3. Bijlage 2 Toelichting Bestemmingsplan Voormalig Elma-terrein
Tekst van het document
Voor het landschap Utrechtse Heuvelrug willen we de volgende kernkwaliteiten behouden: 1. robuuste eenheid; 2. reliëfbeleving; 3. extreme historische gelaagdheid. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt een deel van Soesterberg Noord getransformeerd tot woongebied waarbij rekening gehouden wordt met de omgeving. De transformatie sluit aan op eerdere woningbouwontwikkelingen, pas binnen de landschappelijke structuur en respecteert bestaande bedrijvigheid in de omgeving. Hierdoor ontstaat een eenheid en past het plan binnen de gefragmenteerde ontwikkeling van het gebied. De ontwikkeling zorgt voor een passende afronding van het dorp Soesterberg als eenheid met behoud van de karakteristieke kavelstructuur. Artikel 9.2 Stedelijke functies in stedelijk gebied In het verstedelijkingsbeleid richt de provincie zich primair op de ontwikkelingsmogelijkheden in het bestaand stedelijk gebied. Op die manier blijven de steden, dorpen en kernen aantrekkelijk om te wonen, te werken en te ontmoeten en blijft het landelijk gebied gevrijwaard van onnodige ruimteclaims. Ook het verminderen van kantoren en het herstructureren van bedrijventerreinen vallen binnen deze binnenstedelijke opgave. Het accent ligt op revitalisering, intensivering en/of herstructurering van bestaande bedrijventerreinen.
Ten behoeve van de leefbaarheid en bereikbaarheid wil de verstedelijking zoveel mogelijk koppelen aan haltes en knopen van het openbaar vervoersnetwerk. Voorgenomen ontwikkeling maakt onderdeel uit van de transformatie van Soesterberg Noord. De bestaande bedrijvigheid binnen het plangebied is gesloopt, ligt momenteel braak en wordt herontwikkeld tot woningbouw. Hiermee wordt de aantrekkelijkheid van het gebied vergroot en wordt binnen bestaand stedelijk gebied ontwikkeld. Hiermee is het plan in lijn met de provinciale ambities. Regionaal Programma Wonen & Werken. In het Regionaal Programma Wonen en Werken regio Amersfoort (2021)is opgenomen dat de Regio Amersfoort en provincie ernaar streven de ruimtevraag van de reeds gevestigde bestaande bedrijvigheid en van nieuwe bedrijven zo goed mogelijk te faciliteren. Daarbij zijn ze het eens dat ze gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor zorgvuldig ruimtegebruik en onderschrijven de ambitie van intensiveren. In het Programma is de transformatie van Soesterberg Noord (als bedrijventerrein) naar een woningbouwlocatie opgenomen.
Bestemmingsplan “Soesterberg Noord, kamer 2 – Voormalig Elma-terrein” Toelichting Vastgesteld
26
3.3
Gemeentelijk beleid
Omgevingsvisie Soest en Soesterberg De Omgevingsvisie Soest en Soesterberg ‘stap voor stap verder komen’, is vastgesteld op 21 december 2021. Dit document bevat de integrale (middel)lange termijnvisie voor de ruimtelijke ontwikkeling van Soest en Soesterberg. De visie maakt duidelijk wat de komende decennia de grote ruimtelijke uitdagingen zijn, hoe het gemeentebestuur daarmee omgaat en in welke richting de gemeente Soest zich zou moeten doorontwikkelen richting 2040. Alle beleidsthema's die betrekking hebben op de leefomgeving komen in de omgevingsvisie samen. De onderdelen van de leefomgeving waar Soest trots op is, wil het gemeentebestuur graag beschermen en verbeteren (waarden). Daarnaast bevat de omgevingsvisie zowel hoofdlijnen uit reeds vigerend beleid als nieuwe doelen (ambities). Die thema’s, waarden en ambities vormen de kaders voor nieuwe initiatieven en ontwikkelingen. De hoofdlijn voor Soesterberg is dat het in 2040 gevarieerder en groter is, een kern met een nog sterkere eigen cultuur en identiteit. In die cultuur zijn de bestaande waarden rond dorps, kleinschalig, groen en bereikbaar aangevuld met de ontmoetingskwaliteiten die nu, in 2021,nog voor een deel ontbreken. Het plangebied ligt op de visiekaart in 'de kern Soesterberg en de Wegh der Weegen' op de grens met Vliegbasis Soesterberg.
De hoofdlijn is dat Soesterberg in 2040 gevarieerder en groter is, een kern met een nog sterkere eigen cultuur en identiteit. In die cultuur zijn de bestaande waarden rond dorps, kleinschalig, groen en bereikbaar aangevuld met de ontmoetingskwaliteiten die, bij het opstellen van de visie in 2021, nog voor een deel ontbreken. Het plangebied is aangeduid als een nog te realiseren project binnen het Masterplan Soesterberg (afbeelding 3.1). Vanuit dit Masterplan en de daarbij op te stellen Gebiedsvisie transformatie Soesterberg Noord voor de kamers 2 en 3 wordt ingezet op voortzetting van de transformatieopgave van bedrijventerrein naar woningen Voorliggend plan voorziet in de mogelijkheid tot woningbouw op de planlocatie, waarbij uitwerking plaatsvindt in lijn met het Masterplan Soesterberg en flexibiliteit biedt voor mogelijkheden vanuit de Gebiedsvisie. Daarmee is het plan in lijn met de omgevingsvisie. Het wegbestemmen van de bedrijvigheid is tevens in lijn met de algemene ambitie om de milieubelasting in Soesterberg te verlagen.
Bestemmingsplan “Soesterberg Noord, kamer 2 – Voormalig Elma-terrein” Toelichting Vastgesteld
27
Afbeelding 3.1: Omgevingsvisie Soest en Soesterberg, uitsnede kaart keuzes voor de kern Soesterberg (de ligging van het plangebied is rood omcirkeld)
Masterplan Wonen Soest Op 20 mei 2020 heeft de gemeenteraad het Masterplan Wonen Soest vastgesteld. Aanleiding hiervoor is dat in de jaren voorafgaand aan de totstandkoming van dit Masterplan de druk op de woningmarkt sterk is toegenomen. Door de gestegen prijzen voor koopwoningen hebben mensen met een lager of middeninkomen minder mogelijkheden om een huis te kopen. Bovendien is het aantal woningzoekenden aanzienlijk groter dan het aanbod. Met name in een centraal gelegen regio als Soest. Het is daarom van groot belang om de komende jaren meer, en de juiste, woningen te bouwen. Met het vaststellen van het Masterplan Wonen Soest geeft de gemeenteraad richting aan de nieuwbouw in de kern Soest. Gestreefd wordt naar de realisatie van 700 tot 800 woningen in de kern Soest tot 2025. De focus ligt hierbij op het sociale en betaalbare segment. Daarmee zorgt de gemeenteraad ervoor dat de gewenste woningen beschikbaar komen. Een randvoorwaarde daarbij is dat zorgvuldig met de ruimte en het buitengebied wordt omgegaan, om het woonmilieu waar Soest trots op is zoveel mogelijk te behouden en te versterken. Het Masterplan Wonen heeft drie belangrijke uitgangspunten: 1. de woningbouw moet inspelen op de kwalitatieve woningbehoefte van de eigen inwoners; 2. met de woningbouw wordt gestreefd om doorstroming op de woningmarkt stimuleren; 3.
