10d. Nota van zienswijzen bestemmingsplan Buitengebied Someren - Deelgebied 4
Tekst van het document
Het verbaast de gemeente dat appellant stelt dat de gemeente de woning zonder
nieuwe woning is daar ook niet voor gebouwd.
medeweten van appellant heeft bestemd tot bedrijfswoning. Ten tijde van het opstellen van het bestemmingsplan Buitengebied 1998 is een uitgebreide
Appellant geeft aan vroeger het naburige bedrijf na een
inventarisatie uitgevoerd op niet-agrarische bedrijfsfuncties in het buitengebied.
faillissement gekocht te hebben en daarna heeft de
Alle locaties/ondernemers met niet-agrarische bedrijvigheid zijn in voorbereiding
gemeente de woning ‘als een dief in de nacht’ tot
(januari 1998) op het bestemmingsplan destijds aangeschreven met een voorstel
bedrijfswoning bestemd. Hierover is, volgens appellant,
hoe de niet-agrarische bedrijfsfunctie bestemd zou worden. Hierbij is ook
destijds niet gecommuniceerd. Pas later, toen het te laat
ingegaan op het aantal bedrijfswoningen. In de begeleidende brief bij het
was, kwam appellant hier achter. Appellant geeft aan dat
voorstel is de optie geboden om te reageren op het voorstel. Uit ons archief blijkt 23
de gemeente hem hiermee voor circa anderhalve ton aan
dat appellant op 19 januari 1998 heeft gereageerd op dit voorstel. Hieruit blijkt
schade heeft berokkend. Appellant zou het dan ook netjes
dat er opmerkingen waren over de oppervlakte van de aanwezige bebouwing en
vinden als dit in het nieuwe bestemmingsplan wordt
de exacte beschrijving van de bedrijfsactiviteiten. Er zijn geen opmerkingen
gerectificeerd.
gemaakt over de bedrijfswoning. Vervolgens heeft de gemeente de opmerkingen van appellant verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan. Dit is per brief op 29 april 1998 aan appellant medegedeeld. In deze brief is ook aangegeven wanneer en op welke wijze het ontwerpbestemmingsplan ter inzage werd gelegd en op welke wijze appellant een zienswijze op het plan naar voren kon brengen. Zowel het bestemmingsplan Buitengebied 1998 als het bestemmingsplan Buitengebied (2011) zijn op de gebruikelijke wijze gepubliceerd. Door de gevoerde communicatie gaat de gemeente ervan uit dat appellant op de hoogte was van de publicatie van het bestemmingsplan uit 1998. Appellant had destijds, en ook bij het bestemmingsplan uit 2011, eveneens de mogelijkheid aan te geven dat de woning onterecht bestemd was als bedrijfswoning. Dit is echter niet gebeurd, waardoor de woning al sinds 1998 is bestemd als bedrijfswoning. De gemeente is van mening dat het een onterechte conclusie is van appellant dat het bestemmen van de woning als bedrijfswoning zonder medeweten van appellant is gebeurd. De gemeente ziet dan ook geen aanleiding om een door appellant vermeende fout te herstellen en er is volgens de gemeente dan ook geen sprake van enige aansprakelijkheid dan wel enige geleden financiële schade.
2.9.4
Appellant stelt dat de gemeente weer een stap verder gaat,
Appellant verwijst naar een uitspraak van de Raad van State, die stelt dat de
doordat de gemeente volgens appellant aangegeven heeft
planologische status van een woning en niet het feitelijk gebruik bepalend is. De
dat appellant zijn huis uit moet. Appellant verwijst naar een conclusie die appellant daar vervolgens aan verbind kan niet helemaal worden uitspraak van de Raad van State over het geldende
gevolgd. De gemeente vraagt zich af of appellant de specifieke uitspraak van
bestemmingsplan en geeft daarbij aan dat de Raad van
Raad van State waarnaar verwezen wordt in de juiste context heeft
State daarin stelt dat de planologische status van een
geïnterpreteerd. Appellant is echter niet concreet over de exacte uitspraak van
woning en niet het feitelijk gebruik bepalend is. Appellant
Raad van State en hierdoor kan de gemeente hier niet verder op ingaan.
geeft daarbij aan dat zolang de woning als bedrijfswoning gebruikt kan worden, het niet uit maakt wie er in woont. 24
Appellant is dan ook van mening dat de gemeente Someren De planologische status van de woning op Achterbroek 18 is dat dit de hem onterecht dreigt uit huis te zetten.
bedrijfswoning betreft binnen het bedrijfsbestemmingsvlak op Achterbroek 18-
Appellant doet dan ook het verzoek om de
20. Het bestemmingsplan stelt dat een bedrijfswoning uitsluitend is bedoeld voor
bedrijfsbestemming van de woning in het nieuwe
de huisvesting van (het huishouden van) een persoon wiens huisvesting daar,
bestemmingsplan gratis te veranderen in burgerwoning.
gelet op de bestemming van de grond ter plaatse van het gebouw of het bestemmingsvlak, noodzakelijk is. De bewoning van een bedrijfswoning door iemand zonder noodzakelijke binding is dus in strijd met de planologische status van de bedrijfswoning. Dat de bedrijfswoning alsnog als zodanig gebruikt kan worden doet daar niets aan af. De gemeente ziet geen aanleiding om de bedrijfswoning van bestemming te wijzigen naar een reguliere woonbestemming. Mede gezien het feit dat hiervoor geen verder onderbouwd verzoek binnen is gekomen bij de gemeente.
2.9.5
Appellant geeft aan dat buitenopslag volgens de gemeente
De gemeente heeft kennis genomen van het standpunt van appellant. De
niet zou bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit van het
gemeenteraad heeft op 24 mei 2022 een amendement aangenomen waarin is
buitengebied. Appellant stelt dat de bewoners van het
opgenomen dat er voor het onderwerp ‘Buitenopslag bij particulieren’ op korte
buitengebied hier een heel andere mening over hebben.
termijn een beleidsnotitie opgesteld dient te worden, waarin wordt verwerkt hoe
Verwijzen naar een Interim Omgevingsverordening van de
dit onderwerp in bestaand beleid aangepast kan worden. Aanleiding hiervoor was
provincie noemt appellant vluchtgedrag, en stelt dat de
het raadsvoorstel van 24 mei 2022 waarin een nieuwe werkwijze werd
gemeente zich hiermee er wel heel gemakkelijk vanaf
voorgesteld voor de beoordeling van buitenopslag.
maakt. Vervolgens is in de gemeenteraad van 29 september 2022 zojuist genoemde Appellant concludeert dat het gelukkig is dat de
beleidsnotitie aangenomen. In deze beleidsnotitie wordt voorgesteld om het
gemeenteraad, blijkens het onlangs vastgestelde
begrip ‘opslag’ anders te definiëren in de begripsbepalingen van het
amendement, heeft begrepen dat buitenopslag voor de
bestemmingsplan.. Aan de hand van het voorstel is het begrip ‘buitenopslag’
bewoners van het buitengebied onmisbaar is. Appellant
opgenomen, waarbij kan worden gesteld dat buitenopslag van materialen die
betoogt dat het allerminst bewezen is dat opslag ten koste
geen zichtbare negatieve invloed hebben op de belevingswaarde van het gebied
gaat van de kwaliteit van het buitengebied. Appellant stelt
dan wel voor bedrijfsmatige doeleinden zijn, niet in strijd zijn met het
dat het maar net is wat je graag wilt zien; een keurig
bestemmingsplan. Daarmee is buitenopslag op het perceel tot op zekere hoogte
aangeharkt buitengebied zonder opslag, waar geen leven in toegestaan. Een belangrijke voorwaarde is dat de buitenopslag niet visueel zit of een ruiger gebied met opslag met dynamiek.
zichtbaar is vanaf de openbare ruimte. Met de aanpassing van het begrip ‘opslag’ kan worden gesteld dat opslag van materialen die een zichtbare negatieve 25
invloed hebben op de belevingswaarde van het gebied dan wel voor bedrijfsmatige doeleinden zijn, in strijd zijn met het bestemmingsplan. Alle door de gemeente aangemerkte locaties met strijdige buitenopslag zullen aan deze nieuwe definitie voor opslag worden getoetst. 2.9.6
Appellant geeft aan dat hij van de gemeente de hoogte van
Het klopt dat de gemeenteraad heeft besloten om volières niet mee te rekenen in
zijn volière, twee meter moeten verlagen. Appellant stelt
de oppervlakte aan bijgebouwen. Dat is ook logisch, aangezien volières in veel
echter dat dit lastig is vanwege de aanwezige beplanting in
gevallen geen bijgebouwen zijn. Volières worden niet gezien als bijgebouw,
de volière. Bovendien hebben de vogels dan minder ruimte
wanneer deze in bouwtechnische zin niet worden aangemerkt als bijgebouw. Dit
om te vliegen.
