10a. Toelichting Bestemmingsplan Buitengebied Someren - Deelgebied 4 200438024
Tekst van het document
TOELICHTING BESTEMMINGSPLAN BUITENGEBIED SOMEREN DEELGEBIED 4
ORDITO.NL
TOELICHTING BESTEMMINGSPLAN BUITENGEBIED SOMEREN DEELGEBIED 4 GEMEENTE SOMEREN Planstatus
Vastgesteld
Datum
15 december 2022
Plan identificatie
NL.IMRO.0847.BP02021009-VS01
Inhoud 1 INLEIDING
7
1.1 Aanleiding
7
1.2 Doelstelling
7
1.3 Ligging en begrenzing van het gebied
9
1.4 Geldende bestemmingsplannen
10
1.5 Leeswijzer
11
2 WERKWIJZE
12
2.1 Integrale controles
12
2.2 Systematiek
13
2.3 Proces
15
3 VISIE OP HET BUITENGEBIED
16
3.1 Uitgangspunten
16
3.2 Beeldkwaliteitsplan
16
3.3 Ontwikkeling met respect voor cultuurhistorie, natuur en landschap
17
4 OMGEVINGSKWALITEITEN
19
4.1 Inleiding
19
4.2 Verfijning omgevingskwaliteiten
19
4.3 Gebiedsbeschrijving deelgebied 4
21
4.4 Eisen aan leefomgeving en mogelijke effecten
24
4.5 Wijze van bestemmen op basis van omgevingskwaliteiten
26
4.6 Beschrijving gebiedsbestemmingen
28
4.7 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk en werkzaamheden
30
4.8 Dubbelbestemmingen t.b.v. omgevingskwaliteiten
36
5 BELEIDSKADER
38
5.1 Achtergrond
38
5.2 Rijksbeleid
38
5.3 Provinciaal beleid
40
5.4 Gemeentelijk beleid
51
5.5 Geactualiseerde en aangevulde beleidsuitgangspunten
60
6. ONDERBOUWING WIJZIGINGEN
79
6.1 Inleiding
79
6.2 Wijzigingen per locatie
79
6.3 Uitvoerbaarheid en borging bij wijzigingen
106
5
6.4 Algemene wijzigingen in regels en verbeelding
107
7 SECTORALE ASPECTEN
110
7.1 Bodemkwaliteit
110
7.2 Water
110
7.3 Luchtkwaliteit
115
7.4 Geluid
118
7.5 Geurhinder
118
7.6 Bedrijven en milieuzonering
119
7.7 Externe veiligheid
120
7.8 Natuur
123
7.9 Erfgoedwet: archeologie en cultuurhistorie
126
7.10 Ladder voor duurzame verstedelijking
130
7.11 M.e.r.-procedure
131
8 UITVOERBAARHEID
132
8.1 Economische uitvoerbaarheid
132
8.2 Maatschappelijke betrokkenheid en procedure
133
BIJLAGEN bij de toelichting Bijlage 1. Ruimtelijke onderbouwing Herselseweg 17-17a Bijlage 2. Ruimtelijke onderbouwing Oude Goorenweg 5 Bijlage 3. Ruimtelijke onderbouwing Winkelstraat 21 Bijlage 4. PlanMER bestemmingsplan Buitengebied Someren – Deelgebied 4 Bijlage 5. Aanvulling op het planMER bestemmingsplan Buitengebied Someren - Deelgebied 4 Bijlage 6. Toetsingsadvies Commissie m.e.r. Bijlage 7. Eindverslag inspraak en vooroverleg Bijlage 8. Nota van zienswijzen bestemmingsplan Buitengebied Someren – Deelgebied 4
6
1 INLEIDING 1.1 Aanleiding De gemeente Someren heeft een groot buitengebied met veel verschillende functies. Het buitengebied is lang hoofdzakelijk voor agrarische doeleinden in gebruik geweest. Veel agrarische bedrijven stoppen echter, waardoor er op de vrijgekomen locaties nieuwe kansen ontstaan. De diversiteit in functies in het buitengebied neemt daardoor toe, een transitie die op vele plekken in Nederland zichtbaar is. Deze ontwikkeling houdt het buitengebied levendig, maar er moet wel voor gewaakt worden dat deze functies ook passen binnen het buitengebied van Someren. Dit heeft ertoe geleid dat de gemeente Someren het beleid voor niet-agrarische functies (het NAF-beleid) heeft geactualiseerd. Dit beleidskader biedt meer ruimte aan de ontwikkeling van niet-agrarische functies in het buitengebied, maar waarborgt ook dat bestaande en nieuwe functies niet met elkaar gaan botsen. Voor deze nieuwe ontwikkelingen, maar ook voor bestaande situaties zal gekeken moeten worden of deze passen in de visie voor het Somerense buitengebied. Daarom heeft de gemeente Someren ervoor gekozen een intensief traject te starten waarbij alle locaties in het buitengebied integraal worden gecontroleerd. Met de bewoners en ondernemers wordt het gesprek aangegaan over de situatie op het perceel tijdens de controle en hun toekomstplannen.
Aan de hand van deze controles kan zo een duurzaam bestemmingsplan worden opgesteld dat overeenkomt met de feitelijke situatie.
1.2 Doelstelling Het vigerende bestemmingsplan voor een groot deel van het buitengebied is het bestemmingsplan Buitengebied Someren (2011). Dit is een conserverend plan geweest waaraan geen controles ten grondslag hebben gelegen. Daarnaast zijn er diverse partiële herzieningen en postzegelbestemmingsplannen vastgesteld, waarbij niet altijd een uniforme werkwijze is gehanteerd en is het beleid in de afgelopen jaren op verschillende vlakken gewijzigd. Het doel van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Someren - Deelgebied 4’ is een uniform, leesbaar bestemmingsplan gebaseerd op de feitelijke functies die aanwezig zijn in het buitengebied uitgaand van de uitgevoerde integrale controles. Het buitengebied van Someren is voor het overzicht en een zorgvuldige benadering in 7 (voorheen 6) deelgebieden verdeeld. Het bestemmingsplan voor deelgebied 1 is op 30 november 2017 vastgesteld, het bestemmingsplan voor deelgebied 2 is op 5 maart 2020 vastgesteld en het bestemmingsplan voor deelgebied 3 is op 21 juli 2021 vastgesteld. Deze toelichting heeft betrekking op deelgebied 4, het gedeelte van het Somerense buitengebied dat zich ten noorden van de A67 bevindt. Voorafgaand aan het vaststellen van het bestemmingsplan voor deelgebied 4 zijn alle bedrijven en woningen in dit gebied bezocht en is er bekeken of de bestaande situatie overeenkomt met het bestemmingsplan.
7
Uit deze controles is gebleken dat op verschillende locaties de feitelijke situatie niet overeenkomt met het bestemmingsplan. Vervolgens zijn per locatie de legalisatiemogelijkheden van de strijdigheden onderzocht binnen de bestaande wet- en regelgeving. Bij de locaties waar legalisatie een optie is, is in overleg met de eigenaren een manier gezocht om de strijdigheden op te lossen. Als de eigenaren hebben besloten tot een wijziging voor hun perceel dan is dit opgenomen in het nieuwe bestemmingsplan Buitengebied Someren - Deelgebied 4. Het eindproduct is een actueel bestemmingsplan dat overeenkomt met de bestaande situatie.
8
1.3 Ligging en begrenzing van het gebied Dit bestemmingsplan is opgesteld voor deelgebied 4, het deel gelegen ten noorden van de A67. Op Figuur 1 is de ligging van de deelgebieden globaal weergegeven. De volgorde van de deelgebieden is in 2018 aangepast ten opzichte van de eerdere planning. Daarna is in 2020 deelgebied 6 gesplitst in twee delen (deelgebied 6 en 7). Deelgebied 4 wordt begrensd door de gemeente Helmond in het noorden en de Zuid-Willemsvaart in het oosten. Aan de westzijde wordt het plangebied globaal begrensd door de gemeente Geldrop-Mierlo. In het zuiden wordt het gebied begrensd door de A67. Het gebied rond de Stipdonk wordt niet in dit plan meegenomen, omdat er voor dit gebied een visie in ontwikkeling is.
