4h 2 Bijlage 1 Toelichting Albert Cuyplaan 198 B incl. bijlagen.pdf
Tekst van het document
Klasse
Kenmerken
Goed
Boom verkeert in een goede conditie, er zijn geen mechanische gebreken geconstateerd en kan veilig worden gehandhaafd. De levensverwachting van de boom is minimaal 15 jaar.
Voldoende
De toekomstverwachting van de boom is enigszins verminderd, maar de aangetroffen (geringe) afwijkingen zijn van dien aard dat eventueel herstel goed mogelijk wordt geacht. Op basis van de huidige toestand van de boom wordt de komende 10 jaar geen uitval verwacht. De boom kan veilig worden gehandhaafd maar, afhankelijk van de aangetroffen afwijking, kan in sommige gevallen een (licht) verhoogde controlefrequentie noodzakelijk zijn.
Onvoldoende
De toekomstverwachting van de boom is sterk verminderd. Er zijn mechanische gebreken en/of schimmelaantastingen aangetroffen of de conditie is verminderd, maar op grond van de huidige toestand van de boom wordt de komende 5 jaar geen uitval verwacht. De boom kan vooralsnog veilig worden gehandhaafd; in sommige gevallen kunnen gerichte (veiligheids)maatregelen nodig zijn. Een verhoogde controlefrequentie is (veelal) noodzakelijk.
Slecht
Boom heeft, vanwege sterk verminderde conditie en/of ernstige mechanische gebreken en/of houtparasitaire schimmelaantastingen een uiterst beperkte toekomstverwachting. De kans is reëel aanwezig dat de boom binnen korte tijd geheel afsterft of anderszins uitvalt. Naast een verhoogde controlefrequentie kan het noodzakelijk zijn gerichte (veiligheids)maatregelen te treffen, om de boom (vooralsnog) veilig te kunnen handhaven.
2.3 Verplantbaarheid Voor het bepalen van de verplantbaarheid van een boom wordt allereerst onderzocht of de boom een goede conditie en mechanische kwaliteit heeft (de potentiële verplantbaarheid). Een gezonde boom heeft voldoende toekomstperspectief en een goede conditie vergroot de hergroeikansen. Bomen met een plakoksel, een eenzijdige kroon, zware overbelasting of scheve groei hebben geen of onvoldoende toekomstperspectief. Indien bovenstaande factoren positief worden beoordeeld, wordt het wortelgestel en bodem onderzocht. De verplantbaarheid van een boom hangt nauw samen met het bewortelingspatroon en aangetroffen bodemprofiel. De wortelkluit dient bij voorkeur te bestaan uit fijne, goed vertakte wortels die de kluit tijdens de verplanting bij elkaar houden en hergroei mogelijk maken. Daarnaast is de bodemsoort van groot belang. Indien de bodem uit bijvoorbeeld fijn zand bestaat bemoeilijkt dit de verplanting. Afhankelijk van het bewortelingspatroon worden voorbereidende maatregelen geadviseerd en (bij benadering) de afmeting van de wortelkluit bepaald.
TREEVISION
4|Pagina
Verplantbaarheidsonderzoek monumentale Hollandse linde Albert Cuyplaan Soest
2.4 Bodem- en bewortelingsonderzoek Door middel van een bodem- en bewortelingsonderzoek is het mogelijk om inzicht te krijgen in de bodemsamenstelling en de opbouw en kwaliteit van het wortelgestel. Door het uitvoeren van grondboringen en het graven van proefsleuven kan de opbouw en samenstelling van de bodem en beworteling worden beoordeeld. Hierbij wordt vooral gelet op de doorwortelde diepte, aanwezigheid van storende of verdichte lagen en de grondwaterstand. Als gevolg van storende lagen kan (tijdelijk) stagnerend water overlast veroorzaken in de doorwortelde zone. In sterk verdichte bodems, maar ook ter hoogte van storende lagen (plaatselijk sterk verdichte bodem), is de indringingsweerstand te hoog waardoor het voor wortels vrijwel onmogelijk is om te groeien, de korrels zijn simpelweg te dicht op elkaar gedrukt. Veelal wordt met behulp van een penetrometer de indringingsweerstand gemeten. De indringingsweerstand is een belangrijke factor met betrekking tot de doorwortelbaarheid van de bodem. Een te hoge indringingsweerstand remt of stopt de wortelgroei. Wanneer de weerstand groter is dan drie Megapascal (3 MPa = 30 kgf/cm²), dan is de bodem in de regel niet meer doordringbaar voor wortels. Al vanaf een waarde van 1½ MPa is de wortelontwikkeling niet meer optimaal. De grondwaterstand kan van belang zijn voor de vochtopname van de boom.
Indien het grondwater bereikbaar is voor de boomwortels, zal zich in de regel een dieper ontwikkeld wortelgestel vormen, dat minder gevoelig is voor uitdroging. Indien het grondwater niet bereikbaar is omdat het zich te diep bevindt of vanwege de aanwezigheid van storende lagen, is een boom volledig afhankelijk van in de grond gebonden infiltrerend hemelwater. Hierbij zal zich in de regel een oppervlakkig wortelstelsel vormen dat veel gevoeliger is voor uitdroging.
TREEVISION
5|Pagina
Verplantbaarheidsonderzoek monumentale Hollandse linde Albert Cuyplaan Soest
3 Situatiebeschrijving De boom staat op het grasveld ten noordwesten van Albert Cuyplaan 202 in Soest (zie foto 1 hieronder en foto 2 op pagina 7). Het betreft een forse, solitaire en beeldbepalende Hollandse linde (Tilia x europaea), die in het gemeentelijk boombeheersysteem geregistreerd staat als monumentale boom onder nummer 18572. Uit bestudering van luchtfoto’s uit o.a. 2013 en 2014 blijkt dat ter plaatse van het huidige grasveld ten noorden van de boom, tot en met 2013 nog een gebouw heeft gestaan met rondom verharding (zie foto 3 en 4 op pagina 8).
Foto 1: bovenaanzicht van de onderzoekslocatie met markering van de boom (Bron: bomenkaart gemeente Soest, bewerking: Treevision)
TREEVISION
6|Pagina
Verplantbaarheidsonderzoek monumentale Hollandse linde Albert Cuyplaan Soest
Foto 2 en inzet: beelden van de boom en standplaats
TREEVISION
7|Pagina
Verplantbaarheidsonderzoek monumentale Hollandse linde Albert Cuyplaan Soest
Foto 3: luchtfoto 2013 met markering boom (Bron: webservices.gbo-provincies.nl, bewerking: Treevision)
Foto 4: luchtfoto 2014 met markering boom (Bron: webservices.gbo-provincies.nl, bewerking: Treevision)
TREEVISION
8|Pagina
Verplantbaarheidsonderzoek monumentale Hollandse linde Albert Cuyplaan Soest
4 Onderzoek en resultaten 4.1 Visuele boomcontrole De boom heeft een hoogte van circa 17 meter en, gemeten op 1.30 meter boven het maaiveld, een stamomtrek van 258 centimeter (Ø 82 centimeter). Gelet op de kroonontwikkeling, scheutlengte en bladbezetting is de conditie als voldoende beoordeeld. Dankzij het feit dat de boom solitair is opgegroeid is er sprake van een evenwichtige en symmetrische kroonontwikkeling. Ten aanzien van de mechanische kwaliteit, zijn geen noemenswaardige gebreken en afwijkingen geconstateerd.