zijn namelijk bouwwerken, geen gebouw zijnde. Zo luidt de definitie van een bijgebouw: “een vrijstaand of aangebouwd gebouw dat bouwkundig of
Appellant concludeert dat de gemeenteraad in het onlangs
architectonisch ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.” Een gebouw is
vastgestelde amendement heeft opgenomen dat de
vervolgens gedefinieerd als: “elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke,
vierkante meters voor volières niet worden meegeteld.
overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.” Volières
Appellant gaat er dan ook vanuit dat het probleem hiermee
die niet voor mensen toegankelijk zijn, zijn dus geen bijgebouwen. Volières
is opgelost. Appellant maakt daarnaast een vergelijking
hebben daarnaast in veel gevallen geen dak, waardoor deze bouwwerken ook
met een andere situatie. De hoogte van het vogelverblijf
niet kunnen worden gezien als een bijgebouw.
van appellant valt, volgens appellant, in het niet bij de hoogte van de rundveestal die onlangs aan de andere kant
Echter stelt het bestemmingsplan ook regels over de bouwhoogte en afstand tot
van zijn heg is opgericht, nota bene in een in gebied met
de bestemmingsgrens. Zo stelt artikel 17.2.5 onder b, dat de bouwhoogte van
natuurwaarden.
overige bouwwerken, met uitzondering van terreinafscheidingen, maximaal 2,5 meter is met een afstand tot de bestemmingsgrens van ten minste 5 meter.
Tot slot geeft appellant aan niet te begrijpen welk belang
De volière op het perceel van appellant kan niet voldoen aan de maximale
de gemeente er bij zou hebben om tegen de volière te
hoogte van 2,5 meter aangezien deze, zonder vergunning, is opgericht met een
handhaven. Er zijn volgens appellant genoeg gevallen
hoogte van 4 meter.
waaraan de doorsnee burger zich met recht ergert, maar waar volgens appellant de gemeente ondanks klachten
De gemeente heeft uitvoerig onderzocht of er mogelijkheden zijn voor de
niets aan doet. Appellant betoogt dat de gemeente eerst
legalisatie of het tijdelijk toestaan van het bouwwerk. Echter zijn er op de locatie
maar eens naar deze gevallen dient te kijken.
van appellant meerdere strijdigheden met het bestemmingsplan geconstateerd, waardoor het meewerken aan een legalisatie of het tijdelijk toestaan van het huidige bouwwerk vooralsnog niet aan de orde is.
26
Tot slot gaat appellant nog in op andere situaties waar ook gebouwd wordt en waar volgens appellant meer aandacht voor zou moeten zijn. Zonder verder concreet te worden welke bouwwerken dit betreft. Zoals reeds aan appellant toegelicht heeft de gemeente besloten om in het gehele buitengebied van de gemeente Someren de feitelijke situatie in kaart te brengen. In gevallen waar de feitelijke situatie afwijkt van het geldende bestemmingsplan, zal bekeken worden of het bestemmingsplan hierop moet en kan worden aangepast. Aangezien appellant niet concreet wordt welke bouwwerken het betreft, kan enkel gesteld worden dat deze bouwwerken dan wel legaal zijn opgericht of dan wel in strijd zijn met het bestemmingsplan. Wanneer in het laatste geval binnen de huidige beleidskaders geen mogelijkheden zijn tot legalisatie, zal de gemeente ook tegen deze bouwwerken optreden. Het staat appellant daarnaast vrij om tegen een verleende vergunning, binnen de daarvoor geldende termijn, bezwaar aan te tekenen of een verzoek tot handhaving in te dienen wanneer appellant het vermoeden heeft dat ergens strijdige bouwwerken worden opgericht.
2.10
Appellant 10 – Herselseweg 19 Zienswijze
Gemeentelijke beantwoording
Zienswijze inzake Herselseweg 19, 5715 PJ te Lierop, d.d. 22 juni 2022, ontvangen 24 juni 2022 2.10.1 Appellant geeft aan dat de inspraakreactie niet tot
Appellant geeft aan dat in bijlage 2 de inspraakreactie wordt aangehecht en
wijzigingen in het ontwerpbestemmingsplan heeft geleid.
derhalve nog actueel is. Wij hebben de ingediende inspraakreactie nogmaals
Hetgeen appellant in zijn inspraakreactie heeft aangevoerd,
beoordeeld. Echter heeft dit niet tot wijzigingen in de gemeentelijke
is derhalve nog actueel. Als bijlage 2 wordt de
beantwoording geleid.
inspraakreactie aangehecht de inhoud daarvan dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd. 2.10.2 Appellant kan zich niet verenigen met de opgenomen
Ten eerste willen wij er nadrukkelijk op wijzen dat elke vergunning die in de
enkelbestemming ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf’, zoals die
inspraakreactie is aangehaald is verleend onder het bestemmingsplan
in het ontwerpbestemmingsplan is opgenomen. Appellant
Buitengebied 1998, waarin de locatie Herselseweg 19 de bestemming ‘Agrarische
beschrijft dat nadat het perceel in januari 2005 in
bedrijven’ had. De toepasselijkheid van dit bestemmingsplan is in elke verleende
eigendom is gekomen, verschillende bouwvergunningen
vergunning opgenomen. Dit volgt onomstotelijk uit de tekst van iedere separate 27
zijn aangevraagd. Deze vergunningen zijn allemaal
beschikking. Iedere voor dit perceel verleende vergunning, is individueel getoetst
verleend en zien toe op het verbouwen van de
aan dit bestemmingsplan, waarbij is uitgegaan van het feit dat de woning
woonboerderij en bijbehorende bouwwerken, waarbij op de
bestemd is als “agrarische bedrijfswoning”. De vergunningen zijn derhalve
tekening duidelijk te zien was dat een einde werd gemaakt
verleend op een perceel met een agrarische bedrijfswoning. Uit geen enkele
aan de vroegere agrarische activiteiten. De verleende
vergunningaanvraag of verleende vergunning volgt dat er sprake is van een
vergunningen hebben geen enkele relatie met een
voormalige agrarische bedrijfswoning met een voormalige agrarische
agrarische functie. Uit het samenstel van die verleende
bedrijfsruimte. Gezien de wijze waarop het perceel bestemd is geweest, en
vergunningen blijkt evident dat sinds 5 januari 2005 sprake vandaag de dag nog steeds bestemd is, is er bestemmingsplanmatig altijd sprake is van reguliere bewoning en geen sprake (meer) is van
geweest van een agrarisch bedrijf. De op zichzelf staande vergunningen wijken,
een agrarisch bedrijf. Overigens passend in de omgeving
en doen, daar ons inziens verder niet(s) aan af. Uit geen enkele van de
waar ook geen agrarische bedrijven meer aanwezig zijn
verleende vergunningen is op te maken dat er een impliciete vrijstelling is
maar enkel burgerwoningen. Appellant doet het verzoek om verleend van het geldende bestemmingsplan en het daaruit voorvloeiende de bestemming ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf’ aan te
gebruik. Wij zien niet in waarom de genoemde vergunningen niet hadden kunnen
passen in het naar de bestemming ‘Wonen’. Althans de
worden verleend bij een gebruik conform de agrarische bedrijfsbestemming.
woning dient te worden bestemd tot een ‘woonboerderij’, aangezien de woning op 24 februari 2006 is vergund als
Immers is het toegestaan om bij een agrarische bedrijfsbestemming ook
“woonboerderij”. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling
bijgebouwen en de bedrijfswoning te gebruiken voor (privé) woondoeleinden,
bestuursrechtspraak van de Raad van State dat bestaand
zolang er maar sprake is van een agrarische bedrijvigheid ergens op het perceel
legaal gebruik positief dient te worden bestemd.
