4a 2 Bijlage 1 Ontwerpbestemmingsplan Chalonhof_Toelichting 201105.pdf
Tekst van het document
De normstelling is in lijn met het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations voor besluiten met gevolgen voor de externe veiligheid Op 28 juni 2016 is de “Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations voor besluiten met gevolgen voor de externe veiligheid" in de Staatscourant gepubliceerd. Deze circulaire vraagt actie van gemeenten bij het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan rondom LPG-tankstations en bij het verlenen van een omgevingsvergunning milieu voor het oprichten van een LPG-tankstation. De circulaire beoogt dat gemeenten, naast een risicobenadering in het kader van het Bevi (plaatsgebonden risico en groepsrisico), uitdrukkelijk ook een effectbenadering toepassen bij besluiten rondom LPG-tankstations. De effectbenadering is van toepassing als er een nieuw bestemmingsplan wordt vastgesteld op grond waarvan kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten nabij een LPG-tankstation gerealiseerd kunnen worden of op een omgevingsvergunning milieu voor het oprichten van een LPG-tankstation. 3.9.2
Onderzoek
3.9.2.1 Ongevallen gevaarlijke stoffen In de onmiddellijke omgeving van het plangebied zijn enkele externe veiligheidsrisicobronnen gesitueerd. Op basis van de publieke risicokaart zijn de aanwezige risicobronnen geïnventariseerd. In onderstaande afbeelding is de situering van het plangebied ten opzichte van deze risicobronnen grafisch weergegeven.
30/67 - ontwerp - NL.IMRO.0342.BPSOE0059-0201 - 5 november 2020
Afbeelding - ligging risicobronnen (genummerd) ten opzichte van plangebied (rode cirkel) De mogelijk relevante risicobronnen in de directe omgeving van het plangebied zijn nader beschouwd in relatie tot het planvoornemen. Het betreft (nummering conform weergave in voorgaande afbeelding): 1. 2. 3. 4. 5. 6.
Sportboulevard De Engh – Dalweg 181; Kemetyl Nederland B.V. – Industrieweg 30; Keune Haircosmetics – Koningsweg 15; Rioolwaterzuiveringsinstallatie Soest – Maatweg 10; Transportroute gevaarlijke stoffen, N234 en N221; Transportroute gevaarlijke stoffen, spoorlijn Amsterdam – Zutphen.
Externe veiligheid beschrijft de grootte van het overlijdensrisico als gevolg van activiteiten met gevaarlijke stoffen. De mate van externe veiligheid wordt bepaald door de grootte van het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Plaatsgebonden risico: risico op een plaats buiten een inrichting, een transportroute of een buisleiding, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting, op die transportroute of met die buisleiding, waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico is vastgesteld op ten hoogste 1 x 10-6 per jaar voor kwetsbare objecten. Groepsrisico: cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting, een transportroute of een buisleiding en een ongewoon voorval binnen die inrichting, op die transportroute of met die buisleiding waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. 31/67 - ontwerp - NL.IMRO.0342.BPSOE0059-0201 - 5 november 2020
Het groepsrisico wordt getoetst aan de oriëntatiewaarde: - 10-5 per jaar voor 10 dodelijke slachtoffers; - 10-7 per jaar voor 100 dodelijke slachtoffers - 10-9 per jaar voor 1000 dodelijke slachtoffers De oriëntatiewaarde is het ijkpunt in een systeem waarin gezocht moet worden naar maatschappelijk aanvaardbare grenzen. Een toename van het groepsrisico dient dan ook verantwoord te worden. Analyse plaatsgebonden risico In onderstaande tabel zijn per risicobron de plaatsgebonden risico's geanalyseerd in relatie tot de te realiseren woningen.
Tabel - laatsgebonden risico's in relatie tot het plangebied Uit voorgaande tabel kan geconcludeerd worden dat deze risicobronnen geen belemmering vormen voor de realisatie van de nieuwe woningen. Analyse groepsrisico Voor de risicovolle inrichtingen (1 t/m 4) geldt volgens de risicokaart een afstand tot de grens van het invloedsgebied waarvoor een verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is van maximaal 300 meter. De inrichtingen zijn gelegen op een afstand van 450 meter of meer. Verder onderzoek met betrekking tot het groepsrisico is voor deze inrichtingen niet noodzakelijk. Voor het transport van gevaarlijke stoffen over de N234 en de N221 is door de gemeente Soest aangegeven dat enkel LPG wordt / werd afgeleverd aan de Koningsweg 19. Verder zijn er geen transporten die routeplichtig zijn onder de Wet gevaarlijke stoffen (Wgs). Er gelden bijgevolg geen beperkingen voor het planvoornemen. Voor het transport van gevaarlijke stoffen over de spoorlijn Amsterdam – Zutphen geldt volgens de Regeling basisnet een PR 10-8 contour van 142 meter. Het plangebied bevindt zich op een afstand van circa 1.850 meter ten opzichte van de spoorlijn, waardoor er geen beperkingen gelden voor het planvoornemen.
3.9.2.2 Hoogspanningslijnen De magneetveldzones rond het bovengrondse hoogspanningsnet zijn door het RIVM vastgelegd in de Netkaart. Deze Netkaart bevat de breedte van de indicatieve magneetveldzone. Indien de indicatieve zone een bestemmingsplan overlapt, moet nader onderzoek plaatsvinden. Uit onderstaande afbeelding blijkt dat de dichtstbijzijnde hoogspanningslijnen ten oosten en ten zuiden van het plangebied liggen.
32/67 - ontwerp - NL.IMRO.0342.BPSOE0059-0201 - 5 november 2020
Afbeelding - ligging hoogspanningslijn ten opzicht van het plangebied (rode cirkel)
De indicatieve zone voor de hoogspanningslijnen bedraagt maximaal 95 meter aan weerszijden. Het plangebied ligt buiten deze indicatieve zone, waardoor de hoogspanningslijnen geen risico opleveren voor de nieuw te bouwen woningen.
3.9.2.3 Zendmasten Uit het Antenneregister blijkt dat de meest nabij gelegen zendmasten op een afstand van circa 550 meter liggen. Dit betreffen zendamateurs, GSM-masten, LTE-masten, narrowband IoT, vaste verbindingen, omroep AMFM en UMTS-masten.
33/67 - ontwerp - NL.IMRO.0342.BPSOE0059-0201 - 5 november 2020
Afbeelding - ligging zendmasten ten opzichte van het plangebied (rode cirkel) Agentschap Telecom, toezichthouder op het gebruik van elektromagnetische velden, voert jaarlijks door heel Nederland steekproefsgewijs veldsterktemetingen uit om na te gaan of de blootstellingslimieten worden overschreden. Uit geen enkele van de veldsterktemetingen blijkt dat de blootstellingslimieten op publiek toegankelijke plaatsen in Nederland worden overschreden. 3.9.3 Conclusie Het aspect 'externe veiligheid' vormt geen belemmering voor de bouw van de geplande woningen. 3.10
Kabels en leidingen
3.10.1 Beleid, Wet- en regelgeving Structuurvisie Buisleidingen De Structuurvisie Buisleidingen is een visie van het Rijk waarmee het Rijk voor 20 tot 30 jaar ruimte wil reserveren voor toekomstige buisleidingen voor gevaarlijke stoffen. Het gaat om ondergrondse buisleidingen voor het transport van aardgas, olieproducten en chemicaliën, die provinciegrens- en vaak ook landgrensoverschrijdend zijn. In de Structuurvisie wordt een hoofdstructuur van verbindingen aangegeven waarlangs ruimte moet worden vrijgehouden, om ook in de toekomst een ongehinderde doorgang van buisleidingtransport van nationaal belang mogelijk te maken. Deze leidingen, bestaand of nieuw, moeten volgens het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) moeten worden opgenomen in het bestemmingsplan met een belemmeringenstrook van 4 of 5 meter aan weerszijden van de leiding. Verder moet op grond van het Bevb voor alle leidingen rekening worden gehouden met de risiconormering voor buisleidingen voor gevaarlijke stoffen. 3.10.2 Onderzoek Op of rond het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels of leidingen aanwezig waar in het kader van het voorliggende bestemmingsplan rekening mee gehouden dient te worden. 34/67 - ontwerp - NL.IMRO.0342.BPSOE0059-0201 - 5 november 2020
3.10.3 Conclusie Het aspect 'kabels en leidingen' vormt geen belemmering voor de bouw van de geplande woningen. 3.11
Water
3.11.1 Watertoets Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van Rijk, Provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Via de digitale watertoets is beoordeeld of en welke waterbelangen voor het plan relevant zijn. De digitale watertoets is uitgevoerd op 19 november 2019 en is als bijlage Bijlage 6 opgenomen in de toelichting. Beoordeling In het plangebied liggen geen belangrijke oppervlaktewateren (zogenaamde primaire of Awatergangen), waterkeringen of gebieden die zijn aangewezen voor regionale waterberging. Dit betekent dat dit plan geen essentiële waterbelangen raakt. Op basis daarvan wordt door het waterschap voor het onderhavige plan een positief wateradvies gegeven. Aandachtspunten Voor de verdere uitwerking en concretisering van de beoogde ontwikkeling, geeft het waterschap aan dat rekening gehouden moet worden met een aantal algemene en gebiedsspecifieke aandachtspunten voor water.
