CConstaterende datSoest
Koppel je AI →
Document · PDF

4a 2 Bijlage 1 Ontwerpbestemmingsplan Chalonhof_Toelichting 201105.pdf

Besluitvormende Raadsvergadering 14 oktober 2021, gemeente SoestBij agendapunt: Bestemmingsplan Chalonhof21.861 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

bestemmingsplan Chalonhof Gemeente: Soest

Opdrachtgever: Bouwformaat

Organisatie

Telefoon

Documentnummer

Lievense Milieu BV

+31 (0)88 910 20 00

SLS010289

Datum

Versie

5 november 2020

NL.IMRO.0342.BPSOE0059-0201

Adres

Colofon Rapporthistorie Voorontwerp n.v.t. Ontwerp 5 november 2020 Vastgesteld .. ..... 2020/2021 Onherroepelijk .. ..... 2020/2021 Contactgegevens dboer@Lievense.com

Autorisatie Documentnummer

Versie

Status

SLS010289

NL.IMRO.0342.BPSOE0059-0201

ontwerp

Opgesteld door

Functie

Datum

Paraaf

R. Bouman

Adviseur Stedelijke Ontwikkeling

5 november 2020

Geverifieerd door

Functie

Datum

naam_review

functie_review

.. ..... 2020/2021

Akkoord projectleider

Functie

Datum

D. Boer

Senior jurist omgevingsrecht

.. ..... 2020/2021

Paraaf

Paraaf

3/67 - ontwerp - NL.IMRO.0342.BPSOE0059-0201 - 5 nov ember 2020

Inhoudsopgave Toelichting Hoofdstuk 1

Hoofdstuk 2

Hoofdstuk 3

Hoofdstuk 4

2 Inleiding

6

1.1

Aanleiding en doelstelling

6

1.2

Ligging plangebied en begrenzing plangebied

6

1.3

Het geldende bestemmingsplan

7

1.4

De bij het plan behorende stukken

8

1.5

Opzet van de toelichting: leeswijzer

8

Planbeschrijving

9

2.1

Bestaande situatie

9

2.2

Planbeschrijving

10

Haalbaarheid

15

3.1

Algemeen ruimtelijk beleid

15

3.2

Milieuffectrapportage

19

3.3

Milieuzonering

20

3.4

Bodem

23

3.5

Geluid

24

3.6

Geur

26

3.7

Lucht

27

3.8

Stikstofdepositie

28

3.9

Externe veiligheid

29

3.10

Kabels en leidingen

34

3.11

Water

35

3.12

Natuur en groen

42

3.13

Archeologie

47

3.14

Cultuurhistorie en erfgoed

52

3.15

Beeldkwaliteit en welstand

53

3.16

Duurzaamheid

55

3.17

Verkeer, vervoer en parkeren

57

3.18

Duurzame verstedelijking

59

Toelichting op de regels

62

4.1

Inleiding

62

4.2

Planregels

62

4.3

Verbeelding

65

Hoofdstuk 5

Economische uitvoerbaarheid

66

Hoofdstuk 6

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

67

6.1

Procedure en fase bestemmingsplan

67

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

67

4/67 - ontwerp - NL.IMRO.0342.BPSOE0059-0201 - 5 nov ember 2020

5/67 - ontwerp - NL.IMRO.0342.BPSOE0059-0201 - 5 nov ember 2020

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1

Aanleiding en doelstelling

Aanleiding voor het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan vormt een particulier initiatief voor de herontwikkeling en bijbehorende functiewijziging op het perceel Chalonhof 128 130 te Soest. Initiatiefnemer heeft het voornemen om aan de Chalonhof woningbouw te realiseren. Het nieuwe bouwplan gaat uit van twee vrijstaande woningen en een twee-onder-één-kapwoning te bouwen op een perceel tussen de Chalonhof en de Beukenlaan. Op het naastgelegen perceel worden al 14 woningen gebouwd. Het plan sluit qua maat en schaal aan bij de naastgelegen woningen aan de zijde van de Chalonhof/Eng. Het is in overleg met de gemeentelijke stedenbouwkundige aangepast. Door de gemeente is met de voorliggende plannen ingestemd. Het doel van het voorliggende bestemmingsplan ' Chalonhof' is dan ook om de beoogde ontwikkeling planologisch-juridisch te borgen. 1.2

Ligging plangebied en begrenzing plangebied

Het plangebied Chalonhof ligt aan midden in de bebouwde van Soest. Het plangebied is ingeklemd tussen de noordelijke Enk en de bestaande bebouwing langs de Beukenlaan.

Afbeelding - ligging plangebied (bron: open topografie / pdok.nl) In navolgende afbeelding is de plangrens globaal weergegeven. Het plangebied heeft een omvang van ongeveer 3.000 m2.

6/67 - ontwerp - NL.IMRO.0342.BPSOE0059-0201 - 5 nov ember 2020

Afbeelding - globale begrenzing plangebied (bron: BGT / ruimtelijkeplannen.nl) 1.3

Het geldende bestemmingsplan

Op het perceel Chalonhof 128 - 130 geldt het bestemmingsplan De Eng, zoals dat op 15 mei 2012 is vastgesteld. De betreffende gronden hebben de bestemming 'Agrarisch', 'Wonen' en 'Tuin'. De gronden zijn tevens voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie hoge verwachting'.

Afbeelding - uitsnede geldende plannen (bron; ruimtelijkeplannen.nl) 7/67 - ontwerp - NL.IMRO.0342.BPSOE0059-0201 - 5 nov ember 2020

Ter plaatse van het plangebied is in het geldende bestemmingsplan door middel van een wijzigingsbevoegdheid rekening gehouden met de bouw van 20 woningen, met o.a. als randvoorwaarde dat het gebied in één keer ontwikkeld dient te worden. Het gebied wordt echter in twee delen ontwikkeld. Om het initiatief alsnog mogelijk te maken dient het geldende bestemmingsplan 'De Eng' te worden herzien. 1.4

De bij het plan behorende stukken

Het bestemmingsplan 'Chalonhof' met identificatienummer NL.IMRO.0342.BPSOE0059-0201 bestaat, naast deze toelichting, uit de volgende stukken: verbeelding planregels. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende plan en kunnen enkel in samenhang met elkaar 'gelezen' worden. Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plangebied begrepen gronden aangegeven. Aan deze bestemmingen zijn regels om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. De toelichting is niet juridisch bindend, maar is niettemin een belangrijk document bij het bestemmingsplan. De toelichting geeft aan wat de beweegredenen en achtergronden zijn die aan het plan ten grondslag liggen en doet verslag van het onderzoek dat aan het bestemmingsplan vooraf is gegaan. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. 1.5

Opzet van de toelichting: leeswijzer

De toelichting is als volgt opgebouwd: In hoofdstuk 2 Planbeschrijving wordt allereerst ingegaan op de bestaande situatie van het plangebied. Vervolgens wordt een planbeschrijving van de beoogde ontwikkeling gegeven. Er wordt ingegaan op de uitgangspunten voor de stedenbouwkundige inrichting. Hoofdstuk 3 Haalbaarheid gaat in op het bestaand beleid van de Rijksoverheid, de provincie Utrecht en het regionale beleid. Ook komt het gemeentelijke beleid aan de orde in dit hoofdstuk. Daarnaast worden de ontwikkelingen getoetst aan en onderzocht naar milieu- en andere aspecten. Hoofdstuk 4 Toelichting op de regels geeft een toelichting op de regels en geeft aan waarom voor een bepaalde regeling is gekozen. In meer algemene zin wordt eerst de juridische plansystematiek uiteen gezet. De afstemming van het bestemmingsplan met andere wetten en verordeningen komt eveneens in dit hoofdstuk aan de orde. Vervolgens wordt per bestemming kort ingegaan op de (on)mogelijkheden binnen de betreffende bestemming. In hoofdstuk Hoofdstuk 5 Economische uitvoerbaarheid komt de economische uitvoerbaarheid aan de orde. Ten slotte is in hoofdstuk Hoofdstuk 6 Maatschappelijke uitvoerbaarheid de maatschappelijke uitvoerbaarheid.