gestreefd wordt naar een gevarieerd aanbod in de nieuwbouw (woningtype, eigendom en prijsklasse). In 2019 is de kwantitatieve woningbehoefte in de gemeente Soest onderzocht en bestaat er volgens het Masterplan Wonen Soest (vastgesteld op 19 mei 2020) een woningbehoefte voor de hele gemeente Soest van 1.010 woningen voor de periode tot 2025. Deze behoefte wordt al deels ingevuld met bestaande plannen, waaronder de plannen voor transformatie van Soesterberg Noord, kamer II en III naar een woongebied. Soesterberg-Noord, kamer II en III is ook opgenomen in het regionaal programma wonen en werken voor de regio Amersfoort. Het Elma-terrein maakt deel uit van Soesterberg Noord, kamer II en III. De kwalitatieve woningbehoefte in Soest richt zich de komende jaren op twee soorten woningen: Bestemmingsplan “Soesterberg Noord, kamer 2 – Voormalig Elma-terrein” Toelichting Vastgesteld
28 1. huurappartementen: een vraag van senioren die willen verhuizen naar een levensloopgeschikte woning; 2. betaalbare koopwoningen voor starters, jonge doorstromers en (in beperkte mate) senioren die een koopappartement zoeken. Het beleid is daarom gericht op nieuwe plannen die voorzien in deze kwalitatieve vraag, maar ook de doorstroming op de woningmarkt stimuleren en zorgen voor voldoende gevarieerd aanbod. In 2021 is de ‘doelgroepenverordening gemeente Soest 2021’ vastgesteld. Op basis van artikel 11 lid 1 van deze verordening moet 20% van de woningen in Soesterberg in het betaalbare segment (huur tot maximaal € 1000,- en koop tot maximaal € 250.000,-) worden gerealiseerd. Ook zijn er in de doelgroepenverordening voorwaarden opgenomen over bijvoorbeeld de instandhoudingstermijnen en inkomensdoelgroepen. Deze voorwaarden worden opgenomen in de anterieure overeenkomst. De onderhavige planontwikkeling past binnen de uitgangspunten van het Masterplan Wonen Soest, . Omdat op een transformatielocatie wordt gebouwd wordt zorgvuldig met de ruimte omgegaan. De maximaal 56 woningen in voorliggend plan leveren een bijdrage aan de invulling van de kwantitatieve behoefte aan woningen. Daarbij wordt conform de doelgroepenverordening minimaal 20% van de te realiseren woningen in de categorie ‘betaalbaar’ gebouwd.
Welstandsbeleid De gemeente heeft in 2014 de welstandsnota vastgesteld. Deze nota is een actualisering van de welstandsnota uit 2004. De nota bevat naast algemene en objectieve criteria, gebiedscriteria. De kenmerken van de verschillende welstandsniveaus zijn: • Beschermd welstandsniveau: de beoordeling van plannen in dit gebied is gericht op het handhaven, herstellen en versterken van de ruimtelijke karakteristiek en samenhang van het gebied. Ingrepen die elders vergunningsvrij zijn, zijn in deze gebieden lichtvergunningplichtig. • Bijzonder welstandsniveau: het beleid is gericht op het voorkomen van aantasting van de ruimtelijke karakteristieken en het versterken van de bestaande en/of gewenste kwaliteit. • Gewoon welstandsniveau: het beleid is gericht op het handhaven van de basiskwaliteit van de gebieden. Soesterberg Noord is een ontwikkelingsgebied en valt daarmee binnen de categorie ‘Bijzonder welstandsniveau’. Bij de verdere uitwerking zal het stedenbouwkundig plan getoetst worden aan deze welstandsnota. Daarnaast is in deze Toelichting in hoofdstuk 2.4 Toekomstige situatie stedenbouwkundige randvoorwaarden en beeldkwaliteit aangegeven voor de ontwikkeling van het gebied. Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning vindt tevens een verplichte welstandstoets plaats.
Bescherming en kap van bomen In de nota ‘bescherming en kap van bomen’ (2012) is het beleid rondom het duurzaam beschermen van bomen en de regels voor het kappen vastgelegd. De juridische bescherming rondom (het kappen van) bomen is vastgelegd in de Algemene Plaatselijke Verordening Soest (APV Soest). Het beschermen van bomen is gericht op het behoud van het groene karakter van de gemeente Soest, dat hoofdzakelijk wordt bepaald door bomenstructuren. Daarnaast kunnen individuele bomen of bomengroepen van grote waarde zijn voor een bepaalde plek. De te beschermen bomen zijn onderverdeeld in 5 categorieën: 1) Bomenstructuren zoals vastgelegd op de groenstructuurkaart, en de parkwijken; 2) Monumentale bomen (particulier en gemeentelijk); 3) Waardevolle bomen (gemeentelijk); 4) Toekomstig monumentale particuliere bomen op percelen ≥ 175m²; Bestemmingsplan “Soesterberg Noord, kamer 2 – Voormalig Elma-terrein” Toelichting Vastgesteld
29 5) Overige openbare bomen. De beschermwaardige bomen van categorieën 1 t/m 3 zijn vastgelegd op de bomenkaart van Soest. Voor deze bomen geldt een concreet verbod op het vellen. Er wordt géén vergunning verleend voor kap, tenzij sprake is van een zwaarwegend planologisch argument van algemeen belang. Daarbij geldt de juridische voorwaarde dat eerst aantoonbaar moet worden gekeken naar alternatieve ruimtelijke en boomkundige oplossingen om de monumentale boom te behouden. Er wordt altijd een herplantplicht opgelegd. Voor de bomen in categorie 4 en 5 geldt dat een vergunning wordt verleend mits er geen sprake is van een weigeringsgrond. Daarbij dient aangetoond te worden dat de boom in de planvorming uitdrukkelijk is meegewogen, er géén haalbare alternatieven zijn en het belang van het doorgaan van de plannen/ontwikkeling(en) groter is dan de waarde van de boom. Bij vergunningverlening kan een herplantplicht worden opgelegd. Bomen en ruimtelijke ontwikkelingen In de oriëntatiefase van een planontwikkeling moet door de initiatiefnemer het aanwezige groen en de bomen/houtopstanden worden ingemeten, geïnventariseerd en gewaardeerd. Bij het inventariseren is het van belang dat ook de kroonprojectie wordt ingemeten en de mogelijkheid tot verplanten van de bomen wordt onderzocht.
Op basis van deze inventarisatie beoordeeld de gemeente welke bomen behouden moeten blijven en worden randvoorwaarden gesteld. Ook bomen binnen de directe invloedssfeer van de ontwikkeling (5 meter uit bouwwerk (rondom) of binnen 5 meter uit perceelsgrens) moeten geïnventariseerd worden, om mogelijke schade / noodzaak tot vellen vooraf in beeld te hebben en bepalend te laten zijn voor de vergunningverlening van het bouwwerk. In de ontwerp-/ voorbereidende fase moet inzichtelijk worden gemaakt wat het effect is van het (bouw)plan / de werkzaamheden op de bomen. Een Bomeneffectanalyse (BEA) beoordeelt of de boom/houtopstand, in het perspectief van de voorgenomen bouw/aanleg, in zijn huidige verschijningsvorm en standplaats, duurzaam behouden kan blijven. Ook worden knelpunten in beeld gebracht. Op basis van een BEA worden passende oplossingen gezocht. Tevens worden maatregelen en randvoorwaarden (ontwerpeisen) aangegeven met als doel de bomen duurzaam te behouden, zowel tijdens de sloop, de bouw als daarna.