4.2 Bodem- en bewortelingsonderzoek Binnen de kroonprojectie van de boom zijn diverse grondboringen uitgevoerd en zijn proefsleuven gegraven om de samenstelling en opbouw van de (doorwortelbare) bodem en kwaliteit en kwantiteit van de wortelkluit te beoordelen.
4.2.1 Bodemonderzoek Uit het bodemonderzoek is gebleken dat de bodem binnen de kroonprojectie ten westen, zuiden en noorden van de boom bestaat uit het volgende profiel (zie ook foto 5): Diepte in centimeters 0-15 centimeter 15-120 centimeter >120 centimeter
Bodemsamenstelling Redelijk humusrijk matig fijn zand Matig humeus matig fijn zand Zeer humusarm matig fijn zand
Foto 5: beeld van bodemopbouw onder de verharding
Ten noorden op 3,5 meter uit het hart van de stamvoet is een afwijkend beeld aangetroffen. Het betreft hier meer geroerde grond waarbij op een diepte van 20 tot 80 centimeter overwegend humusarm fijn zand is aangetroffen. Dieper is het profiel vergelijkbaar met hetgeen hierboven beschreven. Het bodemprofiel is tot een diepte van tenminste 200 centimeter beneden maaiveld relatief droog. Op basis hiervan wordt aangenomen dat het grondwater voor de boom niet bereikbaar is. De boom is voor zijn vochtvoorziening afhankelijk van in de grond gebonden hemelwater (zogenaamd hangwaterprofiel).
TREEVISION
9|Pagina
Verplantbaarheidsonderzoek monumentale Hollandse linde Albert Cuyplaan Soest
4.2.2 Bewortelingsonderzoek Binnen de kroonprojectie zijn aan de noord en westzijde proefsleuven gegraven (zie foto 6). De eerste proefsleuf is gegraven aan de noordzijde van de boom op een afstand van 3,5 meter vanuit het hart van de stamvoet. In de bovenste 10 centimeter zijn enkele fijne wortels aangetroffen en dieper is tot 80 centimeter beneden maaiveld nauwelijks beworteling aanwezig. Op een diepte van 80-100 centimeter bevinden zich enkele grovere wortels met een maximale diameter van 6 centimeter (zie foto 7).
Foto 6: locatie proefsleuven
Foto 7: bovenaanzicht proefsleuf ten noorden van de boom Inzet: zijaanzicht proefsleuf
TREEVISION
10 | P a g i n a
Verplantbaarheidsonderzoek monumentale Hollandse linde Albert Cuyplaan Soest
Aan de westzijde van de boom is op een afstand van 3,2 meter vanuit het hart van de stamvoet een proefsleuf gegraven. Hierbij is op een diepte van 0-80 centimeter matig intensieve fijne beworteling aangetroffen. Vanaf 80 centimeter diepte zijn enkele grovere wortels aanwezig met een maximale diameter van 6 centimeter (zie foto 8 t/m 10).
Foto 8: bovenaanzicht proefsleuf ten westen van de boom
Foto 9 en 10: zijaanzicht proefsleuf ten westen van de boom
TREEVISION
11 | P a g i n a
Verplantbaarheidsonderzoek monumentale Hollandse linde Albert Cuyplaan Soest
5 Conclusie en advies 5.1 Kwaliteit boom en groeiplaats Uit de visuele controle is gebleken dat de boom in een licht verminderde conditie verkeerd maar vrij is van zichtbare (schimmel)aantastingen en (mechanische) gebreken. Ondanks dat de groeiplaatsomstandigheden van de boom niet optimaal zijn is dit zowel kwantitatief als kwalitatief voldoende voor de ontwikkeling en instandhouding van een gezond wortelpakket. De boom heeft bij gelijkblijvende (groeiplaats)omstandigheden een goede toekomstverwachting. Samenvattend kan worden gesteld dat de boom qua conditie, omvang en standplaats een waardevol en beeldbepalend groenelement vormt en het zondermeer waard is om te worden behouden. Uit de onderzoeksresultaten kan worden geconcludeerd dat de boom, mits goed voorbereid en na een juiste inrichting van de nieuwe plantplaats en adequate nazorg, succesvol verplantbaar is.
5.2 Advies Om de boom succesvol te verplanten is het van belang om de juiste voorbereidingen te treffen en nazorg te bieden, zoals onderstaand beschreven. De voorbereiding dient minimaal één maar bij voorkeur twee groeiseizoenen voor daadwerkelijke verplanting te worden uitgevoerd. Voorbereiding
•
Uitvoeren gerichte snoeimaatregel (beperkte reductie kroonvolume) ter vermindering van vochtbehoefte en verdamping als compensatie van wortelverlies;
•
Het rondgraven van de kluit in de periode april-mei. De kluit heeft bij benadering een diameter van 7 meter en een kluithoogte van 100 tot 120 centimeter. Hierbij worden alle aangetroffen grovere wortels met een diameter van maximaal 6 centimeter haaks en glad afgezaagd, zodat de wonden goed genezen. Wortels dikker dan 6 centimeter worden zoveel als mogelijk gespaard, maar geringd;
• •
Aanbrengen van beluchtingssysteem rond kluit, bestaande uit drainbuis;
•
Ter bevordering van een meer samenhangende en stevig(er) kluit, wordt geadviseerd deze te injecteren met vloeibare wortelgroei stimulerende meststoffen;
•
Verwijderen van op de kluit aanwezige grasvegetatie en aanbrengen van een 5 centimeter dikke mulchlaag, bestaande uit schimmeldominante humuscompost;
•
Ter bescherming van de boom en kluit, wordt geadviseerd rond de kluit koppelbare bouwhekken te plaatsen;
•
Het in droge(re) periodes in het groeiseizoen zorgen voor voldoende vocht, om zodoende de groei van fijne wortels binnen de kluit te bevorderen.
Het aanbrengen van wortelgeleidingsfolie/anti-worteldoek tegen de buitenrand van de kluit, zodat de kluit(rand) intensief doorworteld wordt. Vervolgens wordt de uitgegraven grond weer teruggebracht;
TREEVISION
12 | P a g i n a
Verplantbaarheidsonderzoek monumentale Hollandse linde Albert Cuyplaan Soest
Verplantmethode Gelet op de boom- en kluitgrootte zal de boom moeten worden verplant middels de ondersteunde verplantingstechniek (zie foto 11) of sleeptechniek (zie foto 12 en 13).
Foto 11: voorbeeld van een ondersteunde verplanting (Bron: BSI Bomenservice)
Foto 12 en 13: beelden van een verplanting middels sleeptechniek (Bron: Nationale Bomenbank)
TREEVISION
13 | P a g i n a
Verplantbaarheidsonderzoek monumentale Hollandse linde Albert Cuyplaan Soest
Nieuwe standplaats De slagingskans van het verplanten is voor een groot deel afhankelijk van de inrichting van de toekomstige groeiplaats. Op basis van aangeleverde projectinformatie, wordt er van uitgegaan dat de boom verplant zal worden naar een locatie zo’n 7 á 8 meter verderop binnen het plangebied. Dit houdt in dat de ondergrondse groeiplaatsomstandigheden qua grondwaterstand e.d. op zijn minst gelijkwaardig zullen zijn aan de huidige omstandigheden. Geadviseerd wordt de nieuwe groeiplaats, al dan niet na het uitvoeren van aanvullend bodemonderzoek, te verbeteren door circa 100 mᵌ bomengrond door te mengen met de bestaande bodem. Het is verder raadzaam een deugdelijk beluchtingssysteem aan te brengen, waarbij de circa 8 verticale kokers op maaiveldniveau worden afgewerkt met een deksel. Aanvullend wordt geadviseerd om gedurende de (bouw)werkzaamheden op het terrein rond de boom een beschermd boomgebied in te stellen (zie afbeelding 14). Binnen deze hekken mogen geen bouwwerkzaamheden plaatsvinden, zoals transport, plaatsing van een bouwkeet, opslag van materialen etc.
