CConstaterende datSoest
Koppel je AI →
Document · PDF

4. Bijlage 3. Bestemmingsplan Dalweg_Toelichting NL.IMRO.0342.BPSOE0076-0201

Besluitvormende Raadsvergadering 9 februari 2023, gemeente SoestBij agendapunt: Bestemmingsplan Dalweg e.o.24.419 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Het watertoetsproces voor dit bestemmingsplan wordt in gang gezet middels het indienen van het voorontwerp bestemmingsplan. Waterschap Vallei en Veluwe wordt via deze weg van de ruimtelijke ontwikkeling op de hoogte gebracht van de plannen. 5.3.1

Beleid

5.3.1.1

Europees- en rijksbeleid

Op Rijksniveau en Europees niveau zijn veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De meest relevant voor dit gebied zijn Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Het Rijksbeleid is in diverse nota's vastgelegd. Het gaat daarbij om het aanpakken van de gevolgen van de zeespiegelstijging, bodemdaling en een veranderend klimaat. Belangrijk onderdeel is om de drietrapsstrategie: vasthouden, bergen, afvoeren' in alle overheidsplannen als verplicht afwegingsprincipe te hanteren. Tevens is vastgelegd, dat de watertoets een verplicht te doorlopen proces is in waterrelevante ruimtelijke planprocedures. Hierdoor wordt een vroegtijdige betrokkenheid van de waterbeheerder in de planvorming gewaarborgd. 5.3.1.2

Europese Kaderrichtlijn Water

De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015, met eventueel uitstel tot 2027. De doelstellingen worden uitgewerkt in (deel)stroomgebiedsbeheerplannen. In deze plannen staan de ambities en maatregelen beschreven; ook de ecologische ambities worden op dit niveau geregeld. 5.3.1.3

Waterbeleid in de 21e eeuw

Mede in verband met de verwachte gevolgen van de klimaatverandering is de Commissie Waterbeheer 21e eeuw verzocht een advies uit te brengen over de waterhuishoudkundige inrichting van Nederland. Na een uitvoerige analyse en het formuleren van uitgangspunten voor een nieuw beleid is de Commissie met aanbevelingen voor een andere aanpak van het waterbeleid gekomen (augustus 2000). In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: • Vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

45

Bestemmingsplan “Dalweg e.o.” Ontwerp •

5.3.1.4

Schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan het bod. Waterwet

Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. 5.3.1.5

Nationaal Waterplan

Op basis van de Waterwet wordt elke zes jaar een Nationaal Waterplan vastgesteld. Het Nationaal Waterplan is het rijksplan voor het waterbeleid in Nederland. Op 22 december 2015 is het Nationaal Waterplan 2016-2021 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. 5.3.1.6

Provinciaal beleid Utrecht

Op grond van de verplichting in de Waterwet om een regionaal waterplan op te stellen heeft de Provincie Utrecht het Bodem-, Water- en Milieuplan (BWM-plan) opgesteld. De provincie Utrecht ziet zich bij het waterbeleid geconfronteerd met een sterk toenemende dynamiek. De provincie ziet in dit verband de volgende drie belangrijke opgaven in het waterbeleid voor de lange en de korte termijn. •

•

•

Een maatschappelijk acceptabel overstromingsrisico: Hoogwater zal vaker voorkomen en de rivierafvoer wordt op termijn bemoeilijkt door een stijgende zeespiegel. Bodemdaling is een voortgaand proces in het westelijk deel van de provincie en in het Eemland; Omgaan met wateroverlast èn waterschaarste: Meer neerslag zal vallen in hevigere buien. Afvoer- en bergingsmogelijkheden in het stedelijke en landelijk gebied worden zwaarder belast. Tegelijkertijd vergroten warmere en drogere perioden de vraag naar drink-, irrigatie- en koelwater. Natuurgebieden mogen niet verdrogen en moeten soortmigratie als gevolg van klimaatverandering kunnen faciliteren; Een sterkere bijdrage van water aan het leefklimaat: De behoefte aan vaar- en recreatiewater neemt toe. Water is de drager van veel van de Utrechtse landschappen. Daarom moet water zichtbaarder gemaakt worden.

De provincie Utrecht ziet de ontwikkeling naar duurzame, robuuste systemen als een belangrijke maatschappelijke investering. Een geïntegreerde benadering van de watersystemen is daarvoor essentieel. Daarbij wordt gestreefd naar voldoende water van de gewenste kwaliteit, beperkte (maatschappelijk acceptabele) overlast, beperking van het energiegebruik, beperking van functieconflicten rondom water en een hoge belevingswaarde. Naast ingrijpen in het watersysteem zelf kan dit echter ook betekenen dat functies, de locatie daarvan en de wijze waarop die worden ingevuld ter discussie komen te staan 5.3.1.7