Bestemmingsplan “Soesterberg Noord, kamer 2 – Voormalig Elma-terrein” Toelichting Vastgesteld
30
Afbeelding 3.2: Uitsnede bomenkaart gemeente Soest
De bomenstructuur in het westelijk deel van het plangebied is aangeduid als bomenstructuur van categorie 1, met als karakter ‘laan’. De aanwezige bomen langs deze laan worden zoveel mogelijk gerespecteerd. De boomkruinen vallen primair over de voortuinen van de toekomstige woningen. Deze voortuinen aan de Sterrenbergweg worden conform de stedenbouwkundige randvoorwaarden minimaal 4 meter diep. Rond de appartementengebouwen komt een groene ruimte waar tevens nieuwe bomen worden geplant. De waardevolle bomen ten zuiden van het plangebied (nummers 163 en 164 in afbeelding 3.2) blijven behouden. Verder worden op diverse plekken binnen het plangebied nieuwe bomen geplant om een groen-dorps woonmilieu te creëren. Daarmee draagt het plan bij aan versterking van de huidige bomenstructuur. Conform de vereisten uit de nota ‘bescherming en kap van bomen’ is door IdVerde Bomendienst een bomeneffectanalyse uitgevoerd. Hierin zijn de bomen geprojecteerd ten opzichte van het plangebied en is door een deskundige uitspraak gedaan over de inpasbaarheid van het plan voor bestaande bomen. Een definitieve stedebouwkundige invulling is op dit moment nog niet opgesteld, dit volgt later. In principe worden alle bomen (tenzijn toekomstverwachting <5jr) behouden en ingepast.
Pas bij een afgestemd stedebouwkundig ontwerp kan er voor gekozen worden dat er alsnog een ander inrichtsontwerp komt van de buitenruimte waaruit blijkt dat enkele bomen niet kunnen worden ingepast c.q. behouden en op een ander manier worden teruggebracht in het plan, d.m.v. herplant. De bomeneffectanalyse is opgenomen als bijlage 12 bij deze toelichting. De resultaten worden hierna beknopt toegelicht.
Bestemmingsplan “Soesterberg Noord, kamer 2 – Voormalig Elma-terrein” Toelichting Vastgesteld
31
Afbeelding 3.3: Uitsnede eindoordeel effecten Bomeneffectanalyse Idverde Bomendienst (bijlage 12, pagina 18)
Op basis van de voorgenomen werkzaamheden en de veranderende toekomstverwachting zijn de effecten op de bomen inzichtelijk gemaakt en wordt een voorlopige conclusie gegeven of de bomen in de nieuwe situatie ingepast kunnen worden en onder welke randvoorwaarden. Een definitieve conclusie kan echter pas worden vastgesteld als het definitief stedenbouwkundig ontwerp gereed is. Er wordt geconcludeerd dat de boomnummers 3,7 en 8 een slechte kwaliteit en conditie hebben en niet kunnen worden ingepast, ofwel moeten worden verwijderd. De boomkwaliteit van de nummers 4, 5, 9, 12 en 13 is voldoende, waardoor deze bomen zonder aanpassingen behouden kunnen blijven. De voorlopige conclusie luidt dat 5 bomen niet duurzaam kunnen worden ingepast vanwege de snoeiingrepen die benodigd zijn ten behoeve van de nieuwbouw. Daarbij is als uitgangspunt aan alle zijden een afstand van 4 meter vanaf de kadastrale perceelsgrenzen tot de toekomstige bebouwing gehanteerd. Het betreft de boomnummers 1 en 2 -beide gelegen langs de Sterrenbergweg- en de nummers 6, 10 en 11 op de hoek met de Batenburgweg (zie afbeelding 3.3). Indien er op 4 meter afstand uit de kavelgrens wordt gebouwd, is de verwachting dat de kronen van de bomen in aanraking zullen komen met de bebouwing.
Hierdoor zullen de bomen dusdanig gesnoeid moeten worden, dat dit zal zorgen voor een vermindering in conditie en daardoor niet langer duurzaam te behouden zullen zijn. Bij bomen 1 en 2 geldt dat wanneer de tuinen dieper worden gemaakt, 7 meter in plaats van 4 meter, de kronen van de bomen binnen de voortuinen zullen vallen en niet tegen het gebouw aan waardoor de snoeiwerkzaamheden tot een minimum kunnen worden beperkt en hierdoor wel duurzaam te behouden zullen zijn. De kronen van bomen 6, 10 en 11 vallen voor een groot deel buiten de 4 meter grens. Boom 6 kan duurzaam worden behouden wanneer de grens van de tuin op 6 meter vanaf de grens met de Sterrenbergweg wordt gesteld. De kronen van bomen 10 en 11 vallen vanuit de Sterrenbergweg gezien volledig buiten de 4 meter grens. Vanaf de Batenburgerweg gezien dient een grens van minstens 7 meter te worden aangehouden om de bomen duurzaam te behouden. Op deze manier zullen de kronen van de bomen binnen de voortuinen vallen en niet tegen het gebouw aan waardoor de snoeiwerkzaamheden tot een minimum kunnen worden beperkt en de bomen hierdoor wel duurzaam te behouden zullen zijn.
Bestemmingsplan “Soesterberg Noord, kamer 2 – Voormalig Elma-terrein” Toelichting Vastgesteld
32
Conclusie De toekomstige bebouwing zal conform de stedenbouwkundige randvoorwaarden worden ingepast. Eén van de voorwaarden langs de Sterrenbergweg, ter hoogte van de boomnummers 1 en 2, is dat deze woningen een diepe voortuin krijgen van ten minste 4 meter. Bij de ruimtelijke inpassing en architectuur zal rekening gehouden worden de kruin van de bestaande bomen, bijvoorbeeld door een grotere afstand tot de bebouwing te hanteren of schuine kapvorm te gebruiken. Deze uitwerking vindt plaats bij het opstellen van het definitief stedenbouwkundig plan. Indien kap- of snoeiwerkzaamheden worden beoogd, wordt hiervoor een vergunning aangevraagd. Ten aanzien van de bomen 6, 10 en 11 zoals genoemd in de Bomeneffectanalyse, geldt dat ter plaatse een campus-achtige structuur wordt beoogd met een losstaand bouwvolume (appartementengebouw). Hieromheen wordt een groene, landschappelijke ruimte ingericht met bomen. De afstand van de bebouwing tot de bomen zal de genoemde afstandsmaten ruimschoots in acht nemen. Bij het definitieve stedenbouwkundig plan worden de bestaande bomen ingepast en worden tevens nieuwe bomen aangeplant. Voor de bomen 3, 7 en 8 geldt dat deze worden verwijderd, omdat deze van slechte kwaliteit zijn en daardoor niet kunnen worden ingepast.
De overige bomen zijn van goede kwaliteit en kunnen waar mogelijk allemaal worden ingepast, afhankelijk van het uiteindelijke definitieve stedenbouwkundig plan. Het uitgangspunt is dat In principe worden alle bomen (tenzij toekomstverwachting <5jr) worden behouden en ingepast. Ook wordt het totale bomenbestand op de locatie waar mogelijk aangevuld en versterkt, rondom de appartementen en in de openbare ruimte. Daarmee heeft het plan een positief effect op het bomenbestand. Duurzaamheidsplan 2016-2020 De gemeente Soest heeft in het Duurzaamheidsplan 2016-2020 een richtinggevende beleidsvisie op een Duurzaam Soest in 2030 ontwikkeld. Met betrekking tot het thema Wonen wordt ingezet op duurzaam bestemmen en inrichten en duurzaam bouwen. Dit gaat naast energiegebruik over meerdere aspecten, zoals water, duurzaam materiaalgebruik, levensloopbestendigheid. Een hulpmiddel daarbij is de systematiek van de Gemeentelijke Praktijkrichtlijn (GPR). GPR gebouw is een softwareprogramma dat helpt bij het maken van duurzaamheidskeuzes voor de nieuwbouw of renovatie van woningen, kantoren en scholen. Bereikte of geambieerde prestaties worden uitgedrukt in rapportcijfers over 5 deelgebieden: Energie, milieu, gezondheid, gebruikskwaliteit en toekomstwaarde. Het Bouwbesluit (= GPR 7 ) wordt als uitgangspunt gehanteerd, waarbij indien mogelijk een stapje verder wordt gegaan.
