4h 2 Bijlage 1 Toelichting Albert Cuyplaan 198 B incl. bijlagen.pdf
Tekst van het document
Conclusie In de bodem zijn hoogstens lichte verontreinigingen aangetoond, waarbij de geanalyseerde grondmengmonsters in dit geval zelfs voldoen aan de generieke achtergrondwaarde. Er zijn géén verdenkingen voor een sterke verontreiniging, noch een geval van ernstige bodemverontreiniging op de locatie.
27
Aanvullend onderzoek wordt op basis van de uitkomsten van onderhavig onderzoek niet noodzakelijk geacht. Op basis van de onderzoeksresultaten kan geconcludeerd worden dat de bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodem wordt geschikt geacht voor het toekomstige gebruik. 5.2.3 Milieuzonering 5.2.3.1 Algemeen Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • •
het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.
Als uitgangspunt voor het bepalen van de aan te houden afstanden gebruikt de gemeente Soest de VNG-uitgave "Bedrijven en Milieuzonering" uit 2009. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke (indicatieve) richtafstand. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming, die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie, die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. De richtafstanden zijn uitsluitend van toepassing voor nieuwe situaties (nieuwe ontwikkelingen) en niet voor bestaande situaties, waarbij het zo kan zijn, dat gevestigde milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies op een kleinere afstand van elkaar gesitueerd zijn. Naast de geadviseerde milieuzonering voor bedrijven op basis van de VNG brochure "Bedrijven en milieuzonering" kunnen er ook nog afstandscriteria uit specifieke milieuwetgeving gelden.
Denk hierbij aan de Wet milieubeheer, de agrarische geurwetgeving (Wgv) of de veiligheidsregelgeving (Bevi/Revi). Deze wetgeving geldt uiteindelijk als toetsingskader voor de toegestane milieueffecten. Ook deze afstandscriteria worden meegenomen bij de beoordeling van de gewenste ontwikkelingen. 5.2.3.2 Gebiedstypen Rustige woonwijk Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. Om een goede milieu-zonering op te stellen is een analyse en beschrijving van de omgeving nodig. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden standaard ten opzichte van het omgevingstype rustige woonwijk. Een rustige woonwijk is ingericht volgens het principe van de functiescheiding: afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor. Langs de randen is weinig verstoring door verkeer. Vergelijkbaar met de rustige woonwijk zijn rustig buitengebied, stiltegebied en natuurgebied. Daarvoor gelden dan ook dezelfde richtafstanden.
28
29
Gemengd gebied Naast het omgevingstype rustige woonwijk kent de VNG-uitgave ook het omgevingstype gemengd gebied. Wanneer sprake is van omgevingstype gemengd gebied kunnen de richtafstanden tussen milieubelastende en milieugevoelige functies, voor met name het aspect geluid, met één afstandsstap verlaagd worden, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. Het aspect geluid is veelal het maatgevende aspect. Een gemengd gebied is een gebied met een variatie aan functies. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren ook tot het omgevingstype gemengd gebied. Gezien de aanwezige functiemenging of de ligging nabij drukke wegen kent het gemengd gebied al een hogere milieubelasting. Dat rechtvaardigt het verlagen van de richtafstanden met één stap. De richtafstand van 30 meter voor een bedrijf in milieucategorie 2 kan dan bijvoorbeeld worden verkleind tot 10 meter en de richtafstand van 100 meter voor een bedrijf in milieucategorie 3.2 kan verlaagd worden tot 50 meter. In onderstaande tabel zijn de richtafstanden per milieucategorie bij de omgevingstypen rustige woonwijk en gemengd gebied weergegeven. milieucategorie
richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk
richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied 1 10 m 0m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m 4.1 200 m 100 m 4.2 300 m 200 m 5.1 500 m 300 m 5.2 700 m 500 m 5.3 1.000 m 700 m 6.1 1.500 m 1.000 m Tabel: relatie tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevingstype 5.2.3.3 Situatie plangebied Algemeen De omgeving waarin het plangebied zich bevindt kan geclassificeerd worden als een gemengd gebied. Naast woningen komen maatschappelijke en bedrijfsmatige functies op korte afstand van elkaar voor. Hierdoor zijn de bovengenoemde richtafstanden voor een gemengd gebied van toepassing. Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd wordt bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. De functie ‘wonen’ is niet milieubelastend voor de omgeving.
Er is geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. 30
Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. In de volgende tabel worden de activiteiten/functies benoemd die in de nabijheid van het plangebied liggen. Tevens is aangegeven tot welke milieucategorie deze activiteit of functie wordt gerekend, welke richtafstand aangehouden moet worden tussen het projectgebied en het bouwvlak van de betreffende milieubelastende functie en wat de daadwerkelijke afstand hiertussen bedraagt. Adres
Omschrijving
Molenstraat 40
Maatschappelijk (Kerkgebouw) Bedrijvigheid
Albert Cuyplaan 198 Albert Cuyplaan 196
Maatschappelijk (Uitvaartcentrum)
Maximaal toegestane categorie 2
Max. richtafstand (gemengd gebied) 10 m
Daadwerkelijke afstand tot bouwvlak (circa) 3m
2
10 m
10 m
2
10 m
70 m
Uit de tabel blijkt dat enkel niet voldaan wordt aan de richtafstand voor de bestemming aan de Molenstraat 40. Ter plaatse zijn maatschappelijke functies uit maximaal categorie 2 toegestaan. Deze functies zijn zodanig laag milieubelastend dat ze over het algemeen goed in een woonomgeving kunnen worden uitgeoefend. 5.2.3.4 Conclusie Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling. 5.2.4 Geluid 5.2.4.1 Algemeen De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. 5.2.4.2 Situatie plangebied In het plangebied is sprake van toevoeging van geluidsgevoelige objecten, namelijk de woningen. Van nieuwe wegen, anders dan een nieuwe in- en uitrit, is geen sprake.
Railverkeerslawaai Het plangebied is niet gelegen in de zone van een spoorlijn. Het aspect railverkeerslawaai vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling. Industrielawaai Het plangebied is niet gelegen in een zone van een gezoneerd bedrijventerreinen. Het aspect industrielawaai als bedoeld in de Wgh vormt daarom geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling. Wat betreft de invloed van individuele bedrijvigheid op het plangebied wordt verwezen naar paragraaf 5.2.3. 31
Wegverkeerslawaai In artikel 74 van de Wgh is aangegeven dat wegen aan weerszijden van de weg een wettelijke geluidszone hebben. De hiervoor genoemde zones gelden niet voor: • •
wegen die zijn aangeduid als woonerf (artikel 74.2); wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt (artikel 74.2).
