CConstaterende datSomeren
Koppel je AI →
Document · PDF

10d. Nota van zienswijzen bestemmingsplan Buitengebied Someren - Deelgebied 4

Gemeenteraad 15 december 2022, gemeente SomerenBij agendapunt: Gewijzigd vaststellen bestemmingsplan Buitengebied Someren - Deelgebied 440.794 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 5

inmiddels al 25 jaar een enorme meerwaarde voor het

constateringen. Alsdan zal het aangenomen amendement en de beleidsnotie

welzijn en de ontwikkeling van de gehandicapte zoon van

hieromtrent in ogenschouw moeten worden genomen.

appellant. Het is voor hem een effectieve dagbestedingsactivteit in een vertrouwde en beschermde

De reden waarom het hondenhok waar appellant naar verwijst (bijgebouw D in

omgeving. Om de zoon van appellant in de gaten te kunnen het inspectierapport) niet kan worden gelegaliseerd, is dat deze in 2020 zonder houden is het van belang dat het hondenhok op de huidige

vergunning en in strijd met het bestemmingsplan op de huidige locatie is

meest adequate plek kan blijven staan, de huidige locatie is opgericht. Hoewel gesuggereerd wordt dat het hondenhok al geruime tijd vanwege het brede toegangspad ook goed bereikbaar voor

aanwezig was op een andere plek, moet het huidige bijgebouw D worden gezien

zijn driewielfiets. Mede gezien de zeer lange termijn dat het als nieuwbouw. Het hondenhok is namelijk zowel qua vorm als omvang hondenhok al aanwezig is, zou het onevenredig zijn om

veranderd en daarnaast op een andere locatie gerealiseerd. Wij kunnen ons dan

alsnog te verzoeken deze te verplaatsen. Waarbij ook dient

ook niet verenigen in het standpunt van appellant dat bijgebouw D al

te worden afgevraagd welk doel hier daadwerkelijk nog

decennialang aanwezig is. Zoals ook is aangegeven in de beantwoording van de

mee wordt gediend. Appellant verzoekt dan ook het

inspraakreactie begrijpen wij dat bijgebouw D van groot belang kan zijn voor

hondenhok te verwerken in het nieuwe bestemmingsplan.

appellant. Echter kan de maximaal toegestane oppervlakte aan bijgebouwen niet rechtstreeks ingezet worden voor bijgebouw D, aangezien dit bouwwerk dan niet voldoet aan meerdere bouwregels. Zo staat bijgebouw D te dicht op de bestemmingsgrens en te ver van de woning. Wanneer de totale oppervlakte aan bijgebouwen onder de 481 m² blijft en het bijgebouw wordt verplaatst naar een andere locatie op het perceel waar het hondenhok wel voldoet aan de bouwregels, dan zijn bijgebouwen legaal aanwezig. Het doel dat hiermee gediend wordt is het waarborgen en verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit. Daarbij dienen bouwregels in acht te worden genomen en grenzen te worden gesteld en aangehouden voor de maximale toegestane oppervlakte aan bijgebouwen om daarmee de ontsteningsdoeleinden van het Somerense buitengebied te waarborgen. Er is geen sprake van enig verworven recht, waardoor wij geen aanleiding zien om het bouwwerk in het bestemmingsplan op te nemen.

88

2.27.5 Appellant verzoekt de houtopslag te verwerken in het

De houtopslag (bijgebouw E in het inspectierapport) is in 2020 zonder

nieuwe bestemmingsplan. Wat betreft de situering van de

vergunning en in strijd met het bestemmingsplan opgericht. Er is dus geen

houtopslag wordt in de reactie op de inspraakreactie

sprake van enig verworven recht. Naast het gegeven dat het bijgebouw niet

opgemerkt dat deze op een afstand van minimaal 5 meter

voldoet aan de minimale afstand tot de bestemmingsgrens, is het bijgebouw ook

van de perceelsgrens gesitueerd moet zijn. In het huidige

niet passend binnen de maximaal toegestane oppervlakte aan bijgebouwen.

geval betreft dit 4 meter. Appellant vraagt zich dan ook af

Daarnaast voldoet het bijgebouw niet aan de maximale afstand van twintig

in hoeverre deze ene meter in dit geval daadwerkelijk het

meter die moet worden aangehouden tot de woning. Het illegaal opgerichte

verschil maakt en wilt dan ook verzoeken om hier coulant

bijgebouw voldoet dus niet aan meerdere bouwregels. Wij zien dan ook geen

mee om te gaan.

