4. Bijlage 3. Bestemmingsplan Dalweg_Toelichting NL.IMRO.0342.BPSOE0076-0201
Tekst van het document
4.2
Provinciaal beleid
Het provinciaal beleid behelst een doorvertaling van rijksbeleid en is verwoord in tal van plannen. De belangrijkste betreffen de Omgevingsvisie Provincie Utrecht en de Interim omgevingsverordening provincie Utrecht. 4.2.1
Omgevingsvisie Provincie Utrecht
4.2.1.1
Algemeen
Op 10 maart 2021 hebben Provinciale Staten de nieuwe Omgevingsvisie Provincie Utrecht vastgesteld. De Op 10 maart 2021 hebben Provinciale Staten van Utrecht de ‘Omgevingsvisie provincie Utrecht’ vastgesteld. De Omgevingsvisie vervangt de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie, het Mobiliteitsplan en het Afwegingskader Uitbreidingslocaties voor wonen. De ‘Omgevingsvisie provincie Utrecht’ is op 1 april 2021 in werking getreden. In de Omgevingsvisie beschrijft de provincie hoe zij zich wil voorbereiden op de toekomst, gezien alle ontwikkelingen die op de provincie afkomen en ruimte vragen. Denk daarbij aan de groeiende behoefte aan woningen en bereikbaarheid, de aantrekkende economie, de energietransitie, de klimaatadaptatie en het tegengaan van bodemdaling. Slimme combinaties van functies en maatwerk per gebied zijn nodig om het mooie diverse landschap te behouden en versterken. De Omgevingsvisie laat zien hoe de provincie het fijne woon- en leefklimaat van de provincie Utrecht wil behouden en versterken. De Omgevingsvisie gaat over de hele provincie en is alleen bindend voor de provincie zelf. 4.2.1.2
Zeven thema’s
Met zeven beleidsthema’s geeft de provincie richting aan de ontwikkeling en de bescherming van een gezonde en veilige leefomgeving. De provincie streeft ernaar in 2050 een inclusieve en circulaire provincie te zijn: • • • • • • •
waarin Stad en land gezond zijn; die Klimaatbestendig en waterrobuust is; waarin Duurzame energie een plek heeft; met Vitale steden en dorpen; die Duurzaam, gezond en veilig bereikbaar is; met een Levend landschap, erfgoed en cultuur; die een Toekomstbestendige natuur en landbouw heeft.
Deze zeven thema’s vragen om een brede blik. Ze staan niet op zichzelf, maar kennen samenhang en relaties in boven- en ondergrond. Deze worden bezien vanuit het algemene belang, de integrale aanpak en de lange termijn. De zeven thema’s zorgen gezamenlijk voor integrale, toekomstgerichte oplossingen voor de opgaven waarmee de Utrechtse kwaliteiten per saldo worden behouden of versterkt. Dit wordt bereikt door nieuwe ontwikkelingen te combineren en te concentreren, zorgvuldig om te gaan met de schaarse ruimte en kwaliteiten en door ontwerp en innovatie te stimuleren. In het kader van voorliggend plan zijn op basis van de bij de omgevingsvisie behorende interactieve kaart met name de thema’s ‘Stad en land gezond’, ‘Duurzame energie’, ‘Vitale steden
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
25
Bestemmingsplan “Dalweg e.o.” Ontwerp en dorpen’ en ‘Toekomstbestendige natuur en landbouw’ van belang. Hierna wordt in verband met de aard (verstedelijking t.b.v. wonen) en omvang van de ontwikkeling nader ingegaan op het thema ‘Vitale steden en dorpen’. 4.2.1.3
Basisprincipes voor verstedelijking
Prognoses wijzen uit dat de provincie de komende decennia nog fors gaat groeien, en dat er extra ruimte nodig is om deze groei op te vangen. De provincie beziet de toekomstige ontwikkeling van woon- en werklocaties in samenhang met bereikbaarheid, en in samenhang met de overige opgaven en kwaliteiten zoals in de visie verwoord. Daarom worden bij de locatiekeuze voor nieuwe verstedelijking de volgende basisprincipes gehanteerd: • • •
zo veel mogelijk binnenstedelijk/binnendorps (binnen het stedelijk gebied) nabij knooppunten; daarnaast in overig stedelijk gebied; eventuele nieuwe (grootschalige) uitleg koppelen aan hoogwaardig openbaar vervoer en aan (bestaande of nieuwe) knooppunten van de belangrijkste infrastructurele corridors.
In aanvulling hierop wil de provincie onder voorwaarden ruimte bieden aan kernen voor kleinschalige uitbreiding van het stedelijk gebied om de lokale vitaliteit of ruimtelijke kwaliteit te vergroten (lokaal maatwerk). Om volledig te voldoen aan de woningbehoefte in de provincie Utrecht, is het nodig om tot 2040 in totaal nog ongeveer 165.000 woningen te bouwen. Dit is een grote opgave, die alleen kan worden gerealiseerd als overheden onderling en met andere partners in de bouwwereld samenwerken. Voor deze opgave is al veel plancapaciteit in beeld, maar veel daarvan heeft nog de status ‘zacht’ en ‘potentieel’ en het is dus zaak hierin keuzes te maken en te werken aan ‘harde’, uitvoerbare, plannen. Deze woningen kunnen voor een groot deel binnen het bestaande stedelijke gebied (van steden en dorpen) via inbreiding en transformatie worden gerealiseerd, maar niettemin verwacht de provincie dat er op de langere termijn een of meer nieuwe grootschalige woningbouwlocaties nodig zijn. 4.2.1.4
Toetsing van het initiatief aan de Omgevingsvisie provincie Utrecht
Voorliggende ontwikkeling gaat uit van enerzijds het bestemmen van een woningbouw op een inbreidingslocatie met maximaal 250 woningen door het opnemen van uit te werken woonbestemming en anderzijds van het creëren van een actueel planologisch kader voor maatschappelijke voorzieningen in het gebied. Daarmee wordt aangesloten bij de wens van de provincie om in te zetten op binnenstedelijke ontwikkeling. Verder is de ontwikkeling in overeenstemming met het principe van zorgvuldig ruimtegebruik. De beoogde ontwikkeling gaat namelijk uit van het slopen van bebouwing zonder duurzame vervolgfunctie en herontwikkeling naar woningbouw en een maatschappelijke gebouw wat verschillende functies die bijdragen aan een vitaal Soest. Tot slot wordt geconcludeerd dat het plangebied klimaatrobuust en groen wordt ingericht. Geconcludeerd wordt dat het plan in overeenstemming is met de Omgevingsvisie provincie Utrecht. 4.2.2
Interim Omgevingsverordening Provincie Utrecht
4.2.2.1
Algemeen
Op 10 maart 2021 heeft Provinciale Staten de Interim Omgevingsverordening vastgesteld. Deze is op 1 april 2021 in werking getreden. De interim omgevingsverordening is een tijdelijke verordening die een looptijd zal hebben totdat de Omgevingswet van kracht is en de omgevingsverordening in werking treedt. De interim omgevingsverordening vervangt bestaande verordeningen zoals de ruimtelijke verordening, de milieuverordening, de natuur en landschapsverordening. De interim omgevingsverordening is gebaseerd op een aantal wetten en AMvB’s, en bevat instructieregels over taken en bevoegdheden van gemeenten en waterschappen. Daarnaast bevat de interim omgevingsverordening direct werkende regels. Dit zijn regels die rechtstreeks gelden voor bedrijven, burgers en andere initiatiefnemers bij het uitvoeren van een activiteit. Andere voorbeelden van direct werkende regels zijn de meld- en informatieplichten en de specifieke zorgplichten. Regels over bijvoorbeeld een vergunningplicht gelden ook voor bedrijven, burgers en
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
26
Bestemmingsplan “Dalweg e.o.” Ontwerp andere initiatiefnemers. In relatie tot dit bestemmingsplan zijn met name de thema’s ‘Wonen, werken, recreëren ’en ‘Ondergrond en bodem’ relevant. Hierna wordt nader op deze thema’s ingegaan. 4.2.2.2
Thema ‘Wonen, werken, recreëren’
Er gelden specifieke regels voor woonontwikkelingen in landelijk en stedelijk gebied. In het kader van dit plan zijn de regels behorend bij het thema ‘Stedelijke functies in stedelijk gebied’ relevant. Hieronder is in afbeelding 4.1 de bijbehorende themakaart weergegeven in relatie tot het plangebied. Het plangebied is indicatief weergegeven met de gele ster. In het kader van dit plan is artikel 9.15 (stedelijk gebied) relevant. Artikel 9.15 Instructieregel verstedelijking 1. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen stedelijk gebied kan bestemmingen en regels bevatten voor verstedelijking; 2. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen stedelijk gebied kan bestemmingen en regels bevatten voor woningbouw mits is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de woningbouw past in het door gedeputeerde staten vastgestelde programma Wonen en werken; b. de woningbouw leidt niet tot extra bodemdaling; 3. Een motivering van een bestemmingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan.