Het plangebied is gelegen binnen de wettelijk vastgestelde geluidszone c.q. de invloedsfeer van de Dalweg. De woningen en appartementen zijn niet gelegen binnen de zone van andere wegen. Het plangebied ligt wel binnen de invloedsfeer van de 30 km/uur-wegen de Albert Cuyplaan en de Molenstraat. In het kader van het aspect wegverkeerslawaai is door Kragten een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd naar de geluidsbelasting ter plaatse van de nieuwe woningen en appartementen vanwege omliggende wegen. Hierna zijn de resultaten van het onderzoek opgenomen. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 5 bij de toelichting. De berekende geluidbelasting bedraagt ter plaatse van de appartementen en woningen binnen het plangebied ten hoogste 43 dB inclusief aftrek overeenkomstig artikel 110g van de Wet geluidhinder. Derhalve wordt voldaan aan de voorkeurswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening en het gemeentelijk geluidbeleid is de geluidbelasting vanwege de omliggende 30 km/uur-wegen Albert Cuyplaan en Molenstraat inzichtelijk gemaakt. In het gemeentelijk geluidbeleid is opgenomen dat voor 30 km/uur-wegen dient te worden aangetoond dat sprake is van een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat. In onderhavige situatie is voor de beoordeling aangesloten bij de Wet geluidhinder.
De berekende geluidbelasting ten gevolge van het verkeer op de Albert Cuyplaan en de Molenstraat (30 km/uurwegen) bedraagt ter plaatse van de woningen en appartementen binnen het plangebied ten hoogste 42 dB (incl. aftrek artikel 110g Wgh). Hiermee wordt ter plaatse van de woningen en appartementen de voorkeurswaarde van 48 dB gerespecteerd. Daarom is sprake van een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat. De gecumuleerde ongecorrigeerde geluidbelasting door het wegverkeer (inclusief 30 km/uurwegen) bedraagt ten hoogste 49 dB (exclusief aftrek artikel 110g Wet geluidhinder). Uitgaande van een minimale geluidwering van 20 dB conform het Bouwbesluit, wordt het binnenniveau van 33 dB gerespecteerd. Geconcludeerd wordt dat sprake is van een aanvaardbaar akoestisch woonen leefklimaat. 5.2.4.3 Conclusie De Wet geluidhinder vormt in voorliggend geval geen belemmering. 5.2.5 Luchtkwaliteit 5.2.4.1 Algemeen Sinds 15 november 2007 staan de hoofdlijnen voor regelgeving voor luchtkwaliteitseisen beschreven in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (Wm). Hiermee is het Besluit luchtkwaliteit 2005 komen te vervallen. Het verkeer langs drukke wegen bewerkstelligt overschrijdingen van grenswaarden (concentraties) voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2). Aspecten van de nieuwe regelgeving op grond van de Wm worden in afzonderlijke uitvoeringsregelingen uitgewerkt.
De belangrijkste zijn: • Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen), verder te noemen Besluit NIBM; • Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen), verder te noemen Regeling NIBM; 32
•
Besluit gevoelige bestemmingen.
Het Besluit NIBM legt vast wanneer een project met ruimtelijke gevolgen niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. Hiervan is sprake als aannemelijk is, dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM 10) of stikstofdioxide (NO2). Deze grenswaarde is gesteld op 40 µg/m3. Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. De 3 %-grens is van toepassing sinds 1 augustus 2009 toen het Nationaal Samenwerkingprogramma Lucht in werking trad. In de Regeling NIBM is onder andere voor kantoren en woningen aangegeven bij welke eenheden/aantallen de 3%-grens wordt overschreden en er luchtkwaliteitberekeningen dan wel luchtkwaliteitonderzoek nodig is. Voor woningen is in de Regeling NIBM is het maximale aantal van 1.500 nieuwe woningen gesteld uitgaande van de 3%-grens. Als de 3%-grens niet wordt overschreden dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden en hoeft er geen onderzoek (berekeningen) te worden uitgevoerd. Het besluit gevoelige bestemmingen is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof en stikstofdioxide, met name kinderen, ouderen en zieken.
Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, in beide gevallen gemeten vanaf de rand van de weg. Waar in zo’n onderzoekszone de grenswaarden voor fijn stof of stikstofdioxide (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen, dat hoort bij een ‘gevoelige bestemming’ niet toenemen. Dit wordt bereikt door de vestiging van bijvoorbeeld een school niet toe te staan. Bij uitbreidingen van bestaande gevoelige bestemmingen is een eenmalige toename van maximaal 10% van het totale aantal blootgestelden toegestaan. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming: scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het besluit ziet zowel op nieuwbouw als uitbreiding van gevoelige bestemmingen alsmede op de functiewijziging van bestaande gebouwen naar een gevoelige bestemming. Is (dreigende) normoverschrijding niet aan de orde, dan is er ook geen bouwverbod voor gevoelige bestemmingen binnen de onderzoekszone. 5.2.4.2 Situatie in het plangebied Gelet op de aard en omvang van dit project, in verhouding tot het hierboven beschreven aantal van 1.500 nieuwe woningen wordt gesteld dat voorliggend project ‘niet in betekende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging.
Tevens wordt opgemerkt dat de functie wonen niet aangemerkt is als gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen. Op basis van de “grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland”, welke zijn gepubliceerd door het Rijksinstituut Volksgezondheid en Milieu, zijn op een schaal van km2 de gemiddelde achtergrondconcentraties van diverse luchtverontreinigende stoffen aangegeven. Voor het plangebied geldt een achtergrond concentratie stikstofdioxide (NO2) van 9,87 µg/m3 voor het meetjaar 2030. Dit is ruim onder de grenswaarde van 40 µg/m3 voor NO2 op basis van de Wet milieubeheer. De achtergrondconcentratie fijnstof (PM10) voor het plangebied is voor het meetjaar 2030 15,29 µg/m3. Dit is tevens ruim onder de grenswaarde van 40 µg/m3 op basis van de Wet milieubeheer bijlage 2, voorschrift 4.1. Tenslotte is de achtergrondconcentratie fijnstof (PM 2,5) voor het plangebied in het meetjaar 2030 8,63 µg/m3. Dit bevindt zich onder de WHO-advieswaarde. 5.2.4.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
33
5.2.5 Externe veiligheid 5.2.5.1 Algemeen Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); • de Regeling externe veiligheid (Revi); • het Registratiebesluit externe veiligheid; • het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); • het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht.