(conform het bestemmingsplan). Uit de verschillende vergunningaanvragen heeft de gemeente in elk geval niet ambtshalve hoeven op te maken dat er geen
Appellant geeft aan dat in de beantwoording van de
agrarische bedrijvigheid meer plaatsvond.
inspraakreactie wordt opgemerkt dat indien appellant de bestemming wenst om te zetten naar een woonbestemming Het gegeven dat er vanaf het moment van bewoning van het perceel door daarvoor een (afzonderlijke) ruimtelijke procedure dient te
appellant geen agrarisch bedrijf meer was gevestigd dan wel dat er geen
worden doorlopen. Juist de onderhavige procedure is de
agrarische bedrijvigheid meer plaatsvond, is sinds dat moment al strijdig
weg om deze omzetting - voor zover niet reeds sprake is
geweest met het bestemmingsplan, derhalve illegaal. Het is helaas (en gelukkig
van bestaand legaal gebruik – te realiseren.
voor appellant) alleen niet eerder door onze toezichthouders geconstateerd, dan wel niet eerder door de afdeling Handhaving geprioriteerd, waardoor niet eerder daartegen is opgetreden. Wij zien dan ook niet in dat de bestemming in het bestemmingsplan Buitengebied 2011 ambtshalve had moeten worden gewijzigd.
28
Er is op het perceel sprake van een strijdig gebruik, dat niet onder het overgangsrecht valt te brengen en er is geen sprake van enig verworven recht. De eigenaar was bekend met de bestemming van zijn perceel, en had tenminste daarmee bekend kunnen zijn, als ook dat een bestemmingsplanprocedure dient te worden doorlopen voor een wijziging van de bestemming, immers in 2011 met appellant daarover correspondentie geweest. Wij wijzen hiervoor naar de toegestuurde brief van 18 mei 2011. Ook uit deze brief blijkt duidelijk dat de locatie Herselseweg 19 een agrarische bedrijfsbestemming heeft en op welke wijze dit kon worden omgezet naar een woonbestemming. De eigenaar was derhalve op de hoogte van de stappen die hiervoor moesten worden doorlopen. De aan appellant verstrekte informatie heeft tot 2 mei 2022 niet geleid tot een concreet verzoek tot het wijzigen van de bestemming van het perceel Herselseweg 19. Indien appellant de bestemming om wil zetten naar een woonbestemming, dient hiervoor een ruimtelijke procedure te worden doorlopen. Gelet op bovenstaande zien wij geen reden om de bestemming ambtshalve te wijzigen. 2.10.3 Appellant geeft aan dat op 2 mei 2022 stukken zijn
De gemeente is van mening dat de bestemming of de definitie van een
ingediend om de bestemming te wijzigen. Appellant
woonboerderij niet ambtshalve gewijzigd moet worden. Zie hiervoor de
verwijst naar de voorwaarden uit de wijzigingsbevoegdheid
beantwoording in paragraaf 2.10.2 van het ‘Eindverslag inspraak en
in artikel 4.7.2 van het bestemmingsplan. Appellant
vooroverleg’. Wel kan er een ruimtelijke procedure worden doorlopen om de
beschrijft dat aan deze voorwaarden voldaan wordt of kan
bestemming mogelijk te wijzigen. Op 21 februari 2022 zijn de mogelijkheden
worden. Appellant geeft aan dat er aldus reeds in deze
hieromtrent besproken met appellant. Er is toen aangegeven dat de plannen voor
procedure tot een wijziging van de bestemming kan worden de gewenste ontwikkeling voor 1 april 2022 moesten worden ingediend om nog gekomen.
onder de Wet ruimtelijke ordening te kunnen worden behandeld. Een eerste aanvraag voor het bouwen van twee woningen is echter op 3 mei 2022
Verder merkt appellant op dat een woonbestemming ook
ontvangen. Op 14 juli 2022 heeft een medewerker van de gemeente Someren
past binnen het ontwerpbestemmingsplan. Alle percelen
een mail gestuurd met een reactie hierop dat het verzoek met de huidige
met woningen in de directe nabijheid van het perceel van
informatie niet als principeverzoek kon worden behandeld. Wij adviseren
appellant hebben in dit ontwerpbestemmingsplan de
appellant de omzetting van de agrarische bedrijfsbestemming naar een
enkelbestemming “wonen” gekregen. Een woonbestemming woonbestemming nader toe te lichten, indien dat gewenst wordt. op het perceel van appellant is dus volkomen passend in de omgeving en de bestaande structuur. Appellant beschrijft 29
daarnaast dat er ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Gelet op het voorgaande is appellant van mening dat in het bestemmingsplan ten minste sprake dient te zijn van de bestemming woonboerderij en waarbij in het bestemmingsplan de definitie dient te worden opgenomen dat een woonboerderij (ook) bedoeld en geschikt is voor het bewonen zonder dat sprake is van enigerlei agrarische activiteit.
2.11
Appellant 11 – Herselseweg 1 Zienswijze
Gemeentelijke beantwoording
Zienswijze inzake Herselseweg 1, 5715 BN te Lierop, d.d. 23 juni 2022, ontvangen 24 juni 2022 2.11.1 Appellant licht toe dat het verzoek tot wijziging van het
Zoals te lezen is in de mail van 28 april 2022 werd in eerste instantie gedacht
bestemmingsplan ten onrechte niet is meegenomen in het
dat de ontwikkeling nog mee zou kunnen worden genomen in het nieuwe
nieuwe bestemmingsplan. Er heeft op 18 januari 2022 een
bestemmingsplan voor deelgebied 4, maar dat bleek toch niet haalbaar. De
gesprek met medewerkers namens de gemeente Someren
reden dat er enige tijd tussen het indienen van het plan zit en de gemeentelijke
plaatsgevonden, waarin werd aangegeven dat de
reactie is dat wij dusdanige ontwikkelingen met verschillende afdelingen binnen
mogelijkheid bestaat om deze gewenste wijzigingen mee te
de gemeente bespreken. Op die manier kan er een goede en brede afweging
nemen in de huidige bestemmingsplanprocedure, mits vóór
gemaakt worden of de ontwikkeling wenselijk is. Dit zorgt er wel voor dat hier
de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan een
enige tijd overheen kan gaan.
ruimtelijke onderbouwing zou zijn overlegd en deze ook al zou zijn goedgekeurd. Op 7 maart 2022 hebben
Op 18 januari 2022 heeft een gesprek met appellant plaatsgevonden, waarbij de
appellanten een ruimtelijke onderbouwing ingediend bij de
gemeente een voorstel heeft gedaan om de situatie aan te passen en te
gemeente. Bij mail van 17 maart 2022 is naar aanleiding
legaliseren. Vervolgens heeft appellant op 7 maart 2022 een plan ingediend dat
van telefonisch onderhoud het aspect landschappelijke
volledig afwijkt van hetgeen besproken en voorgesteld is. Hierover heeft een
inpassing nog toegevoegd aan het verzoek door de
terugkoppeling plaatsgevonden op 19 en 28 april 2022. Het ingediende plan
adviseur.
voldoet niet aan de gemeentelijke beleidskaders en dient aangepast te worden.
30
Vervolgens hebben appellanten ruim een maand moeten
Wij begrijpen dat appellanten hierdoor niet op tijd nog wijzigingen kunnen
wachten, voordat dit verzoek überhaupt verder werd
aanbrengen in het plan. Aangezien er niet op tijd een goed plan is ingediend,
opgepakt. Ondanks dat appellanten ruimschoots hadden
welke voldoet aan de voorwaarden die de gemeente stelt, kunnen wij de
voldaan aan de op 18 januari 2022 gemaakte afspraken,
ontwikkeling helaas niet meenemen in het nieuwe bestemmingsplan voor
wordt in de mail van 19 april 2022 zonder nadere
deelgebied 4.
onderbouwing gesteld dat deze wijziging alsnog niet in de huidige bestemmingsplanprocedure zal worden
Dit alles wil niet zeggen dat met het opstellen van het bestemmingsplan voor
meegenomen. Het bevreemdt appellanten dat er niet
deelgebied 4 er geen mogelijkheden in de toekomst meer zijn om de
eerder is aangegeven dat de betreffende afwijking niet
bestemming op de locatie binnen de gestelde kaders aan te passen.
aanvaardbaar was. Indien een medewerker van de gemeente hier eerder een uitspraak over had kunnen doen - hetgeen niet onmogelijk lijkt gezien de overleggen en telefonische contacten die al hadden plaatsgevonden in dit kader - hadden appellanten tenminste nog tijd gehad om voortijdig actie te kunnen ondernemen en het verzoek zo nodig aan te laten sluiten bij de eerder besproken oplossingsrichting. Appellanten achten het zeer onredelijk dat zij om deze reden alsnog op de kosten worden gejaagd ondanks het feit dat zij aan al hun verplichtingen hadden voldaan. Appellanten beargumenteren dat zij gezien het tijdsverloop niet de kans hebben gekregen om het plan aan te passen. Appellanten verzoeken dan ook het ingediende verzoek alsnog mee te nemen in de huidige bestemmingsplanprocedure. 2.11.2 Appellanten wensen nog te wijzen op het amendement van
Wij gaan altijd op zoek naar passende oplossingen om strijdigheden met het
24 mei 2022, welke unaniem door de gemeenteraad is
bestemmingsplan op te lossen. Ook in het geval van appellanten hebben wij
aangenomen. Hieraan ligt ten grondslag dat een passende
gezocht naar een passende oplossing, welke op 18 januari 2022 is besproken. Op
oplossing moet worden gevonden voor alle partijen.