Afbeelding 4.1
Themakaart ‘Wonen, werken, recreëren’ (Bron: Provincie Utrecht)
4.2.2.3
Toetsing van het initiatief aan de Interim Omgevingsverordening Provincie Utrecht
In voorliggend geval wordt een uit te werken woonbestemming toegekend binnen het stedelijk gebied van Soest. Daarnaast wordt voorzien in het vergroten van de huidige maatschappelijke bestemming. Het voor de regio Amersfoort opgenomen realisatiedeel van het programma voor wonen betreft voornamelijk de reeds bekende, binnenstedelijke plannen. In Soest is er tot 2029 een programma voor 1.279 woningen. De regio wil ook na 2030 aan haar eigen opgave tegemoet komen. Hiervoor zijn nieuwe woningbouwlocaties noodzakelijk. In deze regio is de samenhang tussen wonen, werken en bereikbaarheid, en die met andere opgaven in het landelijke gebied zoals groene, energie en landbouw, van groot belang.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
27
Bestemmingsplan “Dalweg e.o.” Ontwerp Voor wat betreft de behoefte aan werklocaties wordt in het programma aangegeven primair in te zetten op herstructurering, verduurzaming en efficiënter ruimtegebruik op bestaande terreinen. Voor de langere termijn zijn er aanvullende locaties nodig voor zowel wonen als werken. De verstedelijkingskeuzes voor de toekomst wil de provincie in samenspraak met de regio maken. Daarbij beziet de provincie wonen, werken en bereikbaarheid in samenhang, en in samenhang met andere opgaven zoals energie, klimaatadaptatie, drinkwatervraag, gezondheid, duurzaamheid en de bescherming van flora en fauna. De in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling sluit naadloos aan bij deze opgave. Er wordt voorzien in maximaal 250 woningen waarbij sprake is van samenhang tussen wonen, werken (de herontwikkeling van het gemeentehuis naar een multifunctioneel gebouw met maatschappelijke functies) en bereikbaarheid (ontwikkeling in relatie tot de beoogde aanpassingen aan de Dalweg). In dat plan is ruimschoots aandacht voor energie, klimaatadaptatie, duurzaamheid en de bescherming van flora en fauna. Het toevoegen van deze woningen past binnen het provinciale vastgestelde programma Wonen en werken. In de uiteindelijke bouwplannen wordt in voldoende mate rekening gehouden met het voorkomen van (de effecten) van bodemdaling.
Dit aspect speelt zodra invulling wordt gegeven aan de uitwerkingsbevoegheid. Geconcludeerd wordt dat het voornemen in overeenstemming is met de Interim Omgevingsverordening. 4.2.3
Conclusie toetsing aan het provinciaal beleid
Geconcludeerd wordt dat het voornemen in overeenstemming is met het provinciale beleid.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
28
Bestemmingsplan “Dalweg e.o.” Ontwerp 4.3
Gemeentelijk beleid
4.3.1
Gebiedsvisie Dalweg
4.3.1.1
Algemeen
De gebiedsontwikkeling Dalweg betreft het gebied tussen de Beukenlaan en de Soesterengweg. Aan de noordzijde van de Dalweg betreft het de locatie van sporthal Beukendal, het politiekantoor, de omgeving van het gemeentehuis en de openbare ruimte tot de aan de noordzijde gelegen woonbebouwing. Aan de zuidzijde van de Dalweg bestaat het gebied uit de (openbare) omgeving van sportboulevard De Engh, medisch centrum Meander en wooncomplex Molenschot. Voor het gehele gebied is op 24 juni 2021 de Gebiedsvisie Dalweg vastgesteld door de gemeenteraad. Gemeente Soest staat voor een aantal uitdagingen. Woningbouw realiseren en een nieuwe locatie vinden voor het aangekochte politiebureau zijn de meest urgente. Een andere uitdaging is de veranderende rol van de gemeentelijke organisatie. In de toekomst wordt steeds meer digitaal geregeld. Dat betekent iets voor het gemeentehuis, dat moet transformeren van een gebouw, dat letterlijk op afstand staat boven op een berg, tot een ontmoetingsplek voor bewoners; een gebouw waarin meer maatschappelijke en culturele functies geïntegreerd zijn. Al deze ontwikkelingen bieden kansen in het Dalweggebied. Met de visie kiest de gemeente Soest juist voor samenhang.
Met de gebiedsvisie wil de gemeente enthousiasmeren, inspireren en samen met elkaar bepalen hoe het Dalweggebied integraal vorm kan worden gegeven, zodat dit aansluiting vindt bij de gemeentelijke doelstellingen en een gebied wordt waar iedereen zich thuis voelt. Mede daarom is de visie Dalweggebied ontwikkeld. Een samenhangende en toekomstbestendige gebiedsvisie is het kader voor de inpassing van concrete toekomstige (bouw-) initiatieven. De basisgedachte voor de visie is dat de unieke groene en landschappelijke kwaliteiten van Soest uitgangspunt zijn. Niet de gebouwen zijn startpunt, maar het groen en het landschap. De visie legt geïdentificeerde kwaliteiten vast en laat zien hoe het plangebied ingepast kan worden en betekenis kan krijgen voor de gehele gemeenschap en de gehele gemeente Soest. De doorloop tijd van het gehele project is circa 10 jaar. In afbeelding 4.2 is uitsnede opgenomen van de indicatieve begrenzing van plangebied binnen de aangewezen gronden voor de gebiedsvisie opgenomen. Het plangebied is hierop aangeduid met een rode contour.