Figuur 1: Indeling deelgebieden herziening bestemmingsplan buitengebied
9
1.4 Geldende bestemmingsplannen Binnen deelgebied 4 zijn diverse bestemmingsplannen en herzieningen hiervan van kracht. Deze bestemmingsplannen worden (gedeeltelijk) vervangen door het nieuwe bestemmingsplan voor deelgebied 4. Het betreft de volgende bestemmingsplannen: Geldende bestemmingsplannen / wijzigingsplannen / gerechtelijke uitspraken /
Vaststellingsdatum
voorbereidingsbesluiten Someren Buitengebied
29-06-2011
Achterbroek 6 en 24
28-09-2011
Gedeeltelijke intrekking reactieve aanwijzing t.a.v. Buitengebied Someren
24-04-2012
Buitengebied 2013
26-06-2013
Buitengebied Someren, wijziging Oude Goorenweg 5
24-07-2013
Gerechtelijke uitspraak bestemmingsplan "Buitengebied Someren"
24-07-2013
Broekkant 4 en 5
25-09-2013
Buitengebied Someren (2011), eerste partiële herziening
25-09-2014
Gerechtelijke Uitspraak Buitengebied 2014
31-12-2014
Plattelandswoningen Someren
26-11-2015
Veegplan gemeente Someren 2015
25-02-2016
Buitengebied 2014
21-04-2016 e
Buitengebied Someren 2 partiële herziening bedrijfswoningen Vlasakkers
30-06-2016
Gerechtelijke uitspraak Buitengebied Someren, 2e partiële herziening,
31-05-2017
bedrijfswoningen Vlasakkers Ruimte voor Ruimte Winkelstraat ong.
29-06-2017
Winkelstraat 15 Lierop
11-12-2017
Veegplan III, gemeente Someren 2017
22-02-2018
Parapluplan NAF-beleid Someren
28-06-2018
Reststroken Someren 2017
29-11-2018
Hoogspanningsverbinding
29-11-2018
Hersel 1 Lierop
23-04-2019
Eindje 6 en omgeving
05-03-2020
Voorbereidingsbesluit Huisvesting Arbeidsmigranten Someren
05-03-2020
Parapluplan huisvesting arbeidsmigranten 2021
28-01-2021
Veeglan XI, gemeente Someren 2020
22-04-2021
Tabel 1: Vigerende bestemmingsplannen voor deelgebied 4
Omgevingsvergunning
Vaststellingsdatum
Steemertseweg 11 Lierop
27-10-2017
Lungendonk 22, Lierop
13-07-2018
Veldweg 1 Lierop
22-08-2019
Achterbroek 33, Lierop
30-10-2019
Varenschutseweg 11
09-09-2020
Zonnepark Lungendonk
17-03-2021
Tabel 2: Vigerende omgevingsvergunningen (projectbesluiten) voor deelgebied 4
10
1.5 Leeswijzer Het bestemmingsplan bestaat uit verschillende planonderdelen: de verbeelding, de regels en de toelichting. Op de verbeelding zijn de bestemmingen in het plangebied weergegeven. Deze bestemmingen zijn gerelateerd aan de in de planregels opgenomen juridische regeling. In de regels is het gebruik van de binnen het plangebied aangegeven gronden en opstallen juridisch geregeld. Per bestemming is aangegeven wat er binnen die bestemming mogelijk is en wat wordt toegestaan. In de toelichting worden de aan het plan ten grondslag liggende gedachten en de uitkomsten van eventueel uitgevoerde onderzoeken opgenomen. In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de werkwijze die is gekozen bij het opstellen van het bestemmingsplan Buitengebied Someren - Deelgebied 4. Hoofdstuk 3 beschrijft de visie van de gemeente Someren voor het buitengebied. In hoofdstuk 4 worden de omgevingskwaliteiten die aanwezig zijn in deelgebied 4 beschreven. Hoofdstuk 5 behandelt de beleidskaders op nationaal, provinciaal en gemeentelijk niveau die van toepassing zijn op dit bestemmingsplan. De retrospectieve toets, oftewel de onderbouwing van de wijzigingen die zijn opgenomen in dit bestemmingsplan ten opzichte van de voorgaande bestemmingsplannen, is te vinden in hoofdstuk 6. Hoofdstuk 7 behandelt de sectorale randvoorwaarden op het gebied van bijvoorbeeld archeologie en milieu.
Tot slot wordt in hoofdstuk 8 de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid beschreven.
11
2 WERKWIJZE 2.1 Integrale controles Het laatste algemene bestemmingsplan voor het gehele buitengebied stamt uit 2011. De gemeente Someren wil uiteindelijk voor het gehele buitengebied een actueel en uniform bestemmingsplan opstellen. Het is daarvoor van belang om te onderzoeken wat de feitelijke situatie (bebouwing én gebruik) is op alle locaties. De gemeente Someren heeft er voor gekozen om een intensief traject te starten waarbij alle bedrijven en woningen in het buitengebied worden bezocht. 2.1.1 Fasering Het volledig controleren van het gehele buitengebied kost echter veel tijd. Als gewacht wordt met het in procedure brengen van het bestemmingsplan totdat het hele buitengebied gecontroleerd is, dan zou de informatie uit de eerste controles mogelijk al weer gedateerd zijn. Daarom is er voor gekozen om het buitengebied in zeven deelgebieden op te delen. Op deze manier blijven de werkvoorraad en het werkgebied beheersbaar. Van 2020 tot en met 2021 zijn er bij 32 agrarische bedrijven, 13 niet-agrarische bedrijven, 101 woonbestemmingen en 5 overige bestemmingen (Sport, Recreatie, Maatschappelijk en Horeca) controles uitgevoerd in deelgebied 4. Ook is er gekeken naar bebouwing op agrarische gebiedsbestemmingen. Bij deze controles is beoordeeld of de feitelijke situatie overeenkomt met wat het vigerende bestemmingsplan toestaat.
Daarbij zijn diverse strijdigheden aan het licht gekomen, variërend in omvang en soort. Daarnaast is aan bewoners en ondernemers gevraagd of zij nog concrete toekomstplannen hebben op de locatie die relevant zijn voor het bestemmingsplan. 2.1.2 Verwachtingen De verwachting was dat op veel locaties de feitelijke situatie niet geheel overeen zou komen met wat volgens het vigerende plan was toegestaan. Deze verwachting werd mede gesterkt door de ervaringen in deelgebied 4. De volgende verdeling is gegeven aan de locaties: 1) Er zijn geen strijdigheden aanwezig 2) Er is sprake van een strijdigheid die eenvoudig te legaliseren valt. 3) Er is sprake van een complexe situatie waarvan moet worden bepaald of deze te legaliseren is aan de hand van het geldende beleid. Het beleid waaraan getoetst wordt, staat nader omschreven in hoofdstuk 5. Mocht blijken dat legalisatie geen optie is, dan volgt na de inwerkingtreding van het bestemmingsplan een handhavingstraject met als doel de geconstateerde strijdige situatie ook daadwerkelijk te beëindigen.
12
2.2 Systematiek Ten behoeve van het nieuw op te stellen bestemmingsplan heeft een inventarisatie plaatsgevonden van alle bestemmingsvlakken. Per locatie is gekeken naar het huidige gebruik en de aanwezige bebouwing. Vervolgens is getoetst of de feitelijke situatie past binnen de mogelijkheden die het bestemmingsplan voor die locatie biedt en of de bebouwing met vergunning is opgericht. 2.2.1 Controles De controles van de bedrijfspercelen zijn uitgevoerd door de Omgevingsdienst Zuidoost - Brabant. Het betreft zowel agrarische als niet-agrarische bedrijven en ook de horeca-, recreatie-, sport- en maatschappelijke bestemmingen. Bij 41 van de 50 bedrijfspercelen zijn situaties geconstateerd die niet in overeenstemming zijn met het geldende planologische regime voor het gebruik en/of de bouwmogelijkheden voor de gronden. Op de overige 9 bedrijfspercelen zijn geen strijdigheden geconstateerd. De controles van de woonbestemmingen zijn uitgevoerd door adviesbureau Ordito in opdracht van de gemeente Someren. Bij 89 woonbestemmingen is er sprake van strijdigheden met het bestemmingsplan. Bij de overige 12 woonbestemmingen zijn geen strijdigheden geconstateerd. De strijdigheden bestaan voornamelijk uit voorzieningen die zich buiten het bestemmingsvlak bevinden of een grotere oppervlakte aan bebouwing dan toegestaan, maar ook strijdig gebruik komt voor.
