CConstaterende datSoest
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Totaalplan met bijlagen

Besluitvormende Raadsvergadering 13 oktober 2022, gemeente SoestBij agendapunt: Ontwerp bestemmingsplan Partiële herziening bestemmingsplan Landelijk gebied, Lange Brinkweg 8724.230 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Bomenstructuren zijn onder meer lanen, oude houtwallen, parken en bos- en natuurgebieden die bepalend zijn voor het groene karakter van Soest. Bomenstructuren versterken de opzet en de identiteit van de gemeente. Daarnaast vertellen zij iets over het aanwezige landschap en onderstrepen de cultuurhistorische achtergrond van het gebied. Binnen de bomenstructuur is een omgevingsvergunning voor het kappen nodig, indien de houtopstand een stamomtrek heeft van minimaal 30 centimeter, gemeten op 1,3 meter boven maaiveld. De bomen staan in het openbaar gebied buiten het onderhavige plangebied. De planontwikkeling heeft derhalve geen invloed op de bomenstructuur.

Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 87

27

In de Nota Parkeernormen auto en fiets 4e herziening, die op 14 oktober 2021 is vastgesteld, is het parkeerbeleid van de gemeente Soest verwoord. Op basis van de parkeernormen wordt berekend hoeveel autoparkeerplaatsen benodigd zijn voor een bepaalde ontwikkeling; de parkeereis. Aan deze parkeereis moet minimaal worden voldaan. Het is altijd toegestaan om meer parkeerplaatsen te realiseren dan het aantal dat wordt vastgelegd in de parkeereis. Bij woningbouw moet (een deel van) de autoparkeerplaatsen voor bezoekers openbaar zijn. Bij een ontwikkeling van 3 of meer woningen moet per 3 woningen ten minste 1 parkeerplaats openbaar zijn. Afbeelding 12: Parkeernormen woningbouw.

Uit paragraaf 2.3.4 blijkt dat er voldoende parkeergelegenheid beschikbaar is, om aan de parkeernormering uit de beleidsnota te voldoen. Afbeelding 13: Berekeningswijze parkeren.

Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 87

28

De gemeenteraad van Soest heeft op 6 februari 2020 het Programma Energietransitie 20202025 vastgesteld. In dit programma zijn de doelstellingen voor de programmaperiode tot en met 2025 vastgelegd en zijn de bijbehorende projecten gezamenlijk bepaald. Het programma is opgebouwd aan de hand van de pijlers wonen, werken, mobiliteit en gemeente als voorbeeld. Daarnaast zijn er projecten gedefinieerd voor energieopwekking. Deze projecten zijn van invloed op alle pijlers. Ook maakt het strategisch communicatieplan onderdeel uit van het programma. Met dit programma wordt een vervolg gegeven aan wat er met het Gemeentelijk Duurzaamheidsplan 2016 – 2020 in gang is gezet. Alle nieuwbouwprojecten moeten voldoen aan het bouwbesluit. In het Bouwbesluit is vastgelegd dat alle nieuwe gebouwen aardgasvrij moeten worden gerealiseerd en minimaal moeten voldoen aan de BENG vereisten (Bijna energieneutrale gebouwen). De BENG-eisen zijn een aanscherping ten opzichte van de EPC. In BENG wordt de energieprestatie van een gebouw uitgedrukt met drie indicatoren: ▪ BENG 1 Energiebehoefte: de hoeveelheid energie die een gebouw nodig heeft voor verwarming en koeling uitgedrukt in kWh per m² gebruiksoppervlakte per jaar. Deze indicator gaat over het beperken van de energievraag van het gebouw zelf.

Aandachtspunten: stedenbouwkundig ontwerp, oriëntatie, compact ontwerp, schilisolatie, luchtdichtheid, zomernachtventilatie, ventilatiesysteem en zonwering. ▪ BENG 2 Primair energiegebruik: de hoeveelheid fossiele brandstof in kWh per m2 gebruiksoppervlakte per jaar die nodig is voor verwarming, koeling, warm water en installaties. Let op: voor netstroom wordt het rendement van elektriciteitsproductie verrekend. Aandachtspunten: efficiënte installaties, warmteafgifte op lage temperatuur, warmwater met korte leidingen en warmteterugwinning en toepassing van hernieuwbare energie (ook BENG 3). ▪ BENG 3 Aandeel hernieuwbare energie: het percentage (in procenten) hernieuwbare energie van het totale energiegebruik. Aandachtspunten: toepassing van PV, zonneboiler, bodemenergie, omgevingswarmte, biomassa en externe warmtelevering (mits hernieuwbaar).

Op 21 december 2017 heeft de gemeenteraad van Soest het Gemeentelijk Water- en Rioleringsplan Soest-Baarn 2018-2022 vastgesteld. Het plan heeft betrekking op alle gemeentelijke watertaken (afvalwater, hemelwater en grondwater), het stedelijk oppervlaktewater en de integratie met de leefomgeving. Het plan beschrijft de achtergronden, het beleid, het programma en de financiën. Ook komen de rollen van gemeente, waterschap, bewoners en bedrijven aan bod. Daarnaast houdt het plan rekening met recente ontwikkelingen en het pas afgeronde technische onderzoek Basiswaterketenplan. Doelstelling is het maken van een duurzaam en robuust watersysteem en rioleringsstelsel, zodat deze de effecten van de klimaatverandering kunnen opvangen. Dit gebeurt in samenhang met andere ingrepen in de (stedelijke) omgeving, waarbij de kansen worden benut en effectgericht wordt gewerkt. Het hemelwater van de bebouwing zal niet worden aangesloten

Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 87

29

op de riolering. Het water dat op straat valt zal naar straatkolken worden geleid. In het plangebied zal hiervoor een gescheiden stelsel worden aangelegd tot aan de perceelsgrens. De riolering wordt daar aangesloten op het bestaande gemengde stelsel. Indien dit gemengde stelsel te zijner tijd wordt vervangen, kan zodoende de droogweerafvoer en hemelwaterafvoer van het plangebied op dit gescheiden stelsel worden aangesloten. Nieuwe ontwikkelingen worden 'waterneutraal' ontworpen (geen extra afvoer van hemelwater). Het afvalwater wordt als bron van grondstoffen en energie gezien. Waar kansen zich voordoen, maken we het afvalwater onderdeel van de circulaire economie. Het grond- en oppervlaktewaterbeleid richt zich op waterbestendig bouwen, zodat de natuurlijke waterhuishouding behouden blijft. Onder het motto wat groen is moet groen blijven probeert het gemeentebestuur het verharden van tuinen te beperken. Door de klimaatverandering zal hevige neerslag vaker voorkomen en nog heviger worden. Hierdoor neemt het risico op wateroverlast toe. Bewoners en bedrijven zullen vaker hinder ondervinden, maar de gemeente wil de kans op overlast beperken en waterschade zoveel mogelijk voorkomen. De gemeente zet het beleid voort om vuil water en schoon hemelwater te scheiden. Het schone hemelwater wordt van de riolering afgekoppeld.

