CConstaterende datSoest
Koppel je AI →
Document · PDF

4f 2 Bijlage 1 Toelichting met bijlagen bestemmingsplan Lange Brinkweg 97A en 99.pdf

Besluitvormende Raadsvergadering 10 februari 2022, gemeente SoestBij agendapunt: Partiële herziening bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 97A en 9923.502 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 97a en 99

24

 monumentale bomen (particulier en gemeentelijk);  waardevolle bomen (gemeentelijk);  toekomstig monumentale particuliere bomen op percelen meer dan 175 m²;  overige openbare bomen. De beschermwaardige bomen van categorieën 1 t/m 3 zijn vastgelegd op de bomenkaart van Soest. Voor deze bomen geldt een concreet verbod op het vellen. Er wordt géén vergunning verleend voor kap tenzij sprake is van een zwaarwegend verwijderingsbelang. Daarbij wordt altijd een herplantplicht opgelegd. Voor de bomen in categorie 4 en 5 geldt dat een vergunning wordt verleend mits geen sprake is van een weigeringsgrond. Daarbij kan een herplantplicht worden opgelegd. Bij ruimtelijke ontwikkelingen spelen aanwezige bomen een belangrijke rol. Aan de hand van een bomeninventarisatie in de oriëntatiefase wordt bepaald welke bomen behouden moeten blijven en worden randvoorwaarden omtrent de bomen opgesteld. Uit de digitale bomenkaart blijkt dat er op beide percelen geen bomen staan die behouden zouden moeten blijven. De Lange Brinkweg behoort wel tot de bomenstructuur. Bomenstructuren zijn onder meer lanen, oude houtwallen, parken en bos- en natuurgebieden die bepalend zijn voor het groene karakter van Soest. Bomenstructuren versterken de opzet en de identiteit van de gemeente. Daarnaast vertellen zij iets over het aanwezige landschap en onderstrepen de cultuurhistorische achtergrond van het gebied.

Binnen de bomenstructuur is een omgevingsvergunning voor het kappen nodig, indien de houtopstand een stamomtrek heeft van minimaal 30 centimeter, gemeten op 1,3 meter boven maaiveld. De bomen staan in het openbaar gebied buiten het onderhavige plangebied. De planontwikkeling heeft derhalve geen invloed op de bomenstructuur. De bestaande hoge coniferenhaag op de percelen 97a en 99 heeft echter wel een negatieve invloed op de belevingswaarde van de bomenstructuur. In het inpassingsplan (zie paragraaf 2.3.5) is daarom opgenomen dat deze haag dient te verdwijnen. 3.5.7. Nota Parkeernormen auto en fiets 3e herziening In de Nota parkeernormen auto en fiets 3e herziening, slimmer en beter, die op 28 september 2017 is vastgesteld, is het parkeerbeleid van de gemeente Soest verwoord. Op basis van de parkeernormen wordt berekend hoeveel autoparkeerplaatsen benodigd zijn voor een bepaalde ontwikkeling; de parkeereis. Aan deze parkeereis moet minimaal worden voldaan. Het is altijd toegestaan om meer parkeerplaatsen te realiseren dan het aantal dat wordt vastgelegd in de parkeereis. Bij woningbouw moet (een deel van) de autoparkeerplaatsen voor bezoekers openbaar zijn. Bij een ontwikkeling van 3 of meer woningen moet per 3 woningen ten minste 1 parkeerplaats openbaar zijn.

Uit paragraaf 2.3.4 blijkt dat er voldoende parkeergelegenheid beschikbaar is, om aan de parkeernormering uit de beleidsnota te voldoen.

Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 97a en 99

25

Afbeelding 8: Parkeernormen woningbouw.

Afbeelding 9: Berekeningswijze parkeren.

3.5.8. Duurzaamheidsplan 2016-2020 De gemeente Soest heeft in het Duurzaamheidsplan 2016-2020 een richtinggevende beleidsvisie op een Duurzaam Soest in 2030 ontwikkeld. Met betrekking tot het thema Wonen wordt ingezet op duurzaam bestemmen en inrichten en duurzaam bouwen. Dit gaat naast energiegebruik over meerdere aspecten, zoals water, duurzaam materiaalgebruik, levensloopbestendigheid. Een hulpmiddel daarbij is de systematiek van de Gemeentelijke Praktijkrichtlijn (GPR). GPR gebouw is een softwareprogramma dat helpt bij het maken van duurzaamheidskeuzes voor de nieuwbouw of renovatie van woningen, kantoren en scholen. Bereikte of geambieerde prestaties worden uitgedrukt in rapportcijfers over 5 deelgebieden: Energie, milieu, gezondheid, gebruikskwaliteit en toekomstwaarde. Het Bouwbesluit (= GPR 7 ) wordt als uitgangspunt gehanteerd, waarbij indien mogelijk een stapje verder wordt gegaan. Bouwplannen zullen te zijner tijd aan de geldende regelgeving worden getoetst. 3.5.9. Gemeentelijk Water- en Rioleringsplan Soest-Baarn 2018-2022 Op 21 december 2017 heeft de gemeenteraad van Soest het Gemeentelijk Water- en Rioleringsplan Soest-Baarn 2018-2022 vastgesteld. Het plan heeft betrekking op alle gemeentelijke watertaken (afvalwater, hemelwater en grondwater), het stedelijk oppervlaktewater en de integratie met de leefomgeving.

Het plan beschrijft de achtergronden, het beleid, het programma en de financiën. Ook komen de rollen van gemeente, waterschap, bewoners en bedrijven aan bod. Daarnaast houdt het plan rekening met recente ontwikkelingen en het pas afgeronde technische onderzoek Basiswaterketenplan.

Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 97a en 99

26

Doelstelling is het maken van een duurzaam en robuust watersysteem en rioleringsstelsel, zodat deze de effecten van de klimaatverandering kunnen opvangen. Dit gebeurt in samenhang met andere ingrepen in de (stedelijke) omgeving, waarbij de kansen worden benut en effectgericht word gewerkt. Het hemelwater van de bebouwing zal niet worden aangesloten op de riolering. Het water dat op straat valt zal naar straatkolken worden geleid. In het plangebied zal hiervoor een gescheiden stelsel worden aangelegd tot aan de perceelsgrens. De riolering wordt daar aangesloten op het bestaande gemengde stelsel. Indien dit gemengde stelsel te zijner tijd wordt vervangen, kan zodoende de droogweerafvoer en hemelwaterafvoer van het plangebied op dit gescheiden stelsel worden aangesloten. Nieuwe ontwikkelingen worden 'waterneutraal' ontworpen (geen extra afvoer van hemelwater). Het afvalwater wordt als bron van grondstoffen en energie gezien. Waar kansen zich voordoen, maken we het afvalwater onderdeel van de circulaire economie. Het grond- en oppervlaktewaterbeleid richt zich op waterbestendig bouwen, zodat de natuurlijke waterhuishouding behouden blijft. Onder het motto wat groen is moet groen blijven probeert het gemeentebestuur het verharden van tuinen te beperken. Door de klimaatverandering zal hevige neerslag vaker voorkomen en nog heviger worden.

