CConstaterende datSoest
Koppel je AI →
Document · PDF

4h 2 Bijlage 1 Toelichting Albert Cuyplaan 198 B incl. bijlagen.pdf

Besluitvormende Raadsvergadering 10 februari 2022, gemeente SoestBij agendapunt: Bestemmingsplan Albert Cuyplaan 198B24.255 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Toelichting Ontwerp bestemmingsplan Albert Cuyplaan 198 B NL.IMRO.0342.BPSOE0069-0201 Juni 2021 1

Bestemmingsplan Albert Cuyplaan 198 B

Gemeente: Soest Plannaam: Albert Cuyplaan 198 B IMRO-nr: NL.IMRO.0342.BPSOE0069-0201 Plantype: Bestemmingsplan Status: Ontwerp Datum: Juni 2021

2

Toelichting HOOFDSTUK 1

INLEIDING .............................................................................................. 5

1.1 Aanleiding.................................................................................................................. 5 1.2 Ligging van het plangebied .......................................................................................... 5 1.3 Vigerende plannen ...................................................................................................... 5 1.4 Leeswijzer ................................................................................................................. 7 HOOFDSTUK 2

BESTAANDE SITUATIE .............................................................................. 8

2.1 Inleiding .................................................................................................................... 8 2.2 Ontstaansgeschiedenis Soest ....................................................................................... 8 2.3 Ruimtelijk-functionele structuur .................................................................................... 9 2.4 Verkeersstructuur ....................................................................................................... 9 2.5 Groen........................................................................................................................ 9 2.6 Water ........................................................................................................................ 9 HOOFDSTUK 3

PLANBESCHRIJVING ............................................................................... 11

3.1 Inleiding .................................................................................................................. 11 3.2 Gewenste situatie ..................................................................................................... 11 3.3 Verkeer en parkeren ................................................................................................. 12 HOOFDSTUK 4

BELEIDSKADERS ................................................................................... 15

4.1 Rijksbeleid ............................................................................................................... 15 4.3 Provinciaal beleid ...................................................................................................... 18 4.4 Gemeentelijk beleid .................................................................................................. 20 HOOFDSTUK 5

MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN .......................................................... 25

5.1 Inleiding .................................................................................................................. 25 5.2 Milieuaspecten.......................................................................................................... 25 5.3 Water ...................................................................................................................... 35 5.4 Ecologie................................................................................................................... 38 5.5 Archeologie .............................................................................................................. 40 5.6 Cultuurhistorie ......................................................................................................... 41 5.7 Kabels en leidingen ................................................................................................... 42 HOOFDSTUK 6

JURIDISCHE PLANOPZET ........................................................................ 43

6.1 Inleiding .................................................................................................................. 43 6.2 De regels ................................................................................................................. 43 6.3 De verbeelding ......................................................................................................... 45 HOOFDSTUK 7

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID ......................................................... 46

7.1 Algemeen ................................................................................................................ 46 HOOFDSTUK 8

MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID .................................................. 47

8.1 Procedure en fase bestemmingsplan ........................................................................... 47

3

Bijlagen ........................................................................................................................... 48 Bijlage 1 Schetsplan ....................................................................................................... 49 Bijlage 2 Verplantbaarheidsonderzoek............................................................................... 50 Bijlage 3 Bomen Effect Analyse ........................................................................................ 51 Bijlage 4 Bodemonderzoek .............................................................................................. 52 Bijlage 5 Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai ............................................................. 53 Bijlage 6 Quickscan externe veiligheid .............................................................................. 54 Bijlage 7 Verantwoording groepsrisico............................................................................... 55 Bijlage 8 Watertoetsresultaat ........................................................................................... 56 Bijlage 9 Quickscan Wet natuurbescherming ...................................................................... 57 Bijlage 10 Archeologisch onderzoek .................................................................................. 58

4

HOOFDSTUK 1

INLEIDING

1.1 Aanleiding

Voorliggend bestemmingsplan heeft betrekking op de voormalige locatie van The Party Factory aan de Albert Cuyplaan 198b te Soest en een naastgelegen onbebouwd terrein. The Party Factory heeft het perceel verlaten en zal niet terugkeren in Soest. Initiatiefnemer is voornemens het pand van The Party Factory te slopen en de locatie, samen met het naastgelegen onbebouwde terrein, te herontwikkelen met woningbouw. Concreet gaat het om de bouw van een appartementencomplex met 17 appartementen op het perceel van The Party Factory en de bouw van 4 grondgebonden woningen op het naastgelegen grasveld. Tevens wordt de buitenruimte opnieuw ingericht, waarbij de aanwezige bomen op een duurzame wijze worden ingepast. De gewenste ontwikkeling past niet binnen het geldende bestemmingsplan ‘De Eng’. Daarom is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin. Er zal worden aangetoond dat het gewenste plan vanuit ruimtelijk en planologisch oogpunt verantwoord is.

1.2 Ligging van het plangebied

Het plangebied ligt aan de Albert Cuyplaan 198b, aan de oostzijde van de kern Soest. Het plangebied is kadastraal bekend als gemeente Soest, sectie K, nummers 3993 en 2101. In afbeelding 1.1 is de ligging van het plangebied in de kern Soest en ten opzichte van de directe omgeving weergegeven.

Afbeelding 1.1 Ligging plangebied (Bron: PDOK)

1.3 Vigerende plannen 1.3.1 Algemeen In het plangebied gelden het bestemmingsplan ‘De Eng’ (vastgesteld d.d. 15 mei 2012) en paraplubestemmingsplan ‘Retail en Nota parkeernormen auto en fiets’ (vastgesteld d.d. 28 september 2017). In afbeelding 1.2 is een uitsnede van de verbeelding van het bestemmingsplan ‘De Eng’ opgenomen. De rode stippellijn omvat het plangebied.

5

Afbeelding 1.2 Uitsnede van het bestemmingsplan ‘De Eng’ (Bron: ruimtelijkeplannen.nl)

1.3.2 Bestemmingen Op basis van het geldende bestemmingsplan ‘De Eng’ kent het plangebied de enkelbestemming ‘Maatschappelijk’ en de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie hoge verwachting (AWV1)’. Tevens zijn twee bouwvlakken opgenomen, waarbij ter plaatse van het noordelijk gelegen bouwvlak de functieaanduiding ‘specifieke vorm van maatschappelijk – besloten bijeenkomsten’ is opgenomen. Verder geldt voor het noordelijke gedeelte een bebouwingspercentage van 60%, een maximum bouwhoogte van 5 meter en een maximum goothoogte van 5 meter. Voor het zuidelijke deel een maximaal bebouwingspercentage van 45%, een maximum bouwhoogte van 4 meter en een maximum goothoogte van 4 meter. Hierna worden de bestemmingen verder toegelicht. ‘Maatschappelijk’ De voor ‘Maatschappelijk’ aangewezen gronden zijn bestemd voor maatschappelijke voorzieningen op het gebied van religie, verenigingsleven, cultuur, onderwijs, opvoeding, kinderopvang voor kinderen van 0 tot en met 12 jaar, recreatie, gezondheids- en revalidatiezorg, ouderenzorg en – huisvesting, alsmede openbare en bijzondere dienstverlening.

Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van maatschappelijk – besloten bijeenkomsten’ is uitsluitend een ruimte voor besloten vergaderingen, bijeenkomsten, expositie, educatieve projecten, rondleidingen en natuuren milieulessen alsmede voor bijeenkomsten, zoals na een begrafenis, een bruiloft, een verjaardag, een bedrijfsreceptie, een familiebijeenkomst, en voor lezingen toegestaan. Voor de gronden binnen deze bestemming gelden een aantal bouwregels, zoals dat de gebouwen uitsluitend binnen het bouwvlak mogen worden gebouwd en de goothoogte en bouwhoogte van gebouwen maximaal de op de verbeelding aangegeven goothoogte respectievelijk bouwhoogte mogen bedragen. Tevens mag het bebouwingspercentage van het bouwperceel maximaal het ter plaatse van de aanduiding ‘maximum bebouwingspercentage %’ aangegeven bebouwingspercentage bedragen.

6

‘Waarde – Archeologie hoge verwachting (AWV1)’ De voor ‘Waarde - Archeologie middelhoge verwachting (AWV1)’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van een gebied met hoge archeologische verwachtingswaarde. Het is verboden om op deze gronden zonder een omgevingsvergunning bepaalde werken en werkzaamheden uit te voeren. De vergunning wordt verleend, indien de werken of werkzaamheden niet zullen leiden tot een verstoring van de archeologische waarden, of indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn. 1.3.3 Paraplubestemmingsplan ‘Retail en Nota parkeernormen auto en fiets’ Op basis van het paraplubestemmingsplan ‘Retail en Nota parkeernormen auto en fiets’ is de actuele parkeernorm, de 'Nota parkeernormen auto en fiets (3e herziening)’ d.d. 28 september 2017, van toepassing verklaard. De parkeernormering is overgenomen in voorliggend plan. 1.3.4 Strijdigheid met het bestemmingsplan ‘De Eng’ De voorgenomen bouw van vier grondgebonden woningen en een appartementengebouw voor 17 appartementen is op basis van het geldende bestemmingsplan niet toegestaan, aangezien hiervoor de bouw- en gebruiksregels ontbreken. Om het voornemen mogelijk te maken is een partiële herziening van het bestemmingsplan benodigd.

Voorliggend bestemmingsplan voorziet in passende bouw- en gebruiksmogelijkheden om het initiatief te realiseren.

1.4 Leeswijzer De toelichting is opgesteld aan de hand van het Handboek Digitale Ruimtelijke Plannen. Allereerst wordt in hoofdstuk 2 de bestaande situatie van het plangebied beschreven. Hier komen onderwerpen aan bod als ruimtelijke en functionele structuur van het gebied. In hoofdstuk 3 wordt een planbeschrijving gegeven. De beschrijving van deze elementen zijn als uitgangspunt gebruikt bij het verdere ontwerp van het plangebied. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op het beleidskader. Hoofdstuk 5 verwoordt de uitkomsten van het uitgevoerde onderzoek naar milieu- en overige aspecten. Hoofdstuk 6 geeft een toelichting op de planregels en geeft aan waarom voor een bepaalde regeling is gekozen. Vervolgens wordt per bestemming kort ingegaan op de (on)mogelijkheden binnen de betreffende bestemming. Tot slot beschrijft hoofdstuk 7 de economische en hoofdstuk 8 de maatschappelijke uitvoerbaarheid. Ook de resultaten van de inspraak en het overleg worden in dit laatste hoofdstuk opgenomen.

7

HOOFDSTUK 2

BESTAANDE SITUATIE

2.1 Inleiding

In dit hoofdstuk wordt de bestaande situatie van het plangebied beschreven. Alvorens wordt ingezoomd op de planlocatie zelf, wordt in eerste instantie kort de bestaande structuur van het omliggende gebied beschreven. Daarbij wordt allereerst ingegaan op de ontstaansgeschiedenis van het gebied, waarna vervolgens de ruimtelijke en functionele structuur aan de orde komen.

2.2 Ontstaansgeschiedenis Soest

Zoals aangegeven is Het plangebied is gelegen in het bestemmingsplan “De Eng”. Onder het bestemmingsplan "De Eng" vallen de wijken: Noordelijke Eng, Oostelijke Eng, Zuidelijke Eng en Dalweg. Deze vier wijken liggen in de Soester Eng. De Soester Eng vindt zijn oorsprong in de periode van de derde ijstijd (Saalien) ongeveer 200.000 jaar geleden. In deze periode hebben uitlopers van het landijs een stuwende en daarmee reliëf vormende, invloed op het land uitgeoefend. Hierdoor ontstond een patroon van (stuw)wallen en dalen, die later ten gevolge van erosie, enigszins werden afgevlakt. In het geologisch opzicht meer recente verleden (Holoceen, 10.000 jaar geleden) begonnen kleinschaliger ontwikkelingen in het landschap plaats te vinden, met name door de vorming van veengebieden op de plaats waar de waterafvoer stagneerde. Met de komst van de mens in dit gebied werd dit proces versterkt. Het bestaan van relatief grote hoogteverschillen bood de toenmalige mens een bestaansmogelijkheid, waarbij in harmonie met natuur en landschap geleefd werd. Door deze hoogteverschillen kon de voor de toenmalige agrarische bedrijfjes noodzakelijke zogenaamde viereenheid ontstaan, bestaande uit bos, heide, bouwland en hooiland. Dit laatste bevond zich in de lager en daardoor natter gelegen gebieden in de richting van de Eem.

Op heidevelden werden schapen gehouden waarvan de verzamelde mest uit poststallen gebruikt werd voor het bemesten van het bouwland. Deze vorm van bedrijfsvoering heeft vele eeuwen geduurd tot aan het einde van de 19e eeuw. Tegen het einde van de vorige eeuw kwam er een einde aan het tot dan toe vrij evenwichtige bedrijfsvoeringspatroon. De komst van de kunstmest zorgde ervoor, dat de natuurlijke schapenmest overbodig werd. Hierdoor werd ook het schaap overbodig en konden de heidevelden voor andere doeleinden ingezet worden. Dit proces werd nog eens versterkt, doordat goedkope wol uit Australië werd ingevoerd. Met het schaap verdwenen ook de schaapskooien van de Eng. Door sterke toename van de bevolkingsgroei rond de eeuwwisseling nam de behoefte aan woningen toe. Deze woningbouw werd aanvankelijk zoveel mogelijk aansluitend om de lintbebouwing en wel voornamelijk aan de Engzijde gerealiseerd. Door de toenmalige gebrekkige funderings- en ontwikkelingstechnieken was men immers genoodzaakt op de hogere zandgronden te bouwen. Hiermee werd de bebouwing van de Eng een feit en vervaagde tegelijkertijd het zuivere occupatiepatroon van het flankesdorp. Vooral het noordelijke deel van de Eng raakte vrijwel geheel bebouwd. Daarna werd begonnen met de bouw in de lager gelegen delen, zoals Klaarwater en Smitsveen en uiteindelijk Overhees.

De bebouwing in de nabijheid van de Albert Cuyplaan startte in het begin van de jaren zestig van de vorige eeuw. De door het bestemmingsplan "De Eng" lopende Dalweg werd vóór 1911 de ‘Kerksholleweg’ genoemd. Het was een diep in de Eng-helling uitgeslepen holle weg, die naar de Rooms Katholieke kerk liep en via de Korte Kerkstraat tot de Lange Brinkweg ging. Het was samen met de Prins Bernhardlaan en de Kolonieweg één van de drie holle wegen in Soest. In afbeelding 2.1 is de ontwikkeling van de van Soest weergegeven rondom het plangebied. Het plangebied is aangegeven met de rode cirkel.