Beleid waterschap Vallei en Veluwe

Het waterbeheer in het plangebied is in handen van Waterschap Vallei en Veluwe. Het waterschap heeft haar beleid vastgelegd in het Waterbeheerprogramma 2016-2021, de Keur en de legger. Het waterbeheerprogramma beschrijft wat het waterschap in de planperiode wil bereiken en hoe men dat wil doen. Als het gaat over normen en criteria, dan zijn de Keur en de Legger van het waterschap belangrijke uitgangspunten voor het watertoetsproces. 5.3.1.8

Gemeente Soest

Het Gemeentelijk Riolerings- en Waterplan Baarn en Soest is in december 2017 vastgesteld en geldt voor de periode 2018 tot en met 2022. Het gaat over alle gemeentelijk watertaken

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

46

Bestemmingsplan “Dalweg e.o.” Ontwerp (afvalwater, hemelwater en grondwater), het stedelijk oppervlaktewater en de integratie met de leefomgeving. Het plan beschrijft de achtergronden, het beleid, het programma en de financiën. 5.3.2

Watertoets

Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 5.3.3

Algemene aandachtspunten

5.3.3.1

Vasthouden-bergen-afvoeren

Een belangrijk principe is dat een deel van het hemelwater binnen het plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater. Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegen gegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater (met eventueel wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden) wordt voorkomen. Bij lozing op oppervlaktewater zal hiervan een melding gedaan moeten worden bij het waterschap. 5.3.3.2

Grondwaterneutraal bouwen

Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen. Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater, beschouwd worden ten opzichte van de GHG. Het structureel onttrekken / draineren van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen. Het waterschap adviseert de initiatiefnemer dan ook om voorafgaand aan de ontwikkeling een goed beeld te krijgen van de heersende grondwaterstanden en GHG. Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar. 5.3.3.3

Schoon houden – scheiden – schoon maken

Om verontreiniging van bodem, grond- en/of oppervlaktewater te voorkomen is het van belang dat het afstromende hemelwater niet verontreinigd raakt. Dit kan door nadere eisen of randvoorwaarden te stellen aan bijvoorbeeld de toegepaste (bouw)materialen. Het waterschap vraagt de initiatiefnemer om duurzame bouwmaterialen te gebruiken. De gemeente kan hierbij verder helpen. 5.3.4

Planspecifiek

5.3.4.1

Algemeen

Nieuwe ontwikkelingen dienen ‘waterneutraal’ te worden ontworpen. Dit betekent geen afvoer van hemelwater op het rioolstelsel: bij nieuwbouw moet hemelwater van afvalwater gescheiden worden gehouden. Het grond- en oppervlaktewaterbeleid richt zich op waterbestendig bouwen, zodat de natuurlijke waterhuishouding behouden blijft. 5.3.4.2

Grondwater

Het gehele ontwikkelgebied loopt op van circa +6 aan de zijde van de Beukenlaan tot +14 bij de Soesterengweg. De beide gebieden aan weerszijden van de Dalweg en de Dalweg zelf kennen een

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

47

Bestemmingsplan “Dalweg e.o.” Ontwerp ander hoogteverloop. De grondwaterstand in het hele gebied is diep en ligt op ongeveer 2 a 3 meter NAP. Aan de zijde van de Beukenlaan kan het nat zijn bij veel regenval. De hogere delen kennen bij droge perioden uitdrogingsverschijnselen. Het plangebied ontvangt het water van de van nature hoger gelegen percelen zonder dat er schade ontstaat. Het vangt water van heftige buien op en er vindt weinig transport over de grenzen van het plangebied plaats. Tijdens heftige buien ontstaat, mede door de hoogte verschillen, overlast aan de tuinzijde van het gemeentehuis en op de Dalweg aan de zijde van de rotonde Beukenlaan. Dit levert op doorgaande wegen begaanbaarheidsproblemen op. In het gebied bevindt zich alleen rondom het gemeentehuis open water, in de vorm van een formele vijver met een harde (gebouwde) oever. In de wijk is, vanwege diep gelegen grondwater, geen sprake van structurele grondwateroverlast. Het gebied is juist erg droog en daar moet bij de inrichting ervan rekening mee worden gehouden. Waterberging in de vorm van wadi’s ligt in dit geval niet voor de hand. Vegetatie kan in dit gebied dus uitdrogen. Hergebruik van regenwater om dit als gietwater te gebruiken is een slimme maatregel om dit te voorkomen. De zoetwatervoorraad onder de zandruggen is van belang voor de toekomstige watervoorziening.

