CConstaterende datSomeren
Koppel je AI →
Document · PDF

10a. Toelichting Bestemmingsplan Buitengebied Someren - Deelgebied 4 200438024

Gemeenteraad 15 december 2022, gemeente SomerenBij agendapunt: Gewijzigd vaststellen bestemmingsplan Buitengebied Someren - Deelgebied 431.974 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Bodembewerking Ontginnen, verlagen, afgraven

Het verwijderen van de bovenste bodemlaag

- Verandering bodemprofiel - Verkleining afstand tussen maaiveld en grondwater

- Verlies aan waarden in de bodem (archeologische waarden, bodemkundige waarden) - Verlies ecologische gradiënt bij slootkanten, poelen, laagtes en overig microreliëf - Verlies microreliëf en aardkundige en/of cultuurhistorische vormen zoals steilranden en bolle akkers - Verlies vegetatiewaarden - Verlies bodemleven

Egaliseren

Het verwijderen van het microreliëf in de toplaag door plaatselijk af te graven en plaatselijk op te hogen, ter verkrijging van een egaal maaiveld

- Wateroverlast en droogtegevoeligheid van agrarische percelen tegengaan; - Verbetering van de bewerkbaarheid van agrarische percelen; - Opheffen niveauverschillen als gevolg van inklinking

- Verandering in de hydrologische situatie - Verlies aan waarden in de bodem (archeologische waarden, bodemkundige waarden) - Verlies microreliëf

Ophogen

Opbrengen van grond van elders op de bestaande bodemlagen

- Opheffen maaivelddaling door inklinking - Verschraling - Bezanden van gronden voor bijvoorbeeld bollenteelt - Vergroten afstand tussen maaiveld en grondwater

- Verdroging - Verschraling - Verlies microreliëf en aardkundige vormen zoals steilranden - Verlies vegetatiewaarden - Verlies aan bodemleven

Diepploegen

Het vermengen van lagen in het bodemprofiel, dieper dan 60 cm

- Verbeteren bodemprofiel voor agrarisch gebruik - Vergroten bewortelingsdiepte - Vergroten berijdbaarheid - Verschraling - Mengen klei- en zandlagen

- Vernietiging bodemprofiel - Verandering waterhuishouding - Vernietiging en blijvende aantasting groeicondities en leefomgeving bodemleven - Verschraling - Verandering hydrologische situatie, mogelijk verdroging door doorbreken ondoorlatende lagen - Verlies aan waarden in de bodem (archeologische waarden, bodemkundige waarden) - Verlies microreliëf - Verlies vegetatiewaarden - Verlies bodemleven

33

Vergraven

Verwijderen van bodemlagen en vervolgens weer opbrengen van grond, bestaand uit de oorspronkelijke toplaag en/of grond van elders

- Verandering bodemprofiel - Veranderen waterhuishouding

Omzetten grasland in bouwland

Verwijderen gras en aanplanten/inzaaien andere gewassen

- Ingebruikname gronden voor teelt gewassen voor voedselproductie of voeding landbouwdieren

Waterhuishouding Aanleggen, verbreden, vergraven of verbeteren van sloten en greppels

Aanleggen, verbreden of verbeteren van sloten en greppels

- Verbeteren ontwatering agrarische gronden - Drogere gronden

- Verlies biotopen/vegetatie slootkanten door ontstaan steile oevers - Aantrekken kwelstromen in nieuwe of uitgediepte sloten en greppels, waardoor voor vegetatie waardevol kwelwater wordt afgevoerd - Verlies biotopen/vegetatie door verdroging en/of verzuring omgeving - Verlies aan waterplanten - Verbraseming - Verslechtering waterkwaliteit - Verandering verkaveling/ percelering (landschappelijke/ cultuurhistorische waarden) - Verandering karakter sloten en greppels (landschapswaarden)

Dempen van oppervlaktewater

Dichten van sloten of greppels

- Verkleinen waterafvoer agrarische gronden - Wijzigen verkaveling/ percelering - Vergroting areaal bruikbare agrarische grond - Natter worden van omliggend gebied

- Verlies biotopen/natte natuur voor o.a. amfibieën - Verandering hydrologische situatie (natter)

Het verwijderen van bomen en/of struiken, solitair dan wel in de vorm van bos, houtsingels of houtwallen

- Grotere openheid landschap - Vergroten areaal bruikbare agrarische grond - Wegnemen schaduw/ beschutting - Onderhoud/dunning - Verwijderen dood hout

- Verlies biotopen (houtwallen, struweel, etc.) - Verlies aan oriëntatiepunten en verblijfplaatsen voor fauna (o.a. vleermuizen) - Verlies aan nestgelegenheid broedvogels - Verlies aan schuilgelegenheid/ beschutting fauna

Houtgewas Vellen, rooien of beschadigen houtgewas

- Verschraling - Verandering hydrologische situatie - Verlies aan waarden in de bodem (archeologische waarden, bodemkundige waarden) - Verlies microreliëf en aardkundige en/of cultuurhistorische vormen zoals steilranden en bolle akkers - Verlies vegetatiewaarden - Verlies bodemleven - Verlies aan graslandvegetaties en biotoop voor fauna - Verlies foerageergebied - Verlies areaal weidevogels

34

- Verlies aan landschapselementen (landschappelijke/ cultuurhistorische waarden) - Verlies schaduw en beschutting Aanplanten houtgewas

Verhardingen Aanbrengen van oppervlakteverhardin gen

Het planten van bomen en struiken

- Vergroten natuurwaarden en/of landschappelijke kwaliteit - Houtproductie - Bescherming gewas tegen wind

- Toename biotopen (houtwallen, struweel, etc.) - Meer beschutting, schaduw - Nieuwe oriëntatiepunten en verblijfplaatsen voor fauna, incl. nestgelegenheden broedvogels. - Verlies openheid en evt. leefgebied weidevogels

Het bestraten of asfalteren van de bodem, waardoor een aaneengesloten (half)verharding ontstaat

- Tegengaan vervuiling bodem en/of grondwater - Creëren ontsluiting percelen - Aanleggen recreatieve verbindingen

- Verlies aan infiltratiemogelijkheid hemelwater - Verlies biotopen - Barrière kleine diersoorten - Verstening buitengebied

Tabel 5: Effecten van werken en werkzaamheden op de aanwezige waarde

35

4.8 Dubbelbestemmingen t.b.v. omgevingskwaliteiten De aanwezigheid van omgevingskwaliteiten hebben de basis gevormd voor het indelen van het gebied in de diverse gebiedsbestemmingen en de aanduiding van de landschapswaarden op de verbeelding. Omgevingskwaliteiten worden ook beschermd met een aantal dubbelbestemmingen. Hieronder volgt een beschrijving van deze dubbelbestemmingen in het plangebied. 4.8.1 Waarde - Ecologie Algemeen In juni 2013 kondigde staatssecretaris Dijksma aan dat de overheid het begrip Natuur Netwerk Nederland (NNN) gaat gebruiken in plaats van Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Natuur Netwerk Brabant (NNB) is het NNN dat in Noord-Brabant ligt. Het NNB is door de provincie opgenomen in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. De Interim omgevingsverordening wordt verder toegelicht in paragraaf 5.3.3. Een bestemmingsplan dat geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op het NNB moet zo zijn ingericht dat het NNB wordt beschermd. De gronden die onderdeel uitmaken van het NNB zijn bestemd met de dubbelbestemming Waarde - Ecologie. In deelgebied 4 betreft dit voor het westelijke gedeelte van het plangebied de percelen vanaf de Nederheidsche Loop tot de A67, de Herselse bossen en de oostelijke oever van de Zuid- Willemsvaart ter hoogte van de Oude Goorenweg.