Afbeelding 4.2
Uitsnede kaart gebiedsvisie (Bron: gemeente Soest)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
29
Bestemmingsplan “Dalweg e.o.” Ontwerp 4.3.1.2
De Opgaven
Voor de opgave van de visie is een aantal ontwikkelingen relevant. Ten eerste staat de gemeente Soest voor diverse uitdagingen. De gemeente ziet uitdagingen op het gebied van: 1. wonen en wonen op het gebied van wonen met zorg en welzijn; 2. maatschappelijke activiteiten; 3. duurzaamheid. Het Dalweggebied moet een aantrekkelijke, levendige, herkenbare en karakteristieke plek met een hoofdzakelijk groene uitstraling voor Soest worden. Daarvoor is het nodig de ruimtelijke en functionele structuur van het gebied aan te passen, woningen toe te voegen en het huidige cultuur maatschappelijke voorzieningenniveau toekomstbestendig op niveau te brengen. Hierbij is het streven een divers voorzieningenaanbod van culturele en maatschappelijke voorzieningen en dag horeca te bieden, bereikbaar voor alle bewoners van Soest. Ook is het de gedachte om het restaurant van het gemeentehuis naar de begane grond te brengen met terrasfunctie en ontmoetingsplekken creëren. Plekken die makkelijk te bereiken en goed met elkaar verbonden zijn, zowel fysiek als visueel. En die een verschillend gebruik en activiteiten kennen. Dit zodat mensen een reden hebben naar de plek (terug) te komen. De ruimtes zijn overzichtelijk, veilig, gezellig, toegankelijk, netjes en voorzien van voldoende zitplekken. Ook de ontwikkeling van de gemeentelijke huisvesting is van belang voor deze gebiedsvisie.
Het huidige gemeentehuis past enerzijds niet meer in het toekomstbeeld van de gewenste open en toegankelijke werkwijze van de gemeente als gevolg van de veranderende rol die de gemeente in de samenleving heeft. Anderzijds beschikt het gemeentehuis praktisch gezien momenteel niet over voldoende werk- en overlegplekken. Het gemeentehuis wordt getransformeerd naar een ontmoetingsplek voor bewoners, midden in de Soester samenleving. De gemeentelijke organisatie blijft in dit gebouw gevestigd. Een samenhangende en toekomstbestendige gebiedsvisie is het kader voor de inpassing van concrete toekomstige (bouw-) initiatieven. 4.3.1.3
Toetsing
Middels voorliggend bestemmingsplan worden de uitgangspunten uit de gebiedsvisie voor het plangebied doorvertaald naar een actueel planologisch kader. De uitgangspunten uit de gebiedsvisie voor wat betreft de woningen zijn doorvertaald naar uitwerkingsvoorwaarden binnen de uit te werken woonbestemming. Hiermee wordt vastgelegd dat woningen voldoen aan geschetste kaders uit de gebiedsvisie. Ten aanzien van de maatschappelijke bestemming in het plangebied wordt opgemerkt dat hier wel wordt voorzien in een directe eindbestemming waarbinnen het gebouw met maatschappelijke functies mogelijk kan worden gemaakt. Geconcludeerd wordt dat dit bestemmingsplan in lijn is met de gebiedsvisie. 4.3.2
Structuurvisie Soest 2009-2030
4.3.2.1
Algemeen
De gemeenteraad van Soest heeft 29 oktober 2009 de 'Structuurvisie Soest 2009-2030' vastgesteld. In de Structuurvisie Soest 2009-2030 is globaal vastgelegd hoe de gemeente er in het jaar 2030 ongeveer uit moet zien. De kracht van de structuurvisie zit in de samenhang tussen elementen als hoeveel en soort woningen, werkgelegenheid, voorzieningen en verkeersafwikkeling. Het speerpunt van de structuurvisie is het dorp Soest levendig en groen houden. Een levendig en groen dorp vraagt om het actief inspelen op ontwikkelingsmogelijkheden op velerlei gebieden. In de structuurvisie wordt gestreefd naar een evenwichtige bevolkingsopbouw. Alle bevolkingsgroepen moeten kunnen blijven wonen, werken en gebruik maken van voorzieningen in de gemeente Soest. Daarom wordt er gebouwd voor de eigen bevolking en wordt rekening gehouden met een kleine instroom. In de structuurvisie wordt gestreefd naar een evenwichtige bevolkingsopbouw. Alle bevolkingsgroepen moeten kunnen blijven wonen, werken en gebruik maken van voorzieningen in de gemeente. Hiertoe wordt er gebouwd voor de eigen bevolking en wordt rekening gehouden met een kleine instroom. Het toevoegen van woningen, voornamelijk voor het goedkope segment en
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
30
Bestemmingsplan “Dalweg e.o.” Ontwerp voor doorstromers, aan de woningvoorraad mag niet ten koste gaan van het groene en dorpse karakter. Van de totale woningbouwopgave dient 75% van de woningen in de kern Soest gebouwd worden. 4.3.2.2
Toetsing
Het plan voorziet in de herontwikkeling van het Dalweggebied. Herontwikkeling van deze locatie draagt bij aan het levendig en aantrekkelijk houden van het dorp. Het plan houdt daarbij zorgvuldig rekening met het groene en dorpse karakter. Daarnaast vindt de ontwikkeling plaats binnen de kern Soest, waar 75% van de woningbouwopgave volgens de gemeentelijke structuurvisie moet worden gebouwd. 4.3.3
Masterplan Wonen Soest 2020
4.3.3.1
Algemeen
De gemeenteraad van Soest heeft op 19 mei 2020 het Masterplan Wonen Soest vastgesteld. Het doel van het Masterplan Wonen is om als gemeente grip te houden op het voorzien in de kwantitatieve en kwalitatieve woningbehoefte voor de kern Soest. De afgelopen jaren is de druk op de woningmarkt sterk toegenomen. De prijzen in de koopsector zijn sterk gestegen, waardoor voor mensen met een lager- of middeninkomen de mogelijkheden op de woningmarkt kleiner zijn geworden. Dit geldt zeker voor een centraal gelegen regio waarin de gemeente Soest zich bevindt. De nabijheid van veel werkgelegenheid in combinatie met een aantrekkelijke, groene woonomgeving maakt dat het aantal woningzoekenden aanzienlijk groter is dan het aanbod. Daarom is het van groot belang om de komende jaren woningen te bouwen die voorzien in de kwantitatieve behoefte. Minstens zo belangrijk is dat de juiste woningen worden gebouwd, die aansluiten op de kwalitatieve vraag van woningzoekenden. 4.3.3.2
Kwantitatieve vraagontwikkeling
In 2019 is de kwantitatieve woningbehoefte in de gemeente Soest onderzocht. Uit dit onderzoek kwam een woningbehoefte voor de periode tot en met 2025 naar voren van 770 woningen voor de kern Soest. Daarbij wordt rekening gehouden met de verwachte huishoudensgroei en het terugdringen van een bestaand tekort aan sociale huurwoningen. Voor een deel wordt deze behoefte al ingevuld met reeds bestaande harde plannen. De feitelijke restopgave voor de periode tot en met 2025 ligt daarom op 637 woningen. 4.3.3.3
Kwalitatieve vraagontwikkeling
In afbeelding 4.2 is een overzicht te zien van de verwachte vraag en het verwachte aanbod van diverse woningtypen in Soest. Uit het overzicht blijkt dat de kwalitatieve woningbehoefte in Soest zich in de komende jaren vooral richt op: 1. Huurappartementen; een vraag die afkomstig is van senioren die willen verhuizen naar een levensloopgeschikte woning 2. Betaalbare koopwoningen voor starters, jonge doorstromers en (in beperkte mate) senioren die een koopappartement zoeken.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
31
Bestemmingsplan “Dalweg e.o.” Ontwerp
Afbeelding 4.2:
Woningbehoefteonderzoek Gemeente Soest (Bron: gemeente Soest)
Op basis van de woningbehoefte zoals beschreven in het Masterplan Wonen in Soest is een zogenaamd no regret-woningbouwscenario opgesteld (zie tabel 4.1), bestaande uit een woningbouwprogramma dat het meest tegemoet komt aan de kwantitatieve en kwalitatieve ambities voor de kern Soest en voldoende realistisch is gezien de korte termijn. De sterke nadruk op appartementen (zowel huur als koop) is mede ingegeven door de grote kwantitatieve opgave in combinatie met de beperkte fysieke ruimte. De Ladder voor Duurzame verstedelijking maakt dat woningbouw in de eerste plaats op inbreidingslocaties moet plaatsvinden, om daarmee het groene buitengebied te sparen en zorgvuldig ruimtegebruik na te streven. In Soest zijn de beschikbare inbreidingslocaties echter beperkt. Zeker omdat de wens is om voldoende groene en/of karakteristieke open plekken te behouden. Teveel verdichting gaat namelijk ten koste van het aantrekkelijke woonmilieu. De consequentie is dat het woningbouwprogramma zich moet inzetten op efficiënt ruimtegebruik.