Vasthouden - bergen - afvoeren Een belangrijk principe is dat een deel van het hemelwater binnen het plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater. Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegen gegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater (met eventueel wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden) wordt voorkomen. Bij lozing op oppervlaktewater zal hiervan een melding gedaan moeten worden bij het waterschap. Grondwaterneutraal bouwen Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen. Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater, beschouwd worden ten opzichte van de GHG. Het structureel onttrekken / draineren van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen. Het waterschap adviseert de initiatiefnemer dan ook om voorafgaand aan de ontwikkeling een goed beeld te krijgen van de heersende grondwaterstanden en GHG. Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar. Schoon houden - scheiden - schoon maken Om verontreiniging van bodem, grond- en/of oppervlaktewater te voorkomen is het van belang dat het afstromende hemelwater niet verontreinigd raakt.
Dit kan door nadere eisen of randvoorwaarden te stellen aan bijvoorbeeld de toegepaste (bouw)materialen. Wij vragen de initiatiefnemer om duurzame bouwmaterialen te gebruiken. De gemeente kan u hierbij verder helpen.
35/67 - ontwerp - NL.IMRO.0342.BPSOE0059-0201 - 5 november 2020
3.11.2 Beleid, Wet- en regelgeving De Europese Kaderrichtlijn Water (2003) De Europese Kaderrichtlijn Water gaat er vanuit dat water geen gewone handelswaar is, maar een erfgoed dat moet worden beschermd en verdedigd. Het hoofddoel van de richtlijn is daarop gebaseerd. De Kaderrichtlijn Water geeft het kader voor de bescherming van landoppervlaktewater, overgangswater, kustwater en grondwater. Dat moet ertoe leiden dat: aquatische ecosystemen en gebieden die rechtstreeks afhankelijk zijn van deze ecosystemen, voor verdere achteruitgang worden behoed; emissies worden verbeterd; duurzaam gebruik van water wordt bevorderd op basis van bescherming van de beschikbare waterbronnen op lange termijn; er wordt gezorgd voor een aanzienlijke vermindering van de verontreiniging van grondwater. Vierde Nota Waterhuishouding (Ministerie van Verkeer en Waterstaat, 1998) De Vierde Nota Waterhuishouding geeft het kader voor het waterbeheer voor Nederland, nu en in de toekomst. De hoofddoelstelling is "een veilig en goed bewoonbaar land en het in stand houden / versterken van gezonde en veerkrachtige watersystemen, waarmee een duurzaam gebruik blijft gegarandeerd". Om de veerkracht van de watersystemen te vergroten dient de waterconservering en buffering te worden bevorderd en de afwenteling van (water-) problemen op naastgelegen gebieden te worden beperkt.
Waterbeleid in de 21e eeuw (2000) De hoge waterstanden in de rivieren in 1995 en 1996 en de klimaatscenario's waarin naast de zeespiegelstijging ook meer en heviger buien worden voorspeld hebben geleid tot vernieuwde aandacht voor water. Nederland is met zijn lage ligging en hoge verstedelijkingsgraad kwetsbaar voor wateroverlast en de veiligheid is in de toekomst in het geding. Maar ook door de drogere zomers is er het risico van watertekorten en verdroging. De commissie "Waterbeheer 21e eeuw" heeft in opdracht van de regering duidelijk gemaakt dat we anders moeten omgaan met water en ruimte. Ruimte die nu beschikbaar is voor de bescherming tegen overstromingen en wateroverlast moet ten minste behouden blijven. De aanwezige ruimte mag niet sluipenderwijs verloren gaan bij de uitvoering van nieuwe projecten voor infrastructuur, woningbouw, landbouw of bedrijventerreinen. Waterbeheer 21e eeuw (WB21) Het thema "water als ordenend principe" loopt als een rode draad door het gehele plan. Dit houdt in dat, voordat er beslissingen worden genomen op ruimtelijk gebied, er wordt bekeken welke gevolgen die hebben voor watersystemen. Dit waterplan valt onder het regime van de nieuwe waterwet (22 dec. 2009).
Bodem- Water en Milieuplan (2016-2021) Het Bodem- Water en Milieuplan beschrijft hoe de provincie Utrecht de voorraad zoet grondwater beschermt en het gebruik ervan in goede banen leidt. Het uitgangspunt is dat de hoeveelheid en de kwaliteit van grondwater geschikt is voor duurzaam gebruik door mens en natuur. Het plan speelt in op recente ontwikkelingen als veranderende wetgeving, Europese richtlijnen (Kaderrichtlijn Water, Grondwaterrichtlijn, Natura 2000), de aanpak van verdrogingsbestrijding (TOP-gebieden) en het toenemend gebruik van de ondergrond voor winning van energie. Twee van de in het oog springende beleidsmaatregelen zijn dat indien na evaluatie blijkt dat als een waterwinning ongewenst is, in het uiterste geval, na zorgvuldige beoordeling en schadeloosstelling, de vergunninghouder zijn vergunning kan verliezen. Daarnaast worden, om de risico's voor de grondwaterkwaliteit rondom drinkwaterwinningen te beperken, bodemwarmtewisselaars rondom deze winningen verboden. Waterbeheerprogramma Vallei en Veluwe 2016-2021 Op 30 september 2015 heeft het Waterschap Vallei en Veluwe het Waterbeheerprogramma 2016- 2021 vastgesteld. In dit waterbeheerprogramma beschrijft het waterschap zijn ambities 36/67 - ontwerp - NL.IMRO.0342.BPSOE0059-0201 - 5 november 2020
en doelen voor het waarborgen van de waterveiligheid, het zorgen voor voldoende én schoon oppervlaktewater, het zuiveren van afvalwater en het verder ontwikkelen van de vele samenwerkings- en innovatiemogelijkheden. Naast ambities in de manier van (samen)werken met partners, heeft het waterschap de volgende inhoudelijke ambities in het programma opgenomen: Het gebied beschermen tegen overstromingen; Zorgen voor de juiste hoeveelheid water; Zorgen voor de goede oppervlaktewaterkwaliteit; Schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden houden De hoogst mogelijke waarde uit water halen Afvalwaterketen en watersysteem als één geheel beheren, samen met partners. Gemeentelijk Water- en Rioleringsplan Soest 2018-2022 Het Gemeentelijk Water- en Rioleringsplan 2018-2022 is door de gemeenteraad vastgesteld. Het plan beschrijft hoe de gemeente in de genoemde periode haar rioleringstaak vorm wil gaan geven en hoe goede beleidsafwegingen op het terrein van bescherming van bodem- en waterkwaliteit en de rioleringszorg gemaakt zullen worden. In het plan wordt aangegeven op welke wijze invulling wordt gegeven aan de wettelijke zorgplicht voor een doelmatige inzameling en een doelmatig transport van afvalwater. Hemelwater, dat op onverharde gebieden valt wordt grotendeels afgevoerd op een natuurlijke manier: via grondwaterstromen en verdamping via de grond en via de beplanting.