Afbeelding 14: schematische weergave kwetsbare zone en beschermd boomgebied (Bron: Handboek Bomen 2014)
Nazorg Na afloop van de verplanting is het noodzakelijk om de boom gedurende 3 jaar de nodige adequate nazorg te bieden. Dit heeft tot doel om de boom en de ingerichte groeiplaats gedurende de aanslagfase te beschermen en de gewenste hergroei te bevorderen.
TREEVISION
14 | P a g i n a
Bijlage 3 Bomen Effect Analyse
51
Bomen Effect Analyse 12 bomen plangebied Albert Cuyplaan 198 in Soest
Colofon Opdrachtgever Naam: Contactpersoon: Adres: Postcode en plaats: Telefoon: Mobiel: E-mail:
RV&O Dhr. J. Rademaker Lange Brinkweg 31-C 3764 AA Soest 035 888 55 69 06 51 06 98 03 Jorik@rv-o.nl
Bedrijfsgegevens Naam: Adres: Postcode en plaats: Telefoon: Mobiel: E-mail: Internet:
Treevision boomtechnisch ingenieursbureau Zwanenhof 11 3862 LW Nijkerk (033) 245 08 58 (06) 30 68 60 60 info@treevision.nl www.treevision.nl
Projectgegevens Uw kenmerk: Onze referentie: Type onderzoek: Straat/locatie: Plaats: Datum onderzoek:
BEA112019001 Bomen Effect Analyse (BEA) Albert Cuyplaan 198 Soest donderdag 04 maart 2021
Boomtechnisch adviseur A. (Arie) Boxhoorn European Tree Technician
Datum:
17 maart 2021
Handtekening adviseur:
© 2021 Treevision Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze rapportage mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, scan, fotokopie of op welke wijze dan ook, anders dan bedoeld voor intern gebruik, zonder voorafgaande toestemming van Treevision boomtechnisch ingenieursbureau.
Inhoud 1
Inleiding ....................................................................................................... 1
2
Methode van onderzoek ................................................................................ 2 2.1 Visuele controle ........................................................................................ 2 2.2 Toekomstverwachting ................................................................................ 3 2.3 Bodem- en bewortelingsonderzoek .............................................................. 4 2.4 Bomen en werkzaamheden ......................................................................... 5
3
Situatie en planvorming ................................................................................ 6 3.1 Huidige situatie ......................................................................................... 6 3.2 Planvorming ............................................................................................. 8
4
Onderzoek en resultaten ............................................................................... 9 4.1 Visuele boomcontrole ................................................................................. 9 4.2 Bodem- en bewortelingsonderzoek .............................................................11
5
Conclusie en advies ..................................................................................... 15 5.1 Kwaliteit bomen en groeiplaats ..................................................................15 5.2 Knelpuntenanalyse en advies .....................................................................15 5.3 Eisen & randvoorwaarden ..........................................................................17 5.3.1 Ontgraving ........................................................................................17 5.3.2 Ophoging ..........................................................................................17 5.3.3 Bodemverdichting ..............................................................................18
6
Boombeschermende maatregelen ............................................................... 19 6.1 Aandachtspunten voorafgaand aan de werkzaamheden .................................19 6.1.1 Boombeschermende maatregelen opnemen in het bestek .......................19 6.1.2 Bomenschouw ...................................................................................19 6.1.3 Instructie van het personeel ................................................................19 6.2 Aandachtspunten tijdens de werkzaamheden ...............................................19 6.2.1 Beschermd boomgebied ......................................................................19 6.2.2 Inzet van een boomtechnisch toezichthouder .........................................20 6.2.3 Ophangen poster ...............................................................................21 6.2.4 Schadelijke stoffen .............................................................................21 6.3 Aandachtspunten na de werkzaamheden .....................................................21
Bomen Effect Analyse 12 bomen Plangebied Albert Cuyplaan in Soest
1 Inleiding Opdracht In opdracht van Rademaker Vastgoed & Ontwikkeling heeft Treevision boomtechnisch onderzoek uitgevoerd bij in totaal 12 bomen op het perceel aan de Albert Cuyplaan 198 te Soest. Aanleiding en doelstelling Rademaker Vastgoed & Ontwikkeling is voornemens om op de genoemde locatie nieuwbouw te realiseren. Binnen de invloedsfeer van deze geplande herinrichting staan diverse bomen. In de ‘Nota Bescherming en kap bomen’ van de gemeente Soest staat dat bij dergelijke ruimtelijke ingrepen een bomeninventarisatie en een bomen effect analyse dient te worden uitgevoerd van alle bomen binnen het plangebied en 5 meter daarbuiten. Het doel is te bepalen of de geplande werkzaamheden nadelige gevolgen hebben voor de bomen en welke boombeschermende maatregelen eventueel noodzakelijk zijn om de bomen te behouden. Vraagstelling In dit onderzoek staan de volgende vragen centraal:
•
Wat is de huidige conditie, mechanische kwaliteit en toekomstverwachting van de bomen bij gelijkblijvende omstandigheden?
•
Wat is de gemiddelde ondergrondse ruimteaanspraak als het gaat om de reikwijdte en de intensiteit van de beworteling?
• •
Wat is de invloed van de voorgenomen plannen op de bomen? Met welke eisen en randvoorwaarden dient er rekening te worden gehouden om de bomen voor, tijdens en na de geplande werkzaamheden te beschermen en zoveel mogelijk duurzaam te behouden?
Om antwoord te kunnen geven op bovenstaande vragen, is het onderzoek uitgewerkt conform een zogenaamde Bomen Effect Analyse (BEA). Een dergelijke analyse is een gestandaardiseerde beoordeling van mogelijke effecten van bouw of aanleg op bomen. Een BEA dient antwoord te geven op de vraag: “Kunnen de bomen, in het perspectief van de voorgenomen (bouw)werkzaamheden of het ontwerpplan in hun huidige verschijningsvorm en op deze standplaats, duurzaam behouden blijven?”
