4a 2 Bijlage 1 Toelichting regels en bijlagen bp Kampweg 2 te Soesterberg.pdf
Tekst van het document
Er zijn 2 boringen doorgezet tot een diepte van 2,0 m-mv. Uit de resultaten van het verkennend onderzoek blijkt het volgende: De bodem bestaat tot op de maximale boordiepte van 2 m-mv uit zwak siltig zand met een humushoudende bovengrond. Zintuiglijk zijn geen bijzonderheden waargenomen. In de boven- en ondergrond is geen van de geanalyseerde parameters aangetroffen in een gehalte boven de achtergrondwaarde. Er heeft geen onderzoek van het ondiepe grondwater plaatsgevonden aangezien het grondwater zich op een diepte van meer dan 5,0 meter beneden maaiveld bevindt.
Soesterberg - Kampweg 2
30
Geconcludeerd wordt dat de hypothese 'onverdacht' kan worden geaccepteerd. De milieuhygiënische bodemkwaliteit is afdoende bekend. 5.3.3
Conclusie
Op basis van de resultaten van het bodemonderzoek blijkt dat de milieuhygiënische bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor een plan wijziging of verlening van een omgevingsvergunning (bouwen). 5.4
Cultuurhistorie en archeologie
5.4.1
Wettelijk kader
Vanaf 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Doelstelling van de wet is de bescherming en het behoud van archeologische en cultuurhistorische waarden. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met het erfgoed van nationaal belang wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarin heeft en hoe het toezicht wordt geregeld. Als gevolg van deze wet wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het erfgoed meegewogen zoals alle andere aspecten die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen. 5.4.2
Cultuurhistorie
De gemeenteraad van Soest heeft op 25 april 2013 ingestemd met het opstellen van een Cultuurhistorische Waardenkaart (CHWK). Op 27 mei 2014 hebben burgemeester en wethouders van Soest ingestemd met een als zodanig opgestelde cultuurlandschappelijke en historisch-stedenbouwkundige waarderingskaart en een cultuurhistorische kenmerkenkaart met bijbehorend onderzoeksrapport. Alsook hebben burgemeester en wethouders besloten de gedane beleidsadviezen af te wegen en voorstellen te ontwikkelen over in welke mate en op welke wijze de daarvoor in aanmerking komende beleidsadviezen kunnen worden vertaald in concreet beleid in de ruimtelijke plannen. Monumentenverordening gemeente Soest De 'Monumentenverordening gemeente Soest' verbiedt het om binnen de grenzen van een beschermd dorpsgezicht gebouwen geheel of gedeeltelijk af te breken. Dit geldt ook voor de dorpsgezichten op de gemeentelijke monumentenlijst. Het monumentenbeleid van de gemeente Soest is erop gericht dat wenselijke of noodzakelijke veranderingen binnen een dorpsgezicht flexibel, maar verantwoord, kunnen worden ingepast in de cultuurhistorische omgeving. Het pand kent geen aanduiding als rijks- of gemeentelijk monument en is niet aangemerkt als beeldbepalend of karakteristiek in het geldende bestemmingsplan. Ook worden de omgeving en het landschap niet aangeduid als cultuurhistorisch waardevol.
Geconcludeerd kan worden dat met de gewenste ontwikkeling geen schade wordt toegebracht aan bestaande cultuurhistorische panden of structuren. Wel zal er middels het voorliggende ontwerp met respect worden omgegaan met de bestaande bebouwing. 5.4.3
Archeologie
Gemeenten zijn verplicht om bij het vaststellen van bestemmingsplannen rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden. Het plangebied heeft een dubbelbestemming met betrekking tot archeologie. Er geldt een lage verwachting. Dit betekent dat er bij ingrepen dieper dan 30 cm op een gebied groter dan 10.000 m² een archeologisch onderzoek nodig is. Gezien de beperkte aard van de bodemroerende werkzaamheden is nader onderzoek in het kader van archeologie is dus ook niet noodzakelijk. Voorts geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren.
Soesterberg - Kampweg 2
31
5.4.4
Conclusie
Met de gewenste ontwikkeling worden cultuurhistorische panden of structuren niet aangetast. Voorts vindt de ontwikkeling niet plaats in beschermd archeologisch gebied. Er zijn dan ook geen belemmeringen vanuit cultuurhistorie en archeologie voor onderhavig initiatief. 5.5
Luchtkwaliteit
5.5.1
Wettelijk kader
Wet milieubeheer De hoofdlijnen voor luchtkwaliteitseisen staan in de Wet milieubeheer (Wm). Het verkeer langs drukke wegen kan voor overschrijdingen van grenswaarden (concentraties) voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) zorgen. Aspecten van de Wm worden in afzonderlijke uitvoeringsregelingen uitgewerkt. De belangrijkste zijn: Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen), ook wel Besluit NIBM; Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen), ook wel Regeling NIBM; Besluit gevoelige bestemmingen. Het Besluit NIBM legt vast wanneer een project met ruimtelijke gevolgen niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. Hiervan is sprake als aannemelijk is, dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van minder dan 3%. Deze 3 %-grens is van toepassing sinds 2009 toen het Nationaal Samenwerkingprogramma Lucht in werking trad. In de Regeling NIBM is onder andere voor kantoren en woningen aangegeven bij welke eenheden/ aantallen de 3%-grens wordt overschreden en er luchtkwaliteitberekeningen of luchtkwaliteit-onderzoek nodig is. Voor woningen is in de Regeling NIBM het maximale aantal van 1.500 nieuwe woningen gesteld uitgaande van de 3%-grens.
Het Besluit gevoelige bestemmingen is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof en stikstofdioxide, vooral kinderen, ouderen en zieken. Daarom voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteit-onderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, in beide gevallen gemeten vanaf de rand van de weg. Als in zo'n onderzoekzone de grenswaarden voor fijn stof of stikstofdioxide (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen, dat hoort bij een 'gevoelige bestemming' niet toenemen. Vestiging van bijvoorbeeld een school is dan niet toegestaan. Bij uitbreidingen van bestaande gevoelige bestemmingen is een eenmalige toename van maximaal 10% van het totale aantal blootgestelden toegestaan. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming: scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het besluit geldt voor nieuwbouw, uitbreiding van gevoelige bestemmingen én voor functiewijziging van bestaande gebouwen naar een gevoelige bestemming. Is (dreigende) normoverschrijding niet aan de orde, dan is er ook geen bouwverbod voor gevoelige bestemmingen binnen de onderzoekszone. 5.5.2
Beoordeling
De ontwikkeling kan, gezien de beperkte omvang, aangemerkt worden als een project dat niet in betekenende mate van invloed is op de luchtkwaliteit. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM niet noodzakelijk. Er behoeft dus niet getoetst te worden aan de grenswaarden. 5.5.3
Conclusie
Het project kan worden beschouwd als een NIBM-project. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan dan ook achterwege blijven.