Hierdoor neemt het risico op wateroverlast toe. Bewoners en bedrijven zullen vaker hinder ondervinden, maar de gemeente wil de kans op overlast beperken en waterschade zoveel mogelijk voorkomen. De gemeente zet het beleid voort om vuil water en schoon hemelwater te scheiden. Het schone hemelwater wordt van de riolering afgekoppeld. Dit afkoppelen is duurzaam en nodig om de gemeente klimaatbestendig te maken. Voor nieuwbouw is de inzet om de ideale situatie steeds meer te benaderen op basis van de stand van de techniek. Dit vraagt om een vroegtijdige verbinding tussen disciplines als ruimtelijke ordening en stedelijk waterbeheer. De initiatiefnemer zal over de definitieve uitvoering in overleg treden met gemeente. 3.5.10. Plan van aanpak Diffuse bronnen Alle lozingen van afvalwater op oppervlaktewater zijn gesaneerd. Het afvalwater wordt nu gezuiverd op de rioolwaterzuivering. De kwaliteit van het oppervlaktewater is hierdoor sterk verbeterd. Waterschap Vallei & Veluwe, als waterbeheerder, streeft ernaar om de kwaliteit van het oppervlaktewater nog verder te verbeteren. Voor een groot deel wordt de overgebleven verontreiniging van het oppervlaktewater veroorzaakt door diffuse bronnen, bijvoorbeeld metalen en bestrijdingsmiddelen.

Het plan bevat een inventarisatie van diffuse bronnen en omschrijft hoe en wanneer de gemeente de diffuse bronnen aanpakt en hoe de gemeente de aanpak nog wil intensiveren. 3.5.11. Welstandsbeleid In de Welstandsnota is de gemeente in verschillende gebieden ingedeeld. Het plangebied ligt in deelgebied VI: Buitengebied (zie afbeelding 10). Het buitengebied is één van de gebieden waarvoor een beeldkwaliteitplan opgesteld, dat geldt als welstandsnota.

Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 97a en 99

27

Afbeelding 10: Gebiedsindeling Welstandsnota.

In het beeldkwaliteitplan zijn per deelgebied welstandscriteria aangegeven. Wanneer voldaan wordt aan de omschreven criteria mag een aanvrager er vanuit gaan dat bouwplannen voldoen aan de gestelde eisen van welstand. De welstandsnota gaat uit van 3 toetsingsniveaus, te weten:  Het hoge kwaliteitsniveau 1 Dit wordt door de Rijksdienst voor de Monumentenzorg gehanteerd voor Rijksmonumenten en objecten gelegen binnen het rijksbeschermde stads- en dorpsgezicht.  Het bijzondere kwaliteitsniveau 2 Het bijzondere welstandstoezicht is gericht op het voorkomen van aantasting van de ruimtelijke karakteristieken en het versterken van de bestaande en/of gewenste kwaliteit. Voor nagenoeg het gehele beeldkwaliteitplan "Buitengebied" geldt het bijzondere kwaliteitsniveau 2. In nieuw te ontwikkelen gebieden is het welstandstoezicht gericht op het realiseren van de stedenbouwkundige kwaliteitsdoelstellingen.  Het gewone, reguliere kwaliteitsniveau 3 Voor de militaire terreinen geldt het kwaliteitsniveau 3, het reguliere toezicht. Voor die gebieden waarvoor regulier welstandstoezicht wordt uitgeoefend geldt dat afwijkingen van de bestaande ruimtelijke structuur en ingrepen in de architectuur van de gebouwen zonder al te veel problemen kunnen worden gerealiseerd. De gemeente stelt in deze gebieden geen bijzondere eisen aan de ruimtelijke kwaliteit.

Het welstandstoezicht is gericht op het handhaven van de basiskwaliteit van de gebieden. Het beeldkwaliteitplan gaat in op de bestaande en gewenste kwaliteit van de bebouwing, het erf en de omgeving. Richtlijnen voor beeldkwaliteit worden gegeven op diverse niveaus en ten aanzien van diverse aspecten:

Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 97a en 99

28

 algemene kenmerken plangebied;  landschappelijke kwaliteiten per deelgebied;  de stedenbouwkundige structuur van een weg met aanliggende bebouwing;  de erfindeling en kavelinrichting per perceel;  de vormgeving en kenmerken van de bebouwing;  de detaillering van de bebouwing en inrichtingselementen zoals kleur en materiaalgebruik;  de vormgeving en kenmerken van de beplanting. Voor het Buitengebied is het Beeldkwaliteitplan Buitengebied (2004) van kracht. In het beeldkwaliteitplan staan algemene criteria en gebiedsspecifieke criteria. Het plangebied behoort tot het Eemdalgebied. De Lange Brinkweg is aangeduid als dorpsrand. Bij de vormgeving van de dorpsrand van Soest dient gezocht te worden naar een zachte overgang van de bebouwde omgeving naar het landelijk gebied. Geconstateerd wordt dat bij de bouw van nieuwe woningen in het buitengebied het type boerderij nagebootst wordt, zonder dat er sprake is van de ensemblewerking van de hoofden bijgebouwen. In de kappen worden te veel toevoegingen gebruikt in de vorm van dakkapellen en insnijdingen. De beeldvisie voor woningen is gericht op het introduceren van een nieuwe landschappelijke woonvorm die zijn inspiratie vindt in het archetype van de langgevelboerderij. In het buitengebied is het welstandsregime 'bijzonder welstandsniveau (2)' van toepassing.

De criteria voor het Eemdalgebied waaraan zo'n woning moet voldoen zijn:  Uitgaan van de ensemblewerking van hoofd- en bijgebouwen. De woning is met de voorzijde gericht naar de openbare ruimte.  De woning bestaat uit één laag, met of zonder kap en heeft niet meer dan een beperkt aantal dakkapellen.  De woning is voornamelijk gebouwd in baksteen. Eigentijdse materialen en oplossingen voor lichtinval e.d. zijn mogelijk.  Er wordt aangesloten bij de kleuren die in het landelijk gebied voorkomen: aarde tinten voor de gevels, grijze of rode pannen daken of rieten daken en houtwerk hoofdzakelijk in zwart, bruin, wit en groen.  Het gebruik van overbodige ornamenten wordt vermeden. Zo mogelijk een beeldtaal ontwikkelen die past bij de soberheid van het landelijk gebied.  De erfinrichting van boerderijen en woonhuizen in het agrarisch buitengebied is belangrijk als schakel tussen de bebouwing en het open landschap.  De erfinrichting dient aan te sluiten bij de oorspronkelijke sobere inrichting met verschil tussen een representatieve voorzijde (hagen, bloemperken) en een landschappelijke achterzijde (bosje, kavelgrensbeplantingen).  Matig en passend gebruik van inrichtingselementen en verharding in het buitengebied.  Hoofdzakelijk inheemse streekeigen beplanting toepassen, dus geen coniferen.

Deze uitgangspunten zullen worden gebruikt bij het ontwerp van de te realiseren woningen.

Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 97a en 99

29

3.5.12. Landschaps- en natuurontwikkelingsplan Gemeente Soest 2019-2024 Om de kwaliteiten van het landschap van de gemeente Soest, dat bestaat uit buitengebied, met bossen, duinen en heide en een polderlandschap waar de rivier de Eem doorheen stroomt, te behouden en in te zetten op een actieve ontwikkeling van dat landschap heeft de gemeenteraad op 19 maart 2020 Landschap- en natuurontwikkelingsplan 2019-2024 vastgesteld. Voor de Eempolder is het zeer open karakter samen met de strakke slagenverkaveling, grondgebonden rundveehouderij en het watersysteem van smalle (kwel)sloten en brede weteringen kenmerkend. Door de extreme openheid is de lucht zeer zichtbaar aanwezig. De rivier de Eem is de ruggengraat van het watersysteem in Eemland en aantrekkelijk als recreatieve (water)route. Het voedselarme kwelwater vanaf de Utrechtse Heuvelrug dat hier aan het oppervlak komt, is van grote invloed op de botanische rijkdom van het gebied. Dit geldt ook voor de nog altijd aanwezige invloed van de eeuwenlange overstromingen door de zee. In het algemeen is het beleid gericht op het behoud van de identiteit van de landschappen en het geven van ruimte aan verdere duurzame landschapsontwikkeling. Laat Ruimtelijke ontwikkelingen daarbij bijdragen aan gewenste landschapselementen en natuurverbetering. De biodiversiteit dient door een natuurlijker beheer van het groen verder te worden versterkt.

Dit geldt ook voor de natuurwaarden van de polder. De Eempolder behoort tot het 'Land van Eem en Veen'. Voor dit gebied wordt gestreefd naar het handhaven van het open polderlandschap met recreatieve routestructuren en verbindingen. Door het landschappelijk inpassingsplan uit te voeren wordt het plangebied op een zorgvuldige manier landschappelijk ingepast. Door de afname van het bebouwingsareaal wordt de karakteristieke openheid van het landschap verder versterkt.

Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 97a en 99

30

Hoofdstuk 4. Resultaten onderzoeken 4.1. Algemeen Ten behoeve van een bestemmingsplan dient op diverse gebieden onderzoek te worden uitgevoerd. De resultaten van het uitgevoerde onderzoek zijn samengevat in dit hoofdstuk. Het plan voldoet uit het oogpunt van milieu aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening.

4.2. Milieuaspecten Het bouwplan omvat geen activiteiten uit de bijlage C en D van het Besluit milieueffectrapportage die aanleiding geven een m.e.r.-beoordeling of een (plan- of project)MER op te stellen. Dit geldt ook voor activiteiten uit de Provinciale Milieuverordening. In de omgeving van het plangebied liggen geen Natura-2000 gebieden. Met de uitvoering van het plan is het derhalve niet noodzakelijk om een passende beoordeling (planMER) in het kader van de Natuurbeschermingswet op te stellen. 4.2.1. Bodem Op grond van artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in de toelichting van het bestemmingsplan aandacht besteed te worden aan de milieuhygiënische bodemkwaliteit. Om te bepalen of de bodem uit milieuhygiënisch oogpunt geschikt is voor woningbouw, zijn bodemonderzoeken2,3 uitgevoerd om de huidige milieuhygiënische bodemkwaliteit van het plangebied te bepalen. Lange Brinkweg 97a Uit de analyseresultaten van het verkennend bodemonderzoek voor Lange Brinkweg 97a blijkt dat de toplaag van de bodem ter plaatse van het perceel over het algemeen hooguit licht verontreinigd is met zware metalen, minerale olie (PAK-verbindingen en onbekende oliesoort) en PCB. Uitzondering hierop betreft de puinhoudende bodemlaag centraal op het perceel waar een sterke verontreiniging met PAK is aangetroffen in de toplaag.

Voorts is de puinhoudende bodemlaag onder de stelconverharding op aangeven van de opdrachtgever niet onderzocht op een mogelijke verontreiniging met asbest. De onderlaag ter plaatse van het perceel is hooguit licht verontreinigd met PAK. De vastgestelde verontreinigingen zijn vermoedelijk te relateren aan de bijmengingen met puin. Het grondwater ter plaatse is als gevolg van de AS3000-correctie licht verontreinigd met som dichlooretheen. Voor de somparameter dichlooretheen in grondwater kan worden opgemerkt dat sprake is van een streefwaarde overschrijding. Dit is het gevolg van het feit dat de con-

2

3

Van Dijk geo- en milieutechniek, Verkennend bodemonderzoek nieuwbouw woning met opstallen, terrein ten noordoosten van Lange Brinkweg 97a te Soest, versie 1 (concept), 153220.1, De Meern, 12 juli 2021 Van Dijk geo- en milieutechniek, Verkennend bodemonderzoek overdracht perceel, terrein ten noorden van Lange Brinkweg 99 te Soest, versie 1 (definitief), 152955, De Meern, 19 maart 2020

Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 97a en 99

31

centratie van de afzonderlijke verbindingen onder de detectielimiet liggen; conform de richtlijnen van de AS3000 dient hiertoe na sommatie van de afzonderlijke verbindingen het gehalte gecorrigeerd te worden met een factor 0,7 (zie AS3000, versie 2, paragraaf 2.5). Dit betreft dus een worst-case scenario; in de praktijk is er waarschijnlijk sprake van een lagere concentratie (< S-waarde). Vooralsnog is onbekend of ter plaatse sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging met PAK in de grond en of de puinhoudende bodemlaag verontreinigd is met asbest. Derhalve is op dit moment milieuhygiënisch gezien bezwaar tegen de toekomstige nieuwbouw van een woning met opstallen. Het zetten van boringen door de stelconplaten brengt aanzienlijke kosten met zich mee. Uit kostenoverwegingen is er daarom voor gekozen om het nader onderzoek, om te bepalen of of ter plaatse sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging en/of een verontreiniging met asbest, uit te voeren in combinatie met de sloop van de bebouwing en het verwijderen van de stelconplaten. Lange Brinkweg 99 Uit de analyseresultaten van het verkennend bodemonderzoek voor Lange Brinkweg 99 blijkt dat de toplaag van de bodem ter plaatse van het perceel licht verontreinigd is met PAK. De onderlaag is niet verontreinigd met de onderzochte parameters.

Daarnaast is de grond (topen onderlaag) ter plaatse als gevolg van de AS3000-correctie licht verontreinigd met PCB. Het grondwater ter plaatse is als gevolg van de AS3000-correctie licht verontreinigd met som dichlooretheen. Voor de somparameter PCB in grond en de somparameter dichlooretheen in grondwater kan worden opgemerkt dat sprake is van een achtergrond-/streefwaarde overschrijding. Dit is bet gevolg van het feit dat de concentratie van de afzonderlijke verbindingen onder de detectielimiet liggen. Conform de richtlijnen van de AS3000 dient hiertoe na sommatie van de afzonderlijke verbindingen het gehalte gecorrigeerd te worden met een factor 0,7 (zie AS3000, versie 2, paragraaf 2.5). Dit betreft dus een worst-case scenario; in de praktijk is er waarschijnlijk sprake van een lagere concentratie (< S-waarde). Met befrekking tot de vastgestelde milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse kan worden geconcludeerd dat er gezien de geringe mate aan verontreiniging milieuhygiënisch gezien geen bezwaar is tegen de toekomstige overdracht. Aangezien in het 'Tijdelijk Handelingskader voor hergebruik PFAS houdende grond' is bepaald dat af te voeren/elders her te gebruiken grond onderzocht moet zijn op poly- en perfluoralkylstoffen (PFAS), is de bovenlaag tot 1,0 m-mv aanvullend onderzocht4 op PFAS.