aanleiding om bijgebouw E op te nemen in het nieuwe bestemmingsplan. De gemeente verzoekt appellant om in overweging te nemen om de houtopslag op een andere wijze te organiseren. Zo is in de gemeenteraad van 29 september 2022 een beleidsnotitie aangenomen, waarin wordt voorgesteld om het begrip ‘opslag’ anders te definiëren in de begripsbepalingen van het bestemmingsplan. Aan de hand van het voorstel is het begrip ‘buitenopslag’ opgenomen, waarbij kan worden gesteld dat buitenopslag van materialen die geen zichtbare negatieve invloed hebben op de belevingswaarde van het gebied dan wel voor bedrijfsmatige doeleinden zijn, niet in strijd zijn met het bestemmingsplan. Daarmee is buitenopslag op het perceel tot op zekere hoogte toegestaan. Een belangrijke voorwaarde is dat de buitenopslag niet visueel zichtbaar is vanaf de openbare ruimte.

2.28

Appellant 28 – Perceel P 14 Zienswijze

Gemeentelijke beantwoording

Zienswijze inzake perceel P 14, te Lierop, d.d. 29 juni 2022, ontvangen 30 juni 2022 2.28.1 Appellant doet het verzoek om de gebouwen A, C en D uit

Zoals aangegeven in de beantwoording van de inspraakreactie zijn gebouwen A,

het controlerapport positief te bestemmen in het nieuwe

C en D in het verleden vergund ten behoeve van een agrarisch bedrijf. Vanaf het

bestemmingsplan. Deze gebouwen zijn namelijk vergund,

bestemmingsplan van 1998 is de bestemming op perceel P 14 een agrarische

waardoor deze in het bestemmingsplan moeten worden

gebiedsbestemming. Naar aanleiding van een verzoek van de toenmalige

bestemd. Het bestemmen van de gebouwen is niet in strijd

eigenaar is in 2008 gecommuniceerd dat de bebouwing onder het

met een goede ruimtelijke ordening en er bestaat geen 89

concreet zicht op verwijdering van de gebouwen. Het is

overgangsrecht was gebracht en dat het beleid er op gericht is om deze

gelet op de vaste jurisprudentie van de afdeling op dit punt

bouwwerken uiteindelijk te laten verwijderen.

onbegrijpelijk dat de vergunde bedrijfsgebouwen niet zijn bestemd in het bestemmingsplan.

Zoals is geconstateerd in het controlerapport van 8 september 2021 worden een aantal gebouwen verhuurd aan derden ten behoeve van opslag. Conform het bestemmingsplan dienen de gronden te allen tijde te worden gebruikt ten behoeve van agrarische doeleinden. Verhuur ten behoeve van opslag aan derden valt daar niet onder. Het perceel P 14 wordt derhalve in strijd met het bestemmingsplan gebruikt. In de brief van 27 oktober 2021 hebben wij gecommuniceerd dat wij zouden onderzoeken of het een optie zou zijn om de legaal aanwezige gebouwen aan te duiden als ‘veldschuur’. Echter binnen de aanduiding ‘veldschuur’ (en direct aangrenzende gronden) zijn eveneens geen bedrijfsmatige inrichting(-en) toegestaan. De bebouwing kan ook dan enkel worden gebruikt voor de opslag van agrarische grondstoffen, agrarische producten en/of agrarische werktuigen voor het gebruik, beheer en onderhoud van de direct aangrenzende agrarische gronden. Doordat het gewenste gebruik bij het opnemen van de aanduiding ‘veldschuur’ dan nog niet past binnen de regels, ziet de gemeente geen reden om de gebouwen A, C en D als zodanig te bestemmen. De bouwwerken zijn reeds legaal aanwezig, immers deze zijn vergund maar het gewenste gebruik (niet agrarische opslag van derden) is niet positief te bestemmen omdat dit niet past binnen de algemene bestemming van het perceel en gebied.

Wel kan de oppervlakte van de vergunde gebouwen worden ingebracht in de gemeentelijke Sloopbank.