Het gebruik of uitloging van bodembedreigende stoffen wordt voorkomen. 5.3.4.3

Oppervlaktewater

Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Door de ontwikkeling neemt het oppervlakte aan verharding naar verwachting toe. Op grond van de Keur zou in ieder geval een bepaald aandeel water gerealiseerd moeten worden. Gezien de zanderige ondergrond en het diep gelegen grondwater, is het niet mogelijk om waterpartijen te creëren: het water zakt weg. Bij zware regenval kan dit leiden tot overlast. Voor meer hierover wordt verwezen naar het kopje ‘hemelwater’. 5.3.4.4

Hemelwater

Bij nieuwbouw moet hemelwater van afvalwater gescheiden worden gehouden. Het waterbeleid houdt rekening met een veranderend klimaat. Hemelwater mag niet worden afgevoerd naar het riool. Regenwater dat op onverhard gebied valt in dit gebied zal op natuurlijke wijze in de bodem zakken. Regenwater dat op het verharde gebied valt wordt ‘opgevangen’ en geïnfiltreerd in de bodem. De zanderige ondergrond rondom de Dalweg leent zich uitstekend voor de infiltratie van hemelwater. Het regenwater dat valt op het bestaande verharde oppervlak zal gedeeltelijk nog via het bestaande gemengde riool afgevoerd worden. Door het aanwezig hoogteverschil (het plangebied ligt op een hoog punt, als het ware bovenop de helling) infiltreert regenwater bij flinke buien onvoldoende in de bodem: het regenwater wordt niet snel genoeg opgenomen. Dan stroomt het regenwater over het maaiveld (ook van de onverharde gebieden) naar de dichtstbijzijnde, bereikbare laagste plek. Hierdoor kan wateroverlast ontstaan in lager gelegen plekken en in het gebied zelf: snel stromend water op het maaiveld richting o.a. de Dalweg en bestaande panden dient voorkomen te worden (om overlast en erosie te voorkomen). • • •

5.3.4.5

Het maaiveld wordt zodanig vormgegeven (ook van het groen) dat er geen onbedoelde stroming over maaiveld gaat plaatsvinden bij heftige buien. Hierbij wordt rekening gehouden met klimaatverandering. Daarnaast wordt in het plangebied gestreefd om het regenwater te hergebruiken in de panden door regenwaterbuffers aan te leggen of een het bewateringssysteem van de groene dakterrassen/gevels in installeren. Regenwater wordt vastgehouden op de daken en de wensen zijn om dit eventueel te combineren met een groen dak. Daarnaast wordt het regenwater gescheiden houden en in de grond laten zakken waar dat mogelijk is. Afvalwater

Het afvalwater in dit gebied wordt momenteel deels door een gemengd en deels gescheiden stelsel afgevoerd naar de rioolwaterzuivering. De nieuwbouw wordt alleen aangesloten op het vuilwaterriool. Hemelwater dient geïnfiltreerd te worden. Huishoudelijk afvalwater wordt aangesloten op het openbare rioolnetwerk (geen individuele afvalwaterbehandeling noch een installatie in de wijk, tenzij hiervoor zeer overtuigende argumenten zijn).

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

48

Bestemmingsplan “Dalweg e.o.” Ontwerp 5.3.5

Conclusie

De bovenstaande punten worden opgenomen in de uitwerkingsvoorwaarden voor de uit te werken woonbestemmingen. Met inachtneming van vorenstaande zorgt het plan niet voor een belemmering van de uitvoerbaarheid van het plan.

5.4

Ecologie

5.4.1

Algemeen

Vanaf 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Met deze wet worden de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen (de Vogel- en Habitatrichtlijn) zo helder mogelijk geïmplementeerd. De Wet natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn (het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn) en een apart beschermingsregime voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. 5.4.2

Gebiedsbescherming

5.4.2.1

Algemeen

Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Nederland heeft aan de hand van een vergunningenstelsel een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000 -gebieden. Natuur Netwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. De NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van de NNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. 5.4.2.2

Natura 2000-gebieden

Het plangebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Oostelijke Vechtplassen’ ligt op circa 10,7 kilometer afstand van het plangebied. In het kader van voorgenomen ontwikkeling is een AERIUS-berekening uitgevoerd ten aanzien van de stikstofdepositie. De volledige rapportage is opgenomen in bijlage 4 van deze toelichting. Hierna worden de belangrijkste conclusies besproken. Uit de resultaten met betrekking tot de gebruiksfase blijkt dat er geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Met deze resultaten is er geen sprake van een stikstofdepositie met een significant negatief effecten op het Natura 2000-gebieden. Geconcludeerd wordt dat er in de gebruiksfase geen sprake is van een NOx of NH3 depositie met mogelijke significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000gebieden, niet vergunningsplichtig. 5.4.2.2

Natuurnetwerk Nederland

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het plangebied behoort niet tot het NNN. De dichtstbijzijnde gronden die zijn aangeduid als NNN liggen op minimaal 1,5 kilometer afstand van het plangebied. Hierdoor hebben de voorgenomen activiteiten geen negatief effect op de NNN.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

49

Bestemmingsplan “Dalweg e.o.” Ontwerp 5.4.3

Soortenbescherming

5.4.3.1

Algemeen

Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige soorten (flora en fauna). Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. 5.4.3.2

Situatie plangebied

In voorliggend geval is door de Natuurbank Overijssel een quickscan flora en fauna uitgevoerd ter plaatste van het plangebied. In de komende subparagraaf worden de belangrijkste conclusies van dit onderzoek uiteengezet. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar bijlage 5 van deze toelichting. Onderzoeksresultaten De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Beschermde diersoorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en bezetten vleermuizen er een vaste rust- of voortplantingsplaats. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet verstoord, beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten.