Hemelwater dat op daken en wegen valt (het zogenaamde verhard oppervlak) wordt afgevoerd via het (bestaande gemengde of gescheiden) rioolstelsel. Hemelwater van nieuwbouw en uitbreidingen mag niet op het afvalwaterriool worden aangesloten, maar moet worden aangesloten op het hemelwaterriool of waar mogelijk op eigen terrein de bodem infiltreren. Op deze manier wordt niet onnodig veel hemelwater afgevoerd en wordt het rioolstelsel en de rioolwaterzuivering niet onnodig belast. 3.11.3 Onderzoek Het plangebied is in de huidige situatie bijna volledig onverhard. Door de ontwikkeling van 4 woningen zal het verhard oppervlak toenemen.
37/67 - ontwerp - NL.IMRO.0342.BPSOE0059-0201 - 5 november 2020
Afbeelding - toename verharding De toename van verhard oppervlakte is in onderstaande tabel opgenomen. De tuinen zijn niet als verhard oppervlakte aangemerkt. Dit komt overeen met de uitgangspunten van de ruimtelijke onderbouwing Chalonhof Beukenlaan (30 november 2017) waarin ook alleen het daadwerkelijk bouwblok als verharding gecompenseerd diende te worden. verharding
oppervlakte
totaal (m2) bestaande verharding tussen Chalonhof 126 en 128 252 bouwblokken woningen (100% verhard) 458 voortuinen 865 achtertuinen 1.198 verkeer (100% verhard) 178
oppervlakte verhard (m2) 252 458 onbekend onbekend 178
Conform Leidraad fysieke leefomgeving van de gemeente Soest (vastgesteld d.d. 21-03-2017) wordt bij nieuwbouw alle hemelwater in de bodem geïnfiltreerd. Omdat geen oppervlaktewater aanwezig is, is afstromen naar oppervlaktewater niet aan de orde. Hemelwater zal op eigen terrein worden opgevangen en geborgen. De compensatie van verhard oppervlakte wordt gedimensioneerd aan de hand van de uitgangspunten uit de Leidraad: voor woningen wordt uitgegaan van een statische berging van 25 mm op elk woonperceel, voor openbaar gebied is de berging eveneens 25 mm. Het openbaar gebied, zijnde de bestemming verkeer, zal na de aanleg door de ontwikkelaar om niet in eigendom worden overgedragen aan de gemeente. Derhalve zal de water waterberging en afvoer op het gemeentelijk riool worden aangesloten. Dit zal niet tot een toevoeging van de hoeveelheid water leiden omdat de huidige verharding meer is dat de verharding voor verkeer in de nieuw situatie. Gezien de huidige grondwaterstand (GHG is > 1,6 m-mv, webkaart.provincie-utrecht.nl) en de zandige bodemopbouw is natuurlijke infiltratie goed mogelijk en kan gebruik gemaakt worden van infiltratiekratten bij de woningen. Voor de woningen moet dus een waterberging van 20 mm neerslag per m2 verhard oppervlak komen: 458 m2 (verhardingsoppervlak totaal) x 0,02 m (neerslag) = 9,16 m3 waterberging.
Mocht tijdens de definitieve planontwikkeling blijken dat deze voorgeschreven opvangcapaciteit niet voldoende is, zal bij de aanvraag omgevingsvergunning voor de realistatie van het plan hierop worden ingegaan en zullen eventuele aanvullende maatregelen en/of voorzieningen deel uit maken van het plan en als bijlagen worden overlegd. Er zijn verschillende typen infiltratiekratten op de markt. In de Leidraad schrijft de gemeente een bepaald type voor, voor berging in de openbare ruimte (type Q-bic van fabrikant Wavin). Dit type heeft een bergend vermogen van 410 liter (https://www.wavin.com/nl-nl/Catalogus/Regenwater/Berging-en-infiltratie/Inspecteerbare-en-rein igbare-Q-Bic-units). Dit zijn relatief grote kratten die bovendien bestand zijn tegen een zware verkeersbelasting. Voor de woningen gaan we uit van kleinere infiltratiekratten, bijvoorbeeld het type AquaCell of AquaCell ECO met een bergingscapaciteit van 185 liter of 200 liter (afmeting 1*0,4*0,5m). Voor de totale berging zijn dan 46 kratten van 20 liter nodig. Per woning dienen 12 kratten te worden aangelegd. Deze kunnen gestapeld worden (waarbij de kratten boven de GHG liggen) zodat het benodigde oppervlakte beperkt blijft. Andere vormen of voorzieningen zijn toegestaan als de minimale berging maar gerealiseerd wordt (tevens afhankelijk van de leveranciers van de kratten).
Ten slotte worden, conform de Leidraad alle materialen voor waterafvoer (regenpijpen, dakgoten) gecoat om uitloging te voorkomen.
38/67 - ontwerp - NL.IMRO.0342.BPSOE0059-0201 - 5 november 2020
3.11.4 Behandeling per wateraspect Oppervlaktewater Nvt. Regenwater Alles (openbaar en particulier) afkoppelen en infiltreren in de bodem. Ontwerp van de afkoppelen infiltratievoorzieningen conform in de regels genoemde norm en in overleg met gemeente. Geen uitlogende materialen gebruiken bij oppervlakken die in contact komen met te infiltreren hemelwater. Vuil water Vuil water van de woningen kan worden aangesloten op het gemengd riool in de Chalonhof. Grondwater Grondwaterkwaliteit Uit de toelichting van het bestemmingsplan blijkt dat er (oude) grondwater-/ bodemverontreinigingen aanwezig zijn in het plangebied. Uit de bodemrapporten wordt echter geconcludeerd dat er slechts lichte verhogingen aan PCB in de bovengrond en PAK in de ondergrond zijn aangetoond. Het grondwater bevindt zich op meer dan 5 meter diepte zodat het niet onderzocht hoeft te worden. Er zijn derhalve geen milieuhygiënische belemmeringen en consequenties voor de beoogde functies. Grondwaterkwantiteit In de nabijheid van het plangebied is een grondwaterpeilbuis aanwezig (chalonhof). Deze peilbuis staat in Dino van TNO. Deze peilbuis moet geraadpleegd worden om een goed beeld te krijgen van de grondwaterstand. Dit is bepalend voor het ontwerp van de infiltratievoorzieningen binnen het plangebied. Klimaatadaptatie Nieuwbouwhuizen in Soest worden klimaatadaptatief gebouwd.
Dit betekent dat deze huizen worden ontworpen om de effecten van klimaatverandering het hoofd te bieden. Dit betekent het voorkomen van nadelige effecten van lokale wateroverlast, hittestress, verdroging en overstromingsrisico. Van dat laatste is geen sprake. Voor adaptatieve maatregelen tav. de andere thema's maakt de gemeente gebruik van de regionale klimaatatlas (www.klimaatvalleienveluwe.nl). Lokale wateroverlast Onderstaande kaart toont stroombanen en innundatiediepte bij een bui van 46 mm/uur. De kaart geeft aan dat er 2 flinke stroombanen uitkomen op de locatie van het plan.
39/67 - ontwerp - NL.IMRO.0342.BPSOE0059-0201 - 5 november 2020
Onderstaande kaart geeft de stroombanen en innundatiediepte bij een bui van 74 mm/uur. De kaart toont dat bij deze bui de wateroverlast in het plangebied flink toeneemt.
