4a 12 Bijlage 11 Bezwaar 30-10-19.pdf
Tekst van het document
rav-code
aantal
ammoniak (k«) /dier
ammoniak (kg)/ totaal
zoogkoeien > 2 jr.
geur Oue / dier
geur Oue/ totaal
229,6
A 2.100
56
4,1
zoogkoeien < 2 jr.
A 3.100
45
4,4
198
vleeskalveren tot 8 maanden
A 4.100
49
3,5
171,5
Totaal
150
599,1
35,6
fijn stof (g PM 10 dier /Jaar)
fijn stof (g PM
10 totaal / jaar)
86
4816
0
38
1710
1744,4
33
1617
1744,4
8143
Bij de verdere uitwerking van de plannen zal in het kader van de aan te vragen Omgevingsvergunning milieu een meer gedetailleerde toetsing aan de wettelijke milieunormen plaatsvinden. Op dat moment is er sprake van een gedetailleerd uitgewerkt plan waarin een definitieve keuze zal zijn gemaakt in de diersoort en het stalsysteem.
Rho adviseurs voor leefruimte
034200.20180197
24
4.2
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
Toetsingskader
In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: • de kenmerken van de projecten; • de plaats van de projecten; • de kenmerken van de potentiële effecten. Onderzoek en conclusie
Zoals in de inleiding is beschreven blijft de voorgenomen ontwikkeling onder de drempelwaarden uit Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D14. Dit betekent dat een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' noodzakelijk is. In deze beoordeling is ook een doorkijk gegeven naar de effecten in combinatie met andere ontwikkelingen in de omgeving. Uit deze beoordeling blijkt dat de beoogde ontwikkeling niet leidt tot belangrijke nadelige milieugevolgen (zie bijlage *) Op basis van deze beoordeling heeft de gemeente Soest een besluit genomen dat voor het voorgenomen plan geen mer-procedure of mer-beoordelingsprocedure conform het Besluit m.e.r. noodzakelijk is (bijlage *). • Vormvrije MER-beoordeling volgt bij het opleveren van het ontwerpbestemmingsplan.
4.3
Ecologie
Toetsingskader
Met de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: • Natura-2000 gebieden; • Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natura-2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een ruimtelijk plan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.
Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: • alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; • het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en • de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden
Rho adviseurs voor leefruimte
034200.20180197
25
plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: • soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; • soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; • overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn.
Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij de voorbereiding van de ruimtelijke onderbouwing moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen. Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Utrecht
In de provincie Utrecht wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee en voor het in of op de bodem brengen van meststoffen. In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage II bij deze verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bunzing, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat.
Rho adviseurs voor leefruimte
034200.20180197
26
Onderzoek
Gebiedsbescherming De beoogde locatie is niet gelegen in of nabij een NNN-gebied (Nationaal Natuurnetwerk) of WAV gebied (Wet Ammoniak en Veehouderij). Het meest nabijgelegen Natura 2000 gebied betreft de Arkenheem en is gelegen op 8 km van de planlocatie. Het meest nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000 gebied betreft de Oostelijke vechtplassen op ca. 12 km van het plangebied. In nabijheid van het plangebied is geen weidevogelgebied aanwezig. Vanwege de afstand tot natuurgebieden zal de ontwikkeling niet leiden tot negatieve effecten als areaalverlies, versnippering, effecten op de waterhuishouding of verstoring. Mogelijk is er wel invloed in de vorm van stikstofdepositie (bijdrage aan verzuring en vermesting). Middels het wettelijk voorgeschreven rekenprogramma Aerius is een indicatieve berekening gemaakt op basis van de diertabel zoals opgenomen in tabel 4.1. Voor de Aerius berekening zijn dezelfde uitgangspunten gehanteerd als in de geurberekening. De uitgangspunten staan in de bijlage geurberekening nader beschreven. Uit de berekening blijkt dat er geen significante toename van stikstofdepositie is. Er zijn geen natuurgebieden met rekenresultaten die hoger dan de drempelwaarde zijn. De Aerius berekening is toegevoegd in bijlage 6.
Soortenbescherming De bescherming van dieren en planten ziet, anders dan bij gebiedsbescherming, op de bescherming van specifieke plant en diersoorten met als doel de diversiteit aan soorten te beschermen. Om te inventariseren of er beschermde planten en dieren ter plaatse van het plangebied aanwezig zijn is een quickscan flora- en fauna uitgevoerd, ofwel een verkennend veldonderzoek naar het voorkomen van beschermde soorten. De eindrapportage is opgenomen als bijlage 4. In verband met de aanwezigheid van algemene broedvogels is het van belang om sloopwerkzaamheden van de veestal buiten het broedseizoen uit te voeren of te werken op een manier dat vogels niet tot broeden komen (vogelverschrikkers gebruiken). Het plangebied bezit geen mogelijkheden voor vleermuizen en vogels met vaste rust- en verblijfplaatsen om er te verblijven. Mogelijk vliegen er vleermuizen in lage dichtheid. Gedurende en na realisatie van de plannen kunnen deze soorten er blijven foerageren. Het voorkomen van overige beschermde soorten wordt uitgesloten. Op grond van bovenstaande analyse worden effecten op beschermde planten- en diersoorten uitgesloten. De plannen van het bedrijf aan de Peter van der Breemerweg te Soest zijn niet in strijd met het gestelde binnen de Wet natuurbescherming. Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot significante effecten op beschermde natuurgebieden of beschermde soorten. Het aspect ecologie vormt dan ook geen belemmering voor de voorliggende ontwikkeling.
4.4
Geur
Toetsingskader
Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) bevat het beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen die vergunningplichtig zijn op basis van de Wet milieubeheer (Wm). Het beoordelingskader is als volgt: • voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld (in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv)) geldt een maximale geurbelasting op een geurgevoelig object; • voor andere diercategorieën geldt een minimale afstand van de dierenverblijven ten opzichte van geurgevoelige objecten. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden (conform Reconstructiewet) en niet-concentratiegebieden en tussen situaties binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom. De wet beschrijft in artikel 3 de maximale norm voor geurbelasting van een veehouderij ten opzichte van een gevoelig object in vier situaties, deze zijn weergegeven in de tabel 4.2.