Soesterberg - Kampweg 2
32
5.6
Parkeren en verkeer
5.6.1
Beleid
De planlocatie ligt binnen de begrenzing van het bestemmingsplan 'Parapluplan Retail en Nota parkeernormen auto en fiets'. Dit bestemmingsplan is een actualisering van een aantal geldende bestemmingsplannen. In 2008 heeft de gemeenteraad van Soest het Gemeentelijk Verkeer- en Vervoersplan (GVVP) vastgesteld. Daarin is opgenomen dat vraag en aanbod naar parkeerplaatsen met elkaar in balans moeten blijven. Het hebben van voldoende parkeerplaatsen levert immers een belangrijke bijdrage aan de bereikbaarheid, leefbaarheid en (economische) vitaliteit van Soest en Soesterberg. Dit is niet alleen een verantwoordelijkheid van de gemeente. De gemeente verwacht dat particulieren en bedrijven bij nieuwe ontwikkelingen zelf in voldoende mate in parkeerplaatsen voorzien en daar ook in investeren. Het reserveren van voldoende ruimte blijkt vaak een lastige opgave, waarbij de belangen van bewoners, bezoekers, bedrijven en winkeliers lijnrecht tegenover elkaar kunnen staan. Iedere ruimtelijke functie (wonen, werken, winkelen) trekt immers een bepaalde hoeveelheid autoverkeer aan en genereert daarmee ook een bepaalde parkeerbehoefte. Een parkeernorm is een getal dat aangeeft hoeveel parkeerplaatsen voor een dergelijke functie nodig zijn per eenheid of per oppervlakte.
Het hanteren van parkeernormen en het vasthouden aan de parkeereis bij ruimtelijke ontwikkelingen is van belang om de bereikbaarheid, leefbaarheid en economische vitaliteit te borgen. Met het paraplubestemmingsplan worden, na een tussentijdse evaluatie, de parkeernormen herzien. Voor de hele gemeente gelden dezelfde parkeernormen, met uitzondering van de winkelpromenade Soestdijk, winkelgebied Soest-Zuid en winkelgebied Rademakerstraat in Soesterberg. In deze gebieden geldt een afwijkende parkeernorm voor centrumfuncties (detailhandel, commerciële dienstverlening, supermarkt) en horeca. Voor de planlocatie geldt de gebiedsaanduiding 'Overige zone - parkeernormen auto en fiets' moet worden voldaan aan de parkeernormen zoals opgenomen in bijlage 1 van het parapluplan. Nota park eernormen auto en fiets 3e herziening, slimmer en beter 2017 In deze nota zijn de parkeernormen van de gemeente Soest vastgesteld. Deze parkeernormen gelden voor elke bouwactiviteit en/of wijziging van gebruik van een gebouw. De nota geeft uitleg over de berekening van de parkeereis en hoe daaraan te voldoen. Daarbij is ook de mogelijkheid van het college opgenomen om ontheffing te verlenen van de parkeereis tegen betaling van een afkoopsom. De gemeente neemt daarmee de verplichting van een ontwikkelaar over om parkeerplaatsen in de omgeving te realiseren.
Hiervoor heeft de gemeente een parkeerfonds opgericht. Op 28 september 2017 heeft de gemeenteraad van Soest de nota herzien. Met de herziening van de beleidsnota zijn ook fietsparkeernormen opgenomen. De aangepaste beleidsregel is op 30 november 2017 in werking getreden. Vanaf dat moment is het van belang om in het vigerende bestemmingsplan na te gaan welke nota voor welk perceel van toepassing is. Wordt in het bestemmingsplan niet verwezen naar een beleidsnota, dan geldt de nieuwe nota. 5.6.2
Parkeren
Om het parkeren in de huidige situatie inzichtelijk te maken wordt gekeken naar de laatst gebruikte functie, namelijk een kantoor met een bvo van 817 m². Conform de cijfers uit de parkeernota is het aantal benodigde parkeerplaatsen voor een dergelijke functie te bepalen. een kantoor heeft een parkeernorm van 1,9 parkeerplaats per 100 m² bvo. Bij 817 m² bvo is de parkeernorm 15,5 parkeerplaatsen. Op eigen terrein zijn er voor de kantoorfunctie zeven parkeerplaatsen beschikbaar. Dit betekent een parkeerbehoefte van 8,5 parkeerplaats in het openbaar gebied. Het benodigd aantal parkeerplaatsen in de nieuwe situatie kan eveneens berekend worden aan de hand van de bovengenoemde Nota uit 2017. Er geldt voor vier van de zes appartementen een parkeernorm van 2,0. Voor de overige twee (<121 m²) geldt een parkeernorm van 1,8. De gezamenlijk parkeerbehoefte is dus 11,6 parkeerplaatsen. Langs de Moerbessenberg worden vier parkeerplaatsen gerealiseerd. De parkeerplaatsen worden niet op eigen terrein gerealiseerd om het woongebouw in en groene setting te kunnen zetten, die aansluit bij de groene ruimte aan de Moerbessenberg.
Soesterberg - Kampweg 2
33
Daarnaast zijn er (afgerond naar boven) nog acht parkeerplaatsen nodig. Aangezien de huidige functie (kantoor) minstens vijftien parkeerplaatsen nodig had (waarvan 8,5 in de openbare ruimte) kan worden aangenomen dat er in de openbare ruimte voldoende parkeerplaatsen aanwezig zijn. 5.6.3
Verkeer
Het plangebied wordt ontsloten via de Kampweg. Dit is nu nog een 50 km/u weg die de Kampweg ontsluit met de Amersfoortsestraat. Er bestaan plannen om de Kampweg in de toekomst te herinrichten en hiervan een 30 km/u weg van de maken. De verkeersgeneratie kan berekend worden aan de hand van de kencijfers van de publicatie 'CROW 381 Toekomstbestendig parkeren' uit 2018. In de huidige situatie is een kantoor toegestaan. Aangezien het kantoor al een tijdje niet in gebruik is, zijn er geen gegevens berekend voor de bestaande situatie. In de gewenste situatie is de verkeersaantrekkende werking op dezelfde manier te bepalen. Voor een appartement is de verwachte verkeersgeneratie in een matig stedelijke gemeenten in het centrum 6,5 tot 7,3 mvt/etmaal per appartement. Dit komt in totaal neer op een verkeersaantrekkende werking van 39 tot 43,8 mvt/etmaal. Gezien de ligging van de planlocatie aan een redelijk doorgaande weg, die aansluit op de belangrijkste ontsluitingsweg door het centrum van Soesterberg en de verkeerssituatie ter hoogte van de planlocatie, wordt aangenomen dat dit niet tot problemen leidt met de verkeersafwikkeling in het plangebied. Daarnaast zijn de parkeerplaatsen aan de Moerbessenberg goed bereikbaar via de Kampweg. 5.6.4
Conclusie
Voorgenomen initiatief zal niet leiden tot verkeerskundige en/of parkeer technische problemen. Parkeren wordt enerzijds opgelost door de aanleg van zes parkeerplaatsen langs de Moerbessenberg en anderzijds in de openbare ruimte door het vrijkomen van 15 parkeerplaatsen welke konden worden toebedeeld aan de kantoorfunctie van het pand. 5.7
Geluidhinder
5.7.1
Wettelijk kader
Wegverkeerslawaai Langs alle wegen bevinden zich als gevolg van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones, behalve bij woonerven en 30 km-gebieden. Nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen, zoals woningen en scholen, binnen zones van wegen moeten worden getoetst aan de Wgh (artikel 74). De breedte van de zone langs wegen is afhankelijk van de ligging van een weg (in stedelijk gebied of buitenstedelijk) en van het aantal rijstroken. Bij nieuwe geluidgevoelige bestemmingen binnen zones langs wegen is akoestisch onderzoek nodig. Op basis van de uitkomsten kunnen zo nodig maatregelen worden overwogen. De voorkeursgrenswaarde voor nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen bedraagt veelal 48 dB(A). De uiterste grenswaarde bedraagt binnen de bebouwde kom 63 dB(A). De planlocatie ligt binnen een geluidzone van wegen. Er is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Deze wordt toegelicht in paragraaf 5.7.2. Spoorweglawaai De zonebreedte bij spoorwegen is volgens art. 106b van de Wet geluidhinder afhankelijk van het aantal sporen en de intensiteit van het gebruik. Bij nieuwe/gewijzigde geluidsgevoelige bestemmingen in de zone moet akoestisch onderzoek worden gedaan. Op basis van de uitkomsten kunnen zo nodig maatregelen worden overwogen. De voorkeursgrenswaarde en uiterste grenswaarde bedragen respectievelijk 55 en 68 dB(A). De planlocatie ligt niet binnen een geluidzone van spoorwegen.