2.28.2 Appellant verzoekt gebouw E uit het controlerapport

Gebouw E is voor het bestemmingsplan Buitengebied 1976 opgericht. Hiervoor

positief te bestemmen. Het gebouw is namelijk

geldt dat gebouw E aanwezig is onder het overgangsrecht voor bouwen, maar

overgangsrechtelijk beschermd, zoals ook door het college

niet voor het gebruik. Vanaf het bestemmingsplan van 1998 is de bestemming

is vastgesteld. Volgens vaste jurisprudentie is het voor een

op perceel P 14 een agrarische gebiedsbestemming, waardoor het bouwwerk qua

tweede maal onder het bouwovergangsrecht brengen van

gebruik niet meer overgangsrechtelijk beschermd is. Naar aanleiding van een

bouwwerken in beginsel alleen aanvaardbaar als de raad

verzoek van de toenmalige eigenaar is in 2008 gecommuniceerd dat de 90

aannemelijk maakt dat het bouwwerk daadwerkelijk binnen

bebouwing onder het overgangsrecht was gebracht en dat het beleid er op

de planperiode zal worden verwijderd. Appellanten willen

gericht is om deze bouwwerken uiteindelijk te laten verwijderen. Het gebruik van

het gebouw blijven gebruiken en zijn niet van plan om het

het gebouw moet, conform het bestemmingsplan, sinds dat moment ten behoeve

gebouw te slopen. Hierdoor is het niet aannemelijk dat dit

van agrarische doeleinden worden gebruikt. Zoals is geconstateerd in het

gebouw binnen de planperiode wordt verwijderd.

controlerapport van 8 september 2021 wordt het gebouw niet gebruikt ten behoeve van agrarische doeleinden. Zoals te lezen in de beantwoording onder 2.28.1 en de beantwoording van de inspraakreactie zien wij echter geen reden om dit gebouw positief te bestemmen. Het opnemen van een aanduiding ‘veldschuur’ is namelijk geen oplossing voor het gewenste gebruik. Het gebruik blijft dan namelijk in strijd met de regels, waardoor de gemeente geen reden ziet om dit gebouw als dusdanig te bestemmen. Wel kan de oppervlakte van dit gebouw worden ingebracht in de gemeentelijke Sloopbank.

2.28.3 Appellant doet het verzoek om gebouw H uit het

Zoals aangegeven in de beantwoording van de inspraakreactie is gebouw H na

controlerapport positief te bestemmen. Gebouw H is

het bestemmingsplan Buitengebied 1976 opgericht, waardoor dit gebouw niet

namelijk onderdeel van gebouw A en is op hetzelfde

overgangsrechtelijk is beschermd. Ook is gebouw H niet vergund. Hoewel het

moment als één gebouw opgericht. Daarnaast is er nooit

gebouw één geheel vormt met gebouw A, betekent dat niet dat hierdoor gebouw

handhavend tegen deze bebouwing opgetreden. Aanpassing H legaal aanwezig is. Er is geen sprake van overgangsrecht of vergund recht, van het gebouw is kostbaar en het ligt voor de hand om

waardoor wij niet inzien dat gebouw H positief moet worden bestemd in het

gebouw H ook positief te bestemmen.

nieuwe bestemmingsplan. Gebouw H is sinds de oprichting ervan al strijdig geweest met het bestemmingsplan, derhalve illegaal. Het is helaas (en gelukkig voor appellant) alleen niet eerder door onze toezichthouders geconstateerd, dan wel niet eerder door de afdeling Handhaving geprioriteerd, waardoor niet eerder daartegen is opgetreden. Daaraan kunnen geen rechten worden ontleend.

2.28.5 Appellant kan zich niet vinden in de constatering van de

Zoals aangegeven in de beantwoording van de inspraakreactie is de

gemeente dat er sprake moet zijn van agrarisch gebruik.

bouwvergunning op het perceel aangevraagd door de voormalige eigenaar van

Voor gebouwen D is een bouwvergunning verleend, welke

het perceel die als beroep landbouwer was. De vergunning voor gebouw C ziet

toeziet op vergroten van een bedrijfsruimte. Met het

toe op het oprichten van een varkensstal. De vergunning voor gebouw D ziet

verlenen van desbetreffende bouwvergunning is impliciete

vervolgens toe op het uitbreiden van deze varkensstal. Ook op de

vrijstelling gegeven voor bedrijfsmatig gebruik van dit

situatietekening van deze vergunning is duidelijk aangegeven dat het gaat om

gebouw, gezien de gegeven benaming ‘bedrijfsruimte’. De

een varkensstal. In het bestemmingsplan Buitengebied 1976 had het perceel de 91

omgevingsvergunning bevat geen specifieke vereisten

bestemming ‘Agrarische doeleinden B’. Op deze gronden mochten daarbij alleen

omtrent het gebruik van de betreffende bedrijfsruimte.

bouwwerken worden opgericht ten behoeve van agrarische bedrijfsdoeleinden. De gemeente is dan ook van mening dat gebouw D is vergund ten behoeve van