De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); • de Regeling basisnet; • de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied). De regelgeving omtrent het vervoer van gevaarlijke stoffen via buisleiding is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is het tot een minimum beperken van risico’s waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 5.2.5.2 Situatie plangebied Quickscan externe veiligheid In voorliggend geval is door Kragten een inventarisatie uitgevoerd van de externe veiligheidsrisico’s in en rond het plangebied. Het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage 6 bij de toelichting. Uit het onderzoek is gebleken dat in de nabijheid van het plangebied twee relevante risicobronnen aanwezig zijn. Deze zijn hieronder kort samengevat. Transport over de weg Het plangebied is niet gelegen binnen een plaatsgebonden PR10-6-risicocontour of plasbrandaandachtsgebied van een weg. De gemeente Soest heeft een deel van de N234 en N221 aangewezen als transportroute voor gevaarlijke stoffen.
Onduidelijk is welke stoffen over deze route worden getransporteerd. Indien over deze wegen LT3, GT4 en/of GT5 stoffen worden getransporteerd, ligt het plangebied binnen het invloedsgebied van deze wegen. Als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen over deze weg kan daarom uitsluitend sprake zijn van een toxisch scenario. Voor de volledigheid dient dit scenario te worden meegenomen in de verantwoording van het groepsrisico.
34
Transport over het spoor Het plangebied is niet gelegen binnen een plaatsgebonden PR10-6-risicocontour of plasbrandaandachtsgebied van een spoorlijn. Wel is het plangebied gelegen binnen het invloedsgebied van de spoorlijn Diemen – Amersfoort Oost (route 30). De risico’s als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen over het spoor (toxisch scenario) moeten worden meegenomen in een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Verantwoording groepsrisico Naar aanleiding van de quickscan heeft Kragten een notitie opgesteld ten behoeve van de verantwoording van de hoogte van het groepsrisico. De notitie is opgenomen in bijlage 7 bij deze toelichting. In deze notitie, in combinatie met het advies van de Veiligheidsregio, zijn elementen aangedragen die de gemeente kan gebruiken bij de oordeelsvorming inzake de verantwoording van het groepsrisico. Het bevoegd gezag dient in het kader van de ruimtelijke procedure een standpunt in te nemen aangaande de verantwoording van het groepsrisico. 5.2.5.3 Conclusie Het bevoegd gezag zal beoordelen in hoeverre het groepsrisico verantwoord is.
5.3 Water 5.3.1 Beleid 5.3.1.1 De Europese Kaderrichtlijn Water (2003) De Europese Kaderrichtlijn Water gaat er vanuit dat water geen gewone handelswaar is, maar een erfgoed dat moet worden beschermd en verdedigd. Het hoofddoel van de richtlijn is daarop gebaseerd. De Kaderrichtlijn Water geeft het kader voor de bescherming van landoppervlaktewater, overgangswater, kustwater en grondwater. Dat moet ertoe leiden dat: aquatische ecosystemen en gebieden die rechtstreeks afhankelijk zijn van deze ecosystemen, voor verdere achteruitgang worden behoed; emissies worden verbeterd; duurzaam gebruik van water wordt bevorderd op basis van bescherming van de beschikbare waterbronnen op lange termijn; er wordt gezorgd voor een aanzienlijke vermindering van de verontreiniging van grondwater. 5.3.1.2 Vierde Nota Waterhuishouding (Ministerie van Verkeer en Waterstaat, 1998) De Vierde Nota Waterhuishouding geeft het kader voor het waterbeheer voor Nederland, nu en in de toekomst. De hoofddoelstelling is "een veilig en goed bewoonbaar land en het in stand houden / versterken van gezonde en veerkrachtige watersystemen, waarmee een duurzaam gebruik blijft gegarandeerd". Om de veerkracht van de watersystemen te vergroten dient de waterconservering en buffering te worden bevorderd en de afwenteling van (water-) problemen op naastgelegen gebieden te worden beperkt.
5.3.1.3 Waterbeleid in de 21e eeuw (2000) De hoge waterstanden in de rivieren in 1995 en 1996 en de klimaatscenario's waarin naast de zeespiegelstijging ook meer en heviger buien worden voorspeld hebben geleid tot vernieuwde aandacht voor water. Nederland is met zijn lage ligging en hoge verstedelijkingsgraad kwetsbaar voor wateroverlast en de veiligheid is in de toekomst in het geding. Maar ook door de drogere zomers is er het risico van watertekorten en verdroging. De commissie "Waterbeheer 21e eeuw" heeft in opdracht van de regering duidelijk gemaakt dat we anders moeten omgaan met water en ruimte. Ruimte die nu beschikbaar is voor de bescherming tegen overstromingen en wateroverlast moet ten minste behouden blijven. De aanwezige ruimte mag niet sluipenderwijs verloren gaan bij de uitvoering van nieuwe projecten voor infrastructuur, woningbouw, landbouw of bedrijventerreinen.
35
5.3.1.4 Beleid provincie De provincie Utrecht ziet zich bij het waterbeleid geconfronteerd met een sterk toenemende dynamiek. De provincie ziet in dit verband de volgende drie belangrijke opgaven in het waterbeleid voor de lange en de korte termijn. •
Een maatschappelijk acceptabel overstromingsrisico: Hoogwater zal vaker voorkomen en de rivierafvoer wordt op termijn bemoeilijkt door een stijgende zeespiegel. Bodemdaling is een voortgaand proces in het westelijk deel van de provincie en in het Eemland.
•
Omgaan met wateroverlast èn waterschaarste: Meer neerslag zal vallen in hevigere buien. Afvoer- en bergingsmogelijkheden in het stedelijke en landelijk gebied worden zwaarder belast. Tegelijkertijd vergroten warmere en drogere perioden de vraag naar drink-, irrigatie- en koelwater. Natuurgebieden mogen niet verdrogen en moeten soortmigratie als gevolg van klimaatverandering kunnen faciliteren.
•
Een sterkere bijdrage van water aan het leefklimaat: De behoefte aan vaar- en recreatiewater neemt toe. Water is de drager van veel van de Utrechtse landschappen. Daarom moet water zichtbaarder gemaakt worden.