2.2.2 Bureauonderzoek Door middel van een bureaustudie is nader onderzoek gedaan naar het bestemmingsplan, in het verleden verleende bouw- en gebruiksvergunningen, de mogelijkheden voor vergunningvrij bouwen en luchtfoto’s op perceelsniveau. Vervolgens is getoetst of legalisatiemogelijkheden van de strijdige situatie en/of de aangeleverde toekomstplannen passend zijn binnen het beleid voor het buitengebied. 2.2.3 Keukentafelgesprek In de aanloop naar het voorontwerp- en ontwerpbestemmingsplan zijn keukentafelgesprekken gevoerd met de eigenaren van percelen in deelgebied 4 om te bespreken welke strijdigheden zich voordoen, welke oplossingen hiervoor zijn en of er nog eventuele nieuwe plannen zijn. Aan de hand van bureauonderzoek en de uitgevoerde controles zijn rapporten opgesteld die dienen als basis voor deze gesprekken. Niet voor alle locaties heeft een keukentafelgesprek plaatsgevonden. De eigenaren van locaties waar geen strijdigheden zijn geconstateerd of waar de strijdigheden van eenvoudige aard waren, hebben een brief ontvangen. In enkele gevallen heeft er naar aanleiding van de brief alsnog een gesprek plaatsgevonden.
13
2.2.4 Scenario’s per locatie Volgend op de keukentafelgesprekken en brieven is per locaties uitgezocht welke legalisatiemogelijkheden er waren voor de strijdigheden. Dit heeft geleid tot een voorstel per bestemmingsvlak over de mogelijkheden voor ontwikkeling dan wel legalisatie binnen de spelregels van de ruimtelijke ordening. Dit heeft in alle gevallen geresulteerd in een aantal oplossingsmogelijkheden: 1. De strijdige situatie wordt door de eigenaar op de locatie opgelost. Overtollige bebouwing wordt bijvoorbeeld gesloopt, voorzieningen worden binnen het bouwvlak geplaatst of er wordt alsnog een vergunning aangevraagd. 2. Strijdige situaties die op te lossen zijn met een minimale bestemmingsplanwijziging behoeven geen uitgebreide ruimtelijke onderbouwing. Deze wijzigingen worden door middel van een retrospectieve toets verantwoord en correct opgenomen in het bestemmingsplan. 3. Voor situaties waar sprake is van een grotere ruimtelijke impact van de legalisatie worden door de eigenaren ruimtelijke onderbouwingen/toekomstplannen ingediend om zo het (beoogde) gebruik/bebouwing te verantwoorden op basis van een toets aan relevante wet- en regelgeving op het gebied van de ruimtelijke ordening en milieu. 4.
Als er geen legalisatiemogelijkheden zijn of als eigenaren niet mee willen werken aan een oplossing wordt na inwerkingtreding van het bestemmingsplan handhavend opgetreden tegen strijdig gebruik en strijdige bebouwing. Daar waar ontwikkeling of legalisatie geheel of gedeeltelijk tot de mogelijkheden behoort, is het resultaat hiervan opgenomen in dit bestemmingsplan. Indien ontwikkeling of legalisatie niet mogelijk is gebleken of de eigenaren niet mee hebben willen werken aan de noodzakelijke acties en verplichtingen, is het uitgangspunt dat de gemeente het handhavingstraject in gang gaat zetten. Voor een aantal percelen loopt parallel aan dit bestemmingsplan al een separate planologische procedure om te komen tot een wijziging van het bestemmingsplan. Na vaststelling van deze postzegelplannen worden deze, indien tijdig gereed, opgenomen in deze algehele herziening van deelgebied 4. Na vaststelling van dit bestemmingsplan ‘Buitengebied Someren - Deelgebied 4’ is voor dit deelgebied van het buitengebied van Someren een plan beschikbaar dat voor zover mogelijk overeenkomt met de feitelijk aanwezige situatie, dan wel de beoogde situatie.
14
2.3 Proces Samengevat bestaat het gehele proces van de eerste controle tot aan de vastlegging in een bestemmingsplan of een handhavingstraject uit de in figuur 2 uitgewerkte werkzaamheden. Voor alle percelen wordt dit proces doorlopen, omdat er behoefte is aan een volledige en integrale herziening van het bestemmingsplan buitengebied. De plannen die hieruit voortvloeien worden gebundeld en leiden per deelgebied tot een actueel, integraal en leesbaar bestemmingsplan.
Figuur 2: Werkwijze
15
3 VISIE OP HET BUITENGEBIED 3.1 Uitgangspunten In het bestemmingsplan Buitengebied uit 2011 en de daaropvolgende herzieningen is gekozen voor een bestemmingsplan dat ruimte biedt aan maatschappelijke dynamiek. De ontwikkeling van het platteland in Someren is gebaseerd op een sterke relatie tussen drie pijlers: omgevingskwaliteit, economie en leefbaarheid. Dat betekent dat financieel economisch gezonde (agrarische) bedrijven met een duurzaam productieproces zich de komende jaren kunnen blijven ontwikkelen op plekken die daarvoor geschikt zijn. In het bestemmingsplan uit 2011 is kwalitatieve ontwikkeling de basis voor de toekomst van bewoners en gebruikers van het buitengebied. Het plan biedt ruimte voor ontwikkeling voor burgers en bedrijven die voorstellen aandragen met respect voor de karakteristieke waarden van landschap, natuur en milieu. Het motto van het bestemmingsplan uit 2011 en navolgende herzieningen is: ‘Verdien de ruimte’. Dit motto sluit nog steeds aan bij de visie van de gemeente op het buitengebied en zal dan ook voor het nieuwe plan het motto blijven. Concreet betekent dit dat er ruimte is voor ontwikkeling en/of het legaliseren van bestaande strijdige situaties, mits er ook een bijdrage wordt geleverd aan de instandhouding en waar mogelijk verbetering van de ruimtelijke kwaliteit binnen de gemeente Someren.
Vaak vereist de wens om bepaalde kwaliteiten te behouden of te versterken ook een actief handelen. In gebieden met grote cultuurhistorische of natuurlijke waarden bestaat vaak ook dynamiek. Deze dynamiek kan worden gebruikt om de gewenste versterking van de omgevingskwaliteiten te realiseren. Veranderingen moeten niet alleen passen, maar moeten ook mede ten dienste staan van onderliggende kwaliteiten en waarden. De betreffende ontwikkelingen moeten dan ook gericht zijn op het behouden, versterken of herstellen van die kwaliteiten en waarden die dat gebied nu juist die specifieke kwaliteit geven.
3.2 Beeldkwaliteitsplan In opdracht van de raad is het Beeldkwaliteitsplan Buitengebied uit 2011 geëvalueerd. Dit heeft geleid tot het Beeldkwaliteitsplan 2022, welke op 3 november 2022 is vastgesteld. Het Beeldkwaliteitsplan bevat richtlijnen waarmee de beeldkwaliteit van een bepaald gebied gewaarborgd wordt. Er kan gedacht worden aan het behouden van karakteristieke zichtlijnen, of het toepassen van een knotwilgenrij. Een beeldkwaliteitsplan kijkt alleen naar wat belangrijk is om de kwaliteit van ‘hoe het eruit ziet’ te waarborgen. We kunnen in het buitengebied verschillende landschapstypen onderscheiden en ieder landschapstype vraagt om een andere bijdrage aan de gewenste ruimtelijke kwaliteit. Daarom zijn in het beeldkwaliteitsplan ontwerprichtlijnen opgenomen die bij aanvang van elke ruimtelijke ontwikkeling kunnen worden meegenomen om op een passende wijze invulling te geven aan de in het bestemmingsplan Buitengebied opgenomen randvoorwaarden ten aanzien van bijvoorbeeld een
16
goede landschappelijke inpassing. Het beeldkwaliteitsplan wordt dan ook nog steeds gebruikt als toetsingskader voor alle ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied. De richtlijnen in het beeldkwaliteitsplan zijn geen eisen die zeggen hoe het moet. Daarvoor is elke plek te uniek. Het beeldkwaliteitsplan is inspiratie voor wat kan, zonder dat dit betekent dat alles mag. Het beeldkwaliteitsplan moet houvast bieden om aan de slag te gaan in het buitengebied en de beeldkwaliteit ervan te behouden en waar mogelijk te versterken. Het is niet bedoeld als toetsingskader waar niet van afgeweken mag worden. Maar als er afgeweken wordt, is het belangrijk om goed te motiveren waarom afgeweken wordt en waarom de voorgestelde afwijking toch zoveel mogelijk aansluiting zoekt bij het gedachtengoed van het beeldkwaliteitsplan. Het beeldkwaliteitsplan wordt gebruikt bij nieuwe ontwikkelingen, waarbij sprake is van ruimtelijke kwaliteitswinst. Zo kan een uitbreiding van een bouwblok alleen plaatsvinden als voldaan wordt aan het beeldkwaliteitsplan. Ook zal ten aanzien van wijzigingsbevoegdheden (voorbeeld: uitbreiding van bouwvlakken) en ontheffingen (voorbeeld: een minicamping bij een boerderij) het beeldkwaliteitsplan zich doen gelden.