De kaarten zijn gebaseerd op hoogtekaarten en modelsimulaties. Of de situatie op de kaarten overeenkomt met de werkelijkheid, is niet bekend. Verdroging Over droogte/verdroging ter plaatse van het plangebied zijn in de atlas geen gegevens beschikbaar. Het afkoppelen, zo mogelijk hergebruiken en infiltreren van regenwater kan bijdragen aan het tegengaan van verdroging ter plaatse en op andere locaties (welke dat zijn, hangt af van de grondwaterstromingen). Hittestress De mate van hittestress op de beoogde locatie blijkt niet duidelijk uit de klimaateffectatlas van het platform water. Ook de provincie Utrecht beschikt over klimaateffectatlas. Onderstaande figuur geeft aan hoeveel nachten de temperatuur per jaar boven de 20 graden blijft. De zwarte stip is locatie chalonhof. In 2020 ligt dit aantal nachten rond de 7.
40/67 - ontwerp - NL.IMRO.0342.BPSOE0059-0201 - 5 november 2020
Onderstaande figuur geeft de situatie weer in 2050. In 2050 is dit aantal nachten opgelopen naar tegen de 3 weken.
Er kan een aantal algemene no-regret maatregelen worden genomen om de hittestress in huis, tuin en openbare ruimte te minimaliseren. Dit betreft o.a. goede isolatie van de huizen, een goede oriëntatie van de huizen tov. de zon, voldoende schaduwwerking in tuin en openbaar gebied (bijv. dmv. Volwassen, gezonde bomen) en minimaliseren van de mate van verharding en verstening. Het is van belang hier rekening mee te houden bij het plan Chalonhof. 3.11.5 Conclusie Gesteld kan worden dat voor het aspect water nog enkele aandachtspunten aanwezig zijn. Hemelwater dient binnen het plangebied en dus op eigen terrein te worden opgevangen en geborgen. Eventueel dienen ook maatregelen te worden genomen om toekomstige wateroverlast in tuinen en woningen in en om het plangebied te voorkomen. Het plan is echter nog niet zover uitgewerkt dat duidelijk is welke voorzieningen worden getroffen en waar deze binnen het plangebied zullen worden aangebracht. Bij de aanvraag omgevingsvergunning voor de uitvoering van het plan zullen deze maatregelen en voorzieningen deel uit maken van het plan en als bijlagen worden overlegd. Voor de vaststelling van dit bestemmingsplan vormt het aspect water derhalve geen belemmering.
41/67 - ontwerp - NL.IMRO.0342.BPSOE0059-0201 - 5 november 2020
3.12
Natuur en groen
3.12.1 Wet- en regelgeving Wet natuurbescherming (Wnb) Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Deze wet vervangt drie wetten; de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Doel van de Wet natuurbescherming is drieledig: 1. bescherming van de biodiversiteit in Nederland; 2. decentralisatie van verantwoordelijkheden; en 3. vereenvoudiging van regels. Gebiedsbescherming In Nederland zijn 164 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden zijn de Veluwe, Rijntakken (rivieren) en de Waddenzee. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning Natuurbeschermingswet wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. In de Wet natuurbescherming blijft de bescherming van Natura 2000-gebieden vrijwel hetzelfde. De bescherming van Beschermde Natuurmonumenten komt te vervallen. Wel kunnen provincies ervoor kiezen om deze gebieden alsnog te beschermen via het provinciale beleid.
De provincie voegt dan gebieden toe aan de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) / het Natuurnetwerk Nederland (NNN) of wijst ze aan als bijzonder provinciaal natuurgebied of –landschap. Soortbescherming Zowel in de hiervoor geldende Flora- en faunawet als in de actuele Wet natuurbescherming (stonden) staan verbodsbepalingen voor activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantsoorten. Met de nieuwe wet is de lijst van beschermde soorten gewijzigd. Waar de Flora- en faunawet uitging van drie beschermingsniveaus, verdeelt de Wet natuurbescherming de beschermde soorten in twee groepen. De eerste categorie betreft strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn. In de tweede categorie staan andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst. De bescherming van vaatplanten uit tabel 1 en tabel 2 (Flora- en faunawet) is vervallen. Onder de Wet natuurbescherming worden nog 75 soorten vaatplanten beschermd, waaronder soorten die niet eerder werden beschermd. De bescherming van mieren vervalt. Vrijwel alle zoogdieren blijven beschermd. Meer soorten libellen en vlinders worden beschermd.
Bij een ontheffingsaanvraag onder de nieuwe wet wordt nog steeds getoetst aan drie criteria: · Is er sprake van bepaalde, in de wet genoemde belangen? Is er een 'andere bevredigende oplossing' mogelijk? Doet een ontheffing afbreuk aan de gunstige staat van instandhouding van de soort? Daarmee verandert er weinig in vergelijking met de toetsingspraktijk in het recente verleden. De groene kernkwaliteit van Soest 2014 Het groenbeleid is vastgelegd in de nota 'de groene kernkwaliteit van Soest' (2014). De gemeente Soest heeft een uitgebreide groenstructuur zowel binnen de bebouwde kom als in het groene buitengebied. Daarbij zijn nog veel landschappelijke cultuurhistorische elementen aanwezig. De kernkwaliteit van het groen in Soest bestaat uit een combinatie van 42/67 - ontwerp - NL.IMRO.0342.BPSOE0059-0201 - 5 november 2020
visueel-ruimtelijke, functioneel-ruimtelijke en economische kwaliteiten. Het groen op dorps- en wijkniveau draagt bij aan de collectieve beleving van de groene kernkwaliteit, waarbij bomen de belangrijkste groenelementen zijn. Het groen dat bepalend is voor de groene kernkwaliteit is vastgelegd op de groenstructuurkaart. Het doel van de nota 'de groene kernkwaliteit van Soest' en de groenstructuurkaart is: Het behouden en versterken van de groene kernkwaliteit van Soest; Het herstel van landschappelijke cultuurhistorische elementen; Het bieden van kaders voor het herstel van lanenstructuren en landschappelijke cultuurhistorische elementen. In het bestemmingsplan zijn de belangrijke groenstructuren vastgelegd. De belangrijkste structuurbepalende elementen zijn opgenomen in de bestemming 'Groen - Structuurgroen', waarin beschermende bepalingen zijn opgenomen. De overige groenstructuren dan wel groengebieden zijn opgenomen in de bestemming 'Groen - Wijkgroen'. Bescherming en kap van bomen (2012) In de nota 'Bescherming en kap van bomen' is het beleid rondom het duurzaam beschermen van bomen en de regels voor het kappen vastgelegd. De juridische regels rondom het beschermen en kappen van bomen zijn vastgelegd in de Algemene Plaatselijke Verordening Soest (APV Soest).
Het beschermen van bomen is gericht op het behoud van het groene karakter van de gemeente Soest, dat hoofdzakelijk wordt bepaald door bomenstructuren. Daarnaast kunnen individuele bomen of bomengroepen van grote waarde zijn voor een bepaalde plek. De te beschermen bomen zijn onderverdeeld in 5 categorieën: 1. 2. 3. 4. 5.
Bomenstructuren zoals vastgelegd op de groenstructuurkaart, en de parkwijken; Monumentale bomen (particulier en gemeentelijk); Waardevolle bomen (gemeentelijk); Toekomstig monumentale particuliere bomen op percelen = 175m²; Overige openbare bomen.