De provincie Utrecht ziet de ontwikkeling naar duurzame, robuuste systemen als een belangrijke maatschappelijke investering. Een geïntegreerde benadering van de watersystemen is daarvoor essentieel. Daarbij wordt gestreefd naar voldoende water van de gewenste kwaliteit, beperkte (maatschappelijk acceptabele) overlast, beperking van het energiegebruik, beperking van functieconflicten rondom water en een hoge belevingswaarde. Naast ingrijpen in het watersysteem zelf kan dit echter ook betekenen dat functies, de locatie daarvan en de wijze waarop die worden ingevuld ter discussie komen te staan. 5.3.1.5 Waterbeheer 21e eeuw (WB21). Het thema "water als ordenend principe" loopt als een rode draad door het gehele plan. Dit houdt in dat, voordat er beslissingen worden genomen op ruimtelijk gebied, er wordt bekeken welke gevolgen die hebben voor watersystemen. Dit waterplan valt onder het regime van de nieuwe waterwet (22 dec. 2009). 5.3.1.6 Beleid waterschap Vallei en Veluwe Het Algemeen Bestuur van het waterschap heeft op 30 september 2015 het Waterbeheerprogramma 2016-2021 vastgesteld. Het nieuwe waterbeheerprogramma draagt de titel ‘Partnerschap als watermerk’. Het waterbeheerprogramma gaat uit van 6 hoofddoelen: 1. We beschermen het gebied tegen overstromingen 2. We zorgen voor de juiste hoeveelheid water 3. We zorgen voor de goede oppervlaktewaterkwaliteit 4.
Schoon en vuil water worden zo veel mogelijk gescheiden 5. We halen de hoogst mogelijke waarde uit water 6. We beheren de waterketen en watersysteem als één systeem, samen met partners 5.3.1.7 Gemeentelijk Rioleringsplan Soest 2018-2022 Voor het verwijderen van afvalwater uit de woonomgeving is riolering een onmisbare voorziening. Aanleg en beheer van riolering is een gemeentelijke taak die zijn wettelijke basis vindt in de Wet milieubeheer. Het gemeentelijk plan beschrijft hoe de gemeente in de genoemde periode haar rioleringstaak vorm wil gaan geven en hoe goede beleidsafwegingen op het terrein van bescherming van de waterkwaliteit en de rioleringszorg gemaakt zullen worden. De bestaande riolering heeft hiervoor voldoende capaciteit. Tijdens de realisatie van het plan zal hierop nog een extra controle plaatsvinden. 36
5.3.2 Watertoets Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Het Waterschap Vallei en Veluwe is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de zogenoemde ‘korte procedure’ van de watertoets is toegepast. De hierbij behorende watertoets is opgenomen in bijlage 8 bij deze toelichting. Hierna wordt nader ingegaan op de waterhuishoudkundige aspecten in het plangebied.
5.3.3 Algemene aandachtspunten 5.3.3.1 Vasthouden-bergen-afvoeren Een belangrijk principe is dat een deel van het hemelwater binnen het plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater. Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegen gegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater (met eventueel wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden) wordt voorkomen. Bij lozing op oppervlaktewater zal hiervan een melding gedaan moeten worden bij het waterschap. 5.3.3.2 Grondwaterneutraal bouwen Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen. Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater, beschouwd worden ten opzichte van de GHG. Het structureel onttrekken / draineren van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen. Het waterschap adviseert de initiatiefnemer dan ook om voorafgaand aan de ontwikkeling een goed beeld te krijgen van de heersende grondwaterstanden en GHG. Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar.
5.3.3.3 Schoon houden – scheiden – schoon maken Om verontreiniging van bodem, grond- en/of oppervlaktewater te voorkomen is het van belang dat het afstromende hemelwater niet verontreinigd raakt. Dit kan door nadere eisen of randvoorwaarden te stellen aan bijvoorbeeld de toegepaste (bouw)materialen. Het waterschap vraaagt de initiatiefnemer om duurzame bouwmaterialen te gebruiken. De gemeente kan u hierbij verder helpen. 5.3.4 Conclusie Met inachtneming van vorenstaande zorgt het plan niet voor een belemmering van de uitvoerbaarheid van het plan.
37
5.4 Ecologie 5.4.1 Algemeen Vanaf 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Met deze wet worden de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen (de Vogel- en Habitatrichtlijn) zo helder mogelijk geïmplementeerd. De Wet natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn (het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn) en een apart beschermingsregime voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Om te beoordelen of de ontwikkeling in het kader van flora en fauna uitvoerbaar is, heeft Dresmé&vanderValk een Quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd. Het volledige onderzoek is bijgevoegd in bijlage 9. Hierna wordt samengevat ingegaan op de conclusies uit dit onderzoek. 5.4.2 Gebiedsbescherming 5.4.2.1 Natura 2000 In afbeelding 5.1 is de ligging van het plangebied (rode ster) ten opzichte van de Natura 2000 gebieden weergegeven. Het plangebied ligt niet binnen of op korte afstand van een Natura 2000gebied.
De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden ‘Arkemheen’ en ‘Oostelijke Vechtplassen’ liggen op een afstand van respectievelijk 8,8 en 10,6 kilometer van het plangebied.
Afbeelding 5.1 Ligging van het plangebied ten opzichte van de Natura 2000-gebieden (Bron: Atlas Leefomgeving) Gezien de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling en de afstand van het plangebied tot Natura 2000-gebied, is geen sprake van directe invloed op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Een ontwikkeling kan echter ook indirect invloed hebben op Natura 2000gebied door een toename van stikstofdepositie. 38
In voorliggend geval zal de sloop van de bestaande opstallen en de bouw en het gebruik van de nieuwe woningen leiden tot een beperkte uitstoot van stikstof. De sloop betreft een beperkte oppervlakte en slechts 1 bouwlaag. De nieuwbouw wordt daarnaast gasloos uitgevoerd waardoor voor de verwarming van de bebouwing geen sprake is van een stikstofemissie. De toename in verkeersgeneratie afkomstig van de nieuwe woningen blijft tevens beperkt, mede gezien de verkeersbewegingen van de huidige maatschappelijke functie komen te vervallen. Ook wordt opgemerkt dat in de handreiking 'Woningbouw en Aerius' van het Rijk wordt gesteld dat bij woningbouwprojecten van maximaal 50 laagbouwwoningen, gebouwd op zandgronden en op minimaal 7 kilometer afstand onder gemiddelde omstandigheden op een stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/jaar uitkomt. Het uitvoeren van een stikstofonderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. 5.4.2.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland is de kern van het Nederlandse natuurbeleid (NNN). De NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. In afbeelding 5.2 wordt ligging van het plangebied ten opzichte van de NNN weergegeven.