Dit afkoppelen is duurzaam en nodig om de gemeente klimaatbestendig te maken. Voor nieuwbouw is de inzet om de ideale situatie steeds meer te benaderen op basis van de stand van de techniek. Dit vraagt om een vroegtijdige verbinding tussen disciplines als ruimtelijke ordening en stedelijk waterbeheer. De initiatiefnemer zal over de definitieve uitvoering in overleg treden met gemeente.

Alle lozingen van afvalwater op oppervlaktewater zijn gesaneerd. Het afvalwater wordt nu gezuiverd op de rioolwaterzuivering. De kwaliteit van het oppervlaktewater is hierdoor sterk verbeterd. Waterschap Vallei & Veluwe, als waterbeheerder, streeft ernaar om de kwaliteit van het oppervlaktewater nog verder te verbeteren. Voor een groot deel wordt de overgebleven verontreiniging van het oppervlaktewater veroorzaakt door diffuse bronnen, bijvoorbeeld metalen en bestrijdingsmiddelen. Het plan bevat een inventarisatie van diffuse bronnen en omschrijft hoe en wanneer de gemeente de diffuse bronnen aanpakt en hoe de gemeente de aanpak nog wil intensiveren.

In de Welstandsnota is de gemeente in verschillende gebieden ingedeeld. Het plangebied ligt in deelgebied VI: Buitengebied (zie afbeelding 14). Het buitengebied is één van de gebieden waarvoor een beeldkwaliteitplan opgesteld, dat geldt als welstandsnota. In het beeldkwaliteitplan zijn per deelgebied welstandscriteria aangegeven. Wanneer voldaan wordt aan de omschreven criteria mag een aanvrager ervan uit gaan dat bouwplannen voldoen aan de gestelde eisen van welstand. De welstandsnota gaat uit van 3 toetsingsniveaus, te weten:

Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 87

30

▪ Het hoge kwaliteitsniveau 1 Dit wordt door de Rijksdienst voor de Monumentenzorg gehanteerd voor Rijksmonumenten en objecten gelegen binnen het rijksbeschermde stads- en dorpsgezicht. ▪ Het bijzondere kwaliteitsniveau 2 Het bijzondere welstandstoezicht is gericht op het voorkomen van aantasting van de ruimtelijke karakteristieken en het versterken van de bestaande en/of gewenste kwaliteit. Voor nagenoeg het gehele beeldkwaliteitplan "Buitengebied" geldt het bijzondere kwaliteitsniveau 2. In nieuw te ontwikkelen gebieden is het welstandstoezicht gericht op het realiseren van de stedenbouwkundige kwaliteitsdoelstellingen. ▪ Het gewone, reguliere kwaliteitsniveau 3 Voor de militaire terreinen geldt het kwaliteitsniveau 3, het reguliere toezicht. Voor die gebieden waarvoor regulier welstandstoezicht wordt uitgeoefend geldt dat afwijkingen van de bestaande ruimtelijke structuur en ingrepen in de architectuur van de gebouwen zonder al te veel problemen kunnen worden gerealiseerd. De gemeente stelt in deze gebieden geen bijzondere eisen aan de ruimtelijke kwaliteit. Het welstandstoezicht is gericht op het handhaven van de basiskwaliteit van de gebieden. Het beeldkwaliteitplan gaat in op de bestaande en gewenste kwaliteit van de bebouwing, het erf en de omgeving.

Richtlijnen voor beeldkwaliteit worden gegeven op diverse niveaus en ten aanzien van diverse aspecten: ▪ algemene kenmerken plangebied; ▪ landschappelijke kwaliteiten per deelgebied; ▪ de stedenbouwkundige structuur van een weg met aanliggende bebouwing; ▪ de erfindeling en kavelinrichting per perceel; ▪ de vormgeving en kenmerken van de bebouwing; ▪ de detaillering van de bebouwing en inrichtingselementen zoals kleur en materiaalgebruik; ▪ de vormgeving en kenmerken van de beplanting. Voor het Buitengebied is het Beeldkwaliteitplan Buitengebied (2004) van kracht. In het beeldkwaliteitplan staan algemene criteria en gebiedsspecifieke criteria. Het plangebied behoort tot het Eemdalgebied. De Lange Brinkweg is aangeduid als dorpsrand. Bij de vormgeving van de dorpsrand van Soest dient gezocht te worden naar een zachte overgang van de bebouwde omgeving naar het landelijk gebied: ▪ Achterkanten van bebouwing dienen begeleid te worden door beplanting, zonder dat hierbij grote stenige massa's een dominante uitstraling hebben op het open buitengebied; ▪ Beperkt toepassen van inrichtingselementen die horen bij het buitengebied. Liever geen stalen, maar houten hekwerken. Geconstateerd wordt dat bij de bouw van nieuwe woningen in het buitengebied het type boerderij nagebootst wordt, zonder dat er sprake is van de ensemblewerking van de hoofden bijgebouwen.

In de kappen worden te veel toevoegingen gebruikt in de vorm van dakkapellen en insnijdingen.

Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 87

31

Afbeelding 14: Gebiedsindeling Welstandsnota.

De beeldvisie voor woningen is gericht op het introduceren van een nieuwe landschappelijke woonvorm die zijn inspiratie vindt in het archetype van de langgevelboerderij. In het buitengebied is het welstandsregime 'bijzonder welstandsniveau (2)' van toepassing. De criteria voor het Eemdalgebied waaraan zo'n woning moet voldoen zijn: ▪ Uitgaan van de ensemblewerking van hoofd- en bijgebouwen. De woning is met de voorzijde gericht naar de openbare ruimte. ▪ De woning bestaat uit één laag, met of zonder kap en heeft niet meer dan een beperkt aantal dakkapellen. ▪ De woning is voornamelijk gebouwd in baksteen. Eigentijdse materialen en oplossingen voor lichtinval e.d. zijn mogelijk. ▪ Er wordt aangesloten bij de kleuren die in het landelijk gebied voorkomen: aarde tinten voor de gevels, grijze of rode pannen daken of rieten daken en houtwerk hoofdzakelijk in zwart, bruin, wit en groen. ▪ Het gebruik van overbodige ornamenten wordt vermeden. Zo mogelijk een beeldtaal ontwikkelen die past bij de soberheid van het landelijk gebied. ▪ De erfinrichting van boerderijen en woonhuizen in het agrarisch buitengebied is belangrijk als schakel tussen de bebouwing en het open landschap.

▪ De erfinrichting dient aan te sluiten bij de oorspronkelijke sobere inrichting met verschil tussen een representatieve voorzijde (hagen, bloemperken) en een landschappelijke achterzijde (bosje, kavelgrensbeplantingen). ▪ Matig en passend gebruik van inrichtingselementen en verharding in het buitengebied. ▪ Hoofdzakelijk inheemse streekeigen beplanting toepassen, dus geen coniferen. Deze uitgangspunten zijn gebruikt bij het ontwerp van de te realiseren woningen (zie paragraaf 2.3.2) en uitgewerkt in een beeldkwaliteitplan specifiek voor de herontwikkeling van

Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 87

32

Lange Brinkweg 87. In dat beeldkwaliteitplan zijn suggesties voor de massa-opbouw, de materialisering en het kleurgebruik van de nieuwe woningen opgenomen. Dit beeldkwaliteitplan zal gelijktijdig met het onderhavige bestemmingsplan worden vastgesteld.