TREEVISION
1|Pagina
Bomen Effect Analyse 12 bomen Plangebied Albert Cuyplaan in Soest
2 Methode van onderzoek 2.1 Visuele controle Voor het uitvoeren van de visuele controle maakt Treevision gebruik van twee methoden, de VTA en de IBA-methode. De VTA-methode (Visual Tree Assessment of visuele boomveiligheidsbeoordeling) is een systematiek ontwikkeld door prof. Dr. C. Mattheck. De boom wordt in zijn geheel (kroon, stam en stamvoet) beoordeeld op zichtbare fysische gebreken (verzwakkingssymptomen). De niet-visuele hulpinstrumenten zijn een sondeerstang en een klophamer waarmee verborgen holtes/rottingen kunnen worden vastgesteld. Tijdens de inspectie wordt er gelet op biologische en mechanische gebreken. De IBA-methode of Integrierte BaumAnalyse (Reinartz & Schlag, 1996) is vergelijkbaar met de VTA-methode. Een belangrijk onderdeel is de kennis van de biologie van houtrot veroorzakende (parasitaire) schimmels. Met name voor stam- en wortelrot worden belangrijke criteria gegeven om de ernst van de schade te beoordelen. De SIA (Statisch Integrierte Abschätzung) (Wessolly, 1996) is een nadere uitwerking van de IBA-methode en geeft ook beoordelingscriteria voor de stabiliteit en de breukgevoeligheid van bomen. Voor het toepassen van bovengenoemde methoden is specifieke kennis en ervaring een absolute vereiste.
Op basis van deze deskundigheid kunnen eventuele afwijkingen en gebreken worden vastgesteld (en indien gewenst nader onderzocht), om zodoende een uitspraak te kunnen doen over al dan niet aanwezige veiligheidsrisico’s. Het biologische gedeelte omvat een visuele conditiebepaling van de boom (of bomen); hierbij worden de volgende conditieklassen gehanteerd (zie tabel 1): Tabel 1: overzicht conditieklassen
Klasse
Kenmerken
Goed
Boom vertoont gewenste soortspecifieke groei, wat zichtbaar is aan de goede twijggroei en knopontwikkeling.
Voldoende
Boom vertoont niet optimale groei, wat zichtbaar is aan de verminderde scheutlengte en de meer transparante kroon als gevolg van verminderde ontwikkeling van zijknoppen. De verminderde (groei)omstandigheden hebben nog geen duidelijke negatieve gevolgen voor de verdere ontwikkeling.
Onvoldoende
Boom verkeert in een (sterk) verminderde conditie, wat zichtbaar is aan de transparante kroon door (deels) afstervende twijgen, matige twijggroei, afstervende takuiteinden en regeneratiegroei op hoofdgesteltakken. De levensverwachting van de boom is (sterk) verminderd.
Slecht
De boom vertoont duidelijke signalen van algehele aftakeling, wat zichtbaar is aan forse kroonsterfte en zeer beperkte groei. De levensverwachting van de boom is ernstig verminderd.
TREEVISION
2|Pagina
Bomen Effect Analyse 12 bomen Plangebied Albert Cuyplaan in Soest
Aanvullend wordt gekeken naar signalen (m.n. vruchtlichamen), die wijzen op een (houtparasitaire) schimmelaantasting. Indien dit het geval is, dan zal worden vastgesteld of en in welke mate er al houtafbraak heeft plaatsgevonden en in hoeverre dit van invloed is op de breukvastheid en/of stabiliteit. Het mechanische gedeelte omvat een boomveiligheidsbeoordeling, waarbij de volgende klassenindeling wordt gehanteerd (zie tabel 2): Tabel 2: klassenindeling mechanische kwaliteit
Klasse
Kenmerken
Goed
Geen signalen van mechanische verzwakking.
Voldoende
In enige mate signalen van (beginnende) mechanische verzwakking, als gevolg van bijvoorbeeld beginnende overbelasting, inrotting of (beperkt) ingerotte snoeiwonden.
Onvoldoende
Boom vertoont bv. als gevolg van zwaarbelaste gesteltakken, plakoksels, fors ingerotte wonden of recente scheefstand duidelijke signalen van mechanische verzwakking in de vorm van versterkings- en compensatiegroei en/of vormafwijkingen.
Slecht
De boom is mechanisch gezien sterk verzwakt; de kans op het uitbreken van kroondelen, stambeuk of windworp is reëel aanwezig.
In veruit de meeste gevallen is het mogelijk om op basis van een visuele beoordeling, eventueel met gebruikmaking van enige hulpmiddelen (sondeerstang en klophamer), te kunnen beoordelen of een boom voldoende stabiel en breukvast is. Bij een (sterk) vermoeden van een (potentieel) veiligheidsrisico is nader onderzoek vereist. Indien noodzakelijk kan dit plaatsvinden met behulp van geavanceerde meetapparatuur.
2.2 Toekomstverwachting De toekomstverwachting van de boom wordt met name bepaald door de volgende factoren:
• • • •
Kwaliteit (voeding) en kwantiteit (doorwortelbare ruimte) van de groeiplaats; Actuele conditie; Eventuele aanwezigheid van mechanische gebreken; Eventuele aantastingen door (houtparasitaire) schimmelsoorten.
Het bepalen van de toekomstverwachting betreft nadrukkelijk een momentopname en geldt uitsluitend bij gelijkblijvende (groeiplaats)omstandigheden. Bij de beoordeling wordt gebruik gemaakt van de volgende klassenindeling (zie tabel 3 op pagina 4):
TREEVISION
3|Pagina
Bomen Effect Analyse 12 bomen Plangebied Albert Cuyplaan in Soest Tabel 3: klassenindeling toekomstverwachting
Klasse
Kenmerken
Goed
Boom verkeert in een goede conditie, er zijn geen mechanische gebreken geconstateerd en kan veilig worden gehandhaafd. De levensverwachting van de boom is minimaal 15 jaar.
Voldoende
De toekomstverwachting van de boom is enigszins verminderd, maar de aangetroffen (geringe) afwijkingen zijn van dien aard dat eventueel herstel goed mogelijk wordt geacht. Op basis van de huidige toestand van de boom wordt de komende 10 jaar geen uitval verwacht. De boom kan veilig worden gehandhaafd maar, afhankelijk van de aangetroffen afwijking, kan in sommige gevallen een (licht) verhoogde controlefrequentie noodzakelijk zijn.
Onvoldoende
De toekomstverwachting van de boom is sterk verminderd. Er zijn mechanische gebreken en/of schimmelaantastingen aangetroffen of de conditie is verminderd, maar op grond van de huidige toestand van de boom wordt de komende 5 jaar geen uitval verwacht. De boom kan vooralsnog veilig worden gehandhaafd; in sommige gevallen kunnen gerichte (veiligheids)maatregelen nodig zijn. Een verhoogde controlefrequentie is (veelal) noodzakelijk.
Slecht
Boom heeft, vanwege sterk verminderde conditie en/of ernstige mechanische gebreken en/of houtparasitaire schimmelaantastingen een uiterst beperkte toekomstverwachting. De kans is reëel aanwezig dat de boom binnen korte tijd geheel afsterft of anderszins uitvalt. Naast een verhoogde controlefrequentie kan het noodzakelijk zijn gerichte (veiligheids)maatregelen te treffen, om de boom (vooralsnog) veilig te kunnen handhaven.