Tabel 4.1: Restopgave woningbouw (2020-2025) op basis van behoefte minus harde plannen (Bron: gemeente Soest)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
32
Bestemmingsplan “Dalweg e.o.” Ontwerp 4.3.3.4
Doelgroepenverordening
Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) biedt gemeenten de mogelijkheid om per deelgebied in omgevingsplannen middels een Doelgroepenverordening te eisen dat een bepaald percentage van categorieën woningen wordt gerealiseerd in nieuwbouwplannen. Dat geldt voor sociale huur, particuliere huur, sociale koop (tot €250.000) en particulier opdrachtgeverschap. In de Doelgroepenverordening geeft de gemeente aan welke (inkomens)groepen in aanmerking komen voor de betreffende goedkope (huur/koop) woningen en hoe lang deze woningen beschikbaar dienen te blijven voor deze doelgroep (de instandhoudingstermijn). Deze instandhoudingstermijn functioneert daardoor als een antispeculatiebeding. Het voorkomt dat huurwoningen binnen afzienbare tijd naar opleving worden uitgepond en dat betaalbare koopwoningen door snelle doorverkoop in prijs zullen stijgen (en daardoor niet langer tot het betaalbare segment behoren). Uitgangspunt is dat per nieuwbouwplan 50% van de te realiseren woningen tot het goedkope huur- en koopsegment behoren. 4.3.3.5
Toetsing
Met voorliggend plan wordt een bijdrage geleverd aan het realiseren van de kwantitatieve woningbouwopgave voor de kern Soest. Het plan sluit daarmee naadloos aan op de kwantitatieve en kwalitatieve opgave welke voort komt uit het Masterplan Wonen Soest. De verdeling wordt als volgt: 25% sociale huur, 25% sociale koop en 50% markt (streven naar 25% middelduur 25% duur). 4.3.4
Gemeentelijk verkeer- en vervoersplan (2008)
4.3.4.1
Algemeen
In 2008 heeft de gemeente het Gemeentelijke verkeer- en vervoersplan vastgesteld. Verkeer- en vervoerstromen zijn de laatste decennia sterk aan verandering onderhevig. Ruimtelijke en economische ontwikkelingen en de hiermee samenhangende, groeiende vraag naar mobiliteit zijn daarvan de oorzaken. Alle verkeer- en vervoerstromen moeten in goede banen worden geleid. Er moet tijdig ingespeeld kunnen worden op ontwikkelingen en de overlast van verkeer moet zoveel mogelijk worden ingeperkt. De bereikbaarheid van de gemeente Soest is van groot belang voor de ruimtelijke en economische ambities. Om de bereikbaarheid ook in de toekomst te kunnen waarborgen wordt ingezet op de regionale pakketstudies. In regionaal verband wordt bekeken hoe de doorstroming op het hoofdwegennet (de rijkswegen) en het onderliggende wegennet kan worden verbeterd. Binnen de gemeente zal de verkeersveiligheid en de doorstroming verbeterd worden door functionele weginrichting. De inrichting van de weg dient aan te sluiten bij de functie van de weg. De belangrijkste knelpunten op het gebied van de verkeersveiligheid zullen de komende jaren worden aangepakt. In het uitvoeringsprogramma wordt een aantal projecten aangewezen die in de komende jaren uitgevoerd gaan worden. Het gaat hier om het herinrichten van parkeerterreinen en de reconstructie van diverse kruispunten in Soest Zuid. 4.3.4.2
Toetsing
Onderhavig plangebied wordt niet specifiek genoemd in het Gemeentelijke verkeer- en vervoersplan. Een nadere toetsing kan daarom achterwege blijven. Wel wordt opgemerkt dat in het plan rekening wordt gehouden met de verkeersaspecten in en rondom het plangebied (met name de relatie tot De Dalweg). Zie hiervoor ook paragraaf 3.3.3 en het verkeersonderzoek bijlage 2 bij deze toelichting. De effecten van de voorgenomen ontwikkeling op de verkeerssituatie is doorgerekend in dit onderzoek. In de uitwerkingsvoorwaarden van de uit te werken woonbestemming is opgenomen dat de verkeersveiligheid van de ontsluiting van het plangebied alsmede het bestaande omliggende wegennet moet worden gewaarborgd. 4.3.5
Bomenstructuurkaart Soest
De Bomenstructuurkaart maakt onderdeel uit van de nota ‘Bescherming en kap van bomen’ (2012). Op de Bomenkaart is te zien dat binnen het plangebied monumentale/waardevolle bomen aanwezig zijn. In afbeelding 4.3 is een uitsnede van de gemeentelijke bomenkaart opgenomen. Het plangebied is hierop aangeduid met de rode omlijning. De monumentale/waardevolle bomen vallen binnen het beleid ‘bescherming en kap van bomen’. Voor de overige bomen geldt dat sprake
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
33
Bestemmingsplan “Dalweg e.o.” Ontwerp kan zijn van waardevolle bomen die in de toekomst kunnen uitgroeien tot monumentale bomen. Uitgangspunt is dat zo veel mogelijk bomen duurzaam worden ingepast.