28 januari 2022 heeft een medewerker namens de gemeente Someren
Appellanten verzoeken u dan ook om de gedachten achter
appellanten per mail geïnformeerd over een oplossingsrichting. Het gegeven dat
dit amendement mee te wegen bij de waardering van het
er niet op tijd een goedgekeurd plan is ingediend, zorgt ervoor dat de gewenste 31
bovenstaande en van het door appellanten ingediende
ontwikkeling in het nieuwe bestemmingsplan voor deelgebied 4 niet kan worden
verzoek.
meegenomen. Het wil niet zeggen dat met het opstellen van het bestemmingsplan voor deelgebied 4 er geen mogelijkheden in de toekomst meer zijn om de bestemming op de locatie alsnog binnen de gestelde kaders aan te passen.
2.12
Appellant 12 – perceel P 159 Zienswijze
Gemeentelijke beantwoording
Zienswijze inzake perceel P 159, te Lierop, d.d. 26 juni 2022, ontvangen 27 juni 2022 2.12.1 Appellant geeft aan van mening te blijven dat het
Om de vergunde dan wel overgangsrechtelijk beschermde bebouwing niet
stalgedeelte van de langgevelboerderij niet als veldschuur
wederom onder het overgangsrecht te brengen, is de legaal aanwezige
mag worden benoemd. Dit wordt al bevestigd door de
bebouwing bestemd als veldschuur. De definitie van een veldschuur is:
begrippenlijst die bijgevoegd is in het bestemmingsplan
“een gebouw dat wordt gebruikt voor de opslag van agrarische grondstoffen,
buitengebied Someren. Hierbij verwijst appellant naar de
agrarische producten en/of agrarische werktuigen voor het gebruik, beheer en
artikelen 1.46 en 1.161.
onderhoud van de direct aangrenzende agrarische gronden, dat planologisch, feitelijk en functioneel niet aan een naastgelegen bouwperceel verbonden is. Binnen de veldschuur en de direct aangrenzende gronden is geen bedrijfsmatige inrichting aanwezig en/of toegestaan.” Uit correspondentie omtrent een verzoek uit 2010, vanuit de vader van appellant om de bestemming aan te passen in een woonbestemming, blijkt dat de vader van appellant in 2010, maar ook al in juni 1997, op de hoogte was gebracht dat de bouw- en gebruiksmogelijkheden op het perceel zeer beperkt waren. Ook is destijds (in 1997) aangegeven dat het gebruik van het pand voor woon- of bedrijfsdoeleinden niet is toegestaan. In 1998 is het perceel vervolgens bestemd met de gebiedsbestemming ‘Agrarisch gebied’ waarbij de bebouwing en het gebruik onder het overgangsrecht zijn komen te vallen.
32
Om de bebouwing niet nogmaals onder het overgangsrecht te brengen, is het aanduiden als veldschuur de enige manier om het gebouw te kunnen behouden binnen de agrarische bestemming. Daarnaast is de definitie van een boerderij/boerderijgebouw, waar appellant naar verwijst: “een gebouw, dat bestaat uit één ongelede (hoofd)bouwmassa, waarbinnen zich de (voormalige) agrarische bedrijfswoning en de (voormalige) agrarische bedrijfsruimten bevinden, zoals een langgevelboerderij.” Sinds het bestemmingsplan van 1998 is er bestemmingsplanmatig geen sprake meer van een bedrijfswoning, waardoor het gebouw ook niet als dusdanig kan worden bestemd. 2.12.2 Appellant vindt het vreemd dat het stalgedeelte van de langgevelboerderij, die naar mening van appellant een
Het is niet zo dat de gemeente appellant verplicht tot het slopen van het stalgedeelte van de langgevelboerderij op perceel P 159, waardoor er meters
cultuurhistorische waarde heeft, volgens de gemeente moet kunnen worden ingebracht in de gemeentelijke Sloopbank. Zoals beschreven in worden gesloopt, zodat de meters kunnen worden
de brief van 21 oktober 2022 hebben wij alleen aangegeven dat deze
ingebracht in de gemeentelijke Sloopbank.
mogelijkheid er is. Hierin is ook opgenomen dat wanneer appellant hier niet toe bereid is, het gebouw wordt aangeduid als ‘veldschuur’, zodat het gebouw behouden kan blijven. Daarnaast heeft de gemeente het gebouw niet aangemerkt als cultuurhistorisch waardevol. Het gebouw heeft geen monumentale status en is niet opgenomen in de Nota ruimtelijke kwaliteit 2021 als beeldbepalend pand.
2.12.3 Appellant geeft aan dat het vreemd is dat de gemeente in
Tijdens het opstellen van het bestemmingsplan Buitengebied 1998 heeft de
1998 de eigenaar (de vader van appellant) van perceel P
gemeente voldaan aan haar wettelijke taken. Zo is het bestemmingsplan
159 nooit betrokken heeft bij het wijzigen van het
gepubliceerd via de wettelijke procedures. Het gegeven dat de bestemming in
bestemmingsplan van zijn perceel. Toen de vader van
1998 is gewijzigd, wil niet zeggen dat de gemeente de verplichting heeft om de
appellant het perceel kocht waren er namelijk geen
toenmalige eigenaar hierover persoonlijk aan te schrijven. Hier kunnen dan ook
bijzonderheden vermeld in het kadaster. Dit stalgedeelte
geen rechten aan worden ontleend.
heeft de vader van appellant namelijk gekocht met de inzet
Zoals ook aangegeven in de beantwoording van de inspraakreactie, is er in het
om hobbymatig pony's te houden tezamen met zijn
gemeentelijke archief geen correspondentie aanwezig waaruit blijkt dat er een
verstandelijk beperkte zoon. En tevens voor opslagruimte.
toezegging is gedaan dat alle bebouwing gebruikt mag worden voor
Nooit is hem medegedeeld dat er bestemmingswijzigingen
privédoeleinden. Wel is ter herleiden dat de eigenaar in 1997 al op de hoogte 33
waren, de gemeente geeft aan dat dit in de Staatcourant
was gebracht over het feit dat de bouw- en gebruiksmogelijkheden op het
staat en het Somerens Contact maar deze laatste krijgt
perceel zeer beperkt waren. Ook is destijds aangegeven dat het gebruik van het
appellant niet in Helmond. Naar mening van appellant heeft pand voor woon- of bedrijfsdoeleinden niet is toegestaan. de gemeente bij de wijziging ook de verplichting om de eigenaar iets te laten weten. Appellant geeft aan dat de gemeente wel weet waar de eigenaar woont, aangezien belastingaanslagen wel naar Helmond worden gestuurd. Daarnaast geeft appellant aan dat er meerdere malen iemand van de gemeente Someren is komen kijken hoe het er was en nooit waren er op- of aanmerkingen. Appellant geeft aan dat deze verslagen helaas nooit zijn gearchiveerd. 2.12.4 Appellant beschrijft het antwoord van de gemeente op de
Zoals aangegeven onder antwoord 2.12.3 heeft de gemeente voldaan aan haar
inspraakreactie: “In het bestemmingsplan van 1998 is het
wettelijke taken omtrent de bekendmaking van het bestemmingsplan. Tegen het
perceel op de huidige wijze is bestemd. De locatie Stipdonk
bestemmingplan is destijds geen zienswijze ingediend door appellant. Het
18 heeft toen een bedrijfsbestemming gekregen, waarbij
gebouw dat in het bestemmingsplan is aangeduid als veldschuur is oorspronkelijk
perceel P159 een agrarische bestemming kreeg. Hierdoor
opgericht als boerderij. Sinds het bestemmingsplan Buitengebied 1998 is de
mag het zuidelijke gedeelte van de originele boerderij,
bestemming gewijzigd. Hierdoor mag het hoofdgebouw op perceel P 193 niet
gelegen op Stipdonk 18, wel worden gebruikt voor
meer als woonboerderij aanwezig zijn en mag dit gebouw ook niet als dusdanig
privédoeleinden. Dit betreft namelijk een bedrijfswoning.”