Daarnaast zijn er ook door het gebied verspreide percelen die onder het NNB vallen en hebben ook de houtopstanden die vallen onder het regime van de Wet natuurbescherming deze dubbelbestemming. Beleid Het beleid voor het NNB is beschreven in paragraaf 5.3.3. 4.8.2 Waarde – Groenblauwe mantel Algemeen De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit gemengd landelijk gebied met belangrijke nevenfuncties voor natuur en water die overwegend grenzen aan het Natuur Netwerk Brabant en ecologische verbindingszones. De waarden in de groenblauwe mantel zijn vaak gekoppeld aan landschapselementen (zoals houtwallen en heggen), het watersysteem (zoals de aanwezigheid van kwel) en het voorkomen van bijzondere planten en dieren. De groenblauwe mantel is opgebouwd uit een aantal deelgebieden die: - vanuit het bodem- en watersysteem essentieel zijn voor het behoud en de ontwikkeling van de natuurwaarden van Noord-Brabant en/of; - van belang zijn voor het opvangen van omgevings- en klimaatinvloeden op het kerngebied groenblauw en/of; - hoge actuele of potentiële natuurwaarden hebben en/of; - van belang zijn voor de geleding tussen steden, de groenblauwe verbinding en de dooradering door het stedelijk netwerk en het agrarische cultuurlandschap. Beleid Het beleid voor de groenblauwe mantel is beschreven in paragraaf 5.3.3.

36

4.8.3 Waarde – Cultuurhistorie In deelgebied 4 komen gebieden voor met cultuurhistorische waarden. Voor deze gebieden is de functieaanduiding ’Specifieke vorm van waarde – cultuurhistorisch waardevol’ opgenomen. De gronden waarvoor deze functieaanduiding geldt zijn bestemd voor de opbouw, het behoud en het herstel en waar mogelijk de versterking van de algemene cultuurhistorische waarden. Hieronder vallen de landschappelijke, architectonische en (steden)bouwkundige waarden. De bijbehorende regels zijn gericht op het behouden van de waarden en het voorkomen van de aantasting of vernietiging van de aanwezige cultuurhistorische waarden. 4.8.4 Reservering waterberging In de IOV worden reserveringsgebieden aangewezen voor waterberging. De hiervoor aangewezen gebieden worden aangeduid met de gebiedsaanduiding ‘overige zone - reserveringsgebied waterberging’. Deze gebieden zijn bestemd als reserveringsgebied voor tijdelijke opvang van water. De aanduiding van deze gebieden is gericht op het tegengaan van activiteiten die ten koste kunnen gaan van het waterbergend vermogen van het gebied.

37

5 BELEIDSKADER 5.1 Achtergrond Ruimtelijke ordening is de verdeling van de ruimte voor verschillende functies. Gezien ruimte een schaars goed is moeten er keuzes worden gemaakt. Met dat doel, worden alle ruimtelijk relevante aspecten op een rij gezet (geordend) en worden de verschillende belangen tegen elkaar afgewogen. Deze belangenafweging is de ruimtelijke ordening. Bij een goede belangenafweging moet altijd duidelijk zijn waar welke functie is, waarom die functie nodig is (nut en noodzaak) en waarom deze nu juist op die plek is gelegen. Met andere woorden, er moet altijd een antwoord zijn op de vragen ‘Wat, waar en waarom daar?’. Dit antwoord moet te vinden zijn in de toelichting bij het bestemmingsplan. Het Rijk, de provincie, de gemeente en het waterschap hebben in de loop der jaren diverse beleidsnota’s opgesteld die mede het ruimtelijke beleid voor een regio bepalen. Deze beleidsnota’s bevatten de uitgangspunten voor het bestemmingsplan. Daarnaast gelden diverse wettelijke regelingen als randvoorwaarden voor het bestemmingsplan. In de hierna volgende paragrafen worden de planologische relevante beleidsnota’s, thema’s en wettelijke regelingen weergegeven en kort toegelicht. Het betreft hier een algemene beschrijving van het beleid. Een deel van de legalisaties en ruimtelijke ontwikkelingen in deelgebied 4 is voorzien van een ruimtelijke onderbouwing.

In de afzonderlijke ruimtelijke onderbouwingen is per ontwikkeling specifiek aangegeven of deze voldoet aan de van toepassing zijnde wet- en regelgeving. Voor die aan de locatie gebonden afwegingen wordt naar de betreffende onderbouwingen in de bijlagen van deze toelichting verwezen.

5.2 Rijksbeleid 5.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), die op 13 maart 2012 door de minister van Infrastructuur en Milieu is vastgesteld, zijn de principes voor de ruimtelijke inrichting van Nederland vastgelegd. Hoofddoel van de SVIR is Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden. De SVIR vervangt alle voorgaande rijksnota’s ten aanzien van ruimte en mobiliteit (waaronder de Nota Ruimte en de Nota Mobiliteit, behalve de Structuurvisie Nationaal Waterplan). Het Rijk heeft drie hoofddoelen geformuleerd om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028): - Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijkeconomische structuur van Nederland. - Het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat. - Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

38

De hoofdlijn van de SVIR is dat het Rijk op het gebied van de ruimtelijke ordening terugtreedt en dat gemeenten en provincies op dit taakveld een meer prominente rol krijgen. In het SVIR staat centraal dat alleen nog een taak voor het Rijk is weggelegd wanneer sprake is van: - een onderwerp dat nationale baten en/of lasten heeft en de doorzettingsmacht van gemeenten overstijgt. Bijvoorbeeld ruimte voor militaire activiteiten en opgaven in de stedelijke regio’s rondom bijv. mainports, brainports en greenports; - een onderwerp waarvoor internationale verplichtingen of afspraken zijn aangegaan. Bijvoorbeeld voor biodiversiteit, duurzame energie of werelderfgoed; - een onderwerp dat provincie- of landsgrensoverschrijdend is, of een hoog afwentelingsrisico kent of reeds in beheer is bij het Rijk. Bijvoorbeeld het hoofdnetwerk voor mobiliteit (over weg, water, spoor en lucht) en energie, waterveiligheid en de bescherming van gezondheid van inwoners. Deze drie criteria zijn leidend bij de in de structuurvisie benoemde rijksdoelen en bijbehorende nationale belangen. Voorliggende plan en plangebied doen geen inbreuk op enig rijksbelang dat in de Structuurvisie van het Rijk is opgenomen. Ook de vastgelegde rijksdoelen worden niet belemmerd.

5.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Voor het juridisch borgen van de nationale belangen uit de SVIR heeft het Rijk, op basis van de Wet ruimtelijke ordening op 22 augustus 2011 het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vastgesteld. In het Barro zijn regels opgenomen ter bescherming van de nationale belangen, zoals vastgelegd in de SVIR. Gaandeweg zijn verschillende nationale belangen toegevoegd aan het Barro. Deze regels moeten in acht worden genomen bij het opstellen van provinciale ruimtelijk verordeningen, bestemmingsplannen en ruimtelijke onderbouwingen. Regels uit het Barro die relevant zijn voor de gemeente Someren betreffen: - buisleidingen van nationaal belang voor het vervoer van gevaarlijke stoffen - hoogspanningsverbindingen van 220kV en hoger - rijksvaarwegen - rijkswegen - Natuur Netwerk Nederland Voorliggende plan voorziet in de bestemming van bestaande buisleidingen binnen het plangebied. Conform de bestaande regelingen worden deze leidingen overgenomen. Daarnaast loopt door het gebied een hoogspanningsverbinding. Vanwege het grote, nationale belang daarvan wil de Rijksoverheid dat hoogspanningsnet ruimtelijk beschermen. Eén van de maatregelen daartoe is de verplichting in het Barro voor gemeenten om bestaande hoogspanningsverbindingen van 220kV en hoger op te nemen in de betreffende bestemmingsplannen.

