CConstaterende datSomeren
Koppel je AI →
Document · PDF

10a. Toelichting Bestemmingsplan Buitengebied Someren - Deelgebied 4 200438024

Gemeenteraad 15 december 2022, gemeente SomerenBij agendapunt: Gewijzigd vaststellen bestemmingsplan Buitengebied Someren - Deelgebied 431.974 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Hierin is onderbouwd dat er behoefte is aan opwekking van duurzame energie in de vorm van zonneparken. Vooral van belang hierbij is de locatiekeuze. Het moet technisch mogelijk zijn om zonnevelden op de locatie te realiseren, maar het moet ook landschappelijk aanvaardbaar zijn. Een zonnepark moet altijd landschappelijk in worden gepast. In september 2018 heeft een evaluatie van het beleid plaatsgevonden: ‘Evaluatie beleid zonneparken en windmolens’. Het beleid is naar aanleiding van de evaluatie uitgebreid met beleid voor windenergie en enkele criteria zijn aangepast. Op 29 september 2022 is de beleidsnotitie uitvoering amendement 24 mei 2022 vastgesteld door de gemeenteraad. Hierin is opgenomen hoe er door de gemeente wordt omgegaan met zonnepanelen

57

voor particulier gebruik. In beginsel zullen zonnepanelen op het dak moeten worden geplaatst. Wanneer het dak ongeschikt is, kunnen zonnepanelen binnen het bouwblok worden geplaatst, waarbij rekening wordt gehouden met de bouwregels uit het bestemmingsplan. Een bouwblok kan echter ook ongeschikt zijn als er onvoldoende ruimte is vanwege bestaande bebouwing of als er aantoonbaar veel schaduwwerking is vanwege bestaande aanplant die kwalitatief bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit. Dit dient door aanvrager te worden aangetoond op basis van een door een vakkundige instantie opgestelde onderbouwing. Daarbij wordt voor de beoordeling van de kwalitatieve aanplant verwezen naar het beeldkwaliteitsplan buitengebied. Op basis van het principe van zorgvuldig ruimtegebruik is het geoorloofd een beperking te stellen aan de maximale oppervlakte aan zonnepanelen buiten het bouwblok. Op basis van de huidige inzichten moet 40 m2 aan zonnepanelen voldoende ruimte bieden voor de energiebehoefte van een gemiddeld gezin. De maximale bouwhoogte van 1,80 meter voor zonnepanelen sluit aan bij de hoogte zoals geformuleerd in het beleid voor zonneparken in het buitengebied uit 2017. De gemeente wil echter de ruimte bieden om de benodigde oppervlakte te laten blijken uit de opgestelde onderbouwing zoals hierboven genoemd.

Wat betreft de hoogte moet het uitgangspunt zijn om de panelen zo laag mogelijk te houden. Zo kan de ruimtelijke impact worden geminimaliseerd. Op basis van de LIR betreft het plaatsen van zonnepanelen een categorie 3ontwikkeling, waarvoor dus naast te voorzien in een goede landschappelijke inpassing wordt voorzien in een aanvullende tegenprestatie. Omtrent de procedure voor de zonnepanelen toe te staan sluit de gemeente aan bij artikel 3.41 van de IOV waarin staat dat zonneparken enkel met een omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan kunnen worden toegestaan. En dat voor een periode van maximaal 25 jaar. Zo wordt geborgd dat de panelen na 25 jaar ook weer verdwijnen. Dit op basis van de aanname dat binnen dat tijdsbestek de nodige innovaties zijn doorgevoerd waardoor wellicht minder zonnepanelen nodig zijn om in de energiebehoefte te voorzien. 5.4.10 Beleid teeltondersteunende voorzieningen In het buitengebied van Someren is een toenemende vraag naar teeltondersteunende voorzieningen. Teeltondersteunende voorzieningen zijn in, op of boven de grond aangebrachte voorzieningen die door agrarische bedrijven met plantaardige teelten worden gebruikt om de bedrijfsvoering te verbeteren en productie te verhogen. Om een gemeentelijk kader te bieden is in 2018 het beleid voor teeltondersteunende voorzieningen opgesteld.

Binnen de bestemming ‘Agrarisch’ zonder waarden zijn tijdelijke teeltvoorzieningen toegestaan, binnen de bestemmingen ‘Agrarisch met waarden Abiotische waarden’ en ‘Agrarisch met waarden - Landschapswaarden’ zijn extra voorwaarden gesteld aan het toestaan van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen. Tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen worden voor maximaal 6 maanden toegestaan. Aansluitend aan een agrarisch bouwvlak kan een differentiatievlak worden opgenomen bij behoefte aan permanente teeltondersteunende voorzieningen, ook hieraan zijn extra voorwaarden verbonden. Er zijn veel verschillende verschijningsvormen van teeltondersteunende voorzieningen. Daarom is het van belang een goede afweging op maat te maken die rekening houdt met de specifieke kenmerken van de voorziening en de locatie. De voorzieningen mogen de bestaande natuurlijke, landschappelijke, hydrologische, cultuurhistorische en/of abiotische waarden niet onevenredig aantasten. Daarnaast dienen de teeltondersteunende voorzieningen te worden voorzien van een goede landschappelijke inpassing.

58

5.4.11 Landschapsinvesteringsregeling Someren Verschillende ontwikkelingen hebben een verschillende impact op de fysieke leefomgeving. Vooral in het buitengebied is dit het geval, omdat juist daar onderscheid gemaakt kan worden tussen functies die echt thuishoren in het buitengebied, zoals natuur en agrarisch gebruik, en functies die minder aan het buitengebied zijn gebonden, zoals wonen of niet- agrarische bedrijven. Deze impact op de leefomgeving wordt onder meer bepaald door: 1. De omvang van de ontwikkeling, in ruimtebeslag en/of bebouwingsmassa; 2. Is er sprake van nieuw ruimtebeslag of wordt er gebruik gemaakt van bestaande bebouwing; 3. De huidige en gewenste aard van de locatie en de omgeving; 4. De aard van de functie en de mogelijke hinder voor de leefomgeving, zoals geluidsbelasting, verkeer aantrekkende werking, de milieucategorie, et cetera; 5. Betreft het een (traditioneel) gebiedseigen of gebiedsvreemde ontwikkeling; 6. De wenselijkheid van een ontwikkeling vanuit een (sectorale) beleidswens. Om te bepalen welke mate van kwaliteitsverbetering wordt geëist bij een ruimtelijke ontwikkeling heeft de gemeente en landschapsinvesteringsregeling (LIR) opgesteld. Naar aanleiding van deelgebied 2 van het bestemmingsplan Buitengebied is de landschapsinvesteringsregeling nogmaals geëvalueerd. Dit heeft geleid tot de nieuwe landschapsinvesteringsregeling van januari 2020.

De mate van negatieve impact bepaalt hoe invulling wordt gegeven aan de vereisten uit artikel 3.9 van de Interim omgevingsverordening. Hierin is een onderscheid gemaakt in drie categorieën ontwikkelingen. Hoe meer impact de ontwikkeling heeft, hoe hoger de categorie en de geëiste kwaliteitsverbetering: Categorie 1.

Categorie 2.

Categorie 3.

Ontwikkelingen met weinig impact op de leefomgeving. Er is geen (extra) kwaliteitsverbetering van het landschap nodig en er wordt dus geen extra tegenprestatie gevraagd; Ontwikkelingen met een gemiddelde impact op de leefomgeving. Er zijn maatregelen nodig om de kwaliteit van het landschap te kunnen borgen. Dat gebeurt door te voorzien in een goede landschappelijke inpassing; Ontwikkelingen met een relatief grote impact op de leefomgeving. Ter bescherming van de leefomgeving (landschap) moet er een extra compensatie worden geleverd. Naast de basisinspanning van een goede landschappelijke inpassing. Deze extra compensatie is de zogenaamde ‘kwaliteitsverbetering van het landschap’ volgens een forfaitaire berekening.