8

Afbeelding 2.1 Topografisch kaarten van 1900, 1955 en 2015 (Bron: topotijdreis.nl)

2.3 Ruimtelijk-functionele structuur

Het plangebied ligt aan de Albert Cuyplaan, waaraan diverse functies voor komen. Aan de oostelijke zijde van de weg zijn voornamelijk appartementengebouwen in een groene setting aanwezig. Aan de westzijde zijn diverse functies aanwezig, waaronder eengezinswoningen, The Party Factory, een moskee en een uitvaartcentrum. Ook is een pompgebouwtje aanwezig, in de uitsparing van het plangebied (zie afbeelding 2.2) Het plangebied heeft een oppervlakte van 2.594 m2 en bestaat uit de voormalige locatie van The Party Factory en een naastgelegen grasveld.

2.4 Verkeersstructuur

De wegen rondom het plangebied betreffen, op de Dalweg na, woonstraten voor langzaam verkeer (30 km/uur-zone). De Dalweg betreft een 50 km/uur weg en dient als ontsluiting op de Koningsweg (N221). Het plangebied heeft een in-/uitrit welke aansluit op de Albert Cuyplaan.

2.5 Groen

De omgeving kenmerkt zich door grote groengebieden met veel gras en verspreid staande bomen tussen opgaande bebouwing, kenmerkend voor de 60-er jaren van de vorige eeuw. Het plangebied vormt geen uitzondering op het groene karakter van de omgeving. In paragraaf 3.4.5 wordt nader ingegaan op het beleidskader en in hoofdstuk 4 wordt nader ingegaan op de te rooien en te herplanten bomen.

2.6 Water Op en rondom het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Het grondwater bevindt zich daarnaast op circa 14 meter onder maaiveld. Er is geen sprake van grondwateroverlast. 2.7 Monumenten en beschermd dorpsgezicht Binnen het plangebied komen geen rijks- of gemeentelijke monumenten voor. Tevens is plangebied niet gelegen in een beschermde dorps- of stadsgezicht. In afbeelding 2.2 en 2.3 is de huidige situatie van het plangebied weergegeven.

9

Afbeelding 2.2 Luchtfoto plangebied en omgeving (Bron: Google maps)

Afbeelding 2.3 Straatbeelden van het plangebied vanaf de Albert Cuyplaan (Bron: Google Streetview)

10

HOOFDSTUK 3

PLANBESCHRIJVING

3.1 Inleiding

In hoofdstuk 2 is de bestaande situatie van het plangebied en de (directe) omgeving beschreven. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de gewenste situatie.

3.2 Gewenste situatie

Initiatiefnemer is voornemens de bestaande bebouwing binnen het plangebied te slopen en daarvoor in de plaats een appartementengebouw en vier rijwoningen te realiseren. Het geheel krijgt een groene uitstraling. Zo blijven de bestaande bomen aan de straatzijde behouden en wordt een bestaande boom vanaf de zuidzijde van het perceel verplaatst zodat deze aansluit op de rij bomen langs de straatzijde. De rijwoningen worden gerealiseerd in het zuidelijke deel van het plangebied. Dit betreffen koopwoningen uit het middensegment. Deze woningen sluiten qua maat en schaal stedenbouwkundig goed aan op de naastgelegen blok rijwoningen. De beide woningblokken vormen daarmee een duidelijke ruimtelijke eenheid. De woningen worden op een afstand van minimaal 3 meter van de zijdelingse perceelgrens geplaatst en een eventuele berging bij de woning is, op het achtererf en op ruime afstand van het hoofdgebouw, toegestaan. De rijwoningen zijn bereikbaar via een bestaande in- en uitrit. Langs deze inrit worden ten behoeve van de ontwikkeling 11 nieuwe parkeerplaatsen aangelegd. Het appartementengebouw in het noorden van het plangebied beoogd. Ter plaatse zijn in de huidige situatie de gebouwen van The Party Factory aanwezig. Om de bouw van het appartementengebouw mogelijk te maken, worden de bestaande gebouwen gesloopt.

Het appartementengebouw bestaat uit vijf bouwlagen, waarbinnen zeventien appartementen worden gerealiseerd. Het gaat om huurappartementen uit het middensegment met een gebruiksoppervlakte tussen de 60 m2 en 80 m2 met een aparte berging van 5 m2 tot 6 m2. Het appartementengebouw wordt daarnaast voorzien van een trappenhuis en een lift. Het appartementengebouw is bereikbaar via een bestaande in- en uitrit. Langs deze inrit worden ten behoeve van de ontwikkeling vier parkeerplaatsen aangelegd. In afbeelding 3.1 is een plattegrond van de gewenste situatie opgenomen. Afbeelding 3.2 geeft een aanzicht van de rijwoningen en het appartementengebouw weer. Ten slotte is in bijlage 1 bij deze toelichting het gehele schetsplan opgenomen.

11

Afbeelding 3.1 Plattegrond gewenste situatie (Bron: RV&O)

Afbeelding 3.2 Impressie gewenste situatie (Bron: RV&O)

3.3 Verkeer en parkeren 3.3.1 Algemeen Bij nieuwe ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de effecten op de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie die ontstaat door de nieuwe ontwikkeling. Hiertoe kunnen berekeningen worden uitgevoerd. In dit geval worden deze berekeningen gedaan op basis van de gemeentelijke ‘Nota Parkeernormen auto en fiets' (3e herziening, 28 september 2017). 3.3.2 Situatie plangebied Parkeren Op basis van de gemeentelijke parkeernormering gelden voor woningen de parkeernormen zoals in volgende tabel is opgenomen. Achter elke functie staat eerst de reguliere parkeernorm. In de kolom daarna staat aangegeven aan welke parkeernorm moet worden voldaan als ook wordt voldaan aan de fietsparkeernorm.

12

Tabel 3.1 Parkeernorm (Bron: gemeente Soest) Het voornemen voorziet in zeventien appartementen en vier rijwoningen, waarbij een bestaande horecavestiging (The Party Factory) komt te vervallen. Hierna is daarom een overzicht opgenomen van de parkeerbehoefte in de huidige en de nieuwe situatie. Parkeernorm huidige situatie In de huidige situatie is, zoals benoemd, een horecavestiging aanwezig. Het gebouw heeft een oppervlakte van circa 340 m2. Voor horeca geldt op basis van de gemeentelijke parkeernormering een parkeernorm van 8 parkeerplaatsen per 100 m2 bruto vloeroppervlakte. Hiermee is sprake van een bestaande parkeerbehoefte van (3,4 * 8 =) 27,2 parkeerplaatsen. In de huidige situatie zijn 8 parkeerplaatsen aanwezig. Hiermee is sprake van een bestaand tekort van 19,2 parkeerplaatsen. Dit tekort hoeft in de gewenste situatie niet opgelost te worden (zie ook paragraaf 4.1.3 Nota parkeernormen). Er wordt vanuit gegaan dat dit tekort al in de openbare ruimte aanwezig is. Parkeernorm gewenste situatie Het plan gaat uit van de realisatie van 12 appartementen tussen de 46 m2 en 60 m2, 5 appartementen tussen de 61 m2 en 80 m2 en 4 rijwoningen van meer dan 121 m2. Hiermee ontstaat het volgende beeld, wanneer wordt gerekend met de reguliere parkeernorm: • • •

12 * 1,2 = 14,4 parkeerplaatsen; 5 * 1,5 = 7,5 parkeerplaatsen; 4 * 2,0 = 8 parkeerplaatsen.

