CConstaterende datSoest
Koppel je AI →
Document · PDF

4f 2 Bijlage 1 Toelichting met bijlagen bestemmingsplan Lange Brinkweg 97A en 99.pdf

Besluitvormende Raadsvergadering 10 februari 2022, gemeente SoestBij agendapunt: Partiële herziening bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 97A en 9923.502 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Toelichting met bijlagen Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 97a en 99 NL.IMRO.0342.BPLG0043-0201 December 2021

Gemeente Soest

Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 97a en 99 Toelichting, regels en analoge verbeelding

Ontwerp November 2021 Kenmerk 0342-57-T01 Projectnummer 0342-57

Toelichting

Inhoudsopgave Hoofdstuk 1. 1.1. 1.2.

Inleiding Aanleiding Vigerende bestemmingsplannen 1.2.1. Bestemmingsplan Landelijk Gebied 1.2.2. Paraplubestemmingsplan "Nota parkeernormen auto en fiets"

1 1 2 2 3

Hoofdstuk 2. 2.1. 2.2. 2.3.

Planbeschrijving Cultuurhistorie Bestaande situatie Toekomstige situatie 2.3.1. Algemeen 2.3.2. Bouwplan 2.3.3. Beeldkwaliteit 2.3.4. Verkeer en Parkeren 2.3.5. Landschappelijke inpassing

4 4 5 7 7 8 9 9 10

Hoofdstuk 3. 3.1. 3.2.

Beleidskaders Inleiding Rijksbeleid 3.2.1. Nationale Omgevingsvisie 3.2.2. Ladder voor duurzame verstedelijking 3.2.3. Archeologie 3.2.4. Wet natuurbescherming 3.2.5. Natuurnetwerk Nederland 3.2.6. Nationaal bestuursakkoord Water 3.2.7. Nationaal Waterplan 3.2.8. Watertoets 3.2.9. De Europese kaderrichtlijn Water 3.2.10. Wet gemeentelijke watertaken Provinciaal beleid 3.3.1. Omgevingsvisie Provincie Utrecht 3.3.2. Interim Omgevingsverordening Regionaal beleid 3.4.1. Waterbeheerprogramma met meerjarenraming 2016 - 2021 Gemeentelijk beleid 3.5.1. Structuurvisie Soest 3.5.2. Masterplan Wonen Soest 3.5.3. Gemeentelijk verkeer- en vervoersplan 3.5.4. Groenstructuurplan 3.5.5. De groene kernkwaliteit van Soest 2014 3.5.6. Bescherming en kap van bomen 2012 3.5.7. Nota Parkeernormen auto en fiets 3e herziening 3.5.8. Duurzaamheidsplan 2016-2020

11 11 11 11 13 13 14 15 15 16 16 16 17 17 17 18 20 20 20 20 21 22 23 23 23 24 25

3.3.

3.4. 3.5.

3.5.9. Gemeentelijk Water- en Rioleringsplan Soest-Baarn 2018-2022 25 3.5.10. Plan van aanpak Diffuse bronnen 26 3.5.11. Welstandsbeleid 26 3.5.12. Landschaps- en natuurontwikkelingsplan Gemeente Soest 20192024 29 Hoofdstuk 4. 4.1. 4.2.

Resultaten onderzoeken Algemeen Milieuaspecten 4.2.1. Bodem 4.2.2. Milieuzonering 4.2.3. Geluidhinder 4.2.4. Luchtkwaliteit 4.2.5. Externe veiligheid Water Natuurwaarden Archeologie Kabels en leidingen Bluswatervoorziening

30 30 30 30 32 34 35 35 37 38 40 43 43

Hoofdstuk 5. 5.1. 5.2. 5.3.

Planologisch juridische regeling Algemeen Partiële herziening Regels

44 44 44 44

Hoofdstuk 6. 6.1. 6.2.

Uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.2.1. Participatie 6.2.2. Vooroverleg Ontwerp partiële herziening

46 46 46 46 46 47

4.3. 4.4. 4.5. 4.6. 4.7.

6.3.

1

Hoofdstuk 1. Inleiding 1.1. Aanleiding De percelen Lange Brinkweg 97a en 99 hebben in het vigerende bestemmingsplan een woonbestemming. Op deze percelen is een groot areaal voormalige bedrijfsbebouwing aanwezig. De eigenaren van beide percelen hebben ieder afzonderlijk een plan gemaakt om alle voormalige bedrijfsbebouwing te slopen en elk één extra woning op hun perceel te realiseren. Gezien de gehele ruimtelijke samenhang is ervoor gekozen om de beide plannen in één ruimtelijke procedure te voegen. Om deze planontwikkeling mogelijk te maken, dient het bestemmingsplan te worden herzien. Ten behoeve van het bestemmingsplan is, om de woningen op een zorgvuldige manier in te passen, een inpassingsplan vervaardigd, zodat de woningen op een zorgvuldige wijze aan de rand van de Eempolder worden ingepast. De ruimtelijke randvoorwaarden uit dit inpassingsplan zijn in de planregeling van dit bestemmingsplan vertaald. Afbeelding 1: Plangebied.

Voor de bouw van beide woningen wordt gebruik gemaakt van de ruimte-voor-ruimte regeling uit artikel 9.11 van de Interim Omgevingsverordening van de provincie Utrecht (zie paragraaf 3.3.2). Overeenkomstig die regeling wordt op beide percelen meer dan 750 m² gesloopt.

Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 97a en 99

2

1.2. Vigerende bestemmingsplannen 1.2.1. Bestemmingsplan Landelijk Gebied Voor het perceel vigeert het bestemmingsplan Landelijk Gebied dat door de gemeenteraad van Soest op 19 december 2013 is vastgesteld. In dit bestemmingsplan hebben beide percelen de bestemming "Wonen". Door middel van een bouwvlak is de plaats van de woningen op beide percelen aangegeven. Per woning mag 100 m² aan bijbehorende bouwwerken worden gebouwd. Op beide percelen is meer voormalige agrarische bedrijfsbebouwing aanwezig. Door middel van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - voormalige bedrijfsbebouwing' is onder meer bepaald dat de bestaande oppervlakte aan bebouwing mag worden gehandhaafd, maar niet meer mag worden uitgebreid. Door middel van die aanduiding zijn –na toepassing van een afwijkingsbevoegdheid- diverse nevenfuncties mogelijk. Om die aanduiding ook voor beide bestaande woningen van de verbeelding te verwijderen, zijn deze woningen ook in het plangebied van onderhavige partiële herziening opgenomen. De bouw van extra woningen past niet binnen die bestemming omdat geen bouwvlak is aangegeven. Derhalve dient het bestemmingsplan te worden herzien om de woningen planologisch mogelijk te maken. Aan de noordwestzijde van het plangebied zijn er gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden".

Deze zijn onder meer bestemd voor het uitoefenen van een grondgebonden veehouderijbedrijf, het behoud en herstel alsmede instandhouding van de voorkomende visueel-ruimtelijke kwaliteit en voor behoud en herstel van de voorkomende natuurlijke waarden. Afbeelding 2: Vigerend bestemmingsplan.

Het perceel heeft daarnaast de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie - Middelhoge verwachting". Op grond van deze bestemming is archeologisch onderzoek noodzakelijk indien

Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 97a en 99

3

daarvoor dieper dan 0,30 meter, te rekenen vanaf het maaiveld, in de bodem zal worden geroerd en de oppervlakte van het nieuwe bouwwerk of de uitbreiding van het bestaande bouwwerk meer dan 500 m² bedraagt.