Afbeelding 4.3: Uitsnede bomenstructuurkaart Soest (Bron: gemeente Soest)
4.3.5.2
Toetsing
In dit bestemmingsplan worden de bestaande functieaanduidingen ‘houtwal’ overgenomen om de groenstructuren in de vorm van houtwallen in het plangebied te waarborgen. De groenstructuur – met inbegrip van monumentale bomen - is als randvoorwaarde al vroeg in de planvorming betrokken. Met de ontwikkeling wordt beoogd een zo groot mogelijk aaneengesloten groengebied te maken. Daarbij moeten de houtwallen en waardevolle delen van het bosplantsoen worden ingepast. Laanstructuren, met name langs de Beukenaan en houtwallen, worden aangeheeld. Solitaire bomen en monumentale bomen met voldoende toekomstwaarde moeten worden ingepast. Wanneer dit niet mogelijk is moeten de gekapte bomen binnen het gebied worden gecompenseerd. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar het uitwerkingsdocument in bijlage 1 bij deze toelichting. In de uitwerkingsvoorwaarden binnen de uit te werken woonbestemming is bovendien opgenomen dat geen onevenredige afbreuk mag worden gedaan aan de landschappelijke waarden. Het plan is hiermee in overeenstemming met de bomenstructuurkaart van Soest.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
34
Bestemmingsplan “Dalweg e.o.” Ontwerp
HOOFDSTUK 5 MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN 5.1
Inleiding
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieu- en omgevingsaspecten bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuen omgevingsaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de thema’s bodem, milieuzonering, geluid, luchtkwaliteit, externe veiligheid, water, ecologie, archeologie & cultuurhistorie. Verder wordt aandacht besteed aan de aspecten ‘kabels en leidingen’ en ‘duurzaamheid’.
5.2
Milieuaspecten
5.2.1
Bodem
5.2.1.1
Besluit ruimtelijke ordening
Volgens het Besluit ruimtelijke ordening zullen burgemeester en wethouders in verband met de uitvoerbaarheid van het plan onder meer een onderzoek verrichten naar de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de betreffende functiewijziging. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone gronden te worden gerealiseerd. 5.2.1.2
Wet bodembescherming
De Wet bodembescherming bevat de voorwaarden, die kunnen en worden verbonden aan het verrichten van handelingen in of op de bodem. Primair komt bescherming en sanering in de wet aan bod. De wet heeft betrekking op zowel landbodems als waterbodems. De Wet bodembescherming geeft aan wanneer er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging en of er dan ook gesaneerd moet worden. De hoeveelheid grond dan wel grondwater (beide in m³) en de mate van vervuiling, gemiddeld boven de interventiewaarde, zijn de criteria voor een geval van ernstige bodemverontreiniging. De interventiewaarde is de waarde, waarboven er risico’s zijn voor mens, flora en fauna. De urgentie, de noodzaak om te saneren, hangt hiervan af maar ook van de mate van verspreiding van de bodemverontreiniging. Voor gevallen van ernstige bodemverontreiniging is er bij niet gewijzigd grondgebruik soms geen noodzaak tot saneren. Voorbeelden zijn voormalige stortplaatsen en kleine verontreinigingen in het diepere grondwater. De gevallen van ernstige bodemverontreinigingen zijn, ook voor de gemeente Soest, door de Provincie Utrecht in beeld gebracht. In enkele gevallen is in een beschikking Wet bodembescherming aangegeven wat er met het geval van ernstige bodemverontreiniging zou moeten gebeuren. 5.2.1.3
Situatie in het plangebied
Dit bestemmingsplan maakt direct een uitbreiding van het bestaande gemeentehuis mogelijk. Op basis van de Nota bodembeheer (vastgesteld op 22 december 2021) van de gemeente Soest zijn de gronden op de bodemfunctieklassenkaart aangeduid voor wonen. Ten aanzien van de woningbouwontwikkeling wordt een uit te werken woonbestemming opgenomen. Voor dit bestemmingsplan is dan ook geen verkennend bodemonderzoek vereist. In de uitwerkingsvoorwaarden wordt opgenomen dat sprake moet zijn van een goede ruimtelijke ordening voor wat betreft het aspect bodem. Ten tijde van het uitwerken van de woonbestemming
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
35
Bestemmingsplan “Dalweg e.o.” Ontwerp en de omgevingsvergunningen voor het bouwen worden de noodzakelijke bodemonderzoeken uitgevoerd (NEN 5725, NEN 5740 en/of NEN5707). Hiermee wordt te zijner tijd onderbouwd dat de aanwezige bodemkwaliteit overeenkomt met het beoogde gebruik/bestemming en worden de eventuele risico’s als gevolg van bodemverontreiniging in relatie tot de gewenste ontwikkeling in beeld gebracht. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de bodemfunctieklassenkaart opgenomen.
Afbeelding 5.1: Uitsnede functieklassenkaart (Bron: Gemeente Soest)
5.2.1.4
Conclusie
Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. 5.2.2
Milieuzonering
5.2.2.1
Algemeen
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • •
het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.
Als uitgangspunt voor het bepalen van de aan te houden afstanden gebruikt de gemeente Soest de VNG-uitgave "Bedrijven en Milieuzonering" uit 2009. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke (indicatieve) richtafstand. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming, die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
36
Bestemmingsplan “Dalweg e.o.” Ontwerp situering van de gevel van een milieugevoelige functie, die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. De richtafstanden zijn uitsluitend van toepassing voor nieuwe situaties (nieuwe ontwikkelingen) en niet voor bestaande situaties, waarbij het zo kan zijn, dat gevestigde milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies op een kleinere afstand van elkaar gesitueerd zijn. Naast de geadviseerde milieuzonering voor bedrijven op basis van de VNG brochure "Bedrijven en milieuzonering" kunnen er ook nog afstandscriteria uit specifieke milieuwetgeving gelden. Denk hierbij aan de Wet milieubeheer, de agrarische geurwetgeving (Wgv) of de veiligheidsregelgeving (Bevi/Revi). Deze wetgeving geldt uiteindelijk als toetsingskader voor de toegestane milieueffecten. Ook deze afstandscriteria worden meegenomen bij de beoordeling van de gewenste ontwikkelingen. 5.2.3.2
Gebiedstypen
Rustige woonwijk Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. Om een goede milieu-zonering op te stellen is een analyse en beschrijving van de omgeving nodig. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden standaard ten opzichte van het omgevingstype rustige woonwijk. Een rustige woonwijk is ingericht volgens het principe van de functiescheiding: afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor. Langs de randen is weinig verstoring door verkeer. Vergelijkbaar met de rustige woonwijk zijn rustig buitengebied, stiltegebied en natuurgebied. Daarvoor gelden dan ook dezelfde richtafstanden. Gemengd gebied Naast het omgevingstype rustige woonwijk kent de VNG-uitgave ook het omgevingstype gemengd gebied. Wanneer sprake is van omgevingstype gemengd gebied kunnen de richtafstanden tussen milieubelastende en milieugevoelige functies met één afstandsstap verlaagd worden, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. Het aspect geluid is veelal het maatgevende aspect. Een gemengd gebied is een gebied met een variatie aan functies. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren ook tot het omgevingstype gemengd gebied.