Rho adviseurs voor leefruimte
034200.20180197
27
Tabel 4.2 - Overzicht geurnormen Wgv binnen
concentratiegebied
niet-concentratiegebied
diercategorieën Rgv
max. 3 ouE/m3
max. 2 ouE/m3
andere diercategorieën
min. 100 m t.o.v. geurgevoelig object
min. 100 m t.o.v. geurgevoelig object
diercategorieën Rgv
max. 14 ouE/m3
max. 8 ouE/m3
andere diercategorieën
min. 50 m t.o.v. geurgevoelig object
min. 50 m t.o.v. geurgevoelig object
bebouwde kom
buiten bebouwde kom
Activiteitenbesluit Per 1 januari 2013 zijn agrarische activiteiten onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit gebracht. In het Activiteitenbesluit zijn voor alle agrarische activiteiten, waaronder akkerbouwbedrijven en veehouderijen, eisen opgenomen. Voor de veehouderijen is aangesloten bij de systematiek uit de Wgv, dat wil zeggen dat in bepaalde gevallen een maximaal toegestane geurbelastingen geldt (diercategorieën waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld, bijvoorbeeld varkens en pluimvee) en in andere gevallen vaste afstandseisen gelden (diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, waaronder melkrundvee). Verordening geurhinder en veehouderij De gemeente Soest heeft een geurverordening vastgesteld genaamd, 'Verordening geurhinder en veehouderij' (vastgesteld op 29 oktober 2009). Op grond van deze verordening is de afstand tussen een veehouderij (waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld) en een geurgevoelig object in de bebouwde kom verkleind naar 50 meter. Aangezien de beoogde bedrijfslocatie en de omliggende geurgevoelige objecten in het buitengebied zijn gelegen is de Verordening niet van toepassing en wordt uitgegaan van de normen uit de Wgv / Activiteitenbesluit. Onderzoek
Algemeen Zoals in paragraaf 4.1 vermeld is er nog geen definitieve keuze gemaakt in welk stalsysteem de dieren gehouden gaan worden. Ten tijde van het aanvragen van de Omgevingsvergunning milieu zal toetsing aan de wettelijke geurnormen plaatsvinden. Op dat moment is er sprake van een gedetailleerd uitgewerkt plan waarin een definitieve keuze zal zijn gemaakt in de diersoort en het stalsysteem. Wel wordt in dit bestemmingsplan in het kader van een goede ruimtelijke ordening een indicatie gegeven of in de voorgenomen situatie sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Hiervoor is in een geuronderzoek uitgevoerd. Op het bedrijf zijn naar verwachting zowel diercategorieën aanwezig met een geuremissiefactor als ook diercategorieën waarbij rekening gehouden dient te worden met vaste afstanden. Geuronderzoek Om de geurbelasting op omliggende woning te onderzoeken ten gevolge van de diercategorieën waarvoor geuremissiefactoren zijn vastgesteld, is een geurberekening uitgevoerd met behulp van het rekenprogramma V-Stacks vergunning (versie 2010.1). De geurberekening is toegevoegd in bijlage 5. Uit de berekening blijkt dat ruim voldaan wordt aan de geldende geurnormen. Daarnaast zijn in de omgeving voornamelijk grondgebonden agrarische bedrijven gelegen die geen geuruitstoot hebben.
Gezien de geurberekening en de omgeving van het plangebied kan worden geconcludeerd dat in de beoogde situatie sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor het aspect geur. Vaste afstanden De gemeente Soest heeft een geurverordening vastgesteld genaamd, 'Verordening geurhinder en veehouderij' (vastgesteld op 29 oktober 2009). Op grond van deze verordening is de afstand tussen een
Rho adviseurs voor leefruimte
034200.20180197
28
veehouderij (waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld) en een geurgevoelig object in de bebouwde kom verkleind naar 50 meter. Aangezien de beoogde bedrijfslocatie en de omliggende geurgevoelige objecten in het buitengebied zijn gelegen is de Verordening niet van toepassing en wordt uitgegaan van het Activiteitenbesluit. Op basis van het Activiteitenbesluit geldt voor dieren zonder geuremissiefactor buiten de bebouwde kom een vaste afstand van 50 m. Het gaat om de afstand vanaf het emissiepunt van een dierenverblijf tot de gevel van een geurgevoelig object. Tevens geldt voor vaste mest opslag buiten de bebouwde kom een afstand van 50 m tot geurgevoelige objecten. De voorgenomen bedrijfslocatie is gelegen op meer dan 50 meer van omliggende burgerwoningen. Aan de vaste afstandseisen kan worden voldaan. Conclusie
Ter plaatse van omliggende woningen is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect geur staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
4.5
Luchtkwaliteit
Toetsingskader
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.3 weergegeven. Tabel 4.3 - Grenswaarden maatgevende stoffen Wm Stof
Toetsing van
Grenswaarde
stikstofdioxide (NO:)
jaargemiddelde concentratie
40 lig/rrr
fijn stof (PM10)
jaargemiddelde concentratie
40 pg/m*
fijn stof (PMz.si
24-uurgemiddelde concentratie
max. 35 keer p.j. meer dan 50 pg / m3
jaargemiddelde concentratie
25 pg /m3
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Onderzoek
Op basis van het ondernemersplan bedrijfsverplaatsing André van Dorresteijn bedraagt de fijn stof emissie in de beoogde situatie 8.143 g PM10 per jaar. In de handreiking fijn stof en veehouderijen van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, is een vuistregel opgenomen ter vaststelling of de uitbreiding Niet In Betekenende Mate (NIBM) is. Er zijn veel projecten die namelijk overduidelijk NIBM zijn en waar een berekening niets toevoegt aan de conclusie. Als hulpmiddel bij de motivering is een vuistregel opgesteld waarmee aangetoond kan worden dat een uitbreiding NIBM is. Onderstaande tabel is gebaseerd op de 3% NIBM grens, na inwerkingtreding van het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit).