Bij de verdere uitwerking van het stedenbouwkundig plan wordt integraal gekeken naar duurzaamheid, zowel op gebieds- als gebouwniveau. In het document ‘stedenbouwkundige randvoorwaarden’ (bijlage 1 bij de regels) zijn hiertoe richtinggevende uitgangspunten geformuleerd.
3.4 Conclusie De ontwikkeling die met onderhavig bestemmingsplan mogelijk gemaakt wordt is in overeenstemming met het beleid van het Rijk, de provincie en de gemeente. Daarnaast is de ladder voor duurzame verstedelijking positief doorlopen. De voorgenomen ontwikkeling en daarmee ook het bestemmingsplan wordt uitvoerbaar geacht.
Bestemmingsplan “Soesterberg Noord, kamer 2 – Voormalig Elma-terrein” Toelichting Vastgesteld
33
4
Mobiliteit
4.1
Kader
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vervangt onder andere de Nota Mobiliteit en vormt de visie van het Rijk op het gebied van mobiliteit, bereikbaarheid, ruimte, milieu en leefbaarheid tot 2040. De SVIR voorziet een groei in de mobiliteitsbehoefte tot 2030. Deze groei is het grootst in de Randstad en Brabant. Om de concurrentiekracht van Nederland te versterken, is een netwerk van hoogwaardige internationale verbindingen nodig, net als een goede nationale bereikbaarheid van onze belangrijkste economische regio's. Het Rijk zet de gebruiker van mobiliteit centraal. Het verknopen van verkeerssystemen en vervoerwijzen neemt daarbij een belangrijke plaats in, net als het beter benutten van infrastructuur, met een volwaardige plaats voor langzaam en recreatief verkeer. Het Rijk mikt op multimodale (keten)maatregelen die het gebruik van de capaciteit optimaliseren. Strategisch Plan Verkeersveiligheid 2008 - 2020 Het Strategisch Plan Verkeersveiligheid 2008 - 2020 van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat geeft een visie weer op het aspect 'verkeersveiligheid' in Nederland. De ambitieuze doelen (qua verkeersdoden en -gewonden) uit de Nota Mobiliteit moeten worden omgezet in beleid. Drie pijlers daarin zijn: samenwerking, integrale aanpak en "Duurzaam Veilig".
Het verkeersveiligheidsbeleid in Nederland van de afgelopen jaren was succesvol; dat moet worden gecontinueerd. Op basis van generieke maatregelen (maatregelen die in de basis overal gelden, die de afgelopen jaren al zijn ingezet en die moeten worden gecontinueerd) alsook met specifieke aandachtsgebieden zou dit kunnen worden bewerkstelligd. Het is van groot belang dat er een goede afstemming en samenwerking plaatsvindt met alle betrokken partijen. Mobiliteitsplan provincie Utrecht Het Mobiliteitsplan bestaat uit een Mobiliteitsvisie en een Mobiliteitsprogramma. De Mobiliteitsvisie 2014-2028 bevat de langetermijndoelen om de unieke verbindende knooppuntpositie van onze provincie goed te laten functioneren. Daarnaast beschrijft de provincie in deze visie welke rol zij op zich neemt om deze doelen te realiseren, zonder dit af te wentelen op toekomstige generaties en andere gebieden. In het Mobiliteitsplan staan zaken als een efficiënter OV-netwerk, de ontwikkeling van kwalitatief hoogwaardige knooppunten, fietsbereikbaarheid van belangrijke (werk)locaties, negatieve effecten van mobiliteit op de kwaliteit van de leefomgeving, betere informatievoorziening en Slim Werken Slim Reizen centraal. De provincie doet dit graag samen met regionale partners en marktpartijen.
Het beleid wordt elke vier jaar opnieuw concreet gemaakt in een Mobiliteitsprogramma waarin staat welke acties (op kortere termijn) nodig zijn. Met een flexibel uitvoeringsprogramma kan de provincie Utrecht inspelen op veranderende omstandigheden en kan zij zich aansluiten bij samenwerkingsverbanden. Gemeentelijk verkeer- en vervoersplan (2008) In 2008 heeft de gemeente het Gemeentelijk verkeer- en vervoersplan vastgesteld. Verkeer- en vervoerstromen zijn de laatste decennia sterk aan verandering onderhevig. Ruimtelijke en economische ontwikkelingen en de hiermee samenhangende, groeiende vraag naar mobiliteit zijn daarvan de oorzaken. Alle verkeer- en vervoerstromen moeten in goede banen worden geleid. Er moet tijdig ingespeeld kunnen worden op ontwikkelingen en de overlast van verkeer moet zoveel mogelijk worden Bestemmingsplan “Soesterberg Noord, kamer 2 – Voormalig Elma-terrein” Toelichting Vastgesteld
34
ingeperkt. De bereikbaarheid van de gemeente Soest is van groot belang voor de ruimtelijke en economische ambities. Om de bereikbaarheid ook in de toekomst te kunnen waarborgen wordt ingezet op de regionale pakketstudies. In regionaal verband wordt bekeken hoe de doorstroming op het hoofdwegennet (de rijkswegen) en het onderliggende wegennet kan worden verbeterd. Binnen de gemeente zal de verkeersveiligheid en de doorstroming verbeterd worden door functionele weginrichting. De inrichting van de weg dient aan te sluiten bij de functie van de weg. Gemotoriseerd verkeer Conform het principe van een Duurzaam Veilige weginrichting zijn de beschikbare wegen binnen de gemeente Soest opgedeeld naar gebiedsontsluitingswegen (de hoofdwegenstructuur) en erftoegangswegen. Op de gebiedsontsluitingswegen is het van belang dat het verkeer door kan stromen, terwijl op erftoegangswegen juist het bereikbaar maken van percelen en bijvoorbeeld parkeren belangrijker zijn. Om de doorstroming en de verkeersveiligheid te waarborgen komen op gebiedsontsluitingswegen bijvoorbeeld zo min mogelijk uitritten voor. De categorie erftoegangswegen wordt opgesplitst in type A en type B, waarbij type A weliswaar woonstraten zijn, maar deze wegen ook een functie hebben voor het bereikbaar blijven van de woonwijk of voor het openbaar vervoer.
Fiets Het fietsnetwerk moet minimaal voldoen aan de eisen samenhangend, direct, aantrekkelijk, verkeersveilig en comfortabel. Ten aanzien van het fietsnetwerk wordt onderscheid gemaakt in primaire en secundaire fietsroutes. Het onderscheid ligt in het gebruik: • Primaire fietsroutes vormen de dragers van de fietsinfrastructuur. Het zijn de drukst bereden routes waarop een bundeling van fietsverkeer (verzamelroutes) plaatsvindt. De routes doorkruisen op een snelle en directe manier een gebied. Primaire routes verbinden de belangrijkste winkelcentra, werkgebieden, woongebieden, scholen en recreatieve bestemmingen met elkaar en • Secundaire fietsroutes ontsluiten de verblijfsgebieden en voeden de primaire routes. Zo ontstaat een hiërarchisch en samenhangend fietsnetwerk. Nota parkeernormen auto en fiets Soest Een ontwikkeling, een bouwactiviteit en/of wijziging van gebruik, kan tot gevolg hebben dat er (meer) ruimte nodig is voor het parkeren van auto’s. Bij nieuwe ontwikkelingen wordt het parkeren beoordeeld op basis van de Nota parkeernormen auto en fiets Soest, waarin o.a. de parkeernormen zijn vastgelegd. Bovendien is opgenomen hoe op basis van deze parkeernormen de gemeentelijke parkeereis bij ontwikkelingen moet worden berekend.
4.2
Onderzoek
Ontsluiting De toekomstige woningen en parkeerplaatsen worden ontsloten via de Sterrenbergweg, de Batenburgweg en de Schooldwarsweg. De huidige wegen worden hiervoor gebruikt en er is vooralsnog niet voorzien in reconstructie van de wegen. Wel worden nieuwe inritten mogelijk gemaakt. De precieze uitwerking vindt plaats bij het opstellen van het stedenbouwkundig plan. Separaat aan dit bestemmingsplan wordt vanuit de gemeente gewerkt aan een integraal verkeersonderzoek voor Soesterberg Noord. Dit valt buiten de scope van dit bestemmingsplan.