Gezien de aanwezige functiemenging of de ligging nabij drukke wegen kent het gemengd gebied al een hogere milieubelasting. Dat rechtvaardigt het verlagen van de richtafstanden met één stap. De richtafstand van 30 meter voor een bedrijf in milieucategorie 2 kan dan bijvoorbeeld worden verkleind tot 10 meter en de richtafstand van 100 meter voor een bedrijf in milieucategorie 3.2 kan verlaagd worden tot 50 meter. In onderstaande tabel 5.1 zijn de richtafstanden per milieucategorie bij de omgevingstypen rustige woonwijk en gemengd gebied weergegeven. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 250 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 250 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
Tabel 5.1: Richtafstanden
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
37
Bestemmingsplan “Dalweg e.o.” Ontwerp 5.2.3.3
Situatie plangebied
Algemeen De omgeving waarin het plangebied zich bevindt kan geclassificeerd worden als een gemengd gebied. Naast woningen komen maatschappelijke en bedrijfsmatige functies op relatief korte afstand van elkaar voor. Ten zuiden van de Dalweg liggen maatschappelijke (zorg)functies. Verder ligt aan de zuidzijde van de Dalweg een sportbestemming waar onder meer een zwembad is gevestigd. Ten zuidwesten van het plangebied is eveneens bedrijvigheid gevestigd. Daar komt bij dat de maatschappelijke voorziening in het plangebied mede een ontmoetingsplek wordt voor de Soester samenleving waar verschillende functies samenkomen. Tenslotte wordt opgemerkt dat met de herontwikkeling van het Dalweggebied wordt beoogd om de samenhang tussen het noorden en zuiden van het gebied te versterken. Hierdoor zijn de bovengenoemde richtafstanden voor een gemengd gebied van toepassing. Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd dient bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).
Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. De functie ‘wonen’ is niet milieubelastend voor de omgeving. Wat betreft de transformatie van het gemeentehuis naar het nieuwe gebouw wordt opgemerkt dat het uitsluitend gaat om het toestaan van functies die op basis van VNG-uitgave worden aangemerkt als maximaal milieucategorie 2. Voor dergelijke functies geldt een richtafstand van 10 meter voor het gemengd gebied en 30 meter voor een rustige woonwijk. Ten aanzien van bestaande woonpercelen rondom het plangebied wordt ten alle tijden aan deze richtafstand voldaan. Bovendien worden met dit bestemmingsplan bestaande maatschappelijke- en sportbestemmingen (met de bijbehorende milieuhinder), permanent wegbestemd. Er is geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. Verder wordt de bestaande brandweerpost verplaatst naar een andere locatie in het plangebied. De exacte locatie is nog niet bekend. Het gaat om een brandweerpost zonder kazerne. Uitsluitend een brandweerpost wordt niet genoemd in de VNG-uitgave. Wel kent de VNG-uitgave de functie ‘brandweerkazerne’.
Voor deze functie geldt milieucategorie 3.1 met een grootste richtafstand van 50 meter voor het aspect geluid in een rustige woonwijk en 30 meter in het gemengd gebied. In dit geval is het in theorie mogelijk dat de brandweerpost binnen 30 meter van woningen is beoogd. Dit wordt acceptabel geacht, aangezien de bestaande afspraak met de brandweer dat de sirenes pas worden aangezet op de Dalweg wordt gehandhaafd. Er is geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. In dit geval wordt de uit te werken woonbestemming binnen het plangebied tegen de maatschappelijke bestemming aangelegd. In de uitwerkingsbevoegdheid zijn voorwaarden opgenomen die het woon- en leefklimaat ter plaatse van de te realiseren woningen in het plangebied moet worden gewaarborgd. Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. In de volgende tabel 5.2 worden de bestemmingen in de nabijheid van het plangebied weergegeven waarbinnen op basis van het geldende planologische regime milieubelastende functies zijn toegestaan.
Tevens is aangegeven welke milieucategorie maximaal binnen deze bestemming is toegestaan, welke richtafstand aangehouden moet worden tussen het de grens van het plangebied en het bestemmingsvlak van de betreffende milieubelastende functies en wat de daadwerkelijke afstand hiertussen bedraagt.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
38
Bestemmingsplan “Dalweg e.o.” Ontwerp Adres
Bestemming
Max. toegestane milieucategorie
Beukenlaan 68 Dalweg 183 Dalweg 61 Beukenlaan 80 – Dalweg 199 Dalweg 44 Dalweg 181
Dienstverlening Cultuur en ontspanning Maatschappelijk Bedrijf Maatschappelijk Sport (met een o.a. een zwembad) Maatschappelijk
Albert Cuyplaan 98A Beukenlaan 27
Bedrijf (verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg) Tabel 5.2: Nabijgelegen bedrijvigheid
Daadwerkelijke afstand (circa)
2 2 2 2
Richtafstand gemengd gebied 10 m 10 m 10 m 10 m
2 3.1
10 m 30 m
70 m 80 m
2
10 m
95 m
2
10 m
125 m
23 m 30 m 50 m 50 m
Uit de tabel blijkt dat in alle gevallen aan de richtafstanden voor het gemengd gebied wordt voldaan. Ter plaatse van het plangebied is daarmee sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Ten aanzien van de effecten van de maatschappelijke bestemming binnen het plangebied is reeds ingegaan onder het aspect ‘externe werking’. 5.2.3.4
Conclusie
Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling. 5.2.4
Geluid
5.2.4.1
Algemeen
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. 5.2.4.2
Situatie plangebied
In het plangebied is sprake van het toevoegen van uit te werken woonbestemmingen. Binnen deze woonbestemmingen worden geluidsgevoelige objecten toegestaan, namelijk de woningen. Railverkeerslawaai Het plangebied is niet gelegen in de zone van een spoorlijn. Het aspect railverkeerslawaai vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling. Industrielawaai Het plangebied is niet gelegen in een zone van een gezoneerd bedrijventerreinen. Het aspect industrielawaai als bedoeld in de Wgh vormt daarom geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling. Wat betreft de invloed van individuele bedrijvigheid op het plangebied wordt verwezen naar paragraaf 5.2.3. Wegverkeerslawaai In artikel 74 van de Wgh is aangegeven dat wegen aan weerszijden van de weg een wettelijke geluidszone hebben. De hiervoor genoemde zones gelden niet voor:
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
39
Bestemmingsplan “Dalweg e.o.” Ontwerp • •
wegen die zijn aangeduid als woonerf (artikel 74.2); wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt (artikel 74.2).
Het plangebied is gelegen binnen de wettelijk vastgestelde geluidszone c.q. de invloedsfeer van de Dalweg en de Beukenlaan. De woningen en appartementen zijn niet gelegen binnen de wettelijke zone van andere wegen. De Albert Cuypstraat, de Verlengde Talmalaan, de Soesterengweg en Heetakker zijn 30 kilometer per uur wegen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het wenselijk om de geluidbelasting als gevolg van deze wegen mee te nemen in de verkenning. In dit geval wordt voorzien in uit te werken woonbestemmingen. De exacte positionering van de woningen in het plangebied zijn in dit geval dan ook niet bekend. In het kader van de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan voor wat betreft het aspect wegverkeerslawaai is door WSP een verkenning uitgevoerd naar de geluidsbelasting in het plangebied als gevolg van het wegverkeerslawaai. Hierna zijn de resultaten van het onderzoek opgenomen. Voor de volledige verkenning wordt verwezen naar bijlage 3 bij de toelichting. Onderzoeksresultaten De geluidbelastingen als gevolg van wegverkeer ter plaatse van het plangebied zijn bepaald in de vorm van contouren. Het uitgangspunt is dat per 1 januari 2023 de Omgevingswet in werking treedt. Met deze verkenning wordt daarom een vooruitblik geschetst over hoe om te gaan met geluidbelastingen vanwege wegverkeerslawaai volgens het stelsel van de Omgevingswet.