Rho adviseurs voor leefruimte
034200.20180197
29
Tabel 4.4 - ECN. Getallen op basis van berekeningen met Stacks, versie 2008
Afstand tot te toetsen
70 m
80 m
90 m
100 m
120 m
140 m
324000
387000
473000
581000
817000
1075000
plaats Totale emissie in g/jr van uitbreiding/oprichting De dichtstbijzijnde woning is gelegen op ca. 70 m van de beoogde locatie. De uitbreiding blijft ruim onder de NIBM grens van 324.000 g (pmlO/jaar) blijft bij een toetsobject gelegen op 70 m. Het plan draagt Niet In Betekenende Mate bij. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is daarnaast een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het projectgebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2017 (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Kerkstraat. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2016 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De hoogste concentraties luchtverontreinigende stoffen bedragen 24,6 pg/m3 voor NOz, 19,6 pg/m3 voor PMi0 en 11,9 pg/m3 voor PM2,5. Het maximaal aantal overschrijdingsdagen van het 24-uurs gemiddelde voor fijnstof bedraagt 11,9 dagen. Omdat direct langs deze weg ruimschoots aan de grenswaarden wordt voldaan, zal dit ook ter plaatse van het plangebied het geval zijn. Concentraties luchtverontreinigende stoffen nemen immers af naarmate een locatie verder van de weg ligt. De uitbreiding veroorzaakt een fijn stof toename.
Gezien de huidige lage concentraties luchtverontreinigende stoffen zal ook na de voorgenomen ontwikkeling ruimschoots worden voldaan aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Hierbij dient opgemerkt te worden dat de concentraties luchtverontreinigende stoffen in de toekomst verder zullen afnemen als gevolg van gebruikmaking van steeds betere emissiearme technieken. Conclusie
Ter plaatse van het plangebied is er sprake van een aanvaardbaar leefklimaat. Het aspect luchtkwaliteit staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
4.6
Water
Waterbeheer en watertoets
De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap Vallei en Veluwe verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van het voorgenomen plan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over deze waterparagraaf. De opmerkingen van de waterbeheerder worden vervolgens verwerkt in deze waterparagraaf. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap en de gemeente nader wordt behandeld.
Rho adviseurs voor leefruimte
034200.20180197
30
Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap en de gemeente nader wordt behandeld. Europa: • Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal: • Nationaal Waterplan (NW) • Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) • Waterwet Provinciaal • Provinciaal Waterplan • Provinciale Structuurvisie • Verordening Ruimte Waterschapsbeleid
Sinds 1 januari 2013 zijn waterschap Vallei & Eem en Veluwe gefuseerd tot het waterschap Vallei en Veluwe. Voor de periode 2016-2021 heeft het waterschap een waterbeheerprogramma opgesteld. Op basis van de strategische doelstellingen uit de Langetermijnvisie, de Deltabeslissingen, de aanbevelingen uit het in 2014 gepresenteerde OESO-rapport en de Kaderrichtlijn Water zijn in dit programma tactische doelen geformuleerd. Per jaarplan wordt samen met de partners concreet invulling gegeven aan de daadwerkelijke realisatie van deze doelen. Per 1 januari 2017 is de 3* herziening van de keur "Waterschap Vallei en Veluwe 2013" in werking getreden. In de Keur staat wat er wel en niet mag in watergangen, waterkeringen, bergingsgebieden en ondersteunende kunstwerken en met grondwater. Met die regels beschermt het waterschap de dijken, sloten, waterstanden en grondwaterstanden. Huidige situatie
Algemeen Het plangebied bestaat uit agrarische gronden en is als volledig onbebouwd aan te merken. Waterkwantiteit Aan de noord en oostzijde van het perceel is een A-watergang gelegen met aan beide zijden een beschermingszone van 5 meter. Aan de west en zuidzijde zijn C-watergangen gelegen. De omliggende watergangen zijn weergegeven in figuur 4.1.
Rho adviseurs voor leefruimte
034200.20180197
31
7 O',
a
o
Figuur 4.1 - Watergangen rondom het plangebied Veiligheid en waterkeringen Beide plangebieden zijn niet gelegen binnen de kern- of beschermingszone van een waterkering. Afvalwaterketen en riolering In de huidige situatie is het plangebied deels aangesloten op de gemeentelijke riolering. Toekomstige situatie
Algemeen In de beoogde situatie wordt het bouwvlak deels verhard. Er worden geen watergangen gedempt. Waterkwantiteit Toename in verhard oppervlak dient te worden gecompenseerd door de aanleg van functioneel open water. Volgens de eisen van het Waterschap Vallei & Veluwe dienen bij nieuwe ontwikkelingen groter dan 4000 m2 in het buitengebied maatregelen gehanteerd te worden ter compensatie van de vergroting van het verhard oppervlak. Hierbij dient uitgegaan te worden van een compensatie-eis van 10%. Hoewel de exacte oppervlakte aan nieuwe verharding nog niet bekend is, wordt de drempel van 4.000 m2 hoogstwaarschijnlijk overschreden. Afhankelijk van de exact te compenseren oppervlakte, worden watercompenserende maatregelen toegepast. Hierbij kan gedacht worden aan infiltratie in de bodem d.m.v. aanleg van een waterberging, wadi of infiltratiekratten. Een andere mogelijkheid is om het afstromend hemelwater af te voeren naar oppervlaktewater. Wanneer de exacte watercompensatie bekend is, vindt over de invulling afstemming plaats met het waterschap. Watersysteemkwaliteit en ecologie
Rho adviseurs voor leefruimte
034200.20180197
32
Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Veiligheid en waterkeringen De ontwikkeling heeft geen invloed op de waterveiligheid in de omgeving. Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • hemelwater vasthouden voor benutting; • (in-) filtratie van afstromend hemelwater; • afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater; • afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI. Waterbeheer Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de "Keur". Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het waterschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden.