Om de kwaliteiten van het landschap van de gemeente Soest, dat bestaat uit buitengebied, met bossen, duinen en heide en een polderlandschap waar de rivier de Eem doorheen stroomt, te behouden en in te zetten op een actieve ontwikkeling van dat landschap heeft de gemeenteraad op 19 maart 2020 Landschap- en natuurontwikkelingsplan 2019-2024 vastgesteld. Voor de Eempolder is het zeer open karakter samen met de strakke slagenverkaveling, grondgebonden rundveehouderij en het watersysteem van smalle (kwel)sloten en brede weteringen kenmerkend. Door de extreme openheid is de lucht zeer zichtbaar aanwezig. De rivier de Eem is de ruggengraat van het watersysteem in Eemland en aantrekkelijk als recreatieve (water)route. Het voedselarme kwelwater vanaf de Utrechtse Heuvelrug dat hier aan het oppervlak komt, is van grote invloed op de botanische rijkdom van het gebied. Dit geldt ook voor de nog altijd aanwezige invloed van de eeuwenlange overstromingen door de zee. In het algemeen is het beleid gericht op het behoud van de identiteit van de landschappen en het geven van ruimte aan verdere duurzame landschapsontwikkeling. Laat Ruimtelijke ontwikkelingen daarbij bijdragen aan gewenste landschapselementen en natuurverbetering. De biodiversiteit dient door een natuurlijker beheer van het groen verder te worden versterkt. Dit geldt ook voor de natuurwaarden van de polder.

De Eempolder behoort tot het 'Land van Eem en Veen'. Voor dit gebied wordt gestreefd naar het handhaven van het open polderlandschap met recreatieve routestructuren en verbindingen. Door het landschappelijk inpassingsplan uit te voeren wordt het plangebied op een zorgvuldige manier landschappelijk ingepast. Door de afname van het bebouwingsareaal wordt de karakteristieke openheid van het landschap verder versterkt.

Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 87

33

Hoofdstuk 4. Resultaten onderzoeken 4.1. Algemeen Ten behoeve van een bestemmingsplan dient op diverse gebieden onderzoek te worden uitgevoerd. De resultaten van het uitgevoerde onderzoek zijn samengevat in dit hoofdstuk. Het plan voldoet uit het oogpunt van milieu aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening. Dit geldt zowel voor de concentratie van de stallen op het perceel 87a als voor de omzetting van de bedrijfswoning op Lange Brinkweg 89 naar een plattelandswoning.

4.2. Milieuaspecten Het bouwplan omvat geen activiteiten uit de bijlage C en D van het Besluit milieueffectrapportage die aanleiding geven een m.e.r.-beoordeling of een (plan- of project)MER op te stellen. Dit geldt ook voor activiteiten uit de Provinciale Milieuverordening. In de omgeving van het plangebied liggen geen Natura-2000 gebieden. Met de uitvoering van het plan is het derhalve niet noodzakelijk om een passende beoordeling (planMER) in het kader van de Natuurbeschermingswet op te stellen.

Op grond van artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in de toelichting van het bestemmingsplan aandacht besteed te worden aan de milieuhygiënische bodemkwaliteit. Om te bepalen of de bodem uit milieuhygiënisch oogpunt dat geschikt is voor bedrijfsbebouwing, is bodemonderzoek2 uitgevoerd om de huidige milieuhygiënische bodemkwaliteit van het plangebied te bepalen. In het verkennend bodemonderzoek wordt geconcludeerd dat de hypothese 'onverdachte locatie' geen stand houdt. Diverse parameters zijn aangetoond in licht verhoogde gehalten. Tevens is in één bodemmonster een sterk verhoogd gehalte minerale olie aangetoond. Aangezien het gehalte minerale olie de interventiewaarde overschrijdt, is nader bodemonderzoek uitgevoerd naar de aard, mate, omvang en oorzaken van het verhoogde gehalte minerale olie. Op basis van het nader bodemonderzoek wordt ingeschat dat de verontreiniging met minerale olie aanwezig is over een oppervlakte van circa 28 m² in het bodemtraject van 0,0 – 0,5 mmv. De omvang van de verontreiniging bedraagt hiermee circa 14 m³. Er is daarmee geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Vermoedelijk is de verontreiniging, mede gezien de diepte van voorkomen, veroorzaakt door lekkage aan een in het verleden gestald voertuig. Het is niet met zekerheid vast te stellen wanneer de verontreiniging is ontstaan.

Gezien de gebruiksperiode van de locatie kan dit zowel voor als na 1987 zijn. Er wordt vooralsnog vanuit gegaan dat de verontreiniging is ontstaan voor 1987. Aangezien geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging danwel een nieuw geval van bo-

2

PJ Milieu BV, Verkennend en nader bodem- en verkennend asbest in grondonderzoek Lange Brinkweg 87 Soest, 20051801A, Nijkerk, 3 september 2020

Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 87

34

demverontreiniging waarvoor de zorgplicht van toepassing is, is uitvoering van een sanering niet spoedeisend. Mogelijk is sanering wel wenselijk in het kader van de herinrichting van de locatie. De hypothese 'verdachte locatie' voor het asbest in grondonderzoek houdt stand. In een mengmonster is asbest aangetoond. Het gehalte overschrijdt niet de grenswaarde voor nader onderzoek (50 mg/kg d.s.). De onderzoeksresultaten geven geen aanleiding om aanvullend of nader asbest in grondonderzoek te adviseren. Conclusie Nader bodem- danwel asbest in grondonderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. In het kader van de herinrichting/functiewijziging kan gestart worden met verdere planvorming. Bij werkzaamheden in de grond ter plaatse van het geval van bodemverontreiniging is er sprake van een 'saneringssituatie' omdat gewerkt wordt aan/met sterk verontreinigde grond. Hiervoor dienen de nodige meldingen te worden gedaan en veiligheidsmaatregelen genomen te worden. Indien wordt overgegaan tot sanering, bijvoorbeeld in het kader van een herinrichting van de onderzochte locatie, dient een beknopt saneringsplan opgesteld te worden. In het beknopt saneringsplan wordt een uitvoeringsmethode omschreven om de bodem op een zo efficiënt mogelijke wijze te saneren met het oog op het toekomstige gebruik.

Het beknopt saneringsplan dient goedgekeurd te zijn door het bevoegd gezag (de gemeente Soest / RUD Utrecht).

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: ▪ het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; ▪ het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Als uitgangspunt voor het bepalen van de aan te houden afstanden gebruikt de gemeente Soest de VNG-uitgave "Bedrijven en Milieuzonering" uit 2009. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.