De Omgevingswet gaat uit van cumulatie per geluidbronsoort waardoor één contour per rekenhoogte is bepaald. Vanuit de Omgevingswet gelden de grenswaarden zoals opgenomen in onderstaande tabel 5.3. De grenswaarden gelden daarbij voor de cumulatie binnen één geluidbronsoort:
Tabel 5.3: Richtwaarden Omgevingswet
Uit de verkenning kan het volgende geconcludeerd worden: • •
de grenswaarde van 70 dB wordt nergens overschreden; binnen een relatief groot gedeelte van het plangebied wordt de standaardwaarde van 53 dB overschreden. Opgemerkt wordt dat in het rekenmodel rekening is gehouden met de afschermende werking van bestaande bebouwing, maar nieuwe (eerstelijns)bebouwing binnen het plangebied zal ook leiden tot afscherming van het achtergelegen gebied.
Voor een nadere toelichting op de verkenning wordt verwezen naar bijlage 3 bij deze toelichting. Tot slot wordt opgemerkt dat de snelheid van Dalweg niet wordt verlaagd. Het verlagen van de rijsnelheid (op o.a. de Dalweg) is een mogelijke maatregel om de geluidbelasting omlaag te brengen. Maar vanwege de verkeersfunctie van de Dalweg is het niet mogelijk om de rijsnelheid te verlagen. Zie hiervoor ook paragraaf 3.3 ‘verkeer en parkeren’. 5.2.4.3
Conclusie
De situatie voor wat betreft het aspect wegverkeerslawaai is in beeld gebracht. In de voorwaarden van de uitwerkingsbevoegdheid binnen de uit te werken woonbestemmingen wordt opgenomen dat de woningen moeten voldoen aan het actuele wettelijke kader inzake geluidhinder. Dit bestemmingsplan is daarmee uitvoerbaar voor wat betreft het aspect ‘geluid’.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
40
Bestemmingsplan “Dalweg e.o.” Ontwerp 5.2.5
Luchtkwaliteit
5.2.5.1
Algemeen
Sinds 15 november 2007 staan de hoofdlijnen voor regelgeving voor luchtkwaliteitseisen beschreven in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (Wm). Hiermee is het Besluit luchtkwaliteit 2005 komen te vervallen. Het verkeer langs drukke wegen bewerkstelligt overschrijdingen van grenswaarden (concentraties) voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2). Aspecten van de nieuwe regelgeving op grond van de Wm worden in afzonderlijke uitvoeringsregelingen uitgewerkt. De belangrijkste zijn: • Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen), verder te noemen Besluit NIBM; • Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen), verder te noemen Regeling NIBM; • Besluit gevoelige bestemmingen. Het Besluit NIBM legt vast wanneer een project met ruimtelijke gevolgen niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. Hiervan is sprake als aannemelijk is, dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Deze grenswaarde is gesteld op 40 µg/m3. Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. De 3 %-grens is van toepassing sinds 1 augustus 2009 toen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Lucht in werking trad.
In de Regeling NIBM is onder andere voor kantoren en woningen aangegeven bij welke eenheden/aantallen de 3%-grens wordt overschreden en er luchtkwaliteit berekeningen dan wel luchtkwaliteitonderzoek nodig is. Voor woningen is in de Regeling NIBM is het maximale aantal van 1.500 nieuwe woningen (bij één ontsluitingsweg) gesteld uitgaande van de 3%-grens. In het geval dat er twee ontsluitingswegen zijn, is er tot 3.000 woningen sprake van NIBM. Als de 3%-grens niet wordt overschreden dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden en hoeft er geen onderzoek (berekeningen) te worden uitgevoerd. Het besluit gevoelige bestemmingen is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof en stikstofdioxide, met name kinderen, ouderen en zieken. Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, in beide gevallen gemeten vanaf de rand van de weg. Waar in zo’n onderzoekszone de grenswaarden voor fijn stof of stikstofdioxide (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen, dat hoort bij een ‘gevoelige bestemming’ niet toenemen. Dit wordt bereikt door de vestiging van bijvoorbeeld een school niet toe te staan.
Bij uitbreidingen van bestaande gevoelige bestemmingen is een eenmalige toename van maximaal 10% van het totale aantal blootgestelden toegestaan. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming: scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het besluit ziet zowel op nieuwbouw als uitbreiding van gevoelige bestemmingen alsmede op de functiewijziging van bestaande gebouwen naar een gevoelige bestemming. Is (dreigende) normoverschrijding niet aan de orde, dan is er ook geen bouwverbod voor gevoelige bestemmingen binnen de onderzoekszone. 5.2.5.2
Situatie in het plangebied
In dit geval is sprake van twee ontsluitingswegen. Gelet op de aard en omvang van dit project, in verhouding tot het hierboven beschreven aantal van 3.000 nieuwe woningen wordt gesteld dat voorliggend project ‘niet in betekende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Tevens wordt opgemerkt dat de functie wonen niet aangemerkt is als gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen. Op basis van de “grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland”, welke zijn gepubliceerd door het Rijksinstituut Volksgezondheid en Milieu, zijn op een schaal van km2 de gemiddelde achtergrondconcentraties van diverse luchtverontreinigende stoffen aangegeven. Voor het plangebied geldt een achtergrond concentratie stikstofdioxide (NO2) van 9,87 µg/m3 voor het meetjaar 2030. Dit is ruim onder de grenswaarde van 40 µg/m3 voor NO2 op basis van de Wet milieubeheer. De achtergrondconcentratie fijnstof (PM10) voor het plangebied is voor het meetjaar
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
41
Bestemmingsplan “Dalweg e.o.” Ontwerp 2030 15,29 µg/m3. Dit is tevens ruim onder de grenswaarde van 40 µg/m3 op basis van de Wet milieubeheer bijlage 2, voorschrift 4.1. Tenslotte is de achtergrondconcentratie fijnstof (PM2,5) voor het plangebied in het meetjaar 2030 8,63 µg/m3. Dit bevindt zich onder de WHO-advieswaarde. 5.2.5.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. 5.2.6
Externe veiligheid
5.2.6.1
Algemeen
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); • de Regeling externe veiligheid (Revi); • het Registratiebesluit externe veiligheid; • het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); • het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); • de Regeling basisnet; • de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).