Indien de beplanting verwijderd wordt tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten Als gevolg van de sloop van de aanwezige bebouwing wordt mogelijk een beschermd grondgebonden zoogdier en amfibie gedood en wordt mogelijk een vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaats van een beschermd grondgebonden zoogdier en amfibie beschadigd en vernield. Voor de beschermde grondgebonden zoogdier- en amfibieënsoorten, die een vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen het `beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaatsen’. Er geldt geen vrijstelling voor het ‘doden’ van beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën. De bebouwing in het plangebied vormt een potentiële verblijfplaats voor vleermuizen en er is een aanwijzing dat gewone dwergvleermuizen een verblijfplaats bezetten in de bebouwing in het plangebied. Als gevolg van de (voorgenomen) sloop/verbouwing van de aanwezige bebouwing wordt deze potentiële verblijfplaats negatief beïnvloed. Omdat vleermuizen en hun verblijfplaatsen (jaarrond) beschermd zijn, dient nader onderzoek uitgevoerd te worden om de wettelijke consequenties van de voorgenomen sloop vast te kunnen stellen.

Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor sommige beschermde diersoorten mogelijk aangetast. Omdat het geen essentieel foerageergebied betreft van soorten waarvan het foerageer direct of indirect beschermd is, leidt dit echter niet tot wettelijke consequenties. Tenslotte wordt opgemerkt in de uitwerkingsvoorwaarden binnen de uit te werken woonbestemming is opgenomen dat de gebouwen moeten worden voorzien van natuurinclusieve maatregelen. En dat de gebouwen op een circulaire wijze gebouwd moeten worden waarbij er een door het bevoegd gezag goedgekeurd materialenpaspoort wordt overlegd. 5.4.4

Conclusie

Er wordt een vleermuisonderzoek volgens vleermuisprotocol uitgevoerd voor soorten als de gewone dwergvleermuis, de grootoorvleermuis en de laatvlieger. Dit onderzoek wordt afgerond voorafgaand aan het vaststellen van het bestemmingsplan. De ecologische aspecten vormen, mits uitvoering wordt gegeven aan de (eventuele) uitkomsten van dat nader onderzoek, geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

50

Bestemmingsplan “Dalweg e.o.” Ontwerp 5.5

Archeologie

5.5.1

Algemeen

Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.5.2

Situatie plangebied

De gemeente heeft een beleidsadvieskaart archeologie voor het gehele grondgebied opgesteld. Dit beleid is middels dubbelbestemmingen vertaald in de bestemmingsplannen. Ter plaatse van het plangebied geldt de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologiehoge verwachting (AWV1)’. In dit gebied moeten ingrepen met een oppervlakte van meer dan 100 m2 en een diepte van meer dan 0,3 meter beneden maaiveld worden voorafgegaan door een archeologisch onderzoek. In dit geval is middels een archeologisch onderzoek door CAR (Centrum voor Archeologie) de archeologische situatie in plangebied in beeld gebracht. Het volledige onderzoek is bijgevoegd in bijlage 6 bij deze toelichting. Hierna wordt samengevat ingegaan op de conclusies uit dit onderzoek. Conclusies onderzoek Uit het uitgevoerde bureauonderzoek en de aanvullende bodemkundige boringen blijkt het plangebied vanaf de jaren 1960 tot in het stuwwalmateriaal is afgegraven en deels is geëgaliseerd. Daarmee kan de oorspronkelijke hoge verwachting - die op de stuwwal van Soest aanwezig is - om resten van zowel jagers-verzamelaars als landbouwers aan te treffen naar laag worden bijgesteld. De kans (intacte) vindplaatsen van (jacht)kampjes of erven uit het Mesolithicum tot en met de Vroege Middeleeuwen aan te treffen is zeer laag. Het (op basis van het bureauonderzoek verwachte) esdek blijkt geheel te zijn vergraven.

Daarmee is de verwachting vondsten uit de Middeleeuwen en Nieuwe Tijd aan te treffen in deze laag niet meer aanwezig. Selectieadvies Op basis van dit uitgevoerde bureauonderzoek in combinatie met de bodemkundige boringen kan worden gesteld dat de archeologische verwachting in het plangebied naar (zeer) laag kan worden bijgesteld. 5.5.3

Conclusie

Het aspect ‘archeologie’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.6

Cultuurhistorie

5.6.1

Algemeen

Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

51

Bestemmingsplan “Dalweg e.o.” Ontwerp cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 5.6.2

Situatie plangebied

Er bevinden zich in het plangebied zelf geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten. In het plangebied of in de directe nabijheid van het plangebied is er geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt met betrekking tot voorliggend plan. 5.6.3

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.

5.7

Kabels en leidingen

Voor planologisch relevante leidingen gelden verschillende beschermings- en veiligheidsafstanden waar in de bestemmingslegging van onder andere nieuwe functies rekening mee moet worden gehouden. Op het perceel zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Ook in de nabijheid van de plangebieden zijn geen leidingen met gevaarlijke stoffen aanwezig (zie hiervoor ook paragraaf 5.2.5). Kabels en leidingen vormen derhalve geen belemmering voor de uitvoering van het bestemmingsplan.