De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke (indicatieve) richtafstand. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieuge-

Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 87

35

voelige functie die op grond van een bestemmingsplan mogelijk is. Deze lijst ligt ook ten grondslag een de Staat van Bedrijfsactiviteiten zoals die als bijlage bij de regels van het bestemmingsplan Landelijk Gebied is opgenomen. Naast de geadviseerde milieuzonering voor bedrijven op basis van de VNG brochure "Bedrijven en milieuzonering", kunnen er ook nog afstandscriteria uit specifieke milieuwetgeving gelden. Denk hierbij aan de Wet milieubeheer, de agrarische geurwetgeving (Wgv) of de veiligheidsregelgeving (Bevi/Revi). Deze wetgeving geldt uiteindelijk als toetsingskader voor de toegestane milieueffecten. Ook deze afstandscriteria worden meegenomen bij de beoordeling van de gewenste ontwikkelingen. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden standaard ten opzichte van het omgevingstype rustige woonwijk. Naast het omgevingstype rustige woonwijk kent de VNG-uitgave ook het omgevingstype gemengd gebied. Wanneer sprake is van omgevingstype gemengd gebied kunnen de richtafstanden tussen milieubelastende en milieugevoelige functies, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. Het aspect geluid is veelal het maatgevende aspect.

Een gemengd gebied is een gebied met een variatie aan functies; direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren ook tot het omgevingstype gemengd gebied. De richtafstand van 30 meter voor een bedrijf in milieucategorie 2 kan dan bijvoorbeeld worden verkleind tot 10 meter en de richtafstand van 50 meter voor een bedrijf in milieucategorie 3.1 kan verlaagd worden tot 30 meter. Afbeelding 15: Relatie tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevingstype. milieucategorie richtafstand tot omgevingstype richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk gemengd gebied 1 10 m 0m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m

Het systeem van richtafstanden gaat dus uit van het principe van scheiding van functies: de richtafstandenlijst geeft richtafstanden tussen bedrijfslocaties en omgevingstype rustige woonwijk of gemengd gebied. Situatie in het projectgebied Aan de oostzijde van het plangebied is een paardenhouderij (menschool/stalhouderij) gesituteerd. Paardenhouderijen wordt niet genoemd in de VNG brochure. Een paardenhouderij is het best vergelijkbaar met een paardenfokkerij of een manege die beide tot milieucategorie 3.1 behoren en een richtafstand van 50 meter hebben. Deze richtafstand geldt in beide gevallen voor het aspect geur. Op dit aspect wordt specifiek ingegaan in paragraaf 4.2.3. Hierut blijkt dat geurhinder geen belemmeringen oplevert voor de planontwikkeling. Voor geluid en stof zou een richtafstand van 30 meter volstaan.

Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 87

36

Conclusie Uit het oogpunt van milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor de bouw van woningen in he plangebied.

Op de stalhouderij aan de Lange Brinkweg 87a zijn 35 paarden en 40 schapen vergund. Het agrarisch bouwblok van deze veehouderij ligt op 43 meter van de plangrens. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader wat betreft geurhinder uit dierenverblijven van veehouderijen. Deze wet geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (=gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt). Woningen zijn aan te merken als geurgevoelige objecten. De Wgv/Activiteitenbesluit maakt onderscheid in dieren met een minimale vaste afstand en dieren waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld. In de stalhouderij zijn uitsluitend dieren met vaste afstand aanwezig. Voor zogenaamde 'vaste afstandsdieren' gelden minimum afstandseisen: ▪ voor geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom geldt een afstand van 100 meter; ▪ voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom geldt een afstand van 50 meter. Als uitgangspunt wordt de grens van het bouwvlak van de veehouderij (in dit geval de stalhouderij) genomen, ervan uitgaande dat binnen het gehele bouwvlak de veehouder stallen kan realiseren.

De veehouderij kan in zijn belangen worden geschaad als binnen 50/100 meter van de grens van zijn bouwvlak een geurgevoelig object wordt opgericht. Het plangebied ligt buiten de bebouwde kom. Het plangebied ligt binnen de genoemde afstand van 50 meter zodat in een deel van het plangebied in principe geen nieuwe geurgevoelige objecten mogen worden opgericht, omdat de veehouderij in zijn uitbreidingsmogelijkheden zou worden beperkt. De nieuwe bedrijfsruimten zijn op 43 meter afstand van het bouwvlak geprojecteerd. De gemeenteraad van Soest heeft echter op 29 oktober 2009 de Verordening geurhinder en veehouderij vastgesteld. In artikel 2, sub b van die verordening is bepaald dat de afstand tussen een veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld, en een geurgevoelig object 25 meter bedraagt voor zover dit betrekking heeft op bedrijven met maximaal 100 stuks dieren waarvoor vaste afstanden gelden. Gelet hierop is de bouw van de woningen met het oog op de afstandsnorm voor 'vaste afstandsdieren' aanvaardbaar.

In het kader van de Wet geluidhinder bevinden zich langs een aantal wegen geluidzones, waarbinnen in het geval van nieuwe geluidgevoelige functies onderzoek moet worden gedaan naar de geluidbelasting.

Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 87

37

Woningbouw is een geluidgevoelige functie. Volgens artikel 77 van de Wet geluidhinder is het nodig akoestisch onderzoek te verrichten naar (nieuwe) woningen die in een geluidszone zijn geprojecteerd. Op grond van artikel 74 van de Wet geluidhinder bevinden zich langs alle wegen geluidszones, met uitzondering van woonerven en 30 km/uur-gebieden. Alle wegen rondom het plangebied behoren tot een 30 km/uur-gebied. Op grond van de Wet geluidhinder is in dat geval geen akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai noodzakelijk. De geluidzones voor spoorwegen worden bepaald op basis van de landelijk vastgestelde geluidproductieplafonds (GPP's). Op basis van het landelijke geluidregister zijn de geluidproductieplafonds vastgesteld voor de onderhavige onderzoekslocatie. Het dichtstbij gelegen referentiepunt van de spoorlijn Amersfoort-Hilversum bij Lange Brinkweg 87 heeft een geluidproductieplafond van 64,9 dB. Op basis van artikel 1.4a van het Besluit geluidhinder is daarmee ter plaatse een wettelijke geluidszone van 300 meter breedte van toepassing. Het plangebied ligt binnen die zone op ongeveer 700 meter van het spoor. Derhalve is geen onderzoek in verband met spoorwegverkeerslawaai noodzakelijk. Conclusie Voor de bouw van de woningen hoeft in het kader van de Wet geluidhinder geen akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd.

Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit samen met de AMvB "Niet in betekenende mate bijdragen" (NIBM), de ministeriële regeling NIBM, de ministeriële regeling Projectsaldering en de ministeriële regeling Beoordeling luchtkwaliteit in werking getreden. Projecten die 'niet in betekenende mate bijdragen' aan de luchtverontreiniging, hoeven volgens de nieuwe wet niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Het Besluit NIBM omschrijft het begrip nader: een project dat minder dan 3% van de grenswaarden bijdraagt is NIBM. Dit komt overeen met 1,2 microgram/m³ voor fijn stof en NO2. De 3%-grens komt overeen met de bouw van 1.500 woningen of 100.000 m² b.v.o. kantoren. Omdat in het plangebied het aantal woningen met 3 toeneemt, kan worden geconcludeerd dat uit het oogpunt van de "Wet luchtkwaliteit" er geen belemmeringen zijn voor de realisatie van het plan. Uit de atlas voor de leefomgeving (peiljaar 2019, bron: www.atlasleefomgeving.nl) blijkt dat de achtergrondconcentratie stikstofdioxide (14 microgram per m³) en fijn stof (17 microgram per m³) zich beneden de wettelijk toegestane jaargemiddelde grenswaarde van 40 microgram per m³ bevinden. De concentratie zeer fijn stof (10 microgram per m³) bevindt zich beneden de wettelijk toegestane jaargemiddelde grenswaarde van 20 microgram per m³.