8/67 - ontwerp - NL.IMRO.0342.BPSOE0059-0201 - 5 nov ember 2020

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving 2.1

Bestaande situatie

In het geldende bestemmingsplan 'De Eng' is uitgebreid stilgestaan bij de ontstaansgeschiedenis van het betreffende plangebied binnen Soest. Ook is uitvoerig aandacht gegeven aan de ruimtelijke structuur van het gebied. Daarbij is onderscheid gemaakt tussen de verschillende deelgebieden (Zuidelijke en de Noordelijke Eng, Dalweg, begraafplaats, Parklaan en middengebied - weerszijden Dalweg -). Verder is aandacht besteed aan de verkeersstructuur, de groenstructuur en de waterstructuur. De locatie aan de Chalonhof maakt deel uit van een herontwikkeling binnen het bestaand stedelijk gebied. Hiervoor was in het geldende bestemmingsplan een wijzigingsbevoegdheid opgenomen (zie paragraaf 1.3)

Afbeelding - bestaande situatie anno 2019 (bron: ruimtelijkeplannen.nl) Het voorliggende plangebied ligt ingeklemd tussen de bestaande bebouwing langs de Beukenlaan en de rand van de Noordelijke Eng. Zoals uit bovenstaande luchtfoto blijkt liggen de betreffende gronden braak. Op het perceel staan vier bomen, verder bestaat het perceel uit grasland met sporadisch een bramenstruik.

9/67 - ontwerp - NL.IMRO.0342.BPSOE0059-0201 - 5 nov ember 2020

Afbeelding - bestaande situatie anno 2019 (bron: open topografie / pdok.nl) 2.2

Planbeschrijving

2.2.1 Stedenbouwkundige opzet en beoogde bebouwing Voor dit deelgebied wordt uitgegaan van de bouw van maximaal vier woningen; twee vrijstaande woningen en een twee-onder-één-kapwoning. De woningen worden voor autoverkeer ontsloten via de Chalonhof en de Waldeck Pyrmontlaan. De ontwikkeling van deze vier woningen is het laatste stukje van een lange geschiedenis woningontwikkeling die circa 30 jaar geleden is begonnen. De woningen vormen min of meer de afronding van de wijk die 30 jaar geleden kon worden gereliseerd vanwege de sloop van zwembad de Turf, de verhuizing van het transportbedrijf Duijst en de sanering van het stortgat van de firma Beijer. Door meerdere afwijzingen van gemaakte plannen en de economische tijd is de afronding van de wijk, noodgedwongen stil komen te liggen. Door nieuwe initiatiefnemers is er weer leven in de oude plannen geblazen en komt de eindfase van het plan nu eindelijk tot een afronding.

10/67 - ontwerp - NL.IMRO.0342.BPSOE0059-0201 - 5 november 2020

Afbeelding - stedenbouwkunidge verkaveling De vier nieuw te ontwikkelen woningen zijn een twee onder een kap woning(en) en twee vrijstaande woningen. Twee onder een kapwoningen De architectuur van de twee onder een kapwoning is duidelijk familie van de huidige twee onder een kap woningen die al op de Chalonhof staan. De kleur van de gekozen baksteen, pannen en detaillering vindt inspiratie in de bestaande wijk.

11/67 - ontwerp - NL.IMRO.0342.BPSOE0059-0201 - 5 november 2020

Afbeelding - sfeerbeelden voor 2-onder1 kap. Vorm sluit aan op bestaande architectuur van Chalonhof 128-130 met een moderne aanvulling Schuurwoning De vrijstaande woning grenzend aan het plan van de Beukenhof wordt ontworpen als een schuurwoning. De motivatie om een dergelijke architectuur toe te passen komt voort uit de geschiedenis van het gebied. Men kan zich voorstellen dat er in het gebied een oude schuur heeft gestaan. Met de omwonenden is afgesproken dat de schuurwoning bij realisatie niet wordt voorzien van een dakkapel.

Afbeelding - sfeerbeelden voor vrijstaande woning 1. Wonen voornamelijk op begane grond, verdieping bijvoorbeeld geschikt voor logeerkamer. Bescheiden hoogte woning, alsof een (bestaande) schuur is omgebouwd tot woonhuis Vrijstaande woning De vrijstaande woning als eindpunt van de Chalonhof mag een afwijkende architectuur een beeldbepalend element zijn. Het is geen probleem als de nieuwe woning familie is van de huidige architectuur, maar er is ook vrijheid om de woning meer autonoom te ontwerpen. Het is heel goed voorstelbaar dat de nieuwe woning, als een dijkwoning, op de eerste verdieping een woonkamer heeft omdat het zicht over het groene weiland met koeien daar een bijzonder fraai is. De mogelijkheid voor veel ontwerpvrijheid is noodzakelijk voor deze plek.

12/67 - ontwerp - NL.IMRO.0342.BPSOE0059-0201 - 5 november 2020

Afbeelding - sfeerbeelden vrijstaande woning 4. Zichtlijn einde van de Chalonhof, markant punt, bijzondere woning 2.2.2 Groen De bestaande situatie is maatgevend. Bij de herinrichting van het terrein wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met bestaande bomen. Het plangebied zal zoveel mogelijk haar groene uitstraling behouden, waarbij de parkeerfunctie zoveel mogelijk ondergeschikt blijft. De bestaande situatie is maatgevend. De beschermwaardige bomen in het plangebied worden duurzaam in het plangebied ingepast (zie verder paragraaf 3.12). 2.2.3

Water

Grondwater Bij alle ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met voldoende drooglegging zonder dat aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn. Oppervlaktewater Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Waterberging In het kader van de in dit bestemmingsplan geplande woningbouw wordt het terrein heringericht. Hierdoor neemt het bestaande oppervlakte groen af en de verharding toe, wat een negatief effect zal hebben op de waterberging. Afval- en hemelwater Bij nieuwbouw en uitbreidingen moet hemelwater van afvalwater gescheiden worden gehouden. Het waterbeleid houdt rekening met een veranderend klimaat. Bij de ontwikkeling moet rekening worden gehouden met de toenemende mogelijkheid van "water op straat". Het ontwerp van nieuwbouw en uitbreidingen moet hierop zijn afgestemd. Zie verder de waterparagraaf in paragraaf 3.11. 2.2.4 Verkeer en parkeren Bij de woningen wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein. Om de Eng te beschermen komen de twee openbare parkeerplaatsen aan de Chalonhof langs de Eng te liggen, in plaats van op de Eng. 13/67 - ontwerp - NL.IMRO.0342.BPSOE0059-0201 - 5 november 2020

Voor het mogelijk gemaakte programma is een parkeerbalans opgesteld, die gebaseerd is op het geldende parkeerbeleid uit de Nota parkeernormen auto en fiets, 3e herziening (zie hiervoor paragraaf 3.17).