De beschermwaardige bomen van categorieën 1 t/m 3 zijn vastgelegd op de bomenkaart van Soest. Voor deze bomen geldt een concreet verbod op het vellen. Er wordt géén vergunning verleend voor kap, tenzij sprake is van een zwaarwegend planologisch argument van algemeen belang. Daarbij geldt de juridische voorwaarde dat eerst aantoonbaar gekeken moet worden naar alternatieve ruimtelijke en boomkundige oplossingen om de monumentale boom te behouden. Er wordt altijd een herplantplicht opgelegd. Voor de bomen in categorie 4 en 5 geldt dat een vergunning wordt verleend mist geen sprake is van een weigeringsgrond. Daarbij dient aangetoond te worden dat de boom in de planvorming uitdrukkelijk is meegewogen, er géén haalbare alternatieven zijn en het belang van het doorgaan van de plannen/ontwikkeling(en) groter is dan de waarde van de boom. Bij vergunningverlening kan een herplantplicht worden opgelegd. Bomen en ruimtelijke ontwikkelingen In de oriëntatiefase van een planontwikkeling moet door de initiatiefnemer het aanwezige groen en de bomen/houtopstanden worden ingemeten, geïnventariseerd en gewaardeerd. Bij het inventariseren is het van belang dat ook de kroonprojectie wordt ingemeten en de mogelijkheid tot verplanten van de bomen wordt onderzocht. Op basis van deze inventarisatie beoordeeld de gemeente welke bomen behouden moeten blijven en worden randvoorwaarden gesteld.
Ook bomen binnen de directe invloedssfeer van de ontwikkeling (5 meter uit bouwwerk (rondom) of binnen 5 meter uit perceelsgrens) moeten geïnventariseerd worden, om mogelijke schade / noodzaak tot vellen vooraf in beeld te hebben en bepalend te laten zijn voor de vergunningverlening van het bouwwerk. In de ontwerp-/ voorbereidende fase moet inzichtelijk worden gemaakt wat het effect is van het (bouw)plan / de werkzaamheden op de bomen. Een Bomeneffectanalyse (BEA) beoordeelt of 43/67 - ontwerp - NL.IMRO.0342.BPSOE0059-0201 - 5 november 2020
de boom/houtopstand, in het perspectief van de voorgenomen bouw/aanleg, in zijn huidige verschijningsvorm en standplaats, duurzaam behouden kan blijven. Ook worden knelpunten in 30 beeld gebracht. Op basis van een BEA worden passende oplossingen gezocht. Tevens worden maatregelen en randvoorwaarden (ontwerpeisen) aangegeven met als doel de bomen duurzaam te behouden, zowel tijdens de sloop, de bouw als daarna. 3.12.2 Onderzoek 3.12.2.1 Quickscan ecologie In het kader van het voorliggend bestemmingsplan is voor het plangebied een quickscan ecologie uitgevoerd. De quickscan is opgenomen als Bijlage 7 en vormt de eerste fase in het kader van de procedure van de Wet natuurbescherming (hierna Wnb) en Natuurnetwerk Nederland (hierna NNN).
Het doel van de quickscan is, om op basis van een literatuuronderzoek en een veldonderzoek, een inschatting te maken of: Beschermde planten- en diersoorten in het plangebied of directe omgeving (binnen een straal van maximaal 2 kilometer) van het plangebied kunnen voorkomen; De planontwikkeling mogelijk effect(en) heeft op de al dan niet aanwezige beschermde planten- en diersoorten en daarmee mogelijk strijdig is met de soortenbescherming conform de Wnb; Een noodzaak aanwezig is voor het uitvoeren van een nader onderzoek naar de mogelijk voorkomende beschermde planten- en diersoorten, door een gerichte veldinventarisatie volgens de geldende protocollen; De planontwikkeling plaatsvindt in of nabij een beschermd natuurgebied (Natura 2000-gebied) of het NNN / Groene contour en of daarbij sprake is van de noodzaak voor nadere toetsing en vergunning in het kader van gebiedsbescherming conform de Wnb inclusief externe werking en/of het provinciale beleid omtrent het NNN. Beschermde gebieden Het plangebied heeft geen status als Natura-2000 gebied. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden liggen op circa 10 kilometer van het plangebied. Gezien de aard van de ingreep en de ruime afstand van het plangebied tot de Natura 2000-gebieden worden externe effecten zoals trillingen, verstoring door geluid en mechanische effecten niet verwacht, deze rijken doorgaans tot enkele honderden meters.
Externe effecten door stikstofdepositie worden in paragraaf 3.8 uitgesloten. Het plangebied heeft geen status in het kader van Natuurnetwerk Nederland (NNN) / Groene contour. Deze ligt op 1,5 kilometer afstand. Daarom is er vanuit het provinciale natuurbeleid geen bezwaar tegen de voorgenomen ingreep. Een nadere toetsing ('nee, tenzij'-toets) is niet noodzakelijk. Verwachte natuurwaarden Op basis van het literatuuronderzoek en het veldbezoek wordt het volgende geconstateerd Algemeen beschermde grondgebonden zoogdieren In het plangebied komen algemene grondgebonden zoogdieren voor. Voor de te verwachten soorten geldt een vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkeling (provincie Utrecht, 2017). Dit wil zeggen dat voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling geen ontheffing van de Wnb hoeft te worden aangevraagd. Voor deze soorten geldt echter, net als voor niet beschermde soorten, te allen tijde de zorgplicht. Voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen hoeft voor de soortgroepen algemene beschermde grondgebonden zoogdieren geen ontheffing van de Wnb onderdeel soorten te worden aangevraagd. Planten In het plangebied kunnen in potentie beschermde planten voorkomen (o.a. Kartuizer 44/67 - ontwerp - NL.IMRO.0342.BPSOE0059-0201 - 5 november 2020
anjer). De planontwikkeling kan leiden tot vernietiging van beschermde plantensoorten. Nader onderzoek is vereist om vast te stellen of de planontwikkeling een negatief effect heeft op beschermde planten. Afhankelijk van de resultaten uit dit nader onderzoek, is mogelijk een ontheffing in het kader van de Wnb nodig. Voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen is voor de soortgroep planten een nader onderzoek en mogelijk een ontheffing in het kader van de Wnb nodig. Opgemerkt wordt dat het mogelijk voorkomen van beschermende plantensoorten niet een belemmering hoeft te zijn voor de voortgang van het voorliggende bestemmingsplan. Als in het nader onderzoek is vastgesteld dat beschermde planten in het plangebied voorkomen is het op voorhand aannemelijk dat ontheffing kan worden verkregen. Advies en vervolgtraject In de quickscan wordt een advies gegeven met betrekking tot 'Natuur inclusief bouwen' en het ontwikkelen biodiversiteit in de omgeving. Met betrekking tot het vervolgtraject wordt ten aanzien van het Nader onderzoek geadviseerd om het plangebied in de bloeiperiode (grote trefkans indien aanwezig) van de mogelijk aanwezige kartuizer anjer systematisch te doorlopen. Voor de kartuizer anjer betreft de bloeiperiode juni tot en met augustus.
Dit nader onderzoek (en mogelijk de daaropvolgende ontheffing) vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid en/of vaststelling van het voorliggend bestemmingsplan.
3.12.2.2 Nader onderzoek ecologie Indien de resultaten van het nader onderzoek voor de vaststelling van het bestemmingsplan gereed zijn zullen deze nog in het bestemmingsplan worden verwerkt. Indien de resultaten bij vaststelling nog niet bekend zijn zal het nader onderzoek deel uit maken van de aanvraag omgevingsvergunning voor de realisatie van de woningen.
3.12.2.3 BoomEffectAnalyse (BEA) Inleiding In het kader van het voorliggend bestemmingsplan is voor het plangebied een Bomen Effect Analyse (BEA) (zie Bijlage 8) uitgevoerd. Binnen het plangebied staan vier bomen en er dient te worden onderzocht of de geplande werkzaamheden nadelige gevolgen hebben voor deze bomen en welke boombeschermende maatregelen eventueel noodzakelijk zijn om deze te behouden. In dit onderzoek staan de volgende vragen centraal: Wat is de huidige conditie, mechanische kwaliteit en toekomstverwachting van de bomen bij gelijkblijvende omstandigheden? Waar bevinden zich de wortels van de bomen en hoever reiken deze? Wat is de invloed van de voorgenomen plannen op de bomen? Met welke eisen en randvoorwaarden dient er rekening te worden gehouden om de bomen voor, tijdens en na de geplande werkzaamheden te beschermen en zoveel mogelijk duurzaam te behouden? De analyse is een gestandaardiseerde beoordeling van mogelijke effecten van bouw of aanleg op bomen. Een BEA dient antwoord te geven op de vraag: "Kunnen de bomen, in het perspectief van de voorgenomen (bouw)werkzaamheden of het ontwerpplan in hun huidige verschijningsvorm en op deze standplaats, duurzaam behouden blijven?" Plangebied Binnen de grenzen van het plangebied worden in totaal een viertal woningen gebouwd. Het betreft twee vrijstaande woningen en een twee-onder-een-kapwoning .