In de nieuwe landschapsinvesteringsregeling is de categorie-indeling verder verduidelijkt, onder andere met betrekking tot de omvang van woonbestemmingsvlakken. Het legaliseren van een bestaande situatie door vormverandering en vergroting van het bestemmingsvlak ‘Wonen’ tot maximaal 1.500 m², wordt gezien als een categorie 1-ontwikkeling. In nieuwe situaties van woonbestemmingsvlakvergrotingen tot 1.500 m² is er sprake van een categorie 2-ontwikkeling. Ook wordt een vormverandering en vergroting van het bestemmingsvlak ‘Wonen’ tot maximaal 2.500 m2 in het geval van het planologisch regelen van een bestaande situatie die dateert van vóór vaststelling van het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2011’ gezien als categorie 2-ontwikkeling. Tot slot wordt een omzetting van de bestemming ‘Agrarisch bedrijf’ naar ‘Wonen’ met een woonbestemmingsvlak van maximaal 2.500 m² als categorie 2 gezien. In alle andere gevallen waar het woonbestemmingsvlak wordt gewijzigd met een omvang van 1.500 m² tot 2.500 m² is sprake van een categorie 3-ontwikkeling.

59

Voor het opplussen van bijgebouwen was voorheen geen maximum oppervlakte opgenomen, nu is een indeling gemaakt in de zwaarte van de categorie afhankelijk van de oppervlakte bijgebouwen die wordt opgeplust. Het oprichten van bijgebouwen bij een woning tot 100 m² valt onder categorie 1. Het opplussen van de bijgebouwen via de sloopbank tot 350 m² wordt gezien als een categorie 2ontwikkeling. Ten slotte wordt het opplussen van bijgebouwen bij een woning boven de 100 m² zonder gebruik te maken van de sloopbank gezien als categorie 3-ontwikkeling. Voor de omvang van bijgebouwen die behouden blijft bij een omzetting van ‘Agrarisch bedrijf’ naar ‘Wonen’ is tevens een indeling gemaakt, waarbij het behoud van 250 m² aan bijgebouwen als categorie 2 wordt gezien. Gezien de veranderingen en de toevoegingen aan categorie 3-ontwikkelingen is er ook behoefte aan duidelijke normbedragen waarmee gerekend kan worden. De belangrijkste aanpassing hierin is het toekennen van normbedragen voor het opplussen van oppervlaktes bedrijfsgebouwen, inhoud van de woning en bijgebouwen bij woningen. In principe dient een toename van oppervlaktes bijgebouwen en inhoud van de woning te lopen via de Somerense sloopbank. De sloopbank blijkt echter niet altijd toereikend, met name bij uitbreidingen van bedrijfsbebouwing.

Om toch tegemoet te kunnen komen aan de vraag die er is naar beschikbare meters en ruimte te kunnen bieden aan bedrijven om te ontwikkelen, kan de bebouwing opgeplust worden door het leveren van een kwaliteitsverbetering. Er is dan uiteraard sprake van een categorie 3-ontwikkeling. Aanvullend op de aangevulde normbedragen is voor externe adviseurs en intern gebruik een rekentool gemaakt waarmee de forfaitaire berekening gemaakt kan worden aan de hand van de normbedragen. 5.4.12 Herziening toepassingsregels Ruimte voor Ruimte-woningen In 2005 zijn door de gemeenteraad toepassingsregels vastgesteld voor initiatieven van ruimte voor ruimte-woningen. In opdracht van de raad wordt is in 2021 en 2022 de beeldkwaliteit van het buitengebied geëvalueerd. Deze evaluatie voorziet tevens in de evaluatie van de toepassingsregels voor ruimte voor ruimte-woningen. Onderdeel van dit beleid is het zoekgebied voor deze woningen, dit zijn de zogeheten bebouwingsconcentraties. Op locaties binnen dit zoekgebied kan worden afgewogen om een woning te bouwen. De belangrijkste vraag was dan ook of dit zoekgebied nog actueel en wenselijk was. Daarnaast zijn ook andere toepassingsregels voor de ruimte voor ruimtewoningen geëvalueerd. Op 24 november 2021 heeft de gemeenteraad de gewijzigde toepassingsregels voor ruimte voor ruimte-woningen vastgesteld.

Het beleid noemt de voorwaarden, waaraan voldaan moet worden om een ruimte voor ruimte-woning op te kunnen richten. Tevens zijn de zoekgebieden beperkt om de landschappelijke kwaliteit en de waardevolle open gebieden te waarborgen, zodat er een bijdrage wordt geleverd aan de beeldkwaliteit van het buitengebied. In het bestemmingsplannen worden de nieuwe zoekgebieden en gewijzigde toepassingsregels aangehouden bij ontwikkelingen voor nieuwe ruimte voor ruimte-woningen.

5.5 Geactualiseerde en aangevulde beleidsuitgangspunten Gebleken is dat het bestaande beleid en de vertaling hiervan in de regels en verbeelding soms leidt tot onduidelijkheden over de wijze van interpretatie en de vraag of het toetsingskader altijd compleet is. Tevens ontbrak het op sommige gevallen aan beleidskeuzes over hoe om te gaan met strijdige situaties. Daarom zijn de bestaande beleidsuitgangspunten op onderdelen geactualiseerd of aangevuld. Deze paragraaf bevat een overzicht van de geactualiseerde of aangevulde

60

beleidsuitgangspunten, die op het moment van terinzagelegging van het bestemmingsplan van toepassing zijn. 5.5.1 Thema Wonen 5.5.1.1 Meer dan 100 m² bijgebouwen bij burgerwoningen Veel percelen in deelgebied 4 zijn in het bestemmingsplan Buitengebied 1998 of zelfs daarvoor al omgezet van een agrarische bedrijfsbestemming naar een woonbestemming. Bij het omzetten van de bestemming was destijds sloop van overtollige bebouwing niet altijd een harde eis vanuit provinciaal of gemeentelijk beleid. Er heeft met regelmaat dan ook geen sloop plaatsgevonden. Daarom treffen we in het buitengebied vaak situaties aan waarbij meer dan 100 m² aan bijgebouwen aanwezig. Vaak zijn de gebouwen legaal aanwezig, vergund als bijgebouw bij de woning of als agrarisch bedrijfsgebouw. Overgangsrecht Door het ontbreken van een specifieke uitzondering voor de bestaande vergunde bijgebouwen groter dan 100 m² vallen deze bijgebouwen boven de 100 m² op dit moment andermaal onder het overgangsrecht. Dat is niet wenselijk en doet ook juridisch gezien afbreuk aan de bestaande rechten van betrokkenen. De Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft grote moeite met het (opnieuw) onder het overgangsrecht brengen van bestaande situaties. Vaak kan de gemeente niet aantonen dat er concreet zicht is op sloop van de overtollige bebouwing binnen de planperiode.

En de gemeente is vaak ook niet in staat om voldoende te motiveren waarom deze overtollige bebouwing onder het overgangsrecht moet blijven vallen. Bij uitzondering staat de Afdeling het toe dat de gemeente gedurende één planperiode bijgebouwen onder het overgangsrecht brengt. Een uitzondering die wel geaccepteerd wordt, is het vastleggen van een concreet zicht op legalisatie via goede flankerende maatregelen, zoals de uitgebreide Somerense sloopinstrumenten. Bijgebouwenregeling De bijgebouwenregeling die tot 2018 in de gemeente Someren van toepassing was, heeft onvoldoende geleid tot sloop van bijgebouwen (ruimtelijke kwaliteitswinst). De gemeente heeft daarom de regeling aangepast, zodat die leidt tot meer verbetering van de ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied, zonder afbreuk te doen aan bestaande rechten. De verwachting is dat in de toekomst met de nieuwe regeling meer vierkante meters gesloopt worden. Ook ontstaat er meer vraag naar sloopmeters, omdat de mogelijkheden worden verruimd. Het wordt aantrekkelijker om overtollige meters bijgebouwen in de sloopbank aan te bieden. Alle woonbestemmingen hebben en houden het recht op 100 m2 bijgebouwen (ruimte-voor ruimtewoningen 150 m²).