De hieraan verbonden regels zorgen ervoor dat ruimtelijke ontwikkelingen in de nabijheid van deze hoogspanningsverbindingen de aanleg, het gebruik, de instandhouding en/of bescherming niet beperken. Ook loopt er door het oostelijk gedeelte van deelgebied 4 de Zuid-Willemsvaart, een rijksvaarweg van CEMT-klasse III. In het bestemmingsplan wordt dan ook de verplichte vrijwaringszone van 20 meter toegepast. Daarnaast bevindt zich binnen het plangebied de rijksweg A67. In het Barro is langs de A67, in verband met het project A67 verbreding, een zone van Leende tot Asten opgenomen waarin beperkingen gelden voor bestemmingswijzigingen. In dit bestemmingsplan zijn hiervoor vrijwaringszones opgenomen, waarin beperkingen gelden voor het oprichten van bebouwing. Ten slotte vallen er ook percelen in deelgebied

39

4 binnen het Natuurnetwerk Nederland. In de regels is vastgelegd dat ontwikkelingen niet mogen leiden tot aantasting van het NNB (zie 4.8.1 en 7.8.3). 5.2.3 Besluit ruimtelijke ordening Voor het juridisch borgen van de nationale belangen uit de SVIR heeft het Rijk, op basis van de Wet ruimtelijke ordening, een tweede besluit genomen waarmee dat mogelijk is: het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het Bro stelt juridische kaders aan de processen van ruimtelijke belangenafweging en besluitvorming bij de verschillende overheden. In hoofdstuk 8 wordt hier nader op ingegaan. De ‘ladder duurzame verstedelijking’ is in 2012 opgenomen in het Bro. In de loop der jaren heeft de jurisprudentie de relevantie van de ‘Ladder’ bevestigd en is het standaard onderdeel geworden in bestemmingsplannen. Hier wordt verder op ingegaan in paragraaf 7.10 als één van de relevante sectorale aspecten. 5.2.4 Rooilijnenbeleid Rijkswaterstaat In verband met verkeersbelangen dienen gronden langs autosnelwegen te voldoen aan het rooilijnenbeleid van Rijkswaterstaat. Langs autosnelwegen hanteert Rijkswaterstaat 50 meter bebouwingsvrije- en 50 meter overlegzone, gemeten uit de as van de dichtstbij gelegen rijbaan. Hierbij wordt een toe-of afrit ook beschouwd als een rijbaan.

De gemeente heeft dit voor het grondgebied van de A67 binnen deelgebied 4 in het bestemmingsplan geborgd door middel van de gebiedsaanduidingen 'vrijwaringszone - weg 0-50m' en 'vrijwaringszone - weg 50-100m'. Binnen de 'vrijwaringszone - weg 0-50m' is het oprichten van bebouwing niet toegestaan. Binnen de 'vrijwaringszone - weg 50-100m' is het oprichten van bebouwing in beginsel niet toegestaan, maar kan in afwijking hierop een omgevingsvergunning worden verleend na schriftelijk advies te hebben ingewonnen bij de wegbeheerder.

5.3 Provinciaal beleid 5.3.1 Omgevingsvisie Brabant ‘De kwaliteit van Brabant - Visie op de Brabantse leefomgeving’ De provincie wil alvast gaan werken volgens de uitgangspunten van de nieuwe Omgevingswet. Daarom is in december 2018 de Brabantse Omgevingsvisie vastgesteld. Deze Omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Dat gaat om ambities op gebied van de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. De omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. De basisopgave is werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit. Om het beoogde Panorama van Brabant te kunnen bereiken onderscheidt de provincie naast de basisopgave vier hoofdopgaven die nauw met elkaar samenhangen en die op elkaar inwerken: - Werken aan de Brabantse energietransitie - Werken aan een klimaatproof Brabant - Werken aan de slimme netwerkstad - Werken aan een concurrerende, duurzame economie

40

Het gaat om grote maatschappelijke opgaven die vanuit de basis met elkaar zijn verbonden. Urgente opgaven die raken aan de essentie van de omgevingsvisie: de visie als inspirerend eindbeeld en mobiliserende strategie. De provincie stelt dat hiervoor een forse inzet nodig is van alle partijen. De provincie wil hierbij inzetten op menskracht en middelen, naast de bestaande wettelijke en andere basistaken. De vier hoofdopgaven zijn belangrijk voor heel Brabant. Dat betekent echter nog niet dat deze Brabantbreed op dezelfde manier worden opgepakt. Het is van belang om via een gebiedsspecifieke benadering de kansen en bedreigingen van de opgaven te benoemen en aan te pakken, dan wel te benutten. Ook in relatie tot kansen vanuit andere opgaven. De Omgevingsvisie bevat geen concrete of sectorale beleidsdoelen. Deze concrete doelen staan nog steeds in bestaande sectorale beleidsdocumenten, waaronder in de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening Brabant. Deze beleidsdocumenten blijven derhalve nog steeds van kracht. Dit betekent dat voor ruimtelijke plannen de Structuurvisie RO van de provincie Noord-Brabant en met name de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant relevant zijn. Hier wordt in navolgende paragrafen op ingegaan. 5.3.2 Structuurvisie ruimtelijke ordening Noord-Brabant De Structuurvisie Ruimtelijke Ordening (SVRO) is op 19 maart 2014 in werking getreden.

Deze structuurvisie is een actualisatie van de visie die in 2010 werd vastgesteld. De SVRO geeft aan welke ambities de provincie heeft op het gebied van het provinciale ruimtelijke beleid tot 2025 en hoe ruimtelijke ontwikkelingen een plek kunnen krijgen zodat deze aansluiten bij de (gewenste) kwaliteiten van Brabant. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zijn volgens de provincie twee ruimtelijke trends te onderscheiden: de schaalvergroting en de behoefte aan identiteit. De provincie streeft naar een concentratie van verstedelijking, robuuste en aaneengesloten natuurgebieden, concentratiegebieden voor glastuinbouw en intensieve veehouderijen en voldoende ruimte voor waterberging nu en in de toekomst. De provincie wil duurzaam en zuinig omgaan met de leefomgeving en de ruimte, een goede relatie creëren tussen wonen en werken in de stedelijke omgeving en een groene landelijke omgeving daarbuiten. De provincie kiest in haar ruimtelijke beleid tot 2025 voor de verdere ontwikkeling van gevarieerde en aantrekkelijke woon-, werk- en leefmilieus en een economie gericht op kennis en innovatie met als basis een klimaatbestendig en duurzaam Brabant. Het principe van behoud en ontwikkeling van het landschap is in de SVRO de rode draad die de ruimtelijke ontwikkelingen stuurt.

De SVRO is samen met de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant een middel om de provinciale ruimtelijke visie op Brabant te realiseren. De SVRO is opgebouwd uit twee delen (A en B) en een uitwerking. Deel A bevat de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid. Hierin heeft de provincie haar belangen gedefinieerd en ruimtelijke keuzes gemaakt. Ook beschrijft de provincie vanuit welke filosofie ze haar doelen wil bereiken. Deze filosofie is: ‘samenwerken aan kwaliteit’. De provincie realiseert haar doelen op vier manieren: 1. door regionaal samen te werken; 2. door te ontwikkelen; 3. door te beschermen; en 4. door te stimuleren.

41

In deel B beschrijft de provincie vier ruimtelijke structuren: de groenblauwe structuur, het landelijk gebied, de stedelijke structuur en de infrastructuur. Voor iedere structuur formuleert de provincie ambities en beleid. Per beleidsdoel is aangegeven welke instrumenten de provincie inzet om haar doelen te bereiken.

Figuur 5 Uitsnede structurenkaart Structuurvisie Ruimtelijke Ordening Noord-Brabant

In het voorliggende plangebied ligt in het noorden hoofdzakelijk het ‘landelijke gebied’, met als uitzondering het noordwesten van het gebied waar langs de Goorloop de ‘Groenblauwe mantel’ zich bevindt en een klein gedeelte onder het ‘Kerngebied groenblauw’ valt. Het oostelijke deel van het plangebied bevindt zich in een ‘Groenblauwe mantel’ en heeft gedeeltelijk de aanduiding ‘Kerngebied groenblauw’. Het westelijke gedeelte en een deel van het zuiden van het plangebied bestaat voornamelijk uit het ‘Kerngebied groenblauw’, met als uitzondering het zuidoosten en het midden van het plangebied, waar zich de ‘Groenblauwe mantel’ bevindt. Er zijn in deelgebied 4 (potentiële) ecologische verbindingszones. Deze maken onderdeel uit van de ‘Groenblauwe structuur’ uit de provinciale Structuurvisie. In de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant zijn deze gebieden en aanduidingen meer concreet gemaakt (zie paragraaf 5.3.3).