1.2.2. Paraplubestemmingsplan "Nota parkeernormen auto en fiets" Op 28 september 2017 heeft de gemeenteraad het paraplubestemmingsplan "Nota parkeernormen auto en fiets" vastgesteld. Dit paraplubestemmingsplan is van toepassing in de gehele gemeente Soest. Via dit paraplubestemmingsplan wordt juridisch geregeld dat alle ontwikkelingen in de bestemmingsplangebieden moeten voldoen aan de parkeernormen uit de beleidsnota Parkeernormen auto en fiets 3e herziening. Afbeelding 3: Luchtfoto bestaande situatie

Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 97a en 99

4

Hoofdstuk 2. Planbeschrijving 2.1. Cultuurhistorie Soest is een zogenaamd Engdorp. De Soester Eng ligt op een stuwwal, die 150.000 jaar geleden is opgestuwd door grote ijsmassa's. De Eng is eeuwen lang jaarlijks bemest met mest uit de schapenstal, vermengd met heideplaggen. Hierdoor is op het zand van de stuwwal een ongeveer 80 cm dikke humeuze grondlaag aanwezig (zwarte enkeerdgrond). Soest is in de middeleeuwen ontstaan op de overgang naar de laag gelegen Eemvallei. De uiteinden van het langgerekte brinkdorp werden gevormd door Kort-End (de huidige omgeving van de Ferdinand Huycklaan), verbonden door het (oude) Kerkpad met het Lang-End (omgeving Burgemeester Grothestraat) met in het centrum de Kerkebuurt met de Oude Kerk. Engdorpen lagen op de overgangen van de heuvelrug naar de lagere gebieden. Rondom de dorpen lagen de akkers (engen), die in de loop der eeuwen werden opgehoogd met mest uit de potstallen. De Eemvallei werd gebruikt als hooiland en weidegebied voor het vee, de hoger gelegen Eng werd gebruikt voor de verbouw van boekweit, rogge, aardappelen, knollen en gerst. De toenmalige bewoners zochten een droge en veilige plek wonen. De boeren die op de hoge gronden akkerbouw bedreven en hun vee lieten grazen op de laag gelegen natte weidegronden.

De boerderijen werden gesticht tussen de hoge en de lage gronden en vormden zo een langgerekt lint dat de voet van de heuvelrug volgde. Het patroon van doorgaande oude wegen is grotendeels behouden, hoewel veel kleinere verbindende zandpaden zijn verdwenen. Wel is te zien dat bebouwing aan het lint van de Lange Brinkweg in de loop der jaren is toegenomen en nog steeds toeneemt. Ter hoogte van het plangebied is Soest parallel aan de Middelwijkstraat in verschillende slagen gegroeid. Naast het Kerkpad Zuidzijde en de Lange Brinkweg was er nog een parallelweg verder de polder in. Dit is zichtbaar op de kaarten van 1873 tot en met 1910. Aan deze weg stonden diverse gebouwen. Dit kan de ligging van enkele boerderijen op afstand van de Lange Brinkweg in de huidige situatie verklaren. De laatst genoemde weg is in 1933 van het kaartbeeld verdwenen. Tot 1960 beperkt de bebouwing langs de Lange Brinkweg zich tot een aantal boerderijen. Op de kaart van 1933 is aan de noordzijde ook de gasfabriek te zien. Vanaf 1990 is op de kaart een verdere verdichting met bebouwing te zien. Langs de Lange Brinkweg ligt een tiental erven. Een aantal van deze erven ligt tegen elkaar aan waardoor zicht op de polder wordt beperkt tot zicht op de polder over een pad of tussen twee gebouwen door. Een aantal erven ligt verder naar achter. Voor deze erven liggen kleine weides.

Samen met de weidegronden die tussen de erven doorlopen tot aan de Lange Brinkweg geven deze de Lange Brinkweg een landelijke uitstraling.

Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 97a en 99

5

Tussen de erven is er zicht op de openheid van de Eempolder. De spoorlijn op het talud met begeleidende beplanting vormen qua beleving de horizon en de begrenzing van de openheid. De ervaring van de openheid tussen de erven door, is per doorkijk sterk verschillend. Soms bepaald een bomenrij ter hoogte van het woonhuis het perspectief en soms belemmeren lage fruitbomen het zicht. Toch valt er een rode lijn te ontdekken bij de doorzichten op de polder. De overeenkomsten, en daarmee het kenmerkende, van de doorzichten zit in de volgende ruimtelijke elementen:  bomen langs de Lange Brinkweg;  een haag of omheining met palen en draad als overgang naar de weide;  aan weerszijden van de doorzichten erven, vaak met aan één zijde een toegangsweg naar het erf, soms ter hoogte van het woonhuis begeleid door bomen;  vooraan op het erf staat het woonhuis met de siertuin. Hierin staan soms grotere solitaire bomen. Vanaf de Lange Brinkweg hinderen deze het zicht op de openheid niet. Het perspectief zorgt ervoor dat je er langs of er onderdoor kijkt;  langs de erven is vaak lagere erfbeplanting te vinden. Hierin zit weinig structuur.  de beleving van de openheid wordt voor een groot deel bepaald door de zichtbaarheid van de lucht.

Door het ontbreken van hoog opgaande rijen erfbeplanting en door de kaprichting van de woonhuizen en schuren evenwijdig aan de verkavelingsrichting van de polder, ontstaat een breed zicht op de lucht. De beleving van de openheid van de polder wordt hierdoor vergroot.

2.2. Bestaande situatie De Lange Brinkweg vormt de rand van de bebouwde kom aan de noordoostkant van Soest op de grens met het open poldergebied. Aan de noordoostkant van de weg is een aantal (agrarische) bedrijven en woningen aanwezig. In de huidige situatie vormen de huisnummers 95 tot en met 99 een samengesteld 'erf' aan de Lange Brinkweg. De woonhuizen staan relatief dicht bij de weg in een rooilijn. De woonhuizen zijn afwisselend gebouwd in een dorpse en landelijk stijl en hebben een normale inrichting van de tuin met op een aantal plekken hoge hagen en solitaire bomen. Aan weerszijden van het samengestelde erf liggen weides met daarachter een op afstand van de Lange Brinkweg gelegen bebouwingscluster. Tussen deze clusters en het samengestelde erf ligt een stuk weide is er vanaf de Lange Brinkweg doorzicht naar het open weidegebied van de Eempolder Op bepaalde plekken op de Lange Brinkweg, aan de noordwestzijde van het samengestelde erf, is het mogelijk ongehinderd de polder in te kijken en de openheid ervan te beleven. Aan de zuidoostzijde van het samengestelde erf wordt dit zicht deels belemmerd door de aanwezige schapenschuur en de tuininrichting van de weide ten noordwesten van huisnummer 101. De openheid van de polder is wel voelbaar. Ten zuidoosten van de huisnummers 97a en 99 ligt bij beide nummers een toegangsweg naar het achtererf.

Bij nummer 99 is dit een doodlopende openbare weg naar de huisnummers 101 en 103. Bij de toegangsweg ten zuidoosten van nummer 99 is er ongehinderd zicht op de openheid van de Eempolder. Aan de zuidoostzijde van de toegangsweg staat een rij jonge wilgen. Deze nemen voor een groot deel het zicht vanaf de Lange Brinkweg op het

Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 97a en 99

6

achtererf van nummer 99 weg. Op circa 15 meter van de Lange Brinkweg staat aan de noordwestzijde van deze toegangsweg een elektriciteitshuisje. Deze is vanuit de tuin van nummer 99 afgeschermd met coniferen. Afbeelding 4: Bestaande situatie.