Wie aan de hand van het beeldkwaliteitsplan met goede oplossingen komt die landschap, natuur en milieu niet alleen ontzien, maar zelfs versterken, werkt mee aan een duurzame ontwikkeling van het Somerense buitengebied. In het bestemmingsplan is vastgelegd wat de planologische rechten en plichten zijn van de eigenaren van de percelen binnen het plangebied. Het beeldkwaliteitsplan is zowel een inspiratiedocument als het toetsingskader voor het waarborgen en verhogen van de ruimtelijke kwaliteit bij alle ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied. Het beeldkwaliteitsplan is daarmee een integraal onderdeel van het bestemmingsplan. Het beeldkwaliteitsplan is opgenomen als bijlage bij de regels van het voorliggende bestemmingsplan ‘Buitengebied Someren - Deelgebied 4’.
3.3 Ontwikkeling met respect voor cultuurhistorie, natuur en landschap Iedere gemeente heeft zijn karakteristieke plekken die voor de plaatselijke bevolking een bijzondere betekenis hebben. Zo kan het gaan om een gehucht met oude boerderijen langs een oude straat of zelfs een klein hakhoutbosje midden op de akkergronden in het beekdal. Deze bijzondere plekken liggen vaak op historisch gezien logische locaties, bijvoorbeeld aan de rand van oude bouwlanden, op knooppunten van oude wegen of nabij een oversteek van een beekloopje. De gemeente wil in de agrarische gebieden met bijzondere waarden het landschap herstellen op basis van de oorspronkelijke historische en ontginningskenmerken. Het zijn de gebieden die met wat extra zorg voor bebouwing, erf en kavelgrensbeplanting al snel een bovengemiddelde kwaliteit opleveren. Het zijn echter ook gevoelige gebieden voor grootschalige en gebiedsvreemde ingrepen. Hier moet zorgvuldig mee worden omgegaan. Niet alleen als het om de vorm en omvang gaat, maar ook als het om de functie gaat. De gemeente Someren streeft er naar dat van tevoren over veranderingen van het patroon van verkaveling, wegen en waterlopen en functies wordt nagedacht en hierbij te overwegen hoe de historische draad in de landschapsontwikkeling zo goed mogelijk bewaard kan worden.
Dat houdt niet in dat alles bij het oude moet blijven, maar dat nieuwe ontwikkelingen zo goed mogelijk in het historische landschap moeten worden ingepast. Bij ingrepen in de bodem, waterhuishouding en beplanting, die verder strekken dan het bestaande beheer en onderhoud, zal steeds worden gekeken
17
of deze ingepast kunnen worden in de historische landschapsopbouw. Voor nieuwe functies geldt dat een afweging moet worden gemaakt over welke impact een functie op de omgeving heeft. Zo kan een dagrecreatief bedrijf behoefte hebben aan parkeerplaatsen ter plaatse van een bolle akker of kan een verandering van gebruik leiden tot meer verkeersbewegingen. Vanwege de toename van verkeer kan uiteindelijk een verbreding van een weg nodig zijn waarvoor mogelijk historische laanstructuren moeten verdwijnen. Daarom is het toestaan van bepaalde functies is niet altijd wenselijk.
18
4 OMGEVINGSKWALITEITEN 4.1 Inleiding Het plangebied herbergt diverse natuur- en landschapswaarden. Deze omgevingskwaliteiten zijn van grote betekenis voor de ruimtelijke kwaliteit en identiteit van het plangebied. Ze vormen het vertrekpunt voor het bepalen van het ruimtelijke beleid voor het buitengebied. De waarden in het landschap en de natuur zijn kwetsbaar voor veranderingen die onder andere als gevolg van de ontwikkelingen binnen de landbouw, maar ook andere functies te verwachten zijn. Het buitengebied van de gemeente Someren bevat diverse omgevingskwaliteiten, die onder te verdelen zijn in onderstaande hoofdgroepen, te weten: - Natuurwaarden Natuurwaarden zijn het geheel aan waarden die aan een gebied zijn toegekend in verband met het voorkomen van biotische en/of abiotische elementen die bijdragen aan de diversiteit en natuurlijkheid van een gebied. - Landschapswaarden Landschapswaarden zijn het geheel aan waarden in verband met bijzondere landschappelijke kenmerken van een gebied of object, in de zin van karakteristieke verschijningsvorm, herkenbaarheid/identiteit en diversiteit, dat bestaat uit aardkundige, cultuurhistorische, archeologische en visueel-ruimtelijke waarden, afzonderlijk of in onderlinge samenhang. Bij ontwikkelingen in het buitengebied moet altijd rekening worden gehouden met de aanwezige waarden en kwaliteiten in de omgeving.
Meer en meer wordt duidelijk dat hierbij niet alleen naar de directe impact van een ingreep op de specifieke plek moet worden gekeken, maar zeker ook naar de indirecte gevolgen in de omgeving van de activiteit. Nieuwe ontwikkelingen hebben immers niet alleen gevolgen voor de locatie zelf, bepaalde functies kunnen in meer of mindere mate gevolgen hebben voor de directe of zelfs wijdere omgeving.
4.2 Verfijning omgevingskwaliteiten Binnen deze omgevingskwaliteiten kan een verfijning worden aangebracht. Deze verfijning geeft meer inzicht in de voorkomende waarden en vervolgens ook aan de criteria voor toetsing van activiteiten en ontwikkelingen. Dit is tevens de basis voor de toepassing van de diverse regelingen voor het aanvragen van een omgevingsvergunning en het toepassen van eventuele gebruiksverboden binnen de bestemmingsregels. Door deze verfijning ontstaat op voorhand meer duidelijkheid voor de aanvrager (burger) en de toetser (overheid) bij het aanvragen en het beoordelen van een omgevingsvergunning.
19
4.2.1 Natuur Onderstaande verfijning kan worden aangebracht binnen de natuurwaarden. Verfijning Omschrijving natuurwaarden/Biotoop Amfibieën en reptielen
Bosvogels
Moerasvogels
Natte biotoop dagvlinders
Planten en plantengemeenschappen
Struweelvogels
Weidevogels
Hydrologisch
waardevol
(voor natuurwaarden)
Een soortgroep die kenmerkend is voor gevarieerde gebieden, vaak met een afwisseling van natte en droge terreindelen. Specifiek voor amfibieën (kikkers, padden, salamanders) is verder de aanwezigheid van open water van belang dat dient als voortplantingsbiotoop. In het agrarisch gebied is de soortgroep afhankelijk van kleine landschapselementen (bosjes, houtwallen, poelen), ruige slootkanten, wegbermen e.d. Een soortgroep die kenmerkend is voor gevarieerde bosgebieden, vaak met een afwisseling met opener terreindelen zoals stuifzand of heide. Vooral grotere aaneengesloten gebieden zijn vanwege de rust in het broedseizoen geschikt. Een soortgroep die kenmerkend is voor natte/vochtige terreinomstandigheden en een afwisselende begroeiing, zoals moerasbos, rietmoeras, ruige oevers, slootkanten, natte graslanden e.d. Een soortgroep die kenmerkend is voor natte terreinomstandigheden. Dagvlinders zijn in een aantal gevallen gebonden aan specifieke vegetaties en de daarin voorkomende waardplanten. Net als planten/plantengemeenschappen komt deze soortgroep zowel voor in bos- en natuurgebied als in het agrarisch gebied waarbij een kleinschalige en gevarieerde inrichting van belang is.