42

5.3.3 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Op 25 oktober 2019 is de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld, de geconsolideerde versie op 16 november 2021. In deze omgevingsverordening zijn bestaande regels uit de verschillende verordeningen met betrekking tot de fysieke leefomgeving samengevoegd. De regels hebben betrekking op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen en vervangt de Milieuverordening, Verordening wegen, Verordening Ontgronden, Verordening natuurbescherming, Verordening ruimte en Verordening water. In de Interim omgevingsverordening staan regels waarmee een gemeente rekening moet houden bij het opstellen van bestemmingsplannen. Er kan sprake zijn van rechtstreeks werkende regels (die ook al bindend zijn bij bouwplantoetsing) en van instructieregels (die bepalen wat er in een nieuw bestemmingsplan al dan niet geregeld kan worden). Door deze regels weten de gemeenten al in een vroeg stadium waar ze rekening mee moeten houden. Per onderwerp zijn in de Interim omgevingsverordening gebieden tot op perceelsniveau begrensd op een kaart. Hierdoor is duidelijk voor welke gebieden de regels gelden. Onderhavig bestemmingsplan is binnen de kaders van de Interim omgevingsverordening opgesteld.

Vanuit de Interim omgevingsverordening is voornamelijk hoofdstuk 3, de instructieregels aan gemeenten van belang voor het voorliggende plangebied en bestemmingsplan. In dit hoofdstuk zijn, zoals de titel luidt, regels opgenomen voor gemeenten waaraan de op te stellen bestemmingsplannen moeten voldoen. Aan de Interim omgevingsverordening zijn kaarten gekoppeld waar de verschillende zoneringen zoals het Natuur Netwerk Brabant of het Gemengd landelijk gebied opgenomen. In deze paragraaf worden de relevante artikelen uit de Interim omgevingsverordening toegelicht. 5.3.3.1 Algemeen Afdeling 3.1 Algemeen Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies (paragraaf 3.1.2) Een belangrijk principe in de Interim omgevingsverordening is de ruimtelijke kwaliteit en kwaliteitsverbetering van het landschap. Deze kernkwaliteiten zijn in de Structuurvisie ruimtelijke ordening benoemd en verder uitgewerkt in de ‘Gebiedspaspoorten’. Gebiedskenmerken zijn de spil van ruimtelijke kwaliteit, het gaat daarbij om het verbinden van de opgave met de plek. In de Interim omgevingsverordening is de bevordering van ruimtelijke kwaliteit concreet vertaald in onder andere de zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit (artikel 3.5), regels met betrekking tot zorgvuldig ruimtegebruik (artikel 3.6) en de kwaliteitsverbetering van het landschap (artikel 3.9).

De zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit behelst in hoofdzaak de regel dat de geboden ontwikkelruimte bijdraagt aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit. In het bijzonder geldt als regel het principe van zorgvuldig ruimtegebruik. Dat betekent dat eerst gekeken wordt naar mogelijkheden voor intensivering of hergebruik op of binnen bestaand bebouwd gebied. Nieuw ruimtebeslag moet zo veel mogelijk voorkomen worden. De kwaliteitsverbetering van het landschap heeft betrekking op de voorwaarde dat ruimtelijke ontwikkelingen gepaard moeten gaan met een fysieke verbetering van het landschap. Van belang daarbij is dat de kwaliteitsverbetering moet passen in het beleid ten aanzien van het gebied.

43

De gemeente Someren onderschrijft beide principes en heeft in dat kader het ‘Beeldkwaliteitsplan Buitengebied Someren’ (zie paragraaf 3.2) opgesteld. In voorliggend bestemmingsplan wordt daarom met de gekozen systematiek invulling gegeven aan de Interim omgevingsverordening, door middel van zonering van het plangebied, het beschermen van actuele en potentiële waarden, een passende maatvoering voor ontwikkelingen en door het stellen van randvoorwaarden ten aanzien van toekomstige nieuwe ontwikkelingen. Zo moet bij nieuwe ontwikkelingen bijvoorbeeld zorg worden gedragen voor een goede landschappelijke inpassing conform de uitgangspunten van het beeldkwaliteitsplan. 5.3.3.2 Natuur en stiltegebieden Natuur Netwerk Brabant (paragraaf 3.2.3, artikel 3.15 t/m 3.27) Het kerngebied natuur en water bestaat uit het Natuur Netwerk Brabant (NNB) inclusief de ecologische verbindingszone en waterstructuren. Het NNB is een samenhangend netwerk van natuur- en landbouwgebieden met natuurwaarden van (inter-)nationaal belang en bestaat uit: - bestaande natuur- en bosgebieden, zoals Natura 2000-gebieden; - gerealiseerde nieuwe natuur (op grond van het Natuurbeheerplan); - nog niet gerealiseerde nieuwe natuur. Meestal agrarische gronden, die in het Natuurbeheerplan zijn aangewezen als nieuwe natuur, maar waar de landbouwfunctie of een andere niet-natuurbestemming nog aanwezig is.

In de Interim omgevingsverordening zijn deze gebieden begrensd. Verder is bepaald dat binnen deze gebieden de karakteristieke eigenschappen en aanwezige ecologische waarden behouden, hersteld of duurzaam ontwikkeld moeten worden. Binnen het NNB is de nieuwvestiging van ‘nietnatuurbestemmingen’ niet toegestaan. Indien echter een dergelijke bestemming reeds binnen het NNB aanwezig is, wordt deze bestemming en de met het oog daarop gegeven regels omtrent het gebruik gerespecteerd. Dit is vooral aan de orde bij gevallen waarin de inrichting en het beheer van de natuur nog niet zeker zijn. Wanneer de aanwezige waarden worden aangetast door activiteiten in of buiten het Natuur Netwerk Brabant geldt een compensatieplicht. De gronden die onderdeel uitmaken van het Natuur Netwerk Brabant zoals aangeduid op de kaart behorend bij de Interim omgevingsverordening en voor zover gelegen in dit plangebied, zijn concreet bestemd met de dubbelbestemming ‘Waarde - Ecologie’. In geval van strijdigheid van bepalingen, gaan de bepalingen van de dubbelbestemming voor de bepalingen die op grond van andere artikelen op de desbetreffende gronden van toepassing zijn. Ecologische verbindingszones krijgen de gebiedsaanduiding ‘overige zone – ecologische verbindingszone’.

Natuur Netwerk Brabant - ecologische verbindingszone (artikel 3.25) Ecologische verbindingszones (evz) zijn zones die migratie en uitwisseling van soorten tussen natuurgebieden mogelijk maken. Dit zijn lijnvormige landschapselementen, die als groene verbindingen de Brabantse natuurgebieden met elkaar (moeten gaan) verbinden. Ten aanzien van de ecologische verbindingszones geldt een beperkt beschermingsregime ten opzichte van het Natuur Netwerk Brabant. Door het plangebied lopen twee ecologische verbindingszones: de ZuidWillemsvaart en de Goorloop. Voor deze ecologische verbindingszones zijn passende planologische regelingen opgenomen in het voorliggende bestemmingsplan, overeenkomstig de reeds geldende regels uit het vorige plan. Deze status is in het bestemmingsplan overgenomen door de bestemming ‘Water’ voor de watergang zelf, ondersteund door de diverse aanduidingen die strekken tot de

44

instandhouding en ontwikkeling van de (natte) ecologische waarden van deze evz (voor ligging zie Figuur 6). Aanduiding – Attentiezone waterhuishouding (artikel 3.26) In het oosten en in het westen van het plangebied is een gedeelte van de grond aangemerkt op de kaart als attentiezone waterhuishouding. Op gronden ter plaatse van de attentiezone waterhuishouding worden functies en activiteiten uitgesloten die een negatief effect kunnen hebben op de hydrologische instandhoudingsdoelen van het Natuur Netwerk Brabant. In het bestemmingsplan is een gebiedsaanduiding ‘milieuzone – attentiezone waterhuishouding’ opgenomen met hieraan verbonden regels die deze gronden beschermd voor onwenselijke activiteiten en functies. Aanduiding - Behoud en herstel watersystemen (artikel 3.27) Door onder andere beperkingen ten aanzien van bebouwing, oppervlakteverhardingen en ophoging van gronden voorziet het bestemmingsplan in voldoende ruimte voor watersysteemherstel. Voor de ecologische verbindingszone de Zuid- Willemsvaart is ook een aanduiding ‘behoud en herstel watersystemen’ opgenomen. Daarnaast is voor de Goorloop ook de aanduiding ‘behoud en herstel watersystemen’ opgenomen.