2.3 Bodem- en bewortelingsonderzoek Door middel van een bodem- en bewortelingsonderzoek is het mogelijk om inzicht te krijgen in de bodemsamenstelling en de opbouw en kwaliteit van het wortelgestel. Door het uitvoeren van grondboringen en het graven van proefsleuven kan de opbouw en samenstelling van de bodem en beworteling worden beoordeeld. Hierbij wordt vooral gelet op de doorwortelde diepte, aanwezigheid van storende of verdichte lagen en de grondwaterstand. Als gevolg van storende lagen kan (tijdelijk) stagnerend water overlast veroorzaken in de doorwortelde zone. In sterk verdichte bodems, maar ook ter hoogte van storende lagen (plaatselijk sterk verdichte bodem), is de indringingsweerstand te hoog waardoor het voor wortels vrijwel onmogelijk is om te groeien, de korrels zijn simpelweg te dicht op elkaar gedrukt. Veelal wordt met behulp van een penetrometer de indringingsweerstand gemeten. De indringingsweerstand is een belangrijke factor met betrekking tot de doorwortelbaarheid van de bodem. Een te hoge indringingsweerstand remt of stopt de wortelgroei. Wanneer de weerstand groter is dan drie Megapascal (3 MPa = 30 kgf/cm²), dan is de bodem in de regel niet meer doordringbaar voor wortels. Al vanaf een waarde van 1½ MPa is de wortelontwikkeling niet meer optimaal. De grondwaterstand kan van belang zijn voor de vochtopname van de boom.
Indien het grondwater bereikbaar is voor de boomwortels, zal zich in de regel een dieper ontwikkeld wortelgestel vormen, dat minder gevoelig is voor uitdroging.
TREEVISION
4|Pagina
Bomen Effect Analyse 12 bomen Plangebied Albert Cuyplaan in Soest
Indien het grondwater niet bereikbaar is omdat het zich te diep bevindt of vanwege de aanwezigheid van storende lagen, is een boom volledig afhankelijk van in de grond gebonden infiltrerend hemelwater. Hierbij zal zich in de regel een oppervlakkig wortelstelsel vormen dat veel gevoeliger is voor uitdroging.
2.4 Bomen en werkzaamheden Bouwwerkzaamheden hebben veelal een grote (negatieve) invloed op bomen en/of hun directe leefomgeving. Dit kan zowel op de kwantiteit als de kwaliteit van de boven- en ondergrondse situatie betrekking hebben. Gedacht kan worden aan beschadiging van boven- en ondergrondse boomdelen, wortelverlies, bodemverdichting, verdroging etc. Het is vooral van belang om middels een groeiplaatsonderzoek te beoordelen wat de diepte en de intensiteit van de wortelkluit(en) is. In stedelijk gebied is er veelal sprake van bewortelingspatronen die sterk afwijken van meer natuurlijke situaties. Om te beoordelen of en in welke mate de bomen schade zullen ondervinden van de voorgenomen bouwplannen, wordt het volgende onderzocht:
•
Bovengronds o Visuele inspectie ter bepaling van de actuele conditie en mechanische kwaliteit; o Indien noodzakelijk uitvoeren van nader boomtechnisch onderzoek;
•
Ondergronds o Kwaliteit (voeding) en kwantiteit van de bodem (doorwortelbare ruimte); o Aanwezigheid en intensiteit van de beworteling (ondergronds ruimtegebruik).
Op basis van bovenstaande onderzoeksaspecten is het mogelijk om een uitspraak te doen over de toekomstverwachting (levensduur) bij gelijkblijvende omstandigheden. Daarnaast kan worden beoordeeld of en in welke mate de geplande bouwwerkzaamheden negatieve effecten zullen hebben op de kwaliteit van de bomen.
TREEVISION
5|Pagina
Bomen Effect Analyse 12 bomen Plangebied Albert Cuyplaan in Soest
3 Situatie en planvorming 3.1 Huidige situatie Het onderzoek betreft in totaal 12 bomen in de Albert Cuyplaan 198, deze staan verspreid over het perceel (zie afbeelding 1). Het betreft twee zilveresdoorns (Acer saccharinum), twee Hollandse lindes (Tilia x europaea), drie Zweedse meelbessen (Sorbus intermedia), één zomereik (Quercus robur), één ruwe berk (Betula pendula) en drie Amerikaanse vogelkersen (Prunus serotina). Voor een beeld van de bomen en hun groeiplaats (zie foto 2 t/m 10 op pagina 7).
1 2
3
4 8
5 6
7
Afbeelding 1: bovenaanzicht onderzoekslocatie (Bron: Google; bewerking: Treevision)
TREEVISION
6|Pagina
Bomen Effect Analyse 12 bomen Plangebied Albert Cuyplaan in Soest
1
2
Foto 2: boom 1
Foto 3: boom 1 en 2
6
Foto 5: boom 4
5
Foto 6: boom 5 en 6
9
Foto 8: boom 8
TREEVISION
Foto 4: boom 3
Foto 7: boom 7
10
Foto 9: boom 9, 10 en 11
11
12
Foto 10: boom 12
7|Pagina
Bomen Effect Analyse 12 bomen Plangebied Albert Cuyplaan in Soest
3.2 Planvorming De huidige bebouwing op het terrein van het bestaande partycentrum wordt gesloopt. Op het perceel zijn 4 grondgebonden woningen gepland, 17 appartementen en 13 nieuwe parkeerplaatsen. Boom 7 staat ter plaatse van toekomstige nieuwbouw, men is voornemens deze boom te verplanten in de richting van de Albert Cuyplaan zodat deze boom in dezelfde lijn komt te staan als boom 4 t/m 6 (zie afbeelding 11). Voor deze verplanting is in 2018 door Treevision een verplantbaarheidsonderzoek (VPO112018001) uitgevoerd.
Afbeelding 11: overzicht geplande bebouwing en bomen (bron RV&O; bewerking Treevision)
TREEVISION
8|Pagina
Bomen Effect Analyse 12 bomen Plangebied Albert Cuyplaan in Soest
4 Onderzoek en resultaten Om te beoordelen of het überhaupt zinvol en mogelijk is om de bomen te behouden zijn allereerst de conditie en de mechanische kwaliteit vastgesteld. Slechts een gezonde vitale boom is voldoende in staat (levensvaardig) om, tot op zekere hoogte en rekening houdend met soortspecifieke eigenschappen, adequaat te reageren op veranderingen in zijn leefomgeving. Wanneer een boom vanwege conditionele en/of mechanische gebreken een (sterk) verminderde toekomstverwachting heeft is het veelal niet zinvol nog langer in de boom investeren.
4.1 Visuele boomcontrole De inspectieresultaten zijn samengevat in tabel 4 op pagina 10. Ten behoeve van het onderzoek zijn de bomen genummerd van 1 t/m 12, deze nummering komt overeen met de boomnummers zoals weergegeven op afbeelding 1 op pagina 6 en afbeelding 11 op pagina 8.