Industrielawaai Rond industrieterreinen waarop de mogelijkheid aanwezig is tot vestiging van bedrijven, die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken, de zogenaamde grote lawaaimakers, moet op grond van art. 41 van de Wet geluidhinder een geluidzone worden vastgesteld. In deze zone gelden regels ten aanzien van
Soesterberg - Kampweg 2
34
nieuwbouw van geluidsgevoelige bestemmingen. Door middel van zonebeheer moet worden voorkomen, dat de geluidbelasting ten gevolge van de geluidemissie van de bedrijven gezamenlijk buiten de zone hoger wordt dan de voorkeursgrenswaarde. Binnen de zone moeten zonodig maatregelen worden getroffen en kan voor de geluidsgevoelige bestemmingen een hogere waarde worden vastgesteld. De voorkeursgrenswaarde en uiterste grenswaarde bedragen respectievelijk 50 en 60 dB(A). De planlocatie ligt niet binnen de begrenzing van industrielawaai. 5.7.2
Onderzoek / beoordeling
Het plangebied is niet gelegen binnen de geluidzone van een industrieterrein. Wel ligt het plangebied binnen de geluidzone van wegverkeer (gebiedsaanduiding - geluidzone -weg), namelijk van de Kampweg, de N237 - Amersfoortsestraat, Veldmaarschalk Montgomeryweg en de Banningstraat. Voor de Moerbessenberg, Rademakerstraat en Noorduyn geldt een maximale rijsnelheid van 30 km/uur. Ondanks het feit dat er geen sprake is van een geluidzone langs deze wegen, is in het voorliggende onderzoek, uitgevoerd door SPAWNP Ingenieurs, de geluidbelasting vanwege deze wegen toch berekend. Het rapport van het onderzoek is toegevoegd als bijlage 8. De overige wegen liggen op grotere afstand van het plangebied en/of de verkeersintensiteit is er dusdanig gering, dat deze wegen niet relevant zijn met betrekking tot de geluidbelasting. Uit het onderzoek blijkt het volgende: De geluidbelasting vanwege het verkeer op de gezoneerde wegen: de N237, de V. Montgomeryweg/ Kampweg en de Banningstraat bedraagt maximaal 48 dB. De geluidbelastingen vanwege het verkeer op deze wegen is niet hoger dan de voorkeurswaarde. De geluidbelasting van wege het verkeer op de niet-gezoneerde en 30 km/uur wegen: de Moerbessenberg, de Rademakerstraat en de Noorduyn bedraagt maximaal 48 dB. Dit is niet hoger dan de voorkeurswaarde uit de Wet geluidhinder, zoals deze geldt voor gezoneerde wegen.
Op basis hiervan wordt gesteld dat de geluidbelastingen vanwege het verkeer op de 30 km-wegen aanvaardbaar zijn. De gecumuleerde geluidbelasting, zonder aftrek art.110g Wgh, bedraagt maximaal 55 dB. 5.7.3
Conclusie
Vanuit akoestisch oogpunt zijn er geen belemmeringen voor onderhavig initiatief, zoals blijkt uit het akoestisch onderzoek. 5.8
Geur
5.8.1
Wettelijk kader
Wet geurhinder en veehouderij De “Wet geurhinder en veehouderij” (Wgv) 2006 geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken voor een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). Bij deze geurnorm, gemeten in odeur units, zijn slechts twee factoren van belang. In de eerste plaats of een geurgevoelig object binnen of buiten de bebouwde kom ligt. En ten tweede is het van belang of een geurgevoelig object in een gebied ligt waarvoor een reconstructieplan is bekendgemaakt. Op grond van de Wgv kan de gemeente geurbeleid ontwikkelen. Hiermee kan worden afgeweken van de wettelijke normen. Hiervoor moet wel een gebiedsvisie en een gemeentelijke verordening over geurhinder worden opgesteld. In de gemeente Soest wordt/is momenteel geurbeleid ontwikkeld. Het algemeen uitgangspunt van het geurbeleid is het zoveel mogelijk beperken van bestaande geurhinder en het voorkomen van nieuwe hinder. Dit uitgangspunt vormt samen met het toepassen van de Beste Beschikbare Technieken (BBT) de kern van het geurbeleid. Onderdeel van het geurbeleid is dat lokale overheden de uiteindelijke lokale afweging moeten maken, zodat zij rekening kunnen houden met alle relevante belangen. Het geurbeleid bestaat uit de volgende beleidslijnen: als er geen hinder is, zijn maatregelen niet nodig; als er wel hinder is, worden maatregelen op basis van BBT bepaald;
Soesterberg - Kampweg 2
35
voor bepaalde branches is het hinderniveau bepaald en in een bijzondere regeling vastgelegd; de mate van hinder, die nog acceptabel is, wordt vastgesteld door het bevoegd gezag; het landelijk geurbeleid is opgenomen in de NeR (Nederlandse emissierichtlijn lucht). 5.8.2
Conclusie
In de omgeving van de planlocatie zijn er geen veehouderijen gevestigd. met betrekking tot geur zijn er geen bezwaren voor de voorgenomen ontwikkeling. 5.9
Bedrijven en milieuzonering
5.9.1
Wettelijk kader
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid hebben als doel om de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven andere 'inrichtingen' enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. Oftewel het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate het milieu sterker wordt belast. Milieuzonering heeft twee doelen: voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; voldoende zekerheid bieden aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Soest hanteert voor het bepalen van de afstanden de VNG-uitgave "Bedrijven en Milieuzonering" uit 2009. Hierin staat een hele reeks van milieubelastende activiteiten met richtafstanden ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend. De afstanden worden gemeten tussen de grens van de milieubelastende bestemming en gevel van een milieugevoelige functie.
De richtafstanden zijn uitsluitend van toepassing voor nieuwe situaties (nieuwe ontwikkelingen) en niet voor bestaande situaties, waarbij het zo kan zijn, dat gevestigde milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies op een kleinere afstand van elkaar gesitueerd zijn. In bestaande situaties kan de afstand kleiner zijn dan de gewenste richtafstand. Naast de VNG brochure "Bedrijven en milieuzonering" kunnen er ook nog afstandscriteria uit specifieke milieuwetgeving gelden. Bijvoorbeeld uit de Wet milieubeheer, de agrarische geurwetgeving (Wgv) of de veiligheidsregelgeving (Bevi/Revi). Ook deze afstandscriteria worden meegenomen bij de beoordeling van de nieuwe ontwikkelingen. Rustige woonwijk Om een goede milieuzonering op te stellen is een analyse en beschrijving van de omgeving nodig. De richtafstanden van de VNG gelden standaard voor het omgevingstype rustige woonwijk. In een 'rustige woonwijk' zijn functies gescheiden: afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor. Langs de randen is weinig verstoring door verkeer. Vergelijkbaar met de 'rustige woonwijk' zijn 'rustig buitengebied', 'stiltegebied' en 'natuurgebied'. Voor al deze omgevingstypes gelden dezelfde richtafstanden. Gemengd gebied Naast het omgevingstype 'rustige woonwijk' hanteert de VNG ook het omgevingstype 'gemengd gebied'.