In totaal betreft de parkeerbehoefte in de gewenste situatie (14,4 + 7,5 + 8 =) 30 parkeerplaatsen. Minus het bestaande tekort moeten afgerond (30 – 19,2 =) 11 parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd worden. In dit geval worden op eigen terrein 15 parkeerplaatsen gerealiseerd. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de parkeernorm. Het aanspraak op parkeerplaatsen in de openbare ruimte neemt per saldo met 4 parkeerplaatsen af. Verkeersgeneratie De gemeentelijke parkeernota noemt geen cijfers ten aanzien van verkeersgeneratie. Hiertoe worden berekeningen gemaakt op basis van de CROW-publicatie ‘toekomstbestendig parkeren’ (december 2018). In de CROW-publicatie wordt uitgegaan van een minimum en maximum generatie. Dit is de bandbreedte. In dit geval wordt van het gemiddelde uitgegaan. In onderstaande tabel is de verkeersgeneratie van de nieuwe situatie ten opzichte van de huidige situatie weergegeven. Hierbij is uitgegaan van een ligging in het gebiedstype ‘rest bebouwde kom’. Qua verstedelijkingsgraad wordt de gemeente Soest aangemerkt als een matig stedelijke gemeente. Voor ‘The Party Factory’ is uitgegaan van de meest vergelijkbare functie, namelijk een discotheek. Op basis van deze gegevens ontstaat het volgende beeld: Huidige functie

Verkeersgeneratie per etmaal Discotheek 19 per 100 m2 Totaal huidige situatie Tabel 3.2 Verkeersgeneratie bestaande situatie

Oppervlakte

Totaal

340 m2

64,6 64,6

13

Functie

Verkeersgeneratie per etmaal 14,2 per woning

Koop, huis, tussen/hoek Huur, appartement, 3,6 per woning midden/goedkoop Totaal gewenste situatie Tabel 3.3 Verkeersgeneratie gewenste situatie

Aantal

Totaal

4

56,8

17

61,2 118

Zoals blijkt uit bovenstaande tabellen is er in de nieuwe situatie sprake van een toename aan verkeersbewegingen van afgerond (118 - 64,6 =) 54 verkeersbewegingen per etmaal. Deze vrij beperkte toename kan eenvoudig via de Albert Cuyplaan worden afgewikkeld. Het verkeer wordt van het terrein afgewikkeld via een bestaande en een nieuw te realiseren overzichtelijke in- en uitrit. Gezien het vorenstaande wordt geconcludeerd dat er vanuit verkeerskundig oogpunt geen bezwaren zijn tegen de in dit plan besloten ontwikkelingen.

14

HOOFDSTUK 4

BELEIDSKADERS

Dit hoofdstuk geeft een overzicht van de inhoud van het ruimtelijk relevante beleid voor dit bestemmingsplan op rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau. Het beschreven beleidskader is daarmee één van de belangrijkste bouwstenen voor de visie op het plangebied en de opzet van de juridische regelingen.

4.1 Rijksbeleid 4.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Algemeen De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is op 13 maart 2012 vastgesteld. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. Tevens vervangt het een aantal ruimtelijke doelen en uitspraken in onder andere de Agenda Landschap en de Agenda Vitaal Platteland. Daarmee wordt de SVIR het kader voor thematische of gebiedsgerichte uitwerkingen van rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. Opgaven van nationaal belang Rijksdoelen en regionale opgaven In de SVIR heeft het Rijk drie rijksdoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028): • • •

Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland; Het verbeteren, instandhouden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

Voor de drie rijksdoelen worden de 13 onderwerpen van nationaal belang benoemd. Hiermee geeft het Rijk aan waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. Buiten deze nationale belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. De drie hoofddoelen van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid kennen nationale opgaven die regionaal neerslaan. Opgaven van nationaal belang in de provincie Utrecht zijn: • • • • • • •

Het goed laten functioneren van de ‘draaischijf’ Nederland (weg, spoorweg en vaarweg) inclusief een goed regionaal openbaar vervoer en het uitvoeren van het Programma Hoogfrequent Spoorvervoer; Versterking van de primaire waterkeringen (hoogwaterbeschermingsprogramma) en het samen met decentrale overheden uitvoeren van het gebiedsgerichte deelprogramma Rivieren (Lek en Neder-Rijn) van het Deltaprogramma; Het samenwerken met decentrale overheden in de generieke deelprogramma’s Veiligheid, Zoet water en Nieuwbouw en Herstructurering van het Deltaprogramma; Het tot stand brengen en beschermen van de (herijkte) EHS, inclusief de Natura 2000gebieden; Het robuust en compleet maken van het hoofdenergienetwerk (380 kV) en het indien nodig ruimtelijk accommoderen van de inzet van de regio op geothermie (waaronder warmtekoudeopslag) in de ondergrond; Het op lange termijn stimuleren van regionale ontwikkeling van de A12-zone; Het robuust en compleet maken van het hoofdenergienetwerk (380 kV), onder andere door het aanwijzen van het tracé voor aansluiting op het Duitse hoogspanningsnet.

15

Ladder voor duurzame verstedelijking In de SVIR is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen. Op 1 juli 2017 is de Ladder in het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd. Aanleiding voor de wijziging waren de in de praktijk gesignaleerde knelpunten bij de uitvoering van de Ladder en de wens om te komen tot een vereenvoudigd en geoptimaliseerd instrument. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij geldt een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen ‘bestaand stedelijk gebied’ en ‘stedelijke ontwikkeling’. In de Bro zijn in artikel 1.1.1 definities opgenomen voor: bestaand stedelijk gebied: ‘bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’.

stedelijke ontwikkeling: ´ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.´ Bij het beschrijven van de behoefte dient te worden uitgegaan van het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling (de komende tien jaar, zijnde de looptijd van het bestemmingsplan) verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als het feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit). Toetsing van het initiatief aan de structuurvisie De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte laat zich niet specifiek uit over dergelijke lokale ontwikkelingen. De voorgenomen ontwikkeling raakt geen rijksbelangen als opgenomen in de structuurvisie. Wat betreft de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ wordt opgemerkt dat deze van toepassing is bij ‘nieuwe stedelijke ontwikkelingen’ (3.1.6 Bro). Op het realiseren van woningen is ondermeer de uitspraak ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921 van belang. Uit deze uitspraak blijkt dat het realiseren van respectievelijk 11 woningen niet wordt gezien als stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, Bro. In voorliggend geval is er sprake van de realisatie van 21 woningen. Er is dus sprake van een stedelijke ontwikkeling. Hierna wordt nader op de ladder ingegaan.