De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aanof afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de "Keur". Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Ten gevolge van de beoogde ontwikkelingen is een vergunning op basis van de Keur noodzakelijk. Conclusie
De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.
4.7
Bodem
Toetsingskader
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een ruimtelijke ontwikkeling rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Toepassing en conclusie
Vanwege de bouwplannen die onderdeel zijn van de nieuwvestiging in het plangebied, is er een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De eindrapportage is opgenomen als bijlage 2.
Rho adviseurs voor leefruimte
034200.20180197
33
Gelet op de onderzoeksresultaten dient de hypothese verdacht voor de onderzoekslocatie formeel te worden gehandhaafd. Echter, de gemeten waarden zijn dermate gering dat aanvullend onderzoek naar het voorkomen van deze stoffen in de bodem op het perceel ingevolge de Wet bodembescherming, niet noodzakelijk is. Het gehalte asbest in de grond ter plaatse van boring 01 geeft formeel gezien wel aanleiding tot het uitvoeren van een aanvullend onderzoek. Echter, het gehalte is dermate gering dat, ons inziens, een onderzoek conform de NEN 5707 beperkt doelmatig is. Beperkingen inzake het verlenen van een omgevingsvergunning (activiteit bouwen), alsmede de voortzetting van het huidige bodemgebruik, worden op basis van de onderzoeksresultaten uit milieuhygiënisch oogpunt niet voorzien.
4.8
Verkeer en parkeren
Toetsingskader
Op het gebied van verkeer en vervoer is er geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt, te worden onderbouwd dat het geheel voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Ontsluiting
De bedrijfslocatie wordt ontsloten op de Peter van den Breemerweg, die is ingericht als erftoegangsweg (type II). In oostelijke richting vindt deze weg aansluiting op de N199 (Amersfoort Bunschoten-Spakenburg). In westelijke richting vindt deze weg via de kern van Soest aansluiting op de N221 (Soest - Amersfoort). Verkeersgeneratie en -afwikkeling
Rundveehouderijen kennen een relatief beperkte verkeersgeneratie. De extra vrachtwagenbewegingen die het agrarische bedrijf genereert zijn beperkt en gaan op in het heersende verkeersbeeld. Parkeerbehoefte
Op het erf is ruim voldoende mogelijkheid om in de eigen parkeerbehoefte te kunnen voldoen. Conclusie
Gezien de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is naar verwachting geen sprake van knelpunten ten aanzien van verkeer of parkeren.
4.9
Wegverkeerslawaai
Toetsingskader
Langs alle wegen - met uitzondering van 30 km/h-wegen en woonerven - bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen of buiten stedelijke ligging. De geluidhinder wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Uen (L day-evening-night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal. Woningen zijn geluidgevoelige functies waarvoor, indien gelegen binnen de geluidzone van een weg, akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden. Toepassing en conclusie
De nieuwe bedrijfswoning bij het agrarische bedrijf is een geluidgevoelige functie en is daarom getoetst op geluidbelasting van het verkeer op de Peter van den Breemerweg, door middel van een SRM-I onderzoek (zie bijlage 7).
Rho adviseurs voor leefruimte
034200.20180197
34
De geluidbelasting is berekend op basis van geluidcontouren conform de grenswaarden uit de Wgh. Aan de maximale ontheffingswaarde van 53 dB wordt voldaan wanneer de woning op minstens 16 meter van de as van de weg wordt gebouwd. Aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt voldaan indien de woning op minstens 35 meter van de as van de weg wordt gebouwd. Het bouwvlak ligt op méér dan 35 meter van de weg, waardoor aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt voldaan. Hierdoor is een aanvaardbaar akoestisch klimaat geborgd. Het aspect wegverkeerslawaai staat de ontwikkeling niet in de weg.
4.10
Externe veiligheid
Toetsingskader
Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: • bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; • vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Onderzoek
Volgens de professionele risicokaart zijn in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen gelegen. Daarnaast vindt er geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de weg of het water. Door uitvoering van de beoogde ontwikkeling is slechts beperkt sprake van een toename van het aantal personen waardoor er geen toename van het groepsrisico is. Conclusie
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorliggende ontwikkeling.
4.11
Archeologie
Toetsingskader
Erfgoedwet Sinds 1 juli 2016 is de Wet op de archeologische monumentenzorg vervangen door de Erfgoedwet. De uitgangspunten uit het 'Verdrag van Malta' blijven in de Erfgoedwet de basis van de Nederlandse omgang met archeologie. De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort.
Rho adviseurs voor leefruimte
034200.20180197
35
Gemeentelijke archeologiebeleid Op basis van de huidige wetgeving zijn de gemeenten in Nederland verantwoordelijk voor het behoud van het archeologisch bodemarchief. Omdat ruimtelijke ingrepen gevolgen kunnen hebben voor dit bodemarchief, moeten gemeenten bij de besluitvorming archeologie als volwaardige factor meenemen in de belangenafweging. De gemeente Soest kent de 'Archeologische beleidsadvieskaart Soest versie 2016', waarop de archeologische terreinen en monumenten, waardevolle gebieden en verwachtingswaardes zijn vastgelegd. Toepassing en conclusie
In het geldende bestemmingsplan zijn voor deze locatie de archeologische dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie - Hoge verwachting' (west- en noordkant van het beoogde bouwvlak) en 'Waarde - Archeologie - Lage verwachting' (zuidoostkant) opgenomen, met de volgende onderzoeksdempels: • 'Waarde - Archeologie - Hoge verwachting': ontwikkelingen groter dan 100 m2 én dieper dan 30 cm •
-mv. 'Waarde - Archeologie - Lage verwachting': ontwikkelingen groter dan 10.000 m2 en dieper dan 30 cm -mv.