Als hier sprake van kunnen de richtafstanden tussen milieubelastende en milieugevoelige functies (vooral het aspect geluid) met één afstandsstap worden verlaagd, zonder dat dit ten koste gaat van het woonen leefklimaat. Het aspect geluid is in dit soort gebieden vaak maatgevend. Een gemengd gebied is een gebied met een variatie aan functies. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren ook tot het omgevingstype 'gemengd gebied'. Gezien de functiemenging of de ligging nabij drukke wegen kent het gemengd gebied een hogere milieubelasting. Dat rechtvaardigt het verlagen van de richtafstanden met één stap. De richtafstand van 30 meter voor een bedrijf in milieucategorie 2 kan dan bijvoorbeeld worden verkleind tot 10 meter.
Soesterberg - Kampweg 2
36
In onderstaande tabel zijn de richtafstanden per milieucategorie bij de omgevingstypen rustige woonwijk en gemengd gebied weergegeven. Milieucategorie
Richtafstand tot omgevingstype rustige w oonw ijk en rustig buitengebied
Richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied
1
10 m
0m
2
30 m
10 m
3.1
50 m
30 m
3.2
100 m
50 m
4.1
200 m
100 m
4.2
300 m
200 m
5.1
500 m
300 m
5.2
700 m
500 m
5.3
1.000 m
700 m
6
1.500 m
1.000 m
Tabel: relatie tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevingstype. Hiernaast gelden ten aanzien van bedrijven die onder de werkingssfeer van de Wet milieubeheer vallen, deze Wet en haar uitvoeringsbesluiten als toetsingskader voor de toegestane bedrijfshinder. 5.9.2
Onderzoek / beoordeling
Voor onderhavig project dient te worden getoetst of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen veroorzaakt voor bestaande functies in de omgeving en of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen ondervindt als gevolg van de milieuhinder van naburige bedrijven en/of bedrijvigheid. De omgeving van het plangebied kan gekarakteriseerd worden als gemengd gebied, gezien de ligging nabij de hoofdstructuur van Soesterberg (zie 5.9.1). In de nabijheid van de planlocatie (ten noorden) zijn diverse panden met de bestemming 'centrum'. Er zijn onder andere een galerij en een fietsenwinkel gelegen. Hiervoor geldt milieucategorie 1. Dit betekent dat er een richtafstand geldt van 0 meter. Voorts geldt dat boven de panden met een centrum functie reeds wonen is toegestaan, waardoor er een goed woon- en leefklimaat binnen de nieuwe woningen gerealiseerd kan worden. 5.9.3
Conclusie
Gelet op het voorgaande vormen de milieubelastende functies vanuit het oogpunt van milieuzonering geen belemmering voor de in dit plan besloten ruimtelijke ontwikkeling. Andersom leidt ontwikkeling van de appartementen niet tot milieutechnische problemen voor de omliggende milieugevoelige functies. Geconcludeerd kan worden dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is te achten met een goede ruimtelijke ordening. 5.10
Externe veiligheid
5.10.1
Wettelijk kader
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor inrichtingen is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) het belangrijkste toetsingskader. Hierin zijn bijvoorbeeld grenswaarden en oriënterende of richtwaarden opgenomen voor het zogenaamde plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Externe veiligheid heeft betrekking op de gevaren die mensen in de directe omgeving lopen als gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen inrichtingen waar gevaarlijke stoffen worden bewaard en/of bewerkt en transportroutes waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd. De aan deze activiteiten verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven.
Soesterberg - Kampweg 2
37
Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water en door leidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken, dat wil zeggen 24-uur per dag en gedurende het gehele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het groepsrisico (GR) drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval in een inrichting waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De normen voor het GR hebben een oriënterende waarde (inspanningsverplichting). Indien de oriënterende waarde voor het GR wordt overschreden, legt dit in het algemeen ook ruimtelijke beperkingen op aan een gebied buiten de 10-6-contour (PR).
Besluit externe veiligheid transportroutes Op 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) in werking getreden waarmee het verplicht wordt transportroutes waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd vast te leggen in het bestemmingsplan. In de Regeling Basisnet staat waar risicoplafonds liggen langs transportroutes en welke regels er gelden voor ruimtelijke ontwikkeling. Het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het heeft betrekking op de Rijksinfrastructuur: hoofdwegen (snelwegen), hoofdwaterwegen (binnenwateren) en hoofdspoorwegen. Het Basisnet heeft als doel een evenwicht te creëren tussen de belangen van het vervoer van gevaarlijke stoffen en de bebouwde omgeving die hier langs ligt en de veiligheid van omwonenden. Het Basisnet stelt aan de ene kant regels aan het vervoer van gevaarlijke stoffen en geeft aan de andere kant aan welke beperkingen gelden in het gebied rond de betreffende routes. Zo wordt aan iedereen die dicht bij deze snelwegen en spoorwegen woont of verblijft een basisbeschermingsniveau geboden. De "Wet basisnet" is een heel stelsel van wetten en regels. Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs) de belangrijkste wet. Hierin staan de risiconormen en de regels voor de beheersing van het risico van het vervoer.
Besluit externe veiligheid buisleidingen Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. De normstelling is in lijn met het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations voor besluiten met gevolgen voor de externe veiligheid Op 28 juni 2016 is de “Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations voor besluiten met gevolgen voor de externe veiligheid" in de Staatscourant gepubliceerd. Deze circulaire vraagt actie van gemeenten bij het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan rondom LPG-tankstations en bij het verlenen van een omgevingsvergunning milieu voor het oprichten van een LPG-tankstation. De circulaire beoogt dat gemeenten, naast een risicobenadering in het kader van het Bevi (plaatsgebonden risico en groepsrisico), uitdrukkelijk ook een effectbenadering toepassen bij besluiten rondom LPG-tankstations.
De effectbenadering is van toepassing als er een nieuw bestemmingsplan wordt vastgesteld op grond waarvan kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten nabij een LPG-tankstation gerealiseerd kunnen worden of op een omgevingsvergunning milieu voor het oprichten van een LPG-tankstation.
Soesterberg - Kampweg 2
38
5.10.2
Onderzoek / beoordeling
Een appartement betreft een kwetsbaar object, waardoor de gewenste ontwikkeling getoetst dient te worden aan de wetgeving omtrent externe veiligheid. Daarnaast geldt voor een klein deel van de planlocatie de aanduiding 'veiligheidszone - vuurwerk'. Hier is het verboden gebouwen op te richten als blijkt dat het aspect externe veiligheid een belemmering vormt voor de ontwikkeling. Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn, is de risicokaart geraadpleegd. Navolgende afbeelding toont een uitsnede van deze kaart.