In de reactie op de inspraakreactie d.d. 12 mei 2022, onder agrarische bedrijfsdoeleinden. In het bestemmingsplan van 1998 is vervolgens

2.29

punt 2.24.4, wordt gesteld dat op de situatietekening van

het perceel bestemd als ‘agrarisch gebied met landschappelijke waarden’. In de

de vergunning voor gebouw D duidelijk is aangegeven dat

daaropvolgende bestemmingsplannen is deze bestemming overgenomen.

het gaat om een varkensstal. Echter, zowel de

Daarnaast is, naar aanleiding van een verzoek van de toenmalige eigenaar, in

bouwvergunning (bijgevoegd als bijlage 4) als de

2008 gecommuniceerd dat de bebouwing onder het overgangsrecht was

vergunningstekening (bijgevoegd als bijlage 5) bevatten

gebracht en dat het beleid er op gericht is om deze bouwwerken uiteindelijk te

beide geen aanduidingen die wijzen op agrarisch gebruik

laten verwijderen. Het perceel dient dus conform de agrarische bestemming te

voor gebouw D. De gemeente stelt ten onrechte dat het

worden gebruikt, waarbij opslag en bedrijvigheid voor niet-agrarische activiteiten

vergunde gebouw als agrarische bedrijfsruimte is vergund.

niet is toegestaan, of de bebouwing dient te worden verwijderd. De gemeente

Daarnaast wordt gebouw D sinds het moment van

heeft dan ook geen reden om de huidige gebruiksactiviteiten te verwerken in het

oprichting gebruikt ten behoeve van opslag.

nieuwe bestemmingsplan.

Appellant doet dan ook het verzoek om de

Het huidige gebruik van de loods is sinds het eerste gebruik - anders dan ten

gebruiksactiviteiten van gebouw D te verwerken in het

behoeve van de agrarische bestemming zoals in de geldende ruimtelijke regels -

nieuwe bestemmingsplan, zodat ter plaatse van de loods D

illegaal. Het is helaas (en gelukkig voor appellant) alleen niet eerder door onze

het bouwen en gebruik als opslag en bedrijvigheid voor

toezichthouders geconstateerd, dan wel niet eerder door de afdeling Handhaving

niet-agrarische activiteiten is toegestaan. Dit kan door het

geprioriteerd, waardoor niet eerder daartegen is opgetreden. Daaraan kunnen

opnemen van een bedrijfsbestemming.

geen rechten worden ontleend.

Appellant 29 – Lungendonk 14-14a Zienswijze

Gemeentelijke beantwoording

Zienswijze inzake Lungendonk 14-14a, 5715 PA te Lierop, d.d. 29 juni 2022, ontvangen 30 juni 2022 en aangevuld 15 juli 2022 2.29.1 Appellant doet het verzoek om de planologisch legale situatie te regelen middels een vormverandering van het

De gemeente heeft het plan voor de alternatieve landschappelijke inpassing van het perceel beoordeeld en deze is als voldoende beoordeeld om de

bestemmingsvlak, zodat alle bestaande bouwwerken en

92

voorzieningen op de percelen nummer 644, 645 en 696

vormverandering van het bestemmingsvlak mogelijk te maken en als voldoende

worden gesitueerd binnen het bestemmingsvlak ‘Agrarisch

beoordeeld om als alternatief op de eerdere verplichting te gelden.

– Agrarisch Bedrijf’. Hiervoor is een alternatieve landschappelijke inpassing ingediend ter verantwoording

Het bestemmingsvlak ‘Agrarisch – Agrarisch Bedrijf’ is dan ook van vorm

van de vormverandering van het bestemmingsvlak en de

veranderd zodat alle bestaande bouwwerken en voorzieningen binnen dit

vervanging van de landschappelijke inpassing behorende

bestemmingsvlak zijn gesitueerd.

bij de vergunning uit 2005.

2.30

Appellant 30 – Perceel U 143 Zienswijze

Gemeentelijke beantwoording

Zienswijze inzake Eendenpoel 14, 5731 PH te Mierlo, d.d. 30 juni 2022, ontvangen 30 juni 2022 2.30.1 Appellant is diep teleurgesteld in de reactie van de

Het betreurt ons dat appellant teleurgesteld is in de reactie van de gemeente.