14/67 - ontwerp - NL.IMRO.0342.BPSOE0059-0201 - 5 november 2020

Hoofdstuk 3 Haalbaarheid In dit hoofdstuk wordt de haalbaarheid van het in paragraaf 2.2 beschreven plan getoetst aan bestaand beleid, wet- en regelgeving. Dit hoofdstuk geeft een overzicht van het ruimtelijk relevante beleid voor het bestemmingsplan 'Chalonhof' op Rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau. Naast de toetsing aan het bestaande beleid zal de nieuwe ontwikkeling ook moeten worden getoetst aan de wettelijke voorschriften omtrent milieu. Dit om de impact op de omgeving te verantwoorden. In dit hoofdstuk worden de resultaten van de onderzoeken naar de relevante milieuaspecten besproken, die relevant zijn voor het bestemmingsplan. Het gaat dan vooral om geluid, bodemkwaliteit, luchtkwaliteit, geur, zoneringsafstanden tussen bedrijven, etc. Naast milieu gaat dit hoofdstuk in op de onderdelen water, natuur en archeologie. 3.1

Algemeen ruimtelijk beleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012) De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is op 13 maart 2012 in werking getreden. De structuurvisie infrastructuur en ruimte 2040 (SVIR) geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. Het Rijk formuleert drie hoofddoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028): het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk economische structuur van Nederland; het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat en het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Het Rijk gaat voor verstedelijking en economische activiteiten uit van de bundelingsstrategie. Voordelen hiervan zijn dat steden ondersteund worden in hun economische en culturele functie. Zowel in dorpen als steden wordt het draagvlak voor voorzieningen ondersteund. Het bundelingsbeleid is een taak van decentrale overheden. Het Rijk heeft een stimulerende rol. Doel is dat in iedere gemeente voldoende mogelijkheid is om in de natuurlijke bevolkingsaanwas te voorzien.

Naast de eigen bevolkingsaanwas moet ook voldoende ruimte zijn voor de lokaal gerichte bedrijvigheid. Bundeling houdt in dat nieuwe bebouwing geconcentreerd tot stand komt, dat wil zeggen in bestaand bebouwd gebied of direct aansluitend aan het bestaand bebouwd gebied. Voor geheel Nederland is een basiskwaliteit geformuleerd waaraan moet worden voldaan. Verdere verfijning wordt overgelaten aan de decentrale bestuurslagen. De gebieden en netwerken die het kabinet van nationaal belang acht, zijn bestemd als Ruimtelijke Hoofdstructuur. In deze gebieden wil het Rijk nadrukkelijk een rol vervullen. Voor de gemeente Soest betekent dit het volgende: Verstedelijking: bundeling van verstedelijking en economische activiteiten ondersteunt de functie van steden als economische motor. Nieuwe bebouwing moet geconcentreerd tot stand komen: in het bestaande bebouwde gebied, aansluitend op het bestaande bebouwde gebied of in clusters daarbuiten. Uitgangspunt is dat iedere gemeente voldoende ruimte krijgt om te voorzien in de natuurlijke aanwas; Vitaal platteland: een economisch vitale grondgebonden landbouw is belangrijk voor het beheer van het buitengebied. Het economisch draagvlak en de vitaliteit van landelijke gebieden staat onder druk. Om daarin verlichting te brengen moeten de mogelijkheden 15/67 - ontwerp - NL.IMRO.0342.BPSOE0059-0201 - 5 november 2020

voor hergebruik, nieuwbouw en de mogelijkheden voor een brede(re) bedrijfsvoering ruimer worden; Borging van bijzondere landschappelijke waarden: Nationale landschappen zijn gebieden met internationaal zeldzame en nationaal kenmerkende kwaliteiten op landschappelijk, cultuurhistorisch en natuurlijk gebied. Uitgangspunt voor de Nationale landschappen is 'behoud door ontwikkeling'. De polders van de oostkant van Soest vallen gedeeltelijk in het Nationale landschap Arkemheen-Eemland. Conclusie Het plangebied ligt niet binnen een gebied van nationaal belang of de Ruimtelijke Hoofdstructuur. De genoemde ontwikkeling sluit aan bij het streven van het Rijk om verstedelijking binnen bestaande steden en dorpen op te vangen. De ontwikkelingen passen dan ook binnen het geldend beleid van het Rijk. 3.1.2 Nationale Omgevingsvisie (ontwerp) De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) komt voort uit de Omgevingswet, die naar verwachting in 2021 in werking treedt. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen we in gebieden komen tot betere, meer geïntegreerde keuzes. In juni 2019 is het ontwerp van de NOVI naar de Tweede Kamer gestuurd en gelanceerd. Naar verwachting wordt de NOVI begin 2020 vastgesteld. Vier prioriteiten Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld.

Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering, zoals zeespiegelstijging, hogere rivierafvoeren, wateroverlast en langere perioden van droogte. Nederland is in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt maatregelen in de leefomgeving, bijvoorbeeld voldoende groen en ruimte voor wateropslag in onze steden. Voordeel is dat daarmee tegelijk de leefomgevingskwaliteit verbeterd wordt en het kansen biedt voor natuur. In 2050 heeft Nederland een duurzame energievoorziening. Dit vraagt ruimte, onder meer voor windmolens en zonnepanelen. Wind op zee heeft de voorkeur, maar ook op land zijn windmolens nodig. Door deze zoveel mogelijk te clusteren, voorkomen we versnippering over het landschap en benutten we de ruimte zo efficiënt mogelijk. Voorwaarde is steeds dat bewoners echt goed betrokken zijn en invloed hebben op het gebruik, en waar dat kan meeprofiteren in de opbrengsten. De aanleg van zonneparken in het landschap moeten we zoveel mogelijk beperken. Het Rijk plaatst bij voorkeur eerst zoveel mogelijk zonnepanelen op daken en gevels. Het Rijk zet zich in voor het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal. 2.

Duurzaam economisch groeipotentieel Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Dit vraagt goede verbindingen via weg, spoor, lucht, water en digitale netwerken en een nauwe samenwerking met onze internationale partners, zowel met onze directe buren als met andere landen in Europa en over de wereld, ook op defensieterrein. We zetten in op een sterk en innovatief vestigingsklimaat met een goede quality of life: een leefomgeving die de inwoners volop voorzieningen biedt op het gebied van wonen, bewegen, recreëren, ontmoeten en ontspannen. Belangrijk is wel dat onze economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, 16/67 - ontwerp - NL.IMRO.0342.BPSOE0059-0201 - 5 november 2020

duurzaam, en circulair. We zetten in op het gebruik van duurzame energiebronnen en op verandering van productieprocessen, zodat we niet langer afhankelijk zijn van eindige, fossiele bronnen. 3. Sterke en gezonde steden en regio's Er zijn vooral in steden en stedelijke regio's nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio's behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Tegelijk willen we de leefbaarheid en klimaatbestendigheid in steden en dorpen verbeteren. Schonere lucht, voldoende groen en water en genoeg publieke voorzieningen waar mensen kunnen bewegen (wandelen, fietsen, sporten, spelen), ontspannen en samenkomen. Daarbij hoort een uitstekende bereikbaarheid en toegankelijkheid, ook voor mensen met een handicap. We zorgen dat de leefomgevingskwaliteit en – veiligheid verder toeneemt. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio's geborgd. Niet alleen groei heeft onze aandacht. Ook in gebieden met bevolkingsdaling versterken we de vitaliteit en leefbaarheid. 4.

Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw. Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. Dit levert ook een noodzakelijke positieve bijdrage aan het verbeteren van de biodiversiteit. Bodemdaling moet worden aangepakt. Verhoging van het waterpeil is in bepaalde veenweidegebieden op termijn noodzakelijk. Met de betrokken regio's en gebruikers wordt afgesproken waar en hoe dit zorgvuldig zal gebeuren. In alle gevallen zetten we in op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan. Afwegingsprincipes De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd.

Met de NOVI zoeken we naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Conclusie De genoemde ontwikkeling sluit aan bij het streven van het NOVI om te komen tot betere, meer geïntegreerde keuzes.

17/67 - ontwerp - NL.IMRO.0342.BPSOE0059-0201 - 5 november 2020

3.1.3 Wet Voortgang Energietransitie (aardgasloos bouwen) Sinds 1 juli 2018 is de Wet Voortgang Energietransitie (Wet tot wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en van de Gaswet, hierna: Wet Vet) van kracht. Bij deze wet is bepaald dat de aardgasaansluitplicht voor nieuwbouw vervalt. Dit betekent dat vanaf 1 juli 2018 projectontwikkelaars, aannemers en gemeenten rekening moeten houden met het feit dat nieuw te bouwen bouwwerken niet meer mogen worden aangesloten op het gasnet. Conclusie De nieuwe woningen worden gasloos gerealiseerd. 3.1.4 Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie (2013-2028) en Provinciale Ruimtelijke Verordening (2013) In de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie (PRS) wordt het ruimtelijk beleid van de Provincie Utrecht voor de periode tot 2028 beschreven. Deze periode sluit aan bij die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte van het Rijk. Gemeenten kunnen binnen het PRS-beleid onder meer woningen bouwen, natuur aanleggen, bedrijven huisvesten of recreatievoorzieningen ontwikkelen. Het nieuwe ruimtelijke beleid van de provincie heeft als uitgangspunt: lokaal wat kan, regionaal wat moet. Gemeenten krijgen hierdoor meer ruimte om, binnen gestelde kaders, zelf beslissingen te nemen. Ruimtelijke kwaliteit staat hierbij voorop.

De verdere uitwerking van het ruimtelijk beleid rust op 2 belangrijke pijlers: inzetten op binnenstedelijke ontwikkeling: ten minste 2/3 van de woningbouwopgave moet binnenstedelijk worden gerealiseerd. Dit sluit aan bij de vraag, vergroot het draagvlak voor voorzieningen en openbaar vervoer en vermindert de druk op het landelijk gebied. Verminderen van het overschot aan kantoren en herstructurering van bedrijventerreinen, maken ook deel uit van de binnenstedelijke opgave en behoud en versterken van de kwaliteit van het landelijk gebied: het aantrekkelijk landelijk gebied moet worden behouden en versterkt, zowel voor het landelijk gebied zelf, als voor het stedelijk gebied. De cultuurhistorische waarden van onder meer de linies, de buitenplaatsen en het agrarische landschap dragen bij aan een aantrekkelijk landelijk gebied. Binnen de rol van de provincie is het accent verlegd van toetsing naar sturing (ontwikkelings-planologie). In de verordening komt bijvoorbeeld het ontheffingsinstrumentarium niet langer voor. In plaats daarvan biedt de verordening ruimte voor lokale ontwikkelingen binnen regionale randvoorwaarden. Als aan die randvoorwaarden wordt voldaan, zijn de ontwikkelingen mogelijk zonder enige betrokkenheid van de provincie. Op 4 februari 2013 hebben Gedeputeerde Staten van Utrecht de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV) vastgesteld.

Sinds de vaststelling hebben Provinciale Staten de PRV enkele malen partieel herzien. Gelijktijdig met de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie 2013 - 2028 wordt ook de Provinciale Ruimtelijke Verordening 2012 integraal herzien. De verordening schrijft voor hoe gemeenten moeten met provinciale belangen in bestemmingsplannen. De regels in de verordening gelden voor gemeenten en niet rechtstreeks voor burgers. Conclusie De genoemde ontwikkeling past binnen de beleidskader van de provincie.

18/67 - ontwerp - NL.IMRO.0342.BPSOE0059-0201 - 5 november 2020

3.1.5 Structuurvisie Soest (2009-2030) In de structuurvisie is globaal vastgelegd hoe de gemeente Soest er in 2030 ongeveer uit moet zien. De kracht van de structuurvisie zit in de samenhang tussen elementen als aantal en soort woningen, werkgelegenheid, voorzieningen en verkeersafwikkeling. Het speerpunt van de structuurvisie is om het dorp Soest levendig en groen houden. In de structuurvisie wordt gestreefd naar een evenwichtige bevolkingsopbouw. Alle bevolkingsgroepen moeten kunnen blijven wonen, werken en gebruik maken van voorzieningen in de gemeente Soest. Daarom wordt er gebouwd voor de eigen bevolking en wordt rekening gehouden met een kleine instroom. Het toevoegen van woningen, voornamelijk voor het goedkope segment en voor doorstromers, mag niet ten koste gaan van het groene en dorpse karakter. Het combineren van deze punten leidt tot een integrale visie voor de kern Soest met enkele nieuwe ontwikkelmogelijkheden. Deze nieuwe mogelijkheden worden, waar mogelijk vertaald naar het bestemmingsplan. Omdat nog niet alle mogelijkheden voldoende zijn uitgekristalliseerd is het niet altijd mogelijk om alle maatregelen uit de structuurvisie direct mee te nemen in het bestemmingsplan. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om bouwplannen waarvan nog onvoldoende duidelijk is hoe de precieze plannen zullen zijn. Hiervoor moeten dan aparte procedures worden gevolgd.

In de structuurvisie wordt ten aanzien van het plangebied De Eng vooral aandacht besteed aan de kwaliteit en openheid van de Engenstructuur. Behoud van kwaliteit staat daarin centraal. Conclusie De voorliggende locatie was in het geldende bestemmingsplan al opgenomen als ontwikkelingslocatie. De voorgenomen ontwikkeling past daardoor nog steeds binnen de kaders van de Structuurvisie. 3.2

Milieuffectrapportage

3.2.1 Wet- en regelgeving De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgende voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure doorlopen moet worden De bouw van woningen is een activiteit die voorkomt op de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage 1994. Categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage noemt de activiteit 'aanleg van een stedelijk ontwikkelingsproject', waaronder ook de bouw van woningen wordt verstaan. Het voorliggend bestemmingsplan maakt de bouw van vier nieuwe woningen mogelijk, waardoor de zogenaamde drempelwaarde van 2000 woningen niet wordt overschreden. Het Besluit m.e.r. (artikel 2, vijfde lid onder b.) schrijft echter ook bij activiteiten onder de drempelwaarde voor dat een milieu-effectbeoordeling nodig is, waarbij wordt verwezen naar de Europese richtlijn milieueffectrapportage. Dit is de zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling.

De vraag of een ontwikkeling een stedelijk ontwikkelingsproject is in de zin van het Besluit m.e.r. hangt volgens de jurisprudentie af van de omstandigheden van het geval, waarbij onder andere de aard en omvang van de ontwikkeling een rol spelen.