Wat is het ruimtelijke verzorgingsgebied? Wanneer sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, moet de toelichting van het bestemmingsplan of de ruimtelijke onderbouwing een beschrijving van de behoefte aan de woningen die mogelijk worden gemaakt bevatten. De behoefte moet worden bepaald binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van de woningbouwontwikkeling. De aard en omvang van de ontwikkeling zijn leidend voor het schaalniveau waarop de ruimtebehoefte moet worden afgewogen. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in het realiseren van 17 appartementen en vier grondgebonden woningen. De appartementen en grondgebonden woningen zullen met name bedoeld zijn voor de lokale behoefte. Gelet op de aard en omvang van de hiervoor genoemde functies kan het ruimtelijk verzorgingsgebied worden beperkt tot de kern Soest en haar directe omgeving.

16

Kwantitatieve en kwalitatieve behoefte De te realiseren woningen zijn bedoeld voor de lokale markt. De behoefte wordt dan ook op lokaal niveau getoetst. In paragraaf 4.4.2 wordt aangetoond dat de voorgenomen ontwikkeling zowel kwalitatief als kwantitatief passend is binnen het actuele gemeentelijke woonbeleid. Op basis van het gemeentelijke woonbeleid blijkt er tot 2025 behoefte te zijn aan 770 extra woningen in de kern Soest. De behoefte naar huur- en koopappartementen en grondgebonden koopwoningen uit het goedkopere segment is daarbij het grootst. De realisatie van zeventien huurappartementen en vier rijwoningen sluit aan bij deze behoefte. Op deze plaats wordt dan ook geconcludeerd dat voldoende is aangetoond dat er sprake is van een actuele behoefte naar de voorgenomen woningbouw. Bestaand stedelijk gebied Gelet op de definitie uit de Bro kan worden geconcludeerd dat het plangebied onderdeel uitmaakt van het bestaand stedelijk gebied. Het plangebied is onderdeel van de kern Soest. In de omgeving komen diverse (stedelijke) functies voor, waaronder maatschappelijke functies, bedrijven en woonpercelen. Daarnaast laat het bestemmingsplan ter plaatse van het plangebied maatschappelijke functies toe. Het plangebied kan dan ook worden aangemerkt als bestaand stedelijk gebied. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van strijd met het rijksbeleid.

4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Met het vastgestelde Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (30 december 2011), ook wel Barro genoemd, geeft het Rijk algemene regels voor bestemmingsplannen en wordt een aantal van de nationale ruimtelijke belangen uit de voormalige Nota Ruimte en voormalige PKB’s in regelgeving geborgd. Doel van dit Besluit is bepaalde onderwerpen uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) te verwezenlijken, danwel te beschermen. Het gaat hierbij om de volgende onderwerpen: • • • • • • •

Rijksvaarwegen; Hoofdwegen en hoofdspoorwegen; Elektriciteitsvoorziening; Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen; Natuur Netwerk Nederland (voorheen Ecologische hoofdstructuur); Primaire waterkeringen buiten het kustfundament, en IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte).

Het plangebied maakt geen deel uit van een van de bovengenoemde gebieden. Daarmee is het plan niet strijdig met het nationaal ruimtelijk belang, zoals neergelegd in het Barro. 4.1.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van strijd met het rijksbeleid. 4.2 Wettelijke kaders Bij het opstellen van ruimtelijke plannen is diverse (milieu)wetgeving van toepassing, waaronder de Wet luchtkwaliteit, Wet op de archeologische monumentenzorg, de Wet natuurbescherming, besluit externe veiligheid, Wet geluidhinder, etc. Ook op deze aspecten zal in hoofdstuk 4 nader worden ingegaan.

17

4.3 Provinciaal beleid 4.3.1 Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie 2013-2028 Algemeen Op 4 februari 2013 is de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie 2013-2028 vastgesteld. De provinciale structuurvisie bevat het ruimtelijk beleid voor de provincie Utrecht voor de periode tot 2028. In de structuurvisie wordt aangegeven welke doelstellingen van provinciaal belang worden geacht, welk beleid bij deze doelstellingen hoort én hoe er uitvoering wordt gegeven aan dit beleid. Via het ruimtelijk beleid wil de provincie bijdragen aan een kwalitatief hoogwaardige fysieke leefomgeving, waarin het ook in de toekomst plezierig wonen, werken en recreëren is. Het ruimtelijk beleid gaat uit van vier pijlers: 1. een duurzame leefomgeving; 2. vitale dorpen en steden; 3. landelijk gebied met kwaliteit; 4. dynamisch landelijk gebied. Deze pijlers leiden tot de volgende twee belangrijkste beleidsopgaven; opgaven die nodig zijn om Utrecht aantrekkelijk te houden als vestigingsplaats: • Accent op de binnenstedelijke opgave; • Behoud en versterken kwaliteit landelijk gebied. Vooral eerstgenoemde, de binnenstedelijke opgave, is van toepassing op het plangebied waarbij ook vooral de beleidsaspecten een ‘duurzame leefomgeving’ en ‘vitale dorpen en steden’ van belang zijn. Op basis van de verbeelding van de structuurvisie ligt het plangebied binnen de rode contour in het stedelijk gebied.

Hierna zal op de van belang zijnde aspecten nader worden ingegaan. Zorgvuldig ruimtegebruik Voor ruimtelijke ontwikkelingen, zowel in het stedelijk als in het landelijk gebied, is zorgvuldig ruimtegebruik een belangrijk uitgangspunt. Zorgvuldig, intensief en meervoudig ruimtegebruik kan een bijdrage leveren aan de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Provincie Utrecht gaat bij ruimtelijke ontwikkelingen, zowel in het stedelijk als in het landelijk gebied, daarom zorgvuldig om met het benutten van de ruimte. Dit geldt zowel voor bestaande als voor nieuwe functies. Binnenstedelijke woningbouw In het ruimtelijk beleid maakt de provincie de hoofdkeuze om in te zetten op de binnenstedelijke ontwikkeling. Het streven is dat ten minste twee derde van het woningbouwprogramma binnen de actuele rode contouren gerealiseerd wordt. Deze binnenstedelijke opgave biedt kansen om de leefbaarheid in de steden en dorpen te verbeteren, als er voldoende aandacht is voor de kwaliteit van de woningen en de woonomgeving. Daarom vindt de provincie het belangrijk dat er aandacht is voor deze kwaliteit. De provincie stimuleert overheden en marktpartijen zich gezamenlijk in te spannen om de binnenstedelijke opgave te realiseren.

Toetsing aan de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie 2013-2028 Voorliggende ontwikkeling gaat uit van een woningbouwontwikkeling binnen de rode contour in het stedelijk gebied. Daarmee wordt aangesloten bij de wens van de provincie om in te zetten op binnenstedelijke ontwikkeling. Verder is de ontwikkeling in overeenstemming met het principe van zorgvuldig ruimtegebruik. De beoogde ontwikkeling gaat namelijk uit van het slopen van bebouwing zonder duurzame vervolgfunctie en herontwikkeling naar woningbouw.