Vanaf de genoemde drempels is het noodzakelijk om d.m.v. onderzoek aan te tonen dat de archeologische waarden niet worden aangetast. De bouwplannen die met de ontwikkeling gepaard gaan overschrijden de 100 m2. Dit betekent dat voor het deel van het bouwvlak dat de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - Hoge verwachting' heeft, noodzakelijk is om archeologisch onderzoek uit te voeren. De eindrapportage is opgenomen als bijlage 3. Tijdens het onderzoek is geconstateerd dat de bodemopbouw en de waterhuishouding in het plangebied waarschijnlijk al ongunstig zijn sinds het ontstaan van de stuwwal. Het plangebied is daardoor nooit bruikbaar geweest voor de mens en heeft als zodanig een zeer lage archeologische verwachting voor alle perioden. IDDS Archeologie adviseert om het plangebied, voor wat betreft het aspect archeologie, vrij te geven voor de voorgenomen civieltechnische werkzaamheden.
Rho adviseurs voor leefruimte
034200.20180197
36
Rho adviseurs voor leefruimte
034200.20180197
37
Hoofdstuk 5
5.1
Juridische planbeschrijving
Algemeen
In dit hoofdstuk wordt de bestemmingsregeling nader toegelicht. Voor de onderscheiden hoofdfuncties zijn afzonderlijke bestemmingsregelingen opgesteld die zijn gebaseerd op de overwegingen die in de voorafgaande hoofdstukken zijn verwoord. Op welke wijze een en ander in de bestemmingsregeling concreet verwerkt is wordt hierna beschreven. Conform de wettelijke verplichting is gebruikgemaakt van de SVBP2012 voor de planregels en de verbeelding.
5.2
Inleidende regels
Begrippen
In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd voor zover deze begrippen van het 'normale' spraakgebruik afwijken of een specifiek juridische betekenis hebben. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan zal moeten worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Wijze van meten
Het onderhavige artikel geeft aan hoe hoogte- en andere maten die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.
5.3
Bestemmingsregels
Agrarisch met waarden
Voor het agrarische bedrijf is een bouwvlak opgenomen van maximaal 1 ha. Binnen het toegekende bouwvlak dienen de bedrijfsgebouwen, de bedrijfswoning, de bijgebouwen en de bouwwerken, geen gebouwen zijnde (met uitzondering van erf- en terreinafscheidingen), te worden gesitueerd. Dit betekent dat ook mestopslag, paardenbakken, sleufsilo’s en kuilplaten binnen het bouwvlak worden gesitueerd. Agrarische bouwvlakken mogen, met inachtneming van de van toepassing zijnde bouwregels, volledig worden bebouwd. Bij het bedrijf is één bedrijfswoning toegestaan. De maximum inhoudsmaat voor agrarische bedrijfswoningen bedraagt 600 m3, waarbij tevens nog 50 m2 aan bijgebouwen en overkappingen mag worden gebouwd.
Rho adviseurs voor leefruimte
034200.20180197
38
In de specifieke gebruiksregels van dit bestemmingsplan is opgenomen dat het gebruik van gronden en/of bouwwerken voor activiteiten uit kolom 1 van bijlagen C en D van het Besluit milieueffectrapportage niet is toegestaan, in de gevallen zoals bedoeld in kolom 2 van de desbetreffende bijlage. Met deze bepaling wordt geregeld dat de agrarische activiteiten onder een in het Besluit milieueffectrapportage bepaalde drempel blijven (onder meer met betrekking tot dierplaatsen, diersoorten en stalsystemen). Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat de agrarische activiteiten milieueffecten tot gevolg hebben die mogelijk niet wenselijk zijn in dit gebied. De consequentie van de bepaling is dat voor activiteiten die de genoemde drempel overschrijden, een separaat planologisch proces zal moeten worden doorlopen waarin onder meer wordt getoetst op de milieueffecten. Tevens is in de specifieke gebruiksregels een voorwaardelijke verplichting opgenomen, met het oog op de uitvoering en instandhouding van het landschappelijk inpassingsplan dat als bijlage bij de regels is gevoegd. Afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden In de planregels zijn de afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden opgenomen die voor alle agrarische bouwvlakken in het landelijk gebied gelden, mits ze relevant zijn voor grondgebonden veehouderijbedrijven.
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Op de gronden met de bestemming Agrarisch met waarden is een vergunningenstelsel van kracht met het oog op de te beschermden waarden. Middels regels wordt het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning, bepaalde werken, voor zover geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren die een aantasting van de landschappelijke en/of natuurlijke waarden dan wel de cultuurhistorische waarde betekenen. Dit vergunningenstelsel is niet van toepassing voor werken en werkzaamheden binnen het bouwvlak. Leiding - Riool
De planologisch relevante leidingen zijn met dubbelbestemmingen aangegeven. In het plangebied komt de dubbelbestemming 'Leiding - Riool' voor. Alvorens het bevoegd gezag over een verzoek om afwijken beslist, wint zij schriftelijk advies in bij de desbetreffende leidingbeheerder. Ter bescherming van aanwezige leidingen is een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden opgenomen.
5.4
Algemene regels
Antidubbeltelregeling
Dit artikel bevat een algemene regeling waarmee kan worden voorkomen dat er in feite meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogd, bijvoorbeeld ingeval (onderdelen van) bouwvlakken van eigenaars verschillen. De regeling is met name van belang met het oog op woningbouw. Algemene bouwregels
In de algemene bouwregels worden onder meer de volgende zaken geregeld: • Overschrijding bouwgrenzen: Om te voorkomen dat kleine ontwikkelingen leiden tot het volgen van aparte procedures, is in dit lid opgenomen dat voor bepaalde ontwikkelingen de bouwgrenzen overschreden mogen worden. • Bestaande maten: Met deze regeling wordt voorkomen dat bestaande situaties die afwijken van de maatvoering ingevolge hoofdstuk 2 van de regels - onbedoeld - geheel of gedeeltelijk onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan vallen. • Onderkeldering van gebouwen: voor maatvoeringen van de toegestane onderkeldering van gebouwen.
