Bijlage 1 Totaalplan met bijlagen
Tekst van het document
Gemeente Soest
Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 87 Toelichting, regels en analoge verbeelding
Ontwerp Mei 2022 Kenmerk 0342-51-T01 Projectnummer 0342-51
Toelichting
Inhoudsopgave Hoofdstuk 1. 1.1. 1.2.
Inleiding Aanleiding Vigerende bestemmingsplannen 1.2.1. Bestemmingsplan Landelijk Gebied 1.2.2. Parapluplan omissies en Nota parkeernormen auto en fiets, 4e herziening
1 1 1 1
Hoofdstuk 2. 2.1. 2.2. 2.3.
Planbeschrijving Cultuurhistorie Bestaande situatie Toekomstige situatie 2.3.1. Algemeen 2.3.2. Bouwplan 2.3.3. Beeldkwaliteit 2.3.4. Verkeer en Parkeren 2.3.5. Landschappelijke inpassing
4 4 5 6 6 7 9 11 12
Hoofdstuk 3. 3.1. 3.2.
Beleidskaders Inleiding Rijksbeleid 3.2.1. Nationale Omgevingsvisie 3.2.2. Ladder voor duurzame verstedelijking 3.2.3. Archeologie 3.2.4. Wet natuurbescherming 3.2.5. Natuurnetwerk Nederland 3.2.6. Nationaal bestuursakkoord Water 3.2.7. Nationaal Waterplan 3.2.8. Watertoets 3.2.9. De Europese kaderrichtlijn Water 3.2.10. Wet gemeentelijke watertaken Provinciaal beleid 3.3.1. Omgevingsvisie Provincie Utrecht 3.3.2. Interim Omgevingsverordening Regionaal beleid 3.4.1. Waterbeheerprogramma met meerjarenraming 2016 - 2021 Gemeentelijk beleid 3.5.1. Structuurvisie Soest 3.5.2. Masterplan Wonen Soest 3.5.3. Gemeentelijk verkeer- en vervoersplan 3.5.4. Groenstructuurplan 3.5.5. De groene kernkwaliteit van Soest 2014 3.5.6. Bescherming en kap van bomen 2012 3.5.7. Nota Parkeernormen auto en fiets 4e herziening
13 13 13 13 15 16 16 17 17 18 18 18 19 19 19 20 22 22 22 22 24 25 25 26 26 27
3.3.
3.4. 3.5.
2
3.5.8. Programma Energietransitie 2020-2025 28 3.5.9. Gemeentelijk Water- en Rioleringsplan Soest-Baarn 2018-2022 28 3.5.10. Plan van aanpak Diffuse bronnen 29 3.5.11. Welstandsbeleid 29 3.5.12. Landschaps- en natuurontwikkelingsplan Gemeente Soest 20192024 32 Hoofdstuk 4. 4.1. 4.2.
Resultaten onderzoeken Algemeen Milieuaspecten 4.2.1. Bodem 4.2.2. Milieuzonering 4.2.3. Geurhinder 4.2.4. Geluidhinder 4.2.5. Luchtkwaliteit 4.2.6. Externe veiligheid Water Natuurwaarden Archeologie Kabels en leidingen Bluswatervoorziening
33 33 33 33 34 36 36 37 38 39 41 42 43 43
Hoofdstuk 5. 5.1. 5.2. 5.3.
Planologisch juridische regeling Algemeen Partiële herziening Regels
44 44 44 44
Hoofdstuk 6. 6.1. 6.2. 6.3.
Uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid Ontwerp partiële herziening
46 46 46 46
4.3. 4.4. 4.5. 4.6. 4.7.
1
Hoofdstuk 1. Inleiding 1.1. Aanleiding De varkensfokkerij en -houderij aan de Lange Brinkweg 87 zal worden beëindigd. De eigenaar van het bedrijf heeft plannen ontwikkeld om de stallen te slopen en in plaats daarvan 3 woningen te realiseren. Omdat deze intensieve veehouderij aan de rand van de bebouwde kom van Soest ligt, veroorzaakt dit bedrijf geurhinder in de aangrenzende woonwijk. Door de bedrijfsbeëindiging zal het woon- en leefklimaat van omwonenden derhalve aanzienlijk verbeteren. Om de planontwikkeling mogelijk te maken, dient het bestemmingsplan te worden herzien. Afbeelding 1: Plangebied.
1.2. Vigerende bestemmingsplannen Voor het perceel vigeert het bestemmingsplan Landelijk Gebied dat door de gemeenteraad van Soest op 19 december 2013 is vastgesteld. In dit bestemmingsplan heeft het perceel de bestemming "Agrarisch met waarden". Door middel van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - intensieve veehouderij 1' is een intensieve veehouderij toegestaan. Woningbouw past niet binnen die bestemming. Derhalve dient het bestemmingsplan te worden herzien om de uitbreiding planologisch te kunnen legaliseren. Het perceel heeft daarnaast de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie - Middelhoge verwachting". Op grond van deze bestemming is archeologisch onderzoek noodzakelijk indien
Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 87
2
daarvoor dieper dan 0,30 meter, te rekenen vanaf het maaiveld, in de bodem zal worden geroerd en de oppervlakte van het nieuwe bouwwerk of de uitbreiding van het bestaande bouwwerk meer dan 500 m² bedraagt. Het plangebied ligt langs de zuidoostgrens met een hele smalle strook binnen de dubbelbestemming "Leiding – Water". Afbeelding 2: Vigerend bestemmingsplan.
Op 14 oktober 2021 heeft de gemeenteraad het bestemmingsplan "Parapluplan omissies en Nota parkeernormen auto en fiets, 4e herziening" vastgesteld. Dit paraplubestemmingsplan is van toepassing in de gehele gemeente Soest. Via dit paraplubestemmingsplan wordt juridisch geregeld dat alle ontwikkelingen in de bestemmingsplangebieden moeten voldoen aan de parkeernormen uit de beleidsnota 'Nota parkeernormen auto en fiets, 4e herziening', waarvan in paragraaf 3.5.7 een samenvatting is opgenomen.
Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 87
3
Afbeelding 3: Luchtfoto bestaande situatie
Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 87
4
Hoofdstuk 2. Planbeschrijving 2.1. Cultuurhistorie Soest is een zogenaamd Engdorp. De Soester Eng ligt op een stuwwal, die 150.000 jaar geleden is opgestuwd door grote ijsmassa's. De Eng is eeuwen lang jaarlijks bemest met mest uit de schapenstal, vermengd met heideplaggen. Hierdoor is op het zand van de stuwwal een ongeveer 80 cm dikke humeuze grondlaag aanwezig (zwarte enkeerdgrond). Soest is in de middeleeuwen ontstaan op de overgang naar de laag gelegen Eemvallei. Afbeelding 4: Historische topografie.
De uiteinden van het langgerekte brinkdorp werden gevormd door Kort-End (de huidige omgeving van de Ferdinand Huycklaan), verbonden door het (oude) Kerkpad met het Lang-End (omgeving Burgemeester Grothestraat) met in het centrum de Kerkebuurt met de Oude Kerk.
Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 87
5
Engdorpen lagen op de overgangen van de heuvelrug naar de lagere gebieden. Rondom de dorpen lagen de akkers (engen), die in de loop der eeuwen werden opgehoogd met mest uit de potstallen. De Eemvallei werd gebruikt als hooiland en weidegebied voor het vee, de hoger gelegen Eng werd gebruikt voor de verbouw van boekweit, rogge, aardappelen, knollen en gerst. De toenmalige bewoners zochten een droge en veilige plek wonen. De boeren die op de hoge gronden akkerbouw bedreven en hun vee lieten grazen op de laag gelegen natte weidegronden. De boerderijen werden gesticht tussen de hoge en de lage gronden en vormden zo een langgerekt lint dat de voet van de heuvelrug volgde. Het patroon van doorgaande oude wegen is grotendeels behouden, hoewel veel kleinere verbindende zandpaden zijn verdwenen. Wel is te zien dat bebouwing aan het lint van de Lange Brinkweg in de loop der jaren is toegenomen en nog steeds toeneemt. Op het perceel Lange Brinkweg is op de topografische kaart van 1890 voor het eerst bebouwing zichtbaar. Dit betreft de schaapskooi die rond 1887 is gebouwd en nu is aangewezen als gemeentelijk monument. Vanaf 1952 is de bebouwing op het perceel geleidelijk uitgebreid naar de huidige situatie. Afbeelding 5: Bestaande situatie.