Aan de hand van een beslisboom (Figuur 9) kan in situaties waar meer bijgebouwen aanwezig zijn worden bepaald welk deel in aanmerking komt voor een positieve bestemming (zie Bepalen positief te bestemmen bijgebouwen en overtollige bebouwing). Het spreekt voor zich dat illegaal opgerichte bebouwing niet zondermeer wordt bestemd. Alleen de vergunde bouwwerken en overgangsrechtelijk beschermde bijgebouwen komen in beginsel in aanmerking voor een positieve bestemming. Het jaar 1976 is daarbij de peildatum aangezien in het

61

bestemmingsplan Buitengebied 1976 de aanwezige bebouwing, welke sindsdien niet in overeenstemming is met het bestemmingsplan, reeds onder het overgangsrecht valt. Bijgebouwen die vergunningvrij gerealiseerd zijn, worden niet meegerekend bij de maatvoering per locatie, aangezien aan deze bebouwing dan ten onrechte meer rechten kunnen worden ontleend. Zo gelden er voor vergunningvrije bouwwerken bijvoorbeeld lagere bouwhoogtes dan voor vergunde bouwwerken. Dit wil echter niet zeggen dat de vergunningsvrij opgerichte bebouwing niet legaal is en nu of in de toekomst gesloopt moet worden. De bebouwing blijft bestaan onder dezelfde voorwaarden als waaronder deze destijds is opgericht. Bepalen positief te bestemmen bijgebouwen en overtollige bebouwing Om te bepalen welke oppervlakte aan bijgebouwen bestemd dient te worden en of een aanduiding ‘overtollige bebouwing’ (zie Bevriezen van bouwmogelijkheden) wordt opgenomen wordt allereerst gekeken of de bebouwing is opgericht met vergunning of overgangsrechtelijk beschermd is. Bebouwing die illegaal is opgericht wordt in beginsel niet meegenomen in de beoordeling en dient gesloopt te worden. Wel kan de oppervlakte aan bijgebouwen voor illegaal opgerichte bebouwing met terugwerkende kracht worden verruimd tot maximaal 350 m² middels de gemeentelijke Sloopbank.

Conform de Landschapsinvesteringsregeling (LIR) dient er dan een kwaliteitsverbetering te worden geleverd in het landschap in de vorm van een goede landschappelijke inpassing (categorie 2ontwikkeling). Indien de gemeentelijke Sloopbank niet toereikend is door een gebrek aan aanbod van sloopmeters kan de oppervlakte aan bijgebouwen ook worden verruimd middels de LIR (categorie 3ontwikkeling). Bebouwing die vergunningvrij tot stand is gekomen wordt buiten beschouwing gelaten. Alle bijgebouwen die expliciet zijn vergund ten behoeve van de bestemming ‘Wonen’ worden positief bestemd. Vervolgens wordt gekeken naar de bijgebouwen die in het verleden vergund zijn ten behoeve van een andere functie dan wonen (voornamelijk ten behoeve van het agrarisch bedrijf). Deze bijgebouwen kunnen niet zonder meer positief bestemd worden. De gebouwen vallen onder het bouwovergangsrecht, maar het gebruik is in de loop der tijd vaak veranderd. Deze gebouwen zijn echter in het verleden wel legaal opgericht, dus het zonder meer handhaven van deze bebouwing is geen optie. Het is tevens geen mogelijkheid om de gebouwen nogmaals onder het overgangsrecht te brengen, vandaar dat er een specifieke regeling is opgenomen in het bestemmingsplan voor deze bijgebouwen.

De volgende categorieën worden toegepast voor het al dan niet bestemmen van vergunde en/of overgangsrechtelijk beschermde voormalige (agrarische) bedrijfsbebouwing: Categorie Vergunde/legale oppervlakte kleiner dan 100 m2 Vergunde/legale oppervlakte bijgebouwen (niet opgericht t.b.v. woonbestemming) tussen 100 m² en 250 m²

Regeling Maximaal 100 m² aan bijgebouwen is binnen de standaard regeling toegestaan. De vergunde oppervlakte is de maximale rechtstreeks toegestane oppervlakte die ook in het bestemmingsplan wordt opgenomen door middel van een maatvoering ‘maximaal toegestane oppervlakte bijgebouwen’, mits er sprake is van voldoende landschappelijke inpassing (categorie 2- ontwikkeling).

62

Indien ter plaatse geen sprake is van voldoende landschappelijke inpassing, dan kan dat alsnog geregeld worden via de algehele herziening van het bestemmingsplan middels een nieuw landschappelijk inpassingsplan. Een andere tegenprestatie in het kader van een categorie 3-ontwikkeling is ook toegestaan. Indien eigenaar niet bereid is te investeren in kwaliteitsverbetering en/of de landschappelijke inpassing, dan worden de bijgebouwen niet voorzien van een maatvoering ‘maximaal toegestane oppervlakte bijgebouwen’. De bestaande voormalige (agrarische) bedrijfsbebouwing wordt ‘bevroren’ met een aanduiding ‘overtollige bebouwing’ op de verbeelding. Vergunde/legale oppervlakte In het bestemmingsplan wordt maximaal 250 m² opgenomen door bijgebouwen (niet opgericht middel van een maatvoering ‘maximaal toegestane oppervlakte t.b.v. woonbestemming) bijgebouwen’, mits er sprake is van voldoende landschappelijke groter dan 250 m² inpassing. Alle bebouwing wordt bevroren met een aanduiding ‘overtollige bebouwing’ op de verbeelding. Tenzij het eigen oppervlak bijgebouwen wordt verhoogd tot maximaal 350 m² via de gemeentelijke sloopbank. Een andere tegenprestatie in het kader van een categorie 3-ontwikkeling is ook toegestaan. Het betreffende (‘opgepluste’) oppervlak wordt opgenomen op de verbeelding door middel van een maatvoering ‘maximaal toegestane oppervlakte bijgebouwen’.

Indien de eigenaar niet bereid is te investeren in kwaliteitsverbetering en/of landschappelijke inpassing, dan worden de bijgebouwen niet voorzien van een maatvoering ‘maximaal toegestane oppervlakte bijgebouwen’. De bestaande voormalige (agrarische) bedrijfsbebouwing wordt ‘bevroren’ met een aanduiding ‘overtollige bebouwing’ op de verbeelding. Tabel 7: Opties m.b.t. voormalige (agrarische) bedrijfsbebouwing bij woonbestemmingen

Indien er minder dan 100 m² aan bijgebouwen aanwezig is, dan is dit passend binnen de bestemmingsplanregels. Indien de oppervlakte tussen de 100 m² en 250 m² bedraagt wordt beoordeeld of de locatie voldoende landschappelijk is ingepast. Het positief bestemmen van deze oppervlakte aan bijgebouwen wordt gezien als een categorie 2-ontwikkeling. Er wordt dus alleen een goede landschappelijke inpassing geëist, vergelijkbaar met de huidige eisen bij een omzetting van de bestemming ‘Agrarisch - Agrarisch bedrijf’ naar ‘Wonen’ met behoud van maximaal 250 m² bijgebouwen. Indien de oppervlakte groter is dan 250 m² wordt op dezelfde wijze bekeken welke oppervlakte bestemd kan worden en een aanduiding ‘overtollige bebouwing’ opgenomen. Indien er niet kan worden voldaan aan de eis van een goede landschappelijke inpassing dan wordt hoe dan ook de aanduiding ‘overtollige bebouwing’ opgenomen.

63

Bevriezen van bouwmogelijkheden In die situaties dat er overtollige bebouwing aanwezig is die niet positief bestemd kan worden, wordt de betreffende locatie aangeduid met een bouwbeperking; ‘overtollige bebouwing’. Aan deze aanduiding wordt een bouwbeperking gekoppeld in de regels. Met deze beperking wordt voorkomen dat er bijgebouwen gebouwd of verbouwd kunnen worden. Dit dwingt de eigenaar om bij de gemeente langs te gaan als er gebouwd moet worden. Op dat moment zal de eigenaar alleen een afwijkingsvergunning krijgen als voldaan wordt aan één van de bestaande regelingen in het bestemmingsplan. Dit is te rechtvaardigen, mede gezien het feit dat deze eigenaren in het verleden nooit verplicht hebben geïnvesteerd in de kwaliteit van de omgeving. Daarnaast hebben zij geruime tijd gebruik kunnen maken van de aanwezige bebouwing, in strijd met de geldende bestemmingsplanregels. Het huidige beleid eist ook dat een stoppende agrariër bij een omzetting naar een woonbestemming alle overtollige voormalige agrarische bedrijfsbebouwing moet verwijderen en daarnaast een kwaliteitsverbetering van het landschap moet bewerkstelligen. Verwijderen aanduiding ‘overtollige bebouwing’ De bouwmogelijkheden op een locatie met de aanduiding ‘overtollige bebouwing’ worden bevroren met als doel dat uiteindelijk sloop van voormalige agrarische bedrijfsbebouwing plaatsvindt.