45

Figuur 6 Uitsnede kaart Natuur en stiltegebieden Interim omgevingsverordening Noord-Brabant

5.3.3.4 Cultuurhistorische waarden Aanduiding – cultuurhistorische waarden (paragraaf 3.2.4, artikel 3.29) De bescherming van cultuurhistorisch waardevol gebied is belangrijk, omdat deze onvervangbaar zijn. In de Interim omgevingsverordening zijn daarom de cultuurhistorische vlakken in de cultuurhistorische landschappen opgenomen, zoals aangegeven op de Cultuurhistorische Waardenkaart. Doel van de bescherming is dat de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden blijven behouden. Ook is het doel van de bescherming dat ontwikkelingen hiermee rekening houden, zodat de waarden en kenmerken niet worden aangetast. In geval dat er een samenloop is met gebieden waar stedelijke ontwikkeling afweegbaar is, betekent dit dat vroegtijdig overleg nodig is zodat de belangen vanaf het begin in de planontwikkeling worden betrokken. In het bestemmingsplan is een gebiedsaanduiding ‘overige zone – cultuurhistorische waarden’ met hieraan verbonden regeling die deze gronden beschermd voor onwenselijke activiteiten en functies.

46

5.3.3.5 Landelijk gebied In de Interim omgevingsverordening Afdeling 3.6 Vitaal platteland zijn de ontwikkelingsmogelijkheden geschetst voor het Landelijk gebied. Het Landelijk gebied bestaat uit twee verschillende gebieden; het gemengd landelijk gebied en de groenblauwe mantel. In de Interim omgevingsverordening gelden algemene ontwikkelingsmogelijkheden voor beide gebieden, als er uitzonderingen zijn wordt in de regels nadrukkelijk gesproken over het desbetreffende gebied. In het gebied waar dit bestemmingsplan betrekking op heeft, is er zowel sprake van gemengd landelijk gebied, als de groenblauwe mantel. Gemengd landelijk gebied In gemengd landelijke gebieden stimuleert de provincie een sterke plattelandseconomie met ruimte voor een menging van functies zoals bedrijvigheid, natuur en wonen. De primaire doelstelling in dit gebied is de ontwikkeling van landbouw, het bijdragen aan ruimtelijke kwaliteit en het voorkomen van hinder voor de beoogde agrarische economie. Ten aanzien van grondgebonden agrarische bedrijven geldt dat deze binnen het gemengd agrarisch gebied mogen ontwikkelen, eventueel met verbrede en nevenactiviteiten. Groenblauwe mantel Het beleid in de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap.

Voor de natuur betekent dit vooral versterking van de leefgebieden voor plant- en diersoorten en de bevordering van de biodiversiteit buiten het NNB. Binnen de groenblauwe mantel is volop ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties zoals landbouw en recreatie, met een meer extensief karakter en als die bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap. De ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve functies, zoals stedelijke ontwikkeling of intensieve vormen van recreatie of en landbouw (zoals de bouw van kassen, (bezoekers-)intensieve recreatie, of concentratiegebieden voor intensieve landbouwfuncties) passen minder bij het karakter van deze gebieden. Daarom geldt binnen de groenblauwe mantel soms aanvullende regels voor de ontwikkeling van die functies. Binnen de groenblauwe mantel vallen de beheergebieden van het NNB en groene gebieden binnen en nabij stedelijk gebied. De agrarische sector is binnen de groenblauwe mantel een belangrijke grondgebruiker. Daarnaast zijn ook bedrijven gericht op toerisme en recreatie in de gebieden aanwezig. Het behoud en de ontwikkeling van natuur, water, waterbeheer en landschap is in de groenblauwe mantel een belangrijke opgave. Nieuwe ontwikkelingen zijn enkel toegestaan indien deze bijdragen aan kwaliteitsverbetering van de functies of de bestaande functies respecteren.

Onder bepaalde voorwaarden kunnen grondgebonden agrarische bedrijven uitbreiden. Voor andere agrarische bedrijven geldt dat deze kunnen uitbreiden tot maximaal 1,5 hectare. Voor intensieve veehouderijen en glastuinbouwbedrijven gelden aparte regels. Teeltondersteunende kassen zijn niet toegestaan binnen de groenblauwe mantel. De groenblauwe mantel is eveneens opgenomen binnen de dubbelbestemming “Waarde Groenblauwe mantel”. Hieraan zijn regels, vanuit de Interim Omgevingsverordening Noord- Brabant, gekoppeld.

47

Figuur 7 Uitsnede basiskaart Landelijk gebied Interim omgevingsverordening Noord-Brabant

Veehouderij (paragraaf 3.6.1, artikel 3.47 t/m 3.53) In de Interim omgevingsverordening zijn regels verbonden aan de ontwikkeling van veehouderijen. Hiervoor zijn verschillende aanduidingen in de omgevingsverordening opgenomen. Daarnaast gelden ten aanzien van de veehouderij ook de algemene rechtstreeks werkende regels voor het hele plangebied. Dit betekent dat het bestemmingsplan moet aansluiten op de maximale mogelijkheden ten aanzien van agrarische ontwikkelingen die in de Interim omgevingsverordening zijn opgenomen. Hiertoe zijn in de regels bij dit plan bepalingen opgenomen die niet meer ruimte bieden dan de Interim omgevingsverordening. Tijdelijk verbod geitenhouderij (artikel 3.47) Uit het rapport Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (2017) blijkt dat er een verhoogde kans op longontsteking is voor mensen die in de nabijheid van een geitenhouderij wonen. Momenteel is onbekend waardoor dit verhoogde risico ontstaat. Totdat duidelijk is welke maatregelen genomen kunnen worden om dit risico te verkleinen is door de provincie een tijdelijk moratorium ingesteld voor

48

de ontwikkeling van geitenhouderijen. Er mogen geen nieuwe geitenhouderijen gevestigd worden en bestaande geitenhouderijen mogen niet uitbreiden of hun oppervlakte aan dierenverblijven uitbreiden. Tevens mag er door agrarische bedrijven geen omschakeling naar geitenhouderij plaatsvinden. De gemeente respecteert deze beleidslijn. In de regels bestemmingsplanregels wordt uitbreiding van dierenverblijven voor geitenhouderijen uitgesloten. Veehouderij in landelijk gebied (artikel 3.49) In artikel 3.49 van de Interim omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor veehouderijen in landelijk gebied. Het doel van de regels is om ontwikkelingen van veehouderijen gepaard te laten gaan met een verduurzaming van de bedrijfsvoering en beter inpassing in de omgeving. Daarom worden onder andere eisen gesteld aan de oppervlakte van het bedrijf, de landschappelijke inpassing en geurhinder. In de Interim omgevingsverordening worden tevens beperkingen opgelegd aan de locaties waar mest bewerkt mag worden. Ter plaatse geproduceerde mest mag op eigen terrein worden bewerkt. Daarnaast mag mest bewerkt worden op daartoe geschikte bedrijventerreinen. De provincie wil zo voorkomen dat nieuwe mestfabrieken op het platteland worden gebouwd.

Het is per definitie niet mogelijk om een mestfabriek binnen het bestaande planologische regime te realiseren en mestbewerking wordt verder alleen als onderdeel van een veehouderij toegestaan. Afwijkende regels Beperkingen veehouderij (artikel 3.51) De regels in artikel 3.51 van de Interim omgevingsverordening hebben betrekking op beperkingen voor de veehouderij. Deze regels zijn opgenomen met als doel een verdere intensivering van veehouderijen in de aangeduide gebieden tegen te gaan. In deze gebieden gelden afwijkende regels, voor grondgebonden veehouderijen wordt echter een uitzondering gemaakt. In de Interim omgevingsverordening gelden hiervoor rechtstreeks werkende regels tot het bestemmingsplan conform de regeling is aangepast. De betreffende afwijkende regels voor veehouderij binnen deze gebiedsaanduiding zijn opgenomen in onderhavig bestemmingsplan. Aanvullende regels stalderen (artikel 3.52) Om de regionale concentratie van de veestapel tegen te gaan zijn er zes stalderingsgebieden opgenomen in de Interim omgevingsverordening. Bij ontwikkelingen die leiden tot een toename van de oppervlakte dierenverblijf gelegen binnen een van de stalderingsgebieden, moet er op een andere locatie dierenverblijf verdwijnen. Ook deelgebied 4 valt binnen de begrenzing van het stalderingsgebied. De inbreng van stalderingsmeters is bij sloop 120% en bij herbestemming 200%.