Figuur: Uitsnede risicokaart met aanduiding plangebied (bron: www.risicokaart.nl) Transport gevaarlijke stoffen Er ligt in de directe omgeving (binnen 200 meter) van het plangebied geen hoofdvaarweg, spoorbaan of rijksweg waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Wel bevindt zich op ruime afstand (circa 1.500 meter) van het plangebied een hogedruk aardgasleiding. Gezien de afstand kan worden geconcludeerd dat de planlocatie niet binnen het invloedsgebied van de betreffende buisleiding ligt. Inrichtingen Binnen het plangebied is blijkens het vigerende bestemmingsplan een EV relevante inrichting gelegen, te weten een vuurwerkzone. Op deze locatie vindt opslag en verkoop van vuurwerk plaats. In de aanwezige opslagbuffer mag maximaal 2 ton aan vuurwerk worden opgeslagen. Vanaf de toegangsdeur van de vuurwerkopslag moet rekening gehouden worden met een veiligheidsafstand van 8 meter, gemeten in een halve bol vanaf de toegangsdeur. Binnen deze contour mogen geen kwetsbare objecten als bedoeld in het Vuurwerkbesluit zijn gelegen Overeengekomen is dat zone wordt verwijderd (en hiermee de mogelijkheid om vuurwerk op te slaan). De voorgenomen planontwikkeling is geen risicovolle inrichting in het kader van de BEVI en vormt de gewenste ontwikkeling geen gevaar voor de omgeving. 5.10.3
Conclusie
Er bestaat vanuit het thema externe veiligheid geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Soesterberg - Kampweg 2
39
5.11
Kabels en leidingen
Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; aardgasleidingen afhankelijk van druk; defensiebrandstoffen; warmte en afvalwater, ruwwater of halffabricaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch. Uit de toelichting en verbeelding van bestemmingsplan 'Soesterberg' is op te maken dat er geen planologisch relevante kabels en leidingen in het plangebied of in de directe omgeving daarvan aanwezig zijn. Voor de verdere realisatie van het plan zal indien nodig een KLIC-melding gedaan worden om te achterhalen of er relevante kabels en leidingen in het plangebied of in de directe omgeving daarvan aanwezig zijn. 5.12
Water
5.12.1
Inleiding
Water en ruimtelijke ordening hebben veel met elkaar te maken. Aan de ene kant is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik zoals locaties voor stadsuitbreiding. Aan de andere kant kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Op Europees en nationaal niveau heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de verplichte 'watertoets'. Een watertoets geeft aan wat de gevolgen zijn van een ruimtelijk plan voor de waterhuishouding in het betreffende gebied. Zo'n waterparagraaf moet sinds 1 januari 2003 worden opgenomen in de toelichting bij ruimtelijke plannen. Doel van de watertoets is de relatie tussen planvorming op het gebied van de ruimtelijke ordening en de waterhuishouding te versterken. Een watertoets is verplicht als het gaat om een functieverandering en/of bestemmingswijziging. Op basis van informatie en randvoorwaarden vanuit waterbeheerder, het waterbeleid en relevante bodemgegevens worden de verschillende wateraspecten uitgewerkt in een waterparagraaf. De waterparagraaf beschrijft het huidige watersysteem alsmede de mogelijkheden en randvoorwaarden voor het toekomstig watersysteem. De waterparagraaf wordt afgestemd met de waterbeheerder. 5.12.2
Beleidskader
Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding. Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor onderhavige ontwikkeling relevante nota's. Europa Met ingang van december 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) van kracht geworden. In het kader van de Kaderrichtlijn worden kwaliteitseisen gesteld, gericht op het beschermen en verbeteren van de aquatische ecosystemen (verplichting per stroomgebied). Deze richtlijn stelt als norm dat oppervlaktewateren binnen 15 jaar na inwerkingtreding moeten voldoen aan een 'goede ecologische' toestand (GET). Voor kunstmatige wateren, zoals de meeste stadswateren, geldt dat de oppervlaktewateren minimaal moeten voldoen aan een 'goed ecologisch potentieel' (GEP). Inmiddels zijn de GEP-normen per stroomgebied uitgewerkt. Rijk De Waterwet, die in werking is getreden in 2009, regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Op grond van deze wet
Soesterberg - Kampweg 2
40
moeten de provincies één of meer regionale waterplannen vaststellen die wat betreft de ruimtelijke aspecten de status van provinciale structuurvisie hebben. De Waterwet schrijft eveneens voor dat elke zes jaar een nieuw Nationaal Waterplan uitgebracht wordt. Op 10 december 2015 is het Nationaal Waterplan 2 (NWP2) vastgesteld. Het NWP2 is opgesteld vanuit het perspectief om een nationale Omgevingsvisie te ontwikkelen richting 2018 conform de Omgevingswet in wording. Het NWP2 geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Met dit NWP2 zet het kabinet een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Het beleid en de maatregelen in het nieuwe Nationaal Waterplan dragen bij aan het vergroten van het waterbewustzijn in Nederland. Beleid waterschap Vallei en Veluwe Het Algemeen Bestuur van het waterschap heeft op 30 september 2015 het Waterbeheerprogramma 2016-2021 vastgesteld. Het nieuwe waterbeheerprogramma draagt de titel ‘Partnerschap als watermerk’. Het waterbeheerprogramma gaat uit van 6 hoofddoelen: 1.
We beschermen het gebied tegen overstromingen 2. We zorgen voor de juiste hoeveelheid water 3. We zorgen voor de goede oppervlaktewaterkwaliteit 4. Schoon en vuil water worden zo veel mogelijk gescheiden 5. We halen de hoogst mogelijke waarde uit water 6. We beheren de waterketen en watersysteem als één systeem, samen met partners Wet gemeentelijke watertaken (2008) In de Wet verankering en bekostiging gemeentelijke watertaken is de verbreding van het gemeentelijke rioolrecht tot een bestemmingsheffing geregeld. Hiermee kunnen gemeenten ook voorzieningen bekostigen voor hemelwaterafvoer en de aanpak van grondwaterproblemen in bebouwd gebied. Gemeenten is via een zorgplicht een formele rol toegekend in de aanpak van stedelijke grondwaterproblemen. Het gemeentelijke grondwaterbeleid moet zijn opgenomen in het gemeentelijk rioleringsplan (GRP). Indien er in het bebouwd gebied sprake is van structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aanwezige bestemming, dan heeft de gemeente een zorgplicht. Dit betekent, dat de gemeente maatregelen moet nemen waarmee de problemen zoveel mogelijk voorkomen worden. De gemeentelijke zorgplicht geldt alleen als het gaat om maatregelen, die doelmatig zijn en niet tot de verantwoordelijkheid van het waterschap, provincie of particulieren behoren.
Ook is de gemeente verantwoordelijk voor de doelmatige inzameling van afstromend hemelwater, voor zover de perceeleigenaar zelf dit water niet kan verwerken. Alle voorzieningen, die direct of indirect samenhangen met de gemeentelijke stelsels voor afvalwater, hemelwater en grondwater kunnen uit de verbrede rioolheffing worden bekostigd. Iedere gemeente dient de grondwater- en hemelwaterzorgplicht te concretiseren naar de eigen lokale situatie. Er is beleidsruimte om op gemeentelijk niveau vast te stellen wanneer er bijvoorbeeld sprake is van structurele overlast en welke minimale ontwateringsdiepte gewenst is. Gemeentelijke Rioleringsplan Soest 2018-2022 Voor het verwijderen van afvalwater uit de woonomgeving is riolering een onmisbare voorziening. Aanleg en beheer van riolering is een gemeentelijke taak die zijn wettelijke basis vindt in de Wet milieubeheer. Het gemeentelijk plan beschrijft hoe de gemeente in de genoemde periode haar rioleringstaak vorm wil gaan geven en hoe goede beleidsafwegingen op het terrein van bescherming van de waterkwaliteit en de rioleringszorg gemaakt zullen worden. In het plan wordt aangegeven op welke wijze invulling wordt gegeven aan de wettelijke zorgplicht voor een doelmatige inzameling en een doelmatig transport van afvalwater, grondwater en hemelwater.