4

Van Dijk geo- en milieutechniek, Aanvullend grondonderzoek PFAS afvoer van grond, perceel ten noordoosten van Lange Brinkweg 99 te Soest, versie 1 (definitief), 153220.2, De Meern, 12 juli 2021

Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 97a en 99

32

Uit de analyseresultaten van dit PFAS-onderzoek blijkt dat in de bovenlaag (tot 1,0 m-mv) geen verhoogd gehalte aan PFAS is vastgesteld ten opzichte van de tijdelijk landelijk achtergrondwaarde bodem zoals verwoord in het Tijdelijk Handelingskader. De bodemlaag tot 1,0 m-mv voldoet volgens het tijdelijk handelingskader aan landbouw/natuur en kan worden toegepast op locaties op locaties waar vergelijkbare dan wel hogere PFAS gehaltes zijn vastgesteld. In overleg met het bevoegd gezag kan de grond mogelijk worden toegepast op het naburige perceel (nummer. 97a). Indien dit niet mogelijk is, kan de grond worden aangeboden aan bijvoorbeeld een grondbank of een hergebruiksproject. Ten slotte is nog een aanvullend bodemonderzoek5 uitgevoerd nadat uit de beoordeling van bovenstaande onderzoeken door de ODRU is gebleken dat het bevoegd gezag de locatie vanwege de aanwezigheid van asbestverdachte daken (waarvan enkele zonder dakgoot) beschouwd als asbestverdacht. Daarnaast is geconcludeerd aanvullend onderzoek te worden uitgevoerd ter plaatse van de locatie van een voormalige bovengrondse dieseltank. Uit de analyseresultaten van dit aanvullend bodemonderzoek blijkt dat de bodem ter plaatse (afwateringszones en toplaag ter plaatse van de bebouwing) niet verontreinigd is met asbest.

De grond ter plaatse van de locatie van de voormalige bovengrondse dieseltank is hooguit licht verontreinigd met minerale olie (diesel en stookolie) ter plaatse van de toplaag (tot 0,5 mmv). De bodemlaag rond grondwaterniveau is niet verontreinigd met minerale olie. Voorts zijn in het grondwater geen verhoogde gehaltes aan minerale olie en vluchtige aromaten aangetroffen. Conclusie Uit de uitgevoerde bodemonderzoeken blijkt dat de bodemkwaliteit in principe geen belemmering oplevert voor het bouwen van de nieuwe woningen. Wel op basis van artikel 2.1.5, lid 5 van de bouwverordening 2014 van de gemeente Soest een bodemonderzoek plaats te vinden na sloop van de aanwezige bebouwing. Op de terreingedeelten is nog bebouwing aanwezig. Dit (aanvullende) bodemonderzoek dient dan ook alsnog uitgevoerd te worden. 4.2.2. Milieuzonering Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies.

Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:

5

Van Dijk geo- en milieutechniek, Aanvullend bodemonderzoek sloop en nieuwbouw, perceel achter Lange Brinkweg 99 te Soest, versie 1 (definitief), 152955, De Meern, 17 augustus 2021

Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 97a en 99

33

 het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;

 het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Als uitgangspunt voor het bepalen van de aan te houden afstanden gebruikt de gemeente Soest de VNG-uitgave "Bedrijven en Milieuzonering" uit 2009. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke (indicatieve) richtafstand. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van een bestemmingsplan mogelijk is. Deze lijst ligt ook ten grondslag een de Staat van Bedrijfsactiviteiten zoals die als bijlage bij de regels van het bestemmingsplan Landelijk Gebied is opgenomen. Naast de geadviseerde milieuzonering voor bedrijven op basis van de VNG brochure "Bedrijven en milieuzonering", kunnen er ook nog afstandscriteria uit specifieke milieuwetgeving gelden.

Denk hierbij aan de Wet milieubeheer, de agrarische geurwetgeving (Wgv) of de veiligheidsregelgeving (Bevi/Revi). Deze wetgeving geldt uiteindelijk als toetsingskader voor de toegestane milieueffecten. Ook deze afstandscriteria worden meegenomen bij de beoordeling van de gewenste ontwikkelingen. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden standaard ten opzichte van het omgevingstype rustige woonwijk. Afbeelding 11: Relatie tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevingstype. milieucategorie richtafstand tot omgevingstype richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk gemengd gebied 1 10 m 0m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m

Naast het omgevingstype rustige woonwijk kent de VNG-uitgave ook het omgevingstype gemengd gebied. Wanneer sprake is van omgevingstype gemengd gebied kunnen de richtafstanden tussen milieubelastende en milieugevoelige functies, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. Het aspect geluid is veelal het maatgevende aspect. Een gemengd gebied is een gebied met een variatie aan functies; direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren ook tot het omgevingstype gemengd gebied. De richtafstand van 30 meter voor een bedrijf in milieucategorie 2 kan dan bijvoorbeeld worden ver-

Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 97a en 99

34

kleind tot 10 meter en de richtafstand van 50 meter voor een bedrijf in milieucategorie 3.1 kan verlaagd worden tot 30 meter. Het systeem van richtafstanden gaat dus uit van het principe van scheiding van functies: de richtafstandenlijst geeft richtafstanden tussen bedrijfslocaties en omgevingstype rustige woonwijk of gemengd gebied. Situatie in het projectgebied Aan de westzijde van het plangebied is een paardenhouderij (menschool/stalhouderij) gesitueerd. Paardenhouderijen wordt niet genoemd in de VNG brochure. Een paardenhouderij is het best vergelijkbaar met een paardenfokkerij of een manege die beide tot milieucategorie 3.1 behoren en een richtafstand van 50 meter hebben. Het onderhavige plangebied ligt op grotere afstand van deze paardenhouderij. Ten westen van die paardenhouderij is aan de Lange Brinkweg 87 een intensieve varkenshouderij aanwezig. De nieuwe woning op het perceel Lange Brinkweg 97a is geprojecteerd binnen de geurcirkel van die varkenshouderij. Gelijktijdig met het onderhavige bestemmingsplan wordt voor die varkenshouderij een planologische procedure doorlopen, waarin de varkenshouderij haar activiteiten beëindigd en in plaats daarvan in het kader van de ruimte-voor-ruimte regeling, woningen worden gebouwd. Voor het overige zijn er geen bedrijven of voorzieningen in de nabijheid van het plangebied aanwezig.

Conclusie Uit het oogpunt van milieuzonering zijn er -indien de varkenshouderij aan de Lange Brinkweg 87 haar activiteiten beëindigd, geen belemmeringen voor de bouw van woningen in he plangebied. 4.2.3. Geluidhinder In het kader van de Wet geluidhinder bevinden zich langs een aantal wegen geluidzones, waarbinnen in het geval van nieuwe geluidgevoelige functies onderzoek moet worden gedaan naar de geluidbelasting. Woningbouw is een geluidgevoelige functie. Volgens artikel 77 van de Wet geluidhinder is het nodig akoestisch onderzoek te verrichten naar (nieuwe) woningen die in een geluidszone zijn geprojecteerd. Op grond van artikel 74 van de Wet geluidhinder bevinden zich langs alle wegen geluidszones, met uitzondering van woonerven en 30 km/uur-gebieden. Alle wegen rondom het plangebied behoren tot een 30 km/uur-gebied. Op grond van de Wet geluidhinder is in dat geval geen akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai noodzakelijk. De geluidzones voor spoorwegen worden bepaald op basis van de landelijk vastgestelde geluidproductieplafonds (GPP's). Op basis van het landelijke geluidregister zijn de geluidproductieplafonds vastgesteld voor de onderhavige onderzoekslocatie. Het dichtstbij gelegen referentiepunt van de spoorlijn Amersfoort-Hilversum bij Lange Brinkweg 97a en 99 heeft

Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 97a en 99

35

een geluidproductieplafond van 64,9 dB. Op basis van artikel 1.4a van het Besluit geluidhinder is daarmee ter plaatse een wettelijke geluidszone van 300 meter breedte van toepassing. Het plangebied ligt binnen die zone op ongeveer 700 meter van het spoor. Derhalve is geen onderzoek in verband met spoorwegverkeerslawaai noodzakelijk. Conclusie Voor de bouw van de woningen hoeft in het kader van de Wet geluidhinder geen akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd. 4.2.4. Luchtkwaliteit Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit samen met de AMvB "Niet in betekenende mate bijdragen" (NIBM), de ministeriële regeling NIBM, de ministeriële regeling Projectsaldering en de ministeriële regeling Beoordeling luchtkwaliteit in werking getreden. Projecten die 'niet in betekenende mate bijdragen' aan de luchtverontreiniging, hoeven volgens de nieuwe wet niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Het Besluit NIBM omschrijft het begrip nader: een project dat minder dan 3% van de grenswaarden bijdraagt is NIBM. Dit komt overeen met 1,2 microgram/m³ voor fijn stof en NO2. De 3%-grens komt overeen met de bouw van 1.500 woningen of 100.000 m² b.v.o. kantoren. Omdat in het plangebied het aantal woningen met 2 toeneemt, kan worden geconcludeerd dat uit het oogpunt van de "Wet luchtkwaliteit" er geen belemmeringen zijn voor de realisatie van het plan.

Uit de atlas voor de leefomgeving (peiljaar 2019, bron: www.atlasleefomgeving.nl) blijkt dat de achtergrondconcentratie stikstofdioxide (14 microgram per m³) en fijn stof (17 microgram per m³) zich beneden de wettelijk toegestane jaargemiddelde grenswaarde van 40 microgram per m³ bevinden. De concentratie zeer fijn stof (10 microgram per m³) bevindt zich beneden de wettelijk toegestane jaargemiddelde grenswaarde van 20 microgram per m³. In het plangebied worden de grenswaarden derhalve niet overschreden. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt daarmee geen belemmering voor de planontwikkeling. 4.2.5. Externe veiligheid Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:  bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid;  vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of leidingen. Door de afwezigheid van risicovolle activiteiten met gevaarlijke stoffen in de directe omgeving (bron: risicokaart Utrecht) van het bouwplan, voldoet de ontwikkeling aan de eis voor het plaatsgebonden risico (artikel 5 van het BEVI).

Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 97a en 99

36

De locatie ligt op meer dan 680 meter vanaf de dichtstbijzijnde route voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, de spoorlijn Baarn-Amersfoort West. Op basis van de Handreiking Risicoanalyse Transport (HART) (zie afbeelding 13) blijkt op basis van de aanwezige wat het invloedsgebied van die spoorlijn is. Afbeelding 12: Fragment risicokaart.

Afbeelding 13: Breedte invloedsgebied Stofcategorie A B2 C3 D3 D4

Invloedsgebied (m) 460 995 35 375 > 4.000

De spoorlijn wordt aangeduid met spoortrajectnummer 30.5b. Uit de Regeling Basisnet Spoor volgt dat de spoorlijn een plaatsgebonden risicocontour (PR 10-6 ) van 7 meter heeft. De spoorlijn heeft een plasbrandaandachtsgebied van 30 meter. Gelet op de ruime afstand tussen de risicobron en het plangebied vormen beide aspecten geen belemmering voor de bouw van woningen in het plangebied. Het plangebied ligt derhalve binnen het invloedsgebied van de stofcategorieën B2 en D4. Omdat het plangebied op meer dan 200 meter van de spoorlijn ligt, dient het groepsrisico conform artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes beperkt verantwoord te worden. Het betreft een motivering ten aanzien van de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Conclusie Uit het oogpunt van externe veiligheid is er geen belemmering voor de bouw van woningen op het perceel.

Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 97a en 99

37

Afbeelding 14: Verantwoording groepsrisico spoorlijn. In de plantoelichting wordt bij een beperkte verantwoording ingegaan op de volgende onderdelen:  de mogelijke aanwezigheid van een plasbrandaandachtsgebied en de ligging van dit gebied ten opzichte van het plangebied;  de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die spoorlijn;  voor zover dat plan of die vergunning betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die weg, spoorweg of dat binnenwater een ramp voordoet; de veiligheidsregio moet in de gelegenheid worden gesteld om advies uit te brengen met betrekking tot de voorbereiding van bestrijding tot beperking van de omvang van rampen en de zelfredzaamheid van de aanwezige personen. Verantwoording De bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval  Het bestrijdbaarheid vraagstuk speelt op deze afstand van de risicobron niet. Bestrijding vindt plaats bij de bron. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid  In geval van een calamiteit moeten personen kunnen schuilen. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters.

 Nieuwe bouwwerken zijn goed geïsoleerd, waardoor ze een goede bescherming bieden tegen het binnendringen van het toxisch gas. Belangrijk is wel dat luchtbehandelinginstallaties met één druk op de knop uit te schakelen zijn. Dit is echter niet af te dwingen in deze ruimtelijke procedure.

4.3. Water Watertoets Bij ruimtelijke plannen geldt vanaf 1 november 2003 de wettelijke verplichting van een waterparagraaf/watertoets. Met de watertoets wordt beoogd waterbeheerders vroegtijdig in het ruimtelijke ordeningsproces te betrekken. De watertoets betreft het hele proces van informeren, adviseren, afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het voorkomen van negatieve effecten op de waterhuishouding staat bij de watertoets voorop. Algemeen Op 21 juni 2021 is de digitale watertoets doorlopen. Voor de verdere uitwerking en concretisering van de beoogde ontwikkeling, geeft het waterschap aan dat rekening gehouden moet worden met een aantal algemene en gebiedsspecifieke aandachtspunten voor water. Vasthouden - bergen - afvoeren Een belangrijk principe is dat zo veel mogelijk hemelwater binnen het plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet of niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater. Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegen gegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater (met eventu-

Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 97a en 99

38

eel wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden) worden voorkomen. Bij lozing op oppervlaktewater zal hiervan een melding gedaan moeten worden bij het waterschap. Grondwaterneutraal bouwen Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen. Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater, beschouwd worden ten opzichte van de GHG. De gemeente hanteert voor nieuwbouw een ontwateringsnorm van 90 cm (gemeten tussen de GHG en de onderkant van de vloer). Het structureel onttrekken / draineren van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen. Het waterschap adviseert de initiatiefnemer dan ook om voorafgaand aan de ontwikkeling een goed beeld te krijgen van de heersende grondwaterstanden en GHG. Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar. Schoon houden - scheiden - schoon maken Om verontreiniging van bodem, grond- en/of oppervlaktewater te voorkomen is het van belang dat het afstromende hemelwater niet verontreinigd raakt. Dit kan door nadere eisen of randvoorwaarden te stellen aan bijvoorbeeld de toegepaste (bouw)materialen. Het waterschap vraagt de initiatiefnemer de beslisboom voor het afkoppelen van verhard oppervlak van het waterschap toe te passen.