5.8

Duurzaamheid

5.8.1

Energieneutrale nieuwbouw

Vanuit het Programma Energietransitie werkt de gemeente Soest aan de doelen uit het klimaatakkoord van Parijs. Landelijk geldt dat sinds juli 2018 nieuw te bouwen woningen al geen gasaansluiting meer krijgen. En sinds 1 januari 2020 geldt het huidige bouwbesluit dat (voor nieuwbouw) minimaal BENG voorschrijft (Bijna Energie Neutraal gebouw). Gelet op de drie kernwaarden die gekoppeld zijn aan de ontwikkeling van dit gebied willen wij de ambitie t.a.v. duurzame nieuwbouw hoger leggen dan het huidige bouwbesluit. De ambitie is om volledig energie neutrale nieuwbouw te realiseren. Op gebouwniveau betekent dat de energie voor ruimteverwarming, warm tapwater, ventilatie en de gebruik gebonden elektriciteit 100% duurzaam wordt opgewekt. 5.8.2

Elektriciteit

Voor gestapelde bouw geldt dat uitvoering op prestatieniveau Nul-op-de-meter lastiger is dan voor grondgebonden woningen. Dat komt onder andere doordat er per woning minder dakoppervlak beschikbaar is voor stroomopwekking en de stroom van de zonnepanelen verdeeld moet worden over de appartementen. De gemeente Soest heeft als ambitie om een hoogwaardige energieprestatie van deze nieuw toegevoegde appartementen te realiseren, rekening houdend met de technische en financiële mogelijkheden in relatie tot andere beleidsdoelen. Daarom wordt de ambitie als volgt in de praktijk uitgewerkt: partijen worden door de gemeente uitgedaagd om nieuwbouw van appartementen energieneutraal te realiseren voor zowel gebouw gebonden energie als gebruik gebonden energie (Nul op de Meter). Wanneer dit niet haalbaar is, geldt als te realiseren minimumprestatie energieneutraal voor tenminste het gebouw gebonden deel (een EPC van 0). 5.8.3

Verwarming

Voor verwarming van de appartementen wordt gestreefd naar een collectieve warmtebron voor het nieuw te ontwikkelen Dalweggebied. Wanneer dit niet mogelijk is, dient er een warmtebron per blok gerealiseerd te worden.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

52

Bestemmingsplan “Dalweg e.o.” Ontwerp 5.9

Besluit milieueffectrapportage

5.9.1

Algemeen

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan of ruimtelijk plan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: • • •

Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).

In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van ‘kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.- beoordeling gehanteerd. 5.9.2

Situatie projectgebied

5.9.1.1 Art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is gelegen op circa 10,7 kilometer afstand van het plangebied. Gezien de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling in relatie tot de ruime afstand tot Natura 2000-gebied wordt geconcludeerd dat geen sprake zal zijn van een aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura-2000 gebied. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 van de Wet natuurbescherming is in het kader van dit project dan ook niet noodzakelijk. 5.9.1.3 Drempelwaarden Besluit m.e.r. Het bestemmingsplan voldoet aan de definitie van een ‘besluit’ als bedoeld in het Besluit m.e.r. Dit betekent dat dit ruimtelijke plan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is, indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden. In dit geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en is daarom niet direct m.e.r.-plichtig. In onderdeel D wordt de ontwikkeling wel genoemd: ‘De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. De ontwikkeling in een bestemmingsplan is m.e.r.-beoordelingsplichtig indien de volgende drempelwaarden worden overschreden: 1.

een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

53

Bestemmingsplan “Dalweg e.o.” Ontwerp De in dit kader relevante vraag die eerst beantwoord dient te worden is, is met de voorgenomen ontwikkeling sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' als bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Bestluit milieueffectrapportage. Uit jurisprudentie (o.a. ABRvS 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2414) volgt dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aan de hand van aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. Gezien de drempelwaarden kan worden geconcludeerd dat in geval van voorliggend project geen sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. De in het voorliggende bestemmingsplan besloten ontwikkeling gaat uit van het toevoegen van 250 woningen en het vergroten van de maatschappelijke bestemming. Er is sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r..

De toelichting van dit bestemmingsplan maakt duidelijk dat de milieueffecten als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling beperkt zijn en dat er geen sprake is van een bijzondere omstandigheid die het opstellen van een plan-m.e.r. noodzakelijk maakt. Eén en ander is bevestigd in de in dit hoofdstuk aan bod gekomen milieu- en omgevingsaspecten en de daarvoor, indien van toepassing, uitgevoerde onderzoeken. 5.9.3

Conclusie

Dit project is niet m.e.r.-plichtig omdat er geen belangrijke nadelige milieugevolgen te verwachten zijn als gevolg van de voorliggend project.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

54

Bestemmingsplan “Dalweg e.o.” Ontwerp

HOOFDSTUK 6 JURIDISCHE PLANOPZET 6.1

Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieuen omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.