worden gebruikt. Zie het antwoord onder 2.12.1 voor de redenen dat dit gebouw
Appellant geeft aan dat er twee eigenaren waren en er met
nu is opgenomen als veldschuur.
een eigenaar totaal niets is overlegd. De gemeente spreekt hier zelf met de woorden "originele boerderij". Dan kan de
Tot slot staat de kadastrale indeling van de percelen los van het
gemeente dit nu toch niet afdoen als veldschuur.
bestemmingsplan. Een uittreksel uit het kadaster of de beperkingenregistratie zegt dan ook niets over de bestemmingsplansituatie. Bestemmingsplanmatig is
Tevens heeft appellant in een akte van 2008 een uittreksel
het perceel P 159 bestemd als ‘Agrarisch met waarden - Landschapswaarden’.
van het kadaster gevonden waarin vermeld staat "perceel P Dit is overgenomen uit de bestemmingsplannen van 1998 en 2011. Er bestaat 159 is object woning(agrarisch)erf-tuin" er zijn geen
dan ook geen aanleiding om het bestemmingsplan hierop aan te passen.
beperkingen bekend in de gemeentelijke beperkingenregistratie en de kadastrale registratie.
34
2.13
Appellant 13 – Achterbroek 24a Zienswijze
Gemeentelijke beantwoording
Zienswijze inzake Achterbroek 24a, 5715 BM te Lierop, d.d. 27 juni 2022, ontvangen 27 juni 2022 en aangevuld 12 juli 2022 2.13.1
Appellant heeft er geen vrede mee dat de schuur wordt
Wij willen benadrukken dat de bebouwing die in het nieuwe bestemmingsplan is
aangeduid in het nieuwe bestemmingsplan als overtollige
aangeduid als ‘specifieke vorm van wonen - overtollige bebouwing’ niet als
bebouwing, omdat hij deze actie van de gemeente als een
illegale bebouwing wordt aangemerkt. Deze aangeduide bebouwing mag
onrechtmatige aantasting van zijn eigendomsrecht ziet. Hij
namelijk behouden blijven en is niet in strijd met het bestemmingsplan. Zoals
vindt het respectloos dat zijn legale schuur op één hoop
ook is beschreven in de beantwoording van de inspraakreactie is in het
wordt gegooid met illegale bouwwerken van vóór 1976.
bestemmingsplan een aanduiding ‘specifieke vorm van wonen – overtollige
Immers, appellant heeft onder meer voor zijn schuur legale
bebouwing’ opgenomen voor bouwwerken C1 en C2 (uit het inspectierapport),
bouwvergunningen. Als de gemeente op deze wijze met
waarbij geldt dat deze aanwezige bebouwing valt onder het vergunde recht dan
burgers omgaat die hun zaken legaal in orde hebben zoals
wel het overgangsrecht voor bouwen, maar niet voor het gebruik. De gebouwen
appellant, is er niemand meer veilig voor de overheid. Het
zijn namelijk vergund en/of overgangsrechtelijk beschermd ten behoeve van
kan niet zo zijn dat wanneer bouwvergunningen verleend
agrarische doeleinden. Dit betekent dat het huidige gebruik van deze gebouwen
zijn en de gemeenteraad naderhand besluit dat minder
niet overeenkomt met de verleende vergunning en/of het gebruik op het
oppervlakte aan bijgebouwen bij burgerwoningen wenselijk
moment van oprichten, waardoor het overgangsrecht ook maar beperkt van
is, legale gebouwen zomaar kunnen worden weggepoetst.
toepassing is. De bebouwing is in het voorgaande plan onder het overgangsrecht
Gemeente heeft hier geen enkel belang bij. Appellant is van gebracht met de gedachte dat deze in de planperiode verwijderd zou worden. Nu mening dat een dergelijke handelwijze van de gemeente in
blijkt dat deze bebouwing in de planperiode niet is verwijderd, heeft de
strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk
gemeente er voor gekozen voor deze locaties de aanduiding “overtollige
bestuur, waaronder: het vertrouwensbeginsel, het
bebouwing” op te nemen. Door de opname van de aanduiding wordt vastgelegd
motiveringsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel, het
dat de bestaande met vergunning tot stand gekomen en/of overgangsrechtelijk
rechtszekerheidsbeginsel, alsmede redelijkheid en
beschermde voormalige (agrarische) bedrijfsgebouwen zijn toegestaan op de
billijkheid. Tevens is dit een aantasting van het
locatie. Daarnaast wordt er een bouw- en gebruiksbeperking opgelegd. Het doel
eigendomsrecht van appellant. Appellant verzoekt om de
van dit beleid is dat er in de toekomst een afweging wordt gemaakt over de
bebouwing in zijn geheel in het nieuwe bestemmingsplan
voormalige agrarische bebouwing en dat een overschot aan bouwwerken
positief te bestemmen en als zodanig in bebouwingsvlakken uiteindelijk wordt verwijderd. De gemeente heeft als doelstelling het op te nemen in dit bestemmingsplan.
buitengebied te ontstenen en de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied te verbeteren. 35
Daarbij bieden we ook de mogelijkheid om deze oppervlakte aan overtollige bebouwing op te plussen, zodat deze mogen worden herbouwd. Dit kan via de gemeentelijke Landschapsinvesteringsregeling. Hiervoor dient een kwaliteitsverbetering te worden geleverd in het landschap in de vorm van een goede landschappelijke inpassing, welke voldoet aan het Beeldkwaliteitsplan Buitengebied. Appellant heeft een landschappelijk inpassingsplan ingediend, welke nog niet akkoord is bevonden. Met appellant is besproken hoe het plan kan worden aangepast zodat de gemeente hier wel mee akkoord kan gaan. Tot op heden hebben wij geen aangepast beplantingsplan ontvangen, waardoor de oppervlakte aangeduid als ‘overtollige bebouwing’ niet rechtstreeks kan worden opgenomen als bijgebouwen in het bestemmingsplan. Dat wil echter niet zeggen dat de bouwtitels teniet worden gedaan. Immers mogen de vergunde dan wel overgangsrechtelijk beschermde gebouwen behouden blijven. De rechten van appellant worden niet beperkt met het opnemen van de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen – overtollige bebouwing’. Wij zien dan ook niet in dat er strijd is met het vertrouwensbeginsel, het motiveringsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel, alsmede redelijkheid en billijkheid. Tevens is de gemeente van mening dat dit geen aantasting is van het eigendomsrecht van appellant. 2.13.2
Volgens de gemeente is de schuur van appellant vergund
In 1985 was het geldende bestemmingsplan Buitengebied uit 1976, waarin de
ten behoeve van agrarische doeleinden. Appellant heeft
locatie van appellant de bestemming ‘Agrarische doeleinden B’ had. In de
echter bijna 40 jaar geleden een burgerwoning met een
voorschriften van dit bestemmingsplan is onder de bestemming ‘Agrarische
schuur gekocht en geen agrarisch bedrijf. Het is niet
doeleinden B’ opgenomen dat er onder voorwaarden alleen bouwwerken ten
aannemelijk dat een agrarisch bedrijf aan circa 5.000 m²
behoeve van een agrarisch bedrijf mogen worden gebouwd. Op basis van dit
grond genoeg zou hebben om te kunnen functioneren.
bestemmingsplan is in 1981 een vergunning verleend voor het gedeeltelijk
Appellant zelf heeft nooit een agrarisch bedrijf gehad. In
vergroten van het woonhuis. Voor het bestemmingsplan Buitengebied 1998 was
1985 verleende de gemeente aan appellant een vergunning de woning dus een agrarische bedrijfswoning en waren de gronden bestemd ten voor de bouw van een garage/berging. Volgens de huidige
behoeve van agrarische bedrijfsdoeleinden. Het gegeven dat er vanaf het
redenering van de gemeente, zou die vergunning dan
moment van bewoning van het perceel door appellant geen agrarisch bedrijf 36
kennelijk ook verleend zijn voor een agrarisch bedrijf. In
meer was gevestigd dan wel dat er geen agrarische bedrijvigheid meer
1995 kreeg appellant ook een bouwvergunning voor nota
plaatsvond, wil niet zeggen dat dit bestemmingsplanmatig het geval was.