TREEVISION
9|Pagina
Bomen Effect Analyse 12 bomen Plangebied Albert Cuyplaan Soest
Boomsoort
Stamdiameter(cm)
Boomhoogteklasse (m)
Kroondiameterklasse (m)
Conditie
Mechanische Kwaliteit kroon
Mechanische kwaliteit stam
Toekomstverwachting
Potentieel verplantbaar
1
Acer saccharinum
104
18-21
10-12
voldoende
Goed
Goed
Goed
Nee
Afgestorven tak Afgestorven tak
2
Acer saccharinum
99
18-21
10-12
Voldoende
Goed
Goed
Goed
Nee
3
Tilia europaea
45
12-15
8-10
Goed
Goed
Goed
Goed
Ja
-
4
Sorbus intermedia
5
3-6
0-2
Goed
Goed
Goed
Goed
Nee
-
5
Sorbus intermedia
43
6-9
4-6
Voldoende
Goed
(On)voldoende
(On)voldoende
Nee
6
Sorbus intermedia
52
6-9
4-6
Voldoende
Goed
Goed
Goed
Ingerotte stamwond Ingerotte snoeiwond op 2,5 m hoogte Ingerotte snoeiwond op 2,5 m hoogte
7
Tilia europaea
82
18-21
6-8
Goed
Goed
Goed
Goed
Ja
Monumentale boom1
8
Quercus robur
51
15-18
8-10
Goed
Goed
Goed
Goed
Nee
-
9
Betula pendula
32
15-18
6-8
Goed
Goed
Goed
Goed
Nee
3-stammig
10
Prunus serotina
25
12-15
4-6
Goed
Goed
Goed
Goed
Nee
Eénzijdige kroon
Goed
Nee
Eénzijdige kroon
Goed
Nee
-
11 12
1
Gebreken & afwijkingen
Boomnummer Treevision
Tabel 4: resultaten visuele inspectie
Prunus serotina Prunus serotina
19 37
9-12 15-18
4-6 6-8
Voldoende goed
Voldoende Goed
Goed Goed
Nee
Deze boom is opgenomen in het bestand met waardevolle en monumentale bomen binnen de gemeente Soest.
TREEVISION
10 | P a g i n a
Bomen Effect Analyse 12 bomen Plangebied Albert Cuyplaan in Soest
4.2 Bodem- en bewortelingsonderzoek Op diverse representatieve locaties zijn proefsleuven gegraven en grondboringen uitgevoerd om de kwaliteit en kwantiteit van de doorwortelbare bodem te beoordelen. Nabij boom 1, 2, 3, 5 en 6 is dit onderzoek uitgevoerd met het oog op de geplande herinrichting van het maaiveld nabij deze bomen. De resultaten van dit onderzoek worden hieronder beschreven. Ten noordwesten van boom 1 is op 4 meter uit het hart van de stamvoet een proefsleuf gegraven. Op deze locatie is in het nieuwe ontwerp een voetpad gepland. In deze proefsleuf, gegraven in een grindbed met daaronder een fundering van puingranulaat, is tot een diepte van 30 centimeter alleen extensieve fijne beworteling aangetroffen (zie foto 12). Vanwege het aanwezige puingranulaat was een lange proefsleuf niet mogelijk.
Foto 12: Locatie proefsleuf boom 1 Inzet: zijaanzicht proefsleuf
TREEVISION
11 | P a g i n a
Bomen Effect Analyse 12 bomen Plangebied Albert Cuyplaan in Soest
Ten noordoosten van boom 2 is op 1.35 meter uit het hart van de stamvoet een proefsleuf gegraven. Op deze locatie is in het nieuwe ontwerp een uitstapstrook naast een parkeerplaats gepland. In deze proefsleuf, gegraven in een grindbed met daaronder een fundering van puingranulaat, is tot een diepte van 40 centimeter alleen extensieve fijne beworteling aangetroffen (zie foto 13).
Foto 13: Locatie proefsleuf boom 2 Inzet: bovenaanzicht proefsleuf
Zowel in proefsleuf 1 als 2 is ter plaatse van de proefsleuf een profielboring uitgevoerd, in beide profielboringen is een vergelijkbaar bodem- en bewortelingsprofiel aangetroffen (zie foto 14). De resultaten hiervan zijn samengevat in onderstaande tabel. Diepte in centimeters
Bodemsamenstelling
0-5 centimeter 5 -20 centimeter
Grind, sterk doorworteld met fijne opname wortels. Gebroken puin, beperkt doorworteld met fijne opname wortels. Matig humeus fijn zand, beperkt doorworteld met fijne opname wortels. Humusarm fijn zand.
20-110 centimeter >110 centimeter
Foto 14: beeld van de bodemopbouw onder de zilveresdoorns.
TREEVISION
12 | P a g i n a
Bomen Effect Analyse 12 bomen Plangebied Albert Cuyplaan in Soest
Boom 3 staat op het naast gelegen perceel van het pompgebouw in het gazon tegen de perceelsgrens (zie foto 15). In het nieuwe ontwerp is hier een voetpad gepland tot de perceelsgrens. De boom heeft aan deze zijde een opvallend hoge wortelaanzet en forse stabiliteitswortel. Aan de zuidzijde van de boom is op 50 cm uit de perceelsgrens een proefsleuf tot een diepte van 40 centimeter gegraven. In de proefsleuf is beperkte middelgrove beworteling met een maximale diameter van 3 á 4 centimeter aangetroffen.
Foto 15: Locatie proefsleuf boom 3 Inzet: beeld proefsleuf
TREEVISION
13 | P a g i n a
Bomen Effect Analyse 12 bomen Plangebied Albert Cuyplaan in Soest
Boom 5 en 6 staan in een gazon waarbij op respectievelijk 1.30 meter en 1.85 meter uit het hart van de stam nieuwe parkeervakken gepland zijn. Direct onder het gazon is op een diepte van 20 centimeter een tegelverharding aangetroffen, deze is in ieder geval vanaf 70 centimeter tot minimaal 2.50 meter uit het hart van de stam aanwezig. In de op de tegelverharding aangebrachte grond, is middelgrove beworteling aangetroffen met een diameter tot max 3 centimeter (zie foto 16). Op basis van google streetview historie is geconcludeerd dat hier in ieder geval in 2010 nog een voetpad aanwezig was met daarachter bebouwing. Vanaf tenminste 2014 is de situatie vergelijkbaar met zoals deze momenteel is.
Foto 16: Locatie proefsleuf boom 5 Inzet: beeld proefsleuf
TREEVISION
14 | P a g i n a
Bomen Effect Analyse 12 bomen Plangebied Albert Cuyplaan in Soest
5 Conclusie en advies 5.1 Kwaliteit bomen en groeiplaats Op basis van de onderzoeksresultaten kan worden geconcludeerd dat de huidige groeiplaatsomstandigheden van de bomen voldoende zijn. Dankzij de relatief gunstige (open) groeiplaatsomstandigheden, verkeren de meeste bomen in een redelijk tot goede conditie. Dit houdt in dat er bij gelijkblijvende (groeiplaats)omstandigheden geen uitval wordt verwacht binnen nu en 15 jaar. Boom 5 heeft een forse ingerotte stamwond, hierdoor is de toekomstverwachting enigszins verminderd, uitval binnen 5 en 10 jaar is niet uit te sluiten.
5.2 Knelpuntenanalyse en advies In de inleiding is de centrale vraag van een BEA genoemd: “Kunnen de bomen, in het perspectief van de voorgenomen (bouw)werkzaamheden of het ontwerpplan in hun huidige verschijningsvorm en op deze standplaats, duurzaam behouden blijven?” Voor wat betreft boom 1, 2, 4, 6 en 8 tot en met 12 kan bovenstaande vraag met ‘ja’ worden beantwoord mits onderstaande specifieke adviezen worden opgevolgd en de hieronder in paragraaf 5.3 genoemde eisen en randvoorwaarden en boombeschermende maatregelen worden uitgevoerd. Voor boom 1 en 2 is de te verwachten invloed van de geplande werkzaamheden beperkt is. De geplande ontgraving ten behoeve van het cunet onder het toekomstige voetpad bevindt zich binnen de ‘kwetsbare zone’2 maar is relatief ondiep. Binnen deze zone is uitsluitend sprake van fijne beworteling. Om wortelschade te beperken en de (beperkt) negatieve invloed te minimaliseren wordt geadviseerd de uitstapstrook naast het parkeervak te laten vervallen. Daarnaast wordt geadviseerd om de gelegenheid aan te grijpen om de groeiplaatsomstandigheden voor de bomen kwalitatief te verbeteren. Dit kan bijvoorbeeld door de halfverharding onder deze bomen met beleid te verwijderen en in de nieuwe situatie een opengrond situatie met beplanting te creëren.