De regelgeving omtrent het vervoer van gevaarlijke stoffen via buisleiding is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is het tot een minimum beperken van risico’s waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten. Het is bij nieuwe ontwikkelingen noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. 5.2.6.2
Situatie plangebied
Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied (blauwe omlijning) en omgeving indicatief weergegeven.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
42
Bestemmingsplan “Dalweg e.o.” Ontwerp
Afbeelding 5.1:
Uitsnede risicokaart (Bron: atlasleefomgeving.nl)
Uit de risicokaart blijkt dat in de nabijheid van het plangebied relevante risicobronnen aanwezig zijn. Deze zijn hieronder kort samengevat. Inrichtingen Ten zuidwesten bevindt zich op circa 30 meter afstand aan de Dalweg 181 ‘Sportboulevard De Engh’. Hier wordt chloorbleekloog opgeslagen. De aanwezigheid van chloorbleekloog is wel een criterium voor de risicokaart, maar opslag kent geen veiligheidsafstanden. Het plangebied ligt niet binnen de risicocontouren (PR/GR) van deze inrichting. Ten westen van het plangebied bevinden zich enkele inrichtingen. Het gaat om het volgende: Kemetyl Nederland B.V. Ter plaatse van deze inrichting aan de Industrieweg 30 vindt de opslag van gevaarlijke stoffen plaats. De grootste risicoafstand voor de stoffen binnen deze inrichting is 50 meter. Er geldt een invloedsgebied van 300 meter. De afstand tot het plangebied bedraagt circa 750 meter. Een nadere verantwoording is niet noodzakelijk. Keune haircosmetics B.V. Voor Keune haircosmetics B.V aan de Koningsweg 15 is op 31 oktober 2008 een revisievergunning inzake de Wet milieubeheer verleend. Binnen de inrichting bevinden zich meerdere ruimten voor de opslag van meer dan 10 ton aan gevaarlijke stoffen. Vanwege de opslag van meer dan 10 ton aan gevaarlijke stoffen valt de inrichting onder de werkingssfeer van het Bevi.
De afstand tot de grens van het invloedsgebied waarvoor een verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk bedraagt 300 meter. Het plangebied ligt op circa 1,2 kilometer afstand van deze inrichting en valt daarmee buiten groepsrisico-aandachtsgebied. Een nadere verantwoording is niet noodzakelijk. Tankstation BP Vanwege de verkoop van LPG aan de Koningsweg 17 valt het BP tankstation onder de werkingssfeer van het Bevi. Voor het tankstation is op 12 november 2009 een revisievergunning verleend. De afstand tot de grens van het invloedsgebied waarvoor een verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk bedraagt 150 meter. Het plangebied ligt op circa 1,3 kilometer afstand van deze inrichting en valt daarmee buiten groepsrisico-aandachtsgebied. Een nadere verantwoording is niet noodzakelijk.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
43
Bestemmingsplan “Dalweg e.o.” Ontwerp Transport over het spoor Het plangebied is niet gelegen binnen een plaatsgebonden PR10-6-risicocontour of plasbrandaandachtsgebied van een spoorlijn. Op circa 1.350 meter van het plangebied bevindt zich de spoorlijn Zutphen – Amersfoort. In artikel 8 van het Bevt staat dat wanneer een bestemmingsplan of omgevingsvergunning betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk is gelegen binnen een afstand van 200 meter van transportroute, het groepsrisico dient te worden verantwoord. Indien het plangebied is gelegen op een grotere afstand dan 200 meter, maar wel binnen het invloedsgebied van de transportroute, kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de spoorlijn. Er is sprake van vervoer van stoffen (D4) waarvoor een invloedgebied van >4 kilometer geldt. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt hierna een beperkte verantwoording van het groepsrisico gegeven. Verantwoording groepsrisico De volgende locatie-specifieke aspecten zijn daarbij van belang: opkomsttijd, dekking waarschuwingsinstallatie en nabijheid bluswatervoorzieningen. Deze worden hierna onderbouwd. •
•
•
Opkomsttijd: De brandweer dient binnen zes minuten ter plaatse te zijn. In voorliggend geval kan de brandweer in theorie binnen drie minuten ter plaatse zijn. De dichtstbijzijnde brandweerpost bevindt zich namelijk aan de Lange Brinkweg 71 in Soest, op een afstand van 1,1 km tot het plangebied; Dekking waarschuwingsinstallatie: In geval van calamiteiten worden de aanwezige personen in bedreigd gebied gewaarschuwd middels NL-Alert. Dit is bijvoorbeeld het geval als er gevaarlijke stoffen vrijkomen bij een brand of ongeval. In het bericht wordt tevens het handelingsperspectief vermeld, zodat de personen die in het bedreigde gebied bevinden weten hoe te handelen Nabijheid bluswatervoorziening: Er zijn in en rondom het plangebied voldoende mogelijkheden voor bluswatervoorzieningen aanwezig.
Eveneens dient in voorliggend geval aan de ontwikkelingsspecifieke aspecten te worden getoetst. Dit betreffen de volgende aspecten: bereikbaarheid van hulpdiensten ter plaatse, vluchtmogelijkheden en (zelf)redzaamheid van de aanwezige personen. Hierna worden de voorgenoemde aspecten nader onderbouwd: •
• •
5.2.6.3
Bereikbaarheid: is dat een gebied/object via minimaal twee ontsluitingswegen toegankelijk is. Daarnaast dient er in de directe omgeving voldoende ruimte te zijn om materiaal op te stellen. Het plangebied is in de huidige situatie vanwege haar ligging via meerdere zijden goed bereikbaar en is via minimaal twee ontsluitingswegen toegankelijk. Daarnaast is er in de directe omgeving voldoende ruimte beschikbaar voor het opstellen van het materieel van hulpdiensten; Ontvluchten van het gebied: Het plangebied is via de Dalweg goed te ontvluchten in de richting van de risicobron af. Zelfredzaamheid; (Zelf)redzaamheid houdt in dat personen zichzelf en eventueel anderen, binnen een bepaald tijdsbestek, kunnen veiligstellen (bijv. schuilen of vluchten) bij dreigend gevaar. Hierbij wordt van de persoon zelf uitgegaan zonder de hulp van hulpverleningsdiensten. De woningen zijn bedoeld voor reguliere bewoning. Daarnaast zijn de maatschappelijke voorzieningen beoogd voor regulier gebruik. Verwacht wordt dat de in het plangebied aanwezige personen zelfredzaam zijn. Het plangebied is daarnaast relatief eenvoudig te ontvluchten. Conclusie
Een en ander brengt met zich mee dat het initiatief in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid. De afstand tot het doorgaande spoor is dermate groot dat aanvullende eisen niet noodzakelijk zijn.
5.3
Water
5.3.1
Algemeen
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
44
Bestemmingsplan “Dalweg e.o.” Ontwerp Het Rijk, de VNG, het IPO en de Unie van Waterschappen hebben in februari 2001 de startovereenkomst Waterbeheer 21ste eeuw ondertekend. Deze startovereenkomst is in 2003 omgezet in het Nationaal Bestuursakkoord Water dat in juni 2008 is geactualiseerd. Hiermee hebben deze partijen elkaar gecommitteerd om een watertoets toe te passen bij het opstellen van ruimtelijke plannen. In het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en Besluit ruimtelijke ordening dient het watertoetsproces doorlopen te worden: dat waterbeheerders dienen te worden geraadpleegd bij het opstellen van bestemmingsplannen. De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer en waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. De inzet daarbij is om in elk afzonderlijk plan met maatwerk het reeds bestaande waterhuishoudkundige en ruimtelijke beleid goed toe te passen en uit te voeren. Het gaat daarbij vooral om aandacht voor de waterkwantiteit (ruimte voor water, berging, infiltratie, aan- en afvoer), aandacht voor effecten op de waterkwaliteit en aandacht voor de veiligheid (overstroming).