bene het renoveren van zijn schuur. Op grond van die
Immers had op het moment dat appellant de woning op de locatie Achterbroek
vergunning mocht de schuur van appellant zelfs nog met 1
24a kocht een bestemming ten behoeve van agrarische doeleinden.
meter worden verlengd. Ook voor agrarische doeleinden? Naar het gevoel van appellant is 1995 nog vrij recent en
De vergunning voor bijgebouw B (uit het inspectierapport) is inderdaad verleend
was het niet, zoals de gemeente nu stelt, de bedoeling dat
ten behoeve van de (agrarische) bedrijfswoning. Immers was het toegestaan om
de bebouwing van appellant binnen korte termijn zou
een bouwwerk op te richten bij een bedrijfswoning. De oppervlakte van dit
worden verwijderd. Het betreft geen tijdelijke vergunning.
bijgebouw is dan ook niet als overtollige bebouwing opgenomen in het nieuwe
Het verhaal van de gemeente rammelt aan alle kanten.
bestemmingsplan, aangezien deze oppervlakte passend is binnen de standaard
Appellant heeft de indruk dat de gemeente iets probeert,
toegestane maatvoering van 100 m² aan bijgebouwen. Dit is in het nieuwe
maar wenst hier niet de dupe van te worden.
bestemmingsplan overgenomen. Voor bouwwerken C1 en C2 (uit het inspectierapport) is wel een aanduiding ‘specifieke vorm van wonen – overtollige bebouwing’ opgenomen. Bouwwerk C1 was namelijk al aanwezig voor het bestemmingsplan Buitengebied uit 1976 en is daarna uitgebreid met bouwwerk C2. Voor deze uitbreiding is in 1995 een vergunning verleend op basis van het bestemmingsplan Buitengebied uit 1976. Met andere woorden is er dus een vergunning verleend voor het uitbreiden van een bouwwerk ten behoeve van ‘Agrarische doeleinden B’, oftewel ten behoeve van agrarische bedrijfsdoeleinden. Bouwwerken C1 en C2 zijn bestemmingsplanmatig dus oorspronkelijk ten behoeve van agrarische bedrijfsdoeleinden opgericht, waardoor ze niet rechtstreeks als bijgebouwen ten behoeve van de woning kunnen worden opgenomen in het nieuwe bestemmingsplan. Bij de verlening van de vergunning was het inderdaad niet de bedoeling dat het bouwwerk binnen korte termijn zou worden verwijderd. Immers wist de gemeente toen niet dat de bestemming in het bestemmingsplan Buitengebied van 1998 gewijzigd zou worden naar de bestemming ‘Woningen’ en daarmee het gebruik van de verleende vergunning niet meer in overeenstemming zou zijn met de bestemming. Daarnaast mogen bouwwerken C1 en C2 met het opnemen van de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen – overtollige bebouwing’ behouden blijven. 37
2.13.3
Appellant geeft aan dat de gemeente beleid stelt te hebben
Bij de herziening van het bestemmingsplan Buitengebied 2011 worden alle
voor ontstening van het buitengebied. Appellant heeft de
locaties geïnventariseerd en vergeleken met het bestemmingsplan of verworven
indruk dat die ontstening kennelijk alleen voor hem geldt.
rechten. Wanneer bebouwing elders illegaal is opgericht zal daartegen
In zijn directe omgeving zijn de laatste jaren een heleboel
handhavend worden opgetreden. Daarnaast wordt dezelfde werkwijze omtrent
veel grotere en hogere gebouwen opgericht, waarbij zijn
het opnemen van de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen – overtollige
schuur in het niet valt. Die schuren vormen storende
bebouwing’ gehanteerd op andere locaties. De ontstening van het buitengebied
elementen in het landschap en zijn niet eens ingepast met
geldt dus niet alleen voor appellant. Wij kunnen ons dan ook niet verenigen met
beplanting. Appellant is oprecht verbaasd dat zijn schuur,
het standpunt van appellant dat er met twee maten gemeten wordt.
die volledig is ingepast bij de gemeente op de nominatie staat om gesloopt te worden. Appellant is van mening dat
Verder gelden er voor (agrarische) bedrijfsbestemmingen andere bouwregels dan
als men naar ontstening toe wil, men om te beginnen moet
voor woonbestemmingen. Zo kan het zijn dat op basis van de wet- en
stoppen met bouwen in het buitengebied. Op circa 100
regelgeving een stal mag worden opgericht. Wanneer op basis van de wet- en
meter afstand van de woning van appellant, wordt op dit
regelgeving het mogelijk is om bouwwerken te bouwen, kan daar een vergunning
moment een reusachtige stal gebouwd in een gebied met
voor worden verleend. Dit geldt ook voor appellant. Daarnaast stond en staat het
landschappelijke waarden. Appellant vraagt zich af waarom
appellant vrij om tegen een verleende vergunning, binnen de daarvoor geldende
dat blijkbaar wel kan. Appellant is van mening dat de
termijn, bezwaar aan te tekenen.
gemeente met twee maten meet. 2.13.4
Appellant is van mening dat buitenopslag geen afbreuk
De gemeente is het er mee eens dat in sommige gevallen buitenopslag moet
doet aan de kwaliteit van het buitengebied. Opslag heeft
kunnen worden toegestaan in het buitengebied. De gemeenteraad heeft dan ook
juist meerwaarde, omdat vogels en kleine zoogdieren daar
op 24 mei 2022 een amendement aangenomen waarin is opgenomen dat er voor
vaak nog een goede schuilplaats of broedgelegenheid
het onderwerp ‘Buitenopslag bij particulieren’ op korte termijn een beleidsnotitie
kunnen vinden. Verbieden van buitenopslag is volgens
opgesteld dient te worden, waarin wordt verwerkt hoe dit onderwerp in bestaand
appellant een voorbeeld van doorgeslagen regelzucht.
beleid aangepast kan worden. Aanleiding hiervoor was het raadsvoorstel van 24
Bewoners van het buitengebied zitten daar niet op te
mei 2022 waarin een nieuwe werkwijze werd voorgesteld voor de beoordeling
wachten. Appellant is van mening dat het buitengebied is
van buitenopslag.
geen stadspark dat aangeharkt moet worden. Een steriel, opgeruimd buitengebied heeft voor de natuur geen enkele
Vervolgens is in de gemeenteraad van 29 september 2022 zojuist genoemde
waarde.
beleidsnotitie aangenomen. In deze beleidsnotitie wordt voorgesteld om het begrip ‘opslag’ anders te definiëren in de begripsbepalingen van het bestemmingsplan. Aan de hand van het voorstel is het begrip ‘buitenopslag’ opgenomen, waarbij kan worden gesteld dat buitenopslag van materialen die geen zichtbare negatieve invloed hebben op de belevingswaarde van het gebied 38
dan wel voor bedrijfsmatige doeleinden zijn, niet in strijd zijn met het bestemmingsplan. Daarmee is buitenopslag op het perceel tot op zekere hoogte toegestaan. Een belangrijke voorwaarde is dat de buitenopslag niet visueel zichtbaar is vanaf de openbare ruimte. Alle door de gemeente aangemerkte locaties met strijdige buitenopslag zullen aan deze nieuwe definitie voor opslag worden getoetst. 2.13.5
De gemeente biedt aan de schuur van appellant "op te
Omtrent het argument van appellant over de aantasting van zijn eigendom
plussen". Dit kan worden bereikt door een goede
verwijzen wij naar het antwoord onder 2.13.1. Daarnaast wordt appellant erop
landschappelijke inpassing. Appellant blijft evenwel van
gewezen dat niemand appellant dwingt om een beplantingsplan aan te leveren.
mening dat hij gewoon in zijn recht staat: zijn opstallen zijn Zoals te lezen in de brief van 15 juli 2021 biedt de gemeente appellant alleen de door middel van legale betaalde bouwtitels gerealiseerd. De mogelijkheid aan om zijn bijgebouwen op te plussen. Het staat appellant dan ook gemeente wil nu zonder recht of reden zijn eigendom
vrij om hier wel of niet gebruik van te maken. Van enige dwang of verplichting is
aantasten, terwijl hij nota bene onder dwang van de
geen enkele sprake. Wij kunnen ons dan ook niet verenigen met het standpunt
gemeente door een deskundige een beplantingsplan heeft
van appellant dat dit riekt naar misbruik van macht.