In het plangebied worden de grenswaarden derhalve niet overschreden. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt daarmee geen belemmering voor de planontwikkeling.

Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 87

38

Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: ▪ bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; ▪ vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of leidingen. Door de afwezigheid van risicovolle activiteiten met gevaarlijke stoffen in de directe omgeving (bron: risicokaart Utrecht) van het bouwplan, voldoet de ontwikkeling aan de eis voor het plaatsgebonden risico (artikel 5 van het BEVI). Afbeelding 16: Fragment risicokaart.

De locatie ligt op meer dan 650 meter vanaf de dichtstbijzijnde route voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, de spoorlijn Baarn-Amersfoort West. Op basis van de Handreiking Risicoanalyse Transport (HART) (zie afbeelding 17) blijkt op basis van de aanwezige wat het invloedsgebied van die spoorlijn is. Afbeelding 17: Breedte invloedsgebied Stofcategorie A B2 C3 D3 D4

Invloedsgebied (m) 460 995 35 375 > 4.000

De spoorlijn wordt aangeduid met spoortrajectnummer 30.5b. Uit de Regeling Basisnet Spoor volgt dat de spoorlijn een plaatsgebonden risicocontour (PR 10 -6 ) van 7 meter heeft. De spoorlijn heeft een plasbrandaandachtsgebied van 30 meter. Gelet op de ruime afstand tussen de risicobron en het plangebied vormen beide aspecten geen belemmering voor de bouw van woningen in het plangebied. Het plangebied ligt derhalve binnen het invloedsgebied van de stofcategorieën B2 en D4. Omdat het plangebied op meer dan 200 meter van de spoorlijn ligt, dient het groepsrisico conform artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes beperkt verantwoord te

Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 87

39

worden. Het betreft een motivering ten aanzien van de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Conclusie Uit het oogpunt van externe veiligheid is er geen belemmering voor de bouw van woningen op het perceel. Afbeelding 18: Verantwoording groepsrisico spoorlijn. In de plantoelichting wordt bij een beperkte verantwoording ingegaan op de volgende onderdelen: ▪ de mogelijke aanwezigheid van een plasbrandaandachtsgebied en de ligging van dit gebied ten opzichte van het plangebied; ▪ de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die spoorlijn; ▪ voor zover dat plan of die vergunning betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die weg, spoorweg of dat binnenwater een ramp voordoet; de veiligheidsregio moet in de gelegenheid worden gesteld om advies uit te brengen met betrekking tot de voorbereiding van bestrijding tot beperking van de omvang van rampen en de zelfredzaamheid van de aanwezige personen. Verantwoording De bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval ▪ Het bestrijdbaarheid vraagstuk speelt op deze afstand van de risicobron niet. Bestrijding vindt plaats bij de bron. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid ▪ In geval van een calamiteit moeten personen kunnen schuilen.

De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. ▪ Nieuwe bouwwerken zijn goed geïsoleerd, waardoor ze een goede bescherming bieden tegen het binnendringen van het toxisch gas. Belangrijk is wel dat luchtbehandelinginstallaties met één druk op de knop uit te schakelen zijn. Dit is echter niet af te dwingen in deze ruimtelijke procedure.

4.3. Water Watertoets Bij ruimtelijke plannen geldt vanaf 1 november 2003 de wettelijke verplichting van een waterparagraaf/watertoets. Met de watertoets wordt beoogd waterbeheerders vroegtijdig in het ruimtelijke ordeningsproces te betrekken. De watertoets betreft het hele proces van informeren, adviseren, afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het voorkomen van negatieve effecten op de waterhuishouding staat bij de watertoets voorop. Algemeen Op 28 juni 2021 is de digitale watertoets doorlopen. Voor de verdere uitwerking en concretisering van de beoogde ontwikkeling, geeft het waterschap aan dat rekening gehouden moet worden met een aantal algemene en gebiedsspecifieke aandachtspunten voor water.

Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 87

40

Vasthouden - bergen - afvoeren Een belangrijk principe is dat zo veel mogelijk hemelwater binnen het plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet of niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater. Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegen gegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater (met eventueel wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden) worden voorkomen. Bij lozing op oppervlaktewater zal hiervan een melding gedaan moeten worden bij het waterschap. Grondwaterneutraal bouwen Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen. Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater, beschouwd worden ten opzichte van de GHG. De gemeente hanteert voor nieuwbouw een ontwateringsnorm van 90 cm (gemeten tussen de GHG en de onderkant van de vloer). Het structureel onttrekken / draineren van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen. Het waterschap adviseert de initiatiefnemer dan ook om voorafgaand aan de ontwikkeling een goed beeld te krijgen van de heersende grondwaterstanden en GHG. Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar.

Schoon houden - scheiden - schoon maken Om verontreiniging van bodem, grond- en/of oppervlaktewater te voorkomen is het van belang dat het afstromende hemelwater niet verontreinigd raakt. Dit kan door nadere eisen of randvoorwaarden te stellen aan bijvoorbeeld de toegepaste (bouw)materialen. Het waterschap vraagt de initiatiefnemer de beslisboom voor het afkoppelen van verhard oppervlak van het waterschap toe te passen. Daarnaast heeft de gemeente Soest het convenant afkoppelbeleid Utrechtse Heuvelrug ondertekend. Dit betekent dat de leidraad die aan dit convenant ten grondslag ligt bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen het werkingsgebied in acht moet worden genomen. Proces In het kader van de planontwikkeling is op 28 juni 2021 de digitale watertoets (www.dewatertoets.nl) doorlopen. In het plangebied liggen geen belangrijke oppervlaktewateren (zogenaamde primaire of A- watergangen), waterkeringen of gebieden die zijn aangewezen voor regionale waterberging. Dit betekent dat dit plan geen essentiële waterbelangen raakt. Op basis daarvan wordt door het waterschap voor het onderhavige plan een positief wateradvies gegeven. Het waterschap is niet de enige waterbeheerder. Gemeenten hebben een zorgplicht voor afvalwater, hemelwater en grondwater in bebouwd gebied. Daarmee is de gemeente ook een waterbeheerder en moet zij ook worden geconsulteerd in het kader van de watertoets.

De handreiking watertoets stelt namelijk dat alle relevante waterbeheerders moeten worden geconsulteerd.

Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 87

41

4.4. Natuurwaarden Per 1 januari 2017 is de huidige Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wnb vervallen de voormalige tabellen 1, 2 en 3 (Flora- en faunawet) waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wnb is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kunnen voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Derhalve is een Quickscan Wet natuurbescherming3 vervaardigd om in te schatten of beoogde ontwikkeling mogelijk een negatief effect heeft op beschermde flora en fauna, beschermde natuurgebieden en/of beschermde houtopstanden. Gebiedsbescherming Op een afstand van circa 8,3 km ligt het Natura 2000-gebied 'Arkemheen' Omdat het projectgebied op ruime afstand van beschermde gebieden ligt, heeft de planontwikkeling uiteraard geen invloed op de natuurwaarden in die beschermde gebieden.