19/67 - ontwerp - NL.IMRO.0342.BPSOE0059-0201 - 5 november 2020

3.2.2 Onderzoek/Conclusie In dit geval gaat het om het toevoegen van een beperkt aantal (gasloze) woningen. Een dergelijke ontwikkeling is naar aard en omvang niet te beschouwen als een 'stedelijke ontwikkeling' in de zin van het Besluit m.e.r. Bovendien blijkt uit de volgende paragraven dat belangrijke nadelige milieugevolgen, als gevolg van de in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen, zijn uitgesloten Het Besluit is op deze ontwikkeling niet van toepassing en er geldt geen m.e.r.(-beoordelings)plicht. 3.3

Milieuzonering

3.3.1 Wet- en regelgeving Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid hebben als doel om de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven andere 'inrichtingen' enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. Oftewel het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate het milieu sterker wordt belast. Milieuzonering heeft twee doelen: voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; voldoende zekerheid bieden aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Soest hanteert voor het bepalen van de afstanden de VNG-uitgave "Bedrijven en Milieuzonering" uit 2009. Hierin staat een hele reeks van milieubelastende activiteiten met richtafstanden ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend. De afstanden worden gemeten tussen de grens van de milieubelastende bestemming en gevel van een milieugevoelige functie.

De richtafstanden zijn uitsluitend van toepassing voor nieuwe situaties (nieuwe ontwikkelingen) en niet voor bestaande situaties, waarbij het zo kan zijn, dat gevestigde milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies op een kleinere afstand van elkaar gesitueerd zijn. In bestaande situaties kan de afstand kleiner zijn dan de gewenste richtafstand. Naast de VNG brochure "Bedrijven en milieuzonering" kunnen er ook nog afstandscriteria uit specifieke milieuwetgeving gelden. Bijvoorbeeld uit de Wet milieubeheer, de agrarische geurwetgeving (Wgv) of de veiligheidsregelgeving (Bevi/Revi). Ook deze afstandscriteria worden meegenomen bij de beoordeling van de nieuwe ontwikkelingen. Rustige woonwijk Om een goede milieuzonering op te stellen is een analyse en beschrijving van de omgeving nodig. De richtafstanden van de VNG gelden standaard voor het omgevingstype rustige woonwijk. In een 'rustige woonwijk' zijn functies gescheiden: afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor. Langs de randen is weinig verstoring door verkeer. Vergelijkbaar met de 'rustige woonwijk' zijn 'rustig buitengebied', 'stiltegebied' en 'natuurgebied'. Voor al deze omgevingstypes gelden dezelfde richtafstanden. Gemengd gebied Naast het omgevingstype 'rustige woonwijk' hanteert de VNG ook het omgevingstype 'gemengd gebied'.

Als hier sprake van kunnen de richtafstanden tussen milieubelastende en milieugevoelige functies (vooral het aspect geluid) met één afstandsstap worden verlaagd, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. Het aspect geluid is in dit soort gebieden vaak maatgevend. Een gemengd gebied is een gebied met een variatie aan functies. 20/67 - ontwerp - NL.IMRO.0342.BPSOE0059-0201 - 5 november 2020

Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren ook tot het omgevingstype 'gemengd gebied'. Gezien de functiemenging of de ligging nabij drukke wegen kent het gemengd gebied een hogere milieubelasting. Dat rechtvaardigt het verlagen van de richtafstanden met één stap. De richtafstand van 30 meter voor een bedrijf in milieucategorie 2 kan dan bijvoorbeeld worden verkleind tot 10 meter. In onderstaande tabel zijn de richtafstanden per milieucategorie bij de omgevingstypen rustige woonwijk en gemengd gebied weergegeven.

Tabel- relatie tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevingstype Functiemenging Naast 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied' is er een derde categorie: 'gebieden met functiemenging'. Hier kunnen milieubelastende en milieugevoelige functies op korte afstand van elkaar gelegen zijn of worden gesitueerd. In deze gebieden is het niet goed mogelijk om functiescheiding toe te passen. Denk bijvoorbeeld aan stads- en wijkcentra, horecaconcentraties en woongebieden met kleinschalige c.q. ambachtelijke bedrijvigheid. Het kan gaan om bestaande gebieden met functiemenging en om gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd, bijvoorbeeld om meer levendigheid tot stand te brengen. De richtafstandenlijst is voor gebieden met functiemenging niet toepasbaar. Voor deze gebieden heeft de VNG een "Staat van Bedrijfsactiviteiten voor gebieden met functiemenging". Hierin zijn alle milieubelastende activiteiten opgenomen, die in principe in een gebied met functiemenging kunnen worden toegelaten. De milieubelastende activiteiten zijn ingedeeld in categorie A, B of C. A. activiteiten die zo weinig milieubelastend voor de omgeving zijn, dat ze in gebieden met functiemenging aanpandig aan woningen kunnen worden uitgevoerd. De eisen uit het Bouwbesluit voor scheiding van wonen en bedrijven zijn hiervoor voldoende. B.

activiteiten in gemengd gebied met een zodanige milieubelasting voor de omgeving, dat ze bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies plaats moeten vinden. C. activiteiten die door hun verkeer aantrekkende werking op een goede ontsluiting op de hoofdinfrastructuur zijn aangewezen. Voor de toelaatbaarheid van deze activiteiten gelden samengevat de volgende randvoorwaarden: het gaat om kleinschalige, vaak ambachtelijke bedrijvigheid; productie en/of laad- en loswerkzaamheden vinden alleen overdag plaats; activiteiten (inclusief opslag) geschieden hoofdzakelijk inpandig; activiteiten met een hoge vervoersintensiteit moeten beschikken over een goede 21/67 - ontwerp - NL.IMRO.0342.BPSOE0059-0201 - 5 november 2020

aansluiting op de hoofdinfrastructuur. 3.3.2

Onderzoek

Beoordelingssystematiek VNG-publicatie Zonering, afstand houden, is een belangrijk middel om te voorkomen dat er hinder ontstaat. Ook zorgt dit ervoor dat de bestaande bedrijven niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. Een belangrijk hulpmiddel hierbij is de 'Handreiking bedrijven en milieuzonering' van de VNG. De VNG-publicatie is een algemeen geaccepteerd instrument om na te gaan of er sprake is van een goede ruimtelijke ordening in situaties waar woningen dicht bij bedrijven worden voorzien. Het toetsingskader bestaat uit 4 stappen. In stap 1 wordt een afweging gemaakt aan de hand van de in de publicatie genoemde richtafstanden en het omgevingstype (zie paragraaf 3.3.1). Indien woningen op kleinere afstand zijn gelegen dan de richtafstanden kan voor het betreffende plandeel in stap 2, 3 of 4 gemotiveerd worden afgeweken van de richtafstanden. Nabij gelegen bedrijven In de omgeving van het plangebied zijn enkele bedrijven gelegen. De ligging van deze bedrijven ten opzichte van het plangebied is weergegeven in onderstaande afbeelding. In de bijbehorende tabel zijn deze bedrijven opgenomen met hun richtafstand.