Dit betekent dat wanneer de eigenaar van de bebouwing een bepaalde ontwikkeling mogelijk wil maken, hij/zij eerst afspraken met de gemeente over sloop van de overtollige bebouwing moet maken. Om dit mogelijk te maken is in het bestemmingsplan een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor het verwijderen van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van wonen - overtollige bebouwing’. De voorwaarde hiervoor is dat alle overtollige bebouwing gesloopt en/of opgeplust dient te worden. Dit kan betekenen dat de eigenaar terug sloopt tot de middels het bestemmingsplan toegelaten oppervlakte aan bijgebouwen of dat de eigenaar gebruikt maakt van de sloopbank om de vierkante meters bijgebouwen op de locatie op te plussen. De verwijdering van deze aanduiding kan gecombineerd worden met de wijzigingsbevoegdheid voor ‘wonen plus’, de wijzigingsbevoegdheid voor splitsing van een cultuurhistorisch waardevolle woning of de diverse afwijkingsbevoegdheden van de gebruiksregels. Illegale bebouwing opplussen Wanneer bebouwing zonder vergunning en in strijd met de wet- en regelgeving is opgericht, zal hier in beginsel op gehandhaafd worden. Wel kunnen er mogelijkheden zijn om illegaal opgerichte bebouwing te legaliseren door deze oppervlakte op te plussen. Op basis van de sloopbonusregeling is het mogelijk om (een gedeelte van) de illegaal opgerichte bebouwing op te plussen tot maximaal 350 m².

Het uitgangspunt daarbij is dat dit gebeurt via de gemeentelijke Sloopbank. Wanneer de oppervlakte aan bijgebouwen wordt vergroot via de gemeentelijke Sloopbank betreft dit een categorie 2-ontwikkeling, waardoor de ontwikkeling vergezeld moet gaan met een kwaliteitsverbetering van het landschap in de vorm van een goede landschappelijke inpassing. Wanneer de Sloopbank niet toereikend is door een gebrek aan sloopmeters, kan de oppervlakte worden vergroot middels een categorie 3-ontwikkeling van de LIR. Het verruimen van de oppervlakte aan bijgebouwen gaat dan vergezeld van een kwaliteitsverbetering van het landschap die wordt ingevuld door, naast een goede landschappelijke inpassing, te voorzien in een kwaliteitsverbetering van het landschap op grond van een forfaitaire berekening van bestemmingswinst.

64

Beslisboom Voorstaande beleidslijn is vertaald in een beslisboom ten aanzien van de bijgebouwen bij de bestemming ‘Wonen’. Deze beslisboom is weergegeven in Figuur 9. Aan de hand van deze werkwijze is er voor elke woonbestemming in deelgebied 4 een nulmeting vastgelegd in het bestemmingsplan. Juridische vertaling Per locatie wordt beoordeeld welke oppervlakte aan bijgebouwen positief bestemd dient te worden. Indien er een overschot aan vierkante meters bijgebouwen overblijft, krijgt de locatie een aanduiding ‘overtollige bebouwing’. De locaties met de aanduiding ‘overtollige bebouwing’ krijgen een bouwbeperking opgelegd. De bebouwing wordt zogezegd bevroren met uitzondering van de woning. Hiermee regelt de gemeente dat eigenaren bij de gemeente aan moeten kloppen zodra ze hun bijgebouwen willen gaan bouwen, verbouwen, herbouwen of het gebruik van de bijgebouwen willen aanpassen. Op dat moment kan de beleidslijn worden geactiveerd dat er allereerst gesloopt moet worden tot het maximaal toegestane oppervlak aan bijgebouwen voor die locatie of opgeplust moet worden via de sloopbonusregeling. In de regels wordt ook een aanvullende bouwbepaling opgenomen die hetgeen vergund is respecteert, maar tevens regelt dat de oppervlakte niet zonder meer een eeuwig bestaand recht is. Ook worden toekomstige vervolgfuncties (afwijkingsbevoegdheden) zoals nevenactiviteiten uitgesloten.

Ter plaatse van de aanduiding ‘overtollige bebouwing’ mogen vergunde en overgangsrechtelijk beschermde bijgebouwen in worden gezet in de sloopbank. Dit kan ook zijn om de toegestane oppervlakte aan bijgebouwen op eigen perceel op te plussen. Voor elke locatie is een rapport opgesteld waarin deze bijgebouwen zijn vastgelegd. Aan de hand van de beslisboom wordt bepaald welke oppervlakte aan bijgebouwen positief bestemd kan worden en of er een aanduiding ‘overtollige bebouwing’ moet opgenomen worden.

65

Figuur 9 Beslisboom bijgebouwen bij woningen

5.5.1.2 Bestemmingsvlakken ‘Wonen’ In de praktijk zien we dat voorzieningen buiten de bestemming ‘Wonen’ zijn gelegd. Deze gronden hebben meestal echter nog een agrarische bestemming, waardoor het gebruik in strijd kan zijn met het bestemmingsplan. Voor alle locaties waarbij voorzieningen buiten het bestemmingsvlak zijn gelegen is een afweging gemaakt op basis van de Landschapsinvesteringsregeling. Allereerst is gekeken naar de vraag of de inrichting en/of het gebruik van de gronden een andere bestemming dan ‘Agrarisch’ echt noodzakelijk maken. In diverse gevallen is er bijvoorbeeld sprake van een kleine dierenweide voor enkele paarden of schapen die de bewoner heeft. Eventueel met een omheining binnen de geldende regels. Of er is sprake van een landschappelijke inpassing van de

66

woning die mogelijk of gedeeltelijk ook dienst zou kunnen doen ten behoeve van de woonfunctie. De gemeente is terughoudend met het opleggen van de bestemmingen ‘Wonen’ en ‘Tuin’ en vindt dat er duidelijke strijdigheid met de agrarische bestemming moet zijn om hiervan af te moeten wijken. Hierbij wordt vooral gekeken naar de aanwezigheid van bebouwing en verharding, is er sprake van een echte siertuin en is er een harde scheiding van de tuin met de omliggende agrarische of anders bestemde gronden. Bij het doorlopen van de beslisboom wordt eerst gekeken of de voorzieningen buiten het bouwvlak met vergunning ten behoeve van de woning zijn opgericht. Is er sprake van vergund recht dan wordt het woonbestemmingsvlak van vorm veranderd of vergroot zonder dat hier een tegenprestatie voor wordt geëist. Er wordt in eerste instantie gekeken of een vormverandering haalbaar is, is dit niet het geval wordt het woonbestemmingsvlak vergroot. Er is dan immers sprake van bestaande rechten waar niet langer op gehandhaafd kan worden. Is dit niet het geval dan wordt gekeken wat de omvang van het benodigde woonbestemmingsvlak is. In de LIR (zie paragraaf 5.4.11) is opgenomen welke tegenprestatie wordt geëist bij een vormverandering of vergroting van het woonbestemmingsvlak. Uitbreidingen van het bestemmingsvlak ‘Wonen’ boven de 2.500 m² zijn niet wenselijk.

Dit wordt niet langer beoordeeld als zorgvuldig ruimtegebruik. Het streven is om bebouwing zoveel mogelijk te concentreren en het open agrarische landschap te waarborgen. Indien het echter niet haalbaar is om de voorzieningen binnen een woonbestemmingsvlak van 2.500 m² te brengen, zijn er bij uitzondering de volgende twee maatwerk-oplossingen: a. Bestemming ‘Tuin’ toepassen: Deze situaties doen zich zelden voor. Het gaat dan om echte siertuinen, aansluitend aan het woonbestemmingsvlak en die niet als landschappelijke inpassing zijn te beschouwen. Aan de bestemming ‘Tuin’ worden zeer beperkte bouwmogelijkheden toegekend. Er dient een kwaliteitsverbetering plaats te vinden conform een categorie 3-ontwikkeling van de LIR. Omdat de bestemming 'Tuin' alleen als maatwerkoplossing wordt gebruikt, is in de regels opgenomen dat de gronden niet worden aangemerkt als erf zoals bedoeld in bijlage II, artikel 1 van het Besluit omgevingsrecht en zijn er geen bebouwingsmogelijkheden toegekend. b. Groter bestemmingsvlak ‘Wonen’: in sommige gevallen is een groter woonbestemmingsvlak de enige oplossing, als de vergunde bebouwing bijvoorbeeld ver uit elkaar staat. Wanneer dit het geval is dient er een kwaliteitsverbetering van het landschap te worden bewerkstelligd conform categorie 3 van de LIR.