moeten laten maken. Dit is volgens appellant onrechtmatig en riekt naar misbruik van macht. 2.13.6
Het ingediende beplantingsplan van appellant heeft de
Het staat appellant vrij om geen aangepast beplantingsplan in te dienen. Er is
gemeente afgekeurd, want: "Het aantal en de dikte van de
dan ook geen sprake van een verplichting door appellant aan de gemeente.
bomen/struiken staat niet in het plan, het plan is niet
Indien appellant zijn bebouwing wil opplussen zal echter een plan voor de
overeenkomstig de werkelijke situatie en de voorzijde aan
landschappelijke inpassing moeten worden ingediend, welke voldoet aan de
de weg moet worden voorzien van een haag." Het
richtlijnen van het Beeldkwaliteitsplan Buitengebied. Tijdens het gesprek van 27
probleem is echter dat appellant zijn perceel reeds heeft
januari 2022 zijn alternatieve plantsoorten die minder water vragen besproken.
ingeplant en dat de bomen en struiken dicht in elkaar zijn
Daarin kon appellant zich destijds vinden.
gegroeid. Het is geen blanco situatie en hiervoor heeft appellant foto’s bijgevoegd. Daarenboven staan aan de voorzijde van het perceel grote bomen, die veel vocht wegzuigen. Beplanting, die daaronder staat en/of wordt geplant sterft. Er is gewoonweg te weinig water in de zandbodem van De Peel. Door de toenemende en aanhoudende droogte groeit er geen beplanting meer. Een gesprek hierover met de gemeente vormde voor appellant 39
geen aanleiding om met een nieuw aangepast plan te komen. Appellant heeft geen verplichtingen aan de gemeente en bedankt er voor om met een boete geconfronteerd te worden, wanneer een kansloze haag niet op tijd op hoogte is (zie het gespreksverslag). Het stuit appellant tegen de borst om, zoals de gemeente voorstelt, een beregeningsinstallatie aan te moeten leggen of drinkwater te moeten gebruiken voor het in leven houden van een haag. Appellant is van mening dat zuinig met water moet worden omgegaan en wenst niet mee te werken aan verdere verspilling van water en daardoor toenemende verdroging. De gevolgen van verdroging ziet hij in het bos aan de overzijde van de weg in de vorm van het afsterven van bomen en struiken. 2.13.7
De projectleider van de gemeente Someren berichtte
Op basis van de gemeentelijke beleidskaders proberen wij zo veel mogelijk een
appellant op 26 november 2021 dat een op zijn situatie
oplossingsgerichte houding aan te nemen, waar dat mogelijk is. Zo kijken wij per
toegespitste benadering en een oplossingsgerichte houding
locatie naar oplossingsmogelijkheden wanneer er strijdigheden zijn met het
bij de gemeente centraal zouden staan. Appellant en
bestemmingsplan of wanneer bewoners het aantal vierkante meters aan
ondergetekende hebben tijdens het overleg met de
bijgebouwen willen opplussen c.q. verruimen. Ook in het geval van appellant
gemeente (zie verslag) op 27 januari 2022 hiervan helaas
hebben wij gekeken naar oplossingen om de vergunde dan wel
weinig gemerkt. De inhoud van ons verslag spreekt voor
overgangsrechtelijk beschermde bouwwerken op te plussen. Hierbij wordt
zich.
maatwerk toegepast op basis van de Landschapsinvesteringsregeling 2020. Door middel van een landschappelijke inpassing die voldoet aan de gemeentelijke
Appellant vraagt zich in dit verband overigens af waarom
richtlijnen, kan de gemeente extra vierkante meters aan bijgebouwen positief
hij van dit gesprek geen verslag van de gemeente heeft
bestemmen. Daarnaast hebben wij meermaals met appellant gesprekken
ontvangen. Hij heeft nu geen tastbaar bewijs dat ooit een
gevoerd om de situatie op te kunnen lossen. Het gegeven dat appellant niet
gesprek heeft plaatsgevonden en wat er is
bereid is zijn beplantingsplan aan te passen conform de richtlijnen, maakt dat de
besproken/afgesproken, anders dan hetgeen hijzelf heeft
gemeente de bouwwerken niet positief kan bestemmen als bijgebouwen bij de
genotuleerd. Als de gemeente een verslag had gemaakt
woning.
zou dat prettig en zorgvuldig zijn geweest. Verder vraagt appellant zich af waarom er geen gespreksverslag is gemaakt door de gemeente van het gesprek op 27 januari 2022. Indien appellant graag een 40
uitgewerkt gespreksverslag had ontvangen, had hij daar een verzoek om kunnen doen. 2.13.8
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de afkeuring van
Voor de motivering omtrent het besluit voor het niet-ontvankelijk verklaren van
het beplantingsplan. Tijdens de zitting van de commissie
het bezwaarschrift verwijzen wij appellant naar het advies van de commissie,
kreeg appellant te horen dat zijn bezwaar niet-ontvankelijk
welke op 23 juni 2022 is verstuurd naar appellant.
zou zijn, omdat er geen rechtsgevolg zou zijn. Appellant bestrijdt dit. Daarom behandelde de commissie het bezwaar inhoudelijk niet. Appellant vindt dat jammer, want de beoordeling van zijn beplantingsplan was willekeurig. Appellant vindt nog steeds dat zijn plan onterecht is afgekeurd. 2.13.9
Appellant geeft aan dat de gemeenteraad op 24 mei 2022
Het klopt dat de gemeenteraad op 24 mei 2022 een amendement heeft
unaniem een amendement heeft aangenomen waarin onder aangenomen waarin is opgenomen dat er voor het onderwerp ‘erfbeplanting’ op meer wordt bepaald, dat het met de beplantingsplannen
korte termijn een beleidsnotitie opgesteld dient te worden, waarin wordt
anders moet. Appellant geeft aan dat dit amendement
verwerkt hoe dit onderwerp in bestaand beleid aangepast kan worden. Het gaat
wellicht soelaas biedt. Appellant ziet er geen heil in om met
hierbij met name over de strengere beoordeling van beplantingsplannen dan in
een aangepast plan te komen. Zijn tuin is reeds een
het huidige Beeldkwaliteitsplan is voorgeschreven. Gelijktijdig was de gemeente
voorbeeld van hoe beplanting zou moeten zijn. Hier voegt
ook bezig met een evaluatie van het geldende Beeldkwaliteitsplan Buitengebied
een beplantingsplan niets aan toe. Zulks hebben de
2011.
raadsleden tijdens hun bezoek aan de Achterbroek eerder dit jaar met eigen ogen kunnen zien.
Vervolgens is in de gemeenteraad van 29 september 2022 zojuist genoemde beleidsnotitie aangenomen. In deze beleidsnotitie wordt voorgesteld eerst het nieuwe Beeldkwaliteitsplan te laten vaststellen door de raad en pas daarna het bestemmingsplan voor deelgebied 4. De hernieuwde uitgangspunten voor de toetsing aan het beeldkwaliteitsplan kunnen dan ook worden toegepast voor situaties in deelgebied 4 en verder. Inmiddels is het nieuwe Beeldkwaliteitsplan vastgesteld. Inhoudelijk hebben wij het reeds door appellant ingediende beplantingsplan getoetst aan het nieuwe Beelkwaliteitsplan, waarbij geconstateerd is dat er mogelijkheden worden gezien dat de reeds aanwezige beplanting als voldoende kan worden geacht voor de te leveren kwaliteitsverbetering.
41
Wel blijft staan dat het huidige beleid voor het opplussen van vergunde dan wel overgangsrechtelijk beschermde bijgebouwen beschreven is in de Landschapsinvesteringsregeling 2020. Hierin is beschreven dat het opplussen van die bebouwing gepaard moet gaan met een voldoende landschappelijke inpassing. Tevens is in de provinciale Interim Omgevingsverordening NoordBrabant vastgesteld dat iedere ruimtelijke ontwikkeling in landelijk gebied gepaard moet gaan met een kwaliteitsverbetering in het landschap. Dit is daarnaast opgenomen in het ontwerp van de Omgevingsverordening NoordBrabant. Naar verwachting blijft een kwaliteitsverbetering in het landschap dus noodzakelijk. Het gegeven dat appellant zijn locatie naar zijn inziens reeds landschappelijk heeft ingepast doet daar niets aan af. Dit dient namelijk ook op basis van het gemeentelijke beleid gewaarborgd te worden in een beplantingsplan welke juridisch wordt verankerd in het bestemmingsplan. Zolang appellant er geen heil in ziet om met een aangepast plan te komen, welke kan voldoen aan de richtlijnen die de gemeente stelt, kan er ook niet worden meegewerkt aan een verruiming van het aantal vierkante meters aan bijgebouwen. Zoals eerder aan appellant medegedeeld voldoet het door appellant opgestelde beplantingsplan nog niet aan het format welke de gemeente hanteert.
