesteld (met overgangsrecht) en heeft de gemeente mogelijk ook impliciet meegewerkt aan bepaalde ontwikkelingen. Daarbij is het overigens de vraag of de administratie van de gemeente zodanig op orde is dat telkens kan worden achterhaald of al dan niet een vergunning en/of vrijstelling is verleend.
64
2.22.2
Appellant schrijft dat er op deze wijze overigens ook op
Zie antwoord onder 2.18.2.
geen enkele wijze rekening wordt gehouden bij handhaving en legalisering met bijvoorbeeld het ruime tijdsverloop. Het is per situatie afhankelijk of men al dan niet rekening dient te houden met tijdsverloop en het is goed voorstelbaar dat zich ook na 1976 (inmiddels 46 jaar geleden) nog relevante ontwikkelingen hebben voorgedaan waarmee rekening kan en dient te worden gehouden. 2.22.3
Appellant beschrijft dat de woning op Achterbroek 18
Wij kunnen het standpunt van appellant niet volgen. In het bestemmingsplan
immer bewoond is geweest door de (juridische) eigenaar
Buitengebied 1998 had de locatie Achterbroek 18-20 de bestemming ‘niet-
van het bedrijf dat op het naastgelegen perceel
agrarisch verwante bedrijven/functies’. Vervolgens is op basis van dit
Achterbroek 20 is gelegen. Appellant geeft aan dat de
bestemmingsplan op 17 juli 2000 een vergunning verleend voor het oprichten
betreffende woning eerder was bestemd als normale
van een bedrijfswoning met berging. Vanaf de oprichting van het woonhuis is het
woning maar vervolgens door de gemeente - zonder daarin
woonhuis dus een bedrijfswoning geweest. In het bestemmingsplan Buitengebied
de eigenaar de betrekken – is omgezet in de bestemming
2011 is de bedrijfsbestemming overgenomen. De bestemming is dus niet
"bedrijfswoning". Los van het gegeven dat hierdoor sprake
omgezet van een woonbestemming naar een bedrijfsbestemming. Hierdoor had
is van planschade geldt dat er geen objectief belang was
de woning niet als reguliere burgerwoning kunnen worden aangemerkt.
om de bestemming om te zetten. De woning had aldus
Daarnaast suggereert appellant dat de woning destijds, zonder medeweten van
prima als normale woning kunnen worden aangemerkt.
appellant, is omgezet. Bij het opstellen van het bestemmingsplan uit 1998 is de eigenaar weldegelijk betrokken geweest. Zie hiervoor het antwoord onder 2.9.3.
2.22.4
2.22.5
Appellant geeft aan dat ook in de huidige situatie sprake is
Op 9 juli 2021 en 17 januari 2022 hebben gesprekken plaatsgevonden met
van een functionele samenhang tussen de betreffende
appellant. Tijdens beide gesprekken is benadrukt dat de binding van de bewoner
woning en het bedrijf met dien verstande dat de eigenaar
van de bedrijfswoning met het bedrijf moet worden aangetoond. Dit is terug te
van de woning niet meer zelf de eigenaar is van het bedrijf
vinden in de gespreksverslagen die ook aan appellant zijn verzonden. Tot op
gelegen op het adres Achterbroek 20 (maar nog wel een
heden hebben wij geen stukken ontvangen die aantonen dat er binding is van de
relatie heeft met dat bedrijf).
bewoner met het ter plaatse gevestigde bedrijf.
Appellant geeft aan dat de koppeling tussen de betreffende
Op basis van het bestemmingsplan is het niet toegestaan de bedrijfswoning te
woning Achterbroek 18 en het bedrijf op de locatie
laten bewonen door iemand die geen binding heeft met het bedrijf ter plaatse.