2.2. Bestaande situatie De Lange Brinkweg vormt de rand van de bebouwde kom aan de noordoostkant van Soest op de grens met het open poldergebied. Aan de noordoostkant van de weg is een aantal (agrarische) bedrijven en woningen aanwezig. Het perceel Lange Brinkweg 87 is grotendeels
Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 87
6
bebouwd en verhard. Op het dichtbebouwde perceel (zie afbeelding 6) staan een bedrijfswoning en diverse opstallen van een intensieve varkenshouderij. Het plangebied heeft een omvang van ruim 5.700 m². Op het perceel staan 3.684 m² opstallen, waaronder een woonhuis van 125 m², de schaapskooi van 140 m² en de varkensstallen van in totaal 3.419 m². Afbeelding 6: Vogelvluchtperspectief bestaande situatie.
De enige boom op de kavel is een beeldbepalende berk. Deze vormt een mooi ensemble met de bomen in de openbare berm van de Lange Brinkweg. Zowel de oost- als de westzijde van het plangebied wordt geflankeerd door een coniferenhaag om de varkensschuren uit het zicht te houden.
2.3. Toekomstige situatie De varkensfokkerij en -houderij aan de Lange Brinkweg 87 zal in het kader van de landelijke saneringsregeling varkenshouderij worden beëindigd. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de ruimte-voor-ruimte regeling uit de Interim Omgevingsverordening (zie paragraaf 3.3.2) van de provincie Utrecht. Vervolgens zullen de stallen worden gesloopt. Omdat deze intensieve veehouderij aan de rand van de bebouwde kom van Soest ligt, veroorzaakt dit bedrijf
Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 87
7
geurhinder in de aangrenzende woonwijk. Door de bedrijfsbeëindiging zal het woon- en leefklimaat van omwonenden derhalve aanzienlijk verbeteren. Het woonhuis en de monumentale schaapskooi zijn de enige opstallen die behouden blijven. Door de schaapskooi te omgeven met groen, zoals dat van oudsher ook zo was, zal deze beter tot zijn recht komen. Afbeelding 7: Toekomstige situatie.
Op het agrarisch erf zullen drie woningen worden gebouwd. Voor de situering van de nieuwe bebouwing is het traditionele boerenerf als metafoor gebruikt. De toekomstige perceelsopzet voegt zich zodoende naar de historisch gegroeide bebouwingsstructuur langs de Lange Brinkweg.
Het bestaande woonhuis met zijn siertuin blijft als hoofdhuis van het erf gehandhaafd. Het bijpassende hekwerk en de beeldbepalende berk worden geïntegreerd in het plan. De schaapskooi komt dankzij deze opzet meer prominent in beeld in een groene setting aan het erf. Het ensemble staat aan een pleinachtige ruimte met op de kop een hoogstamfruitboomgaardje. De entree van het erf heeft hierdoor een informeel en enigszins besloten karakter. Dit betekent dat de 'hoofdwoning' aan de wegzijde staat en daarachter de woningen in de 'erfbebouwing' zijn gesitueerd met de nokrichting haaks op de Lange Brinkweg. Daarnaast sluiten de bouwmassa's zowel qua vorm als qua uitstraling en maatvoering aan bij de bebouwing in de omgeving. De positie van bebouwing en beplanting respecteert de doorzichten en de openheid van Eempolder. Voor de massaopbouw van de woningen is gekozen voor een eenvoudige hoofdvorm in de vorm van een schuurwoningen. Dit zijn woningen met een een-
Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 87
8
voudige hoofdmassa een inpandig bijgebouw, die bestaan uit één bouwlaag met een zadeldak. Een aan-/ uitbouw is duidelijk ondergeschikt aan de hoofdbouwmassa. Zowel voor de gevels als de dakvlakken geldt dat gevelopeningen zoveel mogelijk in of achter de gevel en/ of het dakvlak gerealiseerd moeten worden. Zo blijft de herkenbare hoofdvorm intact en ontstaat een rustige bouwmassa. Serres zijn niet gewenst, maar grote gevelopeningen in de hoofdbouwmassa kunnen wel vides of inpandige balkons bevatten. Afbeelding 8: Vogelvluchtperspectief toekomstige situatie (indicatief).
Het bebouwd oppervlak wordt hierdoor gereduceerd van 3.419 m² (= oppervlakte huidige varkensstallen) naar ongeveer 450 m². Door deze stedenbouwkundige opzet wordt de relatie tussen het lint en de Eempolder versterkt. Het bestaande woonhuis, de schaapskooi en de voorste woonschuur komen samen om een kleine boomgaard aan de Lange Brinkweg te staan. Dankzij de erfachtige opzet ontstaat weer een doorzicht over het kavel naar de Eempolder. Ook blijven de randen van het perceel vrij van bebouwing, waardoor mooie overgangen ontstaan naar het landschap. Aan de lange kanten van de kavel zal inheemse beplanting worden aangebracht (zoals bijvoorbeeld knotwilgen) in plaats van de niet gebiedseigen coniferen. De knotwilgenrijen filteren het zicht op de bebouwing en genereren tegelijkertijd ook privacy voor de toekomstige bewoners. Achter op het kavel steekt de bebouwing nooit verder uit dan de bebouwing van de naastgelegen percelen, waardoor hier het weidelandschap als het ware de kavel wordt opgetrokken. De woningen worden gebouwd aan een gezamenlijk erf. De woningen staan niet direct aan dat erf, maar hebben daar wel een directe relatie mee. De overgangen tussen privaat en collectief zijn geleidelijk. Tussen de woningen en het erf liggen tuinen, lage hagen en bloemrijke grasbermen. De bewoners krijgen parkeerruimte tussen de woningen.
Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 87
9
Woningen Met betrekking tot de beeldkwaliteit zijn in principe de criteria van toepassing die worden genoemd in Beeldkwaliteitplan Buitengebied (2004), die zijn samengevat in paragraaf 3.5.11. Specifiek voor het onderhavig plangebied is een beeldkwaliteitplan1 vervaardigd, waarin suggesties voor de massa-opbouw, de materialisering en het kleurgebruik zijn opgenomen. Dit beeldkwaliteitplan zal gelijktijdig met het onderhavige bestemmingsplan worden vastgesteld. Afbeelding 9: Impressie beeldkwaliteit.
De woningen krijgen een herkenbare hoofdvorm met een daklijn loodrecht op de Lange Brinkweg als verwijzing naar de authentieke bebouwing van deze streek. Daarnaast zijn aanpassingen aan deze typologie mogelijk om de woningen aan te passen aan de woonwensen van deze tijd. Als voorwaarde voor deze aanpassingen geldt dat de herkenbaarheid van de hoofdvorm niet te zeer moet worden aangetast. De basis van de hoofdvorm is een rechthoekige plattegrond. De woningen worden voorzien van kopgevels en een zadeldak. Een aan-/ uitbouw is duidelijk ondergeschikt aan de hoofdbouwmassa. Zowel voor de gevels als de dakvlakken geldt dat gevelopeningen zoveel mogelijk in of achter de gevel en/ of het dakvlak gerealiseerd moeten worden. Zo blijft de herkenbare hoofdvorm intact en ontstaat een rustige bouwmassa.