Voor wat betreft boom 3 geldt dat de geplande ontgraving ten behoeve van het cunet onder het voetpad ernstige schade aan wortelaanzetten en stabiliteitswortels zal veroorzaken. Bij ongewijzigde planvorming kan de boom daarom niet zondermeer duurzaam worden behouden. Om de boom toch (duurzaam) in te passen wordt geadviseerd het voetpad (nabij de boom) minimaal 50 centimeter zuidwaarts te verplaatsen. Hiermee komt deze buiten de stabiliteitskluit en blijft eventuele schade beperkt tot uitsluitend fijnere (opname) wortels. Vanwege het feit dat boom 4 een recent aangeplante boom betreft, is er geen direct negatieve invloed te verwachten van de geplande werkzaamheden. Ontgraving ten
2
Dit is de zone rond de boom waarbinnen vitale onderdelen van de boom als gevolg van bouwwerkzaamheden (ernstig) beschadigd kunnen raken. De kwetsbare zone omvat, naast het bovengrondse gedeelte van de boom, ook ondergronds die ruimte van het bodemprofiel dat is doorworteld, dan wel die ruimte die voor de (toekomstige) groei van de boom essentieel is.
TREEVISION
15 | P a g i n a
Bomen Effect Analyse 12 bomen Plangebied Albert Cuyplaan in Soest
behoeve van het cunet/fundatie onder de toekomstige parkeervakken nabij de boom bevindt zich buiten de huidige kroonprojectie en doorwortelbare zone. Boom 5 heeft bij gelijkblijvende (groeiplaats)omstandigheden al een verminderde toekomstverwachting vanwege de aanwezigheid van een forse rotting/holte. Ongeacht de geplande werkzaamheden is deze boom niet zondermeer duurzaam te behouden. Gezien de toch al verminderde toekomstverwachting wordt geadviseerd de gelegenheid aan te grijpen de boom voorafgaand aan de werkzaamheden te verwijderen en na een juiste groeiplaatsinrichting te vervangen voor een nieuwe boom. Hoewel er bij boom 6 parkeerplaatsen worden aangelegd binnen de kwetsbare boomzone, is de te verwachten invloed hiervan beperkt. Ook in de huidig situatie is ter plaatse vanaf ca. 20 centimeter onder maaiveld reeds verharding aanwezig. Geadviseerd wordt bij aanleg cunet/fundatie onder toekomstige parkeervakken, reeds aanwezige tegelverharding te verwijderen en gebruik te maken van het daaronder aanwezige zandcunet. Hierdoor blijft ontgraving beperkt tot maximaal 20 centimeter onder het huidige maaiveld waar uitsluitend sprake is van extensieve fijne beworteling. Bij het verplanten van boom 7, komt boom 7 in de nieuwe situatie conform ontwerp te dicht op boom 6 te staan.
Omdat boom 6 in dat geval onderstandig wordt aan boom 7 heeft dit een negatieve invloed op de ontwikkeling en conditie van boom 6. Ten zuiden van van boom 6 staat op ca. 14 meter een jonge plataan. Hierdoor is voor het verplaatsen van boom 7 in deze richting eveneens beperkt ruimte beschikbaar. Aangezien het verplanten van boom 7 conform opgaaf van opdrachtgever nog enige jaren op zich laat wachten, wordt geadviseerd te zijner tijd de conditie en kwaliteit van boom 6 opnieuw te beoordelen en op basis daarvan de nieuwe standplaats van boom 7 definitief te bepalen. Aangezien boom 6 onderdeel was van een rij van vier, waarvan er reeds twee zijn uitgevallen en de derde boom (namelijk boom 5) ook al een verminderde toekomstverwachting heeft, is niet ondenkbaar dat ook boom 6 over vijf jaar gebreken vertoont. Binnen de kroonprojectie van boom 8 t/m 12 worden werkzaamheden uitgevoerd bij het slopen van de bestaande bebouwing. Om schade aan bovengrondse boomdelen te voorkomen dienen de in hoofdstuk 6.2 beschreven boombeschermende maatregelen tijdens de werkzaamheden, onveranderd te worden uitgevoerd.
TREEVISION
16 | P a g i n a
Bomen Effect Analyse 12 bomen Plangebied Albert Cuyplaan in Soest
5.3 Eisen & randvoorwaarden Om gedurende de uitvoering van de werkzaamheden onaanvaardbare schades aan de bomen en/of de groeiplaatsen te voorkomen zijn specifieke eisen en randvoorwaarden noodzakelijk. Deze zijn vooral van belang binnen de zogenaamde ’kwetsbare zone’ (voor uitleg zie voetnoot pagina 15).
5.3.1 Ontgraving Ten aanzien van de te behouden bomen mag op basis van de onderzoeksresultaten worden verwacht dat het mogelijk is de werkzaamheden uit te voeren, zonder ernstige schade aan de wortelkluiten te veroorzaken. Het valt echter niet geheel uit te sluiten dat er (lokaal) toch intensievere beworteling aanwezig is. Het is daarom een vereiste dat de graafwerkzaamheden nabij de bomen steeds worden voorafgegaan door nauwkeurig en handmatig voorsteken. Wanneer blijkt dat er toch meer en/of dikkere wortels aanwezig zijn, dienen de volgende regels strikt in acht te worden genomen: 1. Wortels met een diameter dikker dan 5 centimeter handhaven Fijne(re) wortels met een diameter kleiner dan circa 5 centimeter bestaan geheel of grotendeels uit levend en dus actief spinthout en zijn daarom veelal in staat de gemaakte wonden goed af te grendelen en te overgroeien. Bij het verwijderen of beschadigen van wortels met een diameter groter dan circa 5 centimeter wordt het levenloze kernhout blootgelegd. Bij het ontstaan van dergelijke grote wonden is een aantasting door houtparasitaire schimmels vaak het gevolg, waardoor op termijn de stabiliteit of breukvastheid van de boom vermindert. Bovendien kan er bij deze bomen direct gevaar voor windworp ontstaan wanneer belangrijke stabiliteitswortels worden verwijderd. 2.
Niet meer dan 10 % van het totale wortelgestel verloren laten gaan Indien een boom in goede conditie verkeert, zal het verlies van een klein deel (maximaal 10%) van de fijne wortels goed verdragen worden en zal de boom meestal weer herstellen. Bij verlies van een groot deel van de fijne wortels zal vrijwel zeker (ernstig) conditieverlies optreden.
5.3.2 Ophoging Binnen de kwetsbare zone, maar tenminste binnen de huidige kroonprojecties, mag er in beginsel geen grondophoging plaatsvinden. Grondophoging kan er gemakkelijk toe leiden dat de noodzakelijke diffusie (afvoer schadelijke afbraakgassen en toetreding zuurstof) en infiltratie van hemelwater (ernstig) wordt belemmerd. Daarnaast kan er ook gemakkelijk structuurbederf (verslemping/verdichting) en verstoring van het noodzakelijk aanwezige bodemleven ontstaan. Voor een duurzaam behoud van de bomen is het een vereiste dat deze potentieel negatieve effecten (zoveel mogelijk) worden voorkomen.