Daarnaast heeft de gemeente Soest het convenant afkoppelbeleid Utrechtse Heuvelrug ondertekend. Dit betekent dat de leidraad die aan dit convenant ten grondslag ligt bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen het werkingsgebied in acht moet worden genomen. Proces In het kader van de planontwikkeling is op 21 juni 2021 de digitale watertoets (www.dewatertoets.nl) doorlopen. In het plangebied liggen geen belangrijke oppervlaktewateren (zogenaamde primaire of A- watergangen), waterkeringen of gebieden die zijn aangewezen voor regionale waterberging. Dit betekent dat dit plan geen essentiële waterbelangen raakt. Op basis daarvan wordt door het waterschap voor het onderhavige plan een positief wateradvies gegeven. Het waterschap is niet de enige waterbeheerder. Gemeenten hebben een zorgplicht voor afvalwater, hemelwater en grondwater in bebouwd gebied. Daarmee is de gemeente ook een waterbeheerder en moet zij ook worden geconsulteerd in het kader van de watertoets. De handreiking watertoets stelt namelijk dat alle relevante waterbeheerders moeten worden geconsulteerd.

4.4. Natuurwaarden Per 1 januari 2017 is de huidige Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wnb vervallen de voormalige tabellen 1, 2 en 3 (Flora- en faunawet) waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wnb is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soor-

Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 97a en 99

39

ten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kunnen voor de soorten die zijn opgenomen in het 'beschermingsregime andere soorten' vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Derhalve is een Quickscan Wet natuurbescherming6 vervaardigd om in te schatten of er binnen het plangebied beschermde planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en mogelijk verstoring kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op gebieden die een beleidsmatige bescherming genieten of deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Gebiedsbescherming Op een afstand van circa 8,2 km ligt het Natura 2000-gebied 'Arkemheen'. Het meest nabijgelegen stikstof gevoelige gebied is de 'Oostelijke Vechtplassen' op 11,6 km van het plangebied. Omdat het projectgebied op ruime afstand van beschermde gebieden ligt, heeft de planontwikkeling uiteraard geen invloed op de natuurwaarden in die beschermde gebieden. Het dichtstbijzijnde deel van het Natuurnetwerk Nederland ligt op een afstand van circa 950 meter. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is.

In de Wnb is ook de bescherming van houtopstanden (bossen en rijenbeplantingen) geregeld. Er worden in het plangebied geen bomen verwijderd. Uit de Handreiking woningbouw en AERIUS (Rijksoverheid, januari 2020) blijkt dat bij een afstand van 7 kilometer tussen de bouwlocatie en het voor stikstof gevoelige natuurgebied, dat de bouw van 50 woningen (aanlegfase) geen stikstofdepositie veroorzaakt die groter is dan 0,00 mol/ha/jaar. De bouwwerkzaamheden voor de uitbreiding die in onderhavig bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt zijn kleiner. Gelet op de afstand tot het dichtstbijzijnde voor stikstof gevoelige natuurgebied 'Oostelijke Vechtplassen op ongeveer 11,6 kilometer zal er in de gebruiksfase evenmin sprake zijn van een toename van de stikstofdepositie op voor stikstof gevoelig natuurgebied. Derhalve is geen stikstofonderzoek uitgevoerd. Stikstofdepositie vormt daarmee geen belemmering voor de planontwikkeling. Soortenbescherming In het plangebied zijn geen nesten van jaarrond beschermde vogels aanwezig. Voor algemene broedvogels geldt dat werkzaamheden rondom of aan functionele nest of rustplaatsen mogen deze niet beschadigen of opheffen. Een nestplaats is functioneel tijdens het broedseizoen, en actief bij aanwezigheid van broedvogel. Werkzaamheden tijdens het broedseizoen kunnen leiden tot verstoring van broedende vogels en hun nesten.

Zo kunnen vogels hun nest verlaten door geluid of visuele verstoring en kan het legsel verloren gaan. Voor een be-

6

FF Solutions, Quickscan Wet natuurbescherming 'Lange Brinkweg 97A en 99 en 99' te Soest, concept, 81QS01-21, Nijkerk, 22 juni 2021

Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 97a en 99

40

grip als broedseizoen is geen standaardperiode te benoemen. Afhankelijk van de soort en weersomstandigheden in een bepaald jaar kunnen soorten veel eerder of juist veel later broeden dan normaal het geval zou zijn. Dit kan zelfs per regio verschillen. Voor de wet is van belang of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. De vaak geciteerde periode 15 maart tot en met 15 augustus is slechts een indicatie. De periode januari tot begin oktober kan theoretisch door broedvogels nog gebruikt worden als een broedperiode, het schouwen dient dan ook tijdens deze periode uitgevoerd te worden. Het is niet aannemelijk dat de vleermuis verblijft binnen de te slopen opstallen. Het is niet aannemelijk dat het plangebied een grote hoeveelheid insecten aantrekt en daardoor functioneert als essentieel foerageergebied. Na realisatie van de twee woningen met bijbehorende opstallen en tuinen, is er mogelijk meer voedselaanbod voor de vleermuis dan in de huidige situatie. Er zijn geen lijnvormige landschapselementen aanwezig binnen het plangebied als vliegroute. Ook voor overige beschermde zoogdieren, reptielen, amfibieën en vissen en insecten ontbreekt een habitat in het plangebied. Conclusie De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wnb.

Er zijn in het kader van de Wnb geen belemmeringen ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling voor beschermde soorten. Er dienen enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de Algemene zorgplicht en algemene broedvogels. Een ontheffing op grond van de Wnb is niet noodzakelijk. De ontwikkeling aan de Lange Brinkweg 97a en 99 te Soest is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (artikel 3.1.6 Bro).

4.5. Archeologie Het perceel heeft in het vigerende bestemmingsplan de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie - Middelhoge verwachting". Op grond van deze bestemming is archeologisch onderzoek noodzakelijk indien daarvoor dieper dan 0,30 meter, te rekenen vanaf het maaiveld, in de bodem zal worden geroerd en de oppervlakte van het nieuwe bouwwerk of de uitbreiding van het bestaande bouwwerk meer dan 500 m² bedraagt. Derhalve is archeologisch onderzoek7 uitgevoerd. Daarin wordt geconstateerd dat het plangebied in het archeologisch landschap 'Stuwwallen' ligt, in de landschapszone hellingen. Het

7

Bureau voor Archeologie, Lange Brinkweg 97a en 99, Soest, gemeente Soest: een bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van boringen in de verkennende fase, Rapport 1064, Utrecht, 14 september 2021

Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 97a en 99

41

plangebied bevindt zich op of net naast de oostflank van de stuwwal van Soest (de Soester Eng). In het Weichselien is een pakket dekzand afgezet. Tevens is gedurende het Weichselien van de hellingen van de stuwwal bodemmateriaal geërodeerd en afgezet in de lagere gebieden. Door de lage natte omstandigheden in het plangebied zijn gooreerdgronden ontstaan. Vanaf de negentiende eeuw, en waarschijnlijk eerder, wordt het westelijke deel van het plangebied gebruikt als brink. In de eerste helft van de negentiende eeuw is het noorden van het plangebied in gebruik als bouwland. Mogelijk heeft op deze locatie een erf gelegen. De rest van het plangebied is weiland. Het plangebied wordt pas bebouwd vanaf 1962. In het plangebied zijn acht boringen gezet. Zes boringen zijn gezet tot in de C-horizont (tussen 120 en 150 cm -mv) en twee boringen zijn gezet tot 350 cm -mv, beneden de onderkant van de geplande kelders. Hieruit blijkt dat in een groot deel van het plangebied de bodem verstoord is. Alleen langs de noordwestrand is een (deels) intacte bodem aanwezig. In de top van de intacte C-horizont (tussen 60 en 125 cm -mv) kunnen archeologische resten uit het Paleolithicum tot en met de Vroege Middeleeuwen aanwezig zijn gerelateerd aan de jacht, het voedsel verzamelen, infrastructuur en rituelen. Het plangebied was tot aan de ontginning waarschijnlijk te nat voor bewoning.

Uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd kunnen resten gerelateerd aan het gebruik als brink aanwezig zijn. Deze archeologische resten betreffen losse vondsten of kleine vlakelementen. Omdat de bodem ter hoogte van het potentiële erf intact blijkt, blijft deze specifieke verwachting gehandhaafd. Archeologische sporen gerelateerd aan dit potentiële erf kunnen aanwezig zijn in de top van de C-horizont (60 cm-mv). Het archeologisch onderzoek in beoordeeld door het Centrum voor Archeologie Amersfoort CAR). Om de mogelijke archeologische resten van het historische erf in de onverharde zone (groene gebied in afbeelding 15) te beschermen krijgen deze gronden in het onderhavige bestemmingsplan de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie - Hoge verwachting". In deze zone zijn nu geen ingrepen voorzien en daarom is verder onderzoek nu niet nodig. Voor het overige plangebied kan de archeologische dubbelbestemming worden verwijderd. Voorafgaand aan bodemroerende werkzaamheden in het bruine gebied in afbeelding 15 dient wel contact te worden opgenomen met het CAR voor eventuele verdere vervolgstappen. De rest van het plangebied kan worden vrijgegeven voor de beoogde ontwikkeling.

Indien tijdens de werkzaamheden resten worden aangetroffen waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze resten van cultuurhistorische waarde zijn, geldt een wettelijke meldingsplicht conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet.

Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 97a en 99

42

Afbeelding 15: Archeologisch advieskaart.

Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 97a en 99

43

4.6. Kabels en leidingen Voor planologisch relevante leidingen gelden verschillende beschermings- en veiligheidsafstanden waar in de bestemmingslegging van onder andere nieuwe functies rekening mee moet worden gehouden. Op het perceel bevinden zich geen planologisch relevante kabels en leidingen. Ook in de nabijheid van het perceel zijn geen leidingen met gevaarlijke stoffen aanwezig. Kabels en leidingen vormen derhalve geen belemmering voor de realisatie van het bouwplan.

4.7. Bluswatervoorziening De huidige bluswatervoorzieningen aan de Lange Brinkweg moeten worden uitgebreid om een incident adequaat te kunnen bestrijden. De brandweer moet snel kunnen beschikken over voldoende bluswater. De huidige bluswatervoorzieningen zijn ver weg gelegen ten opzichte van de Lange Brinkweg 97A en 99. Dit vormt een risico voor het niet snel genoeg kunnen bestrijden van een brand. Voor de nieuwbouw van de woningen wordt door de Veiligheidsregio Utrecht geadviseerd om een extra bluswatervoorziening bij deze plek aan te leggen. In de anterieure overeenkomst zijn de afspraken hierover vastgelegd.

Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 97a en 99

44

Hoofdstuk 5. Planologisch juridische regeling 5.1. Algemeen Op 1 juli 2008 is de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in werking getreden. In artikel 1.2.5 van het Bro is onder meer bepaald dat bestemmingsplannen en partiële herzieningen daarvan digitaal beschikbaar gesteld dienen te worden. Vanaf 1 juli 2013 is daarbij toepassing van de (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP-2012) verplicht. Bij het opstellen van deze standaard is overigens ook rekening gehouden met het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening 2012 (IMRO-2012) en de Praktijkrichtlijn Bestemmingsplannen 2012 (PRBP-2012). Deze partiële herziening past binnen die standaard.

5.2. Partiële herziening Het digitale bestemmingsplan Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 97a en 99 is de verzameling van geometrisch bepaalde objecten, die is vervat in een GML-bestand (NL.IMRO.0342.BPLG0043-0201) met bijbehorende regels. Dit bestemmingsplan is langs elektronische weg uitwisselbaar en raadpleegbaar. Het geeft de bestemming en de bebouwingsmogelijkheden van de gronden aan. De analoge verbeelding is getekend op een schaal van 1:1000 en omvat één kaartblad, genummerd 0342-57-P01. De plankaart geeft de bestemming van de gronden aan.

5.3. Regels In artikel 1 is een aantal begrippen opgenomen, zodat duidelijk wordt wat onder het bestemmingsplan Landelijk Gebied en de Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 97a en 99 wordt verstaan. Daarnaast zijn de begrippen bestaand en landschappelijk inpassingsplan gedefinieerd. In artikel 2 is de verhouding tussen de partiële herziening en het bestemmingsplan vastgelegd. De regels behorende bij het bestemmingsplan zijn onverminderd van toepassing voor de onderhavige partiële herziening, tenzij in deze partiële herziening anders wordt bepaald. De maatvoeringsaanduiding 'maximale goot - en bouwhoogte' uit de SVBP2008 is door de inwerkingtreding van SVBP2012 veranderd in 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)'. Derhalve is in artikel 2 ook bepaald dat waar de oude naam van die aanduiding staat, de nieuwe naam gelezen moet worden. In artikel 3 zijn aanpassingen en aanvullingen op de regels van het bestemmingsplan Landelijk Gebied opgenomen voor het onderhavige plangebied. In de bestemming "Agrarisch met waarden" is de bouw van de schuilstal mogelijk gemaakt en bepaald dat deze uitsluitend mag worden gebruikt voor hobbymatige agrarische activiteiten.

Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 97a en 99

45

Aan de bestemming "Wonen" zijn voorwaardelijke verplichtingen toegevoegd, om de sloop van de voormalige agrarische bebouwing af te dwingen en om de uitvoering van het landschapsinpassingsplan te waarborgen. Ten slotte is de bestemming "Waarde - Openheid" toegevoegd. Deze is van toepassing op de randen van de percelen aan de zijde van de Eempolder. Deze gronden zijn mede bestemd voor de instandhouding van de voorkomende visueel-ruimtelijke kwaliteit die wordt ontleend aan de landschappelijke openheid. Ter bescherming hiervan is een aanlegvergunningstelsel opgenomen dat onder meer hoogopgaande beplanting uitsluit. Beplanting die is vereist op grond van het inpassingsplan, dat door middel van een voorwaardelijke verplichting aan de planregels is gekoppeld, is van dat verbod uitgezonderd. Doel van deze dubbelbestemming is tevens om vergunningvrij bouwen in deze zone te voorkomen omdat de gronden hiermee niet als erf worden aangemerkt als bedoeld in artikel 1 van Bijlage II van het Bor. In de Nota van toelichting van het Bor is het volgende hierover opgenomen: "Ook is het mogelijk om gronden «mede» te bestemmen voor andere functies.