Een soortgroep die betrekking heeft op individuele plantensoorten of op plantengemeenschappen die kenmerkend zijn voor natuur- en bosgebieden, met name in de beekdalen en heidegebieden (vennen), maar ook in kleine landschapselementen, slootkanten e.d. in het agrarisch gebied. Een soortgroep die kenmerkend is voor het relatief kleinschalig cultuurlandschap, waarin veel landschapselementen alsmede ruige slootkanten, wegbermen e.d. voorkomen, of onderdelen van het cultuurlandschap die liggen in de nabijheid van grotere natuur- en/of bosgebieden. Soortgroep die kenmerkend is voor het relatief grootschalige en open cultuurlandschap, waarbij in het broedseizoen, lopend van 1 maart 15 juni, m.n. rust, een relatief groot graslandareaal en, in mindere mate, een relatief hoge grondwaterstand belangrijk zijn. Waarden in verband met een specifieke waterhuishoudkundige situatie voor daaraan gebonden organismen (planten en dieren), leefgemeenschappen en potenties voor de ontwikkeling daarvan, met daarbij behorende kwantitatieve aspecten (zoals hoge waterstand, stabiel waterpeil) en/of kwalitatieve aspecten (voedselarm, onvervuild), zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang.
Tabel 3: Verschillende waarden binnen de functie Natuur.
20
4.2.2 Landschap Ook voor de landschapswaarden kan een verfijning worden aangebracht, te weten: Verfijning Omschrijving landschappelijke/ abiotische waarden Aardkundig waardevol
Cultuurhistorisch waardevol
Waarden die samenhangen met de geologische, geomorfologische en/of bodemkundige kenmerken en ontstaanswijze van een gebied, zoals bodemopbouw en -samenstelling, hoogteverschillen en de daarmee samenhangende waterhuishouding. Waarden die samenhangen met de nalatenschap van de mens, door zijn aanwezigheid en activiteiten in het verleden, zichtbaar in het huidige landschap. Hierbij gaat het om archeologisch, historischlandschappelijk, historisch- geografisch en/of historisch- bouwkundig waardevolle zaken, zoals archeologische elementen, beplanting, reliëf (bijvoorbeeld bolle akkers), verkaveling, slotenpatroon en bebouwing.
Beslotenheid/
De beslotenheid van het landschap wordt belichaamd door
Bosrandsituaties
houtwallen en -opstanden en bomenrijen langs wegen en
Openheid/grootschalig jong ontginningspatroon
paden. Waardevolle open gebieden zijn gebieden zonder bebouwing. De relatief kleinschalige oude akkers zijn geheel open. Hier moet ook de beplanting zeer zuinig en alleen in de randen worden toegepast. In de weidse open gebieden in de jonge ontginningen kan wel beplanting voorkomen (zoals de versterkte lanenstructuur), maar het gebied mag niet dicht beplant worden.
Tabel 4: Verschillende waarden binnen de functie Landschap.
4.3 Gebiedsbeschrijving deelgebied 4 Dit bestemmingsplan heeft betrekking op deelgebied 4 van het buitengebied van Someren. In het plangebied liggen geen Natura 2000-gebieden. In de omgeving van het plangebied liggen meerdere Natura 2000-gebieden; de Groote Peel, Strabrechtse Heide & Beuven en Weerter- en Budelerbergen & Ringselven. 4.3.1 Landschapstypen In het deelgebied komen verschillende landschapstypen voor (zie figuur 3). Het oostelijke en westelijke gedeelte van het plangebied bestaat uit het Beekdallandschap. In het midden van het plan gebied bevindt zich Heide- en Boslandschap, met daaromheen een ring van Kampenlandschap. In het noorden van het plangebied bevindt zich Oudere Heideontginningen. Deze landschapstypen zijn beschreven in het beeldkwaliteitsplan voor het buitengebied (zie ook paragraaf 3.2).
21
Figuur 3 Gebiedsindeling landschap (Beeldkwaliteitsplan Buitengebied 2011)
Het ‘Kampenlandschap’ is een cultuurhistorisch kleinschalig en halfopen landschap. De verdeling van het landschap is onregelmatig en er zijn veel structuurelementen aanwezig. Oorspronkelijk zijn er in het Kampenlandschap veel houtwallen, hagen, boomsingels en beplanting aanwezig. Daarnaast liggen in dit gebied oude akkers die vrij van bebouwing en beplanting zijn. Bij ontwikkelingen is het wenselijk aan te sluiten bij de kleinschaligheid van het landschap. De ‘Oude Heideontginningen’ vormen een overgangslandschap van gronden die tot ongeveer 1910 ontgonnen zijn. De landschappelijke lijnen zijn minder organisch dan die van het Kampenlandschap en de schaal is iets groter, maar ook in dit landschap hoort een rijke groenstructuur van houtwallen, lanen en bospercelen. Ontwikkelingen in deze ontginningen kunnen grootschaliger zijn dan in de oude landschappen, maar moeten begeleid worden door stevige houtwallen of bosstroken. Het ‘Beekdallandschap’ bestaat uit laag gelegen, natte en kleinschalige landschappen. Omdat de beekdalen gevoelig zijn voor hoog water, zijn deze gebieden van oudsher minder voor bebouwing geschikt. De meeste beken in de gemeente Someren zijn tot rechte sloten en watergangen vergraven en er is nog maar weinig beplanting aanwezig. Nieuwe bebouwing is niet wenselijk in deze gebieden.
Het ‘Heide- en Boslandschap’ bestaat ten slotte uit uitgestrekte natte en droge heidegebieden met een aantal grote vennen in de bossen. Transformatie van naaldbos naar gemengd loofbos is gewenst. Cultuurhistorische waarden zijn in dit landschap belangrijk en moeten hierbij gewaarborgd blijven. Daarom staan behoud, beheer en versterking van de natuur- en landschappelijke waarden in dit gebied centraal. Functioneel wordt over het algemeen alleen extensieve recreatie als gebruik toegestaan.
22
4.3.2 Het kanaal de Zuid- Willemsvaart Door deelgebied 4 stroomt de interregionale waterweg de Zuid- Willemsvaart. Dit kanaal is in de 19e eeuw gegraven als korte scheepvaartverbinding voor turf tussen Zuidoost-Brabant en de Maas bij ’sHertogenbosch. Hedendaags heeft de Zuid-Willemsvaart nog steeds een belangrijke functie voor de scheepvaart, gezien het kanaal onderdeel uit maakt van het hoofdvaarwegennet. Het classificeren van de vaarwegen voor de scheepvaart is afgestemd op Europees niveau in zogeheten CEMT-klassen: de Zuid-Willemsvaart is als rijksvaarweg ingedeeld als een CEMT-klasse III. Voor deze CEMT-klasse geldt volgens het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) een vrijwaringszone van 20 meter aan weerszijden van de vaarweg. In deze vrijwaringszone van de Zuid-Willemsvaart komen een aantal bijzondere plantensoorten voor, die veelal kenmerkend zijn voor het rivierengebied. Voorbeelden zijn echte karwij, Kruisbladwalstro, Geel walstro en Kleine bevernel. De Zuid-Willemsvaart heeft een functie als migratieroute voor diverse diergroepen, zoals dagvlinders, bosvogels en vleermuizen. Mede hierdoor is de Zuid- Willemsvaart aangewezen als ecologische verbindingszone. Binnen deze gebiedsaanduiding moet een omgevingsvergunning worden aangevraagd voor het aanbrengen van verhardingen die groter zijn dan 100 m².
Daarnaast is het niet toegestaan om in deze zone te bouwen zonder dat er wordt afgeweken middels een omgevingsvergunning. Het kanaal maakt ook deel uit van de Natuur Netwerk Nederland die door de provincie Noord-Brabant is opgenomen in de Interim omgevingsverordening (IOV). Vanwege deze ecologische waarden heeft het kanaal een dubbelbestemming ‘Waarde – Ecologie’. Hiermee wordt geborgd dat de gronden mede bestemd zijn voor herstel, instandhouding, versterking en duurzame ontwikkeling van de natuurlijke en landschappelijke waarden. Door deze bijbehorende regels op te nemen in dit bestemmingsplan, worden ook in de toekomst de waarden van de Zuid- Willemsvaart blijvend meegenomen in overwegingen betreffende ontwikkelingen in het gebied. De gebieden rondom de Zuid-Willemsvaart, de Goorloop en de Vleutloop hebben overwegend de bestemmingen ‘Agrarisch met waarden – Abiotische waarden’, ‘Natuur’ en ‘Bos’. Daarnaast liggen er meerdere aanduidingen ter bescherming van de aanwezige waarde. Rond de Zuid-Willemsvaart, Goorloop en Vleutloop komen onder andere de volgende aanduidingen voor: • ‘Specifieke vorm van waarde - aardkundig waardevol’: deze aardkundige waarden hebben betrekking op het reliëf en de bodemopbouw ter plaatse.