TREEVISION
17 | P a g i n a
Bomen Effect Analyse 12 bomen Plangebied Albert Cuyplaan in Soest
5.3.3 Bodemverdichting De bodem mag binnen de kwetsbare zone, maar tenminste binnen de huidige kroonprojecties, niet verder verdicht raken. Dit betekent dat er geen zwaar transport (bouwverkeer) of opslag van bouwmaterialen mag plaatsvinden. Een verdere verhoging van de bodemverdichting leidt onherroepelijk tot (nog meer) wortelsterfte en zal de ontwikkeling van nieuwe beworteling (nog meer) belemmeren.
TREEVISION
18 | P a g i n a
Bomen Effect Analyse 12 bomen Plangebied Albert Cuyplaan in Soest
6 Boombeschermende maatregelen Algemene adviezen en aandachtspunten bij bouwen rond bomen Geadviseerd wordt de te handhaven bomen gedurende de werkzaamheden adequaat te beschermen. Om deze duurzaam te behouden dienen onderstaande boombeschermende maatregelen onveranderd in acht te worden genomen! Wanneer dit onvoldoende wordt nageleefd, kunnen de werkzaamheden leiden tot schade, (snelle) conditievermindering of het (uiteindelijk) geheel afsterven van de bomen.
6.1 Aandachtspunten voorafgaand aan de werkzaamheden 6.1.1 Boombeschermende maatregelen opnemen in het bestek Het is voor een goede naleving van de gestelde eisen en randvoorwaarden en de in dit hoofdstuk genoemde boombeschermende maatregelen, noodzakelijk een goede boete- en schaderegeling op te nemen in het bestek. Let op: Beschadigingen aan boven- en/of ondergrondse boomdelen kunnen ertoe leiden dat de aannemer hiervoor aansprakelijk gesteld wordt, middels een schadeclaim conform het ‘Rekenmodel Boomwaarde’ volgens de richtlijnen NVTB, versie 2013. Vooral indien deze zijn opgenomen in de bouwvergunning en/of een aannemerscontract.
6.1.2 Bomenschouw Geadviseerd wordt de bomen en de standplaatsen daags voor de aanvang van de werkzaamheden (nogmaals) te schouwen en al aanwezige schades en gebreken schriftelijk vast te leggen. Op deze wijze ontstaat er een nul opname die gebruikt kan worden om de situatie na het uitvoeren van de werkzaamheden aan te toetsen.
6.1.3 Instructie van het personeel Ondanks de inzet van een boomtechnisch toezichthouder (zie paragraaf 6.2.2) tijdens het werk moet het uitvoerende personeel voorafgaand aan de werkzaamheden goed op de hoogte zijn van de ‘speciale’ regels die gelden met betrekking tot werken rondom bomen (zie bijlage posters ‘Werken rond bomen’).
6.2 Aandachtspunten tijdens de werkzaamheden 6.2.1 Beschermd boomgebied Voorkomen moet worden dat er tijdens de bouwwerkzaamheden onnodige schade aan de boven- en/of ondergrondse delen van de bomen ontstaat. Binnen de kroonprojectie van de bomen mogen er geen activiteiten plaatsvinden, die de boom kunnen beschadigen of de bodem kunnen verdichten. Om risico's zoveel mogelijk uit te sluiten, wordt geadviseerd de stammen te ommantelen. De ommanteling moet bestaan uit houten delen van 22 mm dik en 75 mm breed. Tussen de stam en de ommanteling moet een afstand van 80 tot 100 mm aanwezig zijn. Deze ruimte kan worden opgevuld met een drainbuis, die tegelijkertijd dienst doet als schokabsorber. TREEVISION
19 | P a g i n a
Bomen Effect Analyse 12 bomen Plangebied Albert Cuyplaan in Soest
Voor zover praktisch haalbaar, wordt aanvullend geadviseerd om door middel van het plaatsen van koppelbare bouwhekken beschermde boomgebieden in te stellen (zie afbeelding 3). Binnen deze hekken mogen geen bouwwerkzaamheden plaatsvinden, zoals transport, plaatsing van een bouwkeet, opslag van materialen etc.
Afbeelding 17: schematische weergave kwetsbare zone en beschermd boomgebied (Bron: Handboek Bomen 2014)
6.2.2 Inzet van een boomtechnisch toezichthouder Het is van groot belang dat de werkzaamheden rond de bomen worden begeleid door een deskundige. Hiervoor kan een zogenaamde boomtechnisch toezichthouder (hierna BT) worden ingezet. Een BT is een persoon met aantoonbare boomtechnische kennis (niveau European Tree Technician), die ingezet kan worden om werkzaamheden rond de bomen te begeleiden en te controleren. Een BT moet sturend optreden en controleert op het naleven van de hier beschreven voorschriften om zodoende eventuele problemen tijdig te signaleren en boven- en/of ondergrondse schade aan de bomen zoveel mogelijk te voorkomen. Daarnaast kan de BT zorgen voor vaktechnische input en indien nodig beoordelen welke wortels wel of niet verwijderd kunnen worden. Door deze, indien echt noodzakelijk en verantwoord, zelf te verwijderen of in te korten wordt onnodige schade aan wortels voorkomen, wat een goede hergroei na afronding van de werkzaamheden bevorderd. Nadrukkelijk wordt gesteld dat de bevoegdheid van de BT in het bestek van de civiele aannemer moet worden vastgelegd. Tot de bevoegdheden behoren het stil leggen van het werk en instructies geven aan het uitvoerend personeel.
TREEVISION
20 | P a g i n a
Bomen Effect Analyse 12 bomen Plangebied Albert Cuyplaan in Soest
6.2.3 Ophangen poster Ondanks de inzet van een bomenwacht tijdens het werk moet het uitvoerende personeel goed op de hoogte te zijn van de ‘speciale’ regels die gelden met betrekking tot werken rondom bomen. Daarom wordt geadviseerd posters op te hangen in de directie- en/of bouwkeet, met aandachtspunten voor het behoud van bomen op bouwlocaties (zie bijlage 2 posters Werken rond bomen). Deze posters zijn te bestellen bij Vereniging Stadswerk (www.stadswerk.nl).
6.2.4 Schadelijke stoffen Houdt schadelijke stoffen uit de buurt van de boom. Gooi nooit olie, cementwater, chemische stoffen, zout, zuren of kalk bij de boom.
6.3 Aandachtspunten na de werkzaamheden Tijdens de werkzaamheden kunnen ondanks de hierboven genoemde eisen en randvoorwaarden en aanvullend beschreven boombeschermende maatregelen schades ontstaan. Geadviseerd wordt om de bomen en de groeiplaatsen na uitvoering van de werkzaamheden, maar voor de formele oplevering (opnieuw) te schouwen en te toetsen aan de situatie tijdens de nulmeting. Op deze wijze is het mogelijk om de aannemer conform het bestek aansprakelijk te stellen voor onaanvaardbare en verwijtbare schades ontstaan ten gevolge van de uitgevoerde werkzaamheden (zie paragraaf 6.1.1).
TREEVISION
21 | P a g i n a