18

4.3.2

Provinciale Ruimtelijke Verordening, Provincie Utrecht 2013

Op 4 februari 2013 is de Provinciale Ruimtelijke Verordening, Provincie Utrecht 2013 (PRV) in werking getreden. Op 12 december 2016 is een herrijking van de PRV vastgesteld. De verordening bevat algemene regels die gemeenten in acht moeten nemen bij het opstellen van hun ruimtelijke plannen. In de PRV staan geen regels die direct doorwerken naar de burgers. In de PRV zijn alleen de algemene regels opgenomen, die noodzakelijk zijn voor het waarborgen van de provinciale belangen. Deze belangen zijn onderverdeeld in 4 thema’s, te weten: 1. Gehele provincie Utrecht; 2. Landelijk gebied; 3. Landelijk gebied, verstedelijkingsverbod en uitzonderingen; 4. Stedelijk gebied. Binnen de thema’s zijn de artikelen van de verordening opgenomen. Hierna worden het voor dit plan relevante artikel aangehaald. Artikel 1.6: Mobiliteitstoets 1. De toelichting op een ruimtelijk besluit waarin ruimtelijke ontwikkelingen zijn voorzien, bevat een beschrijving van het aantal verplaatsingen die deze ruimtelijke ontwikkelingen tot gevolg hebben, een beschrijving van de wijze waarop het plangebied wordt ontsloten voor de verschillende vervoerwijzen en een analyse of er door het aantal verplaatsingen knelpunten op het omliggende verkeers- en vervoersnetwerk voor de diverse vervoerwijzen kunnen ontstaan. 2.

Indien uit de in het tweede lid bedoelde analyse blijkt dat er mogelijk sprake is van knelpunten op het omliggende verkeers- en vervoernetwerk, wordt een mobiliteitstoets zoals beschreven in bijlage Mobiliteitstoets uitgevoerd. Binnen deze mobiliteitstoets worden mogelijke oplossingen voor de geconstateerde knelpunten uitgewerkt, waarbij ook realisatie en financiering van deze maatregelen aan bod komen. Toetsing van het initiatief aan artikel 1.6 van de PRV Het plan voorziet in een toelichting van het aantal verplaatsingen dat dit plan met zich meebrengt. Er is geen sprake van knelpunten voor het omliggende verkeers- en vervoersnetwerk. In paragraaf 3.3.2 wordt hier nader op ingegaan. Het voornemen is in overeenstemming met artikel 1.6 van de PRV. Artikel 1.8: Landschap 1. Als ‘Landschap’ wordt aangewezen de gebieden ‘Eemland’, ‘Gelderse Vallei’, ‘Groene Hart’, ‘Rivierengebied’ en ‘Utrechtse Heuvelrug’, waarvan de geometrische plaatsbepaling is vastgelegd in het GML-bestand en is verbeeld op de kaart Landschap. 2. Een ruimtelijk besluit voor gronden die zijn aangewezen als ‘landschap’ bevat bestemmingen en regels ter bescherming van de in het plangebied voorkomende kernkwaliteiten, zoals genoemd in de Bijlage Kernkwaliteiten landschap. 3.

Een ruimtelijk besluit voor gronden die zijn aangewezen als ‘landschap’ bevat geen nieuwe bestemmingen en regels die leiden tot een onevenredige aantasting van de in het plangebied voorkomende kernkwaliteiten, zoals genoemd in de Bijlage Kernkwaliteiten landschap. 4. De toelichting op een ruimtelijk besluit voor gronden die zijn aangewezen als ‘landschap’ bevat een beschrijving van de in het plangebied voorkomende kernkwaliteiten en de wijze waarop met de bescherming van de kernkwaliteiten is omgegaan.

19

Toetsing van het initiatief aan artikel 1.8 van de PRV De voorgenomen ontwikkeling vindt plaats op gronden die voorheen reeds waren bebouwd en ingericht voor stedelijke functies. Met het voornemen worden de kernkwaliteiten van de Utrechtse Heuvelrug niet aangetast. Het voornemen is in overeenstemming met artikel 1.8 van de PRV. Artikel 4.1: Stedelijk gebied 1. Als ‘Stedelijk gebied’ wordt aangewezen het gebied waarvan de geometrische plaatsbepaling is vastgelegd in het GML-bestand en is verbeeld op de kaart Wonen en werken. 2. Een ruimtelijk besluit voor gronden die zijn aangewezen als ‘stedelijk gebied’ kan bestemmingen en regels bevatten voor verstedelijking. 3. De toelichting op een ruimtelijk besluit voor gronden die zijn aangewezen als ‘Stedelijk gebied’ bevat een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met energiebesparing en het toepassen van duurzame energiebronnen. Toetsing van het initiatief aan artikel 4.1 van de PRV De woningen worden zo duurzaam als mogelijk gebouwd. Het bouwbesluit wordt hierbij als minimum aangehouden. Zo worden de nieuwe woningen gasloos gebouwd en zal sprake zijn van een EPC van maximaal 0,4 conform bouwbesluit.

4.3.3 Toetsing van het initiatief aan het provinciaal beleid Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling in overeenstemming is met de provinciale beleidsambities zoals verwoord in de Provincie Ruimtelijke Structuurvisie 2013-2028 en verankerd in de Provinciale Ruimtelijke Verordening, Provincie Utrecht 2013.

4.4 Gemeentelijk beleid 4.4.1 Structuurvisie Soest 2009-2030 Uitgangspunten In de Structuurvisie Soest 2009-2030 is globaal vastgelegd hoe de gemeente er in het jaar 2030 ongeveer uit moet zien. De kracht van de structuurvisie zit in de samenhang tussen elementen als hoeveel en soort woningen, werkgelegenheid, voorzieningen en verkeersafwikkeling. Het speerpunt van de structuurvisie is het dorp Soest levendig en groen houden. Een levendig en groen dorp vraagt om het actief inspelen op ontwikkelingsmogelijkheden op velerlei gebieden. In de structuurvisie wordt gestreefd naar een evenwichtige bevolkingsopbouw. Alle bevolkingsgroepen moeten kunnen blijven wonen, werken en gebruik maken van voorzieningen in de gemeente. Hiertoe wordt er gebouwd voor de eigen bevolking en wordt rekening gehouden met een kleine instroom. Het toevoegen van woningen, voornamelijk voor het goedkope segment en voor doorstromers, aan de woningvoorraad mag niet ten koste gaan van het groene en dorpse karakter. Van de totale woningbouwopgave dient 75% van de woningen in de kern Soest gebouwd worden. Toetsing Het plan voorziet in de sloop van een pand zonder duurzame vervolgfunctie. Deze vervolgfunctie is tevens, zonder zware investeringen, niet realistisch. Herontwikkeling naar een woonfunctie draagt bij aan het levendig en aantrekkelijk houden van het dorp.

Het plan houdt daarbij zorgvuldig rekening met het groene en dorpse karakter. De maat en schaal van de nieuwe bebouwing sluit aan bij de omliggende woonbebouwing. Daarnaast vindt de ontwikkeling plaats binnen de kern Soest, waar 75% van de woningbouwopgave volgens de gemeentelijke structuurvisie moet worden gebouwd. 20

4.4.2 Masterplan Wonen Soest Algemeen Het doel van het Masterplan Wonen is om als gemeente grip te houden op het voorzien in de kwantitatieve en kwalitatieve woningbehoefte voor de kern Soest. De afgelopen jaren is de druk op de woningmarkt sterk toegenomen. De prijzen in de koopsector zijn sterk gestegen, waardoor voor mensen met een lager- of middeninkomen de mogelijkheden op de woningmarkt kleiner zijn geworden. Dit geldt zeker voor een centraal gelegen regio waarin de gemeente Soest zich bevindt. De nabijheid van veel werkgelegenheid in combinatie met een aantrekkelijke, groene woonomgeving maakt dat het aantal woningzoekenden aanzienlijk groter is dan het aanbod. Daarom is het van groot belang om de komende jaren woningen te bouwen die voorzien in de kwantitatieve behoefte. Minstens zo belangrijk is dat de juiste woningen worden gebouwd, die aansluiten op de kwalitatieve vraag van woningzoekenden. Kwantitatieve vraagontwikkeling In 2019 is de kwantitatieve woningbehoefte in de gemeente Soest onderzocht. Uit dit onderzoek kwam een woningbehoefte voor de periode tot en met 2025 naar voren van 770 woningen voor de kern Soest. Daarbij wordt rekening gehouden met de verwachte huishoudensgroei en het terugdringen van een bestaand tekort aan sociale huurwoningen. Voor een deel wordt deze behoefte al ingevuld met reeds bestaande harde plannen.