6.2

De regels

De Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. Inleidende regels; 2. Bestemmingsregels; 3. Algemene regels; 4. Overgangs- en slotregels. 6.2.1

Inleidende regels

Hoofdstuk 1 van de regels geeft de inleidende regels. Het betreft de begripsbepalingen, waarin de in het plan voorkomende begrippen worden gedefinieerd, en de wijze van meten. 6.2.2

Bestemmingsregels

Hieronder wordt per bestemming een toelichting gegeven op de regels. ‘Maatschappelijk’ (Artikel 3) Het bestaande gemeentehuis alsmede delen rondom de bestaande bebouwing zijn bestemd tot ‘Maatschappelijk’. Deze gronden zijn zo bestemd dat enerzijds het bestaande gemeentehuis in de huidige vorm kan blijven behouden en anderzijds het de gewenste ontmoetingsplek kan worden gerealiseerd. De voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden zijn bestemd voor maatschappelijke voorzieningen op het gebied van religie, verenigingsleven, cultuur, onderwijs, opvoeding, kinderopvang voor kinderen van 0 tot en met 12 jaar, recreatie, gezondheids- en revalidatiezorg, ouderenzorg en –huisvesting, alsmede openbare en bijzondere dienstverlening, horeca en cultuurondersteunende horeca. Daarnaast zijn de gronden bestemd voor ondergrondse en/of halfverdiepte parkeervoorzieningen. De bestaande goot- en bouwhoogtes blijven gehandhaafd en worden overgenomen in de uitbreiding van de maatschappelijke bestemming. Binnen het bouwvlak mag maximaal 10.100 m2 bruto vloeroppervlak (bvo) te dienste van de bestemming worden gerealiseerd. Het aantal bvo ten behoeve van horeca bedraagt maximaal 500 m2 van het totaal. Verder is in deze bestemming omgevingsvergunningstelsel opgenomen die het groene karakter in de vorm van houtwallen van het gebied beschermt.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

55

Bestemmingsplan “Dalweg e.o.” Ontwerp ‘Woongebied – uit te werken’ (Artikel 4) De gronden waar woningen mogen worden gerealiseerd zijn bestemd als ‘Woongebied – uit te werken’. Deze gronden mogen in de toekomst worden bebouwd met woningen. De voor 'Wonen uit te werken' aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen, al dan niet met een beroep of bedrijf aan huis, een brandweerpost en groen. Het een en ander met de daarbij behorende tuinen en erven, (ondergrondse en/of halfverdiepte) parkeervoorzieningen en ontsluitingswegen. Ter plaatse van de functieaanduiding 'houtwal' zijn de gronden bestemd voor de instandhouding van de ter plaatse voorkomende houtwal. Binnen deze bestemmingsregels zijn uitwerkingsregels opgenomen. Dit zijn voorwaarden voor het uit werken van de bestemming. Woningen mogen uitsluitend gebouwd worden als deze in overeenstemming zijn met een uitwerkingsplan dat rechtskracht heeft verkregen en voldoet aan de gestelde uitwerkingsvoorwaarden. Deze uitwerkingsregels zijn opgedeeld per onderdeel: Programma Het aantal woningen mag maximaal 250 bedragen en deze woningen moeten gestapeld of in een aaneengesloten bouwvorm worden gebouwd. Het aantal bouwlagen per draagt maximaal het aantal zoals op de verbeelding is aangegeven. Het aantal brandweerposten bedraagt maximaal één. De oppervlakte van de brandweerpost mag maximaal 90 m2 bedragen.

Het bebouwingspercentage bedraagt maximaal 40%. Het aantal bouwlagen bedraagt maximaal het aantal zoals op verbeelding is aangeduid met de maatvoering 'maximum aantal bouwlagen'. Ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage' mag het bebouwingspercentage van bebouwing met meer dan zes bouwlagen maximaal het aangeduide percentage bedragen. Er dient te worden voldaan aan een door het bevoegd vastgesteld stedenbouwkundig programma van eisen met een ruimtelijke kader (uitwerkingsdocument). Bij de uitwerking dient te worden aangetoond dat er sprake is van een goede stedenbouwkundige inpassing en dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening voor wat betreft de aspecten geluid, (exteren) veiligheid, bodem, water, archeologie, ecologie, luchtkwaliteit, windhinder en overige relevante milieutechnische aspecten. Er dient sprake te zijn van een goede ruimtelijke ordening op het gebied van bezonning, waarbij middels een bezonningsstudie wordt aangetoond dat wordt voldaan aan de lichte TNO-norm. Verder mag er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan het straat- en bebouwingsbeeld, de landschappelijke waarden, de woonsituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden. Water en riolering Verder zijn voorwaarden opgenomen met betrekking tot de wateraspecten.