Afbeelding 5.2 Ligging van het plangebied ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland (Bron: Atlas Leefomgeving) Het plangebied behoort niet tot het NNN. Gronden die tot NNN behoren liggen op circa 1,7 kilometer afstand van het plangebied. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling en de onderlinge afstand tot de NNN is geen sprake van een aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden (er is bijvoorbeeld geen sprake van areaalvermindering en het doorsnijden van structuren).
39
5.4.3 Soortenbescherming 5.4.3.1 Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige soorten (flora en fauna). Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. 5.4.3.2 Situatie plangebied De soortengroepen insecten, vaatplanten, amfibieën, reptielen en grondgebonden zoogdieren kunnen vanwege het ontbreken van geschikt biotoop op voorhand worden uitgesloten en worden buiten beschouwing gelaten. Omdat geen open water aanwezig is worden vissen buiten beschouwing gelaten. Tijdens het onderzoek is aandacht besteed aan vleermuizen en broedvogels. Vleermuizen In het gebouwtje binnen het plangebied worden geen verblijfplaatsen van vleermuizen verwacht, omdat geen geschikte invliegopeningen aanwezig zijn. Ook worden geen verblijfplaatsen verwacht in de boomholtes. Mogelijk dat de bomen een onderdeel zijn van een foerageergebied van vleermuizen. De bomen vormen geen ruimtelijk geheel met een verblijfplaats, waardoor de bomen geen essentieel foerageergebied is. Een nader onderzoek naar vleermuizen of ontheffing van de Wet natuurbescherming is niet nodig. Broedvogels Het te slopen gebouwtje is ongeschikt als broedlocatie voor huismus en gierzwaluw, vanwege het ontbreken van geschikte holtes in het platte dak. Ook is geen geschikt broedbiotoop voor steenuil aanwezig.
Een nader onderzoek of ontheffing van de Wet natuurbescherming is ook voor broedvogels met jaarrond beschermde nesten niet nodig. In de aanwezige bomen en struiken kunnen mogelijk algemene vogelsoorten tot broeden komen. Indien het groen wordt verwijderd, wordt geadviseerd om dit voor 15 maart of na 15 juli uit te voeren. Met deze planning wordt voorkomen dat nesten worden beschadigd en dat sprake is van overtreding van de Wet natuurbescherming. Aan de zorgplicht wordt voldaan als tijdens de werkzaamheden kleine zoogdieren en amfibieën de gelegenheid krijgen om weg te vluchten. Flora, grondgebonden zoogdieren, amfibieën en reptielen Beschermde plantensoorten, grondgebonden zoogdieren, amfibieën en reptielen kunnen op basis van het aanwezige biotoop worden uitgesloten. Voor de sloop van de opstallen en de nieuwbouw is geen nader onderzoek of ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig. 5.4.4 Conclusie De ecologische aspecten vormen geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
5.5 Archeologie 5.5.1 Algemeen Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een 40
aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.5.2 Situatie plangebied De gemeente heeft een beleidsadvieskaart archeologie voor het gehele grondgebied opgesteld. Dit beleid is middels dubbelbestemmingen vertaald in de bestemmingsplannen. Ter plaatse van het plangebied geldt de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologiehoge verwachting (AWV1)’. In dit gebied moeten ingrepen met een oppervlakte van meer dan 100 m2 en een diepte van meer dan 0,3 meter beneden maaiveld worden voorafgegaan door een archeologisch onderzoek. Gelet op de voorgenomen nieuwbouw is door Salisbury Archeologie B.V. een bureauonderzoek en inventarisend veldonderzoek (BO en IVO-O, verkennende/karterende fase) uitgevoerd. Het volledige onderzoek is bijgevoegd in bijlage 10. Hierna wordt samengevat ingegaan op de conclusies uit dit onderzoek. Conclusies onderzoek Uit het bureauonderzoek is voor het plangebied een hoge verwachting afgegeven gezien de verwachte aanwezigheid van een esdek met eronder een onverstoorde moderpodzol. Onder de moderpodzol werd eveneens rekening gehouden met de aanwezigheid van de laag van Usselo. In het Esdek kunnen resten aanwezig zijn vanaf de Middeleeuwen. Vindplaatsen uit de periode Paleolithicum-Neolithicum bevinden zich indien aanwezig in de top van de pleistocene afzettingen.
Gedurende het veldonderzoek is een 0,5 m tot 1,1 meter dik esdek aangetroffen. in boring 1 en 2 bestaat de onderste 20-25 cm uit een sterk doorwortelde laag die als akkerlaag is geïnterpreteerd. Eronder is een ten dele intacte moderpodzol aangetroffen waarbij de A-horizont is opgenomen in het esdek. In het esdek zijn in de meeste boringen fragmentjes oranjerode baksteen aangetroffen. In boring 6 is daarnaast een aardewerkscherf aangetroffen. In de top van de pleistocene afzettingen is in boring 5 een houtskoolfragmentje aangetroffen. Dit fragmentje kan een natuurlijke oorsprong hebben, vuursteen artefacten zijn niet aangetroffen. Gezien de aangetroffen archeologische indicatoren, het grotendeels intacte esdek en een deels intacte moderpodzol waarin een houtskoolfragmentje is aangetroffen kan de hoge archeologische verwachting voor het plangebied worden gehandhaafd. Selectieadvies Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt geadviseerd om binnen het plangebied aanvullend onderzoek uit te voeren door middel van een proefsleuvenonderzoek (IVO-P). De archeologische waarde van het gebied kan door middel van een booronderzoek niet voldoende worden vastgesteld gezien de aard van de verwachte archeologische resten. Over de bevindingen en aanbevelingen uit dit onderzoek dient contact opgenomen te worden met het bevoegd gezag, in dit geval de gemeente Soest.
5.5.3 Conclusie Om een omgevingsvergunning voor het bouwen te verkrijgen dient een proefsleuvenonderzoek (IVO-P) te worden uitgevoerd. Dit zal dan ook als voorwaarde in de omgevingsvergunning worden opgenomen. Dit is in het bestemmingsplan geborgd door het opnemen van de archeologische bestemming ‘Waarde – Archeologie hoge verwachting (AWV1)’.
5.6 Cultuurhistorie 5.6.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten.
41
5.6.2 Situatie plangebied Er bevinden zich in het plangebied zelf geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten. In het plangebied of in de directe nabijheid van het plangebied is er geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt met betrekking tot voorliggend plan. 5.6.3 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.