Soesterberg - Kampweg 2
41
5.12.3
Watertoets
Om het voornemen te toetsen aan het waterbeleid, is de watertoets uitgevoerd. Het resultaat is als bijlage bijgevoegd (9). De planlocatie valt onder het Waterschap Vallei en Veluwe en op basis van de watertoets blijkt dat een korte procedure voldoende is. Het plan raakt geen waterschapsbelang. Voor de verdere uitwerking en concretisering van de beoogde ontwikkeling, geeft het waterschap aan dat rekening gehouden moet worden met een aantal algemene en gebiedsspecifieke aandachtspunten voor water. Vasthouden - bergen - afvoeren Een belangrijk principe is dat een deel van het hemelwater binnen het plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater. Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegen gegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater (met eventueel wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden) wordt voorkomen. Bij lozing op oppervlaktewater zal hiervan een melding gedaan moeten worden bij het waterschap. De gemeente acht het bij uitbreidingen van het verhard oppervlakte ten opzichte van een vigerende situatie noodzakelijk om hemelwatervoorzieningen aan te leggen. Al het hemelwater van de uitbreiding van het verhard oppervlak wordt afgekoppeld conform het GRWP 2018-2022.
Grondwaterneutraal bouwen Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen. Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater, beschouwd worden ten opzichte van de GHG. Het structureel onttrekken / draineren van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen. Het waterschap adviseert de initiatiefnemer dan ook om voorafgaand aan de ontwikkeling een goed beeld te krijgen van de heersende grondwaterstanden en GHG. Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar. Schoon houden - scheiden - schoon maken Om verontreiniging van bodem, grond- en/of oppervlaktewater te voorkomen is het van belang dat het afstromende hemelwater niet verontreinigd raakt. Dit kan door nadere eisen of randvoorwaarden te stellen aan bijvoorbeeld de toegepaste (bouw)materialen. 5.12.4
Conclusie
Vanuit het aspect water zijn er geen belemmeringen voor onderhavig initiatief. Het waterschap adviseert positief over het voornemen. Daarnaast heeft het plan weinig invloed op het grondwater en vuilwatersysteem ten opzichte van de huidige situatie.Daarnaast zal het hemelwater worden afgekoppeld om het riool te ontlasten. 5.13
Duurzaamheid
5.13.1
Beleidskader
Duurzaamheidsplan (2016-2020) In februari 2016 is het Duurzaamheidsplan 2016-2020 vastgesteld door de gemeente Soest. De onderstaande ambities en doelstellingen hebben betrekking op het ruimtelijk beleid. Ambities voor 2030 Voor nieuwbouw wordt de GPR-score van 10 gehanteerd; Waar er gebouwd wordt wil de gemeente Soest niet ten koste van de natuur maar met de natuur ontwikkelen. Op ieder schaalniveau moeten natuur en stad worden verbonden in het ruimtelijk ontwerp. Doelstellingen voor 2020 Voor nieuwbouw geldt de GPR-score van minimaal 7 (GPR= integrale praktijkrichtlijn hoe
Soesterberg - Kampweg 2
42
woningen gebouwd moeten worden met cijfer voor energie, milieu, gezondheid, gebruikskwaliteit, toekomstwaarde). Waar mogelijk wordt gekeken om een stapje verder te gaan; Bij verstedelijking en uitbreiding hiervan nemen we de voorwaarde op dat ruimtelijke plannen een onderbouwing moeten bevatten over de wijze waarop het plan rekening houdt met energiebesparing en het toepassen van duurzame energiebronnen; In ruimtelijke plannen (bv. Structuurvisies, bestemmingsplannen of omgevingsplan) en in het voortraject (verkoop grond) moeten altijd duurzaamheidsaspecten worden meegewogen; De gemeente streeft bij gebiedsontwikkelingen naar zelfvoorzienend op het thema energie. De gemeente neemt bij uitleglocaties en transformatieopgaven de voorwaarde op dat gemeenten en initiatiefnemers in ruimtelijke plannen dienen te beschrijven op welke wijze invulling wordt gegeven aan energiebesparing en de inzet van duurzame energie, waarbij onder meer wordt gedacht aan toepassing van restwarmte, Warmte Koude Opslag en aardwarmte, zonne-energie en biomassa. 5.13.2
Planspecifiek
Het initiatief voorziet in de transformatie van een verouderd pand. Aangezien er geen sprake is van nieuwbouw hoeft er geen GPR-score berekend te worden. Wel dient te worden beschreven op welke wijze invulling wordt gegeven aan energiebesparing en de inzet van duurzame energie. Voor het pand wordt voorzien in verbeterde isolatie en duurzaam materiaal. Daarnaast zal het achtererf, welke nu nog geheel verhard is, deels worden vergroend. Dit levert een bijdrage aan eventuele hittestress en biedt een mogelijkheid tot waterberging. 5.13.3
Conclusie
Het voornemen voorziet in een verduurzaming van het bestaande gebouw. Een GPR-score berekening is niet nodig. Desondanks wordt er in het plan zoveel mogelijk rekening gehouden met duurzaamheid. 5.14
M.e.r.-beoordeling
5.14.1
Wettelijk kader
In de Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat op basis van selectiecriteria vastgesteld dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zal hebben of niet. Onderdeel D van de bijlage bevat activiteiten, plannen en besluiten waarvoor het maken van een m.e.r.-beoordeling verplicht is. Voor elke activiteit die genoemd wordt in kolom 1 van onderdeel D van het Besluit m.e.r. moet beoordeeld worden of er sprake is van (mogelijke) nadelige milieugevolgen. Voor activiteiten die onder de drempelwaarde zoals genoemd in kolom 2 van onderdeel D vallen, volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Deze motivering dient qua inhoud aan te sluiten bij de m.e.r.-beoordeling, maar heeft geen vormvereisten. 5.14.2
Conclusie
Dit bestemmingsplan maakt geen activiteiten uit bijlagen C en D van het “Besluit milieueffectrapportage (MER)” mogelijk. Er is daarom geen aanleiding voor een MER-beoordeling of het opstellen van een MER. Ook bevindt zich in het plangebied en omgeving geen Natura 2000-gebied. Daarom is een rapportage in het kader van de Europese Habitatrichtlijn niet nodig.
Soesterberg - Kampweg 2
43
Hoofdstuk 6 6.1
Juridische planbeschrijving
Inleiding
In een bestemmingsplan zijn de bouw- en gebruiksmogelijkheden voor een bepaald gebied opgenomen. Het onderhavige bestemmingsplan regelt de inrichting van het gebied op hoofdlijnen door de gronden te beleggen met een bestemming. Het juridische deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding (kaart) in samenhang met de regels. In dit hoofdstuk wordt het juridische deel van het bestemmingsplan nader toegelicht. De regels en verbeelding zijn opgesteld conform de RO-standaarden 2012, waarbij in het bijzonder het IMRO 2012 (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de SVBP 2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen) van belang zijn. Voor de regels is aansluiting gezocht bij het vigerende bestemmingsplan 'Soesterberg'. Het bestemmingsplan 'Soesterberg - Kampweg 2' bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding (bijlage 10) en de regels tezamen vormen het juridisch bindende deel van het plan. Verbeelding en regels dienen te allen tijde in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding krijgen alle gronden binnen het plangebied een bestemming. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. De juridische betekenis van deze bestemmingen en aanduidingen zijn terug te vinden in de regels.