Afbeelding - ligging bedrijven in de omgeving van het plangebied

22/67 - ontwerp - NL.IMRO.0342.BPSOE0059-0201 - 5 november 2020

Tabel- bedrijven in de omgeving van het plangebied Op basis van bovenstaande tabel wordt geconcludeerd dat voor alle bedrijven, met uitzondering van de bedrijven aan de Beukenlaan 9, wordt voldaan aan de richtafstanden conform de VNG-publicatie, wat wil zegggen dat sprake is van een 'goede ruimtelijke ordening'. Voor de bedrijven aan de Beukenlaan 9, uitgeverij Catullus B.V. en praktijk De Engh, wordt niet voldaan aan de richtafstand conform de VNG-publicatie. De richtafstand van 10 m geldt voor het aspect geluid. De afstand tot het plangebied bedraagt 8 m. Gezien het type bedrijvigheid (uitgeverij en psychologiepraktijk) en de aanwezigheid van bestaande woningen op nog kortere afstanden, wordt het aannemelijk geacht dat de activiteiten die plaatsvinden op het perceel aan de Beukenlaan 9 zodanig weinig milieubelastend zijn voor hun omgeving dat deze in de nabijheid van woningen kunnen worden uitgevoerd en dat dus ook voor de nieuwe woningen sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat. 3.3.3 Conclusie Het aspect 'bedrijven en milieuzonering' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. 3.4

Bodem

3.4.1 Wet- en regelgeving Wet bodembescherming De Wet bodembescherming gaat primair over bescherming en sanering van de bodem, zowel landbodems als waterbodems. De Wet bodembescherming geeft aan wanneer er sprake is van ernstige bodemverontreiniging en of er gesaneerd moet worden. De hoeveelheid grond dan wel grondwater en de mate van vervuiling zijn criteria voor de mate van bodemverontreiniging. Sanering is nodig als er risico's zijn voor mens, flora en fauna. De urgentie hangt ook af van de mate van verspreiding van de bodemverontreiniging. Voor gevallen van ernstige bodemverontreiniging is er bij niet gewijzigd grondgebruik soms geen noodzaak tot saneren. Voorbeelden zijn voormalige stortplaatsen en kleine verontreinigingen in het diepere grondwater. De provincie Utrecht heeft alle gevallen van ernstige bodemverontreinigingen in beeld gebracht; ook in de gemeente Soest. 3.4.2 Onderzoek Op de locatie hebben in het verleden de meerdere bodemonderzoeken plaatsgevonden:

23/67 - ontwerp - NL.IMRO.0342.BPSOE0059-0201 - 5 november 2020

Verkennend bodem- en asbestonderzoek Plan Beukenlaan te Soest (Milieutechniek ZVS Eemnes BV; nr B014100; 8 april 2014). Aanvullend bodemonderzoek Plan Beukenlaan te Soest (Milieutechniek ZVS Eemnes BV; nr B014100; 24 april 2014). Aanvullend bodemonderzoek Plan Beukenlaan te Soest (Milieutechniek ZVS Eemnes BV; nr B014100-001; 12 mei 2014). Bovenstaande rapporten zijn als Bijlage 1, Bijlage 2 en Bijlage 3 bij de toelichting opgenomen. In de rapporten wordt geconcludeerd dat er slechts lichte verhogingen aan PCB in de bovengrond en PAK in de ondergrond zijn aangetoond. Het grondwater bevindt zich op meer dan 5 meter diepte zodat het niet onderzocht hoeft te worden. Er zijn derhalve geen milieuhygiënische belemmeringen zijn voor de overdracht van de locatie. Voor dit plangebied zijn geen ernstige bodemverontreinigingen bekend. De betreffende onderzoeken stammen uit 2014. Over het algemeen wordt voor bodemonderzoeken als vuistregel een geldigheid van 5 jaar aangehouden. Sinds de onderzoeken hebben de gronden braak gelegen. Een nieuw bodemonderzoek is dan vooralsnog niet nodig. 3.4.3 Conclusie De milieuhygiënische kwaliteit van de bodem vormt naar verwachting geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. Daarbij zijn compenserende maatregelen niet noodzakelijk. 3.5

Geluid

3.5.1

Wet- en regelgeving

Wet geluidhinder De basis voor de ruimtelijke afweging van geluid is de Wet geluidhinder (Wgh) alsook de Luchtvaartwet. De Wet geluidhinder biedt geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerlawaai, spoorweglawaai en industrielawaai door middel van zonering. Met de invoering van geluidproductieplafonds voor hoofd(soor)wegen op 1 juli 2012 geldt de Wgh niet meer voor de aanleg/wijziging van hoofd(spoor)wegen, maar nog wel voor de bouw van gevoelige bestemmingen langs deze wegen. De Wet geluidhinder heeft een sterk verband met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Anders dan de naam van de Wet geluidhinder misschien suggereert, worden niet alle milieugerichte geluidsaspecten in de Wet geluidhinder geregeld. Geluidsonderwerpen die niet in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn onder andere: Aanleg/wijzigen van hoofd(spoor)wegen (Hst.

11 Wet milieubeheer); Luchtvaartlawaai (Luchtvaartwet, Wet luchtvaart); Bescherming van werknemers tegen lawaai (Arbeidsomstandighedenwet); Industrielawaai (Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, Activiteitenbesluit); Geluid in de ruimtelijke ordening voor zover niet geregeld in de Wgh (Wet ruimtelijke ordening, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht); Geluidswering gevels (Woningwet, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, Bouwbesluit 2012); Geluid op straat (APV). Bij vaststelling van een bestemmingsplan houden we rekening met deze regels en wetten als: we gronden bestemmen voor nieuwe geluidsgevoelige objecten (bijv. woningen en onderwijsgebouwen) binnen zones langs (spoor-)wegen, zones rondom industrieterreinen en zones rondom luchtvaartterreinen; we gronden bestemmen voor de aanleg van nieuwe, dan wel reconstructie van 24/67 - ontwerp - NL.IMRO.0342.BPSOE0059-0201 - 5 november 2020

gezoneerde (spoor-)wegen; we gronden bestemmen voor (nieuwe) industrieterreinen waar zich grote lawaaimakers kunnen vestigen; we zonegrenzen van industrieterreinen en luchtvaartterreinen herzien. De geluidbelasting op de gevels van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen mag in principe niet hoger zijn dan de voorkeurgrenswaarde. Als de geluidbelasting op de gevel wel hoger is dan de voorkeurgrenswaarde, kan onder bepaalde voorwaarden een verzoek worden gedaan tot vaststelling van hogere waarden. Hierbij mag de geluidsbelasting de uiterste grenswaarde echter niet overschrijden. De voorkeursgrenswaarde en uiterste grenswaarde voor nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen kunnen per geluidsbron verschillen. Om voor vaststelling van een hogere grenswaarde in aanmerking te kunnen komen, moet aan de volgende wettelijke eis worden voldaan: het moet om een situatie gaan waarbij maatregelen om het verwachte geluidsniveau terug te brengen tot de voorkeursgrenswaarde onvoldoende doeltreffend zijn, dan wel op overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard stuiten. Wegverkeerslawaai Langs alle wegen bevinden zich als gevolg van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones, behalve bij woonerven en 30 km-gebieden. Nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen, zoals woningen en scholen, binnen zones van wegen moeten worden getoetst aan de Wgh (artikel 74).