Bestemmingsplan “Soesterberg Noord, kamer 2 – Voormalig Elma-terrein” Toelichting Vastgesteld
35
Afbeelding 4.1: Conceptkaart met globaal de beoogde wegen- en parkeerstructuur
Verkeersgeneratie In de voorgaande situatie waren in het plangebied twee bedrijven gevestigd op het gebied van elektrische aandrijf- en besturingstechniek en een voormalig postsorteercentrum met een omvang van circa 10.050 m2. De verkeersgeneratie van deze bedrijven is tussen de 326-680 motorvoertuigbewegingen per etmaal (CROW publicatie 381 - 4.3 kencijfers hoofdgroep werken). Deze cijfers zijn inclusief vrachtverkeer. De stedenbouwkundige invulling van de toekomstige situatie is nog niet definitief. Daarom wordt bij de berekening van de verkeersaantrekkende werking uitgegaan van het maximaal aantal woningen dat met voorliggend bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, te weten 59 stuks. Verder wordt het type woningen ingeschat op basis van de proefverkaveling die is weergegeven in paragraaf 2.4. Op basis hiervan zullen binnen het plangebied circa 53 appartementen en 6 twee-onderéén kapwoningen kunnen worden ingepast. Hoewel sprake zal zijn van minimaal 20% betaalbare woningbouw, is nog niet definitief in welk woningtype deze worden gebouwd. Om de maximale verkeersgeneratie (worst case) te berekenen is daarom uitgegaan van woningbouw in de vrije sector. Op basis van de CROW-publicatie ligt het plangebied in matig stedelijk gebied in de rest van de bebouwde kom. Op basis van de gemiddelde kencijfers van deze publicatie is de volgende verkeersgeneratie berekend:
Bestemmingsplan “Soesterberg Noord, kamer 2 – Voormalig Elma-terrein” Toelichting Vastgesteld
36
Verkeersgeneratie (matig stedelijk, rest bebouwde kom) Appartement Twee-onder-één kap Totaal
Aantal 53 6 59
Minimaal 6,7 7,4
Maximaal 7,5 8,2
Gemiddeld 7,1 7,8
Totaal 376,3 46,8 423,1
In de toekomstige situatie worden naar verwachting circa 423 verkeersbewegingen per weekdag gegenereerd. Conform het CROW is de omrekenfactor voor weekdag naar werkdag 1,11. Daarmee komt het totaal aantal verkeersbewegingen op een werkdag op circa 470 stuks. In de huidige situatie was sprake van 326-680 bewegingen, gemiddeld 503 stuks. Hiermee neemt het aantal verkeersbewegingen op een gemiddelde werkdag per saldo af, en vermindert het aantal vrachtverkeersbewegingen. Gezien de weginrichting van de Sterrenburgweg en Batenburgweg worden dan ook geen problemen verwacht ten aanzien van de verkeersbewegingen. Hoewel de absolute verkeersbewegingen niet toenemen, zal de relatieve frequentie van de verkeersbewegingen van en naar het perceel wel wijzigen. Een bedrijf heeft met name aankomende verkeersbewegingen in de ochtendspits en vertrekkende verkeersbewegingen in de avondspits. Bij de functie wonen is dit precies andersom. In de bredere zin kan dit (beperkt) effect hebben op verkeersafwikkeling / verkeersregelinstallaties (VRI) in de omgeving. Mede vanwege meerdere (grootschalige) woningbouwontwikkelingen in de omgeving wordt momenteel door de gemeente Soest, in samenspraak met de provincie en gemeente Zeist, gekeken naar een bredere visie op de gebiedsontsluiting van Soesterberg. In het kader van de toekomstige woningbouwontwikkeling aan de noordzijde (o.a.
Vliegbasis Soesterberg), is de verwachting dat de verkeersstructuur in de omgeving verder zal worden uitgebreid. Het mobiliteitsonderzoek duurt tot eind 2022. Eventuele hieruit voortvloeiende overwegingen worden toegelicht na de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan. Parkeren Door het ontbreken van een concreet bouwplan kan momenteel nog geen parkeerbalans worden opgesteld. Om ervoor te zorgen dat in de toekomstige situatie wel voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid is in de regels een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Het gebruik en bebouwen van de gronden is slechts toegestaan als aangetoond is dat voldoende parkeergelegenheid er wordt gerealiseerd, conform de actuele gemeentelijke parkeernormen. In het kader van de stedenbouwkundige randvoorwaarden voor het gebied is een voorbeeldverkaveling uitgewerkt. Hieruit blijkt dat de benodigde parkeerplaatsen op maaiveld en/of verdiept onder de appartementen, realistisch binnen het plangebied kunnen worden opgelost. Het realiseren van voldoende parkeergelegenheid is ruimtelijk inpasbaar en daarmee uitvoerbaar.
4.3
Conclusie
Het aspect mobiliteit vormt geen belemmering voor voorgenomen ontwikkeling.
Bestemmingsplan “Soesterberg Noord, kamer 2 – Voormalig Elma-terrein” Toelichting Vastgesteld
37
5
Archeologie en cultuurhistorie
5.1
Archeologie
5.1.1 Kader Erfgoedwet De Monumentenwet 1988 is op 1 juli 2016 overgegaan in de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bundelt de voorgaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien is aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau zoals deze in de oude wetten en regelingen gold, blijft gehandhaafd. Het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed was geregeld in zes verschillende wetten en een regeling, waarin roerend, onroerend en archeologisch erfgoed allemaal hun eigen specifieke definities, procedures en beschermingsmaatregelen hadden. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Overbodige regels zijn geschrapt en de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het cultureel erfgoed ligt waar mogelijk bij het erfgoedveld zelf. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, worden overgeheveld naar de Omgevingswet die in 2021 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de periode 2016-2021.
Het gaat daarbij om de volgende zaken: • Vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten • Verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie • Bescherming van stads- en dorpsgezichten. 5.1.2 Onderzoek Archeologische beleidsadvieskaart Uit de archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Soest blijkt dat het plangebied is aangewezen als een archeologisch waardevol gebied, zie afbeelding 5.1. Voor bodemingrepen groter dan 10.000 m2 en 30 cm onder maaiveld is archeologisch onderzoek verplicht gesteld. In het vigerende bestemmingsplan kent het gehele plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie Lage verwachting’. Bovenstaande vrijstellingsgrens is vertaald in bijbehorende regeling.
Bestemmingsplan “Soesterberg Noord, kamer 2 – Voormalig Elma-terrein” Toelichting Vastgesteld
38
Afbeelding 5.1: Archeologische waarden in en rondom het plangebied, uitsnede archeologische beleidsadvieskaart gemeente Soest.
Het plangebied heeft een totale oppervlakte van circa 13.805 m 2. Hiervan is circa 3.292 bestemd als ‘Verkeer’. In dit gebied zijn geen ontwikkelingen voorzien en zijn dan ook geen bodemroerende ingrepen noodzakelijk. Het overige deel van het plangebied, circa 10.513 m2, is bestemd ten behoeve van de toekomstige woningen. Dit gebied zal primair worden ingericht met woningen, grondgebonden ofwel als appartementengebouw. Daarnaast zal een deel van het gebied groen ingericht worden en een deel zal als tuin of openbare ruimte bij de toekomstige woningen gaan fungeren. Niet alle gronden binnen de bestemming ‘Woongebied’ zullen worden geroerd. Daarmee is vast te stellen dat de vrijstellingsgrens niet wordt overschreden en dat archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is. De archeologische dubbelbestemming wordt ter borging van eventuele resten wél opgenomen. 5.1.3 Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor voorgenomen ontwikkeling omdat de vrijstellingsgrens niet wordt overschreden. De vigerende archeologische dubbelbestemming wordt overgenomen. Volgens artikel 5.10 van de Erfgoedwet moet iemand die anders dan bij het doen van archeologische opgravingen een vondst doet, waarvan hij weet of vermoedt dat het een archeologische vondst betreft, dit zo spoedig mogelijk melden bij de regio archeoloog, De regio archeoloog zal dit vervolgens melden bij het ministerie.