Deze aanduiding is opgenomen om bijvoorbeeld de beekdalranden, de steilranden en microreliëf, te beschermen; • ‘Waarde - Ecologie’: deze zones maken onderdeel uit van het Natuur Netwerk Brabant of vallen onder het regime van de Wet natuurbescherming; • ‘Specifieke vorm van waarde – hydrologisch waardevol’: Deze gronden zijn bestemd voor het behoud, herstel en de ontwikkeling van de aanwezige hydrologische waarden. • ‘Waterstaat – Reserveringsgebied waterberging’: deze zones mogen in de toekomst mogelijk in aanmerking komen om te worden ingericht als waterbergingsgebied. • ‘Waterstaat – Waterbergingsgebied’: het waterbergingsgebied omvat het bestaand inundatiegebied. Dit is een gebied dat onder water gezet kan worden om elders overstromingen te voorkomen. • ‘Waarde – Archeologie’: dit zijn zones waar rekening moet worden gehouden met de aanwezigheid van archeologische resten die nader aandacht vragen. Door het toekennen van deze aanduidingen en bijbehorende regels, worden ook in de toekomst de waarden van dit landschap blijvend meegenomen in overwegingen betreffende ontwikkelingen in het gebied.
23
4.3.3 Biodiversiteit en landschappelijke inpassing In voorkomende gevallen is er bij ontwikkelingen sprake van landschappelijke inpassing en soms zelfs van het toevoegen van extra waardevolle landschapselementen. Enerzijds om functies en bouwpercelen in de omgeving in te passen, anderzijds om ook de biodiversiteit voor de lange termijn te bevorderen. De gemeente Someren is van mening dat een bestemming ‘Bos’ of ‘Natuur’ pas toepasbaar is als het gaat om grotere en specifiek van ander gebruik uitgesloten gebieden. De hoofdbestemming ‘Groen’ vindt de gemeente onwenselijk. Dit impliceert vaak stedelijk groen met het nodige multifunctionele gebruik dat daar bij hoort. Deze suggestie wil de gemeente niet wekken bij deze categorie groene elementen. Er is bewust voor gekozen om dergelijke landschappelijke inpassingen niet apart te bestemmen, maar op te nemen binnen de hoofdbestemming. Indien er sprake is van een uitvoeringsverplichting en instandhoudingsplicht, dan is / wordt dat geborgd via een beperkende functieaanduiding binnen die hoofdbestemming met de aanduiding: ‘landschappelijke inpassing’.
4.4 Eisen aan leefomgeving en mogelijke effecten 4.4.1 Eisen aan de leefomgeving Er is onderscheid te maken tussen plant- en diersoorten waarvoor het agrarisch gebied geldt als belangrijkste habitat en soorten voor wie bos- en natuurgebieden tot de voornaamste leefomgeving behoren. In deelgebied 4 komen zowel agrarische gebieden als natuur- en bosgebieden voor. Eisen aan leefomgeving soorten in het agrarisch gebied Een groot deel van de soorten die voorkomen in het agrarisch gebied (ontginningsgebieden) leeft vooral in en om landschapselementen. Het belang van het agrarisch leefgebied voor de verwachte soorten is in de volgende alinea’s nader toegelicht. Vaatplanten In het agrarisch gebied kunnen diverse beschermde vaatplanten voorkomen. Drijvende waterweegbree komt behalve in natuurgebieden (vennen en dergelijke) incidenteel ook voor in sloten en beken in het agrarisch gebied. Blaasvaren kunnen groeien op bouwwerken zoals oude muren, waterkeringen en waterputten. Op basis van regionale verspreidingsgegevens kunnen enkele akker(on)kruiden (bijvoorbeeld dreps) in potentie voorkomen in het plangebied. Echter, door het intensief beheerde karakter van de agrarische grond in het plangebied wordt de aanwezigheid van deze groep planten uitgesloten.
Grondgebonden zoogdieren Een aantal grondgebonden zoogdieren kan voorkomen in het agrarisch gebied, waaronder de steenmarter, boommarter, wezel, hermelijn en eekhoorn. De steenmarter heeft onder meer verblijfplaatsen in gebouwen zoals agrarische schuurtjes. De hermelijn en de wezel hebben een divers scala aan verblijfplaatsen in holen, zoals oude konijnen- of muizenholen, onder boomwortels, maar ook in oude gebouwen en schuren. Ze foerageren vaak op randzones tussen bos en agrarisch gebied en maken gebruik van lijnelementen zoals watergangen en structuren met voldoende dekking zoals houtwallen. De boommarter en de eekhoorn hebben verblijfplaatsen in bomen, maar foerageren net zoals de das in het agrarisch gebied.
24
Vleermuizen Diverse vleermuissoorten kunnen aanwezig zijn in het agrarisch buitengebied. Een deel van deze soorten maakt gebruik van bebouwing als vaste rust- en verblijfplaats. Daarnaast kunnen alle genoemde soorten gebruik maken van bijvoorbeeld bomenrijen in het agrarisch gebied als vliegroute of als foerageergebied. Vogels met jaarrond beschermde nesten (categorie 1 tot en met 4) In het agrarisch buitengebied kunnen een aantal vogelsoorten broeden waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn. Zo broeden de steenuil en kerkuil in hoge bebouwing en de huismus en gierzwaluw in en onder dakbedekking. De roek, de buizerd en de ransuil broeden in hoge bomen, zoals in houtwallen in het agrarisch gebied. De ooievaar broedt op hoge bouwwerken zoals schoorstenen, of op palen. Amfibieën Soorten zoals de alpenwatersalamander, de kamsalamander en de poelkikker komen, behalve in natuurgebieden, soms ook voor in het agrarisch gebied. Hierbij worden sloten, poelen en overhoeken als leefgebied gebruikt. Daarnaast kan de rugstreeppad voorkomen in het agrarisch buitengebied. Deze soort bevolkt relatief makkelijk tijdelijke habitats, met name wanneer sprake is van ondiepe wateren en vergraven zandige terreinen zoals bij braakliggende bouwterreinen.
Vissen De grote modderkruiper kan incidenteel voorkomen in waterlopen in het agrarisch gebied, meestal in de wat bredere watergangen met een goed ontwikkelde water- en oevervegetatie. Eisen aan leefomgeving soorten in het natuur- en bosgebied Het natuur- en bosgebied herbergt onderstaande natuurwaarden: Amfibieën en reptielen Een soortgroep die kenmerkend is voor gevarieerde gebieden, vaak met een afwisseling van natte en droge terreindelen. Specifiek voor amfibieën (kikkers, padden, salamanders) is de aanwezigheid van open water van belang, gezien het water dient als voortplantingsbiotoop. In het agrarisch gebied is de soortgroep afhankelijk van kleine landschapselementen (bosjes, houtwallen, poelen), ruige slootkanten, wegbermen e.d. Planten en plantgemeenschappen Een soortgroep die betrekking heeft op individuele plantensoorten of op plantengemeenschappen die kenmerkend zijn voor natuur- en bosgebieden, met name in de beekdalen en heidegebieden (vennen) maar daarnaast ook voor kleine landschapselementen, slootkanten e.d. in het agrarisch gebied. 4.4.2 Directe en indirecte effecten Ingrepen in het plangebied kunnen een mogelijk effect hebben op de aanwezige waarden. Deze effecten kunnen op verschillende manieren optreden. De effecten zijn te verdelen in directe en indirecte effecten: Directe effecten - Oppervlakteverlies en versnippering van natuur;
25
-
Verandering populatiedynamiek en bewuste verandering soortensamenstelling; Kap of snoei van vegetatie; Aantasten of verwijderen van verblijfplaatsen.
Indirecte effecten (externe werking) - Verontreiniging; - Verstoring door geluid, licht, trilling of optische verstoring; - Verzuring of vermesting t.g.v. stikstofuitstoot veehouderijen en verkeer - aantrekkende werking. In het bestemmingsplan zijn regels opgenomen om te voorkomen dat de aanwezige waarden in het landschap worden aangetast. Bij elke ontwikkeling dient de afweging gemaakt te worden in welke mate deze de natuur- en/of landschapswaarden in het gebied aantasten. Daarom zijn op voorhand de eerder genoemde aanduidingen opgenomen om de bestaande waarden te beschermen.