5.7 Kabels en leidingen Voor planologisch relevante leidingen gelden verschillende beschermings- en veiligheidsafstanden waar in de bestemmingslegging van onder andere nieuwe functies rekening mee moet worden gehouden. Op het perceel zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Ook in de nabijheid van de plangebieden zijn geen leidingen met gevaarlijke stoffen aanwezig (zie hiervoor ook paragraaf 5.2.5). Kabels en leidingen vormen derhalve geen belemmering voor de uitvoering van het bestemmingsplan.
42
HOOFDSTUK 6
JURIDISCHE PLANOPZET
6.1 Inleiding
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieuen omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
6.2 De regels
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. Ook de Standaard voor vergelijkbare bestemmingsplannen 2008 (SVBP2008) is vanaf deze datum verplicht. De Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2008 maakt het mogelijk bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. Vergelijkbare bestemmingsplannen leiden tot een betere dienstverlening en tot een effectievere en efficiëntere overheid. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. Inleidende regels; 2. Bestemmingsregels; 3. Algemene regels; 4. Overgangs- en slotregels. 6.2.1 Inleidende regels Hoofdstuk 1 van de regels geeft de inleidende regels.
Het betreft de begripsbepalingen, waarin de in het plan voorkomende begrippen worden gedefinieerd, en de wijze van meten. 6.2.2 Bestemmingsregels Hieronder wordt per bestemming een toelichting gegeven op de regels. ‘Groen-Wijkgroen’ (Artikel 3) De groenstrook aan de oostzijde van de rijwoningen en rondom het appartementencomplex is bestemd tot ‘Groen-Wijkgroen’. Deze gronden zijn voornamelijk bestem voor openbaar groen. Op deze gronden zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan, met inachtneming van de opgenomen bouwhoogtes. Een omgevingsvergunningstelsel beschermt het groene karakter van het gebied.
43
‘Tuin’ (Artikel 4) De onbebouwde gronden en gronden, die vrij dienen te blijven van bebouwing bij een woning hebben de bestemming 'Tuin' gekregen. In de tuin is in beginsel geen bebouwing mogelijk, met uitzondering van een tuinhekje van maximaal 1 meter hoogte. Met afwijking is bovendien een erker mogelijk. ‘Verkeer’ (Artikel 5) De toegangswegen en parkeerplaatsen hebben de bestemming “Verkeer” gekregen. Binnen deze bestemming zijn ook nog bermen, trottoirs, fiets- en voetpaden en parkeerplaatsen opgenomen. ‘Wonen’ (Artikel 6) De gronden waar grondgebonden woningen worden gerealiseerd en de gronden ter plaatse van het achtererfgebied zijn bestemd als ‘Wonen’. Deze gronden zijn bestemd voor wonen, al dan niet met een beroep of bedrijf aan huis. Daarnaast zijn hier tuinen en erven, parkeervoorzieningen met bijbehorende ontsluitingsverhardingen, bijbehorende bouwwerken en andere bouwwerken en overige voorzieningen, zoals groenvoorzieningen en nutsvoorzieningen toegestaan. De woningen moeten in de vorm van een rijwoning en binnen het aanwezige bouwvlak worden gerealiseerd. De maximale goot- en bouwhoogten voor de woningen zijn respectievelijk 6 en 9 meter, vanwege de maatvoeringsaanduiding. Bijbehorende bouwwerken moeten ook aan bepaalde maatvoeringen voldoen en mogen buiten het bouwvlak worden gebouwd.
‘Wonen – Gestapeld’ (Artikel 7) Deze bestemming is opgenomen ter plaatse van het beoogde appartementengebouw. Gronden met deze bestemming zijn bedoeld voor wonen, beroep of bedrijf aan huis, tuinen en erven, waterhuishouding, parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen, andere bouwwerken en ontsluitingsvoorzieningen. In de bouwregels is onderscheid gemaakt in regels voor hoofdgebouwen en andere bouwwerken. Deze gebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd. Voor hoofdgebouwen is bepaald dat uitsluitend gestapelde woningen toegestaan zijn. Het aantal woningen zijn, evenals de goot- en bouwhoogte is via een aanduiding op de verbeelding in het bouwvlak vastgelegd. ‘Waarde – Archeologie hoge verwachting (AWV1)’ Deze bestemming is opgenomen conform het nu geldende plan. Gronden met deze bestemming zijn, behalve voor de ander daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van een gebied met een hoge archeologische verwachtingswaarde. Een omgevingsvergunningenstelsel beschermt de archeologische waarden. 6.2.3 Algemene regels Antidubbeltelbepaling In de regels is een bepaling opgenomen om te voorkomen, dat gronden die bij een eerder bouwplan reeds in aanmerking zijn genomen voor het toestaan van het bouwplan, nogmaals meegeteld worden. Algemene bouwregels In deze regel zijn algemene bouwregels opgenomen, die gelden voor alle bestemmingen in het plan.
Er is een regeling voor onderkeldering van gebouwen. Daarnaast is er een regel, die bepaalt, dat van het plan afwijkende maatvoering, die in het verleden is vergund ook mag worden aangehouden en dus niet onder het overgangsrecht komt.
44
Algemene gebruiksregels In de algemene gebruiksbepaling wordt voor een aantal zaken expliciet aangegeven, dat deze als strijdig gebruik worden aangemerkt en daarmee onder het verbod vallen zoals opgenomen in artikel 2.1 van de Wabo. Indien in een bepaald geval gebruik in strijd met bijvoorbeeld de doeleindenomschrijving van een bestemming of met een verleende vrijstelling wordt geconstateerd, dan is er sprake van een overtreding, waartegen kan worden opgetreden. Algemene afwijkingsregels Het plan bevat een algemene afwijkingsbevoegdheid om een aantal nodige zaken en ondergeschikte afwijkingen mogelijk te maken. Het betreft met name: afwijkingen van de ligging van bestemmings- en bouwgrenzen en andere grenzen, voorzover die nodig zijn ter aanpassing van het plan aan de bij uitmeting blijkende werkelijke toestand van het terrein; - afwijkingen van bepalingen, gesteld ten aanzien van maten en percentages. Algemene wijzigingsregels Het plan bevat een aantal wijzigingsbevoegdheden als bedoeld in artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening. Daarmee kunnen bestemmings- en bouwgrenzen en grenzen van aanduidingen op de verbeelding in beperkte mate worden verschoven. Verder kan de bijlage Staat van Bedrijfsactiviteiten actueel worden gehouden.