gemeente om de stal niet op te nemen in het nieuwe

Echter kan een stal alleen op basis van verworven rechten worden opgenomen in

bestemmingsplan. Zo geeft appellant aan dat ze de grond

het nieuwe bestemmingsplan. Alle stallen die zijn opgenomen in het nieuwe

op perceel U 143 met de daarop aanwezige stal in 1993

bestemmingsplan zijn dan opgenomen op basis van verworven rechten. Dat is

gekocht hebben van de vorige eigenaar. Ze hebben deze

niet het geval voor het bouwwerk op perceel U 143. Zoals ook is te lezen in de

stal gebruikt als schuilgelegenheid voor vee en de opslag

beantwoording van de inspraakreactie kan het bouwwerk niet onder het

van hooi en stro. Naar mening van appellant is dit gebouw

overgangsrecht worden gebracht aangezien deze na de peildatum van 1976 is

al zeer lang aanwezig en valt deze onder het

opgericht. In het bestemmingsplan Buitengebied uit 1976 is een

overgangsrecht, aangezien deze al meer dan 40 jaar op

overgangsregeling opgenomen, waarin is aangegeven dat de bestaande

deze locatie aanwezig is. Dat is ook de mening van

bouwwerken behouden mogen blijven. Op basis van deze overgangsregeling

omwonenden waar ze navraag hebben gedaan. Appellant

kunnen rechten worden ontleend aan bouwwerken die voor 1976 zijn opgericht.

ziet in nabijgelegen locaties dat deze bouwwerken wel

Op basis van de luchtfoto van 1976 is geconcludeerd dat de stal niet aanwezig

worden opgenomen en gelegaliseerd. Appellant doet dan

was in 1976. Hierdoor is de stal niet overgangsrechtelijk beschermd. Tevens is

ook een dringend beroep op de gemeenteraad deze stal op

de stal niet vergund en derhalve al geruime tijd in strijd met het

te nemen in het bestemmingsplan. Appellant geeft aan het

bestemmingsplan aanwezig. Wij zien dan ook geen reden om de stal op te

niet normaal te vinden dat een gebouw dat al zo lang

nemen in het nieuwe bestemmingsplan.

aanwezig is nu zou moeten verdwijnen.

93

2.31

Appellant 31 – Verhagenstraat 18 Zienswijze

Gemeentelijke beantwoording

Zienswijze inzake Verhagenstraat 18, 5715 BL te Lierop, d.d. 29 juni 2022, ontvangen 1 juli 2022 2.31.1 Appellant ziet niet in waarom de stal in het

Zoals reeds aangegeven in de beantwoording van de inspraakreactie is het op

bestemmingsvlak kan worden ingetekend, zonder de

basis van artikel 2.72 van de provinciale Interim Omgevingsverordening niet

correctie middels een vormverandering van het bouwblok.

toegestaan om het agrarisch bedrijfsbestemmingsvlak te vergroten op de locatie.

Temeer daar appellant, zoals al in de inspraakfase gesteld,

Om te zorgen dat de vergunde rundveestal binnen het bestemmingsvlak gelegen

geen enkele blaam treft, hij heeft reeds sinds 2010 een

is, is de enige mogelijkheid om het bestemmingsvlak van vorm te veranderen.

vergunning welke het mogelijk maakt ter plaatse, waar nu

De gemeente heeft er bewust voor gekozen om het bestemmingsvlak boven aan

de stal is opgericht, een rundveestal te realiseren. Het ligt

het bouwvlak te verkleinen ten behoeve van de vergunde rundveestal. Op die

dan ook op het pad van de gemeente om de door haar

plek zijn er namelijk al beperkte bouwmogelijkheden, aangezien er in beginsel op

gecreëerde omissie te herstellen, zonder verdere

minimaal vijf meter van de bestemmingsgrens moet worden gebouwd. Het is niet

aanpassingen van het bouwblok die ten koste gaan van zijn zo dat de gekozen oplossing ten koste gaat van het bouwvlak, aangezien de (bouw)mogelijkheden. Immers de nu gekozen oplossing

oppervlakte hiervan gelijk blijft.

gaat ten koste van het bouwblok. Appellant verzoekt dat ook de vergunde stal binnen het bouwblok te leggen zonder de correctie van het bouwblok.