Het gehele deelgebied heeft een gebiedsaanduiding ‘overige zone- stalderingsgebied’ gekregen en de nieuw regels zijn opgenomen in de planregels van het onderhavig bestemmingsplan. 5.3.3.6 Specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen Sanerings- en verplaatsingslocaties (artikel 3.67) Voor locaties die in het verleden via subsidies zijn gesaneerd en/of verplaatst geldt een restrictief beleid vanuit de provincie. De gemeente sluit hierbij aan. Deze locaties hebben in voorgaande bestemmingsplannen reeds een passende herbestemming gekregen.

49

Figuur 8 Uitsnede kaart specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen Interim omgevingsverordening Noord-Brabant

50

5.4 Gemeentelijk beleid 5.4.1 Toekomstvisie Someren 2030 In de ‘Toekomstvisie Someren 2030’ heeft de gemeente Someren een koers uitgewerkt richting 2030. Deze koers is uitgewerkt in vier perspectieven, namelijk Samen Someren, GREENLAB 2030, Aantrekkelijk wonen en het Hart van Someren. Deze perspectieven beschrijven een aantal doelen. Allereerst wordt gestreefd naar zorgzame en zelfredzame dorpen in de gemeente Someren. Ook wordt gestreefd naar een productief, innovatief en circulair buitengebied. Daarnaast moet Someren anno 2030 voorzien in onderscheidende woonmilieus in een gezond parklandschap. Tot slot is in 2030 het centrum van Someren een onderscheidende winkel- en pleisterplaats voor inwoners en bezoekers. In het buitengebied wordt gestreefd naar een maatschappelijk geaccepteerde en gewaardeerde agrofoodsector met economisch toekomstperspectief binnen de kaders van duurzaamheid, gezondheid en welzijn van mens en dier in een mooi en beleefbaar buitengebied. Concreet betekent dit dat er samen met buurgemeenten wordt gewerkt aan het creëren van verdienmodellen voor nieuwe economische dragers in het buitengebied en met name de agrariërs die ervoor kiezen om te stoppen. Ook wordt daarbij ingezet op creatieve oplossingen voor vrijkomende agrarische bebouwing in het buitengebied. 5.4.2 Structuurvisie Someren 2028 Op 24 april 2013 is de ‘Structuurvisie Someren 2028’ vastgesteld.

In de Structuurvisie wordt beschreven dat de gemeente in 2028 een duurzame, krachtige, zelfbewuste en zelfstandige gemeente wil zijn die haar landelijke positie in de Brainport goed weet te benutten. Someren ontleent haar identiteit aan het landelijke Brabantse karakter. Het kwalitatief goede bos-, natuur- en buitengebied zorgt er mede voor dat Someren een goed woonklimaat kent en een aantrekkelijke vestigingslocatie is voor bedrijven met een schaal die past bij Someren. Door de verscheidenheid en toegankelijkheid van het buitengebied heeft Someren een aantrekkingskracht op recreanten. Voor het buitengebied streeft Someren naar het versterken van de ruimtelijke kwaliteit. Om dit te bereiken is er in dit gebied voorrang voor boeren, burgers en recreanten. De landschapswaarden en de natuur wil Someren behouden en waar mogelijk versterken. Bedrijfsmatige activiteiten die hierin niet thuishoren worden beperkt. 5.4.3 Toeristische beleidsnota Someren 2030 De toeristische beleidsnota Someren 2030 is in op 25 november 2021 vastgesteld door de gemeenteraad van Someren en geeft inzicht in de positie van de gemeente Someren op het gebied van toerisme en recreatie en beschrijft de gewenste ontwikkelingsrichting in Someren en welke stappen gezet moeten worden om deze ambities te bereiken.

Deze beleidsnota schetst een duidelijk kader voor de gewenste ontwikkeling en dient als: - ontwikkelingsdoel voor toerisme en recreatie in Someren; - economisch toeristisch uitvoeringsprogramma; - toetsingskader voor nieuwe initiatieven.

51

5.4.4 Gezondheidsbevordering De gemeente Someren is voornemens om binnen de vormgeving van de omgevingsvisie gezondheidsbevordering en de inrichting van de leefomgeving ten behoeve van een gezonde leefwijze een plek te geven. Te denken valt aan fiets- en wandelpaden als onderdeel van het recreatief netwerk, maar ook normen voor geuroverlast en een groene inrichting van gemeentegronden. De gemeente heeft verschillende beleidsdocumenten om de gezondheid van haar bewoners te bevorderen welke hieronder worden toegelicht. Inrichting gezonde leefomgeving De GGD ondersteunt gemeentes bij het vormen van beleid met betrekking tot gezondheidsbevordering. De Brabantse Omgevings Scan (BrOS) is hier een goed voorbeeld van. De beschikbare data over de leefomgeving worden hierin gekoppeld aan de gezondheidsbeleving van inwoners. Deze informatie kan als basis dienen bij de ontwikkeling van een omgevingsvisie of –plan. Hierin komt bijvoorbeeld de waardering van het groen aan de orde, maar ook zaken als geuroverlast en hittestress. Notitie integrale aanpak alcohol en drugs in Someren De gemeente Someren vindt dat er met betrekking tot alcohol en drugs in de gemeente een probleem is. Er is binnen de ambitienotitie aanpak alcohol en drugs beleid om dit samen en integraal aan te pakken. De beleids- en uitvoeringspunten zijn te vinden in deze notitie.

Op het gebied van alcohol zet de gemeente zich in op strikte naleving van de leeftijdsgrens en op forse matiging van het gebruik van alcohol door inwoners van ouder dan 18 jaar. De ambitie van de gemeente omtrent drugs is een nulbeleid met een inspanningsverplichting voor horeca-uitbaters, jeugdcentra, kantines en evenementenorganisaties, om alle mogelijke maatregelen te nemen (zoals huisregels en een veiligheidsplan) om drugsgebruik en handel te voorkomen. Deze visienota wordt gebruikt als handvat bij het opstellen van aanverwant beleid zoals het horecabeleid voor de bebouwde kom en het buitengebied. 5.4.5 Beleid plattelandswoningen Het komt voor dat een (voormalige) agrarische bedrijfswoning bewoond wordt door een persoon die niet of niet langer verbonden is aan het agrarisch bedrijf ter plaatse. De Wet plattelandswoning (artikel 1.1a, Wabo) maakt omzetting van een voormalige agrarische bedrijfswoning naar een plattelandswoning mogelijk en laat aan gemeenten de ruimte om te regelen dat dergelijke afgesplitste woningen niet langer worden beschermd tegen geurhinder van het bijbehorende bedrijf. Met deze regeling blijft de plattelandswoning onderdeel uitmaken van de inrichting en wordt het agrarisch bedrijf niet belemmerd in de bedrijfsvoering. De gemeenteraad van Someren heeft in juni 2014 beleid voor plattelandswoningen vastgesteld.