In paragraaf 6.2.6 is per locatie beschreven in hoeverre er een noodzaak is om de bestemming ‘Wonen’ of ‘Tuin’ toe te moeten passen voor de verschillende locaties. Uitgangspunten 1) Maximaal toelaatbare omvang van de bestemming ‘Wonen’ is 2.500 m2; Het uitgangspunt van maximaal 2.500 m2 volgt uit de fictieve bestemmingsvlakken voor ‘Wonen’ (50 meter bij 50 meter) uit het bestemmingsplan Buitengebied 1998. 2) Het bestemmingsvlak heeft een - vanuit ruimtelijke functionaliteit en samenhang - logische vorm en ligging; 3) Uitsluitend in bijzondere situaties wordt afgeweken van bovenstaande maximale maatvoering. Hieronder worden in ieder geval de volgende situaties verstaan: a) Bestaande rechten in de vorm van: i) Een reeds geldende bestemming ‘Wonen’;

67

ii)

Vergunde en voor ‘Wonen’ in gebruik zijnde bouwwerken, gebouwen en verhardingen, verspreid over een gebied groter dan 2.500 m2; iii) Overgangsrechtelijk beschermde en in gebruik zijnde bouwwerken, gebouwen en verhardingen, verspreid over een gebied groter dan 2.500 m2 welke ook feitelijk voor ‘Wonen’ in gebruik zijn; b) Bestaand gebruik in de vorm van tuinen en ander onmiskenbaar en alleen aan de functie ‘Wonen’ toe te delen gebruik, waarbij geldt dat: i) De overmaat boven 2.500 m2 in eerste instantie bestemd wordt met de aangrenzende bestemming(en); ii) De bestemming ‘Wonen’ alleen overwogen wordt als het gebruik niet toelaatbaar is binnen de regels van aangrenzende bestemming(en); 4) Categorie indeling LIR: a. Categorie 1: Vormverandering en vergroting van het bestemmingsvlak ‘Wonen’ tot 1.500 m2 in het geval van het planologische regelen van een bestaande situatie die dateert van vóór vaststelling van het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2011’; b. Categorie 2: Vergroting van het bestemmingsvlak ‘Wonen’ tot maximaal 1.500 m² voor zover deze niet onder categorie 1 valt óf vormverandering en vergroting van het bestemmingsvlak ‘Wonen’ tot maximaal 2.500 m2 in het geval van het planologisch regelen van een bestaande situatie die dateert van vóór vaststelling van het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2011’; c.

Categorie 3: Vormverandering en vergroting van het bestemmingsvlak ‘Wonen’ groter dan 1.500 m2 voor zover deze niet onder categorie 2 valt; 5) Als de kwaliteitsverbetering van het landschap (categorie 3) minder bedraagt dan €1.000 dan is categorie 2 van toepassing (landschappelijke inpassing); 6) Bij het bepalen van de te leveren kwaliteitsverbetering van het landschap (categorie 3) wordt de bestemmingswinst berekend op basis van het oppervlak boven 1.500 m2 bestemmingsvlak; 7) De tabel met bestemmingswaarden uit de LIR is van toepassing; 8) De maatregelen kwaliteitsverbetering van het landschap uit de LIR is van toepassing. Juridische vertaling Voorzieningen buiten het woonbestemmingsvlak worden onder voorwaarden en na gebleken onderzoek positief bestemd, waarbij het totale oppervlak van de aangrenzende bestemming ‘Wonen’ onder de 2.500 m² blijft en het gebruik niet binnen de bestemming ‘Agrarisch’ toelaatbaar wordt geacht. Waar nodig wordt een kwaliteitsverbetering in het kader van de LIR geëist. Aan de hand van bovenstaande uitgangspunten wordt bepaald of een vergroting van het woonbestemmingsvlak, ten behoeve van voorzieningen daarbuiten, mogelijk is en zo ja wat voor tegenprestatie in het kader van de LIR geleverd moet worden.

5.5.1.3 Mantelzorg Sinds november 2014 kan in het buitengebied vergunningvrij een mantelzorgwoning worden gebouwd of aangebouwd op percelen waar reeds een woning aanwezig is, mits aan de voorwaarden over grootte en kwaliteit wordt voldaan. Tevens is het toegestaan bestaande bouwwerken in gebruik te nemen ten behoeve van mantelzorg. Deze vergunningvrije mogelijkheden in het Besluit omgevingsrecht (Bor) staan boven gemeentelijke bestemmingsplannen waardoor landelijk eenduidigheid ontstaat. Daarom wordt in voorliggende bestemmingsplan de afwijkingsregeling voor

68

mantelzorg uit het bestemmingsplan gehaald. Hiermee wordt aangesloten bij de regels uit het Besluit omgevingsrecht. De regeling voor mantelzorg wordt geschrapt uit het bestemmingsplan omdat dit sinds 1 november 2014 vergunningvrij is toegestaan in het Besluit omgevingsrecht en deze wet boven het bestemmingsplan gaat.

5.5.1.4 ZZP’ers en buitenopslag Begin 2022 heeft de evaluatie van het project ‘actualisatie bestemmingsplan Buitengebied’ plaatsgevonden. Deze evaluatie heeft een rapport opgeleverd waarin enkele aanpassingen worden voorgesteld voor het proces en voor het toegepaste beleid. Dit rapport is op 11 mei 2022 besproken in de commissie Ruimte en op 24 mei 2022 behandeld in de gemeenteraad. In deze raadsvergadering is een amendement ingebracht dat door alle raadsleden is aangenomen en ondertekend. Het amendement voorziet in enkele beslispunten aanvullend op de voorgestelde beslispunten. De overwegingen bij het amendement zijn gericht op meer coulance en maatwerk bij de behandeling van dossiers waarin strijdigheden met het bestemmingsplan zijn geconstateerd. Op 29 september 2022 heeft de gemeenteraad de beleidsnotitie ‘uitvoering amendement 24 mei 2022 vastgesteld. De volgende beleidswijzigingen worden doorgevoerd: 1. In geval van ZZP’ers de maximaal te gebruiken oppervlakte ten behoeve van het bedrijf gelijk te stellen aan de maximale oppervlakte bijgebouwen voor een reguliere woonbestemming in het buitengebied (100 tot 150 m²); komt men boven dit oppervlak ten behoeve van de ZZP functie, dan valt men alsnog in de categorie Wonen Plus. De definitie in het bestemmingsplan voor Wonen Plus is hierop aangepast; 2.

Buitenopslag bij particulieren wordt onder voorwaarden toegestaan binnen het woonbestemmingsvlak. Hiervoor is buitenopslag gedefinieerd in de begrippenlijst van het bestemmingsplan en is onder strijdig gebruik toegevoegd dat buitenopslag geen zichtbaar negatieve invloed mag hebben op de ruimtelijke kwaliteit. ZZP’ers mogen binnen een woonbestemmingsvlak zonder de aanduiding Wonen Plus de maximale oppervlakte bijgebouwen (100 tot 150 m²) gebruiken ten behoeve van het bedrijf. Buitenopslag is daarnaast onder voorwaarden toegestaan binnen het woonbestemmingsvlak, wanneer de buitenopslag geen zichtbaar negatieve invloed heeft op de ruimtelijke kwaliteit.

69

5.5.2 Thema Agrarisch 5.5.2.1 Nevenactiviteiten bij agrarische bedrijven In de diverse bestemmingsplannen voor het buitengebied zijn afwijkingen opgenomen voor het toestaan van nevenactiviteiten bij agrarische bedrijven. Het betreft nevenactiviteiten voor functies als zorg en recreatie. Voor kleinschalige niet-agrarische bedrijven zijn geen mogelijkheden opgenomen. Om tegemoet te komen aan de dynamiek in het gebied worden de mogelijkheden voor nevenactiviteiten bij agrarische bedrijven uitgebreid. Er worden alleen niet-agrarische functies als nevenactiviteit toegelaten die ook als vervolgfunctie na beëindiging van het agrarisch bedrijf kunnen worden toegelaten. Dit om te voorkomen dat er activiteiten ontstaan als nevenactiviteit die na bedrijfsbeëindiging van de agrarische tak niet meer passen binnen het beleid.

Juridische vertaling Aan de bestemming ‘Agrarisch - Agrarisch Bedrijf’ is een afwijkingsregeling toegevoegd voor nietagrarische bedrijven die aansluit bij de ‘Wonen Plus’ regeling uit het ‘Beleid voor niet- agrarische functies in het buitengebied en maatregelen ter stimulering van de sloop van voormalige agrarische bedrijfsgebouwen’. Om tegemoet te komen aan de dynamiek in het gebied worden de mogelijkheden voor nevenactiviteiten bij agrarische bedrijven uitgebreid zodat ook kleinschalige niet agrarische activiteiten in categorie 1 en 2 zijn toegestaan tot maximaal 350 m². Deze regeling sluit aan bij de regeling voor bedrijvigheid bij de woonbestemming (‘Wonen Plus’).