De erven van nummers 97a en 99 hebben een klassieke indeling met een voorerf met het woonhuis en bijgebouwen en een achtererf met schuren en relatief veel verharding. Bij beide kavels staat aan de voorzijde een hoge haag zoals die vaker voorkomt aan de Lange Brinkweg. Dit heeft vooral te maken met de ligging van de kavels ten opzichte van de zon. Aan de zuid(oost) van de kavel kan je goed in de zon zitten. Voor de privacy werd daarom een haag aangeplant. De haag bij huisnummer 99 is doorgroeit tot een hoogte van circa 4 meter. Op het achtererf staat alleen bij nummer 99 een groepje hoge bomen en struiken. Verder wordt een deel van het achtererf bij nummer 99 aan de zuidoostzijde en de noordoostzijde omzoomd met een groenblijvende haag van Laurierkers (Prunus Laurocerasus). Tussen het voorerf en het achtererf staat over ongeveer de helft van de breedte van de kavel een haag als afscheiding tussen de twee delen van het erf. Tussen de huisnummers 97a en 99 staat aan de zuidoostzijde van de toegangsweg een hoge en brede coniferenhaag met aan de voorzijde een ouder deel. Deze haag heeft een hoogte van 2,5 tot 3 meter.

Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 97a en 99

7

Het perceel Lange Brinkweg 97a en 99 is grotendeels bebouwd en verhard. Op het perceel staan een bedrijfswoning en diverse opstallen van de voormalige agrarische bedrijven.

2.3. Toekomstige situatie 2.3.1. Algemeen Uitgangspunt voor de planontwikkeling is dat op beide percelen alle voormalige agrarische bedrijfsbebouwing wordt gesloopt en dat in plaats daarvan op beide percelen in het kader van de ruimte-voor-ruimte regeling een extra woning wordt gebouwd. In totaal gaat het daarbij om 2.136 m². De beide woonhuizen met bijgebouwen zijn de enige bestaande opstallen die behouden blijven. Afbeelding 5: Te slopen voormalige agrarische bedrijfsbebouwing. Bouwwerk

Functie

Oppervlak

Lange Brinkweg 97a A

sleufsilo

257 m²

B

schuur

644 m²

C

schuur

170 m²

D

schuur

118 m²

E

gierkelder

180 m²

Subtotaal

1.369 m²

Lange Brinkweg 99 F

schuur

250 m²

G

schuur

177 m²

H

schuur

340 m²

Subtotaal Totaal

767 m² 2.136 m²

Op beide erven zal één extra woning worden gebouwd. Het bebouwd oppervlak wordt hierdoor gereduceerd van 2.136 m² (= oppervlakte huidige bebouwing) naar ongeveer 500 m². Op beide percelen wordt overeenkomstig artikel 9.11 van de Interim Omgevingsverordening van de provincie Utrecht (zie paragraaf 3.3.2) meer dan 750 m² gesloopt. Het inpassingsplan zorgt ervoor dat de beide woningen op een zorgvuldige manier landschappelijk worden ingepast aan de rand van de Eempolder. Zowel door de sloop van de verouderde agrarische bedrijfsbebouwing, de aanzienlijke afname van het bebouwingsareaal als door die landschappelijke inpassing is er sprake van een aanzienlijke ruimtelijke kwaliteitswinst en wordt door deze stedenbouwkundige opzet de relatie tussen het lint en de Eempolder versterkt.

Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 97a en 99

8

Gezien de gehele ruimtelijke samenhang is ervoor gekozen om de voor beide percelen in één ruimtelijke procedure te doorlopen. Afbeelding 6: Toekomstige situatie.

2.3.2. Bouwplan Het samengestelde erf Lange Brinkweg 97a en 99 wordt ruimtelijk opgedeeld in twee erven. Voor de situering van de nieuwe bebouwing is het traditionele boerenerf als metafoor gebruikt. Dat betekent dat het hoofdgebouw (= de bestaande woning) voor aan de weg staat en dat de nieuw te bouwen woning daarachter wordt gesitueerd en een ondergeschikte massa en verschijningsvorm hebben in de vorm van een schuurwoning. Deze erven krijgen zodoende een opdeling in een voor- en achtererf. Door de sloop van de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing ontstaat tussen de twee erven een zichtlijn naar de open polder. Ook over het toegangspad ten zuidoosten van nummer 99 ontstaat een zichtlijn naar de open polder. De zichtlijnen dragen op een structurele wijze bij aan de beleving van de openheid van de polder en de rand van de polder en daarmee het landschap. De landschappelijke begeleiding van de zichtlijn moet passen bij de opbouw van de erven en de landschappelijke kenmerken van deze plek. De beide vrijstaande woningen worden achter de bestaande woningen gesitueerd. Daarbij is gekozen voor een situering naar het midden van het perceel. Zodoende worden de zichtlijnen aan weerszijden van het samengestelde perceel verruimd.

Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 97a en 99

9

De woningen bestaan uit 1 bouwlaag met een kap en zijn met de voorzijde naar de Eempolder gericht. De tuin aan de zijde van de polder loopt ongemerkt over in de weides van de polder. Zodoende is het achtererfgebied richting de Lange Brinkweg gesitueerd. Voordeel daarvan bovendien is dat geen vergunningvrije bijbehorende bouwwerken aan de zijde van de open polder kan worden gerealiseerd. Beide woningen krijgen een bijgebouw op de perceelsgrens met respectievelijk Lange Brinkweg 97a en 99. 2.3.3. Beeldkwaliteit Woningen Met betrekking tot de beeldkwaliteit zijn de criteria van toepassing die worden genoemd in Beeldkwaliteitplan Buitengebied (2004), die zijn samengevat in paragraaf 3.5.11. De beide bouwvolumes krijgen een herkenbare hoofdvorm met een daklijn loodrecht op de Lange Brinkweg als verwijzing naar de authentieke bebouwing van deze streek. Daarnaast zijn aanpassingen aan deze typologie mogelijk om de woningen aan te passen aan de woonwensen van deze tijd. Als voorwaarde voor deze aanpassingen geldt dat de herkenbaarheid van de hoofdvorm niet te zeer moet worden aangetast. De basis van de hoofdvorm is een rechthoekige plattegrond met een kap. Zo blijft de herkenbare hoofdvorm intact en ontstaat een rustige bouwmassa. Dit kan bijvoorbeeld ingevuld worden door een landelijke woning met pannen of een rieten kap met daarbij een schuur met pannen en een houten gevel. 2.3.4.

Verkeer en Parkeren Uit de ASVV 2012 blijkt dat voor vrijstaande woningen in matig stedelijk gebied in de rest bebouwde kom uitgegaan dient te worden van respectievelijk 7,8 tot 8,6 motorvoertuigen per woning per etmaal. De woningen genereren derhalve maximaal 25,8 (3x8,6) motorvoertuigen per etmaal. Bij een spitsintensiteit van 10% betekent dit dat er op het drukste uur van de dag ongeveer één auto per ruim 23 minuten bij zal komen. Daarop dient het (vracht)verkeer van het agrarisch bedrijf in mindering te worden gebracht. De Lange Brinkweg kan deze marginale verkeerstoename verwerken. Het nieuwe erf achter nummer 97a zal met de Lange Brinkweg worden verbonden door middel van één centrale inrit. De woningen achter nummer 99 wordt via de (openbare) weg naar nummer 101 en 103 ontsloten. In de beleidsnota Nota parkeernormen auto en fiets 3e herziening, slimmer en beter, van 6 juni 2017, is het parkeerbeleid van de gemeente Soest verwoord (zie paragraaf 3.5.7). Voor woningen met een gebruiksoppervlak van 121 m² of meer gaat de Nota uit van 2,0 parkeerplaatsen per woning òf 1,8 parkeerplaatsen per woning en 6 inpandige fietsparkeerplaatsen (>9,5 m² berging). In het onderhavige plan krijgen de nieuwe woningen voldoende inpandige stallingsruimte voor fietsen. Derhalve wordt in dit geval uitgegaan van een parkeernorm van 1,8 parkeerplaatsen per woning.

De Nota parkeernormen 3e herziening schrijft ook voor dat er per 3 woningen een openbare parkeerplaats voor bezoekers aan het plangebied toegevoegd dient te worden. In dit geval worden 2 nieuwe woningen gebouwd en is geen openbare parkeerplaats noodzakelijk.

Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 97a en 99

10

De parkeerbehoefte bedraagt (inclusief die voor de bestaande woonhuizen) derhalve 7,2 (1,8x4) parkeerplaatsen. Bij beide nieuwe woningen en achter Lange Brinkweg 97a worden 3 parkeerplaatsen op eigen terrein aangelegd. Bij Lange Brinkweg 99 zijn in de huidige situatie 2 parkeerplaatsen op eigen terrein aanwezig (zie afbeelding 6). Derhalve wordt voldaan aan de parkeereis. 2.3.5. Landschappelijke inpassing Om een zorgvuldige landschappelijke inpassing te waarborgen, is een inpassingsplan1 vervaardigd. In dit inpassingsplan is een integrale benadering voor de die zorgvuldige inpassing uitgewerkt. In deze paragraaf wordt alleen op de hoofdlijnen hiervan ingegaan. In het ruimtelijk concept voor de toekomstige situatie is te zien wat de invloed is van het slopen van de agrarische bebouwing op de achtererven. Hierdoor ontstaat een prachtige zichtlijn die de openheid van de Eempolder verbindt met de openheid van de Soester Eng aan de andere kant van de spoorlijn Baarn-Utrecht. Daarnaast verdwijnt op alle plekken op de Lange Brinkweg het zicht op de bebouwing op het achtererf. Alleen dit is al een enorme landschappelijke meerwaarde van de voorgestelde ontwikkeling. De erven zelf bestaan uit een afwisseling van beplanting en bebouwing, waarbij de hoogste elementen de losstaande bomen op het erf zouden moeten zijn.

Voor die inpassing is het van belang dat het erf een opgaand samenhangend geheel vormt in het open landschap. Het erf moet daarom een compact geheel vormen met zachte randen voorzien van opgaand groen. Aan de achterzijde van het perceel, op de overgang naar de polder, is opgaande beplanting niet op zijn plaats. Het inpassingsplan beschrijft de landschappelijke aankleding van de ruimtelijke ingreep en de aanvullende maatregelen om de beleving van de openheid van de Eempolder te vergroten. De beschrijving van het landschappelijk inpassingsplan gebeurt aan de hand van de verschillende structurele elementen: 1. Zichtlijn tussen 97a en 99; 2. Zichtlijn ten zuidoosten van 99; 3. De overgang van de achtererven naar de polder; 4. Maatregelen bestaande groen voorerven.

1

Kien Ontwerp B.V., Landschappelijke inpassing Lange Brinkweg 97a en 99, 227.01, Amersfoort, 26 oktober 2021

Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 97a en 99

11

Hoofdstuk 3. Beleidskaders 3.1. Inleiding Dit hoofdstuk geeft een overzicht van de inhoud van het ruimtelijk relevante beleid voor het plan op rijks-, provinciaal- en lokaal niveau. Dit beleid vormt het kader van toetsing van de huidige situatie en nieuwe ontwikkelingen. Het beschreven beleidskader is daarmee een van de belangrijkste bouwstenen voor de visie op het plangebied en de opzet van de juridische regelingen.

3.2. Rijksbeleid 3.2.1. Nationale Omgevingsvisie De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is op 11 september 2020 vastgesteld. De NOVI vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012). De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. Vanwege het uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet komt de NOVI als structuurvisie uit onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als de Nationale Omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld. In de NOVI geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI bestaat uit een visie, toelichting en uitvoeringsagenda. De combinatie van deze drie documenten zorgt voor een toetsing die leidt tot nationale strategische keuzes en gebiedsgericht maatwerk. De NOVI geeft weer voor welke uitdagingen Nederland staat, wat daarbij de nationale belangen zijn, welke prioriteiten de Rijksoverheid stelt bij de inrichting van Nederland en hoe het Rijk keuzes maakt in de uitvoering daarvan. Keuzes die samenhangen met toekomstbeelden over de fysieke leefomgeving, maatschappelijke opgaven en bijbehorende economische perspectieven.

Steeds duidelijker wordt dat de opgaven alleen goed aangepakt kunnen worden als dat in samenhang gebeurt, het ontwikkelpotentieel van heel Nederland optimaal wordt benut en gezorgd wordt voor een duurzame verbinding van alle delen van Nederland en met de landen om ons heen. Het beleid in de leefomgeving is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de betrokken overheden. De NOVI geeft aan waar het Rijk zich op nationale schaal aan bindt, waar het regie voert richting medeoverheden of waar het juist aan de medeoverheden is om keuzes te maken. Provincies en (samenwerkende) gemeenten zullen in hun omgevingsvisies uiting geven aan hun eigen verantwoordelijkheid en keuzes in de fysieke leefomgeving. Met de NOVI wordt in beeld gebracht waar kansen liggen. Kansen om de kwaliteit van onze leefomgeving te verbeteren. Kansen om sociale samenhang, gezondheid en economisch herstel te bevorderen en kansen om schone, veilige en duurzame technieken, die bijdragen aan de beoogde transitie naar een circulaire samenleving – stevig te verankeren in onze manier van leven en werken. Daartoe zijn 21 nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de

Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 97a en 99

12

ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie 2. Een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel 3. Sterke en gezonde steden en regio's 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Prioriteit 1 gaat over de ambitie van Nederland om in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust te zijn. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, bijvoorbeeld voldoende groen en ruimte voor wateropslag in onze steden. Daarnaast gaat het ook over de ambitie van Nederland om in 2050 een duurzame energievoorziening te hebben. Dit vraagt ruimte, onder meer voor windmolens en zonnepanelen en de bijbehorende energie infrastructuur voor opslag en transport van duurzame energie. Bij prioriteit 2 wordt aangegeven dat de ambitie voor de lange termijn is: het duurzaam en circulair maken van de economie en energievoorziening en het versterken van de kwaliteit van de leefomgeving. Er wordt ingezet op een aantrekkelijke, gezonde en veilige omgeving en een goed vestigingsklimaat, inclusief een goede bereikbaarheid en duurzame mobiliteit.

Locaties van nieuwe kantoren, bedrijventerreinen, grootschalige logistieke functies en datacentra moeten passen bij het verkeers- en vervoersnetwerk, goed afgestemd zijn op de vraag van bedrijven én de economische vitaliteit en de kwaliteit en aantrekkelijkheid van stad en land versterken. Er wordt daarbij ingezet op actieve clustering van (grootschalige) logistieke functies op logistieke knooppunten langs (inter)nationale corridors. Nieuwvestiging van toerisme vindt bij voorkeur plaats buiten de huidige toplocaties en in de nabijheid van OV of bestaande aansluitingen op het hoofdwegennet. Bij prioriteit 3 word beschreven dat er wordt ingezet op het bouwen aan sterke, aantrekkelijke en gezonde steden. De ambitie is om een goed bereikbaar netwerk van steden en regio's te realiseren door te werken aan de verdere ontwikkeling van het Stedelijk Netwerk Nederland. De grote actuele woningbehoefte vraagt tegelijkertijd om oplossingen op korte termijn. Hieraan wordt een stevige impuls gegeven. De ontwikkeling vindt plaats in lijn met de ambities van de integrale verstedelijkingsstrategie, zo veel mogelijk in bestaand stedelijk gebied, klimaatbestendig en natuurinclusief. Grote open ruimten tussen de steden houden hun groene karakter. Het aanbod en de kwaliteit van het groen in de stad worden versterkt en de aansluiting op het groene gebied buiten de stad wordt verbeterd.

Bij prioriteit 4 wordt ingegaan op het belang van natuurlijke systemen en het landschap. In sommige regio's staan de natuurlijke systemen en het landschap onder druk. Soms is daar sprake van een verzakkende bodem, onder meer door een te laag waterpeil. Als het waterpeil omhoog gaat, kan dat gevolgen hebben voor de landbouw en de veeteelt. In sommige gebieden wordt het dan misschien logischer om duurzame energie te produceren in plaats van voedsel. Tegelijkertijd willen we de kwaliteiten van het landschap graag behouden om te kunnen recreëren en ook vanwege ons cultureel erfgoed.

Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 97a en 99

13

Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Ten behoeve van die afweging gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:  combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte;  kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere;  afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Planspecifiek Vanuit de vier prioriteiten is een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied het belangrijkste uitgangspunt. De gevestigde agrarische bedrijvigheid is inmiddels beëindigd.

Door de sloop van de bebouwing wordt de beleefbaarheid van de Eempolder versterkt. Door de bouw van twee compensatiewoningen krijgt het perceel weer een nieuwe duurzame toekomst. Van de 21 nationale belangen is, naast een duurzame ontwikkeling, het behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten, een nationaal belang dat relevant is voor de onderhavige ontwikkeling. De transformatie doet geen afbreuk aan het cultureel erfgoed. De planontwikkeling is niet in strijd met de uitgangspunten van de NOVI. 3.2.2. Ladder voor duurzame verstedelijking Uitgangspunt van de SVIR is dat de ruimte zorgvuldig wordt benut en overprogrammering wordt voorkomen. Om beide te bereiken, is de "Ladder voor duurzame verstedelijking" opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Sinds 1 juli 2017 dient in de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving bevat van de behoefte aan die ontwikkeling (trede 1), en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien (trede 2). Op grond van de jurisprudentie (AbRvS 18 december 2013, nr. 201302867/1/R4) wordt de bouw van drie woningen niet aangemerkt als stedelijke ontwikkeling.

In dit geval neemt het woningaantal met 2 toe. De ladder is in dit geval derhalve niet van toepassing. Het project past daarom binnen de beleidsdoelstellingen van de SVIR. 3.2.3. Archeologie Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. De uitgangspunten van het Verdrag van Malta vormen de basis voor de omgang met archeologie in deze wet. Samen met de in

Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 97a en 99

14

2022 in te voeren Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van het Nederlandse cultureel erfgoed mogelijk. In de Omgevingswet worden alle onderdelen rond de omgang met cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving samen gebracht. Tot de invoering van deze wet zullen alle over te nemen delen van de Monumentenwet uit 1988 van kracht blijven. Ze zijn opgenomen in het overgangsrecht in de Erfgoedwet. Op grond van de Monumentenwet is de gemeenteraad verplicht bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening te houden met de in de grond aanwezige of te verwachten archeologische waarden. Archeologische beleidskaart Deze waarden en verwachtingen zijn aangegeven op de gemeentelijk archeologische beleidskaart (versie 2016). Deze kaart is op basis van archeologische waarnemingen en vondsten en landschappelijke en historische gegevens tot stand gekomen. De archeologische beleidskaart is door het college van burgemeester en wethouders vastgesteld. De beleidskaart kent een onderverdeling in gebieden. Per gebied is een beleidsadvies geformuleerd. Naast archeologische Rijksmonumenten zijn er gebieden met een hoge archeologische waarde aangewezen. Ook is er een verdeling gemaakt tussen gebieden met een hoge, middelhoge en een lage archeologische verwachting.

Ter voldoening aan artikel 38a van de Monumentenwet nemen we in bestemmingsplannen een regeling ten aanzien van de gebieden met archeologische waarden en verwachtingen op, voor zover die al niet (anderszins) zijn beschermd via de Monumentenwet. Regeling in het bestemmingsplan Gezien de daarbij betrokken belangen en de wettelijke plicht om in de bestemmingsplannen nadrukkelijk rekening te houden met archeologie wordt in voorkomende gevallen gekozen voor een dubbelbestemming. Het opnemen van een dubbelbestemming brengt goed tot uitdrukking dat archeologie op zichzelf dient te worden beoordeeld en ten opzichte van de medebestemming van primair belang is. De dubbelbestemming omvat een eigen stelsel van regels voor bouwen en gebruik, dat functioneert naast (of boven) de regeling die is verbonden aan de onderliggende bestemming. 3.2.4. Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming (Wnb) vervangt vanaf 1 januari 2017 de Flora- en faunawet, Boswet en Natuurbeschermingswet 1998 en is het sluitstuk van de decentralisatie van het natuurbeleid van het Rijk naar de provincies, onder andere vastgelegd in het Bestuursakkoord Natuur (2011) en het Natuurpact (2013). Hiertoe maakt de Wnb onderscheid in het beschermen van gebieden (hoofdstuk 2), dier- en plantensoorten (hoofdstuk 3) en houtopstanden (hoofdstuk 4).

De Wnb gaat in op de bescherming van natuurgebieden van Europees belang die behoren tot het zogenoemde Natura-2000-netwerk. In feite verandert er niet veel ten opzichte van de

Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 97a en 99

15

Natuurbeschermingswet 1998. Natura 2000-gebieden zijn belangrijke delen van het NNN en dragen veel bij aan het bereiken van een goede biologische diversiteit. De provincies zijn vanaf 1 januari 2017 verantwoordelijk voor het beleidsveld natuur en krijgen te maken met extra taken, bevoegdheden en verplichtingen, waarbij het nieuwe stelsel de Europese regelgeving als uitgangspunt neemt. De provincies hebben de opdracht om de Wnb nader uit te werken in een provinciale Natuurvisie die de strategische hoofdlijnen van het natuurbeleid moet weerspiegelen. Uit de ecologische quickscan (zie paragraaf 4.4) blijkt dat de Wnb geen belemmeringen met zich meebrengt voor het onderhavige bestemmingsplan. 3.2.5. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. Het NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur. Het NNN bestaat uit:  bestaande natuurgebieden, reservaten, natuurontwikkelingsgebieden en zogenaamde robuuste verbindingen;  landbouwgebieden met mogelijkheden voor agrarisch natuurbeheer (beheergebieden);  grote wateren (zoals de kustzone van de Noordzee, het IJsselmeer en de Waddenzee).

Het NNN is opgenomen in de Interim Omgevingsverordening van de provincie Utrecht. Het plangebied ligt niet binnen het NNN. 3.2.6. Nationaal bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW 2003) is samen met provincies, waterschappen en gemeenten, het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. Daarbij is vastgelegd op welke wijze, met welke middelen en langs welk tijdpad zij gezamenlijk de wateropgave voor Nederland in de 21e eeuw willen aanpakken. Aanleiding voor het akkoord vormen de structurele veranderingen die zich voordoen in de aard en omvang van de nationale waterproblematiek. Klimaatveranderingen, zeespiegelstijging, bodemdaling en verstedelijking maken een nieuwe aanpak in het waterbeleid noodzakelijk. Kern van die aanpak is dat water meer ruimte zal moeten krijgen voordat het die ruimte zelf neemt. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen van de dijken en het verminderen van wateroverlast door piekbuien door het hebben van "droge voeten". Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan duurzame ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen. In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. In 2008 is het NBW geactualiseerd. Het NBW-actueel benadrukt de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het op orde krijgen en houden van het totale watersysteem.

Het geeft aan welke instrumenten ingezet worden om de opgave te realiseren, welke taken en verantwoordelijkheden iedere partij daarbij heeft en hoe partijen elkaar in staat willen stellen hun taken uit te voeren. Ook is een nieuwe fase aangebroken in het samenwerkingsproces, waarbij het zwaartepunt verschuift van planvorming naar uitvoering.

Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 97a en 99

16

3.2.7. Nationaal Waterplan In december 2015 is het Nationaal Waterplan 2016-2021 vastgesteld. In het plan zijn de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het nationale ruimtelijke beleid beschreven. Met dit Nationaal Waterplan voldoet Nederland aan de Europese eisen die voortvloeien uit de Kaderrichtlijn Water (KRW), de Richtlijn Overstromingsrisico's (ROR) en de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KMS). In het Nationaal Waterplan 2016-2021 zijn verwerkt: hoofdlijnen van het nationaal waterbeleid, gewenste ontwikkelingen, de werking en de bescherming van de watersystemen in Nederland, benodigde maatregelen en ontwikkelingen, beheerplannen voor de stroomgebieden, beheerplannen voor de gebieden met overstromingsrisico, Mariene Strategie, Beleidsnota Noordzee en de functies van de rijkswateren. Het Nationaal Waterplan vormt het kader voor de regionale waterplannen en de beheerplannen. Er is geen formele hiërarchie tussen deze plannen, maar op grond van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (zoals het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel) kan bij het vaststellen van een regionaal waterplan of een beheerplan niet zo maar worden afgeweken van het Nationaal Waterplan. 3.2.8. Watertoets Bij ruimtelijke plannen geldt vanaf 1 november 2003 de wettelijke verplichting van een waterparagraaf/watertoets.

De watertoets is één van de pijlers van het Waterbeleid voor de 21e eeuw, waarin aan water een meesturende rol in de ruimtelijke ordening is toegekend. Met de watertoets wordt beoogd waterbeheerders vroegtijdig in het ruimtelijke ordeningsproces te betrekken. De watertoets betreft het hele proces van informeren, adviseren, afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van een waterparagraaf is een samenhangend beeld te geven van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met duurzaam waterbeheer en de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het voorkomen van negatieve effecten op de waterhuishouding staat bij de watertoets voorop. Dan pas komen inrichtingsmaatregelen en compensatie in beeld. Ten behoeve van dit bestemmingsplan is de digitale watertoets (zie paragraaf 4.33.2.8) ingevuld. Hieruit zijn geen belemmeringen naar voren gekomen voor de realisatie van woningen in het onderhavige plangebied. 3.2.9. De Europese kaderrichtlijn Water De Europese Kaderrichtlijn Water gaat er vanuit dat water geen gewone handelswaar is, maar een erfgoed dat moet worden beschermd en verdedigd. Het hoofddoel van de richtlijn is daarop gebaseerd. De Kaderrichtlijn Water geeft het kader voor de bescherming van landoppervlaktewater, overgangswater, kustwater en grondwater.

Dat moet er toe leiden dat:  aquatische ecosystemen en gebieden die rechtstreeks afhankelijk zijn van deze ecosystemen, voor verdere achteruitgang worden behoed;

Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 97a en 99

17

 verbetering van aquatisch milieu wordt bereikt, onder andere door een forse vermindering van lozingen en emissies;

 duurzaam gebruik van water wordt bevorderd op basis van bescherming van de beschikbare waterbronnen op lange termijn;

 er wordt gezorgd voor een aanzienlijke vermindering van de verontreiniging van grondwater. In paragraaf 4.3 wordt nader ingegaan op het aspect water binnen het plangebied. 3.2.10. Wet gemeentelijke watertaken In de Wet Verankering en bekostiging Gemeentelijke Watertaken is de verbreding van het gemeentelijke rioolrecht tot een bestemmingsheffing geregeld. Hiermee kunnen gemeenten ook voorzieningen bekostigen voor regenwaterafvoer en de aanpak van grondwaterproblemen in bebouwd gebied. De nieuwe wet is per 1 januari 2008 in werking getreden. Gemeenten hebben via een zorgplicht een formele rol toegekend in de aanpak van stedelijke grondwaterproblemen. Het gemeentelijke grondwaterbeleid moet zijn opgenomen in het gemeentelijk rioleringsplan (GRP). Indien er in het bebouwd gebied sprake is van structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aanwezige bestemming, dan heeft de gemeente een zorgplicht. Dit betekent dat de gemeente maatregelen moet nemen waarmee de problemen zoveel mogelijk voorkomen worden. De gemeentelijke zorgplicht geldt alleen als het gaat om maatregelen die doelmatig zijn en niet tot de verantwoordelijkheid van het waterschap of provincie behoren. Ook is de gemeente verantwoordelijk voor de doelmatige inzameling van afstromend hemelwater, voor zover de perceelseigenaar dit water zelf niet kan verwerken.

Alle voorzieningen die direct of indirect samenhangen met de gemeentelijke stelsels voor afvalwater, hemelwater en grondwater kunnen uit de verbrede rioolheffing worden bekostigd. Iedere gemeente dient de grondwaterzorgplicht te concretiseren naar de eigen lokale situatie. Er is beleidsruimte om op gemeentelijk niveau vast te stellen wanneer er bijvoorbeeld sprake is van structurele overlast en welke minimale ontwateringsdiepte gewenst is.

3.3. Provinciaal beleid 3.3.1. Omgevingsvisie Provincie Utrecht Op 10 maart 2021 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie Provincie Utrecht vastgesteld. De Omgevingsvisie is op 1 april 2021 in werking getreden. Met vaststelling van de Omgevingsvisie en de (Interim) Omgevingsverordening provincie Utrecht leggen Provinciale Staten de integrale lange termijn ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving van de provincie Utrecht vast (Omgevingsvisie) en de juridische doorwerking hiervan (Omgevingsverordening). De Omgevingsvisie is een samenvoeging van onder andere de ruimtelijke structuurvisie, mobiliteitsvisie, natuurvisie en het bodem-, water- en milieuplan.

Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 97a en 99

18

De Omgevingsvisie van de provincie Utrecht bevat een uitwerking in thema's en in gebieden. De uitwerking is in 7 thema's gevat:  stad en land gezond;  klimaatbestendig en waterrobuust;  duurzame energie;  vitale steden en dorpen;  duurzaam, gezond en veilig bereikbaar;  levend landschap, erfgoed en cultuur;  toekomstbestendige natuur en landbouw. In de Omgevingsvisie staan zowel de ambities, als de wijze waarop de provincie daar uitvoering aan wil geven. De uitwerking in gebieden valt uiteen in drie regio's: U16, Amersfoort en Food-valley. Soest behoort tot de regio Amersfoort. In de uitwerking van het beleid brengt de provincie gebiedsgericht samenhang aan tussen de thematische ambities. Eemland is één van de vijf karakteristieke landschappen van de provincie Utrecht. Kernkwaliteiten van Eemland zijn extreme openheid, slagenverkaveling, veenweidekarakter, historie van de Zuiderzee, de hierin gelegen Grebbelinie en overgangsgebieden (bij Eemnes, Soest en Amersfoort). De provincie streeft naar de bescherming en het benutten van landschappelijke, aardkundige, cultuurhistorische en archeologische waarden als dragers en aanjagers van omgevingskwaliteit. Door toepassing van de ruimte-voor-ruimte regeling neemt het bebouwingsareaal af en wordt de openheid versterkt.

Als een agrarisch bouwperceel geheel vrijkomt is het beleid gericht op sloop van overbodig geworden bedrijfsbebouwing. Via de Omgevingsverordening is er in het landelijk gebied ruimte voor de bouw van één tot drie woningen (ruimte-voor-ruimte) of de vestiging van een niet-agrarische functie in ruil voor de sloop van een evenredige oppervlakte aan bedrijfsbebouwing. Daarbij is het uitgangspunt dat alle bedrijfsmatige bebouwing moet worden gesloopt. Naar mate er meer wordt gesloopt, is er meer ontwikkelruimte. De onderhavige planontwikkeling past binnen de uitgangspunten van de Omgevingsvisie Provincie Utrecht. 3.3.2. Interim Omgevingsverordening Omdat de Omgevingswet naar verwachting pas op 1 januari 2022 in werking treedt, is het nodig om in plaats van de Omgevingsverordening een Interim Omgevingsverordening te maken. De Omgevingsverordening kan namelijk niet onder de huidige wetgeving in werking treden. Dat kan alleen onder de nieuwe Omgevingswet. Om toch eerder uitvoering te kunnen geven aan de plannen en ambities uit de Omgevingsvisie, is op 1 april 2021 de Interim Omgevingsverordening in werking getreden. Doel van de verordening is om provinciale belangen op het gebied van de ruimtelijke ordening te laten doorwerken naar het gemeentelijk niveau.