Rho adviseurs voor leefruimte
034200.20180197
39
Algemene gebruiksregels
Naar aanleiding van een uitspraak van de Raad van State is gebleken dat wonen in bijgebouwen is toegestaan als dit niet expliciet is uitgesloten. Omdat dit niet gewenst is, wordt in deze gebruiksregel wonen in bijgebouwen en tevens stacaravans uitgesloten. Ook is permanente bewoning van recreatiewoningen en plattelandkamers niet toegestaan. Tevens is in dit artikel de regeling voor kleinschalige beroepen- en bedrijven aan huis opgenomen. Algemene aanduidingsregels
Beperkende gebruiks- en bouwregels ter plaatse van: • geluidszone-weg; • milieuzone-bodembeschermingsgebied. Algemene afwijkingsregels
In dit artikel wordt aangegeven in hoeverre afgeweken kan worden voor geringe afwijkingen van de bouwregels (maatvoering), voor zover al niet elders in de planregels in afwijkingen is voorzien. Overigens bestaat er een aantal bouwwerken, dat los van het bestemmingsplan gebouwd kan worden en waarvoor een algemene bevoegdheid tot afwijken (zoals voorheen te doen gebruikelijk) geen zin meer heeft. Het betreft hier zogenaamde vergunningvrije bouwwerken als bedoeld in artikel 43 van de Woningwet. • Kangaroewoning: In dit artikel zijn regels opgenomen om in een grote woning een kangeroewoning •
toe te staan. (Her)bouw buiten bestaande fundamenten: Er is een afwijkingsregel opgenomen voor de herbouw van (bedrijfs)woningen buiten bestaande fundamenten. Indien aangetoond kan worden dat aan de voorkeursgrenswaarde en de overige voorwaarden wordt voldaan, is herbouw buiten de bestaande fundamenten toegestaan.
Algemene wijzigingsregels
Er is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor geringe overschrijdingen van bestemmingsgrenzen. Overige regels
Hierin is geregeld dat voor de wettelijke regelingen waarnaar in de regels wordt verwezen, deze gelden zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan.
5.5
Overgangs- en slotregels
Overgangsregels
Overgangsrecht bouwwerken Uitbreiding van de bebouwing die onder het overgangsrecht valt is slechts mogelijk met afwijking van het bevoegd gezag. Overgangsrecht gebruik Betreft de overgangsbepaling met betrekking tot gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken voor zover dat gebruik afwijkt van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt. Slotregel
Dit artikel geeft aan onder welke naam dit plan kan worden aangehaald.
Rho adviseurs voor leefruimte
034200.20180197
40
Rho adviseurs voor leefruimte
034200.20180197
Hoofdstuk 6
6.1
Uitvoerbaarheid
Financiële uitvoerbaarheid
Bij nieuwe ontwikkelingen moet onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro) tegelijk met het bestemmingsplan een exploitatieplan worden vastgesteld, tenzij het kostenverhaal anderszins is verzekerd, bijvoorbeeld door middel van gemeentelijke gronduitgifte of een anterieure overeenkomst. De gemeente heeft hierbij de onderzoeksverplichting om de financieel-economische uitvoerbaarheid van het plan te toetsen. De gemeente Soest heeft een anterieure overeenkomst gesloten met de eigenaar waarin het kostenverhaal is geregeld. Om die reden wordt afgezien van een exploitatieplan. Geconcludeerd wordt dat er voldoende middelen zijn om de ontwikkeling tot uitvoering te brengen. Het plan is daarmee financieel uitvoerbaar.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Vooroverleg
Het bestemmingsplan Peter van den Breemerweg tegenover nrs. 1 en 3 wordt in het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening aan een aantal overleginstanties voorgelegd. De resultaten van de vooroverlegfase worden te zijner tijd in deze paragraaf verwerkt. Zienswijzen
In het kader van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (zienswijzenprocedure) wordt het ontwerpbestemmingsplan gedurende zes weken ter inzage gelegd. De resultaten van de zienswijzenfase worden te zijner tijd in deze paragraaf verwerkt.
Rho adviseurs voor leefruimte
034200.20180197
42
Rho adviseurs voor leefruimte
034200.20180197
II i «r il 'S////S////.
Rho ADVISEURS VOOR LEEFRUIMTE
Regels
Hoofdstuk 1
Artikel 1 1.1
Inleidende regels
Begrippen
plan
het bestemmingsplan Peter van den Breemerweg tegenover nrs. 1 en 3 met identificatienummer NLIMR0.0342.PvdBreemerweg-0001 van de gemeente Soest. 1.2
bestemmingsplan
de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3
aanduiding
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar - ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.4
aanduidinggrens
de grens van een aanduiding, indien het een vlak betreft. 1.5
aan- en uitbouw
een aan een hoofdgebouw aangebouwde ruimte, die een directe verbinding vormt met dat hoofdgebouw en dat als uitbreiding van de woning dient en door zijn situering en/of afmetingen ondergeschikt is aan dat op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw. 1.6
aan huis gebondenbedrijf
het bedrijfsmatig verlenen van diensten of het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid door de hoofdbewoner, gericht op consumentenverzorging, geheel of overwegend door middel van handwerk, alsmede handelsactiviteiten via internetwinkels, waarvan de omvang zodanig is, dat de activiteit in een woning en/of de daarbij behorende bouwwerken, met behoud van de woonfunctie, kan worden uitgeoefend. 1.7
aan huis gebonden beroep
een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied, dat door zijn beperkte omvang in een woning en/of de daarbij behorende bouwwerken met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend of beroepsmatig verleend door de hoofdbewoner. 1.8
afhankelijke woonruimte
een bijbehorend bouwwerk, dat qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt met de woning en waarin een gedeelte van de huishouding uit het oogpunt van mantelzorg gehuisvest is. 1.9
agrarisch deskundige
een door het bevoegd gezag aan te wijzen onafhankelijke deskundige of commissie van deskundigen op het gebied van landbouw en tuinbouw.