2.32

Appellant 32 – Veldweg 20 Zienswijze

Gemeentelijke beantwoording

Zienswijze inzake Veldweg 20, 5715 PP te Lierop, d.d. 29 juni 2022, ontvangen 1 juli 2022 2.32.1 Appellant ziet niet in waarom het bestemmingsvlak niet

Zoals reeds aangegeven in de beantwoording van de inspraakreactie, heeft de

dusdanig kan worden aangepast, zodat de sleufsilo alsnog

tekening waar appellant naar verwijst betrekking op de bouw van de rundveestal

geheel binnen het bestemmingsvlak valt. Temeer gezien

en dus niet op de sleufsilo. Het gegeven dat de sleufsilo op de situatietekening

het feit dat reeds in 2009 uitvoerig is besproken wat de

aanwezig is, wil niet zeggen dat deze legaal aanwezig is. Het betreft immers een

beste locatie voor de sleufsilo zou zijn en deze uiteindelijk

tekening van de bestaande situatie, ook als deze niet legaal is. Aan deze

daar ter plaatse is gerealiseerd. In hef kader van het

situatietekening kunnen dan ook geen rechten worden ontleend voor de sleufsilo.

vaststellen van een nieuw bestemmingsplan vanuit het

De sleufsilo is niet vergund en in strijd met het bestemmingsplan opgericht, 94

oogpunt van deugdelijke ruimtelijke ordening dient de

waardoor het bestemmingsvlak niet zondermeer kan worden aangepast. In de

gemeente de feitelijke situatie op juiste wijze te

brief van 4 mei 2011 is aangegeven dat vanwege de overschrijding van de

beschouwen en vast te leggen. Temeer daar er op basis

bouwblokbegrenzing een vergunning moet worden aangevraagd. Appellant was

van tekeningen overleg heeft plaatsgevonden met de

dus reeds geïnformeerd over de overschrijding van het bouwvlak. Hoewel

gemeente indertijd en dat uitdrukkelijk is ingestemd,

appellant heeft aangegeven dat naderhand telefonisch contact heeft

vooraf, met de tekeningen en dus plaatsing van de sleufsilo

plaatsgevonden, waarin de gemeente volgens appellant toestemming heeft

ter plaatse. Appellant verwijst daartoe naar de bijgevoegde

gegeven om de sleufsilo op de huidige plaats te laten liggen, hebben wij daar

tekeningen.

geen documentatie van. Wij zien dan ook geen reden om het bestemmingsvlak ambtshalve aan te passen. In augustus 2022 is er contact geweest met appellant over het plaatsen van een nieuwe sleufsilo. Er is toen aangegeven dat er een omgevingsvergunning kan worden aangevraagd voor de beoogde sleufsilo. Op 2 september 2022 is hiervoor een omgevingsvergunning door appellant aangevraagd.

2.33

Appellant 33 – Eindje 6 Zienswijze

Gemeentelijke beantwoording

Zienswijze inzake Eindje 6, 5715 PK te Lierop, d.d. 30 juni 2022, ontvangen 1 juli 2022 2.33.1 Appellant geeft aan dat in artikel 3.5.2 onder b van het

In het ‘Beleid teeltondersteunende voorzieningen 2018’ is te lezen dat de vele

nieuwe bestemmingsplan een maximale oppervlakte van 4

verschijningsvormen van teeltondersteunende voorzieningen, de grote diversiteit

hectare als voorwaarde gesteld voor permanente

aan landschappen, de vele vormen waarop het principe ‘verdien de ruimte’

teeltonderteunende voorzieningen (hierna: tov’s). Het lijkt

uitgewerkt kan worden en het meewegen van duurzame oplossingen het niet

erop dat dit per abuis vanuit het voorgaande

mogelijk maakt beleid te formuleren waarbij een of enkele varianten zijn te

bestemmingsplan is overgenomen, terwijl dit niet meer

onderscheiden. Er zijn veel variabelen en er kan aan veel knoppen gedraaid

overeenstemt met het huidige provinciale beleid. Dit wordt

worden. Het beoordelen van initiatieven voor permanente voorzieningen in het

ook in de beleidsnotitie ‘Beleid teeltondersteunende

gemengd landelijk gebied groter dan 4 hectare vraagt dan ook om een afweging

voorzieningen 2018’ bevestigd. In de beleidsnotitie wordt

op maat. Hierdoor is voor deze initiatieven geen binnenplanse

eveneens aangegeven dat initiatieven groter dan 4 hectare

wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Indien een dergelijk initiatief wenselijk is,

onder voorwaarden mogelijk zouden moeten zijn en wordt

kan van het bestemmingsplan worden afgeweken middels een buitenplanse

in dat verband een (kwalitatief) afwegingskader

afwijking.

aangegeven. Een en ander met het doel om dit in het 95

bestemmingsplan te verwerken. Echter, in het ontwerpbestemmingsplan is dit afwegingskader voor initiatieven groter dan 4 hectare niet terug te vinden. Appellant verzoekt om voor dit soort initiatieven een extra wijzigingsbevoegdheid met bijpassend afwegingskader op te nemen. 2.33.2 In artikel 5.3.1 onder d wordt een maximale hoogte van 3