Het plan dient hierop aangepast te worden zodat voor een ieder duidelijk is waar welke beplanting aanwezig is en dit ook controleerbaar is door een toezichthouder van de gemeente. Zoals gesteld hebben wij het beplantingsplan inhoudelijk getoetst aan het nieuwe Beelkwaliteitsplan. Wij hebben geconstateerd dat er mogelijkheden zijn om de reeds aanwezige beplanting als voldoende te achten voor de te leveren kwaliteitsverbetering. Uiteraard dient dit wel uitgewerkt te worden in een beplantingsplan die voldoet aan de gemeentelijke richtlijnen. 2.13.10 Bij de door de gemeente goedgekeurde beplantingsplannen
Het beplantingsplan van de buurman beschrijft de feitelijk aanwezige beplanting.
trof appellant een beplantingsplan van de buurman van
Een deel van deze beplanting staat inderdaad op gronden van appellant. Dat wil
hem aan. In dat beplantingsplan staan zelfs bomen
niet zeggen dat deze beplanting ook als verplichting voor appellant in stand moet
ingetekend vóór de oprit van appellant. In dat plan staat
worden gehouden. Immers beschrijft het beplantingsplan alleen de op dat
ook de op het perceel van appellant aanwezige en door
moment feitelijke aanwezige situatie. Op de verbeelding van het 42
hem aangebrachte beplanting aangegeven, met de
bestemmingsplan is de beplanting op grond van appellant dan ook niet
vermelding dat het bedrijf aan die kant geen beplanting
opgenomen. Wij kunnen er mee instemmen dat appellant zich het recht behoudt
aanbrengt, omdat daar al een struweelhaag aanwezig is.
om zijn beplanting naar believen te verwijderen, mits daarvoor geen
Appellant merkt hierover op dat hij geen verplichtingen aan kapvergunning nodig is. Daarnaast willen wij meegeven aan appellant dat de Van den Einden Groenteverwerking heeft en niet accepteert aanwezige schuur niet wordt wegbestemd. De schuur wordt in het dat zijn beplanting wordt meegenomen in overwegingen in
bestemmingsplan aangeduid als ‘overtollige bebouwing’, zoals reeds toegelicht in
het bestemmingsplan ten behoeve van een derde.
het antwoord onder 2.13.1.
Aangezien het beplantingsplan van appellant is afgekeurd en zijn schuur in het bestemmingsplan daarom niet wordt opgeplust en derhalve wordt weg bestemd, behoudt appellant zich het recht voor om zijn beplanting naar zijn believen, desnoods per ommegaande, te verwijderen.
2.14
Appellant 14 – perceel P 193 Zienswijze
Gemeentelijke beantwoording
Zienswijze inzake perceel P 193, te Lierop, d.d. 26 juni 2022, ontvangen 28 juni 2022 2.14.1 Appellanten geven aan dat zij sinds 2013 gezamenlijk
Perceel P 193 te Lierop heeft de bestemming ‘Agrarisch met waarden –
eigenaar zijn van perceel P 193 te Lierop. Op het perceel
Landschapswaarden’. Zoals ook in de beantwoording van de inspraakreactie is
stonden ten tijde van de aankoop een met steigerhout
beschreven is het binnen deze bestemming toegestaan om hobbymatig dieren te
gemaakt opberghok (van nog geen meter hoog en een
houden en groenten te kweken. Voor het oprichten van bouwwerken en
golfplaten dak) en een soort plastic kas (metalen ronde
voorzieningen ondersteunend aan deze activiteiten dient echter te worden
buizen met daaroverheen doorzichtig plastic). Appellanten
voldaan aan de regels uit het bestemmingsplan.
hebben dit perceel destijds aangeschaft om hobbymatig wat groente te kweken en wellicht hobbymatig dieren te
Zoals tijdens het controlebezoek van 23 februari 2022 is geconstateerd bevinden
houden. Appellanten zijn van mening dat dat prima zou
zich binnen het perceel diverse bouwwerken (geen gebouw zijnde) en
kunnen op een stuk grond met een agrarische bestemming. voorzieningen, waaronder een stalletje, een tuinkas/volière, een Dit komt ook terug in artikel 6 van het nieuwe
kippenhok/hooimijt en hekwerken. Daarnaast is ook te zien dat er verschillende
bestemmingsplan:
materialen op het perceel worden opgeslagen.
-
onder 6e: Hobbymatig houden van dieren; 43
-
onder 9: Teeltondersteunende voorzieningen.
Zoals reeds gecommuniceerd in de brief van 8 april 2022 zijn de aanwezige bouwwerken, voorzieningen en de opslag van materialen niet in lijn met de regels behorende bij de agrarische bestemming. Daarnaast zijn de bouwwerken en voorzieningen niet vergund of overgangsrechtelijk beschermd. Ook zijn er op het perceel geen mogelijkheden voor het vergunningvrij oprichten van deze bouwwerken en voorzieningen. Tijdens het overleg op 23 december 2021 hebben onze projectmedewerkers al toegelicht dat er voor bouwwerken en andere voorzieningen op het perceel geen legalisatiemogelijkheden zijn binnen het huidige gemeentelijke en provinciale beleid. Verder verwijzen appellanten naar artikel 6 onder 9 in het nieuwe bestemmingsplan omtrent de teeltondersteunende voorzieningen. Dit is geen correcte verwijzing en wij begrijpen niet goed waar appellanten op doelen. Op basis van artikel 6 kan er alleen middels een omgevingsvergunning worden afgeweken voor teeltondersteunende voorzieningen wanneer er voldaan wordt aan de voorwaarden.
2.14.2 Appellanten vragen zich af hoe het dierenwelzijn kan
Het bestemmingsplan heeft zowel gebruiks- als bouwregels. Kijkend naar de
worden gewaarborgd als de gemeente wel toestaat om
gebruiksregels is het gebruik van het perceel voor het hobbymatig houden van
dieren te houden, maar dan zonder eten en schuilplaats.
dieren toegestaan. Gelet op de bouwregels mag er niet worden gebouwd op het
Appellanten vragen de gemeente dan ook een uitzondering
perceel, waardoor een schuilgelegenheid niet is toegestaan. Appellanten kunnen
te maken, voor kleine bouwwerken (maximaal 2 m²) welke
zelf de afweging maken of in het kader van dierenwelzijn het perceel dan nog
dienen als voederplaats of schuilplaats.
geschikt is om hobbymatig dieren te houden. Er is daarnaast geen sprake van enig verworven recht om de bouwwerken op te mogen richten, waardoor wij geen reden zien om kleine bouwwerken toe te staan. De gemeente vindt het ook niet wenselijk om het gebruik van het hobbymatig houden van dieren uit te sluiten op de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschapswaarden’. In sommige gevallen grenst deze bestemming namelijk aan een bouwvlak, waardoor de schuilgelegenheid binnen het bouwvlak kan worden opgericht. Het is dan uiteraard toegestaan om de dieren ook op de agrarische bestemming te laten grazen.
44
In de mail van 16 november 2021 heeft een projectmedewerker namens de gemeente appellanten al geïnformeerd dat permanente bouwwerken niet zijn toegestaan binnen de bestemming. Hierin is tevens aangegeven dat een kleinschalige en verplaatsbare hooiruif eventueel wel tot de mogelijkheden zou kunnen behoren. 2.14.3 Als appellanten kijken naar teeltondersteunende
In artikel 1.154 van het voorliggende bestemmingsplan is te lezen wat er
voorzieningen, zouden zij nooit gedacht hebben dat een
verstaan wordt onder teeltondersteunende voorzieningen. Deze voorziengingen
plastic kas, niet zou mogen. Appellanten vragen zich af of
maken onderdeel uit van de agrarische bedrijfsvoering, wat niet het geval is bij