Rho adviseurs voor leefruimte
034200.20180197
62
1.10
agrarisch bedrijf
een bedrijf, gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren, nader te onderscheiden in: a. akker- en vollegrondstuinbouw: de teelt van gewassen op open grond, daaronder niet begrepen sier-, fruit- en bollenteelt; b. grondgebonden veehouderij: het houden van melk- en ander vee (nagenoeg) geheel op open grond; c. intensieve veehouderij: de teelt van slacht-, fok-, leg- of pelsdieren in gebouwen en (nagenoeg) zonder weidegang, waarbij de teelt niet afhankelijk is van de agrarische grond als productiemiddel; d. glastuinbouw: de teelt van gewassen (nagenoeg) geheel met behulp van kassen; e. sierteelt: de teelt van tuin- en potplanten en/of bomen, al dan niet met behulp van kassen en al dan niet gecombineerd met de handel in deze gewassen; f. fruitteelt: de teelt van fruit op open grond; g. bollenteelt: de teelt van bloembollen in samenhang met de teelt van bolbloemen; h. intensieve kwekerij: de teelt van gewassen of dieren (anders dan bij wijze van intensieve veehouderij) (nagenoeg) zonder gebruik te maken van daglicht; i. paardenhouderij: een productiegerichte paardenhouderij, alsmede een paardenhouderij gericht op verzorgen van oude paarden en pony's (paardenkamp). 1.11
ambachtelijke be- en verwerking van agrarische producten:
het be- en verwerken van agrarische producten, die afkomstig zijn van het eigen bedrijf of vanuit de streek, voor zover deze karakteristiek zijn voor de streek. 1.12
ander bouwwerk
een bouwwerk, geen gebouw zijnde. 1.13
andere geluidgevoelige gebouwen
onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, kinderdagverblijven. 1.14
archeologisch deskundige
de gemeentelijke archeoloog of een andere door Burgemeester en wethouders aan te wijzen deskundige op het gebied van archeologie. 1.15
archeologische onderzoek
onderzoek verricht door de gemeente Soest of namens de gemeente Soest door een dienst, bedrijf of instelling, beschikkend over een opgravingsvergunning ex artikel 38 van de Monumentenwet 1988 en werkend volgens de kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie. 1.16
archeologische waarde
de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende overblijfselen uit oude tijden. 1.17
bebouwing:
één of meer gebouwen en/of andere bouwwerken. 1.18
bebouwingspercentage
een op de verbeelding of in de regels aangegeven percentage van de oppervlakte van het bouwperceel, of indien dat in de regels is aangegeven, van het bestemmings- of maatvoeringsvlak.
Rho adviseurs voor leefruimte
034200.20180197
63
1.19
bedrijfswoning
een woning in of bij een gebouw of op een terrein, die slechts is bestemd voor bewoning door (het huis houden van) een persoon, wiens huisvesting daar noodzakelijk is, gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein. 1.20
bed en breakfast
een overnachtingsaccommodatie gericht op het bieden van de mogelijkheid tot een toeristisch en veelal kortdurend verblijf met het serveren van ontbijt aan gasten, gerund door de eigenaar of hoofdbewoner van het gebouw. 1.21
bestaand
bij bouwwerken: bestaand ten tijde van de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan en met een vergunning gebouwd. bij gebruik: bestaand ten tijde van de inwerkingtreding van het betreffende gebruiksverbod. 1.22
bestemmingsgrens
de grens van het bestemmingsvlak. 1.23
bestemmingsvlak
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.24
bevoegd gezag
bevoegd gezag als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 1.25
bijbehorend bouwwerk
uitbreiding van een hoofdgebouw, dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak. 1.26
bouwen
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats. 1.27
bouwgrens
een op de verbeelding aangegeven lijn, die de grens vormt van een bouwvlak. 1.28
bouwperceel
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegestaan. 1.29
bouwperceelsgrens
de grens van een bouwperceel. 1.30
bouwvlak
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en andere bouwwerken zijn toegelaten. 1.31
bouwwerk
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.
Rho adviseurs voor leefruimte
034200.20180197
64
1.32
cultuurhistorische waarden
de aan een bouwwerk of een gebied toegekende waarden, gekenmerkt door het beeld, dat is ontstaan door het gebruik, dat de mens in de loop van de geschiedenis heeft gemaakt van dat bouwwerk of dat gebied. 1.33
dagrecreatie
activiteiten gericht op ontspanning in de vrije tijd, zoals sport en spel, natuurbeleving, amusement en uitstapjes, die uitsluitend plaatsvinden binnen een tijdsbestek van een dag, zonder overnachting en waartoe tevens kleinschalige horeca-activiteiten worden gerekend. 1.34
detailhandel
het bedrijfsmatig te koop of te huur aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen, die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending, overwegend anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit, met uitzondering van het bieden van gelegenheid om gekochte etenswaren ter plaatse te nuttigen. 1.35
erf
al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden. 1.36
erf- en terreinafscheiding
een ander bouwwerk, dat dient ter afscheiding van het erf of een terrein. 1.37
extensieve recreatie
die vormen van openluchtrecreatie, waarbij men vooral het landschap of bepaalde aspecten daarvan sterk beleeft, zoals wandelen en fietsen, waarbij relatief weinig mensen aanwezig zijn per oppervlakte-eenheid en die plaatsvinden in een gebied zonder recreatievoorzieningen. 1.38
fte
fte is een rekeneenheid waarmee de omvang van een functie of de personeelssterkte kan worden uitgedrukt. Eén fte is een volledige werkweek van tenminste 38 uur. Een functie van 0,6 fte bijvoorbeeld is - uitgaande van een werkweek van 38 uur - een functie van 0,6 x 38 = 22,8 uur. 1.39
gebouw
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.40
geluidgevoelig object
woning, ander geluidgevoelig gebouw, woonwagenstandplaats en ligplaats voor een woonschip. 1.41
geluidgevoelige ruimte