In 2017 heeft een evaluatie van het beleid voor plattelandswoningen plaatsgevonden. In het beleid zijn onder meer de criteria vastgelegd die gelden voor het toekennen van de aanduiding ‘plattelandswoning’ aan een voormalige agrarische bedrijfswoning in een bestemmingsplan. De belangrijkste voorwaarde is dat er feitelijk sprake moet zijn van een in werking zijnde agrarisch bedrijf dat binnen hetzelfde bestemmingsvlak ligt als de woning. Voor wat betreft de bouwregels gelden dezelfde regels als voor reguliere burgerwoningen en bedrijfswoningen. Het beleid

52

plattelandswoningen is vertaald naar het ‘Parapluplan NAF beleid Someren’. De toetsingscriteria uit dit parapluplan zijn tevens opgenomen in het voorliggende bestemmingsplan. 5.4.6 Beleid Arbeidsmigranten In 2020 heeft de gemeente nieuw beleid geformuleerd voor de huisvesting van arbeidsmigranten in het ‘Beleid huisvesting arbeidsmigranten 2020’. Dit beleid volgt de ‘Structuurvisie Arbeidsmigranten 2008, gemeente Someren’ van 2008 op. In 2013 is het beleid van 2008 geëvalueerd en vertaald in het Bestemmingsplan ‘Parapluplan NAF-beleid Someren’ in 2018. Het nieuwe ‘Beleid huisvesting arbeidsmigranten 2020’ geeft richtlijnen voor de huisvesting voor arbeidsmigranten. Ook de integratie van de arbeidsmigrant is meegenomen in dit beleid. Het beleid biedt in het buitengebied mogelijkheden voor het huisvesten van arbeidsmigranten bij agrarische bedrijven en in (plattelands)woningen. Bij agrarische bedrijven is huisvesting van arbeidsmigranten alleen mogelijk als zij bij het agrarisch bedrijf ter plaatse werkzaam zijn. Deze arbeidsmigranten kunnen in de bedrijfswoning gehuisvest worden, waarbij een maximum van 20 personen geldt. In een bedrijfsgebouw mogen maximaal 40 personen per locatie gehuisvest worden. Daarnaast mogen tijdelijk, voor een maximale periode van 6 maanden, ook woonunits geplaatst worden.

Hierbij geldt dat er maximaal 40 personen gehuisvest mogen worden met een maximum van 4 personen per woonunit. Welke vorm van huisvesting ook wordt aangewend, het maximum van het aantal te huisvesten personen is 40. Bij vollegrondstuinbouwbedrijven en glastuinbouwbedrijven kan er jaarlijks een ontheffing worden verleend in de piekmomenten voor het huisvesten van extra arbeidsmigranten. Een belangrijke toevoeging aan het beleid is de spreiding van de locaties waar arbeidsmigranten gehuisvest mogen worden. Maximaal 20% van de woningen in een straat mogen gebruikt worden voor de bewoning van arbeidsmigranten. Ook mogen de woningen niet direct nabij elkaar gesitueerd worden. Deze spreiding draagt bij aan de leefbaarheid van een straat en het draagvlak in de buurt. Een andere wijziging betreft het opnemen van de SNF (Stichting Normering Flexwonen) normering. Huisvestingslocaties voor meer dan 4 arbeidsmigranten dienen te voldoen aan deze normering en de uitgangspunten van het Bouwbesluit. Tevens dient een nachtregister bijgehouden te worden. In het voorliggende bestemmingsplan zijn afwijkingsbevoegdheden opgenomen bij de bestemmingen ‘Agrarisch - Agrarisch bedrijf’ en ‘Wonen’ voor de huisvesting van arbeidsmigranten overeenkomstig het beleid. 5.4.7 Woonvisie Someren 30 De ‘Woonvisie Someren 30’ is in 2019 vastgesteld ter vervanging van de Woonvisie van 2012.

Dit beleidsdocument geeft de visie van de gemeente Someren op de woningmarkt, met de nadruk op duurzaamheid, circulariteit en nieuwbouw. De Toekomstvisie Someren 2030 vormt het fundament voor deze woonvisie. De gemeente Someren wil een aantrekkelijke gemeente blijven om in te wonen. De gemeente wil onder andere de aantrekkingskracht verder versterken voor mensen die graag rustig landelijk willen wonen, maar wel bij grootstedelijke voorzieningen en werk. De ambitie is dat in 2030 Someren bekend staat om de karakteristieke dorpse en landelijke woonmilieus, die zoveel mogelijk zijn gebaseerd op de Somerense doe-mentaliteit en het principe van circulariteit. De beleidspunten en uitvoeringspunten zijn te vinden in deze visie.

53

5.4.8 Nota Ruimtelijke Kwaliteit - Beeldkwaliteitsplan Buitengebied Het welstandbeleid is vastgelegd in de ‘Nota Ruimtelijke Kwaliteit 2012’. Deze nota geeft aan welke criteria voor welke gebieden gelden. Soms staan de criteria rechtstreeks in de nota, maar daarnaast kan er een beeldkwaliteitsplan gelden voor een gebied of specifieke locatie. Voor het buitengebied van Someren is het ruimtelijk kwaliteitsbeleid eerder al geconcretiseerd in het ‘Beeldkwaliteitsplan Buitengebied’ (zie paragraaf 3.2). Hierin is gebiedsgericht opgenomen welke kwaliteiten er in een gebied zijn en hoe daar mee omgegaan moet worden. In de regels van het plan is dit beeldkwaliteitsplan als bijlage opgenomen. In de ‘Overige regels’ wordt een juridische link naar het beeldkwaliteitsplan gelegd. Indien sprake is van een ruimtelijke ingreep, waarbij ook vergunningplichtige bouwactiviteiten betrokken zijn, wordt via de welstandsbeoordeling ook een directe beoordeling aan de Nota Ruimtelijke Kwaliteit zelf geborgd. 5.4.9. Beleid voor niet-agrarische functies in het buitengebied De beleidsnota voor niet-agrarische functies in het buitengebied van Someren is op 25 februari 2016 vastgesteld. Vervolgens zijn er in september 2016, januari 2017 en juni 2018 beleidswijzigingen doorgevoerd en vastgesteld.

In de beleidsnota wordt de problematiek rondom voormalige agrarische bedrijfsgebouwen (VAB’s) verbonden met de vraag welke functies wenselijk worden geacht in het buitengebied. Het doel is een aantrekkelijk, groen en landelijk buitengebied dat in combinatie met een vitale dorpskern ervoor zorgt dat aan iedere inwoner en bezoeker een prettige fysieke en sociale leefomgeving wordt geboden. Hierbij is er een duidelijke scheiding tussen het stedelijk gebied en het buitengebied en wordt gestreefd naar zo min mogelijk leegstand van VAB’s. Duurzaamheid is hierbij het kernwoord. Dit wil Someren op twee manieren bereiken. Enerzijds door uitbreidingsruimte toe te kennen, mits de ontwikkeling bijdraagt aan doelstelling ‘Verdien de ruimte’. Anderzijds door maatregelen in te voeren die de sloop van VAB’s stimuleren. 5.4.9.1 Verdien de ruimte Uitbreidingsruimte kan niet zomaar gegeven worden. De ontwikkeling moet ook eerst en vooral de gemeentelijke doelstelling en een goede ruimtelijke ordening dienen. Om een invulling aan de gemeentelijke doelstelling te geven zijn vier richtinggevende principes uitgewerkt. De principes zijn gestoeld op de pijlers voor duurzaamheid.

Binnen die kaders worden nieuwe initiatieven in beginsel omarmd en is een ontwikkeling kansrijk indien het: 1) bijdraagt aan de sloop van stallen (natuurlijk kapitaal); 2) ruimte biedt aan innovatie (economisch kapitaal); 3) bijdraagt aan een maatschappelijke en/of zorgbehoefte uit de Somerense gemeenschap (menselijk kapitaal); 4) de uitgangspunten van Cradle to Cradle als vertrekpunt hanteert (natuurlijk, menselijk en economisch kapitaal). 5.4.9.2 Stimuleren van sloop In het beleid is een bijzondere plek ingeruimd voor VAB’s. De gemeente streeft naar zo min mogelijk leegstand. De sloopstimulerende maatregelen zijn een uitwerking van het eerste principe dat hiervoor staat genoemd. Er wordt gewerkt met vijf sloopstimulerende maatregelen, namelijk:

54

1) 2) 3) 4) 5)

Stenen voor stenen Verruimde sloopbonusregeling De sloopbank De slooplening De sloopsubsidie

De maatregelen kunnen worden toegepast bij bedrijfs- en woonbestemmingen in het buitengebied. De maatregelen worden niet ingezet voor actieve agrarische bedrijven. Ontwikkeling van agrarische bedrijven (veehouderijen) zijn immers al gebonden aan strikte randvoorwaarden vanuit de provinciale Interim omgevingsverordening, welke doorvertaald zijn in dit bestemmingsplan. Sloop van stallen is daarbij al een geldende voorwaarde om nieuwe stallen te kunnen bouwen / gebruiken. Voor nietveehouderijen, zoals grondgebonden teelt en glastuinbouw, is een dergelijke sloopregeling niet wenselijk en realistisch in ogen van de gemeente. Agrarische bedrijven zijn één van de primaire gebruikers van het buitengebied en een bepaalde bebouwingsomvang hoort daar bij. Voor de glastuinbouw is daarnaast een gebied aangewezen met bijbehorende specifieke regels. Daar waar van belang voorziet het voorliggende bestemmingsplan in specifieke regels om de genoemde stimuleringsmaatregelen te ondersteunen en tot uitvoering te brengen. Vaak zal er echter een herziening van het bestemmingsplan nodig zijn om bijvoorbeeld de nieuw toegestane oppervlakte of inhoud te regelen. In sommige situaties kan volstaan worden met een afwijkingsprocedure, bijvoorbeeld voor het bouwen van extra bijgebouwen bij een woning.