1
Bekhuis & KleinJan, Beeldkwaliteitsplan Hammenparc Lange Brinkweg 87 te Soest, Wierden, 4 mei 2022
Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 87
10
De gevels zijn overwegend van baksteen en/ of hout. Ondergeschikte geveldelen kunnen uit een ander materiaal bestaan. De kleurstelling van deze geveldelen is vrij, maar expressief kleurgebruik is niet gewenst. Daarom worden felle kleuren uitgesloten en moet terughoudend worden omgesprongen met de combinatie van contrasterende kleuren. Dit betekent dat witte (gekeimde) gevels niet zijn toegestaan. Ondergeschikte geveldelen mogen wel wit zijn. De basis van de dakvorm is een gelijkbenige driehoek. De goothoogte bedraagt maximaal 3,5 meter, de nokhoogte is minimaal een meter lager dan het bestaande hoofdhuis. Voor daken geldt hetzelfde als voor de gevels. Openingen in het dak bevinden zich zoveel mogelijk in of onder het dakvlak. Daken dienen te worden voorzien van pannen, leien en/ of riet. Expressieve kleuren en/ of glimmende materialen zijn niet toegestaan. Zonnepanelen worden mee ontworpen. Deze moeten worden geïntegreerd in de nok. Collectief terrein De gronden blijven in eigendom bij de huidige eigenaar. Het achterste deel tussen de nieuwe woningen zal na de realisatie daarvan worden overgedragen aan de toekomstige bewoners. Zij worden verantwoordelijk voor het beheer en onderhoud van die gronden. De gronden blijven derhalve in privaat eigendom.
Er zal één gezamenlijke inrit vanaf de Lange Brinkweg, die aan weerszijden van de bestaande berkenboom aansluit op de weg, worden aangelegd in klinkers in een natuurlijke kleur. De entree heeft een semi-privaat karakter, zodat bij binnenkomst voelbaar is dat men zich op een collectief, privaat terrein begeeft. De bestaande berk in combinatie met de verschuiving van materiaal zorgt ervoor dat dit bereikt wordt. De entree is een pleinachtige ruimte waar bezoekers hun auto kunnen parkeren. Het pleintje wordt geflankeerd door de schaapskooi en de boomgaard, bestaande uit hoogstamfruitbomen. Ze bieden de entree beschutting en dragen bij aan de afwisseling tussen bebouwing en beplanting. De verharding van het erf is ruim van opzet en wordt geflankeerd door een bloemrijke berm. Zo kan het erf voor verschillende doeleinden gebruikt worden en nodigt het uit om het erf verder aan te kleden met bijvoorbeeld bankjes en bloembakken. De houtsingels loodrecht op de Lange Brinkweg markeren het gehele perceel en generen privacy. Ze staan in een open zone met gras en water van minimaal 5 meter, zijn gevarieerd en natuurlijk en worden voorzien van inheemse beplanting. Terrassen liggen aan de woning en worden waar nodig afgeschermd door opgaand groen. Hagen met een maximale hoogte van 1,5 meter zijn mogelijk loodrecht op de gevel en hooguit tot de zone met de houtsingel.
Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 87
11
Uit de ASVV 2012 blijkt dat voor vrijstaande woningen in matig stedelijk gebied in de rest bebouwde kom uitgegaan dient te worden van respectievelijk 7,8 tot 8,6 motorvoertuigen per woning per etmaal. De woningen genereren derhalve maximaal 25,8 (3x8,6) motorvoertuigen per etmaal. Bij een spitsintensiteit van 10% betekent dit dat er op het drukste uur van de dag ongeveer één auto per 23 minuten bij zal komen. Daarop dient het (vracht)verkeer van het agrarisch bedrijf in mindering te worden gebracht. De Lange Brinkweg kan deze marginale verkeerstoename verwerken. Het nieuwe erf zal met de Lange Brinkweg worden verbonden door middel van één inrit, die aan weerszijden van de bestaande berkenboom aansluit op de weg. In de beleidsnota Nota Parkeernormen auto en fiets 4e herziening, van 14 oktober 2021, is het parkeerbeleid van de gemeente Soest verwoord (zie paragraaf 3.5.7). Afbeelding 10: Parkeren Soort
Aantal
Norm
Totaal
(niet-)openbaar
2
0,8
1,6
oprit met garage
5
1,0
5,0
lange oprit
3
1,0
3,0
Totaal
9,6
Voor woningen met een gebruiksoppervlak van 121 m² of meer gaat de Nota uit van 2,0 parkeerplaatsen per woning òf 1,8 parkeerplaatsen per woning en 6 inpandige fietsparkeerplaatsen (>9,5 m² berging). In het onderhavige plan krijgen de nieuwe woningen voldoende inpandige stallingsruimte voor fietsen. Derhalve wordt in dit geval uitgegaan van een parkeernorm van 1,8 parkeerplaatsen per woning. De Nota parkeernormen 4e herziening schrijft ook voor dat er per 3 woningen een openbare parkeerplaats voor bezoekers aan het plangebied toegevoegd dient te worden. De parkeerbehoefte bedraagt (inclusief die voor het bestaande woonhuis) derhalve 7,2 parkeerplaatsen. Bij elke woning is de mogelijkheid om naast elkaar dan wel achter elkaar met twee auto’s te parkeren. Voor bezoekers worden vijf semi-private parkeerplaatsen verdeeld over twee plekken aangeboden. Er worden normatief 9,6 parkeerplaatsen, waarvan 1,6 (semi-)openbaar, aangelegd (zie afbeelding 10). Derhalve wordt voldaan aan de parkeereis.
Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 87
12
Belangrijk uitgangspunt van de landschappelijke inpassing is handhaving van het open zicht naar de polder als belangrijke kwaliteit van de locatie in het algemeen. Het erf zelf bestaat uit een afwisseling van beplanting en bebouwing, waarbij de hoogste elementen de losstaande bomen op het erf zouden moeten zijn. Voor die inpassing is het van belang dat het erf een opgaand samenhangend geheel vormt in het open landschap. Het erf moet daarom een compact geheel vormen met zachte randen voorzien van opgaand groen. Aan de achterzijde van het perceel, op de overgang naar de polder, is opgaande beplanting niet op zijn plaats. Hier moet het blijven bij een hooiland of bloemrijk grasland, waar bijvoorbeeld schapen zouden kunnen grazen. Enkele solitaire bomen kunnen het beeld versterken. Zowel de oost- als de westzijde van het plangebied wordt in huidige situatie geflankeerd door een coniferenhaag om de varkensschuren uit het zicht te houden. Omdat deze hagen niet inheems zijn en niet passen bij de streekeigen beplanting die hier op zijn plaats is. Bij herontwikkeling worden deze hagen derhalve verwijderd en vervangen door houtsingels haaks op de Lange Brinkweg met inheemse beplanting en een meerwaarde voor de biodiversteit. Het gaat hierbij om singelachtige beplanting, zoals elzen, essen, vlier en/ of wilgen, in ieder geval inheemse, streekeigen beplanting.
De singels laten ruimte voor doorzichten op het buitengebied. De bomen van de singels staan op afstand van de sloot, zodat deze nog onderhouden kan worden. De voorzijde van het perceel aan de Lange Brinkweg moet open en representatief van karakter zijn. Dit betekent dat hier vooral lage beplanting wordt toegepast. De bestaande siertuin sluit hier goed op aan. Individuele bomen (zoals de bestaande berk, maar ook bomen in de berm van de Lange Brinkweg doen hier aan mee) en een boomgaard met hoogstamfruitbomen omkaderen de ruimte. Naast het collectieve terrein gaan de toekomstige bewoners ook private buitenruimten inrichten. Om ervoor te zorgen dat deze ruimten passen bij de uitstraling van het erf worden een drietal spelregels meegegeven: terrassen zitten aan de woning vast en worden indien wenselijk afgeschermd met beplanting. Schuttingen en windschermen zijn hier niet op zijn plaats. Daarnaast blijft verlichting laag en beperkt. Op de laatste plaats liggen terrassen eenvoudigweg op maaiveld. Opgetilde buitenruimtes benadrukken te veel de individuele, losstaande positie van woningen en zijn derhalve niet passend bij een erfopstelling. De bovenstaande randvoorwaarden zijn verwerkt in een inrichtingsplan, waarvan de uitvoering en instandhouding door middel van een voorwaardelijke verplichting aan de regels van dit bestemmingsplan is gekoppeld.