De vondst moet 6 maanden ter beschikken gesteld worden voor wetenschappelijk onderzoek.
5.2 5.2.1
Cultuurhistorie Kader
Visie erfgoed en ruimte 'Kiezen voor karakter' (juni 2011) In de Visie erfgoed en ruimte 'Kiezen voor karakter' zet het Rijk uiteen hoe cultureel erfgoed wordt geborgd in de ruimtelijke ordening voor de periode 2011-2015. De moderne monumentenzorg is ontwikkelings- en gebiedsgericht. Bovendien vindt het Kabinet samenwerking met publieke en private partijen van belang.
Bestemmingsplan “Soesterberg Noord, kamer 2 – Voormalig Elma-terrein” Toelichting Vastgesteld
39 In de Visie wordt het karakter van Nederland gevat in vier kenmerkende eigenschappen: waterland, stedenland, kavelland en vrij land. De gebiedsgerichte omgang met erfgoed vergt dat deze karakteristieken worden verbonden met opgaven uit andere sectoren en dat de economische, sociaalculturele en ecologische kracht van het erfgoed beter wordt uitgebaat. Veranderingen in de monumentenzorg en de ruimtelijke ordening geven burgers en bedrijven meer ruimte en geven decentrale overheden meer vrijheden en verantwoordelijkheden. Iedere overheidslaag staat voor de taak zijn belangen zo veel mogelijk vooraf kenbaar te maken en waar nodig met regels te borgen. Het Rijk is daarnaast verantwoordelijk voor een goed functionerend stelsel. Provincies krijgen een centrale rol in de gebiedsgerichte belangenafweging en gemeenten verbinden gevolgen aan een gebiedsgerichte analyse van erfgoedwaarden bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Het Rijk heeft gekozen voor vijf prioriteiten van het gebiedsgerichte erfgoedbeleid in de komende jaren: 1. werelderfgoed: de samenhang borgen en de uitstraling vergroten; 2. eigenheid en veiligheid: zee, kust en rivieren; 3. herbestemming als (stedelijke) gebiedsopgave: met focus op groei en krimp; 4. levend landschap: synergie tussen erfgoed, economie en ecologie; 5. en wederopbouw: het tonen van een tijdperk.
Bestemmingsplan “Soesterberg Noord, kamer 2 – Voormalig Elma-terrein” Toelichting Vastgesteld
40
5.2.2
Onderzoek en conclusie
Uit de cultuurhistorische atlas van de provincie Utrecht blijkt dat in het plangebied geen belangrijke cultuurhistorische waarden of kernmerken zijn gelegen. Er bevinden zich geen Rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten of beeldbepalende panden in het bestemmingsplangebied. Tevens is geen sprake van een beschermd dorpsgezicht in het plangebied. De historische wegen- en kavelstructuur blijft onaangetast. Het aspect cultuurhistorie vormt gezien het voorgaande geen belemmering voor het plan.
Bestemmingsplan “Soesterberg Noord, kamer 2 – Voormalig Elma-terrein” Toelichting Vastgesteld
41
6
Natuur
6.1
Kader
Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt drie oude wetten: de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming: Natura 2000), de Flora- en faunawet (soortenbescherming) en de Boswet (kapvergunningen). Soorten Voor ruimtelijke ingrepen die resulteren in overtreding van één of meer artikelen van de Wnb moet ontheffing worden aangevraagd. Voor een aantal soorten geldt daarenboven het beschermingsregime van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor werkzaamheden die uit een bestemmingsplan voortvloeien dient voor de start van die werkzaamheden ontheffing te worden aangevraagd indien beschermde soorten voorkomen. Bij de vaststelling van het plan dient duidelijk te zijn of en in hoeverre een ontheffing kan worden verkregen. Voor alle in de wet genoemde diersoorten (inclusief vogels) geldt dat het verboden is individuen van deze soorten (opzettelijk) te doden of te vangen. Bovendien is het verboden nesten (en eieren) en (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen dan wel weg te nemen. Voor de in de wet genoemde plantensoorten geldt dat het verboden is exemplaren in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
In de Wnb worden drie beschermingsregimes onderscheiden voor beschermde soorten. Voor de eerste twee regimes gelden aanvullende verbodsbepalingen. 1. Het beschermingsregime Vogelrichtlijn (Vrl), dat van toepassing is op van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vrl. Met betrekking tot deze vogelsoorten geldt dat het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen - verboden is vogels opzettelijk te storen, behalve als de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en dwingende redenen van groot openbaar belang zijn geen reden om ontheffing te verlenen. Ontheffing is uitsluitend toegestaan op basis van de ontheffingsgronden die in de Vrl zijn genoemd. Overigens is het, indien geen ontheffing nodig is, volgens de huidige interpretatie van de wet wel verplicht rekening te houden met het broedseizoen van vogels. Voor sommige vogelsoorten met vaste verblijfplaatsen geldt dat deze vaste verblijfplaatsen en het essentiële leefgebied jaarrond beschermd zijn. 2. Het beschermingsregime Habitatrichtlijn (Hrl), dat van toepassing is op soorten van bijlage IV bij de Hrl, bijlage I en II bij het Verdrag van Bern en bijlage I bij het Verdrag van Bonn.
Met betrekking tot deze soorten is het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen - verboden dieren opzettelijk te verstoren. Ontheffing wordt voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling alleen verleend indien: ✓ er geen andere bevredigende oplossing is, en ✓ geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort, en ✓ sprake is van één van de volgende (bij ruimtelijke ontwikkeling relevante) belangen: • de bescherming van wilde flora en fauna of natuurlijke habitats, of • de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. 3. Het beschermingsregime Andere Soorten, dat van toepassing is op soorten van de bijlage behorende bij artikel 3.10 van de Wnb. Ontheffing is alleen mogelijk indien: Bestemmingsplan “Soesterberg Noord, kamer 2 – Voormalig Elma-terrein” Toelichting Vastgesteld
42 ✓ er geen andere bevredigende oplossing is, en ✓ indien geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort. Er is echter geen ontheffing nodig indien gewerkt wordt volgens een geldige gedragscode die van toepassing is op de betreffende soort(en). Vaak is daarnaast ecologische begeleiding en een ecologisch werkprotocol nodig bij de uitvoering van werkzaamheden. De provincies kunnen voor het beschermingsregime Andere Soorten een algemene vrijstelling verlenen voor onder meer ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. In Waalwijk is de provincie Noord-Brabant het bevoegd gezag voor de Wnb. Indien nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van soorten niet (kunnen) worden ontzien, is ontheffing noodzakelijk. Ontheffing is niet benodigd indien de functionaliteit van de nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen gegarandeerd wordt (het beschadigen en vernielen wordt voorkomen door maatregelen of er zijn voldoende alternatieven). Ten slotte is altijd de algemene zorgplicht van toepassing, die inhoudt dat een ieder voldoende zorg in acht neemt voor alle inheemse dieren en planten en hun directe leefomgeving (artikel 1.11 van de Wnb). Concreet betekent dit dat bij ruimtelijke ontwikkeling gezorgd moet worden dat dieren niet gedood worden en dat planten verplant worden.