Achterbroek 20 in de huidige samenstelling geen probleem
Daarbij verplicht de gemeente niet om de eigenaar van het bedrijf in de
oplevert. Dat neemt niet weg dat het realistisch is dat in de
bedrijfswoning op Achterbroek 18 te laten wonen. Het is immers ook toegestaan
toekomst een situatie ontstaat dat de woning al dan niet
om iemand anders in de bedrijfswoning te huisvesten, wanneer diegene binding
65
2.22.6
wordt verkocht (of verhuurd) aan derden. Het is dan ook
heeft met het ter plaatse gevestigde bedrijf. Aangezien de woning altijd een
niet uitgesloten dat de eigenaar van het bedrijf en de
bedrijfswoning is geweest en als dusdanig is vergund, ziet de gemeente geen
eigenaar van de woning in de toekomst los van elkaar
aanleiding om de bedrijfswoning bestemmingsplanmatig los te koppelen van het
komen te staan. De woningmarkt is in beweging en het zal
bedrijf. Indien appellant de bedrijfswoning los wil koppelen van het bedrijf kan
lastig worden om de eigenaar van het bedrijf ook te
hiervoor een ruimtelijke procedure worden gestart. Echter achten wij de kans
verplichten om woonachtig te moeten zijn in de woning.
klein dat de bedrijfswoning op Achterbroek 18 om kan worden gezet naar een
Vanuit planologisch oogpunt zijn er geen beletselen (milieu
burgerwoning, terwijl de bedrijfsbestemming op Achterbroek 20 behouden blijft.
of anderszins) die zich tegen de aanwezigheid van een
Op dat moment ontstaat er namelijk planologische nieuwvestiging, wat op basis
woning (ook als die woning los staat van de
van provinciaal en gemeentelijk beleid niet is toegestaan. Vanuit het principe van
bedrijfsvoering) op de betreffende locatie verzet. Appellant
zorgvuldig ruimtegebruik geldt een verbod op nieuwvestiging buiten Stedelijk
verzoekt dan ook om de planregels van artikel 8 aan te
gebied. Wij hebben op basis van vergund recht in het bestemmingsplan
passen door te bepalen dat ter plaatse van de locatie
opgenomen dat één bedrijfswoning op de locatie Achterbroek 18-20 is
Achterbroek 18-20 slechts één woning is toegestaan dan
toegestaan. Zie hiervoor de tabel in artikel 8.2.1 onder lid d in het
wel in gelijke zin.
bestemmingsplan.
Appellant doet het verzoek om het bestemmingsplan
Om bebouwing positief te bestemmen dient de bebouwing met vergunning of
gewijzigd vast te stellen met dien verstande dat
onder bescherming van het overgangsrecht te zijn opgericht. Voor de
overkapping C op Achterbroek 18 positief wordt bestemd.
overkapping is geen vergunning verleend en deze is tevens niet
Er is namelijk geen enkel planologisch argument om die
overgangsrechtelijk beschermd. Zowel in de bestemmingsplannen van 1998 en
overkapping niet positief te bestemmen. In de brief van het 2011 was het namelijk niet toegestaan om een overkapping in de huidige college van 26 april 2022 wordt weliswaar aangegeven dat
omvang op te richten. Tevens kan de overkapping in de huidige staat niet mee
er "mogelijkheden worden gezien om de overkapping als
worden gerekend tot de inhoud van de woning, aangezien deze in bouwkundig
legaal aan te merken" maar dat de bebouwing niet wordt
en functioneel opzicht ondergeschikt is aan het woonhuis. Er is dus geen
meegenomen in het bestemmingsplan. De reden: er
verworven recht om de overkapping positief te bestemmen in het
zouden dan meer rechten kunnen worden ontleend aan
bestemmingsplan.
deze bebouwing. De redenering van het college is niet alleen lastig te volgen maar ook niet juist. Er is immers
Wel is overkapping C legaal aanwezig onder de voormalige regeling voor
vanuit planologisch oogpunt geen enkel bezwaar (zowel
vergunningvrij bouwen (Besluit bouwvergunningvrije en licht-
niet vanuit de bestemming als de regels) om de
bouwvergunningplichtige bouwwerken). Bebouwing welke is opgericht onder een
overkapping die reeds vanaf nagenoeg de bouw van de
regeling voor vergunningvrij bouwen wordt echter niet opgenomen in het
woning aanwezig is niet positief te bestemmen. Het door
bestemmingsplan, aangezien er dan ten onrechte meer rechten ontleend kunnen
het college gehanteerde argumenten dat er dan meer
worden aan deze bebouwing. Zo gelden er voor vergunningvrije bouwwerken
rechten kunnen worden ontleend aan de bestaande
bijvoorbeeld lagere bouwhoogtes dan voor vergunde bouwwerken. Dit wil echter 66