In figuur 3.12.2.3 is het ontwerp van de te bouwen woningen weergegeven inclusief locatie van de onderzochte bomen 45/67 - ontwerp - NL.IMRO.0342.BPSOE0059-0201 - 5 november 2020
en een weergave van de kroonprojectie.
Figuur 3.12.2.3 Kwaliteit bomen De conditie van boom 1 tot en met 3 is goed, boom 4 verkeert in een (sterk)verminderde conditie. Als gevolg van de aanwezigheid van een plakoksel in zowel boom 1 als boom 3 en een rotting/aantasting in de stamvoet van boom 4, is de mechanische kwaliteit van boom 1 als slecht en van boom 3 en 4 als onvoldoende beoordeeld. De plakoksel in boom 1 vertoont scheurvorming en vormt hierdoor een acuut breukgevaar. Hoewel er voor wat betreft de plakoksel in boom 3 en de rotting/aantasting in boom 4, geen sprake is van een acuut breukgevaar, is er indien er geen veiligheidsmaatregelen worden getroffen ook hier op langere termijn sprake van een (toenemend) risico op tak-/stambreuk. Op basis van de onderzoeksresultaten kan worden gesteld dat boom 1 en 4 een sterk verminderde toekomstverwachting hebben. Verwacht wordt dat deze bomen, bij gelijkblijvende (groeipaats)omstandigheden binnen 5 tot 10 jaar uitvallen als gevolg van aangetroffen gebreken. De toekomstverwachting van boom 3 is ondanks de aanwezige plakoksel vooralsnog voldoende. Uitval binnen nu en 10 jaar wordt niet verwacht. Boom 2 heeft een goede toekomstverwachting, deze boom zal tenminste de komende 15 jaar veilig kunnen worden gehandhaafd.
Conclusie In de inleiding is de centrale vraag van een BEA genoemd: "Kunnen de bomen, in het perspectief van de voorgenomen (bouw)werkzaamheden of het ontwerpplan in hun huidige verschijningsvorm en op deze standplaats, duurzaam behouden blijven"? De te verwachten invloed van de (voor zover nu bekende) werkzaamheden op de bomen zeer beperkt. De te bouwen woningen bevinden zich buiten de ‘kwetsbare zone’ Geadviseerd wordt boom 2 en 3 te handhaven en de in paragraaf 5.3 beschreven eisen & randvoorwaarden en de in hoofdstuk 6 beschreven boombeschermende maatregelen onveranderd in acht te nemen. Aanvullend wordt in het kader van de openbare veiligheid 46/67 - ontwerp - NL.IMRO.0342.BPSOE0059-0201 - 5 november 2020
geadviseerd het aanwezige dode hout in de kronen te verwijderen. Ondanks dat er geen sprake is van een acuut veiligheidsrisico, wordt vanwege de aanwezigheid van een plakoksel en gezien de toenemende gevaarzetting (boom komt in nieuwe situatie nabij woning in particuliere achtertuin) geadviseerd bij boom 3 gerichte snoei uit te voeren in combinatie met het aanbrengen van een kroonverankering. Voor wat betreft boom 1 en 4 geldt dat gezien de sterk verminderde toekomstverwachting van deze bomen, duurzaam handhaven ongeacht geplande planvorming niet mogelijk wordt geacht. Het bovenstaande gaat enkel uit van werkzaamheden ten behoeve van de te bouwen woningen. Van overige terreininrichting is nog niets bekend. De bomen komen in de nieuwe situatie in particuliere (achter)tuinen. Eisen & randvoorwaarden Om gedurende de uitvoering van de werkzaamheden onaanvaardbare schades aan de te handhaven bomen en/of de groeiplaatsen te voorkomen zijn specifieke eisen en randvoorwaarden noodzakelijk. Deze zijn vooral van belang binnen de 'kwetsbare zone'. 3.12.3 Conclusie Het aspect 'natuur en groen' vormt geen belemmering voor de bouw van de geplande woningen. 3.13
Archeologie
3.13.1 Wet- en regelgeving Modernisering Monumentenzorg (MoMo) De Rijksoverheid wil de monumentenzorg op hoofdpunten moderniseren. Onder meer door gemeenten en provincies in hun ruimtelijke ordening rekening te laten houden met cultureel erfgoed. Wet op de archeologische monumentenzorg (2007) Het Europese Verdrag over de bescherming van archeologische erfgoed (het Verdrag van Malta) bepaalt onder andere dat het archeologisch belang wordt meegewogen bij besluitvorming over ruimtelijke ordening. Bij elke activiteit waarmee de bodem wordt verstoord in een gebied met (verwachte) archeologische waarde, moet in een zo vroeg mogelijk stadium worden bepaald of nader onderzoek noodzakelijk is. Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) In 2007 is als implementatie van het Verdrag van Malta de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) in werking getreden. Doel van deze wet is de bescherming van de aanwezige en de te verwachten archeologische waarden door het reguleren van bodemverstorende activiteiten. De Wamz gaat uit van het zo vroeg mogelijk betrekken van archeologische waarden in het ruimtelijk ordeningsproces. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan en bij de bestemming van de gronden moet dan ook rekening worden gehouden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische resten.
Daarom moet bij het opstellen van een bestemmingsplan worden onderzocht in hoeverre in betreffende gronden archeologische resten aanwezig kunnen zijn. Gebieden waar resten aanwezig (kunnen) zijn, kunnen met een dubbelbestemming archeologie in het bestemmingsplan worden beschermd. Voorafgaand aan bodemverstorende ingrepen moet dan in bepaalde gevallen eerst nader onderzoek worden uitgevoerd. De Wamz geeft aan dat archeologisch onderzoek nodig is bij bodemverstorende ingrepen van meer dan 100 m2. Nadruk op “behoud in situ”, dit betekent dat archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem zelf bewaard blijven; 47/67 - ontwerp - NL.IMRO.0342.BPSOE0059-0201 - 5 november 2020
De noodzaak om in de ruimtelijke ordening tijdig te denken aan archeologisch waarden in het plangebied. Bij vaststelling van het bestemmingsplan moet rekening worden gehouden met aanwezige en te verwachten monumenten- en archeologische waarden; Toepassing van het principe dat de verstoorder betaalt: de initiatiefnemer/projectontwikkelaar draagt de kosten voor het noodzakelijk archeologisch onderzoek; Provinciale Staten kunnen archeologisch attentiegebied aanwijzen indien het bestemmingsplan onvoldoende bescherming biedt. Dit betekent dat de gemeente een nieuw plan moet vaststellen waarin wel rekening wordt gehouden met aanwezige en te verwachten archeologische waarden; De mogelijkheid tot het werken met opgravingsvergunningen voor commercieel werkende instellingen. Voor archeologisch waardevolle gebieden gelden voor bodemingrepen strengere eisen. Hiervan mag met goed onderbouwd beleid van worden afgeweken. Archeologische beleids- en advieskaart Soest Voor het grondgebied in Soest is een Archeologische beleidsadvieskaart opgesteld, die aangeeft welke gebieden archeologisch waardevol zijn en welke een hoge, middelhoge en lage verwachtingswaarde hebben.