Het hemelwater mag niet worden geloosd op het riool, huishoudelijk afvalwater wordt aangesloten op het openbare rioolnetwerk. Het maaiveld moet zodanig worden vormgegeven dat er geen onevenredige stroming van hemelwater over het maaiveld gaat plaatsvinden. Verder dient voor het uitwerken een door het bevoegd gezag goedgekeurd waterhuishoudkundig plan met onder meer de werking van de hemelwaterstructuur overlegd. Natuur De houtwallen zoals die zijn aangeduid met de functieaanduiding 'houtwal' dienen in stand te worden gehouden, met dien verstande dat in het geval dat een houtwal middels een omgevingsvergunning is verplaatst deze verplaatste houtwal daarvoor in de plaats in stand dient te worden behouden. De gebouwen moeten worden voorzien van natuurinclusieve maatregelen. Tenslotte moeten gebouwen op een circulaire wijze gebouwd waarbij er een door het bevoegd gezag goedgekeurd materialenpaspoort wordt overlegd. Klimaatadaptatie De gronden dienen klimaatadaptief te worden ingericht.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

56

Bestemmingsplan “Dalweg e.o.” Ontwerp Verkeer en parkeren Er dienen ten minste twee aansluitingen op het omliggende weggenet gerealiseerd, waarvan ten minste 1 ontsluiting op de Dalweg en ten minste 1 ontsluiting op de Beukenlaan. Er dient te worden voldaan aan de Nota parkeernormen auto en fiets 4e herziening of een rechtsopvolger daarvan. Een uitbreiding van het bestaande aantal onbebouwde parkeervoorzieningen op maaiveld niet toegestaan. De verkeersveiligheid in relatie tot de Dalweg wordt gewaarborgd. 6.2.3

Algemene regels

Anti-dubbeltelregel (Artikel 5) In de regels is een bepaling opgenomen om te voorkomen, dat gronden die bij een eerder bouwplan reeds in aanmerking zijn genomen voor het toestaan van het bouwplan, nogmaals meegeteld worden. Algemene bouwregels (Artikel 6) In deze regel zijn algemene bouwregels opgenomen, die gelden voor alle bestemmingen in het plan. Er is een regeling voor onderkeldering van gebouwen. Daarnaast is er een regel, die bepaalt, dat van het plan afwijkende maatvoering, die in het verleden is vergund ook mag worden aangehouden en dus niet onder het overgangsrecht komt. Algemene gebruiksregels (Artikel 7) In de algemene gebruiksbepaling wordt voor een aantal zaken expliciet aangegeven, dat deze als strijdig gebruik worden aangemerkt en daarmee onder het verbod vallen zoals opgenomen in artikel 2.1 van de Wabo. Indien in een bepaald geval gebruik in strijd met bijvoorbeeld de doeleindenomschrijving van een bestemming of met een verleende vrijstelling wordt geconstateerd, dan is er sprake van een overtreding, waartegen kan worden opgetreden. Algemene afwijkingsregels (Artikel 8) Het plan bevat een algemene afwijkingsbevoegdheid om een aantal nodige zaken en ondergeschikte afwijkingen mogelijk te maken.

Het betreft met name: afwijkingen van de ligging van bestemmings- en bouwgrenzen en andere grenzen, voorzover die nodig zijn ter aanpassing van het plan aan de bij uitmeting blijkende werkelijke toestand van het terrein; - afwijkingen van bepalingen, gesteld ten aanzien van maten en percentages. In dit geval is eveneens een afwijkingsmogelijkheid opgenomen ter plaatse van de aanduiding ‘Wetgevingszone – afwijkingsgebied’ voor het verplaatsen van de noordoostelijke houtwal in het plangebied onder de voorwaarde dat in het geval van het verplaatsen van de houtwal geen afbreuk mag worden gedaan aan de hoofdgroenstructuur en de landschappelijke waarden in en rondom het plangebied. Algemene wijzigingsregels (Artikel 9) Het plan bevat een aantal wijzigingsbevoegdheden als bedoeld in artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening. Daarmee kunnen bestemmings- en bouwgrenzen en grenzen van aanduidingen op de verbeelding in beperkte mate worden verschoven. Verder kan de bijlage Staat van Bedrijfsactiviteiten actueel worden gehouden. Overige regels (Artikel 10) In dit artikel is de algemene parkeerregeling opgenomen.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

57

Bestemmingsplan “Dalweg e.o.” Ontwerp 6.2.4

Overgangs- en slotregels

Overgangsrecht Uitgangspunt in een nieuw bestemmingsplan is dat bestaande bouwwerken en gebruiksvormen in principe positief worden bestemd, dus als zodanig als recht zijn toegestaan. De overgangsrechtelijke bepalingen zijn bindend voorgeschreven in art. 3.2.1 en 3.2.2 Bro. Deze overgangsrechtelijke bepalingen dienen om te waarborgen, dat een bestaand bouwwerken of een bestaand gebruik dat niet in overeenstemming is met het nieuwe plan en waarvan sloop respectievelijk beëindiging wordt beoogd, als zodanig voorlopig kan blijven voortbestaan. Het bouwwerk of gebruik wordt dan als zodanig gedoogd, totdat in de loop van de planperiode wordt beslist over sloop respectievelijk beëindiging. Bouwwerken en gebruiksvormen, die al in strijd zijn met het vorige bestemmingsplan worden expliciet uitgesloten van het overgangsrecht van het nieuwe plan. Ze worden niet gedoogd onder het nieuwe plan, maar blijven in strijd daarmee. Handhaving door sloop respectievelijk gebruiksbeëindiging blijft een optie. Slotregel Hier is bepaald hoe de regels van dit bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.