Hieronder volgt een nadere uitleg van de genoemde vijf instrumenten ter bevordering van de sloop van overbodige bebouwing. 1) Stenen voor stenen ‘Stenen voor stenen’ houdt in dat bedrijven hun bebouwingsoppervlakte kunnen uitbreiden en bij woningen de hoeveelheid bijgebouwen en de inhoud van de woning kan worden uitgebreid boven wat het bestemmingsplan toestaat, mits er op een andere locatie bebouwing gesloopt wordt. Deze regeling kan worden toegepast bij agrarisch verwante bedrijven, niet-agrarische bedrijven en de woonbestemmingen in het buitengebied. De verhouding tussen te slopen en terug te bouwen vierkante meters gebouwen is afhankelijk van de locatie waar wordt gesloopt; daar waar sloop het meest bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit is de sloopverhouding het meest gunstig. De indeling van de landschapstypes is gebaseerd op het ‘Beeldkwaliteitsplan Buitengebied 2011’. Het Natuur Netwerk Brabant, het Kampenlandschap en het Beekdallandschap zijn bijzondere gebieden waar sloop het meest wenselijk is. De sloopverhoudingen zijn daarom in deze gebieden gunstiger dan in minder bijzondere landschappen. In onderstaande tabel wordt weergegeven per type landschap hoeveel vierkante meter er in dat landschap gesloopt moet worden om één vierkante meter extra bebouwing mogelijk te maken.

Tevens kunnen de gesloopte vierkante meter worden ingezet voor de uitbreiding van de inhoud van een woning. Voor het vergroten van de inhoud van een woning zijn aparte sloopverhoudingen opgesteld. De locatie waar extra gebouwd gaat worden is verder niet van invloed op de verhoudingen.

55

Tabel 6: Sloopverhoudingen bij 'stenen voor stenen' en 'sloopbonus regeling'.

2) Verruimde sloopbonusregeling De sloop van bebouwing wordt tevens gestimuleerd door een uitbreiding van de bestaande sloopbonusregeling. Met deze regeling kan de maximaal toegestane oppervlakte bijgebouwen worden uitgebreid van 100 m² naar maximaal 350 m². In ruil daarvoor moet volgens bovenstaande verhoudingen een aantal vierkante meter aan legaal opgerichte of krachtens het overgangsrecht toegelaten bebouwing op het perceel zelf of elders in het buitengebied worden gesloopt. Tevens kan met de sloopbonusregeling de inhoud van een woning worden vergroot van maximaal 750 m3 naar 900 m3. Hierbij moeten de sloopverhoudingen worden aangehouden zoals opgenomen in Tabel 6. Dit beleid wordt verder toegelicht in paragraaf 5.5.1. 3) Sloopbank De sloopbank biedt de mogelijkheid tot het stimuleren van de sloop van VAB’s en van overtollige bijgebouwen bij woningen. De gemeente faciliteert de sloopbank waar eigenaren vierkante meters gesloopte VAB’s en bijgebouwen in kunnen plaatsen. Iemand die wil bouwen, kan vervolgens uit de sloopbank de oppervlakte nemen die hij of zij nodig heeft. De eigenaar die wil bouwen kan de onderhandeling aangaan met de eigenaar die gesloopt heeft over het verkrijgen van de bouwrechten. Het voordeel voor eigenaren is dat zo hun gesloopte meters VAB’s geld waard worden en daarmee de sloopkosten (deels) kunnen worden terugverdiend.

Tevens biedt een dergelijk systeem de mogelijkheid om vierkante meters in te leveren en deze later pas te vermarkten. Ook is meer maatwerk mogelijk. De behoefte aan uitbreiding zou anders precies overeen moeten komen met de vierkante meters te slopen bebouwing en beperkt blijven tot dezelfde locatie. In de praktijk zal dit vrijwel nooit het geval zijn. De sloopbank biedt hiervoor een oplossing. 4) Slooplening De basis van de VAB-problematiek is dat de eigenaar van de VAB niet altijd uit zichzelf gaat slopen, omdat het slopen van leegstaande stallen kosten met zich meebrengt zonder dat hier direct tastbare opbrengsten tegenover staan. Vaak is die investering ook niet te dragen door de VAB-eigenaar. Zonder een financiële trigger worden plannen vaak niet tot uitvoering gebracht. De gemeente heeft hiervoor de slooplening bedacht.

56

Met de slooplening kunnen gestopte agrariërs onder gunstige voorwaarden geld bij de gemeente lenen voor de sloop van de VAB’s. De regels hiervoor staan uitgewerkt in de Verordening Slooplening Someren 2016. De eigenaar leent het bedrag voor zijn sloopkosten via het stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederlandse gemeenten (SVn). De slooplening heeft een vaste rente van 2% gedurende een looptijd van 20 jaar. Het maximale leenbedrag is €55.000,- per locatie. Los van een financieel voordelige voorfinanciering is een ander voordeel dat de slooplening een instrument is dat niet gekoppeld is aan een ontwikkeling elders. De sloop wordt daarmee niet afhankelijk van een andere ontwikkeling. Bij de vorige drie regelingen is dat wel het geval. 5) Sloopsubsidie Ten slotte bestaat er de sloopsubsidie. Eigenaren van leegstaande gebouwen die zij willen slopen kunnen in aanmerking komen voor een eenmalige sloopsubsidie van 10% van de geraamde sloopkosten. Daarbij geldt een maximum bedrag van €5.000. Hiervoor is een gemeentelijk budget van € 50.000,- beschikbaar gesteld onder het motto ‘op is op’. Deze subsidie wordt niet verstrekt indien er gesloopt wordt met behulp van de ruimte-voor-ruimteregeling of eventuele soortgelijke toekomstige subsidieregelingen.

5.4.9.3 Zorg- en maatschappelijke functies Naast de sloop stimulerende maatregelen ziet de gemeente dat de vraag naar zorg- en maatschappelijke functies toeneemt. Deze functies kunnen bijdragen aan een leefbaar buitengebied en passen binnen het streven naar verbrede landbouw. De gemeente wil deze functies onder bepaalde voorwaarden toestaan in het buitengebied. Belangrijk is dat deze functies bestaande (agrarische) bedrijven niet belemmeren. 5.4.9.4 Zonnepanelen, zonneparken en windmolens Duurzaamheid is een belangrijk onderdeel van het ‘Beleid voor niet-agrarische functies in het buitengebied en maatregelen ter stimulering van de sloop van voormalige agrarische bedrijfsgebouwen’. In het buitengebied ontstaat anderzijds ook steeds meer vraag naar ruimte voor initiatieven op het gebied van duurzame energie. Het uitgangspunt is in eerste instantie dat bij bestaande bouwblokken de zonnepanelen op daken worden gerealiseerd. De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant biedt mogelijkheden voor het realiseren van zonneparken in het buitengebied. De noodzaak van de ontwikkeling moet aangetoond worden door een onderzoek waaruit blijkt dat zonnepanelen op daken en de opwekking van duurzame energie in Stedelijk gebied niet voldoende is. In 2017 heeft Someren beleid opgesteld ten behoeve van zonneparken in het buitengebied om op een eenduidige wijze met de aanvragen om te gaan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12066849/3