Hierbij kan worden gedacht aan het NatuurNetwerk Nederland (NNN) en bebouwingsmogelijkheden in het stedelijk en het landelijk gebied.

Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 97a en 99

19

Het NatuurNetwerk Nederland (NNN) is een robuust netwerk, gevormd door bestaande natuurgebieden, nieuwe nog te realiseren natuurgebieden en verbindingszones tussen de natuurgebieden. Enkele beheersgebieden maken ook onderdeel uit van de NNN. Dit zijn landbouwgebieden waar agrarisch natuurbeheer wordt ingezet om een bijdrage te leveren aan de biodiversiteit, én aan het functioneren van de NNN. Het plangebied ligt buiten de NNN en zijn er vanuit dit oogpunt geen belemmeringen voor de onderhavige planontwikkeling. Het plangebied ligt net buiten de rand van het 'stedelijk gebied' in het 'landelijk gebied'. Verstedelijking is in principe alleen mogelijk in het stedelijk gebied. Op grond van artikel 9.2 van de Interim Omgevingsverordening staat een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen landelijk gebied geen verstedelijking toe, tenzij in deze verordening anders is bepaald. Verstedelijking wordt daarbij gedefinieerd als: 'de vestiging of uitbreiding van al bestaande stedelijke functies. Denk daarbij aan nieuwvestiging of de vergroting van de gebruiks-oppervlakte of bebouwingsmogelijkheden ten opzichte van het geldende bestemmingsplan.' Artikel 9.11 heeft betrekking op ruimte-voor-ruimte.

Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Landelijk gebied kan bestemmingen en regels bevatten die op agrarische bedrijfspercelen waar het agrarisch gebruik is beëindigd de bouw van één of meerdere nieuwe woningen toestaan, mits voldaan is aan de volgende voorwaarden: a. het bouwperceel is niet optimaal gesitueerd en uitgerust voor de grondgebonden landbouw of, in geval van een glastuinbouwbedrijf, het bouwperceel ligt niet in een concentratiegebied glastuinbouw; b. alle bedrijfsbebouwing op de betrokken bouwpercelen wordt gesloopt, tenzij het gaat om historisch waardevolle of karakteristieke bebouwing of bedrijfswoning. De historisch waardevolle of karakteristieke bebouwing krijgt een passende functie die bijdraagt aan dat behoud. Wanneer 750 m² tot 2.500 m² aan bebouwing wordt gesloopt, is de bouw van één nieuwe woning toegestaan. Wanneer 2.500 m² tot 4.000 m² aan bebouwing wordt gesloopt, is de bouw van twee woningen toegestaan. Wanneer er 4.000 m² of meer aan bebouwing wordt gesloopt, is de bouw van drie woningen toegestaan. Voor kassen geldt dat er 5.000 m² aan bedrijfsbebouwing wordt gesloopt voor één woning. Afwijking van de vereiste sloopoppervlakten, het aantal te bouwen woningen en van de verplichting om het totaal aan bedrijfsbebouwing te slopen, is mogelijk mits dit leidt tot verhoging van de ruimtelijke kwaliteit; c.

de nieuwe woning of woningen worden gesitueerd binnen de voormalige bouwpercelen, in samenhang met de te handhaven boerderij of bedrijfswoning, de betrokken bouwpercelen worden evenredig verkleind en de woningen worden landschappelijk goed ingepast, tenzij situering van de nieuwe woning op een andere locatie in het landelijk gebied leidt tot verhoging van de ruimtelijke kwaliteit; en d. de omliggende agrarische bedrijven worden niet in hun bedrijfsvoering belemmerd. In het plangebied wordt 2.136 m² aan voormalige agrarische bedrijfsbebouwing geamoveerd. Op beide percelen wordt meer dan 750 m² gesloopt (zie afbeelding 5). Op de kaart 'Cultuurhistorie en Landschap kaart 2' die bij de verordening hoort, ligt de schuilstal in het gebied dat is aangeduid als 'Landschap Eemland'. Op grond van artikel 7.9,

Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 97a en 99

20

lid 3 mag een ruimtelijk besluit voor gronden die zijn aangewezen als 'landschap' geen nieuwe bestemmingen en regels bevatten die leiden tot een onevenredige aantasting van de in het plangebied voorkomende kernkwaliteiten. Gelet op de zeer beperkte omvang van de schuilstal en de sloop van een veel groter areaal aan voormalige agrarische bedrijfsbebouwing, is er geen sprake van een aantasting van de kernkwaliteiten. Uit de Interim Omgevingsverordening vloeien verder geen specifieke aandachtspunten voor de onderhavige planontwikkeling voort. De Interim Omgevingsverordening heeft daarom geen gevolgen voor het voorliggende bestemmingsplan.

3.4. Regionaal beleid 3.4.1. Waterbeheerprogramma met meerjarenraming 2016 - 2021 Op 30 september 2015 heeft het Waterschap Vallei en Eem het Waterbeheerprogramma vastgesteld. Dit Waterbeheerprogramma (WBP), dat op 1 januari 2016 in werking is getreden, geeft de koers van het waterschap aan en wordt bewust neergezet als een 'programma' en niet meer als een waterbeheerplan. Met het WBP als programma wordt aangesloten bij het Bestuursakkoord Water. Binnen de kaders van de Waterwet, de Europese Kaderrichtlijn Water en de Deltabeslissingen beschrijft het waterschap hoe wordt gewerkt aan de wateropgaven. Ook wordt alvast ingespeeld op de nieuwe wetgeving omtrent ruimtelijke ordening, waarmee dit WBP ook na de inwerkingtreding van de Omgevingswet houdbaar is. In het WBP is ook de meerjarenraming voor de periode 2016-2021 opgenomen.

3.5. Gemeentelijk beleid 3.5.1. Structuurvisie Soest Op 10 september 2009 is door de gemeenteraad de Structuurvisie Soest vastgesteld. In deze structuurvisie is aangegeven dat een levendig dorp vraagt om het actief inspelen op ontwikkelingsmogelijkheden op velerlei gebied. Alle bevolkingsgroepen moeten kunnen blijven wonen, werken en gebruik maken van voorzieningen. Gestreefd wordt naar een evenwichtige bevolkingsopbouw, waarbij gebouwd wordt voor de eigen bevolking en een kleine instroom. Het woningbouwprogramma moet vooral een kwalitatieve invulling krijgen die aansluit bij de specifieke doelgroepen, zoals jongeren/starters en senioren. Daarmee wordt de doorstroming bevorderd en komen er woningen beschikbaar voor alle bevolkingsgroepen. Dit is nodig voor een evenwichtige bevolkingsopbouw en het in standhouden van het voorzieningenpeil. Bovendien is buitenstedelijk wonen een gewenst woonmilieu. Soest biedt daarvoor binnen de regio een oplossing. Op basis van een studie naar de huidige en gewenste identiteit van Soest is de volgende missie geformuleerd: Soest wil nu en in de toekomst een groen èn levendig dorp zijn. Soest wil een dorp blijven met het kleinschalige karakter dat daarbij past. Bouwen binnen de bebouwde kom heeft in beginsel de voorkeur. Voor grotere woningbouwlocaties is in de structuurvisie een kaart opgenomen.

Daartoe behoort de locatie aan de Lange Brinkweg niet. De visie gaat niet in op individuele initiatieven.

Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 97a en 99

21

Langs de Lange Brinkweg is de aanduiding 'behoud dorpsrand en doorzicht' en het gebied ten noordoosten daarvan 'te behouden Eemvallei'. Door de afname van het bebouwingsareaal wordt het doorzicht en het open karakter van de Eemvallei versterkt. Afbeelding 7: Fragment structuurvisiekaart.