6.2.4 Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Uitgangspunt in een nieuw bestemmingsplan is dat bestaande bouwwerken en gebruiksvormen in principe positief worden bestemd, dus als zodanig als recht zijn toegestaan. De overgangsrechtelijke bepalingen zijn bindend voorgeschreven in art. 3.2.1 en 3.2.2 Bro. Deze overgangsrechtelijke bepalingen dienen om te waarborgen, dat een bestaand bouwwerken of een bestaand gebruik dat niet in overeenstemming is met het nieuwe plan en waarvan sloop respectievelijk beëindiging wordt beoogd, als zodanig voorlopig kan blijven voortbestaan. Het bouwwerk of gebruik wordt dan als zodanig gedoogd, totdat in de loop van de planperiode wordt beslist over sloop respectievelijk beëindiging. Bouwwerken en gebruiksvormen, die al in strijd zijn met het vorige bestemmingsplan worden expliciet uitgesloten van het overgangsrecht van het nieuwe plan. Ze worden niet gedoogd onder het nieuwe plan, maar blijven in strijd daarmee. Handhaving door sloop respectievelijk gebruiksbeëindiging blijft een optie. Slotregel Hier is bepaald hoe de regels van dit bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.
6.3 De verbeelding Het plangebied is getekend op gekleurde verbeeldingen, schaal 1:1000. De verbeelding is IMROgecodeerd, conform IMRO2012. Voor de verbeelding is aangesloten bij de systematiek van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012, welke bindend is voorgeschreven in de ministeriële regeling standaarden ruimtelijke ordening.
45
HOOFDSTUK 7
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
7.1 Algemeen
Bij de voorbereiding van een ontwerp voor een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting van een bestemmingsplan minimaal inzicht te worden gegeven in de uitvoerbaarheid van het plan. Tevens is met de inwerkingtreding van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening de verplichting ontstaan om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, onder meer voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, deze moeten kunnen worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Een en ander dient vast te worden gelegd in een exploitatieplan. Een exploitatieplan is alleen nodig voor die ontwikkelingen, die met het plan mogelijk worden gemaakt en waarvoor, voor vaststelling van het bestemmingsplan, geen privaatrechtelijke overeenkomsten worden gesloten. Conform artikel 6.12. lid 2 Wro kan de gemeenteraad besluiten om geen exploitatieplan vast te stellen indien het verhaal van de kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluiten begrepen gronden anderszins verzekerd is. Het voorliggende bestemmingsplan heeft als doel een nieuw planologisch juridisch kader te creëren om een vier rijwoningen en zeventien appartementen op te richten. Het betreft een particulier initiatief.
De financiering van alle kosten die verbonden zijn aan de uitvoering van het bestemmingsplan komen dan ook voor rekening van de initiatiefnemer(s). In dit kader zal de gemeente Soest met de initiatiefnemer(s) een overeenkomst sluiten waarin afspraken zijn vastgelegd inzake het kostenverhaal. Het plan heeft daarom geen financiële gevolgen voor de gemeente Soest. Concluderend kan gesteld worden dat er zijn geen kosten voor de gemeente verbonden zijn aan de uitvoering van het bestemmingsplan en het bestemmingsplan economisch uitvoerbaar is. Er kan worden afgezien van het vaststellen van een exploitatieplan ex artikel 6.12 Wro, omdat dekking van het kostenverhaal anderszins verzekerd is.
46
HOOFDSTUK 8
MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID
8.1 Procedure en fase bestemmingsplan 8.1.1 Vooroverleg Het ontwerpbestemmingsplan is in het kader van het vooroverleg, als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), toegestuurd aan de gebruikelijke diensten en instanties. 8.1.2 Inspraak Conform de gemeentelijke inspraakverordening kan het bestuursorgaan zelf besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. In voorliggend geval is er geen voorontwerp ter inzage gelegd. 8.1.3 Zienswijzen Deze paragraaf wordt ingevuld nadat het ontwerpbestemmingsplan voor zes weken ter inzage heeft gelegen.
47
Bijlagen
48
Bijlage 1 Schetsplan
49
Bijlage 2 Verplantbaarheidsonderzoek
50
Verplantbaarheidsonderzoek Monumentale Hollandse linde Albert Cuyplaan in Soest
Colofon Opdrachtgever Naam: Contactpersoon: Adres: Postcode en plaats: Telefoon: Mobiel: E-mail:
RV&O De heer J. Rademaker Lange Brinkweg 31-C 3764 AA Soest (035) 888 55 69 (06) 51 06 98 03 Jorik@rv-o.nl
Bedrijfsgegevens Naam: Adres: Postcode en plaats: Telefoon: Mobiel: E-mail: Internet:
Treevision boomtechnisch ingenieursbureau Zwanenhof 11 3862 LW Nijkerk (033) 245 08 58 (06) 30 68 60 60 info@treevision.nl www.treevision.nl
Projectgegevens Uw kenmerk: Onze referentie: Type onderzoek: Straat/locatie: Plaats: Datum onderzoek:
VPO112018001 Verplantbaarheidsonderzoek Albert Cuyplaan Soest vrijdag 28 november 2018
Boomtechnisch adviseur P. (Peter) Spijker
European Tree Technician | Gecertificeerd boomtaxateur
Datum:
30 november 2018
Handtekening adviseur:
© 2018 Treevision Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze rapportage mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, scan, fotokopie of op welke wijze dan ook, anders dan bedoeld voor intern gebruik, zonder voorafgaande toestemming van Treevision boomtechnisch ingenieursbureau.
Inhoud 1
Inleiding ....................................................................................................... 1
2
Methode van onderzoek ................................................................................ 2 2.1 Visuele controle ........................................................................................ 2 2.2 Toekomstverwachting ................................................................................ 3 2.3 Verplantbaarheid ....................................................................................... 4 2.4 Bodem- en bewortelingsonderzoek .............................................................. 5
3
Situatiebeschrijving ...................................................................................... 6
4
Onderzoek en resultaten ............................................................................... 9 4.1 Visuele boomcontrole ................................................................................. 9 4.2 Bodem- en bewortelingsonderzoek .............................................................. 9 4.2.1 Bodemonderzoek ................................................................................ 9 4.2.2 Bewortelingsonderzoek .......................................................................10
5
Conclusie en advies ..................................................................................... 12 5.1 Kwaliteit boom en groeiplaats ....................................................................12 5.2 Advies ....................................................................................................12
Verplantbaarheidsonderzoek monumentale Hollandse linde Albert Cuyplaan Soest
1 Inleiding Opdracht In opdracht van Rademaker Vastgoed & Ontwikkeling (RV&O), heeft Treevision een verplantbaarheidsonderzoek uitgevoerd bij een linde op het grasveld naast Albert Cuyplaan 202 in Amersfoort. Aanleiding Diverse betrokken partijen zijn voornemens op het terrein nieuwbouw te realiseren. Vanwege deze geplande bouwwerkzaamheden kan de boom niet op de huidige standplaats behouden blijven. Doelstelling De opdrachtgever wil ten behoeve van nadere besluitvorming (boom)technisch haalbaar is de boom succesvol te verplanten.