6.3

De verbeelding

Het plangebied is getekend op gekleurde verbeeldingen, schaal 1:1000. De verbeelding is IMROgecodeerd, conform IMRO2012. Voor de verbeelding is aangesloten bij de systematiek van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012, welke bindend is voorgeschreven in de ministeriële regeling standaarden ruimtelijke ordening.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

58

Bestemmingsplan “Dalweg e.o.” Ontwerp

HOOFDSTUK 7 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID Uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ontwerp voor een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting van een bestemmingsplan minimaal inzicht te worden gegeven in de uitvoerbaarheid van het plan. Grondexploitatie Met de inwerkingtreding van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening de verplichting ontstaan om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, onder meer voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, de gemeente deze verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. In artikel 6.12, lid 1 Wro staat dat de gemeenteraad een exploitatieplan dient vast te stellen voor gronden waarop een bouwplan gerealiseerd wordt. De gemeenteraad kan afzien van het vaststellen van een exploitatieplan indien het kostenverhaal anderszins verzekerd is of als de uitzonderingsregels van toepassing zijn. Voor het gebied Dalweg e.o. voert de gemeente een actief grondbeleid. Hiervoor is een grondexploitatie opgesteld en vastgesteld door de raad in december 2020. De gemeente draagt zorg voor de verwerving, bouw- & woonrijp maken en planontwikkeling. Daartegenover staat de uitgifte van bouwrijpe grond. Voor de uitgifte van de grond doet de gemeente een tender. Hiermee zijn de kosten anderszins verzekerd en is een exploitatieplan niet nodig.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

59

Bestemmingsplan “Dalweg e.o.” Ontwerp

HOOFDSTUK 8

MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID

8.1

Procedure en fase bestemmingsplan

8.1.1

Vooroverleg

Het (voor)ontwerpbestemmingsplan is in het kader van het vooroverleg, als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), toegestuurd aan de gebruikelijke diensten en instanties. De provincie Utrecht heeft aangegeven dat er geen aanleiding is opmerkingen te plaatsen in het kader van het provinciaal belang zoals dat is opgenomen in de Omgevingsvisie Provincie Utrecht en geborgd in de bijbehorende Interim Omgevingsverordening Provincie Utrecht. Het waterschap Vallei en Veluwe heeft per mail gereageerd. Er worden een aantal uitgangspunten meegegeven die zijn betrokken in de planning via uitwerkingsvoorwaarden en het uitwerkingsdocument. 8.1.2

Inspraak

Conform de gemeentelijke inspraakverordening kan het bestuursorgaan zelf besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. Voorafgaand aan het bestemmingsplan is uitgebreid geparticipeerd. Zowel ten behoeve van de gebiedsvisie Dalweg als ten behoeve van het uitwerkingsdocument. Daarom is er voor gekozen om geen voorontwerp voor inspraak ter inzage te leggen. In bijlage 7 bij deze toelichting is een overzicht van de consultatiemomenten opgenomen. 8.1.3

Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan wordt vrij gegeven door het college van B&W voor ter inzage legging. Tijdens deze periode van 6 weken heeft een ieder de mogelijkheid een zienswijze in te dienen.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

60

Bestemmingsplan “Dalweg e.o.” Ontwerp

BIJLAGEN

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

61

Bestemmingsplan “Dalweg e.o.” Ontwerp Bijlage 1

Uitwerkingsdocument

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

62

Bestemmingsplan “Dalweg e.o.” Ontwerp Bijlage 2

Verkeersonderzoek functie Dalweg

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

63

Bestemmingsplan “Dalweg e.o.” Ontwerp Bijlage 3

Aanvullend verkeersonderzoek

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

64

Bestemmingsplan “Dalweg e.o.” Ontwerp Bijlage 4

Akoestische verkenning wegverkeerslawaai

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

65

Bestemmingsplan “Dalweg e.o.” Ontwerp Bijlage 5

AERIUS-berekening

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

66

Bestemmingsplan “Dalweg e.o.” Ontwerp Bijlage 6

Quickscan flora en fauna

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

67

Bestemmingsplan “Dalweg e.o.” Ontwerp Bijlage 7

Archeologisch onderzoek

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

68

Bestemmingsplan “Dalweg e.o.” Ontwerp Bijlage 8

Consultatiemomenten

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

69

Bestemmingsplan “Dalweg e.o.” Ontwerp

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

70

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Soest&id=6e9f4498-a5ed-49cf-b645-3c3a48e34a2d