Archeologisch onderzoek is nodig als de (nog niet eerder verstoorde) bodem dieper dan 30 cm onder het maaiveld wordt verstoord: in een archeologisch waardevol gebied bij een ingreep van meer dan 50 m2; in een gebied met een hoge archeologische verwachtingswaarde bij een ingreep van meer dan 100 m2; in een gebied met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde bij een ingreep van meer dan 500 m2; in een gebied met een lage archeologische verwachtingswaarde bij een ingreep van meer dan 10000 m2. 3.13.2 Onderzoek Bureauonderzoek Er is in eerste instantie een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd om een gespecificeerde archeologische verwachtingswaarde voor het gebied te kunnen vaststellen. Op basis van de landschappelijke ligging op de flank van een stuwwal en de archeologische onderzoeken uit de omgeving is aan het plangebied een lage verwachting toegekend voor vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum en een hoge verwachting voor nederzettingsresten en grafvelden uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13 e eeuw). Voor de Late Middeleeuwen (vanaf de 13 e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd is op basis van de historische gegevens een lage verwachting aan het plangebied toegekend.
Uit het bureauonderzoek blijkt verder dat de bodem in het plangebied verstoord kan zijn door voormalige wegen die naar de groeve en de latere stort hebben gelopen. De stort heeft op basis van historische kaartmateriaal doorgelopen tot aan het noordoostelijke deel van het plangebied. Op basis van het uitgevoerde milieukundig booronderzoek is niet bevestigd dat de stort ook voor een afgraving die opgevuld is met stortmateriaal heeft geleid. Aan de oostzijde komt ook een laagte voor waar de bodem vermoedelijk diep is verstoord. Ook kan de bodem verstoord zijn geraakt door bouw en sloop van de bebouwing in het zuiden van het plangebied. Verkennend booronderzoek Omdat het beeld van de status van de bodem onduidelijk was, is vervolgens een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Op basis van dit onderzoek is de specifieke archeologische verwachting voor het plangebied uit het bureauonderzoek geverifieerd. De beide onderzoeken 48/67 - ontwerp - NL.IMRO.0342.BPSOE0059-0201 - 5 november 2020
zijn samengevoegd in één onderzoeksrapport dat als Bijlage 9 aan deze toelichting is toegevoegd. Uit het booronderzoek blijkt dat binnen het plangebied veelal sprake is van diepe verstoringen, waardoor er in grote delen van het plangebied geen archeologische resten worden verwacht. Een uitzondering is de zone rondom boringen 2 en 7. Zie onderstaande afbeeldingen.
Afbeelding - plangebied met bouwblokken en boringslocaties (bron: archeologisch onderzoek Bijlage 9)
49/67 - ontwerp - NL.IMRO.0342.BPSOE0059-0201 - 5 november 2020
50/67 - ontwerp - NL.IMRO.0342.BPSOE0059-0201 - 5 november 2020
Afbeelding - in geel het deel van het plangebied waar nog een specifieke archeologische verwachting blijft gelden (bron: archeologischonderzoek in Bijlage 9) In deze zone kan de lage archeologische verwachting voor vuursteenvindplaatsen en vindplaatsen uit de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd gehandhaafd blijven. De hoge verwachting voor archeologische resten uit het Neolithicum tot en met Volle Middeleeuwen kan op basis van de afwezigheid van archeologische indicatoren (verkennende fase met karterende boordichtheid) en de beperkte omvang van een eventueel aanwezig intacte vindplaats door verstoringen in de directe omgeving worden verlaagd naar een middelhoge verwachting. Wanneer de geplande graafwerkzaamheden dieper reiken dan 8,7 m +NAP én betrekkeing hebben op een oppervlak groter dan 500 m² in de zone rondom boringen 2 en 7 met een middelhoge verwachting kunnen eventueel aanwezig archeologische resten verloren gaan en is vervolgonderzoek nodig in de vorm van een proefsleuvenonderzoek om vast te stellen of in het plangebied archeologische resten aanwezig zijn en zo ja, welke waardering hieraan gegeven kan worden. Voor dit proefsleuvenonderzoek is een Programma van Eisen (PvE) noodzakelijk dat is goedgekeurd door de bevoegde overheid. In dit PvE wordt de werkwijze en de randvoorwaarden van het proefsleuvenonderzoek vastgelegd.
Voor graafwerkzaamheden met een omvang van minder dan 500m2 geldt een meldingsplicht. De aanvrager wordt geacht: a. minstens 72 uur voor aanvang van de graafwerkzaamheden ten behoeve van de aanleg van de bouwput contact op te nemen met het Centrum voor Archeologie Amersfoort (033-4637797 /archeologie@amersfoort.nl); b. medewerkers van het Centrum voor Archeologie Amersfoort tijdens de bodemwerkzaamheden toegang te verlenen tot het werkgebied en hen, indien zij dit noodzakelijk achten, voldoende tijd en ruimte te geven voor het documenteren van eventueel aangetroffen archeologische resten of sporen. Dit komt voort uit de wettelijke meldingsplicht (Erfgoedwet, artikel 5.10) voor archeologische toevalsvondsten.” 3.13.3 Conclusie Uit het archeologische bureau- en booronderzoek blijkt dat een groot deel van de bodem in het plangebied door activiteiten in het verleden is verstoord.
Een uitzondering is de zone rondom boringen 2 en 7: de lage archeologische verwachting voor vuursteenvindplaatsen en vindplaatsen uit de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd blijft gehandhaafd; de hoge verwachting voor archeologische resten uit het Neolithicum tot en met Volle Middeleeuwen kan op basis van de afwezigheid van archeologische indicatoren (verkennende fase met karterende boordichtheid) en de beperkte omvang van een eventueel aanwezig intacte vindplaats door verstoringen in de directe omgeving worden verlaagd naar een middelhoge verwachting. Op basis van het onderzoek wordt de dubbelbestemming die nu geldt binnen het plangebied (op basis van het vigerende bestemmingsplan) aangepast. De initiatiefnemer moet vooraf de start van graafwerkzaamheden melden bij het Centrum voor Archeologie Amersfoort.
51/67 - ontwerp - NL.IMRO.0342.BPSOE0059-0201 - 5 november 2020
3.14
Cultuurhistorie en erfgoed
3.14.1 Wet- en regelgeving |Besluit ruimtelijke ordening In verband met een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 4 onder a.) moeten gemeenten vanaf 1 januari 2012 bij het maken van bestemmingsplannen niet alleen rekening houden met cultuurhistorische waarden onder, maar ook boven de grond. Cultuurhistorie bestaat uit archeologie, historische gebouwen en historische geografie. De potentiële archeologische vindplaatsen zijn reeds in kaart gebracht (Archeologische beleids- en advieskaart Soest). Historische gebouwen worden beschermd via de Monumentenwet. Zij zijn aangewezen als Rijksmonument of als gemeentelijk monument. Cultuurhistorische Waardenkaart De gemeenteraad van Soest heeft op 25 april 2013 ingestemd met het opstellen van een Cultuurhistorische Waardenkaart (CHWK). Op 27 mei 2014 hebben burgemeester en wethouders van Soest ingestemd met een als zodanig opgestelde cultuurlandschappelijke en historisch-stedenbouwkundige waarderingskaart en een cultuurhistorische kenmerkenkaart met bijbehorend onderzoeksrapport. Alsook hebben burgemeester en wethouders besloten de gedane beleidsadviezen af te wegen en voorstellen te ontwikkelen over in welke mate en op welke wijze de daarvoor in aanmerking komende beleidsadviezen kunnen worden vertaald in concreet beleid in de ruimtelijke plannen. Erfgoedwet De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen.
Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in 2019 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. Het betreft: vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten; verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie; bescherming van stads- en dorpsgezichten. Monumentenverordening gemeente Soest De 'Monumentenverordening gemeente Soest' verbiedt het om binnen de grenzen van een beschermd dorpsgezicht gebouwen geheel of gedeeltelijk af te breken. Dit geldt ook voor de dorpsgezichten op de gemeentelijke monumentenlijst. Het monumentenbeleid van Gemeente Soest is erop gericht, dat wenselijke of noodzakelijke veranderingen binnen een dorpsgezicht flexibel maar verantwoord kunnen worden ingepast in de cultuurhistorische omgeving. 3.14.2 Onderzoek Er bevinden zich in het gebied geen monumenten of andere cultuurhistorische waarden. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Een deel van de kavel van de vrijstaande woning ligt op de Eng. Dit stuk grond blijft onbebouwd.
De gronden maken geen deel uit van dit bestemmingsplan en behouden daarmee de bestaande agrarische bestemming. Er komt geen hek om de betreffende gronden heen. Deze bescherming van de Eng is een speerpunt van de gemeente, omdat de cultuurhistorische waarde behouden blijft.
52/67 - ontwerp - NL.IMRO.0342.BPSOE0059-0201 - 5 november 2020
3.14.3 Conclusie Het aspect 'cultuurhistorie en erfgoed' vormt geen belemmering voor de bouw van de geplande woningen. 3.15
Beeldkwaliteit en welstand
Beeldkwaliteitsplan Voor het plangebied gelden meerdere beeldkwaliteitsplannen: Beeldkwaliteitsplan 'De entrees van Soest'; Beeldkwaliteitsplan 'Centrale Lint'; Beeldkwaliteitsplan 'Flanken van De Eng'. De beeldkwaliteitsplannen geven richtlijnen voor de beeldkwaliteit van de betreffende gebieden. De plannen bestaan uit een analytisch gedeelte en een beschrijving per deelgebied met aanbevelingen. Welstandsnota 2014 Op 13 februari 2014 heeft de gemeenteraad van Soest de nieuwe Welstandsnota vastgesteld om transparant welstandsbeleid te kunnen voeren. Het welstandsbeleid is bedoeld om te zorgen dat bij bouwen en verbouwen de omgeving niet visueel wordt aangetast. De nota staat vol inspirerende voorbeelden, kaartmateriaal en gebiedsbeschrijvingen. Om mensen die een vergunning aanvragen te ondersteunen bij het indienen van een kwalitatief goed plan, zijn proces en inhoud van de welstandsbeoordeling duidelijk beschreven. Het welstandsregime in Soest kent drie niveaus: Voor de monumenten en beschermde dorpsgezichten (zowel gemeentelijk als rijks) is de zwaarste toetsing van kracht: niveau 1. Voor de gebieden waarvoor een beeldkwaliteitplan is opgesteld en voor de beeldbepalende panden is het bijzondere niveau van kracht (niveau 2). Voor de overige gebieden, de zogenoemde reguliere gebieden is het basisniveau van kracht (niveau 3).
In principe geldt, hoe hoger het welstandsniveau, hoe strenger en hoe meer gedetailleerd de toets is.
53/67 - ontwerp - NL.IMRO.0342.BPSOE0059-0201 - 5 november 2020
3.15.1 Onderzoek
Afbeelding - uitsnede Welstandsnota gebiedsindeling Het plangebied valt binnen het deelgebied 'De Eng', een van de reguliere gebieden. Voor dergelijke gebieden geldt het gewone welstandsregime (niveau 3). Er wordt alleen getoetst aam hoofdaspecten, zoals de situering op de kavel en materiaal- en kleurgebruik van de hoofdvakken. De Eng Dit deelgebied wordt aan de oost en zuidzijde begrensd door het spoor en het beschermde dorpsgezicht van de Eng. Aan de west en noordzijde vormen de Nieuweweg en de Waldeck Pyrmontlaan-Prins Bernhardlaan-Talmalaan de grens van het deelgebied. Door de centrale ligging van de Dalweg in Soest zijn op deze locatie het gemeentehuis, het politiebureau, verzorgingstehuizen en andere maatschappelijke voorzieningen gevestigd. De meeste voorzieningen liggen aan de zuidzijde van deze weg. Aan de noordzijde bevindt zich vooral woningbouw, die is georiënteerd op de wegenstructuur. Met de bouw van de woningen zijn de bestaande bomenrijen zoveel mogelijk gehandhaafd. De Dalweg is onderdeel van de hoofdwegenstructuur en heeft daardoor een vrij breed profiel waarbij langzaam- en snelverkeer gescheiden zijn door groenzones. Kenmerken van dit gebied zijn de zeldzame overblijfselen van de historische holle weg en de belangrijke verbinding over de Eng tussen de Koningsweg en Steenhofstraat.
Tegen de spoorlijn, in de zuidoosthoek van het plangebied ligt de begraafplaats. De oude zuidwestelijke afscheiding, bestaande uit acacia, berk, eik en beuk, fungeert als scheiding tussen het oude en nieuwe gedeelte van de begraafplaats. De vorm van de begraafplaats is conform de overheersende kavelgerichtheid, zuidwest-noordoost. De begraafplaats is aangelegd volgens een enigszins symmetrisch patroon. De bebouwing in de rest van het plangebied bestaat grotendeels uit woningen. Er is een grote diversiteit aan woningtypen. De geschakelde en vrijstaande woningen, het merendeel uitgevoerd in twee lagen met een kap, bevinden zich met name aan de randen van de open gebieden. Door dit type woningen is sprake van een zachte overgang naar het agrarische gebied van de Eng. Slechts een klein aantal geschakelde en vrijstaande woningen bevindt zich binnen in het 54/67 - ontwerp - NL.IMRO.0342.BPSOE0059-0201 - 5 november 2020
plangebied. Het plangebied wordt gekenmerkt door een grote variatie in bouwhoogte. Gestapelde en aaneengebouwde woningen komen voornamelijk voor in de Oostelijke Eng. Ten zuiden van de Dalweg bevindt zich voornamelijk gestapelde bouw en ten noorden veelal aaneengebouwde woningen. De hoogste flats hebben een hoogte tot 18 meter. Het merendeel van de gestapelde woningen hebben een hoogte tot 14 meter. De bebouwing langs de Molenstraat bestaat met name uit oude sociale woningbouw, die gerealiseerd is in de jaren 1917-1919. Deze woningen zijn in 1984 gerenoveerd. De bouwplannen zijn door de welstandscommissie positief beoordeeld. 3.15.2 Conclusie Het aspect 'welstand en beeldkwaliteit' vormt geen belemmering voor de bouw van de geplande woningen. 3.16
Duurzaamheid
3.16.1 Beleid Duurzaamheidsplan (2016-2020) In februari 2016 is het Duurzaamheidsplan 2016-2020 vastgesteld. De onderstaande ambities en doelstellingen hebben betrekking op het ruimtelijk beleid. Ambities voor 2030 Voor nieuwbouw wordt de GPR-score van 10 gehanteerd; Waar er gebouwd wordt wil de gemeente Soest niet ten koste van de natuur maar met de natuur ontwikkelen. Op ieder schaalniveau moeten natuur en stad worden verbonden in het ruimtelijk ontwerp. Doelstellingen voor 2020 Voor nieuwbouw geldt de GPR-score van minimaal 7 (GPR= integrale praktijkrichtlijn hoe woningen gebouwd moeten worden met cijfer voor energie, milieu, gezondheid, gebruikskwaliteit, toekomstwaarde). Waar mogelijk wordt gekeken om een stapje verder te gaan; Bij verstedelijking en uitbreiding hiervan nemen we de voorwaarde op dat ruimtelijke plannen een onderbouwing moeten bevatten over de wijze waarop het plan rekening houdt met energiebesparing en het toepassen van duurzame energiebronnen; In ruimtelijke plannen (bv. Structuurvisies, bestemmingsplannen of omgevingsplan) en in het voortraject (verkoop grond) altijd duurzaamheidsaspecten meewegen; Wij streven bij gebiedsontwikkelingen naar zelfvoorzienend op het thema energie.