TREEVISION
weten
of
het
1|Pagina
Verplantbaarheidsonderzoek monumentale Hollandse linde Albert Cuyplaan Soest
2 Methode van onderzoek 2.1 Visuele controle Voor het uitvoeren van de visuele controle maakt Treevision gebruik van twee methoden, de VTA en de IBA-methode. De VTA-methode (Visual Tree Assessment of visuele boomveiligheidsbeoordeling) is een systematiek ontwikkeld door prof. Dr. C. Mattheck. De boom wordt in zijn geheel (kroon, stam en stamvoet) beoordeeld op zichtbare fysische gebreken (verzwakkingssymptomen). De niet-visuele hulpinstrumenten zijn een sondeerstang en een klophamer waarmee verborgen holtes/rottingen kunnen worden vastgesteld. Tijdens de inspectie wordt er gelet op biologische en mechanische gebreken. De IBA-methode of Integrierte BaumAnalyse (Reinartz & Schlag, 1996) is vergelijkbaar met de VTA-methode. Een belangrijk onderdeel is de kennis van de biologie van houtrot veroorzakende (parasitaire) schimmels. Met name voor stam- en wortelrot worden belangrijke criteria gegeven om de ernst van de schade te beoordelen. De SIA (Statisch Integrierte Abschätzung) (Wessolly, 1996) is een nadere uitwerking van de IBA-methode en geeft ook beoordelingscriteria voor de stabiliteit en de breukgevoeligheid van bomen. Voor het toepassen van bovengenoemde methoden is specifieke kennis en ervaring een absolute vereiste.
Op basis van deze deskundigheid kunnen eventuele afwijkingen en gebreken worden vastgesteld (en indien gewenst nader onderzocht), om zodoende een uitspraak te kunnen doen over al dan niet aanwezige veiligheidsrisico’s. Het biologische gedeelte omvat een visuele conditiebepaling van de boom (of bomen); hierbij worden de volgende conditieklassen gehanteerd (zie tabel 1): Tabel 1: overzicht conditieklassen
Klasse
Kenmerken
Goed
Boom vertoont gewenste soortspecifieke groei, wat zichtbaar is aan de goede twijggroei en knopontwikkeling.
Voldoende
Boom vertoont niet optimale groei, wat zichtbaar is aan de verminderde scheutlengte en de meer transparante kroon als gevolg van verminderde ontwikkeling van zijknoppen. De verminderde (groei)omstandigheden hebben nog geen duidelijke negatieve gevolgen voor de verdere ontwikkeling.
Onvoldoende
Boom verkeert in een (sterk) verminderde conditie, wat zichtbaar is aan de transparante kroon door (deels) afstervende twijgen, matige twijggroei, afstervende takuiteinden en regeneratiegroei op hoofdgesteltakken. De levensverwachting van de boom is (sterk) verminderd.
Slecht
De boom vertoont duidelijke signalen van algehele aftakeling, wat zichtbaar is aan forse kroonsterfte en zeer beperkte groei. De levensverwachting van de boom is ernstig verminderd.
TREEVISION
2|Pagina
Verplantbaarheidsonderzoek monumentale Hollandse linde Albert Cuyplaan Soest
Aanvullend wordt gekeken naar signalen (m.n. vruchtlichamen), die wijzen op een (houtparasitaire) schimmelaantasting. Indien dit het geval is, dan zal worden vastgesteld of en in welke mate er al houtafbraak heeft plaatsgevonden en in hoeverre dit van invloed is op de breukvastheid en/of stabiliteit. Het mechanische gedeelte omvat een boomveiligheidsbeoordeling, waarbij de volgende klassenindeling wordt gehanteerd (zie tabel 2): Tabel 2: klassenindeling mechanische kwaliteit
Klasse
Kenmerken
Goed
Geen signalen van mechanische verzwakking.
Voldoende
In enige mate signalen van (beginnende) mechanische verzwakking, als gevolg van bijvoorbeeld beginnende overbelasting, inrotting of (beperkt) ingerotte snoeiwonden.
Onvoldoende
Boom vertoont bv. als gevolg van zwaarbelaste gesteltakken, plakoksels, fors ingerotte wonden of recente scheefstand duidelijke signalen van mechanische verzwakking in de vorm van versterkings- en compensatiegroei en/of vormafwijkingen.
Slecht
De boom is mechanisch gezien sterk verzwakt; de kans op het uitbreken van kroondelen, stambeuk of windworp is reëel aanwezig.
In veruit de meeste gevallen is het mogelijk om op basis van een visuele beoordeling, eventueel met gebruikmaking van enige hulpmiddelen (sondeerstang en klophamer), te kunnen beoordelen of een boom voldoende stabiel en breukvast is. Bij een (sterk) vermoeden van een (potentieel) veiligheidsrisico is nader onderzoek vereist. Indien noodzakelijk kan dit plaatsvinden met behulp van geavanceerde meetapparatuur.
2.2 Toekomstverwachting De toekomstverwachting van de boom wordt met name bepaald door de volgende factoren:
• • • •
Kwaliteit (voeding) en kwantiteit (doorwortelbare ruimte) van de groeiplaats; Actuele conditie; Eventuele aanwezigheid van mechanische gebreken; Eventuele aantastingen door (houtparasitaire) schimmelsoorten.
Het bepalen van de toekomstverwachting betreft nadrukkelijk een momentopname en geldt uitsluitend bij gelijkblijvende (groeiplaats)omstandigheden. Bij de beoordeling wordt gebruik gemaakt van de volgende klassenindeling (zie tabel 3 op pagina 4):
TREEVISION
3|Pagina
Verplantbaarheidsonderzoek monumentale Hollandse linde Albert Cuyplaan Soest Tabel 3: klassenindeling toekomstverwachting