Een gedeelte van de informatie op de verbeelding heeft geen juridisch betekenis, maar is slechts opgenomen om de leesbaarheid van en oriëntatie op de verbeelding te vergroten, zoals een kadastrale/BGT ondergrond. Alle letters, aanduidingen en lijnen worden verklaard in de legenda op de verbeelding. De regels bepalen de gebruiksmogelijkheden van de gronden binnen het plangebied en geven tevens de bouw- en gebruiksmogelijkheden met betrekking tot bouwwerken aan. De regels van het bestemmingsplan 'Soesterberg - Kampweg 2' zijn opgebouwd conform de door de SVBP 2012 voorgeschreven systematiek en omvatten inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels de overgangs- en slotregels. 6.2
Inleidende regels
De inleidende regels bestaan uit de volgende artikelen. 6.2.1
Begrippen
In de begripsregels worden omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Alleen die begripsregels worden opgenomen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. 6.2.2
Wijze van meten
Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen, wordt in de 'wijze van meten' uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Dit artikel geeft aan hoe de lengte, breedte, hoogte, diepte en oppervlakte e.d. van gronden en bouwwerken wordt gemeten of berekend. Alle begrippen waarin maten en waarden voorkomen worden in dit artikel verklaard. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Ook voor de 'wijze van meten' worden in de SVBP 2012 richtlijnen gegeven.
Soesterberg - Kampweg 2
44
6.3
Bestemmingsregels
6.3.1
Opbouw bestemmingen
De gronden van het gehele plangebied hebben een positieve bestemming. Een positieve bestemming betekent dat het gebruik van de gronden voor de verschillende bestemmingen direct mogelijk is. Bovendien betekent het dat oprichting van gebouwen direct mogelijk is nadat burgemeester en wethouders een omgevingsvergunning hebben verleend, welke dient te voldoen aan onder meer de regels van het bestemmingsplan, het Bouwbesluit en de Bouwverordening. De opbouw van de bestemmingen ziet er in beginsel als volgt uit: Bestemmingsomschrijving; Bouwregels; Nadere eisen; Afwijken van de bouwregels; Specifieke gebruiksregels; Afwijken van de gebruiksregels; Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden; Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; Wijzigingsbevoegdheid. 6.3.2
Bestemmingen
Wonen De maximaal zes woningen met behorende tuinen/erven -met uitzondering van voor- en zijtuinen (deze hebben de bestemming 'Tuin') - en in samenhang daarmee de uitoefening van aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten zijn bestemd als 'Wonen'. In deze bestemming zijn de woningen gelegen binnen de bouwvlakken en gestapeld. Tuin De onbebouwde gronden en gronden bij een woning die vrij moeten blijven van bebouwing hebben de bestemming 'Tuin' gekregen. In de tuin is in beginsel geen bebouwing mogelijk, met uitzondering van een tuinhekje van maximaal 1 meter hoogte. 6.4
Algemene regels
6.4.1
Anti-dubbeltelregel
Een anti-dubbeltelregel wordt opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein ook nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. De opgenomen anti-dubbeltelregel is gelijkluidend aan de in het Besluit ruimtelijke ordening voorgeschreven formulering. 6.4.2
Overige algemene regels
Voor het hele plangebied geldt een aantal algemene regels. Het gaat hier om algemene bouw- en gebruiksregels, mogelijkheden om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen, en procedureregels worden behandeld. 6.5
Overgangs- en slotregels
6.5.1
Overgangsregel
In deze regels wordt het overgangsrecht, zoals voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening en de Wabo, overgenomen.
Soesterberg - Kampweg 2
45
6.5.2
Slotregel
Als laatste wordt de slotregel opgenomen, ook zoals voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening. Deze regel geeft aan hoe het plan kan worden aangehaald.
Soesterberg - Kampweg 2
46
Hoofdstuk 7 Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1
Economische uitvoerbaarheid
De planontwikkeling komt geheel voor rekening en risico van de initiatiefnemer. De ontwikkeling zal geschieden conform hetgeen bepaald is in de Wet Ruimtelijke ordening. De verwezenlijking van het plan is dan ook niet afhankelijk van gemeentelijke investeringen. De kosten voor de ambtelijke afhandeling van de procedure worden verrekend op basis van de daarvoor geldende leges ofwel middels een anterieure overeenkomst. Voor wat betreft planschade zal de gemeente met initiatiefnemer een planschadeverhaalsovereenkomst afsluiten. Het plan wordt dan ook economisch haalbaar geacht. 7.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Voor onderhavig bestemmingsplan wordt de uniforme voorbereidingsprocedure gevolgd als bedoeld in hoofdstuk 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, in samenhang met het gestelde in de Wet ruimtelijke ordening. 7.2.1
Overleg met omwonenden
Er hebben gesprekken plaatsgevonden met de omwonenden. Alle eigenaar van de naastgelegen percelen waren positief. De bewoners op de Kampweg 4 waren kritisch, omdat in het eerste plan drie parkeerplaatsen aan hun zijde (langs de Moerbessenberg) waren gepositioneerd. Hierdoor zou het gemeentelijke groen worden verkleind en hun zicht op de nieuwe ontwikkeling zou worden vergroot. In een later stadium zijn de plannen aangepast en de parkeerplaatsen hier komen te vervallen. 7.2.2
Overleg met overheidsinstanties
Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg voeren met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De instanties worden in kennis gesteld en krijgen de mogelijkheid om te reageren.
Soesterberg - Kampweg 2
47
Bestemmingsplan Soesterberg - Kampweg 2 Gemeente Soest Bijlagen bij toelichting
GEGEVENS VAN DE AANVRAGER RemarBouw Kerkewijk 117 3904 JB Veenendaal T. 0318 – 50 56 37 I. www.kubiek.nu E. info@kubiek.nu
PLANGEGEVENS: IDN: Projectnummer: Titel:
NL.IMRO.0342.BPSTB0028-0201 Soesterberg - Kampweg 2
Status Concept: Voorontwerp: Ontwerp: Vastgesteld:
Datum 23-06-2020 n.v.t. 18-01-2021
Projectleider:
ir. den Heijer
Auteur:
R. de Jong MSc
Inhoudsopgave
Bijlagen bij toelichting
4
Bijlage 1
Adviesnota Kampweg 2 Soesterberg
4
Bijlage 2
Quickscan flora en fauna
8
Bijlage 3
Aanvullend ecologisch onderzoek
46
Bijlage 4
Stikstofdepositieberekening - begeleidende rapportage
57
Bijlage 5
Stikstofdepositieberekening - Nieuwe gebruikersfase
68
Bijlage 6
Stikstofdepositieberekening - Realisatiefase
74
Bijlage 7
Verkennend bodemonderzoek
81
Bijlage 8
Akoestisch onderzoek
133
Bijlage 9
Samenvatting watertoets
175
Bijlage 10
Verbeelding Kampweg 2 - Soesterberg
179
Soesterberg - Kampweg 2
3
Bijlagen bij toelichting Bijlage 1 Adviesnota Kampweg 2 Soesterberg
Soesterberg - Kampweg 2
4
ADVIESNOTA GEMEENTE SOEST Steller advies: R.J.A. Mooij
Zaaknummer 1557831
Afdeling: Ruimte
Datum: 18-04-2017
Onderwerp: Bestemmingswijziging van het pand Kampweg 2 (Soesterberg)
Voorstel tot besluit: 1. In principe medewerking te verlenen aan de wijziging van het pand Kampweg 2 naar 'Wonen', 'Kantoor' of ‘Gemengd’ (Kantoor en Wonen); 2. De aanvrager in de gelegenheid te stellen een aanvraag in te dienen waarbij Kampweg 2 gebruikt wordt als 'Wonen', 'Kantoor' of ‘Gemengd’ (Kantoor en Wonen).