5.5.2.2 Bestemming ‘Agrarisch - Agrarisch Bedrijf’ omzetten naar bestemming ‘Wonen’ Op 25 februari 2016 is de beleidsnotitie ‘Beleid voor niet-agrarische functies in het buitengebied en maatregelen ter stimulering van de sloop van voormalige agrarische bedrijfsgebouwen’ vastgesteld. In juni 2018 zijn de laatste wijzigingen hierin opgenomen. Dit beleid staat beschreven in paragraaf 5.4.9 bij het gemeentelijk beleid. Stoppende agrariërs wordt onder andere de optie geboden hun bestemming om te zetten naar de bestemming ‘Wonen’. De hieraan verbonden voorwaarden zijn verder gespecificeerd en opgenomen in het bestemmingsplan. Bij een omzetting van de bestemming ‘Agrarisch - Agrarisch bedrijf’ naar de bestemming ‘Wonen’ moet het agrarisch bedrijf beëindigd zijn en ligt de hervatting van de agrarisch activiteiten niet meer in de rede. Het bestemmingsvlak wordt verkleind tot maximaal 2.500 m², de overtollige bebouwing wordt gesloopt tot maximaal 250 m². Daarnaast moet aangetoond worden dat er geen planologische dan wel milieuhygiënische belemmeringen zijn en moet het perceel landschappelijk ingepast worden.

Juridische vertaling De bestemmingswijziging moet gepaard gaan met een kwaliteitsverbetering van het landschap. Deze kwaliteitsverbetering bestaat uit sanering van overtollige bebouwing en voorzieningen zoals

70

verharding, mestplaten en kuilplaten. Het bestemmingsvlak wordt daarbij verkleind en de omzetting gaat gepaard met landschappelijke inpassing. In het bestemmingsplan wordt het mogelijk gemaakt om de bestemming ‘Agrarisch - Agrarisch bedrijf’ om te zetten naar een woonbestemming mits er geen milieuhygiënische belemmeringen zijn en de ontwikkeling gepaard gaat met een kwaliteitsverbetering van het landschap.

5.5.2.3 Bestemming ‘Agrarisch - Agrarisch bedrijf’ omzetten naar ‘Bedrijf’ In het buitengebied zijn steeds meer functies te vinden. Agrarische bedrijven stoppen en er is meer vraag naar ruimte voor niet-agrarische functies, anders dan wonen. De provincie biedt ruimte voor niet-agrarische functies in het buitengebied, mits deze bijdragen aan de gemengde plattelandseconomie. De gemeente Someren verruimt het beleid voor niet- agrarische bedrijven om het buitengebied leefbaar en vitaal te houden. Om te voorkomen dat deze bedrijvigheid botst met andere functies in het buitengebied worden dergelijke bedrijven alleen toegestaan in bebouwingsconcentraties en met een milieucategorie 1 of 2. Juridische vertaling De bestemming ‘Agrarisch - Agrarisch Bedrijf’ kan gewijzigd worden in de bestemming ‘Bedrijf’ voor het vestigen van een niet-agrarisch bedrijf onder de volgende voorwaarden: a. het agrarisch bedrijf is beëindigd, er worden geen agrarische activiteiten meer uitgeoefend en hervatting van de activiteiten ligt niet in de rede; b. de locatie dient binnen bebouwingsconcentratie te liggen; c. de maximaal toegestane milieucategorie is 2; d. overtollige agrarische bedrijfsbebouwing dient te worden gesloopt, hetgeen wordt geborgd in het betreffende wijzigingsplan; e. buitenopslag is niet toegestaan; f. opslag in kassen is niet toegestaan; g.

de maximale oppervlakte van het bestemmingsvlak bedraagt 5.000 m2; h. de ruimtelijke kwaliteit en de landschappelijke inpassing worden gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 38.2. In het bestemmingsplan wordt het mogelijk gemaakt om binnen bebouwingsconcentraties de bestemming ‘Agrarisch - Agrarisch bedrijf’ te wijzigen in de bestemming ‘Bedrijf’ ten behoeve van een niet-agrarisch bedrijf in milieucategorie 1 of 2.

5.5.2.4 Plattelandswoning In 2014 is de beleidsnotitie ‘De plattelandswoning in Someren’ vastgesteld, in 2017 heeft een evaluatie van dit beleid plaatsgevonden. Dit beleid staat beschreven in paragraaf 5.4 onder het gemeentelijk beleid. In het ‘Parapluplan NAF-beleid Someren’ is de wijzigingsbevoegdheid voor de omzetting van een agrarische bedrijfswoning naar een plattelandswoning opgenomen. Deze regeling wordt overgenomen in de bestemmingsplanregels met enkele aanvullingen. Bij een plattelandswoning wordt aangesloten bij de reguliere bouwregels voor bedrijfswoningen. Dit betekent onder andere dat in principe 100 m² aan bijgebouwen bij een plattelandswoning wordt toegestaan. Het kan echter zo zijn dat in het verleden meer vierkante meters zijn vergund ten behoeve van de bedrijfswoning, in deze

71

gevallen wordt aansluiting gezocht bij de herziende regels voor bijgebouwen. Het gebruik ten behoeve van het wonen moet ondergeschikt zijn en blijven aan de agrarische bedrijfsfunctie, nevenactiviteiten bij de woning worden dan ook niet wenselijk geacht. Ten slotte dient er sprake te zijn van een goede landschappelijke inpassing. Juridische vertaling Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming ‘Agrarisch - Agrarisch Bedrijf’ te wijzigen ten behoeve van het toekennen van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch plattelandswoning’ aan een bestaande bedrijfswoning. Er moet hierbij nog sprake zijn van een in werking zijnde agrarisch bedrijf. De bouwregels voor plattelandswoning worden gelijkgesteld aan de regels voor bedrijfswoningen. Dit betekent dat in principe het beleid is dat de maximale hoeveelheid aan vierkante meters bijgebouwen 100 m² is, tenzij anders aangegeven. Hiermee wordt aangesloten bij de maatvoering van bijgebouwen bij een burger- en bedrijfswoning. Landschappelijke inpassing is verplicht bij een omzetting naar een plattelandswoning. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming ‘Agrarisch - Agrarisch Bedrijf’ te wijzigen ten behoeve van het toekennen van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch plattelandswoning’ aan een bestaande bedrijfswoning.

5.5.3 Thema ‘Niet-agrarische bedrijven’ 5.5.3.1 Milieucategorieën In de tabel behorend bij de bestemming ‘Bedrijf’ zijn alle bedrijven in het deelgebied opgenomen. Voor niet-agrarische bedrijven met milieucategorie 1 of 2 zijn de specifieke activiteiten opgenomen. Voor de gevestigde bedrijven in een zwaardere milieucategorie wordt de categorie verder opgesplitst naar milieucategorie 3.1 en 3.2. In het voorgaande plan was dit onderscheid niet in de tabel opgenomen. Bij de bedrijven met een hogere milieucategorie dan 2 wordt wel specifiek benoemd welke activiteit hier plaatsvindt in tegenstelling tot de bedrijven in milieucategorie 1 of 2. Binnen de bestemming ‘bedrijf’ is een tabel opgenomen met specifieke milieucategorie en bedrijfsactiviteiten die ter plaatse zijn toegelaten. In het bestemmingsplan wordt een onderscheid gemaakt tussen bedrijven in milieucategorieën 3.1, 3.2, 4.1 en 4.2. De specifieke bedrijfsactiviteiten worden opgenomen in een tabel.

5.5.3.2 ‘Agrarisch verwante bedrijf’ en ‘Agrarisch-technisch hulpbedrijf’ Een aparte categorie van bedrijven zijn de ‘agrarische verwante bedrijven’ en de ‘agrarisch-technische hulpbedrijven’. Een agrarisch verwant bedrijf is een bedrijf dat gericht is op het verlenen van diensten aan particulieren of niet-agrarische bedrijven waarbij gebruik wordt gemaakt van het telen van gewassen, het houden van dieren of het toepassen van andere land-, bos- of natuurbouwkundige methoden. Agrarisch-technische hulpbedrijven zijn bedrijven die zijn gericht op het leveren van goederen en diensten aan agrarische bedrijven of het bewerken, vervoeren of verhandelen van agrarische producten. Voor de bestemming ‘Agrarisch bedrijf’ is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen naar een agrarisch verwant bedrijf of agrarisch-technisch hulpbedrijf.