Dit inrichtingsplan is daarom als bijlage aan die regels toegevoegd.
Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 87
13
Hoofdstuk 3. Beleidskaders 3.1. Inleiding Dit hoofdstuk geeft een overzicht van de inhoud van het ruimtelijk relevante beleid voor het plan op rijks-, provinciaal- en lokaal niveau. Dit beleid vormt het kader van toetsing van de huidige situatie en nieuwe ontwikkelingen. Het beschreven beleidskader is daarmee een van de belangrijkste bouwstenen voor de visie op het plangebied en de opzet van de juridische regelingen.
3.2. Rijksbeleid De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is op 11 september 2020 vastgesteld. De NOVI vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012). De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. Vanwege het uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet komt de NOVI als structuurvisie uit onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als de Nationale Omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld. In de NOVI geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI bestaat uit een visie, toelichting en uitvoeringsagenda. De combinatie van deze drie documenten zorgt voor een toetsing die leidt tot nationale strategische keuzes en gebiedsgericht maatwerk. De NOVI geeft weer voor welke uitdagingen Nederland staat, wat daarbij de nationale belangen zijn, welke prioriteiten de Rijksoverheid stelt bij de inrichting van Nederland en hoe het Rijk keuzes maakt in de uitvoering daarvan. Keuzes die samenhangen met toekomstbeelden over de fysieke leefomgeving, maatschappelijke opgaven en bijbehorende economische perspectieven.
Steeds duidelijker wordt dat de opgaven alleen goed aangepakt kunnen worden als dat in samenhang gebeurt, het ontwikkelpotentieel van heel Nederland optimaal wordt benut en gezorgd wordt voor een duurzame verbinding van alle delen van Nederland en met de landen om ons heen. Het beleid in de leefomgeving is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de betrokken overheden. De NOVI geeft aan waar het Rijk zich op nationale schaal aan bindt, waar het regie voert richting medeoverheden of waar het juist aan de medeoverheden is om keuzes te maken. Provincies en (samenwerkende) gemeenten zullen in hun omgevingsvisies uiting geven aan hun eigen verantwoordelijkheid en keuzes in de fysieke leefomgeving. Met de NOVI wordt in beeld gebracht waar kansen liggen. Kansen om de kwaliteit van onze leefomgeving te verbeteren. Kansen om sociale samenhang, gezondheid en economisch herstel te bevorderen en kansen om schone, veilige en duurzame technieken, die bijdragen aan de beoogde transitie naar een circulaire samenleving – stevig te verankeren in onze manier van leven en werken. Daartoe zijn 21 nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de
Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 87
14
ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie 2. Een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel 3. Sterke en gezonde steden en regio's 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Prioriteit 1 gaat over de ambitie van Nederland om in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust te zijn. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, bijvoorbeeld voldoende groen en ruimte voor wateropslag in onze steden. Daarnaast gaat het ook over de ambitie van Nederland om in 2050 een duurzame energievoorziening te hebben. Dit vraagt ruimte, onder meer voor windmolens en zonnepanelen en de bijbehorende energie infrastructuur voor opslag en transport van duurzame energie. Bij prioriteit 2 wordt aangegeven dat de ambitie voor de lange termijn is: het duurzaam en circulair maken van de economie en energievoorziening en het versterken van de kwaliteit van de leefomgeving. Er wordt ingezet op een aantrekkelijke, gezonde en veilige omgeving en een goed vestigingsklimaat, inclusief een goede bereikbaarheid en duurzame mobiliteit.
Locaties van nieuwe kantoren, bedrijventerreinen, grootschalige logistieke functies en datacentra moeten passen bij het verkeers- en vervoersnetwerk, goed afgestemd zijn op de vraag van bedrijven én de economische vitaliteit en de kwaliteit en aantrekkelijkheid van stad en land versterken. Er wordt daarbij ingezet op actieve clustering van (grootschalige) logistieke functies op logistieke knooppunten langs (inter)nationale corridors. Nieuwvestiging van toerisme vindt bij voorkeur plaats buiten de huidige toplocaties en in de nabijheid van OV of bestaande aansluitingen op het hoofdwegennet. Bij prioriteit 3 wordt beschreven dat er wordt ingezet op het bouwen aan sterke, aantrekkelijke en gezonde steden. De ambitie is om een goed bereikbaar netwerk van steden en regio's te realiseren door te werken aan de verdere ontwikkeling van het Stedelijk Netwerk Nederland. De grote actuele woningbehoefte vraagt tegelijkertijd om oplossingen op korte termijn. Hieraan wordt een stevige impuls gegeven. De ontwikkeling vindt plaats in lijn met de ambities van de integrale verstedelijkingsstrategie, zo veel mogelijk in bestaand stedelijk gebied, klimaatbestendig en natuurinclusief. Grote open ruimten tussen de steden houden hun groene karakter. Het aanbod en de kwaliteit van het groen in de stad worden versterkt en de aansluiting op het groene gebied buiten de stad wordt verbeterd.
Bij prioriteit 4 wordt ingegaan op het belang van natuurlijke systemen en het landschap. In sommige regio's staan de natuurlijke systemen en het landschap onder druk. Soms is daar sprake van een verzakkende bodem, onder meer door een te laag waterpeil. Als het waterpeil omhoog gaat, kan dat gevolgen hebben voor de landbouw en de veeteelt. In sommige gebieden wordt het dan misschien logischer om duurzame energie te produceren in plaats van voedsel. Tegelijkertijd willen we de kwaliteiten van het landschap graag behouden om te kunnen recreëren en ook vanwege ons cultureel erfgoed.
Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 87
15
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Ten behoeve van die afweging gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: ▪ combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte; ▪ kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; ▪ afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.
Planspecifiek Vanuit de vier prioriteiten zijn een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied en het duurzaam en circulair maken van de economie en energievoorziening en het versterken van de kwaliteit van de leefomgeving de belangrijkste uitgangspunten. Door de beëindiging van de intensieve varkenshouderij aan de dorpsrand zal het woon- en leefklimaat in de omgeving aanzienlijk verbeteren. Door de sloop van de bebouwing wordt de beleefbaarheid van de Eempolder versterkt. Door de bouw van drie compensatiewoningen krijgt het perceel weer een nieuwe duurzame toekomst. Van de 21 nationale belangen is, naast een duurzame ontwikkeling, het behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten, een nationaal belang dat relevant is voor de onderhavige ontwikkeling. De transformatie doet geen afbreuk aan het cultureel erfgoed. De planontwikkeling is niet in strijd met de uitgangspunten van de NOVI.
Om de ruimte zorgvuldig te benutten en overprogrammering te voorkomen, is de "Ladder voor duurzame verstedelijking" opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Sinds 1 juli 2017 dient in de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving bevat van de behoefte aan die ontwikkeling (trede 1), en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien (trede 2). Op grond van de jurisprudentie (AbRvS 18 december 2013, nr. 201302867/1/R4) wordt de bouw van drie woningen niet aangemerkt als stedelijke ontwikkeling. In dit geval neemt het woningaantal met drie toe. De ladder is in dit geval derhalve niet van toepassing.
Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 87
16
Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. De uitgangspunten van het Verdrag van Malta vormen de basis voor de omgang met archeologie in deze wet. Samen met de in 2022 in te voeren Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van het Nederlandse cultureel erfgoed mogelijk. In de Omgevingswet worden alle onderdelen rond de omgang met cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving samen gebracht. Tot de invoering van deze wet zullen alle over te nemen delen van de Monumentenwet uit 1988 van kracht blijven. Ze zijn opgenomen in het overgangsrecht in de Erfgoedwet. Op grond van de Monumentenwet is de gemeenteraad verplicht bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening te houden met de in de grond aanwezige of te verwachten archeologische waarden. Archeologische beleidskaart Deze waarden en verwachtingen zijn aangegeven op de gemeentelijk archeologische beleidskaart (versie 2016). Deze kaart is op basis van archeologische waarnemingen en vondsten en landschappelijke en historische gegevens tot stand gekomen. De archeologische beleidskaart is door het college van burgemeester en wethouders vastgesteld. De beleidskaart kent een onderverdeling in gebieden. Per gebied is een beleidsadvies geformuleerd. Naast archeologische Rijksmonumenten zijn er gebieden met een hoge archeologische waarde aangewezen.
Ook is er een verdeling gemaakt tussen gebieden met een hoge, middelhoge en een lage archeologische verwachting. Ter voldoening aan artikel 38a van de Monumentenwet neemt de gemeente Soest in bestemmingsplannen een regeling ten aanzien van de gebieden met archeologische waarden en verwachtingen op, voor zover die al niet (anderszins) zijn beschermd via de Monumentenwet. Regeling in het bestemmingsplan Gezien de daarbij betrokken belangen en de wettelijke plicht om in de bestemmingsplannen nadrukkelijk rekening te houden met archeologie wordt in voorkomende gevallen gekozen voor een dubbelbestemming. Het opnemen van een dubbelbestemming brengt goed tot uitdrukking dat archeologie op zichzelf dient te worden beoordeeld en ten opzichte van de medebestemming van primair belang is. De dubbelbestemming omvat een eigen stelsel van regels voor bouwen en gebruik, dat functioneert naast (of boven) de regeling die is verbonden aan de onderliggende bestemming.
De Wet natuurbescherming (Wnb) vervangt vanaf 1 januari 2017 de Flora- en faunawet, Boswet en Natuurbeschermingswet 1998 en is het sluitstuk van de decentralisatie van het natuurbeleid van het Rijk naar de provincies, onder andere vastgelegd in het Bestuursakkoord Natuur (2011) en het Natuurpact (2013). Hiertoe maakt de Wnb onderscheid in het beschermen van gebieden (hoofdstuk 2), dier- en plantensoorten (hoofdstuk 3) en houtopstanden (hoofdstuk 4).
Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 87
17
De Wnb gaat in op de bescherming van natuurgebieden van Europees belang die behoren tot het zogenoemde Natura-2000-netwerk. In feite verandert er niet veel ten opzichte van de Natuurbeschermingswet 1998. Natura 2000-gebieden zijn belangrijke delen van het NNN en dragen veel bij aan het bereiken van een goede biologische diversiteit. De provincies zijn vanaf 1 januari 2017 verantwoordelijk voor het beleidsveld natuur en krijgen te maken met extra taken, bevoegdheden en verplichtingen, waarbij het nieuwe stelsel de Europese regelgeving als uitgangspunt neemt. De provincies hebben de opdracht om de Wnb nader uit te werken in een provinciale Natuurvisie die de strategische hoofdlijnen van het natuurbeleid moet weerspiegelen. Uit de ecologische quickscan (zie paragraaf 4.4) blijkt dat de Wnb geen belemmeringen met zich meebrengt voor het onderhavige bestemmingsplan.
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. Het NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur. Het NNN bestaat uit: ▪ bestaande natuurgebieden, reservaten, natuurontwikkelingsgebieden en zogenaamde robuuste verbindingen; ▪ landbouwgebieden met mogelijkheden voor agrarisch natuurbeheer (beheergebieden); ▪ grote wateren (zoals de kustzone van de Noordzee, het IJsselmeer en de Waddenzee). Het NNN is opgenomen in de Interim Omgevingsverordening van de provincie Utrecht. Het plangebied ligt niet binnen het NNN.
In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW 2003) is samen met provincies, waterschappen en gemeenten, het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. Daarbij is vastgelegd op welke wijze, met welke middelen en langs welk tijdpad zij gezamenlijk de wateropgave voor Nederland in de 21e eeuw willen aanpakken. Aanleiding voor het akkoord vormen de structurele veranderingen die zich voordoen in de aard en omvang van de nationale waterproblematiek. Klimaatveranderingen, zeespiegelstijging, bodemdaling en verstedelijking maken een nieuwe aanpak in het waterbeleid noodzakelijk. Kern van die aanpak is dat water meer ruimte zal moeten krijgen voordat het die ruimte zelf neemt. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen van de dijken en het verminderen van wateroverlast door piekbuien door het hebben van "droge voeten". Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan duurzame ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen. In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. In 2008 is het NBW geactualiseerd. Het NBW-actueel benadrukt de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het op orde krijgen en houden van het totale watersysteem. Het geeft aan welke instrumenten ingezet worden om de opgave te realiseren, welke taken en verant-
Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 87
18
woordelijkheden iedere partij daarbij heeft en hoe partijen elkaar in staat willen stellen hun taken uit te voeren. Ook is een nieuwe fase aangebroken in het samenwerkingsproces, waarbij het zwaartepunt verschuift van planvorming naar uitvoering.
In december 2015 is het Nationaal Waterplan 2016-2021 vastgesteld. In het plan zijn de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het nationale ruimtelijke beleid beschreven. Met dit Nationaal Waterplan voldoet Nederland aan de Europese eisen die voortvloeien uit de Kaderrichtlijn Water (KRW), de Richtlijn Overstromingsrisico's (ROR) en de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KMS). In het Nationaal Waterplan 2016-2021 zijn verwerkt: hoofdlijnen van het nationaal waterbeleid, gewenste ontwikkelingen, de werking en de bescherming van de watersystemen in Nederland, benodigde maatregelen en ontwikkelingen, beheerplannen voor de stroomgebieden, beheerplannen voor de gebieden met overstromingsrisico, Mariene Strategie, Beleidsnota Noordzee en de functies van de rijkswateren. Het Nationaal Waterplan vormt het kader voor de regionale waterplannen en de beheerplannen. Er is geen formele hiërarchie tussen deze plannen, maar op grond van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (zoals het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel) kan bij het vaststellen van een regionaal waterplan of een beheerplan niet zo maar worden afgeweken van het Nationaal Waterplan.
Bij ruimtelijke plannen geldt vanaf 1 november 2003 de wettelijke verplichting van een waterparagraaf/watertoets. De watertoets is één van de pijlers van het Waterbeleid voor de 21e eeuw, waarin aan water een meesturende rol in de ruimtelijke ordening is toegekend. Met de watertoets wordt beoogd waterbeheerders vroegtijdig in het ruimtelijke ordeningsproces te betrekken. De watertoets betreft het hele proces van informeren, adviseren, afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van een waterparagraaf is een samenhangend beeld te geven van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met duurzaam waterbeheer en de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het voorkomen van negatieve effecten op de waterhuishouding staat bij de watertoets voorop. Dan pas komen inrichtingsmaatregelen en compensatie in beeld. Ten behoeve van dit bestemmingsplan is de digitale watertoets (zie paragraaf 4.3) ingevuld. Hieruit zijn geen belemmeringen naar voren gekomen voor de realisatie van woningen in het onderhavige plangebied.