De feitelijke restopgave voor de periode tot en met 2025 ligt daarom op 637 woningen. Kwalitatieve vraagontwikkeling In afbeelding 4.1 is een overzicht te zien van de verwachte vraag en het verwachte aanbod van diverse woningtypen in Soest. Uit het overzicht blijkt dat de kwalitatieve woningbehoefte in Soest zich in de komende jaren vooral richt op: 1. Huurappartementen; een vraag die afkomstig is van senioren die willen verhuizen naar een levensloopgeschikte woning 2. Betaalbare koopwoningen voor starters, jonge doorstromers en (in beperkte mate) senioren die een koopappartement zoeken.

Afbeelding 4.1 Verwachte vraag en aanbod naar woningen o.b.v. Woningbehoefteonderzoek Gemeente Soest (Bron: gemeente Soest) 21

Op basis van de woningbehoefte zoals beschreven in het Masterplan Wonen in Soest is een zogenaamd no regret-woningbouwscenario opgesteld (zie tabel 4.1), bestaande uit een woningbouwprogramma dat het meest tegemoet komt aan de kwantitatieve en kwalitatieve ambities voor de kern Soest en voldoende realistisch is gezien de korte termijn. De sterke nadruk op appartementen (zowel huur als koop) is mede ingegeven door de grote kwantitatieve opgave in combinatie met de beperkte fysieke ruimte. De Ladder voor Duurzame verstedelijking maakt dat woningbouw in de eerste plaats op inbreidingslocaties moet plaatsvinden, om daarmee het groene buitengebied te sparen en zorgvuldig ruimtegebruik na te streven. In Soest zijn de beschikbare inbreidingslocaties echter beperkt. Zeker omdat de wens is om voldoende groene en/of karakteristieke open plekken te behouden. Teveel verdichting gaat namelijk ten koste van het aantrekkelijke woonmilieu. De consequentie is dat het woningbouwprogramma zich moet inzetten op efficiënt ruimtegebruik.

Tabel 4.1 Restopgave woningbouw (2020-2025) op basis van behoefte minus harde plannen (Bron: gemeente Soest) Toetsing Met voorliggend plan wordt een bescheiden bijdrage geleverd aan het realiseren van de kwantitatieve woningbouwopgave voor de kern Soest. Het betreft tevens een type woningen – appartementen en rijwoningen – waar veel vraag naar is. De appartementen zullen verhuurd worden, de rijwoningen betreffen koopwoningen. Het plan sluit daarmee naadloos aan op de kwantitatieve en kwalitatieve opgave welke voort komt uit het Masterplan Wonen Soest. Verder is de ontwikkeling in overeenstemming met het principe van zorgvuldig ruimtegebruik. De beoogde ontwikkeling gaat namelijk uit van het slopen van bebouwing zonder duurzame vervolgfunctie en herontwikkeling naar woningbouw binnen de kern. 4.4.3 Welstandsnota Algemeen Op 13 februari 2014 heeft de gemeenteraad van Soest de nieuwe Welstandsnota vastgesteld om transparant welstandsbeleid te kunnen voeren. Het welstandsbeleid is bedoeld om te zorgen dat bij bouwen en verbouwen de omgeving niet visueel wordt aangetast. De nota staat vol inspirerende voorbeelden, kaartmateriaal en gebiedsbeschrijvingen. Om mensen die een vergunning aanvragen te ondersteunen bij het indienen van een kwalitatief goed plan, zijn proces en inhoud van de welstandsbeoordeling duidelijk beschreven.

Door middel van een welstandskaart is voor alle gronden in Soest aangegeven wat het welstandsniveau is. Per welstandsniveau horen een aantal beoordelingsaspecten.

22

Situatie plangebied Op basis van de welstandsnota valt het plangebied binnen het deelgebied ‘De Eng’, waarvoor het welstandsniveau ‘gewoon’ geldt. Voor dit niveau gelden de hoofdaspecten. Het bouwplan moet aan deze aspecten voldoen. Hierna zijn de hoofdaspecten weergegeven.

Tabel 4.2 Welstandcriteria welstandsniveau ‘regulier’ (Bron: gemeente Soest) Toetsing Het bouwplan wordt ter toetsing voorgelegd aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. Voor nu wordt gesteld dat de gewenste ontwikkeling passend is binnen het welstandsbeleid van de gemeente Soest. 4.4.4 Gemeentelijk verkeer- en vervoersplan (2008)

Algemeen In 2008 heeft de gemeente het Gemeentelijke verkeer- en vervoersplan vastgesteld. Verkeer- en vervoerstromen zijn de laatste decennia sterk aan verandering onderhevig. Ruimtelijke en economische ontwikkelingen en de hiermee samenhangende, groeiende vraag naar mobiliteit zijn daarvan de oorzaken. Alle verkeer- en vervoerstromen moeten in goede banen worden geleid. Er moet tijdig ingespeeld kunnen worden op ontwikkelingen en de overlast van verkeer moet zoveel mogelijk worden ingeperkt. De bereikbaarheid van de gemeente Soest is van groot belang voor de ruimtelijke en economische ambities. Om de bereikbaarheid ook in de toekomst te kunnen waarborgen wordt ingezet op de regionale pakketstudies. In regionaal verband wordt bekeken hoe de doorstroming op het hoofdwegennet (de rijkswegen) en het onderliggende wegennet kan worden verbeterd. Binnen de gemeente zal de verkeersveiligheid en de doorstroming verbeterd worden door functionele weginrichting. De inrichting van de weg dient aan te sluiten bij de functie van de weg. De belangrijkste knelpunten op het gebied van de verkeersveiligheid zullen de komende jaren worden aangepakt. In het uitvoeringsprogramma wordt een aantal projecten aangewezen die in de komende jaren uitgevoerd gaan worden. Het gaat hier om het herinrichten van parkeerterreinen en de reconstructie van diverse kruispunten in Soest Zuid.

Toetsing Onderhavig plangebied wordt niet specifiek genoemd in het Gemeentelijke verkeer- en vervoersplan. Een nadere toetsing kan daarom achterwege blijven. 4.4.5 Bomenkaart Soest Algemeen De Bomenkaart maakt onderdeel uit van de nota ‘Bescherming en kap van bomen’ (2012). Op de Bomenkaart is te zien dat binnen het plangebied vier monumentale/waardevolle bomen zijn gelegen. In afbeelding 4.2 is een uitsnede van de bomenkaart opgenomen.