als geluidgevoelige ruimte van een woning wordt aangemerkt: een ruimte binnen een woning voor zover die kennelijk als slaap-, woon-, of eetkamer wordt gebruikt of voor een zodanig gebruik is bestemd. 1.42
geluidzone - weg
gebied waar op grond van de Verkeersmilieukaart akoestisch onderzoek nodig is. 1.43
grondgebonden veehouderij
een bedrijf, gericht op het voortbrengen van producten door middel van het houden van melk- en ander vee (nagenoeg) geheel op open grond;
Rho adviseurs voor leefruimte
034200.20180197
65
1.44
hobbymatige agrarische activiteiten:
het niet bedrijfsmatig gebruiken van gronden voor het hobbymatig houden van vee en/of telen van agrarische producten. 1.45
hoofdbewoner
degene, die in de gemeentelijke basisadministratie als zodanig voor het betreffende adres vermeld staat, alsmede de personen, die deel uitmaken van zijn/haar huishouden. 1.46
hoofdgebouw
gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is. 1.47
a. • • • b. 1.48
horeca
een bedrijf, in hoofdzaak gericht op: het verstrekken van ter plaatse te nuttigen spijzen en/of dranken; het verstrekken van nachtverblijf; het verhuren en ter plaatse beschikbaar stellen van zaalruimten tot horeca worden ook afhaalzaken en maaltijdbezorgdiensten gerekend. inrichtingsplan
een inrichtingsplan verbeelding of tekening op schaal 1:1000 van de gewenste ruimtelijke ontwikkeling vooreen perceel of gebied met een daarbij behorende beschrijving. 1.49
kangoeroewoning
een aan een eengezinswoning gekoppelde ondergeschikte woonruimte in de woning ten behoeve van één of twee personen, die een familieband hebben met de hoofdbewoner. 1.50
kelder
een overdekte, met wanden omsloten, voor mensen toegankelijke ruimte, beneden of tot ten hoogste 0,5 m boven de kruin van de weg, waaraan het bouwperceel is gelegen. 1.51
kleinschalige dagrecreatieve voorzieningen
voorzieningen, zoals aanlegsteigers, picknickplaatsen, observatiepunten, informatieborden en banken, ten behoeve van activiteiten, zoals wandelen, fietsen, vissen, zwemmen, kanoën en natuurobservatie. 1.52
kleinschalige horecagelegenheid
een horecagelegenheid, als bedoeld in categorie 1 van de Staat van horeca - activiteiten, zulks met uitzondering van bezorg- of afhaalservice (bijv. pizza. Chinees), met een daarbij behorende parkeervoorziening op het eigen terrein van tenminste 10 parkeerplaatsen per 100 m2 bruto vloeroppervlakte van het gebouw. 1.53
landschappelijke waarden
de aan een gebied toegekende waarden in verband met de waarneembare verschijningsvorm van dat gebied. 1.54
maatvoeringvlak
een geometrisch bepaald vlak, waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels voor bepaalde bouwwerken eenzelfde maatvoering geldt.
Rho adviseurs voor leefruimte
034200.20180197
66
1.55
mantelzorg
het bieden van zorg aan eenieder, die aantoonbaar hulpbehoevend is op het fysieke, psychische en/of sociale vlak, op vrijwillige basis en buiten organisatorisch verband. 1.56
monument
bouwwerken welke krachtens de Monumentenwet of een gemeentelijke verordening bescherming genieten. 1.57
natuurlijke waarden
de aan een gebied toegekende waarden gekenmerkt door geologische, geomorfologische en biologische elementen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang. 1.58
nevenfunctie
een bedrijfs- of beroepsmatige activiteit, die in ruimtelijk, functioneel en inkomensverwervend opzicht duidelijk ondergeschikt is aan de op de in dit bestemmingsplan toegestane hoofdfunctie op een bestemming. 1.59
openbaar gebied
weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b. van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede pleinen, parken, plantsoenen, openbaar water en ander openbaar gebied, dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen uitsluitend bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer. 1.60
overkapping
een ander bouwwerk, dat een overdekte ruimte vormt zonder, dan wel met ten hoogste één wand. 1.61
paardenbak/buitenrijbaan
een buitenrijbaan/- bak ten behoeve van paardrijactiviteiten, met een bodem van zand, hout, boomschors of ander materiaal om de bodem te verstevigen en al dan niet voorzien van een omheining ten behoeve van het berijden, trainen en/of africhten van paarden. 1.62
peil
voor gebouwen waarvan de hoofdtoegang direct aan een weg grenst: de hoogte van die weg ter plaatse van die hoofdtoegang, vermeerderd met 5 centimeter; in andere gevallen: de hoogte van het aan het bouwwerk aansluitende afgewerkte terrein, vermeerderd met 5 centimeter, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven. 1.63
permanente bewoning
het (al dan niet tijdelijk) gebruiken van een voor recreatie bestemd verblijf als (hoofd)woonverblijf. 1.64
recreatiewoning
een gebouw of een gedeelte van een gebouw, geen woonkeet en geen stacaravan of een ander bouwwerk op wielen zijnde, dat uitsluitend één woning bevat, niet voor permanente bewoning bestemd is en dat gedurende het hele jaar gebruikt wordt voor verblijfsrecreatieve doeleinden. Hieronder worden niet verstaan groepsaccommodaties, zoals kampeerboerderijen en jeugdherbergen. 1.65
ruwvoedergewassen
gewassen, niet zijnde weidegras, zoals mats, voederbieten, luzerne, die in de volle grond worden geteeld en waarvan de opbrengst is bestemd als voer voor landbouwhuisdieren.
Rho adviseurs voor leefruimte
034200.20180197
67
1.66
schuilstal
overdekte ruimte met niet meer dan drie wanden, waarvan dieren gebruik moeten kunnen maken in geval van weidegang, met als doel bescherming tegen extreme weersomstandigheden in zowel zomer als winter. 1.67
seksinrichting
een voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte, waarin bedrijfsmatig, of in omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht. Onder een seksinrichting wordt in elk geval verstaan: een prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een erotische massagesalon of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar. 1.68
Staat van Bedrijfsactiviteiten
de Staat van Bedrijfsactiviteiten, die deel uitmaakt van deze regels als bijlage 2. 1.69
stacaravan