De Europese Kaderrichtlijn Water gaat er vanuit dat water geen gewone handelswaar is, maar een erfgoed dat moet worden beschermd en verdedigd. Het hoofddoel van de richtlijn
Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 87
19
is daarop gebaseerd. De Kaderrichtlijn Water geeft het kader voor de bescherming van landoppervlaktewater, overgangswater, kustwater en grondwater. Dat moet er toe leiden dat: ▪ aquatische ecosystemen en gebieden die rechtstreeks afhankelijk zijn van deze ecosystemen, voor verdere achteruitgang worden behoed; ▪ verbetering van aquatisch milieu wordt bereikt, onder andere door een forse vermindering van lozingen en emissies; ▪ duurzaam gebruik van water wordt bevorderd op basis van bescherming van de beschikbare waterbronnen op lange termijn; ▪ er wordt gezorgd voor een aanzienlijke vermindering van de verontreiniging van grondwater. In paragraaf 4.3 wordt nader ingegaan op het aspect water binnen het plangebied.
In de Wet Verankering en bekostiging Gemeentelijke Watertaken is de verbreding van het gemeentelijke rioolrecht tot een bestemmingsheffing geregeld. Hiermee kunnen gemeenten ook voorzieningen bekostigen voor regenwaterafvoer en de aanpak van grondwaterproblemen in bebouwd gebied. De nieuwe wet is per 1 januari 2008 in werking getreden. Gemeenten hebben via een zorgplicht een formele rol toegekend in de aanpak van stedelijke grondwaterproblemen. Het gemeentelijke grondwaterbeleid moet zijn opgenomen in het gemeentelijk rioleringsplan (GRP). Indien er in het bebouwd gebied sprake is van structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aanwezige bestemming, dan heeft de gemeente een zorgplicht. Dit betekent dat de gemeente maatregelen moet nemen waarmee de problemen zoveel mogelijk voorkomen worden. De gemeentelijke zorgplicht geldt alleen als het gaat om maatregelen die doelmatig zijn en niet tot de verantwoordelijkheid van het waterschap of provincie behoren. Ook is de gemeente verantwoordelijk voor de doelmatige inzameling van afstromend hemelwater, voor zover de perceelseigenaar dit water zelf niet kan verwerken. Alle voorzieningen die direct of indirect samenhangen met de gemeentelijke stelsels voor afvalwater, hemelwater en grondwater kunnen uit de verbrede rioolheffing worden bekostigd.
Iedere gemeente dient de grondwaterzorgplicht te concretiseren naar de eigen lokale situatie. Er is beleidsruimte om op gemeentelijk niveau vast te stellen wanneer er bijvoorbeeld sprake is van structurele overlast en welke minimale ontwateringsdiepte gewenst is.
3.3. Provinciaal beleid Op 10 maart 2021 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie Provincie Utrecht vastgesteld. De Omgevingsvisie is op 1 april 2021 in werking getreden. Met vaststelling van de Omgevingsvisie en de (Interim) Omgevingsverordening provincie Utrecht leggen Provinciale Staten de integrale lange termijn ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving van de provincie Utrecht vast (Omgevingsvisie) en de juridische doorwerking hiervan (Om-
Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 87
20
gevingsverordening). De Omgevingsvisie is een samenvoeging van onder andere de ruimtelijke structuurvisie, mobiliteitsvisie, natuurvisie en het bodem-, water- en milieuplan. De Omgevingsvisie van de provincie Utrecht bevat een uitwerking in thema's en in gebieden. De uitwerking is in 7 thema's gevat: ▪ stad en land gezond; ▪ klimaatbestendig en waterrobuust; ▪ duurzame energie; ▪ vitale steden en dorpen; ▪ duurzaam, gezond en veilig bereikbaar; ▪ levend landschap, erfgoed en cultuur; ▪ toekomstbestendige natuur en landbouw. In de Omgevingsvisie staan zowel de ambities, als de wijze waarop de provincie daar uitvoering aan wil geven. De uitwerking in gebieden valt uiteen in drie regio's: U16, Amersfoort en Food-valley. Soest behoort tot de regio Amersfoort. In de uitwerking van het beleid brengt de provincie gebiedsgericht samenhang aan tussen de thematische ambities. Eemland is één van de vijf karakteristieke landschappen van de provincie Utrecht. Kernkwaliteiten van Eemland zijn extreme openheid, slagenverkaveling, veenweidekarakter, historie van de Zuiderzee, de hierin gelegen Grebbelinie en overgangsgebieden (bij Eemnes, Soest en Amersfoort). De provincie streeft naar de bescherming en het benutten van landschappelijke, aardkundige, cultuurhistorische en archeologische waarden als dragers en aanjagers van omgevingskwaliteit.
Door toepassing van de ruimte-voor-ruimte regeling neemt het bebouwingsareaal af en wordt de openheid versterkt. Hierdoor versterkt de planontwikkeling de kernkwaliteiten van Eemland. Als een agrarisch bouwperceel geheel vrijkomt is het beleid gericht op sloop van overbodig geworden bedrijfsbebouwing. Via de Omgevingsverordening is er in het landelijk gebied ruimte voor de bouw van één tot drie woningen (ruimte-voor-ruimte) of de vestiging van een niet-agrarische functie in ruil voor de sloop van een evenredige oppervlakte aan bedrijfsbebouwing. Daarbij is het uitgangspunt dat alle bedrijfsmatige bebouwing moet worden gesloopt. Naar mate er meer wordt gesloopt, is er meer ontwikkelruimte. De onderhavige planontwikkeling past binnen de uitgangspunten van de Omgevingsvisie Provincie Utrecht.
Omdat de Omgevingswet naar verwachting pas op 1 januari 2022 in werking treedt, is het nodig om in plaats van de Omgevingsverordening een Interim Omgevingsverordening te maken. De Omgevingsverordening kan namelijk niet onder de huidige wetgeving in werking treden. Dat kan alleen onder de nieuwe Omgevingswet. Om toch eerder uitvoering te kunnen geven aan de plannen en ambities uit de Omgevingsvisie, is op 1 april 2021 de Interim Omgevingsverordening in werking getreden.
Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 87
21
Doel van de verordening is om provinciale belangen op het gebied van de ruimtelijke ordening te laten doorwerken naar het gemeentelijk niveau. Hierbij kan worden gedacht aan het NatuurNetwerk Nederland (NNN) en bebouwingsmogelijkheden in het stedelijk en het landelijk gebied. Het NatuurNetwerk Nederland (NNN) is een robuust netwerk, gevormd door bestaande natuurgebieden, nieuwe nog te realiseren natuurgebieden en verbindingszones tussen de natuurgebieden. Enkele beheersgebieden maken ook onderdeel uit van de NNN. Dit zijn landbouwgebieden waar agrarisch natuurbeheer wordt ingezet om een bijdrage te leveren aan de biodiversiteit, én aan het functioneren van de NNN. Het plangebied ligt buiten de NNN en zijn er vanuit dit oogpunt geen belemmeringen voor de onderhavige planontwikkeling. Het plangebied ligt net buiten de rand van het 'stedelijk gebied' in het 'landelijk gebied'. Verstedelijking is in principe alleen mogelijk in het stedelijk gebied. Op grond van artikel 9.2 van de Interim Omgevingsverordening staat een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Landelijk gebied geen verstedelijking toe, tenzij in deze verordening anders is bepaald. Verstedelijking wordt daarbij gedefinieerd als: 'de vestiging of uitbreiding van al bestaande stedelijke functies.