Ook dient gelet te worden op bijvoorbeeld de voortplantingsperiode van amfibieën en de zoogperiode van zoogdieren. Natura 2000 De Wnb ziet op de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vrl- en Hrl-gebieden). Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor één of meerdere soorten en/of habitats. Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de Natura 2000-gebieden en tevens voor ontwikkelingen daarbuiten die van invloed kunnen zijn (door ‘externe werking’) op die beschermde natuurgebieden, gelden (strenge) restricties. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Middels een ‘habitattoets’ dient te worden onderzocht of een activiteit (significante) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden veroorzaakt. De uitkomsten van de habitattoets dienen te worden beoordeeld door het bevoegd gezag. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden (de voormalige Ecologische Hoofdstructuur / EHS). Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het doel van het NNN is de instandhouding en ontwikkeling van natuurgebieden om daarmee een groot aantal soorten en ecosystemen te laten voortbestaan.
Sinds 2014 zijn de provincies het eerste verantwoordelijke bevoegde gezag voor het NNN (daarvoor was dat de rijksoverheid). De provincies hebben in een verordening regelgeving vastgelegd ten aanzien van het NNN.
6.2
Onderzoek
Door ABO-milieuconsult is een flora- en faunaonderzoek uitgevoerd in het plangebied. De rapportage hiervan is opgenomen in bijlage 3 bij deze toelichting. De resultaten van dit onderzoek zijn weergegeven in onderstaande tabel.
Bestemmingsplan “Soesterberg Noord, kamer 2 – Voormalig Elma-terrein” Toelichting Vastgesteld
43
Tabel 6.1: resultaten flora- en faunaonderzoek
Uit het onderzoek blijkt dat het mogelijk is dat met de plannen vaste rust- en verblijfplaatsen worden aangetast van in de Wet natuurbescherming beschermde vleermuizen. Nader onderzoek naar vleermuizen moet aantonen of vleermuizen in het plangebied verblijven. Voor vogels dient rekening gehouden te worden met het broedseizoen. Vooruitlopend op het aanvullend onderzoek naar vleermuizen zijn, uit voorzorg, aan de bomen rond het plangebied vleermuiskasten opgehangen. Nader onderzoek vleermuizen Door ABO-Milieuconsult is aanvullend onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd. De rapportage is opgenomen als bijlage 6. Uit het rapport blijkt dat er geen vleermuisverblijven aanwezig zijn binnen het plangebied. De voorgenomen werkzaamheden hebben dan ook geen effect op verblijfplaatsen van vleermuizen en een ontheffing is niet noodzakelijk. Met het ophangen van acht vleermuiskasten aan de Sterrenbergweg nabij het foerageergebied zijn acht mogelijkheden voor verblijfplaatsen van vleermuizen gecreëerd. Er is ook geen vaste vliegroute van vleermuizen aanwezig en het foerageergebied in het plangebied is niet essentieel. Ook voor het verwijderen van het groen in het plangebied is daarom geen ontheffing noodzakelijk. Gebiedsbescherming Rondom het plangebied zijn diverse Natura 2000-gebieden gelegen.
De meest nabij gelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden zijn Oostelijke Vechtplassen (circa 10,7 km afstand) en Kolland & Overlangbroek (circa 16 km afstand). De sloop van de bestaande opstallen, het bouwrijp maken, de bouw van de woningen en het woonrijp maken van de locatie wordt de aanlegfase genoemd. De gebruiksfase is aan de orde nadat de nieuwe woningen zijn opgeleverd. Conclusie Door KuiperCompagnons is een onderzoek uitgevoerd naar stikstofdepositie, opgenomen als bijlage 2 bij deze toelichting. Uit dit onderzoek wordt geconcludeerd dat met zekerheid kan worden gesteld dat geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige Natura 2000gebieden door de aanleg en het gebruik van 59 woningen in het plan ‘Soesterberg Noord, kamer 2 – Voormalig Elma-terrein’. Dit betekent dat significant negatieve effecten op de instandhouding van die gebieden kunnen worden uitgesloten en dat de Wet natuurbescherming niet leidt tot belemmeringen voor de ontwikkelingen in dit plan.
6.3
Conclusie
Het aspect ‘Natuur’ vormt geen belemmering voor voorliggend bestemmingsplan.
Bestemmingsplan “Soesterberg Noord, kamer 2 – Voormalig Elma-terrein” Toelichting Vastgesteld
44
7
Water
7.1
Kader
Er is een groot aantal beleidsstukken dat betrekking heeft op de waterhuishouding. Hieronder wordt één en ander uiteengezet. Europees en rijksbeleid Nationaal Waterplan Nederland en water zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. We leven met, naast, op en in het water. Om aan te geven hoe we omgaan met de uitdagingen van ons water, ontwikkelt de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP). Dit programma beschrijft het beleid en het beheer van het Nederlandse water. Daarbij wordt een overzicht gegeven van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en wordt nieuw ontwikkeld beleid voor de periode 2022 – 2027 vastgelegd. Er wordt gewerkt aan schoon, veilig en voldoende water dan klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Het NWP is het eerste programma dat al in de geest van de Omgevingswet werkt. Waterwet De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen. Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd.
De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen. In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en het waterschap samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen (bijvoorbeeld wateroverlast of verdroging) in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is sinds 2003 verankerd in de wetgeving en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. Kaderrichtlijn water De Kaderrichtlijn Water is opgesteld om de waterkwaliteit is Europa te verbeteren. De richtlijn is sinds 2000 van kracht. In de richtlijn staan afspraken die ervoor moeten zorgen dat uiterlijk in 2027 het water in alle Europese landen voldoende schoon en gezond is.
Waterbeheer 21e eeuw (WB21) In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw advies uitgebracht over het toekomstig waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatsvinden. Berging moet binnen het stroomgebied plaatsvinden. Dit
Bestemmingsplan “Soesterberg Noord, kamer 2 – Voormalig Elma-terrein” Toelichting Vastgesteld
45 betekent onder andere het aanwijzen en instandhouder van waterbergingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd. Waterhuishouding In oktober 2001 is de “Handreiking Watertoets 1” uitgekomen. Hierin werd de basis gelegd voor een duidelijke waterparagraaf in ruimtelijke plannen. Eind 2003 is de “Handreiking Watertoets 2; samenwerken aan water in ruimtelijke plannen” verschenen, die de eerste handreiking volledig vervangt. In deze tweede handreiking is per type plan een concrete uitwerking van de watertoets vermeld. Voor bestemmingsplannen geldt het volgende. Vanuit het oogpunt van toelatingsplanologie (de benadering die inmiddels in het nieuwe nationale ruimtelijke beleid is losgelaten maar nog wel als uitgangspunt voor de handreiking geldt) bepaalt het bestemmingsplan welke ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk zijn en welke niet. Het plan geeft de ruimtelijke en functionele randvoorwaarden en mogelijkheden. Om de gewenste ontwikkelingen ook daadwerkelijk te realiseren is vroegtijdig overleg tussen de initiatiefnemer en de betrokken waterbeheerder(s) noodzakelijk. Het doel hiervan is tijdig inzicht te krijgen in de mogelijke negatieve effecten van plannen en besluiten op de waterhuishouding, maatregelen op te zetten om deze negatieve effecten te voorkomen en mogelijke kansen voor het watersysteem te benutten.