72

De planregeling maakt onderscheid tussen agrarische verwante bedrijven en agrarisch-technische hulpbedrijven en andere niet-agrarische bedrijven omdat deze bedrijven een andere invloed op de omgeving hebben. Vaak vallen deze bedrijven in een zwaardere milieucategorie en kennen ze een grotere omvang. Binnen de provinciale verordening mag een ‘normaal bedrijf’ niet groter zijn dan 5.000 m2 bouwperceel en ten hoogste milieucategorie 2. Agrarisch verwante bedrijven en agrarischtechnische hulpbedrijven kunnen binnen het gemengd landelijk gebied een omvang krijgen van 1,5 ha en ook een zwaardere milieucategorie. Deze beleidsruimte wordt in de regels voor het buitengebied overgenomen. Hierbij voegt de gemeente wel toe aan de ontwikkelingsruimte die wordt geboden dat de ontwikkeling ook verkeerkundig en milieutechnisch gedragen moet kunnen worden door het gebied. Juridische vertaling Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' wijzigen in de bestemming 'Bedrijf' voor het vestigen van een agrarisch verwant bedrijf of een agrarisch-technisch hulpbedrijf. Hierbij gelden onder andere de voorwaarde dat het bestemmingsvlak wordt teruggebracht naar maximaal 1,5 hectare en dient te worden voorzien van een landschappelijke inpassing. -

Het beleid voor agrarisch verwante bedrijven wordt ook van toepassing verklaard voor agrarisch-technische hulpbedrijven. Aan de wijzigingsbevoegdheid voor agrarisch verwante bedrijven en agrarisch-technische hulpbedrijven worden aanvullende voorwaarden toegevoegd aansluitend bij de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.

5.5.3.3 Buitenopslag Veel bedrijven in het buitengebied hebben opslagruimte nodig ten behoeve van hun bedrijfsvoering. Soms vindt deze opslag plaats in zeecontainers of buiten op het terrein. Ten aanzien van buitenopslag en (verplaatsbare) zeecontainers is een aantal beleidsuitgangspunten geformuleerd om te zorgen dat dit niet ten koste gaat van de ruimtelijke kwaliteit. Het uitgangspunt is en blijft echter dat buitenopslag niet is toegestaan. Het college van burgemeester en wethouders kan een omgevingsvergunning verlenen voor het toestaan van buitenopslag, mits voldaan wordt aan enkele voorwaarden. De buitenopslag moet plaatsvinden binnen het bestemmingsvlak, moet noodzakelijk zijn voor het ter plaatse toegestane bedrijf en er moet een landschappelijke inpassing worden gerealiseerd op basis van een beplantingsplan dat voldoet aan het Beeldkwaliteitsplan Buitengebied. Juridische vertaling Het gebruik van gronden en/of opstallen voor doeleinden van (buiten)opslag is in strijd met het bestemmingsplan. Het bevoegd gezag kan in afwijking hiervan toch een omgevingsvergunning verlenen voor buitenopslag bij een niet-agrarisch bedrijf, waarbij de volgende randvoorwaarden gelden: a. de buitenopslag vindt plaats binnen het bestemmingsvlak van het betreffende bedrijf; b. de opslag is noodzakelijk voor het ter plaatse toegelaten en aanwezige bedrijf; c.

er landschappelijke inpassing wordt gerealiseerd op basis van een beplantingsplan dat voldoet aan het Beeldkwaliteitsplan Buitengebied.

73

Buitenopslag is niet toegestaan bij een bedrijf. Het bevoegd gezag kan in afwijking van deze regel een omgevingsvergunning verlenen voor buitenopslag, mits de opslag binnen het bestemmingsvlak plaatsvindt, noodzakelijk is voor het bedrijf en de buitenopslag landschappelijk wordt ingepast. 5.5.4 Thema natuur, landschap en cultuurhistorie De gemeente Someren hecht veel waarde aan een goede inpassing van ontwikkelingen in het buitengebied. Er wordt gestreefd naar een mooi erf in een fraai landschap. Wanneer sprake is van een ruimtelijke en/of functionele ontwikkeling dan heeft die ontwikkeling doorgaans gevolgen voor de omgeving, waaronder mogelijk ook een negatief effect op de uitstraling. Dit negatieve effect moet zoveel mogelijk worden voorkomen dan wel gecompenseerd. De ontwikkeling moet bijdragen aan de uitgangspunten van de gemeente ten aanzien van het landelijk gebied. Als de gemeenteraad een bepaalde ontwikkeling uitsluitend ruimtelijk aanvaardbaar vindt wanneer tegelijkertijd wordt voorzien in bepaalde maatregelen, dan zal het treffen van die maatregelen in het bestemmingsplan ook planologisch moeten worden geborgd. De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant stelt het borgen van de ruimtelijke kwaliteit ook als eis bij bepaalde ontwikkelingen.

Hierbij moet gedacht worden aan het borgen van de noodzakelijke landschappelijke inpassing of het feitelijk slopen van overtollige bebouwing. Het is juridisch en vooral praktisch onvoldoende om dit alleen als voorwaarde in een vergunning op te nemen. Ook de controle van de uitvoering en eventuele handhaving vraagt om een goede borging van onder andere de landschappelijk inpassing. 5.5.4.1 Voorwaardelijke verplichtingen Om de kwaliteitsverbetering te borgen in het bestemmingsplan worden er voorwaardelijke verplichtingen in voorliggende bestemmingsplan opgenomen bij nieuwe ontwikkelingen. Hiermee wordt niet alleen de aanleg van de landschappelijke inpassing gegarandeerd, maar ook de duurzame instandhouding. In sommige gevallen geldt dat ook voor het slopen als onderdeel van verplichte kwaliteitsverbetering van het landschap. Een voorwaardelijke verplichting kan regelen dat niet gebouwd mag worden of gebouwen in gebruik genomen mogen worden totdat de voorwaardelijk opgelegde maatregelen zijn genomen. Het gebruik is dan pas toegestaan na realisatie. Soms worden maatregelen achteraf pas uitgevoerd; dus na het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan. In dat geval wordt in de voorwaardelijke bepaling een termijn van realisatie opgenomen.

Uit uitspraken van de Afdeling blijkt dat het opnemen van een specifieke gebruiksregel in de vorm van een voorwaardelijke verplichting een bijzondere regel is die het overgangsrecht omzeilt. Met het koppelen van een voorwaardelijke verplichting aan de sloop van gebouwen en landschappelijke inpassing wordt voorkomen dat de oude rechten onder het overgangsrecht komen te vallen. In die gevallen dat de landschappelijke inpassing is gekoppeld aan een reeds verleende omgevingsvergunning, maar uit de controle ten behoeve van dit deelgebied plan is gebleken dat deze nog niet is uitgevoerd wordt tevens de aanleg en instandhouding gegarandeerd met een voorwaardelijke verplichting. In deze gevallen kan de aanleg en instandhouding alsnog worden afgedwongen door middel van handhaving van de voorschriften in de verleende omgevingsvergunning. Indien noodzakelijk en goed geregeld kan de gemeente de aanleg en in stand houding ter hand nemen op kosten van de initiatiefnemer.

74

Bij oude inpassingsplichten gekoppeld aan in het verleden verleende en uitgevoerde vergunningen en plichten is het niet altijd mogelijk om een voorwaardelijke verplichting op te nemen. In die gevallen wordt nog steeds de landschappelijke inpassing op de verbeelding opgenomen om zo het overzicht te kunnen bewaren. De betreffende vergunningen of een hieraan gekoppelde overeenkomst bieden de grondslag om de landschappelijke inpassing te handhaven. Juridische vertaling In de regels van het bestemmingsplan worden meerdere voorwaardelijke verplichtingen opgelegd aan locaties die in dit bestemmingsplan gewijzigd worden. Hiervoor verwijzen we ook naar paragraaf 6.2 ‘Wijzigingen per locatie’. Deze voorwaardelijke bepalingen kunnen betrekking hebben op de volgende onderdelen: - Aanleg, beheer en in stand houding van landschappelijk inpassing; - Het voor een bepaalde datum gerealiseerd hebben van sloop van gebouwen en/of andere bouwwerken, alsmede het verwijderd houden van bebouwing op die plek; - Het uitvoeren en in stand houden van een bepaalde kwaliteitsverbetering van het landschap, zoals bedoeld in artikel 3.9 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. In de regels is dit doorgaans juridisch gekoppeld aan een concreet uitvoeringsplan en/of landschappelijk inpassingplan.