Denk daarbij aan nieuwvestiging of de vergroting van de gebruiks-oppervlakte of bebouwingsmogelijkheden ten opzichte van het geldende bestemmingsplan.' Artikel 9.11 heeft betrekking op ruimte-voor-ruimte. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Landelijk gebied kan bestemmingen en regels bevatten die op agrarische bedrijfspercelen waar het agrarisch gebruik is beëindigd de bouw van één of meerdere nieuwe woningen toestaan, mits voldaan is aan de volgende voorwaarden: a. het bouwperceel is niet optimaal gesitueerd en uitgerust voor de grondgebonden landbouw of, in geval van een glastuinbouwbedrijf, het bouwperceel ligt niet in een concentratiegebied glastuinbouw; b. alle bedrijfsbebouwing op de betrokken bouwpercelen wordt gesloopt, tenzij het gaat om historisch waardevolle of karakteristieke bebouwing of bedrijfswoning. De historisch waardevolle of karakteristieke bebouwing krijgt een passende functie die bijdraagt aan dat behoud. Wanneer 750 m² tot 2.500 m² aan bebouwing wordt gesloopt, is de bouw van één nieuwe woning toegestaan. Wanneer 2.500 m² tot 4.000 m² aan bebouwing wordt gesloopt, is de bouw van twee woningen toegestaan. Wanneer er 4.000 m² of meer aan bebouwing wordt gesloopt, is de bouw van drie woningen toegestaan. Voor kassen geldt dat er 5.000 m² aan bedrijfsbebouwing wordt gesloopt voor één woning.
Afwijking van de vereiste sloopoppervlakten, het aantal te bouwen woningen en van de verplichting om het totaal aan bedrijfsbebouwing te slopen, is mogelijk mits dit leidt tot verhoging van de ruimtelijke kwaliteit; c. de nieuwe woning of woningen worden gesitueerd binnen de voormalige bouwpercelen, in samenhang met de te handhaven boerderij of bedrijfswoning, de betrokken bouwpercelen worden evenredig verkleind en de woningen worden landschappelijk goed ingepast, tenzij situering van de nieuwe woning op een andere locatie in het landelijk gebied leidt tot verhoging van de ruimtelijke kwaliteit; en d. de omliggende agrarische bedrijven worden niet in hun bedrijfsvoering belemmerd.
Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 87
22
In het plangebied wordt 3.419 m² aan voormalige agrarische bedrijfsbebouwing geamoveerd. Dat is weliswaar minder dan 4.000 m² die in principe noodzakelijk is voor de bouw van drie woningen. Door de opheffing van een intensieve veehouderij verdwijnt de geurhinder is er sprake van een zeer aanzienlijke verbetering van het woonmilieu in Soest. Verder worden natuurvriendelijke slootkanten aangelegd, wordt een boomgaard aangelegd en krijgt de schaapskooi een goede landschappelijke inpassing. Hierdoor wordt de ruimtelijke kwaliteit wordt in voldoende mate verhoogd om het tekort van 581 m² aan sloopmeters te compenseren. Op de kaart 'Cultuurhistorie en Landschap kaart 2' die bij de verordening hoort, liggen de gronden rondom het perceel in het gebied dat is aangeduid als 'Landschap Eemland'. Op grond van artikel 7.9, lid 3 mag een ruimtelijk besluit voor gronden die zijn aangewezen als 'landschap' geen nieuwe bestemmingen en regels bevatten die leiden tot een onevenredige aantasting van de in het plangebied voorkomende kernkwaliteiten. Door de planontwikkeling behouden de gronden aan de noordzijde van het plangebied, die nu in het agrarisch bouwvlak liggen, de agrarische bestemming. Omdat de bouwmogelijkheden verdwijnen, wordt het landschap Eemland ter plaatse als het ware 'vergroot'. De planontwikkeling draagt zodoende bij aan de versterking van de kernkwaliteiten.
Uit de Interim Omgevingsverordening vloeien verder geen specifieke aandachtspunten voor de onderhavige planontwikkeling voort. De Interim Omgevingsverordening heeft daarom geen gevolgen voor het voorliggende bestemmingsplan.
3.4. Regionaal beleid Op 30 september 2015 heeft het Waterschap Vallei en Eem het Waterbeheerprogramma vastgesteld. Dit Waterbeheerprogramma (WBP), dat op 1 januari 2016 in werking is getreden, geeft de koers van het waterschap aan en wordt bewust neergezet als een 'programma' en niet meer als een waterbeheerplan. Met het WBP als programma wordt aangesloten bij het Bestuursakkoord Water. Binnen de kaders van de Waterwet, de Europese Kaderrichtlijn Water en de Deltabeslissingen beschrijft het waterschap hoe wordt gewerkt aan de wateropgaven. Ook wordt alvast ingespeeld op de nieuwe wetgeving omtrent ruimtelijke ordening, waarmee dit WBP ook na de inwerkingtreding van de Omgevingswet houdbaar is. In het WBP is ook de meerjarenraming voor de periode 2016-2021 opgenomen.
3.5. Gemeentelijk beleid Op 10 september 2009 is door de gemeenteraad de Structuurvisie Soest vastgesteld. In deze structuurvisie is aangegeven dat een levendig dorp vraagt om het actief inspelen op ontwikkelingsmogelijkheden op velerlei gebied. Alle bevolkingsgroepen moeten kunnen blijven wonen, werken en gebruik maken van voorzieningen. Gestreefd wordt naar een evenwichtige
Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 87
23
bevolkingsopbouw, waarbij gebouwd wordt voor de eigen bevolking en een kleine instroom. Het woningbouwprogramma moet vooral een kwalitatieve invulling krijgen die aansluit bij de specifieke doelgroepen, zoals jongeren/starters en senioren. Daarmee wordt de doorstroming bevorderd en komen er woningen beschikbaar voor alle bevolkingsgroepen. Dit is nodig voor een evenwichtige bevolkingsopbouw en het in standhouden van het voorzieningenpeil. Bovendien is buitenstedelijk wonen een gewenst woonmilieu. Soest biedt daarvoor binnen de regio een oplossing. Op basis van een studie naar de huidige en gewenste identiteit van Soest is de volgende missie geformuleerd: Soest wil nu en in de toekomst een groen èn levendig dorp zijn. Soest wil een dorp blijven met het kleinschalige karakter dat daarbij past. Bouwen binnen de bebouwde kom heeft in beginsel de voorkeur. Voor grotere woningbouwlocaties is in de structuurvisie een kaart opgenomen. Daartoe behoort de locatie aan de Lange Brinkweg niet. De visie gaat niet in op individuele initiatieven. Op basis van een studie naar de huidige en gewenste identiteit van Soest is de volgende missie geformuleerd: Soest wil nu en in de toekomst een groen èn levendig dorp zijn. Soest wil een dorp blijven met het kleinschalige karakter dat daarbij past. Bouwen binnen de bebouwde kom heeft in beginsel de voorkeur.
Voor grotere woningbouwlocaties is in de structuurvisie een kaart opgenomen. Daartoe behoort de locatie aan de Lange Brinkweg niet. De visie gaat niet in op individuele initiatieven. Langs de Lange Brinkweg is de aanduiding 'behoud dorpsrand en doorzicht' en het gebied ten noordoosten daarvan 'te behouden Eemvallei'. Door de afname van het bebouwingsareaal wordt het doorzicht en het open karakter van de Eemvallei versterkt. Afbeelding 11: Fragment structuurvisiekaart.
Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 87
24
Op 20 mei 2020 heeft de gemeenteraad het Masterplan Wonen Soest vastgesteld. Aanleiding hiervoor is dat in de jaren voorafgaand aan de totstandkoming van dit Masterplan de druk op de woningmarkt sterk is toegenomen. Door de gestegen prijzen voor koopwoningen hebben mensen met een lager of middeninkomen minder mogelijkheden om een huis te kopen. Bovendien is het aantal woningzoekenden aanzienlijk groter dan het aanbod. Met name in een centraal gelegen regio als Soest. Het is daarom van groot belang om de komende jaren meer, en de juiste, woningen te bouwen. Met het vaststellen van het Masterplan Wonen Soest geeft de gemeenteraad richting aan de nieuwbouw in de kern Soest. Gestreefd wordt naar de realisatie van 700 tot 800 woningen in de kern Soest tot 2025. De focus ligt hierbij op het sociale en betaalbare segment. Daarmee zorgt de gemeenteraad ervoor dat voor de Soesters de zo gewenste woningen beschikbaar komen. Een randvoorwaarde daarbij is dat zorgvuldig met de ruimte en het buitengebied wordt omgegaan, om het woonmilieu waar Soest trots op is zoveel mogelijk te behouden en te versterken.