Het dichtstbijzijnde deel van het Natuurnetwerk Nederland ligt op een afstand van circa 950 meter. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Door het stoppen van de intensieve veehouderij is er voldoende stikstofruimte voor de bouw van woningen in het plangebied. Gezien er sprake is van een grote afstand (10,5 km) tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde voor stikstofgevoelige Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen, de ingreep van beperkte grootte is en in de gebruiksfase sprake is van een afname in stikstofemissie wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden. Een berekening door middel van de AERIUS Calculator kan derhalve achterwege blijven. Soortenbescherming Naar aanleiding van de onderzoeksresultaten van de quickscan is aanvullend onderzoek uitgevoerd naar de huismus4. Op basis van de technische inspectie en de eerder uitgevoerde quickscan is gebleken dat in de geïnspecteerde schuur geen nestlocaties aanwezig zijn van huismus. De beoogde sloop leidt derhalve niet tot overtreding van verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming. Procedurele of juridische noodzakelijke vervolgstappen zijn niet noodzakelijk.

3

4

Blom Ecologie, Quickscan Wet natuurbescherming Lange Brinkweg 87 te Soest, BE/2020/550/r, Waardenburg, 5 augustus 2021 FaunaConstruct, Notitie inspectie Lange Brinkweg 87 te Soest, FC/2020/058/n, Waardenburg, 11 oktober 2021

Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 87

42

In verband met foeragerende vleermuizen wordt geadviseerd het plangebied tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode apriloktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). De planlocatie is verder mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. Voor wat betreft de soortenbescherming zijn er onder bovengenoemde voorwaarden geen belemmeringen voor de planontwikkeling. Conclusie De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wnb. Er dienen enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de Algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient met aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de te slopen bebouwing een relevante functie heeft voor de huismus. Indien er sprake is van overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kan bevoegd gezag onder voorwaarden een ontheffing verlenen.

De voorwaarden betreffen: er is geen andere bevredigende oplossing, er is sprake van een wettelijk belang (huismus: er zijn belangen vanuit volksgezondheid -klimaatsverandering- aan te voeren) en er wordt geen afbreuk gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort (een robuust en ruim maatregelenpakket van tijdelijke en permanente voorzieningen wordt hiertoe voorgesteld en uitgevoerd). Gezien het voorgaande onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen, er sprake is van een gedegen alternatievenafweging en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden. De ontwikkeling aan de Lange Brinkweg 87 te Soest is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (artikel 3.1.6 Bro).

4.5. Archeologie Binnen het plangebied bevinden zich geen wettelijk beschermde archeologische monumenten of bekende archeologische waarden. Wel heeft het plangebied twee archeologische verwachtingszones. Het grootste deel van het plangebied kent een middelhoge archeologische verwachting. De uiterste noordoostpunt van het plangebied heeft een lage archeologische verwachting. In alle gevallen geldt dat het strengste regime leidend is bij plantoetsing door de bevoegde overheid.

Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 87

43

In geval van ontwikkelingen van terreinen groter dan 500 m² met bodemingrepen dieper dan 30 cm onder het maaiveld dient in principe voorafgaand een archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Voorafgaand is een plantoetsing door het bevoegd gezag uitgevoerd. Door de gemeentelijk archeoloog is een archeologische quickscan gedaan voor het plangebied. Op basis van deze quickscan, waarbij is gekeken naar de specifieke archeologische verwachting, maar ook naar de funderingsgegevens van de bestaande bouwwerken (tekening Aanvraag vergunning Wet Milieubeheer, december 2011) – is gebleken dat de huidige opstallen op het perceel dusdanig diep gefundeerd en onderkelderd zijn, dat naar verwachting geen archeologische resten meer in de bodem aanwezig zullen zijn. Er geldt daarom een ontheffing van archeologisch onderzoek. Het is echter nooit volledig uit te sluiten dat tijdens grondverzet archeologische toevalsvondsten worden gedaan. In dat geval dient de uitvoerder van dit grondwerk hiervan zo spoedig mogelijk melding te doen bij het bevoegd gezag, de gemeente Soest, of haar adviseur het Centrum voor Archeologie Amersfoort (archeologie@amersfoort.nl).

4.6. Kabels en leidingen Voor planologisch relevante leidingen gelden verschillende beschermings- en veiligheidsafstanden waar in de bestemmingslegging van onder andere nieuwe functies rekening mee moet worden gehouden. Op het perceel bevinden zich geen planologisch relevante kabels en leidingen. Ook in de nabijheid van het perceel zijn geen leidingen met gevaarlijke stoffen aanwezig. Kabels en leidingen vormen derhalve geen belemmering voor de realisatie van het bouwplan.

4.7. Bluswatervoorziening De huidige bluswatervoorzieningen aan de Lange Brinkweg moeten worden uitgebreid om een incident adequaat te kunnen bestrijden. De brandweer moet snel kunnen beschikken over voldoende bluswater. De huidige bluswatervoorzieningen zijn ver weg gelegen ten opzichte van de Lange Brinkweg 87. Dit vormt een risico voor het niet snel genoeg kunnen bestrijden van een brand. Voor de nieuwbouw van de woningen wordt door de Veiligheidsregio Utrecht geadviseerd om een extra bluswatervoorziening bij deze plek aan te leggen. In de anterieure overeenkomst zijn de afspraken hierover vastgelegd.

Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 87

44

Hoofdstuk 5. Planologisch juridische regeling 5.1. Algemeen Op 1 juli 2008 is de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in werking getreden. In artikel 1.2.5 van het Bro is onder meer bepaald dat bestemmingsplannen en partiële herzieningen daarvan digitaal beschikbaar gesteld dienen te worden. Vanaf 1 juli 2013 is daarbij toepassing van de (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP-2012) verplicht. Bij het opstellen van deze standaard is overigens ook rekening gehouden met het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening 2012 (IMRO-2012) en de Praktijkrichtlijn Bestemmingsplannen 2012 (PRBP-2012). Deze partiële herziening past binnen die standaard.

5.2. Partiële herziening Het digitale bestemmingsplan Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 87 is de verzameling van geometrisch bepaalde objecten, die is vervat in een GMLbestand (NL.IMRO.0342. BPLG0046-0201) met bijbehorende regels. Dit bestemmingsplan is langs elektronische weg uitwisselbaar en raadpleegbaar. Het geeft de bestemming en de bebouwingsmogelijkheden van de gronden aan. De analoge verbeelding is getekend op een schaal van 1:1.000 en omvat één kaartblad, genummerd 0342-51-P01. De plankaart geeft de bestemming van de gronden aan.