De breedte van de zone langs wegen is afhankelijk van de ligging van een weg (in stedelijk gebied of buitenstedelijk) en van het aantal rijstroken. Bij nieuwe geluidgevoelige bestemmingen binnen zones langs wegen is akoestisch onderzoek nodig. Op basis van de uitkomsten kunnen zo nodig maatregelen worden overwogen. De voorkeursgrenswaarde voor nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen bedraagt veelal 48 dB(A). De uiterste grenswaarde bedraagt binnen de bebouwde kom 63 dB(A). Spoorweglawaai De zonebreedte bij spoorwegen is volgens art. 106b van de Wet geluidhinder afhankelijk van het aantal sporen en de intensiteit van het gebruik. Bij nieuwe/gewijzigde geluidsgevoelige bestemmingen in de zone moet akoestisch onderzoek worden gedaan. Op basis van de uitkomsten kunnen zo nodig maatregelen worden overwogen. De voorkeursgrenswaarde en uiterste grenswaarde bedragen respectievelijk 55 en 68 dB(A). Industrielawaai Rond industrieterreinen waarop de mogelijkheid aanwezig is tot vestiging van bedrijven, die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken, de zogenaamde grote lawaaimakers, moet op grond van art. 41 van de Wet geluidhinder een geluidzone worden vastgesteld. In deze zone gelden regels ten aanzien van nieuwbouw van geluidsgevoelige bestemmingen.

Door middel van zonebeheer moet worden voorkomen, dat de geluidbelasting ten gevolge van de geluidemissie van de bedrijven gezamenlijk buiten de zone hoger wordt dan de voorkeursgrenswaarde. Binnen de zone moeten zonodig maatregelen worden getroffen en kan voor de geluidsgevoelige bestemmingen een hogere waarde worden vastgesteld. De voorkeursgrenswaarde en uiterste grenswaarde bedragen respectievelijk 50 en 60 dB(A). 3.5.2 Onderzoek In het kader van het voorliggende bestemmingsplan is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. De voorliggende plannen zijn getoetst aan de Wet geluidhinder. In de voorliggende situatie zijn het railverkeerslawaai en industrielawaai niet relevant. In het akoestisch onderzoek is uitsluitend gekeken naar het wegverkeerslawaai. De rapportage is als Bijlage 4 in de toelichting opgenomen. Van de Beukenlaan ligt de wettelijke geluidzone over het plangebied. Het doel van het onderzoek wegverkeerslawaai is het bepalen van de optredende geluidbelastingen vanwege deze weg, het toetsen van de berekende waarden aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder 25/67 - ontwerp - NL.IMRO.0342.BPSOE0059-0201 - 5 november 2020

en beoordelen of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat aan de hand van de cumulatieve geluidbelasting van alle relevante wegen (ook niet-zoneplichtige wegen). Uit de berekeningsresultaten blijkt dat de geluidbelasting op de nieuwe woningen ten gevolge van de Beukenlaan ten hoogste 43 dB Lden (inclusief aftrek art. 110g Wgh) bedraagt, waardoor wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB Lden. De gecumuleerde geluidbelasting, vanwege het wegverkeer op de Beukenlaan en de Chalonhof, bedraagt ten hoogste 48 dB Lden (exclusief aftrek art. 110g Wgh). Op basis van deze geluidbelasting kan het woon- en leefklimaat met betrekking tot geluid als goed worden bestempeld. 3.5.3 Conclusie Het aspect 'geluid' vormt geen belemmering voor de bouw van de geplande woningen. 3.6

Geur

3.6.1

Wet- en regelgeving

Wet geurhinder en veehouderij De “Wet geurhinder en veehouderij” (Wgv) 2006 geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken voor een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). Bij deze geurnorm, gemeten in odeur units, zijn slechts twee factoren van belang. In de eerste plaats of een geurgevoelig object binnen of buiten de bebouwde kom ligt. En ten tweede is het van belang of een geurgevoelig object in een gebied ligt waarvoor een reconstructieplan is bekendgemaakt. Op grond van de Wgv kan de gemeente geurbeleid ontwikkelen. Hiermee kan worden afgeweken van de wettelijke normen. Hiervoor moet wel een gebiedsvisie en een gemeentelijke verordening over geurhinder worden opgesteld. In de gemeente Soest wordt/is momenteel geurbeleid ontwikkeld. Het algemeen uitgangspunt van het geurbeleid is het zoveel mogelijk beperken van bestaande geurhinder en het voorkomen van nieuwe hinder. Dit uitgangspunt vormt samen met het toepassen van de Beste Beschikbare Technieken (BBT) de kern van het geurbeleid. Onderdeel van het geurbeleid is dat lokale overheden de uiteindelijke lokale afweging moeten maken, zodat zij rekening kunnen houden met alle relevante belangen.

Het geurbeleid bestaat uit de volgende beleidslijnen: als er geen hinder is, zijn maatregelen niet nodig; als er wel hinder is, worden maatregelen op basis van BBT bepaald; voor bepaalde branches is het hinderniveau bepaald en in een bijzondere regeling vastgelegd; de mate van hinder, die nog acceptabel is, wordt vastgesteld door het bevoegd gezag; het landelijk geurbeleid is opgenomen in de NeR (Nederlandse emissierichtlijn lucht). Besluit Landbouw milieubeheer (vervallen per 01-01-2013) Alle agrarische bedrijven vallen sinds 01-01-2013 onder het Activiteitenbesluit milieubeheer. Dit besluit is sinds 1 januari 2013 uitgebreid met 'agrarische activiteiten'. Daarmee zijn de eerdere agrarische besluiten vervallen, zoals het Besluit landbouw en het Besluit glastuinbouw milieubeheer. 3.6.2 Onderzoek Het voorliggende plangebied ligt niet binnen een geurcirkel.

26/67 - ontwerp - NL.IMRO.0342.BPSOE0059-0201 - 5 november 2020

3.6.3 Conclusie Het aspect 'geur' vormt geen belemmering voor de bouw van de geplande woningen. 3.7

Lucht

3.7.1

Wet- en regelgeving

Wet milieubeheer De hoofdlijnen voor luchtkwaliteitseisen staan in de Wet milieubeheer (Wm). Het verkeer langs drukke wegen kan voor overschrijdingen van grenswaarden (concentraties) voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) zorgen. Aspecten van de Wm worden in afzonderlijke uitvoeringsregelingen uitgewerkt. De belangrijkste zijn: Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen), ook wel Besluit NIBM; Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen), ook wel Regeling NIBM; Besluit gevoelige bestemmingen. Het Besluit NIBM legt vast wanneer een project met ruimtelijke gevolgen niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. Hiervan is sprake als aannemelijk is, dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van minder dan 3%. Deze 3 %-grens is van toepassing sinds 2009 toen het Nationaal Samenwerkingprogramma Lucht in werking trad. In de Regeling NIBM is onder andere voor kantoren en woningen aangegeven bij welke eenheden/ aantallen de 3%-grens wordt overschreden en er luchtkwaliteitberekeningen of luchtkwaliteit-onderzoek nodig is. Voor woningen is in de Regeling NIBM het maximale aantal van 1.500 nieuwe woningen gesteld uitgaande van de 3%-grens.