Het Masterplan Wonen heeft drie belangrijke uitgangspunten: ▪ de woningbouw moet inspelen op de kwalitatieve woningbehoefte van de eigen inwoners; ▪ met de woningbouw wordt gestreefd om doorstroming op de woningmarkt stimuleren; ▪ gestreefd wordt naar een gevarieerd aanbod in de nieuwbouw (woningtype, eigendom en prijsklasse) In 2019 is de kwantitatieve woningbehoefte in de gemeente Soest onderzocht. Dit onderzoek leverde een woningbehoefte van 770 woningen op voor de periode tot en met 2025. Deze behoefte wordt al deels ingevuld met bestaande plannen, waardoor de resterende woningbehoefte uitkomt op 635 woningen. Hiervoor zijn ruim 50 woningbouwlocaties beschikbaar, die samen goed zijn voor ongeveer 1.000 woningen. De kwalitatieve woningbehoefte in Soest richt zich de komende jaren op twee soorten woningen: ▪ huurappartementen: een vraag van senioren die willen verhuizen naar een levensloopgeschikte woning; ▪ betaalbare koopwoningen voor starters, jonge doorstromers en (in beperkte mate) senioren die een koopappartement zoeken. Het beleid is der daarom gericht met de nieuwe plannen te voorzien in deze kwalitatieve vraag, maar ook de doorstroming op de woningmarkt stimuleren en zorgen voor voldoende gevarieerd aanbod. Het Masterplan gaat echter niet in op de ruimte-voor-ruimte-regeling die is opgenomen in de provinciale interim omgevingsverordening.
De planontwikkeling voldoet aan de uitgangspunten van die regeling. Het is daarom niet nodig en niet realistisch om nadere voorwaarden te stellen wat betreft woningtype, prijsklasse, doelgroep enzovoort.
Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 87
25
Ladder voor duurzame verstedelijking Zoals eerder opgemerkt is de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing op onderhavige ontwikkeling. Wellicht ten overvloede kan worden opgemerkt dat in het plangebied 3 nieuwe vrijstaande woningen worden gebouwd. Deze woningen voorzien in de vraag naar (ruime) grondgebonden woningen. Ook in kwantitatief opzicht past het bouwprogramma in de nieuwbouwopgave die de gemeente Soest in de Bouwsteen Wonen heeft geformuleerd.
In 2008 heeft de gemeente het Gemeentelijke verkeer- en vervoersplan (GVVP) vastgesteld. Verkeer- en vervoerstromen zijn de laatste decennia sterk aan verandering onderhevig. Ruimtelijke en economische ontwikkelingen en de hiermee samenhangende, groeiende vraag naar mobiliteit zijn daarvan de oorzaken. Alle verkeer- en vervoerstromen moeten in goede banen worden geleid. Er moet tijdig ingespeeld kunnen worden op ontwikkelingen en de overlast van verkeer moet zoveel mogelijk worden ingeperkt. De bereikbaarheid van de gemeente Soest is van groot belang voor de ruimtelijke en economische ambities. Om de bereikbaarheid ook in de toekomst te kunnen waarborgen wordt ingezet op de regionale pakketstudies. In regionaal verband wordt bekeken hoe de doorstroming op het hoofdwegennet (de rijkswegen) en het onderliggende wegennet kan worden verbeterd. Binnen de gemeente zal de verkeersveiligheid en de doorstroming verbeterd worden door functionele weginrichting. De inrichting van de weg dient aan te sluiten bij de functie van de weg. De belangrijkste knelpunten op het gebied van de verkeersveiligheid zullen de komende jaren worden aangepakt. De Lange Brinkweg behoort niet tot de hoofdwegenstructuur. In het GVVP is opgenomen dat vraag en aanbod naar parkeerplaatsen met elkaar in balans moeten blijven.
In verband daarmee heeft de gemeenteraad op 18 februari 2010 de Beleidsnota parkeernormen en parkeerfonds (1e herziening) vastgesteld. Op 14 oktober 2021 is deze beleidsnota voor het laatst herzien. In paragraaf 3.5.7 is aangetoond aan de parkeernormering wordt voldaan. De woningbouw op het perceel Lange Brinkweg 87 voldoet aan de uitgangspunten en doelstelling van het gemeentelijk verkeer- en vervoersplan.
In het Groenstructuurplan van de gemeente Soest ("Staalkaart in het Groen") is de hoofdgroen- en bomenstructuur voor het stedelijk gebied aangegeven. Het Groenstructuurplan beschrijft het groen binnen de bebouwde kommen van Soest en Soesterberg en de kern Soestduinen. Het plangebied behoort niet tot de hoofdgroenstructuur.
Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 87
26
In de nota De groene kernkwaliteit van Soest (2014) is het groenbeleid van de gemeente Soest vastgelegd. De gemeente Soest heeft een uitgebreide groenstructuur zowel binnen de bebouwde kom als in het groene buitengebied. Daarbij zijn nog veel landschappelijke cultuurhistorische elementen aanwezig. De kernkwaliteit van het groen in Soest bestaat uit een combinatie van visueel-ruimtelijke, functioneel-ruimtelijke en economische kwaliteiten. Het groen op dorps- en wijkniveau draagt bij aan de collectieve beleving van de groene kernkwaliteit, waarbij bomen de belangrijkste groenelementen zijn. Het groen dat bepalend is voor de groene kernkwaliteit is vastgelegd op de groenstructuurkaart. Het doel van de nota en de groenstructuurkaart is: ▪ het behouden en versterken van de groene kernkwaliteit van Soest; ▪ het herstel van landschappelijke cultuurhistorische elementen; ▪ het bieden van kaders voor het herstel van lanenstructuren en landschappelijke cultuurhistorische elementen. Het plangebied vormt geen onderdeel van het structureel groen in Soest. De woningen krijgen ruime tuinen.
In de nota Bescherming en kap van bomen (2012) is het beleid rondom het duurzaam beschermen van bomen en de regels voor het kappen vastgelegd. De te beschermen bomen zijn onderverdeeld in 5 categorieën: ▪ bomenstructuren zoals vastgelegd op de groenstructuurkaart, en de parkwijken; ▪ monumentale bomen (particulier en gemeentelijk); ▪ waardevolle bomen (gemeentelijk); ▪ toekomstig monumentale particuliere bomen op percelen meer dan 175 m²; ▪ overige openbare bomen. De beschermwaardige bomen van categorieën 1 t/m 3 zijn vastgelegd op de bomenkaart van Soest. Voor deze bomen geldt een concreet verbod op het vellen. Er wordt géén vergunning verleend voor kap tenzij sprake is van een zwaarwegend verwijderingsbelang. Daarbij wordt altijd een herplantplicht opgelegd. Voor de bomen in categorie 4 en 5 geldt dat een vergunning wordt verleend mits geen sprake is van een weigeringsgrond. Daarbij kan een herplantplicht worden opgelegd. Bij ruimtelijke ontwikkelingen spelen aanwezige bomen een belangrijke rol. Aan de hand van een bomeninventarisatie in de oriëntatiefase wordt bepaald welke bomen behouden moeten blijven en worden randvoorwaarden omtrent de bomen opgesteld. Uit de digitale bomenkaart blijkt dat er op beide percelen geen bomen staan die behouden zouden moeten blijven. De Lange Brinkweg behoort wel tot de bomenstructuur.