De maximale hoogte van 3 meter in artikel 5.3.1. onder d is opgenomen op basis

meter als voorwaarde gegeven. Appellant geeft aan dat het

van het ‘Beleid teeltondersteunende voorzieningen 2018’. Hoge voorzieningen

onduidelijk is waar deze maximale hoogte op is gebaseerd.

hebben een grotere esthetische impact, doordat de voorzieningen beter zichtbaar

Een dergelijke hoogte wordt in de hedendaagse praktijk

zijn. De opgaande structuur van voorzieningen in met name open gebieden kan

met de huidige technieken alsmede vanuit arbo-oogpunt

tevens leiden tot aantasting van deze openheid. Tevens bepaalt de hoogte van

namelijk vrijwel altijd overschreden. Derhalve verzoekt

de voorziening voor diersoorten als weidevogels de mate waarin er sprake is van

appellant om deze hoogte naar boven bij te stellen dan wel

een aantasting van natuurwaarden. De gemeente vindt een maximale hoogte

de maximale hoogte geheel te laten vervallen.

van 3 meter daarom acceptabel en ziet geen aanleiding om deze hoogte naar boven bij te stellen.

2.33.3 In artikel 5.6.2 onder b (wijzigingsbevoegdheid voor

Zie antwoord onder 2.33.1.

permanente tov’s) staat dat er een maximale oppervlakte van 4 hectare is toegestaan. Gelet op de argumenten onder 2.33.1 verzoekt appellant een extra wijzigingsbevoegdheid op te nemen met bijpassend afwegingskader voor initiatieven voor tov’s van groter dan 4 hectare. 2.33.4 In artikel 6.1 onder h (bestemmingsomschrijving) staat vermeld dat er ter plaatse van de functieaanduiding

De gemeente kan zich verenigen in het standpunt van appellant, waardoor artikel 6.1 onder h is aangepast.

‘specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorzieningen’ tevens permanente tov's zijn toegestaan. Appellant geeft aan dat de gemeente waarschijnlijk bedoelt dat er, naast permanente, ook tijdelijke tov's zijn toegestaan. Immers, in artikel 6.2.1 onder m (bouwregels algemeen) geeft de gemeente aan dat hoge permanente én tijdelijke tov's aanwezig mogen zijn. Derhalve verzoekt appellant om dit ook als zodanig op te nemen in artikel 6.1 onder h. 96

2.33.5 Appellant vindt het vreemd dat in artikel 6.2.1 onder m is

Lage tov’s kunnen een andere onwenselijke ruimtelijke impact hebben dan

aangegeven dat slechts hoge tov's aanwezig mogen zijn.

hogere tov’s, waardoor de beeldkwaliteit van het buitengebied kan worden

Appellant geeft aan dat het immers in de rede ligt dat hier

aangetast. Een voorbeeld hiervan zijn containervelden, welke worden beschouwd

ook lage tov's toelaatbaar zouden zijn, omdat deze een

als lage tov’s. Deze containervelden kunnen een andere ruimtelijke impact

lagere impact hebben dan hoge. Appellant verzoekt u dan

hebben dan hoge tov’s. Ook kunnen lage tov’s een andere impact hebben op de

ook om deze tekst dusdanig aan te passen dat zowel lage

herkenbaarheid van het landschap. De gemeente wil de karakteristieke openheid

als hoge tov's toelaatbaar zijn.

van de agrarische gebieden behouden. Gelet op bovenstaande wil de gemeente per geval een afweging kunnen maken over de wenselijkheid van lage tov’s, waardoor lage tov’s niet rechtstreeks worden toegestaan in artikel 6.2.1 onder m. In het bestemmingsplan ‘Eindje 6 en omgeving’ is opgenomen dat slechts hoge teeltondersteunende voorzieningen aanwezig mogen zijn. In dat bestemmingsplan is daarvoor een afweging gemaakt. Dit is dan ook overgenomen in het voorliggende bestemmingsplan.