4.5 Wijze van bestemmen op basis van omgevingskwaliteiten Het buitengebied is opgedeeld in diverse gebiedsbestemmingen omgevingskwaliteiten: - Natuur (zie paragraaf 4.6.1); - Bos (zie paragraaf 4.6.2); - Agrarisch met waarden - Abiotische waarden (zie paragraaf 4.6.3); - Agrarisch met waarden - Landschapswaarden (zie paragraaf 4.6.4); - Agrarisch (zie paragraaf 4.6.5).
met
betrekking
tot
Het onderscheid tussen diverse agrarische gebieden met waarden en overig agrarisch gebied is gebaseerd op de aanwezigheid van omgevingskwaliteiten, beplantingselementen, waterhuishouding, hoogteverschillen, rustige omstandigheden, onverharde wegen en openheid. Deze specifieke waarden die aanwezig zijn in het buitengebied van Someren zijn reeds in de voorgaande bestemmingsplannen gewaardeerd en in de regels verwerkt. Er is geen aanleiding om in deze herziening van deelgebied 4 deze waarden te heroverwegen en het beleid aan te passen. De gebiedsbestemmingen uit het bestemmingsplan Buitengebied Someren (2011) zijn dan ook overgenomen. Onafhankelijk van de uiteindelijke gebiedsbestemmingen, die de gronden krijgen, wordt een extra bescherming opgenomen voor de gronden met bijzondere landschapswaarden. Door middel van differentiatievlakken worden extra regels opgenomen, die moeten voorkomen dat de aanwezige waarden worden aangetast, of erger nog, verloren gaan. In het plangebied deelgebied 4 zijn onderstaande landschapswaarden expliciet aangeduid: - specifieke vorm van waarde - aardkundig waardevol - specifieke vorm van waarde - cultuurhistorisch waardevol - specifieke vorm van waarde - visueel waardevol; openheid
26
Figuur 4 Specifieke waarden (Bestemmingsplan Buitengebied Someren 2011)
De natuur- en landschapswaarden zijn verder niet specifiek aangeduid op de verbeelding, uitgezonderd ‘hydrologisch waardevol’, omdat alle afzonderlijke waarden beschermd worden met dezelfde bouwregels, verbodsbepalingen en een stelsel voor een omgevingsvergunning voor werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden. Tevens geldt dat, indien natuurwaarden voorkomen, niet ook nog eens de landschapswaarden zijn weergegeven, omdat de bescherming van de natuurwaarden prioriteit heeft boven, en ook voldoende wordt geacht voor de bescherming van, de landschapswaarden. Om aanvragen van een omgevingsvergunning voor werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden (voorheen de aanlegvergunning) en gebruiksverboden van de bestemmingsregels te kunnen toetsen is een verfijning van de natuurwaarden weergegeven in figuur 4: Specifieke waarden. In deze afbeelding zijn ook de specifieke landschapswaarden aangegeven.
27
4.6 Beschrijving gebiedsbestemmingen In deze paragraaf worden de gebiedsbestemmingen beschreven. Daarbij is steeds een onderscheid te maken in de onderdelen ‘Algemeen’ en ‘Beleid’. 4.6.1 Natuur Algemeen In deze bestemming zijn de bestaande natuurgebieden opgenomen en de eigendommen van natuurbeherende instanties. In het plangebied deelgebied 4 zijn er ook enkele natuurbestemmingen in particulier eigendom. Beleid Voor de bestemming Natuur is het beleid gericht op: - behoud, herstel en/of ontwikkeling van natuurgebieden in het algemeen en in het bijzonder afhankelijk van de omgeving in de vorm van amfibieën en reptielen, bosvogels, moerasvogels, dagvlinders, planten en plantengemeenschappen en struweelvogels; - behoud, herstel en/of ontwikkeling van abiotische en landschapswaarden; - waterhuishoudkundige doeleinden ten behoeve van de natuurwaarden in het algemeen en van de op de verbeelding aangeduide hydrologische waarden in het bijzonder; - eventueel in combinatie met extensief recreatief medegebruik. 4.6.2 Bos Algemeen In deze bestemming zijn de bestaande bosgebieden opgenomen. Het betreft in deelgebied 4 meerdere percelen.
Beleid Voor de bestemming Bos is het beleid gericht op: - bosbouwkundige doeleinden ten behoeve van het behoud van duurzaam bos ter plaatse en behoud van de groeiplaats; - eventueel extensief recreatief medegebruik; - het behoud, herstel en/of ontwikkeling van natuurwaarden, abiotische en landschapswaarden voor zover aanwezig en aangeduid; - waterhuishoudkundige doeleinden ten behoeve van de genoemde doeleinden. 4.6.3 Agrarisch gebied met abiotische waarden Algemeen Een deel van de agrarische gronden ten westen gelegen ten opzichte van de Zuid-Willemsvaart en de gebieden rondom de Goorloop en de Vleutloop hebben in deelgebied 4 de bestemming Agrarisch met abiotische waarden. De bestemming ‘Agrarisch met waarden - Abiotische waarden’ wordt toegekend in gebieden waar actuele of potentiële waarden liggen in de vorm van aardkundige en/of hydrologische waarden, overgangen tussen natte en droge gronden of een strategische ligging tussen bestaande bos- of natuurgebieden.
28
Beleid Het bestemmingsplan is niet gericht op het actief realiseren van natuurontwikkeling. Het reikt slechts het planologische kader aan. Dit gaat enerzijds om het tegengaan van ongewenste ruimtelijke ontwikkelingen in deze gebieden, zoals het ontstaan van nieuwe bouwlocaties. Anderzijds gaat het om het intact laten van de potenties van deze gebieden, gekoppeld aan actuele abiotische omstandigheden of ligging, via een (beperkte) regulering van het grondgebruik. Dit om op kortere of langere termijn een onttrekking aan de landbouw, op vrijwillige basis, en een omvorming tot een groter samenhangend aaneengesloten natuurgebied niet onmogelijk te maken. Hiermee samenhangend geldt voor gedeelten van deze bestemming, die worden gekenmerkt door ‘nattere’ terreinomstandigheden, de aanduiding ‘hydrologisch waardevol’. Deze gronden zijn bestemd voor het behoud, herstel en de ontwikkeling van de aanwezige hydrologische waarden. De gebieden binnen de bestemming ‘Agrarisch met waarden - Abiotische waarden’ behouden, naast het bestaande en voort te zetten agrarische gebruik, tevens potenties voor natuurontwikkeling. Het streven is tenminste een stand-still. Agrarisch grondgebruik, al dan niet bedrijfsmatig, is toegestaan. Echter is het verplicht om voor een aantal werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden een omgevingsvergunning (voorheen aanlegvergunning) aan te vragen.
Op basis van de flexibiliteitbepalingen (afwijken en wijziging) zijn er locatie gebonden ontwikkelingsmogelijkheden. De aanvaardbaarheid van ontwikkelingen op een bepaalde locatie wordt mede beoordeeld op basis van het beeldkwaliteitsplan. Voor de locaties waar een agrarisch bedrijf wordt uitgeoefend, geldt de afzonderlijke bestemming ‘Agrarisch - Agrarisch bedrijf’. 4.6.4 Agrarisch gebied met landschapswaarden Algemeen Een groot deel van het plangebied rondom het bosgebied in het midden en een deel in het noorden van het deelgebied heeft de bestemming ‘Agrarisch met waarden - Landschapswaarden’. In het algemeen is bij het weergeven van de landschapswaarden geprobeerd om de grotere structuren naar voren te laten komen en in het veld herkenbare grenzen te gebruiken die van belang zijn, zodat geen versnipperde regelgeving optreedt. In de gemeente Someren zijn de landschapswaarden onder te verdelen in: - aardkundig waardevol; - cultuurhistorisch waardevol; - openheid/grootschalig ontginningspatroon; - beslotenheid/bosrandzone. Beekdalen en aanliggende overgangen naar de hogere gronden zijn zoveel mogelijk begrensd op wegen, waterlopen, perceelgrenzen en andere logische topografische grenzen met de aanduiding ‘aardkundige waarden’. Beleid Binnen deze bestemming geldt als doelstelling een duurzaam agrarisch gebruik; de hoofdfunctie is landbouw.
Voor het agrarische bodemgebruik wordt gestreefd naar het bereiken van een algemene milieukwaliteit met een duurzaam evenwicht op lange termijn ten opzichte van het fysieke milieu.