5.3. Regels In artikel 1 is een aantal begrippen opgenomen, zodat duidelijk wordt wat onder het bestemmingsplan Landelijk Gebied en de Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 87 wordt verstaan. Daarnaast zijn de begrippen bestaand en landschappelijk inpassingsplan gedefinieerd. In artikel 2 is de verhouding tussen de partiële herziening en het bestemmingsplan vastgelegd. De regels behorende bij het bestemmingsplan zijn onverminderd van toepassing voor de onderhavige partiële herziening, tenzij in deze partiële herziening anders wordt bepaald. De maatvoeringsaanduiding 'maximale goot - en bouwhoogte' uit de SVBP2008 is door de inwerkingtreding van SVBP2012 veranderd in 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)'. Derhalve is in artikel 2 ook bepaald dat waar de oude naam van die aanduiding staat, de nieuwe naam gelezen moet worden. In artikel 3 zijn aanpassingen en aanvullingen op de regels van het bestemmingsplan Landelijk Gebied opgenomen voor het onderhavige plangebied. In de bestemming "Tuin" is de instandhouding van de schaapskooi, een gemeentelijk monument, gewaarborgd en bepaald dat deze uitsluitend mag worden gebruikt ten behoeve van de bestemming "Wonen" en voor hobbymatige agrarische activiteiten.

Aan de bestemming "Wonen" zijn voorwaardelijke verplichtingen toegevoegd, om de sloop van de voormalige agrarische bebouwing af te dwingen en om de uitvoering van het land-

Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 87

45

schapsinrichtingsplan te waarborgen. Daarnaast is de bouw van bijbehorende bouwwerken uitsluitend mogelijk binnen de bouwvlakken en ter plaatse van de aanduiding bijgebouwen, zodat het zorgvuldig tot stand gekomen concept met woningen met een eenvoudige hoofdmassa een inpandig bijgebouw ook op termijn gewaarborgd blijft. Ten slotte is de bestemming "Waarde - Openheid" toegevoegd. Deze is van toepassing op de randen van de percelen aan de zijde van de Eempolder. Deze gronden zijn mede bestemd voor de instandhouding van de voorkomende visueel-ruimtelijke kwaliteit die wordt ontleend aan de landschappelijke openheid. Ter bescherming hiervan is een aanlegvergunningstelsel opgenomen dat onder meer hoogopgaande beplanting uitsluit. Beplanting die is vereist op grond van het inpassingsplan, dat door middel van een voorwaardelijke verplichting aan de planregels is gekoppeld, is van dat verbod uitgezonderd. Doel van deze dubbelbestemming is tevens om vergunningvrij bouwen in deze zone te voorkomen omdat de gronden hiermee niet als erf worden aangemerkt als bedoeld in artikel 1 van Bijlage II van het Bor. In de Nota van toelichting van het Bor is het volgende hierover opgenomen: "Ook is het mogelijk om gronden «mede» te bestemmen voor andere functies.

Er geldt dan bijvoorbeeld voor het gehele perceel een bestemming woondoeleinden, maar door een zogenoemde dubbelbestemming te geven of door mede bepaalde waarden, functieof gebiedsaanduidingen toe te kennen, kan tot uitdrukking worden gebracht dat percelen of perceelsgedeelten mede een ander planologisch doel dienen. Indien de bestemmingsregeling in zo'n geval gepaard gaat met belemmeringen om een perceel of delen van een perceel te gebruiken en feitelijk in te richten ten dienste van het hoofdgebouw, is er geen sprake van erf". Deze laatste mogelijkheid is expliciet in de jurisprudentie bevestigd (ABRvS 201209655/1/A1). In de regels van de partiële herziening is voorts een aantal algemene regels opgenomen. Er is een eigen antidubbeltelbepaling (artikel 4) opgenomen en eigen overgangsrecht (artikel 5). Het opnemen van deze bepalingen is volgens het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) voor elk plan verplicht, dus ook voor een partiële herziening. De partiële herziening is van later datum dan het bestemmingsplan dat wordt herzien, waardoor niet teruggevallen kan worden op de soortgelijke bepalingen uit dat plan. De citeertitel staat tenslotte in artikel 6.

Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 87

46

Hoofdstuk 6. Uitvoerbaarheid 6.1. Economische uitvoerbaarheid Conform artikel 6.12, lid 1 Wro dient de gemeenteraad een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop een bouwplan gerealiseerd wordt. De gemeenteraad kan afzien van het vaststellen van een exploitatieplan indien het kostenverhaal anderszins verzekerd is. De gemeente zal met initiatiefnemer een anterieure overeenkomst sluiten. Gelet hierop kan worden gesteld dat het kostenverhaal anderszins verzekerd is en dat het opstellen van een exploitatieplan achterwege kan worden gelaten.

6.2. Maatschappelijke uitvoerbaarheid De initiatiefnemer heeft omwonenden in april 2020 per brief geïnformeerd over de planontwikkeling. Vrijwel alle omwonenden hebben aangegeven dat zij geen bezwaren hebben tegen de planontwikkeling, omdat zij blij zijn dat de intensieve varkenshouderij wordt vervangen door woningen. Het ontwerpbestemmingsplan wordt in het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1. Bro toegezonden aan diverse instanties. Naar aanleiding van de reactie van de provincie Utrecht heeft overleg met de provincie plaats gehad. Dit overleg heeft er onder meer toe geleid dat de zonnepanelen die in eerdere instantie aan de achterzijde op het maaiveld waren geprojecteerd, in het dak van de woningen verwerkt. Daarnaast zijn het beeldkwaliteitplan en het inrichtingsplan aangepast. Eventuele reacties worden te zijner tijd in deze paragraaf samengevat en beantwoord.

6.3. Ontwerp partiële herziening Het ontwerp van de partiële herziening van het ontwerpbestemmingsplan 'Partiële Herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 87 wordt gedurende zes weken voor een ieder en ter inzage gelegd. Eventuele zienswijzen worden te zijner tijd in deze paragraaf samengevat en beantwoord.

Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 87

Bijlage 1 Bekhuis & KleinJan, Beeldkwaliteitsplan Hammenparc Lange Brinkweg 87 te Soest, Wierden, 4 mei 2022

Beeldkwaliteitsplan hammenparc Lange Brinkweg 87 te Soest 04-05-2022

inleiding Momenteel is op de Lange Brinkweg 87 te Soest de varkensfokkerij en -houderij Hammenpark aanwezig. Vanwege de nabijheid van de locatie en de geuroverbelasting ten opzichte van de woningbouw in Soest is de familie Hilhorst voornemens deze onderneming voortijdig te beëindigen als op locatie kleinschalige woningbouw mogelijk is. Dit plan gaat over de wens tot het realiseren van 3 wooneenheden op het erf. Bijgaand document maakt inzichtelijk hoe de beeldkwaliteit op dit erf gewaarborgd wordt. Hierbij wordt aangesloten op het stedenbouwkundig en landschappelijk plan van 27 oktober 2021, opgesteld door MAAK space.