2.33.6 Verder begrijpt appellant niet waarom in artikel 6.2.1 onder De gronden die bestemd zijn als ‘Agrarisch met waarden – Landschapswaarden’ m een maximale hoogte van slechts 2,5 meter is

hebben als doel om de landschapswaarden te behouden, herstellen en

opgenomen. Immers, een dergelijke hoogte is in de

ontwikkelen. Afstemming heeft plaatsgevonden met de verantwoordelijke

hedendaagse praktijk met de huidige technieken, alsmede

beleidsmedewerker van de gemeente Someren. Daaruit bleek dat het naar boven

vanuit arbo-oogpunt niet reëel. Daarbij komt dat dit afwijkt

bijstellen van de maximale hoogte in artikel 6.2.1 onder m naar 3 meter geen

van de voorwaarden die bij de andere bestemmingen zijn

significant andere beleving van het landschap oplevert, waardoor dit artikel

gesteld. Appellant begrijpt ook niet dat er eenzelfde

hierop is aangepast. Daarbij wordt tevens aangesloten bij het gemeentelijk

maximale hoogte zowel voor de permanente als de

beleid voor teeltondersteunende voorzieningen. Een hogere bouwhoogte vindt de

tijdelijke tov's is opgenomen. Tijdelijke tov's zijn dikwijls

gemeente niet wenselijk om zondermeer toe te staan. Bij een hogere

kappen die tijdelijk bovenop de permanente tov's worden

bouwhoogte wil de gemeente altijd een afweging kunnen maken over de

geplaatst en dus hoger zijn dan de permanente tov's. Met

wenselijkheid hiervan.

andere woorden: als de permanente tov's een hoogte hebben van 2,5 meter, dan zijn de tijdelijke tov's natuurlijk altijd hoger dan 2,5 meter. Een en ander correspondeert ook niet met artikel 6.3 (afwijken van de bouwregels). In artikel 6.3.1 onder d mogen tijdelijke tov's namelijk weer een maximale hoogte van 3 meter hebben. Appellant merkt 97

hierbij nog op dat noch in het voorgaande bestemmingsplan Buitengebied, noch in de Beleidsnotitie uit 2018, concrete hoogtebeperkingen zijn opgenomen. Derhalve verzoekt appellant u om deze hoogte van 2,5 meter naar boven bij te stellen danwel los te laten. 2.33.7 Appellant merkt op dat in artikel 6.6.2 onder b een

Zie antwoord onder 2.33.1.

maximale oppervlakte van 4 hectare als voorwaarde weer terugkomt. Zoals appellant heeft aangegeven, lijkt het erop dat dit per abuis vanuit het voorgaande bestemmingsplan is overgenomen, terwijl dit niet meer overeenstemt met het huidige provinciale beleid, zoals ook in de beleidsnotitie wordt aangegeven. 2.33.8 Appellant merkt op dat in artikel 7.6.2 onder b een

Met betrekking tot de maximale oppervlakte zie antwoord onder 2.33.1.

maximale oppervlakte van 4 hectare als voorwaarde weer terugkomt. Zoals appellant heeft aangegeven, lijkt het erop Appellant geeft verder aan dat er geen maximale hoogte is opgenomen in artikel dat dit per abuis vanuit het voorgaande bestemmingsplan is 7. Wij begrijpen niet goed waar appellant op doelt. Immers is in artikel 7.2.1 overgenomen, terwijl dit niet meer overeenstemt met het

onder a opgenomen dat er op de gronden die bestemd zijn als ‘Agrarisch met

huidige provinciale beleid, zoals ook in de beleidsnotitie

waarden – Natuurwaarden’ niet mag worden gebouwd. In artikel 7.3.1 is een

wordt aangegeven.

afwijkingsbevoegdheid opgenomen voor tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen. Onder d van dit artikel is een maximale hoogte hiervoor

Appellant geeft aan dat het bijzondere hierbij is dat hier

opgenomen.

weer geen maximale hoogte is opgenomen, terwijl dat in artikel 5 en 6 wel is gedaan. Des te meer ligt het in de rede dat de hoogtebeperkingen in artikel 5 en 6 worden losgelaten. 2.33.9 Appellant merkt op dat het onduidelijk is wat nu exact onder overige teeltondersteunende voorzieningen of

De begripsbepaling uit artikel 1.154 onder f beschrijft alleen de definitie van overige teeltondersteunende voorzieningen of boomteelthekken. Het is daarbij

boomteelthekken moet worden verstaan. Appellant verwijst niet zo dat alleen bij boomteeltpercelen dieren geweerd zouden mogen worden naar de begripsbepaling uit artikel 1.154 onder f. Allereerst

met hekwerken. Immers is het op agrarische gronden ook toegestaan om

bevreemdt het appellant dat alleen op boomteeltpercelen

terreinafscheiding van maximaal 1 meter hoog op te richten. Op basis van artikel

dieren geweerd zouden mogen worden met hekwerken.

31.6 kan van deze maximale bouwhoogte onder voorwaarden middels een 98

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12066863/2