23

Afbeelding 4.2 Uitsnede bomenstructuurkaart Soest (Bron: gemeente Soest) De monumentale/waardevolle bomen vallen binnen het beleid ‘bescherming en kap van bomen’. Uitgangspunt is dat alle bomen duurzaam worden ingepast. Voor de overige bomen geldt dat sprake kan zijn van waardevolle bomen die in de toekomst kunnen uitgroeien tot monumentale bomen. Daarom moeten ook deze bomen worden ingepast. Toetsing De groenstructuur is als randvoorwaarde al vroeg in de planvorming betrokken. De aanwezige bomen blijven grotendeels behouden in het plan. Op de geplande locatie van de rijwoningen is één boom aanwezig. Deze boom zal worden verplaatst naar de straatzijde van het plangebied. Hiervoor is een verplantingsonderzoek uitgevoerd, welke is opgenomen als bijlage 2 bij deze toelichting. Uit de onderzoeksresultaten wordt geconcludeerd dat de boom, mits goed voorbereid en na een juiste inrichting van de nieuw plantplaats en adequate nazorg, succesvol verplantbaar is. Voor de overige bomen binnen het plangebied is een Bomen Effect Analyse uitgevoerd, welke is opgenomen als bijlage 3 bij deze toelichting. Op basis van de onderzoeksresultaten kan worden geconcludeerd dat de huidige groeiplaatsomstandigheden van de bomen voldoende zijn.

De bomen kunnen daarnaast in het perspectief van de voorgenomen (bouw)werkzaamheden in hun huidige verschijningsvorm en op dezelfde standplaats duurzaam behouden blijven, mits de specifieke adviezen uit het rapport worden opgevolgd. Het plan is hiermee in overeenstemming met de bomenkaart van Soest.

24

HOOFDSTUK 5

MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN

5.1 Inleiding

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieu- en omgevingsaspecten bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuen omgevingsaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de thema’s Besluit milieueffectrapportage, bodem, milieuzonering, geluid, luchtkwaliteit, externe veiligheid, water, ecologie, archeologie & cultuurhistorie.

5.2 Milieuaspecten 5.2.1 Besluit milieueffectrapportage 5.2.1.1 Algemeen In de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage is vastgelegd dat voorafgaande aan het ruimtelijke plan dat voorziet in een grootschalig project met belangrijke nadelige milieugevolgen een milieueffectrapport (MER) opgesteld dient te worden. De activiteiten waarvoor een MER-rapportage opgesteld moet worden zijn opgenomen in de bijlage van het Besluit m.e.r. Een bestemmingsplan kan m.e.r.-(beoordelings)plichtig zijn op de volgende manieren: • Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. • Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). • Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r.

neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r., is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Hierna wordt er verder op de vormvrije m.e.r. ingegaan.

25

5.2.1.2 Situatie plangebied Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming Gezien de aard en omvang van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling wordt geconcludeerd dat geen sprake zal zijn van een aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura-2000 gebied. Dit temeer omdat het plangebied op ruime afstand van het plangebied van Natura 2000-gebied is gelegen en de ontwikkeling relatief beperkt van aard is. Voor een toelichting wordt verwezen naar paragraaf 5.4. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming is in het kader van dit bestemmingsplan dan ook niet noodzakelijk. Drempelwaarden Besluit m.e.r. Voor wat betreft het gehele plangebied wordt voorzien in directe eindbestemmingen waardoor, indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden, sprake is van een m.e.rbeoordelingsplichtig plan. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject.’ Aangezien hier in dit geval sprake van is dient te worden getoetst of sprake is van m.e.rbeoordelingsplicht.

Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Gezien de drempelwaarden wordt geconcludeerd dat voor dit bestemmingsplan geen sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Indien de mogelijkheden van dit plan worden vergeleken met de drempelwaarden uit onderdeel D van het Besluit m.e.r. kan worden geconcludeerd dat er dat sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele malen kleinschaliger is. Zo kent het plangebied een beperkte oppervlakte en relatief beperkt aantal woningen. Daarnaast blijkt uit dit hoofdstuk en het volgende hoofdstuk dat dit bestemmingsplan geen belangrijk nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken.

5.2.1.3 Conclusie Het plangebied is niet binnen een kwetsbaar of waardevol gebied gelegen en heeft ook geen belangrijke nadelige milieugevolgen voor de omgeving, waardoor het voornemen in het desbetreffende gebied niet m.e.r.-beoordelingsplichtig is. 5.2.2 Bodem Besluit ruimtelijke ordening Volgens het Besluit ruimtelijke ordening zullen burgemeester en wethouders in verband met de uitvoerbaarheid van het plan onder meer een onderzoek verrichten naar de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is 26

voor de betreffende functiewijziging. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone gronden te worden gerealiseerd. Wet bodembescherming De Wet bodembescherming bevat de voorwaarden, die kunnen en worden verbonden aan het verrichten van handelingen in of op de bodem. Primair komt bescherming en sanering in de wet aan bod. De wet heeft betrekking op zowel landbodems als waterbodems. De Wet bodembescherming geeft aan wanneer er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging en of er dan ook gesaneerd moet worden. De hoeveelheid grond dan wel grondwater (beide in m³) en de mate van vervuiling, gemiddeld boven de interventiewaarde, zijn de criteria voor een geval van ernstige bodemverontreiniging. De interventiewaarde is de waarde, waarboven er risico’s zijn voor mens, flora en fauna. De urgentie, de noodzaak om te saneren, hangt hiervan af maar ook van de mate van verspreiding van de bodemverontreiniging. Voor gevallen van ernstige bodemverontreiniging is er bij niet gewijzigd grondgebruik soms geen noodzaak tot saneren. Voorbeelden zijn voormalige stortplaatsen en kleine verontreinigingen in het diepere grondwater. De gevallen van ernstige bodemverontreinigingen zijn, ook voor de gemeente Soest, door de Provincie Utrecht in beeld gebracht.

In enkele gevallen is in een beschikking Wet bodembescherming aangegeven wat er met het geval van ernstige bodemverontreiniging zou moeten gebeuren. Situatie in het plangebied Door Amos Milieutechniek B.V. is een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 en een verkennend onderzoek in puin (granulaat) conform NEN 5897 uitgevoerd. Opgemerkt wordt dat het grondwater zich dieper dan 5 meter onder maaiveld bevindt en derhalve niet onderzocht is. Hierna worden de resultaten en conclusies beschreven. De complete rapportage is opgenomen in bijlage 4 van deze toelichting. Puinfundering Bij visuele inspectie van de puinverharding is visueel (fractie > 20 mm) geen asbestverdacht materiaal waargenomen. Uit analyse van het verkregen puinmengmonster AMM1 blijkt dat er analytisch geen asbest aantoonbaar aanwezig is. Bodem Uit toetsing van de grondmengmonsters MM1, MM2 en de separate grondmonsters uit de boringen B06 t/m B12 blijkt dat in de bovengrond op de locatie een licht verhoogd gehalte aan lood voorkomt. Volgens de toetsingsregels uit de Regeling Bodemkwaliteit blijkt dat de bovengrond op de locatie wel voldoet aan de generieke achtergrondwaarde (= “schoon”) . In de zandige ondergrond (MM3) zijn geen verhogingen aangetroffen. Het monster voldoet tevens aan de generieke achtergrondwaarde (= “schoon”).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Soest&id=cd06b6de-e574-4b4b-a7bc-182c669eeda6