Er geldt dan bijvoorbeeld voor het gehele perceel een bestemming woondoeleinden, maar door een zogenoemde dubbelbestemming te geven of door mede bepaalde waarden, functieof gebiedsaanduidingen toe te kennen, kan tot uitdrukking worden gebracht dat percelen of perceelsgedeelten mede een ander planologisch doel dienen. Indien de bestemmingsregeling in zo'n geval gepaard gaat met belemmeringen om een perceel of delen van een perceel te gebruiken en feitelijk in te richten ten dienste van het hoofdgebouw, is er geen sprake van erf". Deze laatste mogelijkheid is expliciet in de jurisprudentie bevestigd (ABRvS 201209655/1/A1). In de planregels is daarom bepaald dat de gronden met deze dubbelbestemming niet worden aangemerkt als erf als bedoeld in artikel 1 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. In de regels van de partiële herziening is voorts een aantal algemene regels opgenomen. Er is een eigen antidubbeltelbepaling (artikel 4) opgenomen en eigen overgangsrecht (artikel 5). Het opnemen van deze bepalingen is volgens het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) voor elk plan verplicht, dus ook voor een partiële herziening. De partiële herziening is van later datum dan het bestemmingsplan dat wordt herzien, waardoor niet teruggevallen kan worden op de soortgelijke bepalingen uit dat plan. De citeertitel staat tenslotte in artikel 6.

Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 97a en 99

46

Hoofdstuk 6. Uitvoerbaarheid 6.1. Economische uitvoerbaarheid Conform artikel 6.12, lid 1 Wro dient de gemeenteraad een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop een bouwplan gerealiseerd wordt. De gemeenteraad kan afzien van het vaststellen van een exploitatieplan indien het kostenverhaal anderszins verzekerd is. De gemeente zal met initiatiefnemer een anterieure overeenkomst sluiten. Gelet hierop kan worden gesteld dat het kostenverhaal anderszins verzekerd is en dat het opstellen van een exploitatieplan achterwege kan worden gelaten. In de anterieure overeenkomst zijn tevens afspraken vastgelegd over de realisatie van de bluswatervoorziening.

6.2. Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.2.1. Participatie De initiatiefnemers hebben in totaal 36 omwonenden op 24 april 2021 door middel van een brief geïnformeerd over de planontwikkeling. Daarop zijn 25 reacties retour ontvangen, waarvan er 5 een opmerking hadden. Een van de buurtbewoners liet weten akkoord te zijn maar het briefje niet meer te hebben. De aangegeven opmerkingen en vragen zijn: 1. Wat is de hoogte van het nieuwe dierenverblijf? kan het dierenverblijf ook worden opgeschoven ?(enkele buurtbewoners hebben dit aangegeven); 2. Benieuwd naar de vormgeving van de schuurwoning; 3. Benieuwd hoe de huizen eruit komen te zien; 4. Een van de buurtbewoners heeft geen bezwaar tegen de woningen, maar wel tegen de toegangsweg naar de nieuwe woning achter nummer 99; 5. Blijft graag op de hoogte van de verdere ontwikkelingen. Naar aanleiding hiervan is onder meer de situering van het dierenverblijf (de schuilstal) aangepast. Met betrekking tot de hoogte is aangegeven dat dit nog ontworpen moet worden met de architect (in elk geval geschikt voor bijvoorbeeld een paard, koe, en of schaap). Over de opmerking van de buurtbewoner over de toegangsweg naar de woning achter nummer 99 is nader contact geweest. Aangegeven is dat het verkeer en de parkeerplaatsen de doorkijk in de polder niet zullen belemmeren.

De toegangsweg naar woning achter nummer 99 is een bestaande openbare weg en hier worden geen auto's geparkeerd. Ter onderbouwing is een tekening met de zichtlijnen van de landschapsarchitect afgegeven. Daarbij is ook aangegeven dat er nu een caravanstalling op de kavel is waardoor er ook veel verschillende mensen komen en gaan. De nieuwe situatie wordt dus rustiger. Over de vragen 2,3 en 5 zullen de buurtbewoners nader worden geïnformeerd zodra de bouwplannen daarvoor verder worden uitgewerkt. 6.2.2. Vooroverleg Het conceptontwerpbestemmingsplan is op 30 september 2021 toegestuurd aan de vooroverlegpartners (Het Rijk, Waterschap, provincie, commissie Milieu en Ruimte, Vereniging Vrij Polderland) voor een reactie. Daarop hebben de provincie en de commissie Milieu en

Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 97a en 99

47

Ruimte gereageerd. Op de verduidelijkende vragen van de commissie milieu en ruimte met betrekking het bodemonderzoek en de plek van het dierenverblijf heeft de gemeente een beantwoording gestuurd. De provincie heeft aangegeven dat het plan past binnen de regels van de provinciale interim-verordening. Echter hebben zij ook aangegeven dat stedenbouwkundig de nieuwe woningen en bijgebouwen dichter op elkaar kunnen worden gebouwd. Hiermee zou nog meer ruimtelijke kwaliteitsverbetering mogelijk zijn. Stedenbouwkundig kan het gemeentebestuur zich niet vinden in de voorgestelde aanpassingen. Het plan is al een flinke verbetering door de sloop van de stallen, aanleg van nieuwe beplanting en creëren van doorzichten naar de polder. Het naar elkaar toebrengen van de bebouwing is daarop geen toegevoegde waarde, maar gaat wel ten koste van de achtertuinen van de bestaande en nieuwe bewoners.

6.3. Ontwerp partiële herziening Het ontwerp van de partiële herziening van het ontwerpbestemmingsplan 'Partiële Herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 97a en 99 wordt gedurende zes weken voor een ieder en ter inzage gelegd. Eventuele zienswijzen worden te zijner tijd in deze paragraaf samengevat en beantwoord.

Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 97a en 99

Bijlagen bij toelichting

Bijlage 1 Van Dijk geo- en milieutechniek, Verkennend bodemonderzoek nieuwbouw woning met opstallen, terrein ten noordoosten van Lange Brinkweg 97a te Soest, versie 1 (concept), 153220.1, De Meern, 12 juli 2021

Datum:

12-07-2021; versie 1 (CONCEPT)

Opdrachtnummer:

153220.1

VERKENNEND BODEMONDERZOEK Project:

Opdrachtgever:

nieuwbouw woning met opstallen, terrein ten noordoosten van Lange Brinkweg 97a te Soest

familie P. Kuijer Lange Brinkweg 97a 3764 AC Soest

Uitgevoerd: Grondonderzoek: Grondwaterbemonstering:

01-06-2021 (dhr. T.P. Vermeer) 09-06-2021 (dhr. R. Bouma)

Projectleider:

mevr. I. van Bommel MSc.

Protocollen 2001 - 2002

INHOUDSOPGAVE 0. 1. 2.

SAMENVATTING ....................................................................................................................................... 3 INLEIDING ................................................................................................................................................... 5 VOORONDERZOEK ................................................................................................................................... 5 2.1 Algemeen .................................................................................................................................................. 5 2.2 Huidige situatie ......................................................................................................................................... 5 2.3 Historische situatie .................................................................................................................................... 6 2.4 Toekomstige situatie ................................................................................................................................. 6 2.5 Bodemopbouw en geohydrologie .............................................................................................................

6 2.6 Conclusie .................................................................................................................................................. 7 3. VELDONDERZOEK .................................................................................................................................... 7 3.1 Algemeen .................................................................................................................................................. 7 3.2 Veldwerkzaamheden ................................................................................................................................. 7 3.3 Bodemopbouw .......................................................................................................................................... 7 3.4 Zintuiglijke waarnemingen ....................................................................................................................... 8 3.5 Monstername en veldmetingen ................................................................................................................. 8 4. ANALYTISCH-CHEMISCH ONDERZOEK .............................................................................................. 9 4.1 Mengmonsters...........................................................................................................................................

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Soest&id=0f7ee862-5a24-481f-8c92-f28e2d2ecfad