Advies secretaris:
Conform advies Beslissing
Conform besloten
Openbaar
Ja
Bijzondere aspecten
Nee
Portefeuillehouder
J.G.S. Pijnenborg
Overleg met portefeuillehouder
Ja
Overleg met andere afd. en ext. partners
Nee
Ter inzage voor beleidsveld
Ruimte
Bijlage(n)
1.a. Verzoek om vooroverleg 1.b. Stedenbouwkundige randvoorwaarden Kampweg 2
B&W verg.d.d.
09.05.2017 RM Akkoord
Bespreken
MA
PvdT JP
JvB
Volledig voorstel behorend bij: 1557831
-2-
Voorstel tot besluit 1. In principe medewerking te verlenen aan de wijziging van het pand Kampweg 2 naar 'Wonen', 'Kantoor' of ‘Gemengd’ (Kantoor en Wonen); 2. De aanvrager in de gelegenheid te stellen een aanvraag in te dienen waarbij Kampweg 2 gebruikt wordt als 'Wonen', 'Kantoor' of ‘Gemengd’ (Kantoor en Wonen). Inleiding Op het perceel Kampweg 2 staat een kantoorpand van het Rijksvastgoedbedrijf (RVB). Momenteel staat het kantoorpand leeg. Het pand is gelegen binnen het bestemmingsplan ‘Soesterberg’ en heeft de bestemming ‘Maatschappelijk – militaire zaken’. RVB geeft aan zij voornemens is het pand te verkopen. Echter met de huidige bestemming ‘Maatschappelijk – militaire zaken’ is het pand nagenoeg onverkoopbaar. Om het pand alsnog te verkopen heeft de eigenaar een principeverzoek ingediend met de vraag of de bestemming van het pand, bij verkoop aan een marktpartij, gewijzigd kan naar ‘Wonen’, ‘Kantoor’ of ‘Gemengd’ (Kantoor en Wonen). Via een nieuw bestemmingsplan wordt de huidige bestemming gewijzigd naar ‘Kantoor’ en/of ‘Wonen’. Beoogd resultaat Akkoord te gaan met het wijzigen van de bestemming (Maatschappelijk –Militaire zaken) naar de bestemming ‘Kantoor’ en/of ‘Wonen’ wanneer een marktpartij hiervoor een verzoek indient. Argumenten 1.
Wijziging van de bestemming sluit aan bij de uitgangspunten van duurzame verstedelijking; Ruimtelijk strategisch past deze wens in landelijk beleid voor duurzame verstedelijking; de ontwikkelopgave voor woningbouw eerst via transformatie en herstructurering plaats te laten vinden. Vanuit stedenbouw en het beleidsveld wonen zijn er geen bezwaren tegen het verzoek om een functiewijziging naar ‘Wonen’, ‘Kantoor’ of ‘Gemengd’ in de toekomst toe te staan. Ook ruimtelijk strategisch past deze wens in ons beleid om de ontwikkelopgave voor woningbouw via transformatie en herstructurering plaats te laten vinden. Daarnaast draagt het wijzigingen van de bestemming bij aan de vermindering van de leegstand in Soesterberg en maakt nieuwe woningen en/of kantoor mogelijk. Kanttekeningen/risicobeheersing Het ingediende verzoek is nog niet concreet. Het RVB heeft aangegeven dat een toekomstige marktpartij zorg draagt voor de nieuwe invulling (‘Wonen’, ‘Kantoor’ of ‘Gemengd’) van het pand. Hiervoor dient een concept plan te worden ingediend ter beoordeling. Dat plan is er nu nog niet. Dit maakt het voor omwonenden niet geheel duidelijk wat er komt in de toekomst. Om die reden kan het college op dit moment alleen medewerking toezeggen over de functiewijziging naar ‘Wonen’, ‘Kantoor’ of ‘Gemengd’ zonder in te gaan op de specifieke eisen en wensen voor het plangebied.
Wanneer een toekomstige marktpartij een verzoek indient tot wijziging van de bestemming zal gekeken worden naar o.a. de benodigde parkeernormen en draagvlak vanuit de buurt. Bestuurlijke vernieuwing In het kader van ‘Soest verandert met u mee’ besteedt het college bijzondere aandacht aan participatie vanuit en met de samenleving. Daarnaast verwacht de nieuwe Omgevingswet bij ruimtelijke procedures het vroegtijdig betrekken van betrokken partijen. Aanpak/uitvoering Het RVB wordt op de hoogte gesteld van uw principemedewerking voor de wijziging van ‘Maatschappelijk – militaire zaken’ naar ‘Wonen’, ‘Kantoor’ of ‘Gemengd’ (afhankelijk van de wens van de nieuwe eigenaar). Hiermee wordt de kans vergroot dat het pand wordt aangekocht en herontwikkeld. Communicatie en participatie Het RVB wordt op de hoogte gesteld van uw besluit. Omwonenden worden pas betrokken als de nieuwe eigenaar bekend is en er duidelijkheid is over hergebruik van het pand. Evaluatie en verantwoording N.v.t.
Volledig voorstel behorend bij: 1557831
-3-
Kosten, baten, dekking De kosten voor het omzetten van de bestemming ‘Maatschappelijk – militaire zaken’ naar ‘Wonen’, ‘Kantoor’ of ‘Gemengd’ zijn voor de toekomstige marktpartij. Referendabel ja/nee N.v.t. Kernboodschap Soesterberg krijgt stapsgewijs een flinke kwaliteitsimpuls. We behouden het groene en dorpse karakter maar met meer voorzieningen. En meer woningen en inwoners die nodig zijn om voorzieningen in stand te houden. Soesterberg krijgt een echt dorpshart voor activiteiten en om elkaar te ontmoeten, prachtige recreatiemogelijkheden in Park Vliegbasis en de potentie om toeristen te trekken. Het wijzigen van de bestemming van het pand aan Kampweg 2 draagt hieraan bij omdat het leegstand oplost en nieuwe woningen en/of kantoor mogelijk maakt.
Bijlage 2 Quickscan flora en fauna
Soesterberg - Kampweg 2
8
Quickscan In het kader van de Wet natuurbescherming en de Provinciale ruimtelijke verordening Plangebied: Kampweg 2, Soesterberg Opsteller(s): K. de Vries
Quickscan In het kader van de Wet natuurbescherming en de Provinciale ruimtelijke verordening Ondertitel
Plangebied: Kampweg 2, Soesterberg
Opsteller(s)
K. de Vries
Datum
26-02-2020
Versienummer
01
Rapportkenmerk
ER20200218v01
Aantal pagina's
41
Opdrachtgever
Kubiek Ruimtelijke plannen
Contactpersoon
R. de Jong
Collegiale toets
F.A. van Meurs
Wijze van citeren
Vries, K., de, 2020. Quickscan. In het kader van de Wet natuurbescherming en de Provinciale ruimtelijke verordening. Plangebied: Kampweg 2, Soesterberg. Rapportkenmerk: ER20200218v01. Ecoresult B.V., Dordrecht.