Het bestaande nationale, provinciale en gemeentelijke beleid met betrekking tot de waterhuishouding dient altijd als uitgangspunt. Het bestemmingsplan mag geen slechtere waterhuishoudkundige situatie creëren dan in dat beleid is vastgelegd. Met de wettelijke verankering van de watertoets in het Bro worden initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen verplicht “een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding” op te nemen in de toelichting van onder meer streekplannen en bestemmingsplannen. De Nationale Omgevingsvisie Nederland is in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust. We reserveren voldoende ruimte voor toekomstige waterveiligheidsmaatregelen. Nationaal Waterprogramma 2022-2027 Samenhang keuzes NOVI en ambities voor water De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de integrale visie van het rijk voor de fysieke leefomgeving. De NOVI maakt op hoofdlijnen keuzes en is hiermee ook richtinggevend voor water. In de NOVI worden voor de leefomgeving richting 2050 4 prioriteiten gesteld: 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie. 2. Duurzaam economisch groeipotentieel. 3. Sterke en gezonde steden en regio’s. 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
De prioriteiten bestaan uit samenhangende opgaven waarin water steeds een belangrijke rol speelt: • Klimaatadaptatie gaat voor een groot deel over opgaven rond water. Ons land moet blijven werken aan de bescherming tegen overstromingen en de gevolgen daarvan en anticiperen op langdurigere droge perioden voor onze zoetwatervoorziening en de scheepvaart. Wateroverlast moet zo veel mogelijk worden voorkomen door de inrichting van onze steden, infrastructuur en het landelijk gebied aan te passen. Ook de energietransitie gaat voor een groot deel op en rond het water plaatsvinden. Met name op de Noordzee ligt hier een enorme opgave. • Voor een duurzame economie is Nederland voor een belangrijk deel afhankelijk van water, denk aan scheepvaart, landbouw, drinkwater, proceswater, recreatie, etc. Ook is voldoende en schoon water een belangrijke vestigingsfactor voor bedrijven en mensen. • Steden moeten klimaatbestendig gemaakt worden om sterk en gezond te blijven. Er ligt in veel steden een opgave om wateroverlast, hittestress en de gevolgen van overstromingen en droogte te beperken. Bestemmingsplan “Soesterberg Noord, kamer 2 – Voormalig Elma-terrein” Toelichting Vastgesteld
46 •
Voor een toekomstbestendige ontwikkeling van ons landelijk gebied is het nodig om het gebruik van land en water (bijvoorbeeld door de landbouw) beter in balans te brengen met vereisten van ons natuurlijk kapitaal: gezonde bodem- en watersystemen en bijbehorende natuur. Een goede inrichting en beheer van onze watersystemen zijn nodig om onze natuur en biodiversiteit te behouden en verbeteren.
Voor klimaatadaptatie is het belangrijk om integraal te werken, om meekoppelkansen met andere ruimtelijke ontwikkelingen te benutten en om programmering en planning af te stemmen. Veel van deze ontwikkelingen en opgaven komen in regionale gebiedsprocessen samen. Besluiten over de fysieke leefomgeving zullen uiteindelijk vaak op gemeentelijk of provinciaal niveau genomen worden. De watertoets is een wettelijk verplicht instrument dat ervoor zorgt dat het belang van water en klimaatadaptatie wordt meegewogen in de relevante besluiten over het fysieke domein . Bij ruimtelijke ingrepen worden standaarden toegepast die de praktijk van ontwerpen, bouwen en beheren bepalen. Het borgen van klimaatadaptatie in zulke standaarden wordt door het rijk ondersteund door het Overleg Standaarden Klimaatadaptatie (OSKA).
Provinciaal beleid Bodem- Water- en Milieuplan 2016-2021 In het Bodem-, Water- en Milieuplan 2016-2021 van de provincie Utrecht staat wat de provincie de komende jaren samen met haar partners wil bereiken op het gebied van Bodem, Water en Milieu. De uitwerking van dit beleid staat beschreven in de Uitvoeringsagenda Bodem-, Water- en Milieuplan 20162021. De provincie Utrecht richt zich op het behouden en verbeteren van een aantrekkelijk woon-, werk- en leefklimaat. Dit betekent dat we werken aan: • een robuust bodem- en watersysteem • bodem-, water- en milieukwaliteiten die passend zijn voor de functie van een gebied, zoals landbouw, recreatie of natuur • een duurzaam gebruik van de fysieke leefomgeving • een gezonde leefomgeving die een positieve bijdrage levert aan de economische en maatschappelijke ontwikkelingen in de regio
Bestemmingsplan “Soesterberg Noord, kamer 2 – Voormalig Elma-terrein” Toelichting Vastgesteld
47 Interim Omgevingsverordening Behoud van de kwaliteit van het drinkwater is essentieel. De duurzame veiligstelling van de drinkwatervoorziening geldt als een dwingende reden van groot openbaar belang. Voorkomen moet worden dat de risico’s op verslechtering van de bronnen toenemen (stand-still). Voor de afweging is met het belang van drinkwaterwinning voldoende rekening gehouden. De Handreiking (grond)waterbescherming biedt een methode om risico’s van ruimtelijke ontwikkelingen voor de drinkwaterwinning te beoordelen. Als de risico’s op verontreiniging door een functiewijzing toenemen, moeten locatiealternatieven voor de functie en bijbehorende activiteiten worden overwogen. Als dit om zwaarwegende redenen niet kan, moeten maatregelen worden genomen om risico’s te verkleinen. Binnen de gemeente Soest ligt 1 drinkwaterwinning, genaamd Soestduinen. De beschermingszones van de drinkwaterwinningen in omliggende gemeenten overschrijden de gemeentegrens niet. In de interimverordening legt de provincie de nadruk op een klimaatadaptieve inrichting van de fysieke omgeving. Regionaal beleid Leidraad 'Afkoppelen en infiltreren op de Utrechtse Heuvelrug' De leidraad heeft betrekking op het infiltreren van afstromend hemelwater en de risico’s hiervan voor de grondwaterkwaliteit en is onderdeel van het ‘Convenant afkoppelbeleid Utrechtse Heuvelrug’.
Het convenant is een overeenkomst voor de periode 2010-2015, tussen de Provincie Utrecht, Waterschap Vallei & Eem, Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden, Vitens en negen gemeenten, waaronder de gemeente Soest. De leidraad is van toepassing op dat deel van de Utrechtse Heuvelrug, waarbinnen het grootste deel van het neerslagoverschot (de opdiepe grondwateraanvulling) het diepe grondwater bereikt. Gebieden met oppervlaktewater vallen hier niet onder. De grondwatervoorraad op de Utrechtse Heuvelrug is kwetsbaar en vraagt om locatie specifiek beleid voor infiltratie. Er is een beslisschema opgesteld, welke richting geeft aan te maken keuzes en bestaat uit een voorkeursvolgorde voor infiltratie, een richtlijn die aangeeft welke keuzemogelijkheden er zijn, en een beschrijving van maatregelen om uitspoeling naar grondwater te beperken. Beleid waterbeheerder Blauwe Omgevingsvisie 2050 De driedimensionale Blauwe Omgevingsvisie 2050 (BOVI) is de langetermijnvisie van Waterschap Vallei en Veluwe. Met deze BOVI zet Waterschap Vallei en Veluwe op een geheel nieuwe wijze koers naar een duurzame en waterinclusieve leefomgeving. Daarbij kijkt Waterschap Vallei en Veluwe integraal, grensontkennend, over de grenzen van taken en gebieden heen en werkt vanuit de drie zogenoemde waterprincipes: • Water is een ordenend principe in de ruimtelijke ordening.
• Maximaal vasthouden en schoonhouden van water. • Partnerschap als watermerk. Deze principes leiden tot één samenhangende weergave van water in het landschap van Vallei en Veluwe: één kringloop van bron tot monding, door stedelijk en landelijk gebied en van boven- en ondergrond. Blauw omgevingsprogramma 2022-2027 Het Blauw Omgevingsprogramma (BOP) is het waterbeheerprogramma van Waterschap Vallei en Veluwe voor de planperiode 2022-2027. Het waterbeheerprogramma is een kerninstrument onder de omgevingswet en bevat naast de verplichte onderdelen van het programma (zoals Kader Richtlijn Water Bestemmingsplan “Soesterberg Noord, kamer 2 – Voormalig Elma-terrein” Toelichting Vastgesteld