De landschappelijke inpassing en sloop wordt afgedwongen met een voorwaardelijke verplichting en anterieure overeenkomst. De inpassing dient binnen het bestemmingsvlak gesitueerd te worden. Indien nodig, is het toegestaan het bestemmingsvlak te vergroten ten behoeve van de inpassing. De landschappelijke inpassing dient gerealiseerd te worden binnen 12 maanden na inwerkingtreding van het bestemmingsplan.

5.5.4.2 Landschappelijke inpassing De landschappelijke inpassing, die gepaard dient te gaan met het wijzigen van het bestemmingsplan of die reeds is gekoppeld aan een eerdere omgevingsvergunning, wordt op de verbeelding aangeduid. De gronden met de aanduiding voor de landschappelijke inpassing mogen uitsluitend gebruikt worden voor de landschappelijke inpassing. Het oprichten van gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde, is niet toegestaan. Het algemene uitgangspunt is dat de landschappelijke inpassing binnen het bestemmingsvlak van de hoofdfunctie wordt gelegd. Het is toegestaan hiervoor het bestemmingsvlak te vergroten. Van een oneigenlijke vergroting van het bestemmingsvlak is dan geen sprake. De maximale maatvoering uit de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is gekoppeld aan het bouwperceel en niet aan het bestemmingsvlak. Voor veehouderijen is bijvoorbeeld in de Interim omgevingsverordening NoordBrabant opgenomen dat een bouwperceel maximaal 1,5 hectare per agrarisch bedrijf mag bedragen. De gronden die worden ingericht ten behoeve van de landschappelijke inpassing maken geen onderdeel uit van het bouwperceel. In de regels is opgenomen dat ter plaatse van de landschappelijke inpassing geen gebouwen en bouwwerken zijn toegestaan en de gronden uitsluitend mogen worden gebruikt ten behoeve van de landschappelijke inpassing. Tevens worden de gedeeltes van de percelen

75

ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing’ niet aangemerkt als erf, zoals bedoeld in artikel 1, bijlage 2 van het Besluit omgevingsrecht. De aanduiding wordt alleen opgenomen indien hier een verplichting aan ten grondslag ligt. De gronden die deze aanduiding krijgen zijn dan ook nadrukkelijk bedoeld voor een landschappelijke inpassing van de aanwezige bebouwing en verhardingen in het gebied. De aanduiding bevindt zich meestal aan de buitenranden van de percelen. Het oprichten van bebouwing of verhardingen ter plaatse van deze inpassing is ruimtelijk onwenselijk en doet de gewenste uitstraling teniet. Juridische vertaling Onderstaande werkwijze wordt gehanteerd voor het bestemmen van de landschappelijke inpassing: - De landschappelijke inpassing wordt aangeduid op de verbeelding met een aanduiding ‘specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing’; - De inpassing dient waar mogelijk binnen het bestemmingsvlak gesitueerd te worden. Indien nodig, is het toegestaan het bestemmingsvlak te vergroten; - In de bouwregels wordt een verbod op het oprichten van bebouwing, bouwwerken geen gebouw zijnde etc. opgenomen; - In de regels voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor werk of werkzaamheden (vroeger aanlegvergunning genoemd) wordt een verbod opgenomen voor het verwijderen van de landschappelijke inpassing zonder vergunning.

- Perceelsgedeelten met de aanduiding ‘Specifieke vorm van groen – landschappelijke inpassing’ worden niet aangemerkt als erf, zoals bedoeld in artikel 1, bijlage 2 van het Besluit omgevingsrecht. De landschappelijke inpassing en sloop wordt afgedwongen met een voorwaardelijke verplichting en anterieure overeenkomst. De inpassing dient binnen het bestemmingsvlak gesitueerd te worden en gerealiseerd te worden binnen 12 maanden na inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Indien nodig, is het toegestaan het bestemmingsvlak te vergroten. Het oprichten van bebouwing is niet toegestaan binnen de landschappelijke inpassing. 5.5.5 Thema paardenhouderij In het bestemmingsplan wordt onderscheid aangebracht tussen productiegerichte en gebruiksgerichte paardenhouderijen in de groenblauwe mantel en het gemengd landelijk gebied. Vooropgesteld wordt dat paardenhouderijen door de gemeente als een passende functie in het buitengebied worden gezien. Met name de productiegerichte paardenhouderij is passend in het buitengebied. Gebruiksgerichte takken van paardenhouderijen zijn ook voorstelbaar, maar hierbij vraagt de ligging in meer gevoelige gebieden zoals de groenblauwe mantel om beperking van de mogelijke effecten op de omgeving.

5.5.5.1 Onderscheid in vormen van paardenhouderij Conform het eerdere onderscheid uit het bestemmingsplan 2011 wordt een onderscheid gemaakt tussen de verschillende vormen van paardenhouderijen: - Productiegerichte paardenhouderij een vorm van een agrarisch bedrijf waar uitsluitend of in hoofdzaak handelingen aan of met paarden worden verricht die primair gericht zijn op het voortbrengen, africhten, trainen en verhandelen van paarden. Ook paardenmelkerijen vallen hieronder. - Gebruiksgerichte paardenhouderij

76

-

een paardenhouderij waar het accent ligt op het bedrijfsmatig houden en stallen van paarden en pony’s met als nevenactiviteit het fokken en africhten ervan. Voorbeelden zijn: stalhouderijen en paardenpensions. Paardenhouderij als nevenactiviteit Naast de agrarische hoofdactiviteit op een locatie kan er sprake zijn van een nevenactiviteit met paarden. Vaak is er sprake van een mengvorm. Dit kan zowel een productiegerichte als een gebruiksgerichte activiteit zijn. Doorgaans is er bij een productiegerichte paardentak bij een andere agrarisch bedrijfstak sprake van een gemengd bedrijf, met twee verschillende agrarische bedrijfstakken.

Een productiegerichte paardenhouderij wordt beschouwd als een agrarisch bedrijf. Een paardenhouderij wordt op grond van de Interim omgevingsverordening niet gezien als veehouderij, maar als ‘overig agrarisch bedrijf’ en is derhalve ook aan andere regels gebonden. Daarnaast zijn er de gebruiksgerichte paardenhouderijen (bijvoorbeeld een pensionstalling). Deze worden, conform Interim omgevingsverordening Noord-Brabant, beoordeeld als een agrarisch verwant bedrijf als deze in het gemengd landelijk gebied liggen en als niet-agrarisch bedrijf als deze in de groenblauwe mantel liggen. Als er sprake is van een mengvorm, zoals een pensionstal bij een paardenfokker, is het per situatie noodzakelijk om de hoofdfunctie duidelijk te bepalen en ook in het bestemmingsplan vast te leggen. Tot slot kan er sprake zijn van een gebruiksgerichte paardenhouderij als nevenactiviteit bij een andere agrarische hoofdfunctie (‘Agrarisch bedrijf’ of ‘Agrarisch bedrijf - veehouderij’). Bijvoorbeeld een kleinschalige pensionstal bij een productiegerichte paardenhouderij. In die gevallen bepaalt de agrarische hoofdfunctie de bestemming en mogelijkheden. Als er sprake is van twee agrarische bedrijfstakken, waaronder een productiegerichte bedrijfstak met paarden, dan is er sprake van een gemengd agrarisch bedrijf onder de bestemming ‘Agrarisch bedrijf (-veehouderij)’.

5.5.5.2 Minder ruimte in de groenblauwe mantel De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant biedt minder ruimte voor paardenhouderijen in de groenblauwe mantel. Deze lijn is overgenomen in dit bestemmingsplan. In deelgebied 4 ligt een gedeelte in de groenblauwe mantel. In de groenblauwe mantel is beperkt ruimte voor productiegerichte paardenhouderijen. Bestaande locaties worden gerespecteerd, maar vestiging of omschakeling kan slechts onder strikte voorwaarden. Binnen de groenblauwe mantel zijn er geen mogelijkheden voor de vestiging van agrarische verwante bedrijven. Nieuwe gebruiksgerichte paardenhouderij binnen de groenblauwe mantel worden derhalve getoetst als zijnde niet-agrarische bedrijven. Bij dergelijke ontwikkelingen moet worden onderbouwd dat de vestiging past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied. In het gemengd landelijk gebied worden productiegerichte paardenhouderijen gezien als agrarisch bedrijf. Uitbreiding en omschakeling naar een productiegerichte paardenhouderij is onder voorwaarden mogelijk. Een gebruiksgerichte paardenhouderij is een agrarisch verwant bedrijf. De Interim omgevingsverordening biedt mogelijkheden voor de vestiging van agrarisch verwante bedrijven in gemengd landelijk gebied.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12066849/3