29
Tevens geldt het behoud/herstel van de landschapswaarden en de mogelijkheid voor extensief recreatief medegebruik. 4.6.5 Agrarisch gebied Algemeen Waar geen of betrekkelijk geringe waarden voorkomen heeft het gebied de bestemming ‘Agrarisch’ gekregen. De uitoefening van het agrarisch bedrijf staat hier voorop. Er zijn geen te behouden bijzondere natuur- en/of landschapswaarden aanwezig. Beleid Binnen deze bestemming is het bereiken van een duurzaam agrarisch gebruik wenselijk en realiseerbaar. Voor het agrarische grondgebruik wordt gestreefd naar het bereiken van een algemene milieukwaliteit met een duurzaam evenwicht op lange termijn ten opzichte van het fysieke milieu. De hoofdfunctie is landbouw, derhalve kan er geen sprake zijn van conflicterende belangen binnen deze bestemming. Met deze reden hoeft er geen belangenafweging plaats te vinden en zijn het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden niet gebonden aan een omgevingsvergunning.
4.7 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk en werkzaamheden Om de natuur- en landschapswaarden te beschermen bevatten de diverse gebiedsbestemmingen een vergunningstelsel voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden. 4.7.1 Niet vergunningplichtig Voor werkzaamheden op gronden met de bestemming ‘Agrarisch - Agrarisch bedrijf’ geldt geen vereiste van een omgevingsvergunning. Werkzaamheden in het kader van normaal onderhoud en beheer zijn in principe ook niet-vergunningplichtig. Het betreft hier het reguliere onderhoud, dat gelet op de bestemming noodzakelijk is voor een goed beheer en gebruik van de gronden en gebouwen die tot de betreffende bestemming behoren. Voorbeelden van normaal beheer en onderhoud zijn: Normaal agrarisch- en recreatief gebruik - maaien, beweiden en bemesten van grasland; - verbeteren van het grasland door het scheuren van de grasmat en het direct - opnieuw inzaaien; - ploegen en cultiveren van bouwland; - verbouwen van akkerbouwgewassen, zoals maïs in wisselteelt; - maaien en schonen van sloot en slootkant; - vervangen van en onderhoud aan drainage; - open houden van paden en wegen door maaien, snoeien of klepelen; - het aanleggen van wegen ter directe ontsluiting van een agrarisch bouwperceel.
30
Normaal landschapsonderhoud - het periodiek uitdunnen en snoeien van houtwal of singel; - knotten van bomen; - opvullen van open plekken in houtwal of singel; - het periodiek maaien van gras- en rietlanden ter instandhouding van deze natuurdoeltypen. Normaal bos- en natuurbeheer - uitdunnen: kappen van bomen ter instandhouding van houtopstanden (meer dan 60% van de kroonbedekking blijft over); - verwijderen van dode bomen; - begaanbaar maken van een bestaand pad; - aanplanten van nieuwe bomen; - plaggen van heide; - het plaatsen van afrasteringen ter voorkoming van wildschade; - trekken van uitsleeppaden; - al die werkzaamheden die tot bosinstandhouding en bevordering van de vitaliteit van het bos dienen. Normaal beheer primaire groenstructuren - het verwijderen van dode bomen; - het verwijderen van gevaarlijke bomen volgend uit visuele boomcontrole (VTA); - het verwijderen van bomen vanuit beheeroogpunt, ontwikkelingsruimte voor de te - behouden bomen en met behoud van de bomenstructuur; - vrijhouden van kruisingen en splitsingen conform beleid. Het vervangen van de bomen in de hoofdstructuur is alleen toegestaan onder de voorwaarde dat voorafgaande aan de kap het terug planten van een bomenstructuur op dezelfde locatie geborgd is. 4.7.2 Vergunningplichtige werken Vergunningplichtige werkzaamheden zijn zwaarder van aard dan de normale onderhoudswerkzaamheden.
Ze vinden doorgaans minder frequent plaats, soms zelfs éénmalig. Deze ingrepen kunnen aanzienlijke gevolgen hebben voor de waarden van natuur en landschap. Dergelijke ingrepen kunnen ook de belangen van agrariërs of omwonenden schaden. Daarom is het noodzakelijk de gevolgen van de ingreep te beoordelen en moet de uitvoerder van de ingreep een vergunning aanvragen. De afwegingscriteria voor de toetsing van een aanvraag komen in de volgende paragraaf aan de orde. Na beoordeling van een aanvraag zijn er drie mogelijkheden: 1. De ingreep is zonder meer toegestaan: Het is te verwachten dat door de geplande ingreep geen beïnvloeding van waarden en/of belangen plaatsvindt. De vergunning kan derhalve verleend worden. 2. De ingreep is onder voorwaarden toegestaan: Het is te verwachten dat waarden en/of belangen in bepaalde mate worden beïnvloed wanneer een ingreep wordt uitgevoerd. Om aantasting te voorkomen, kunnen voorwaarden
31
gesteld worden. Het kan gaan om voorwaarden met betrekking tot de locatie, de omvang, de aard of de periode van de geplande ingreep, alsmede de mogelijkheden voor compensatie. 3. De ingreep is niet toegestaan: De geplande ingreep tast waarden en/of belangen in belangrijke mate aan. Er kunnen geen nadere voorwaarden worden gesteld. Burgemeester en wethouders verlenen in dit geval geen vergunning. Afwegingscriteria Bij de toetsing van een aanvraag voor een vergunning speelt een aantal afwegingsaspecten een rol. De afweging heeft betrekking op de doelmatigheid van een activiteit voor de aanvrager in relatie tot de te verwachten schadelijke effecten op de aan het gebied gegeven bestemming en waarden. Eventuele schadelijke effecten moeten zoveel mogelijk worden voorkomen door het stellen van nadere voorwaarden, zoals fasering, beperking van de oppervlakte en compenserende maatregelen. Eén en ander zal moeten worden geregeld in overleg met de aanvrager. De algemene criteria voor de afweging van de economische doelmatigheid en het maatschappelijk belang van de geplande activiteit zijn: ➢ De locatie van de geplande activiteit: Bij dit criterium komt de vraag aan de orde of de te verwachten nadelige effecten van de geplande activiteit wellicht minder zijn indien de activiteit op een andere locatie wordt uitgevoerd.
Indien de doelmatigheid van de activiteit daardoor niet wordt geschaad, kan uitvoering van de activiteit op een andere locatie de voorkeur hebben. ➢ De omvang van de activiteit: Dit punt betreft het oppervlak waarop de activiteit zou moeten worden uitgeoefend alsmede de reikwijdte van de effecten van de activiteit binnen de bestemming. Indien de geplande activiteit op een kleiner oppervlak minder schadelijke effecten of een kleinere reikwijdte heeft, kan bezien worden of de activiteit op een kleiner oppervlakte kan plaatsvinden. ➢ De aard van de activiteit: De wijze waarop de werkzaamheden worden uitgevoerd en het beoogde effect daarvan dienen nauwkeurig omschreven te zijn. Uitgangspunt is dat uitvoering van de activiteit zodanig plaatsvindt dat de schadelijke effecten minimaal zijn. ➢ De periode waarin de activiteit wordt ondernomen: Het kan voorkomen dat een activiteit in sommige maanden van het jaar minder of juist meer schadelijk is, waardoor het de voorkeur verdient de activiteit in die periode uit te voeren waarin deze de minst schadelijke effecten veroorzaakt. ➢ De mogelijkheden voor herstel en compensatie: Het is mogelijk dat een schadelijke ingreep hersteld of gecompenseerd wordt, bijvoorbeeld door de waarden die verloren gaan door de activiteit op dezelfde of op een andere plaats te realiseren.
Uitgangspunt is dat waarden gecompenseerd worden, als dat in redelijkheid mogelijk is. ➢ De gevolgen voor de aanwezige waarden op en rond de locatie van de activiteit: Activiteiten mogen alleen uitgevoerd worden als met het uitvoeren van deze werken of werkzaamheden geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de waarden en kwaliteiten van de desbetreffende gronden of voor zover de mogelijkheden voor herstel niet (onevenredig) worden verkleind, zoals omschreven in de (dubbel)bestemming met eventuele aanduiding, in
32
de specifieke erfbeplantingsplannen en/of en in het beeldkwaliteitsplan Buitengebied Someren (2011). In onderstaande tabel zijn per ingreep de (beoogde) effecten en mogelijke gevolgen voor natuur-, landschaps-, cultuurhistorische, ecologische en hydrologische waarden beschreven. Werk
Betreft
(Beoogde) effecten
Mogelijke gevolgen voor natuur-, landschaps-, cultuurhistorische, ecologische en hydrologische waarden