3.5.2. Masterplan Wonen Soest Op 20 mei 2020 heeft de gemeenteraad het Masterplan Wonen Soest vastgesteld. Aanleiding hiervoor is dat in de jaren voorafgaand aan de totstandkoming van dit Masterplan de druk op de woningmarkt sterk is toegenomen. Door de gestegen prijzen voor koopwoningen hebben mensen met een lager of middeninkomen minder mogelijkheden om een huis te kopen. Bovendien is het aantal woningzoekenden aanzienlijk groter dan het aanbod. Met name in een centraal gelegen regio als Soest. Het is daarom van groot belang om de komende jaren meer, en de juiste, woningen te bouwen. Met het vaststellen van het Masterplan Wonen Soest geeft de gemeenteraad richting aan de nieuwbouw in de kern Soest. Gestreefd wordt naar de realisatie van 700 tot 800 woningen in de kern Soest tot 2025. De focus ligt hierbij op het sociale en betaalbare segment. Daarmee zorgt de gemeenteraad ervoor dat voor de Soesters de zo gewenste woningen beschikbaar komen. Een randvoorwaarde daarbij is dat zorgvuldig met de ruimte en het buitengebied wordt omgegaan, om het woonmilieu waar Soest trots op is zoveel mogelijk te behouden en te versterken.

Het Masterplan Wonen heeft drie belangrijke uitgangspunten:  de woningbouw moet inspelen op de kwalitatieve woningbehoefte van de eigen inwoners;  met de woningbouw wordt gestreefd om doorstroming op de woningmarkt stimuleren;  gestreefd wordt naar een gevarieerd aanbod in de nieuwbouw (woningtype, eigendom en prijsklasse)

Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 97a en 99

22

In 2019 is de kwantitatieve woningbehoefte in de gemeente Soest onderzocht. Dit onderzoek leverde een woningbehoefte van 770 woningen op voor de periode tot en met 2025. Deze behoefte wordt al deels ingevuld met bestaande plannen, waardoor de resterende woningbehoefte uitkomt op 635 woningen. Hiervoor zijn ruim 50 woningbouwlocaties beschikbaar, die samen goed zijn voor ongeveer 1.000 woningen. De kwalitatieve woningbehoefte in Soest richt zich de komende jaren op twee soorten woningen:  huurappartementen: een vraag van senioren die willen verhuizen naar een levensloopgeschikte woning;  betaalbare koopwoningen voor starters, jonge doorstromers en (in beperkte mate) senioren die een koopappartement zoeken. Het beleid is der daarom gericht met de nieuwe plannen te voorzien in deze kwalitatieve vraag, maar ook de doorstroming op de woningmarkt stimuleren en zorgen voor voldoende gevarieerd aanbod. Het Masterplan gaat echter niet in op de ruimte-voor-ruimte-regeling die is opgenomen in de provinciale interim omgevingsverordening. De planontwikkeling voldoet aan de uitgangspunten van die regeling. Het is daarom niet nodig en niet realistisch om nadere voorwaarden te stellen wat betreft woningtype, prijsklasse, doelgroep enzovoort. Ladder voor duurzame verstedelijking Zoals eerder opgemerkt is de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing op onderhavige ontwikkeling.

Wellicht ten overvloede kan worden opgemerkt dat in het plangebied 2 nieuwe vrijstaande woningen worden gebouwd. Deze woningen voorzien in de vraag naar (ruime) grondgebonden woningen. Ook in kwantitatief opzicht past het bouwprogramma in de nieuwbouwopgave die de gemeente Soest in de Bouwsteen Wonen heeft geformuleerd. 3.5.3. Gemeentelijk verkeer- en vervoersplan In 2008 heeft de gemeente het Gemeentelijke verkeer- en vervoersplan (GVVP) vastgesteld. Verkeer- en vervoerstromen zijn de laatste decennia sterk aan verandering onderhevig. Ruimtelijke en economische ontwikkelingen en de hiermee samenhangende, groeiende vraag naar mobiliteit zijn daarvan de oorzaken. Alle verkeer- en vervoerstromen moeten in goede banen worden geleid. Er moet tijdig ingespeeld kunnen worden op ontwikkelingen en de overlast van verkeer moet zoveel mogelijk worden ingeperkt. De bereikbaarheid van de gemeente Soest is van groot belang voor de ruimtelijke en economische ambities. Om de bereikbaarheid ook in de toekomst te kunnen waarborgen wordt ingezet op de regionale pakketstudies. In regionaal verband wordt bekeken hoe de doorstroming op het hoofdwegennet (de rijkswegen) en het onderliggende wegennet kan worden verbeterd.

Ontwerp Partiële herziening Bestemmingsplan Landelijk Gebied, Lange Brinkweg 97a en 99

23

Binnen de gemeente zal de verkeersveiligheid en de doorstroming verbeterd worden door functionele weginrichting. De inrichting van de weg dient aan te sluiten bij de functie van de weg. De belangrijkste knelpunten op het gebied van de verkeersveiligheid zullen de komende jaren worden aangepakt. De Lange Brinkweg behoort niet tot de hoofdwegenstructuur. In het GVVP is opgenomen dat vraag en aanbod naar parkeerplaatsen met elkaar in balans moeten blijven. In verband daarmee heeft de gemeenteraad op 18 februari 2010 de Beleidsnota parkeernormen en parkeerfonds (1e herziening) vastgesteld. Op 28 september 2017 is deze beleidsnota voor het laatst herzien. In paragraaf 3.5.7 is aangetoond aan de parkeernormering wordt voldaan. De woningbouw op het perceel Lange Brinkweg 97a en 99 voldoet aan de uitgangspunten en doelstelling van het gemeentelijk verkeer- en vervoersplan. 3.5.4. Groenstructuurplan In het Groenstructuurplan van de gemeente Soest ("Staalkaart in het Groen") is de hoofdgroen- en bomenstructuur voor het stedelijk gebied aangegeven. Het Groenstructuurplan beschrijft het groen binnen de bebouwde kommen van Soest en Soesterberg en de kern Soestduinen. Het plangebied behoort niet tot de hoofdgroenstructuur. 3.5.5. De groene kernkwaliteit van Soest 2014 In de nota De groene kernkwaliteit van Soest (2014) is het groenbeleid van de gemeente Soest vastgelegd.

De gemeente Soest heeft een uitgebreide groenstructuur zowel binnen de bebouwde kom als in het groene buitengebied. Daarbij zijn nog veel landschappelijke cultuurhistorische elementen aanwezig. De kernkwaliteit van het groen in Soest bestaat uit een combinatie van visueel-ruimtelijke, functioneel-ruimtelijke en economische kwaliteiten. Het groen op dorps- en wijkniveau draagt bij aan de collectieve beleving van de groene kernkwaliteit, waarbij bomen de belangrijkste groenelementen zijn. Het groen dat bepalend is voor de groene kernkwaliteit is vastgelegd op de groenstructuurkaart. Het doel van de nota en de groenstructuurkaart is:  het behouden en versterken van de groene kernkwaliteit van Soest;  het herstel van landschappelijke cultuurhistorische elementen;  het bieden van kaders voor het herstel van lanenstructuren en landschappelijke cultuurhistorische elementen. Het plangebied vormt geen onderdeel van het structureel groen in Soest. De woningen krijgen ruime tuinen. 3.5.6. Bescherming en kap van bomen 2012 In de nota Bescherming en kap van bomen (2012) is het beleid rondom het duurzaam beschermen van bomen en de regels voor het kappen vastgelegd. De te beschermen bomen zijn onderverdeeld in 5 categorieën:  bomenstructuren zoals vastgelegd op de groenstructuurkaart, en de parkwijken;

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Soest&id=0f7ee862-5a24-481f-8c92-f28e2d2ecfad