Het besluit gevoelige bestemmingen is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof en stikstofdioxide, vooral kinderen, ouderen en zieken. Daarom voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteit-onderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, in beide gevallen gemeten vanaf de rand van de weg. Als in zo'n onderzoekzone de grenswaarden voor fijn stof of stikstofdioxide (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen, dat hoort bij een 'gevoelige bestemming' niet toenemen. Vestiging van bijvoorbeeld een school is dan niet toegestaan. Bij uitbreidingen van bestaande gevoelige bestemmingen is een eenmalige toename van maximaal 10% van het totale aantal blootgestelden toegestaan. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming: scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het besluit geldt voor nieuwbouw, uitbreiding van gevoelige bestemmingen én voor functiewijziging van bestaande gebouwen naar een gevoelige bestemming. Is (dreigende) normoverschrijding niet aan de orde, dan is er ook geen bouwverbod voor gevoelige bestemmingen binnen de onderzoekzone. 3.7.2

Onderzoek

Niet in betekenende mate (NIBM) Op grond van dit bestemmingsplan wordt de bouw van maximaal 4 extra woningen mogelijk gemaakt. Dit valt echter ruim onder de hiervoor vermelde drempel, wat inhoudt dat het planvoornemen de luchtkwaliteit met minder dan 3% verslechtert. De nieuwe woningen dragen niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de 27/67 - ontwerp - NL.IMRO.0342.BPSOE0059-0201 - 5 november 2020

luchtkwaliteit. De Wet Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Goed woon- en leefklimaat De Wet luchtkwaliteit laat de ontwikkeling van 4 nieuwe woningen toe. Vanuit een goede ruimtelijke onderbouwing moet echter ook worden aangetoond dat het verantwoord is om te bouwen in deze omgeving en dat de toekomstige bewoners een goed woon – en leefklimaat wordt geboden. De luchtkwaliteit ter plaatse van de woningbouwlocatie wordt bepaald door de luchtparameters stikstofdioxide, fijn stof (PM10), zeer fijn stof (PM2,5). Op basis van de NSL-monitoringstool (monitoringsronde 2018) blijkt dat de concentraties ter plaatse van deze parameters ruim lager zijn dan de van toepassing zijnde wettelijke grenswaarden. Voor PM10 en NO2 is bovendien voldaan aan de WHO advieswaarde. Tevens is een dalende trend zichtbaar voor PM2,5, waardoor wordt verwacht dat deze in de toekomst ook zal voldoen aan de WHO advieswaarde. Aangezien de concentraties van de luchtkwaliteitsparameters lager zijn dan de van toepassing zijnde grenswaarden, wordt geconcludeerd dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. 3.7.3 Conclusie Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de bouw van de geplande woningen. 3.8

Stikstofdepositie

3.8.1

Wet- en regelgeving

Wet natuurbescherming (Wnb) De Wet natuurbescherming voorziet in het beschermen van het gebied tegen handelingen buiten het Natura 2000-gebied met significante gevolgen voor beschermde habitats en hieraan gekoppelde soorten. Conform art. 2.8 lid 1 Wnb kan een plan dat significante gevolgen kan hebben op soorten en habitats pas worden vastgesteld nadat een passende beoordeling is opgesteld waarin rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstellingen voor het gebied. Deze passende beoordeling moet de zekerheid geven dat de natuurlijke kenmerken van het betreffende gebied niet worden aangetast. Om te kunnen bepalen of een passende beoordeling noodzakelijk is, wordt in het algemeen een voortoets uitgevoerd. In de voortoets wordt beoordeeld of er als gevolg van het afzonderlijke plan danwel van het plan in combinatie met andere plannen of projecten sprake kan zijn van significante gevolgen. Of een gevolg als significant wordt beschouwd, is afhankelijk van de instandhoudingsdoelstellingen die zijn geformuleerd voor het betreffende Natura 2000-gebied. Indien de instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar komen, zijn significante gevolgen uitgesloten. Met betrekking tot stikstofdepositie wordt in de voortoets bepaald of het plan tot een toename van de stikstofdepositie kan leiden. Het gaat daarbij om de toename van de stikstofdepositie ten opzichte van de referentiesituatie.

Indien uit de voortoets blijkt dat de maximale invulling van het plan leidt tot een toename van de stikstofdepositie op één of meer in het kader van Natura 2000 beschermde stikstofgevoelige habitats waarvan de kritische depositiewaarde (verder: KDW) wordt overschreden of door de toename overschreden kan worden, is een passende beoordeling noodzakelijk. Mitigerende maatregelen mogen niet meegenomen worden in de voortoets en komen pas bij de passende beoordeling aan de orde. 3.8.2 Onderzoek In het kader van het voorliggende bestemmingsplan is een onderzoek uitgevoerd naar de eventuele toename van de stikstofdepositie op nabij gelegen Natura 2000-gebieden. Het doel van voorliggend onderzoek is het beoordelen of de activiteiten die planologisch 28/67 - ontwerp - NL.IMRO.0342.BPSOE0059-0201 - 5 november 2020

mogelijk worden gemaakt, significante gevolgen kunnen hebben op kwalificerende natuurwaarden in nabij gelegen Natura 2000-gebieden én of het op basis van de stikstofdepositie noodzakelijk zou zijn een passende beoordeling op te stellen op basis van de Wet natuurbescherming. De rapportage is als Bijlage 5 opgenomen in de toelichting. Uit het onderzoek blijkt dat noch de gebruiksfase noch de aanlegfase van het plan aan de Chalonhof te Soest leidt tot een toename van de stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden. Het plan heeft daardoor geen significante effecten op kwalificerende natuurwaarden in nabij gelegen Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofdepositie. De Wet natuurbescherming vormt, vanuit het aspect stikstofdepositie, geen belemmering voor de vaststelling van het plan. 3.8.3 Conclusie Het aspect 'stikstofdepositie' vormt geen belemmering voor de bouw van de geplande woningen. 3.9

Externe veiligheid

3.9.1

Wet- en regelgeving

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor inrichtingen is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) het belangrijkste toetsingskader. Hierin zijn bijvoorbeeld grenswaarden en oriënterende of richtwaarden opgenomen voor het zgn. plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Externe veiligheid heeft betrekking op de gevaren die mensen in de directe omgeving lopen als gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen inrichtingen waar gevaarlijke stoffen worden bewaard en/of bewerkt en transportroutes waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd. De aan deze activiteiten verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water en door leidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico: Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken, dat wil zeggen 24-uur per dag en gedurende het gehele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden.

Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het groepsrisico (GR) drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval in een inrichting waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De normen voor het GR hebben een oriënterende waarde (inspanningsverplichting). Indien de oriënterende waarde voor het GR wordt overschreden, legt dit in het algemeen ook ruimtelijke beperkingen op aan een gebied buiten de 10-6-contour (PR). Besluit externe veiligheid transportroutes Op 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) in werking getreden waarmee het verplicht wordt transportroutes waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd vast te leggen in het bestemmingsplan. In de Regeling Basisnet staat waar risicoplafonds liggen langs transportroutes en welke regels 29/67 - ontwerp - NL.IMRO.0342.BPSOE0059-0201 - 5 november 2020

er gelden voor ruimtelijke ontwikkeling. Het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het heeft betrekking op de Rijksinfrastructuur: hoofdwegen (snelwegen), hoofdwaterwegen (binnenwateren) en hoofdspoorwegen. Het Basisnet heeft als doel een evenwicht te creëren tussen de belangen van het vervoer van gevaarlijke stoffen en de bebouwde omgeving die hier langs ligt en de veiligheid van omwonenden. Het Basisnet stelt aan de ene kant regels aan het vervoer van gevaarlijke stoffen en geeft aan de andere kant aan welke beperkingen gelden in het gebied rond de betreffende routes. Zo wordt aan iedereen die dicht bij deze snelwegen en spoorwegen woont of verblijft een basisbeschermingsniveau geboden. De "Wet basisnet" is een heel stelsel van wetten en regels. Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs) de belangrijkste wet. Hierin staan de risiconormen en de regels voor de beheersing van het risico van het vervoer. Besluit externe veiligheid buisleidingen Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Soest&id=7e281434-7ede-4cb9-be26-169116342b23