Beeldkwaliteitsplan hammenparc

situatie Het woonhuis en de schaapskooi zijn de enige opstallen die behouden blijven. Bij herontwikkeling wordt het landschap open en de woningen ingepast in haar omgeving. De situatie kenmerkt zich door het open en weidse karakter. Hagen worden vervangen door houtsingels en doorzichten worden gecreëerd. Hierdoor ontstaat een open en aantrekkelijk erf, met mooie zichtlijnen naar het omliggende landschap. De parkeervoorzieningen worden onderdeel van de architectuur en aan het zicht ontrokken. Hierdoor wordt de openheid gegarandeerd. Hierdoor gaat de aandacht uitsluitend naar de woningen. De woningen krijgen een eenduidige, langgerekte hoofdvorm. De basis is het daklandschap waarin verbijzonderingen mogelijk zijn, maar niet overheersen. Binnen het erf ontstaat een eenheid in de woningen door materialisatie en positioneriong. De verbijzonderingen maken de woningen eigen en uniek, passend bij hun plek.

Beeldkwaliteitsplan hammenparc

impressie

Beeldkwaliteitsplan hammenparc

impressie

Beeldkwaliteitsplan hammenparc

impressie

Beeldkwaliteitsplan hammenparc

massa en hoofdvorm Kenmerkend zijn de eenduidige en langgerekte hoofdvormen. Deze bestaan uit een duidelijk herkenbaar zadeldak, welke haaks op de weg is gepositioneerd, waaronder alle gebruiksfuncties zoveel mogelijk zijn opgenomen. Verbijzonderingen zijn mogelijk, maar moeten de hoofdvorm niet

aantasten. Het dak blijft herkenbaar, eventuele toevoegingen en bijbehorende bouwwerken worden ondergeschikt vormgegeven. De heldere langgerekte hoofdopzet blijft hierdoor overeind.

-

-

-

-

Beeldkwaliteitsplan hammenparc

Woningen hebben herkenbare langgerekte hoofdvorm met zadeldak. Toevoegingen aan het hoofdvolume zijn mogelijk, maar niet overheersend. Nokrichting ligt haaks op de weg Verbijzonderingen zijn mogelijk, maar tasten de herkenbaarheid van het hoofdvolume niet aan. Bijbehorende bouwwerken zijn ondergeschikt aan de hoofdvorm

materiaal- en kleurgebruik Het materiaal- en kleurgebruik van de nieuwe wooneenheden zijn ingetogen en passend bij haar omgeving. De woningen worden hoofdzakelijk opgetrokken uit metselwerk in rood/bruin/grijs/ antraciet tinten. Daarbij wordt een nuancering in de steen aanbevolen. Grote glaspartijen zijn hierbij mogelijk. De daken worden in riet uitgevoerd. Kunstriet is niet toegestaan. Verbijzonderingen middels kolommen en

spantconstructies worden in hout uitgevoerd. Deze elementen worden gewaardeerd bij het ontwerp. De ondergeschikte elementen zoals dakkapellen en het risaliet kunnen worden uitgevoerd in hout/zink/ aluminium/beplating. Daarbij is een gepaste detaillering gewenst. Opvallende belijningen zoals felsnaden worden niet toegestaan. Zonnepanelen dienen in het ontwerp meegenomen te worden. Deze moeten worden geïntegreerd in de nok.

Beeldkwaliteitsplan hammenparc

-

-

-

Woningen worden hoofdzakelijk uitgevoerd in rood/bruin/grijs/ antraciet metselwerk. Grote glaspartijen zijn mogelijk Daken worden in riet uitgevoerd Zonnepanelen worden in de nok geïntegreerd. Houtenelementen worden toegejuicht. Ondergeschikte elementen mogen in hout/zink/aluminium/ beplating worden uitgevoerd. Zonnepanelen worden in de nok geïntegreerd.

impressie

Beeldkwaliteitsplan hammenparc 04-02-2022

impressie

Beeldkwaliteitsplan hammenparc

impressie

Beeldkwaliteitsplan hammenparc 04-02-2022

Bijlage 2 PJ Milieu BV, Verkennend en nader bodem- en verkennend asbest in grondonderzoek Lange Brinkweg 87 Soest, 20051801A, Nijkerk, 3 september 2020

VERKENNEND EN NADER BODEMEN VERKENNEND ASBEST IN GRONDONDERZOEK Lange Brinkweg 87 Soest

kenmerk PJ Milieu BV: 20051801A

VERKENNEND EN NADER BODEMEN VERKENNEND ASBEST IN GRONDONDERZOEK Lange Brinkweg 87 Soest

kenmerk PJ Milieu BV: 20051801A

opdrachtgever:

De heer A.L.T. Hilhorst te Soest

datum rapport:

3 september 2020

kenmerk:

20051801A

status:

Definitief

uitgevoerd door:

PJ Milieu BV

projectleider en rapporteur:

ing. D.H. van Vulpen | vulpen@pjmilieu.nl

autorisatie:

ir. H.J.R. van Dasselaar

PJ Milieu BV | Nijverheidsstraat 21 | 3861 RJ Nijkerk | 033-2458511 | info@pjmilieu.nl | www.pjmilieu.nl

INHOUDSOPGAVE 1 | INLEIDING ........................................................................................................... 4 2 | VOORONDERZOEK ................................................................................................ 6 2.1 | Werkwijze .................................................................................................... 6 2.2 | Resultaten vooronderzoek .............................................................................. 6 2.2.1 | Onderzoekslocatie ............................................................................. 6 2.2.2 | Omgeving......................................................................................... 8 2.3 | Hypothese en onderzoeksopzet ....................................................................... 8 3 | VERKENNEND BODEMONDERZOEK ........................................................................ 10 3.1 | Uitvoering veldonderzoek .............................................................................. 10 3.2 | Resultaten veldonderzoek ............................................................................. 10 3.3 | Uitvoering laboratoriumonderzoek .................................................................. 12 3.4 | Analyseresultaten ........................................................................................

12 3.5 | Deelconclusie verkennend bodemonderzoek .................................................... 13 4 | VERKENNEND ASBEST IN GRONDONDERZOEK ........................................................ 14 4.1 | Uitvoering veldonderzoek .............................................................................. 14 4.2 | Resultaten veldonderzoek ............................................................................. 14 4.3 | Laboratoriumonderzoek ................................................................................ 14 4.4 | Analyseresultaten ........................................................................................ 15 4.5 | Deelconclusie verkennend asbest in grondonderzoek ........................................ 15 5 | NADER BODEMONDERZOEK .................................................................................. 16 5.1 | Onderzoeksopzet ......................................................................................... 16 5.1.1 | Conceptueel model ........................................................................... 16 5.1.2 | Opzet veld- en laboratoriumonderzoek ................................................ 16 5.2 | Uitvoering veldonderzoek ..............................................................................

17 5.3 | Resultaten veldonderzoek ............................................................................. 17 5.4 | Uitvoering laboratoriumonderzoek .................................................................. 18 5.5 | Analyseresultaten ........................................................................................ 18 5.6 | Deelconclusie nader bodemonderzoek ............................................................ 18 6 | CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ......................................................................... 20 6.1 | Conclusies................................................................................................... 20 6.1.1 | Deelconclusie verkennend bodemonderzoek ........................................ 20 6.1.2 | Deelconclusie verkennend asbest in grondonderzoek ............................ 20 6.1.3 | Deelconclusie nader bodemonderzoek ................................................. 20 6.2 | Aanbevelingen ............................................................................................. 21

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Soest&id=680c4752-30a2-4729-a0f0-8300e5b78dc1