3. Bijlage 2 Startnotitie Werken
Tekst van het document
- Draagvlak: Is er maatschappelijk (bij verschillende doelgroepen) en politiek draagvlak voor de maatregel? Zijn direct betrokkenen bereid om aan de maatregel mee te werken? - Haalbaarheid: Is de maatregel voldoende concreet? Als dit niet het geval is, is de maatregel te vervangen door een vervolgonderzoek waarin de maatregel concreet gemaakt kan worden? - Uitvoerbaarheid: Is de maatregel vanuit het perspectief van de gemeente uitvoerbaar? Vernieuwing van vastgoed ligt bijvoorbeeld buiten de rol van de gemeente, maar stimuleren of de randvoorwaarden scheppen voor vernieuwing is voor de gemeente wel uitvoerbaar. - Kosten: Hoe duur is de maatregel en wie moet daarvoor betalen? Is de maatregel door de gemeente te financieren en is de maatregel kosteneffectief? - Planning: Op welke termijn is de maatregel uitvoerbaar? We onderscheiden maatregelen in perioden van 6 jaar, namelijk 2024 t/m 2029, 2030 t/m 2035 en na 2035. Bij de keuze voor een te nemen maatregel moet over de grenzen van het programma werken heen gekeken worden. Daarbij zullen maatregelen die ook bijdragen aan andere omgevingsprogramma’s meer voor de hand liggen. Daarbij zal tevens blijken dat niet op elke plek alle doelstellingen optimaal behaald kunnen worden en niet elke maatregel bijdraagt aan andere beleidsdoelstellingen buiten het programma werken.
Het koppelen van kansen verhoogd de effectiviteit van te nemen maatregelen. Op dit moment sluiten we nog geen maatregelen of oplossingsrichtingen uit, maar gaan (en staan) voor de gestelde doelstellingen en de hierbij behorende optimale aanpak. In de
uitwerking van het omgevingsprogramma maken we vervolgens keuzes dan wel zullen we er voor kiezen sommige maatregelen te temporiseren / achtereenvolgens te realiseren. Daar waar belangen tussen de verschillende programma’s tegenstrijdig zijn, zullen bestuurlijk keuzes gemaakt moeten worden. Vooralsnog is het beeld van mogelijk tegenstrijdige belangen niet concreet, zo ook het afwegingskader niet. Op grond van de Global Goals is in 2016 een model ontwikkeld dat zou kunnen dienen als afwegingskader, de zogenaamde ‘Wedding cake’. In dit model wordt uitgegaan van de randvoorwaardelijkheid van de biosfeer voor de maatschappij en economische activiteiten. Simpel gesteld: zonder aandacht voor de biosfeer is er eenvoudig geen maatschappij of economie meer mogelijk.
Wedding Cake bij de Global Goals
3.6 Eindresultaat In het omgevingsprogramma Werken gaan we in op het hoe. “Hoe kunnen we sturen op meer arbeidsplaatsen en intensivering van onze bedrijventerreinen, hoe zorgen we voor een goede balans tussen doeners en denker, tussen wonen en werken, met passende voorzieningen en ruimte om te verblijven en te recreëren?” Onder het omgevingsprogramma vallen vier deelprogramma’s. Het omgevingsprogramma Werken vormt de kapstok voor deze deelprogramma’s en geeft de samenhang en het totaalkader weer. Hoewel de deelprogramma’s veel met elkaar te maken hebben, heeft het vanuit beleid de voorkeur om in de toekomst herijking van deze deelprogramma’s los van elkaar uit te kunnen voeren. Vooralsnog wordt derhalve uitgegaan van aparte documenten. Het omgevingsprogramma Werken wordt een compact, positief en inspirerend geschreven document. We zorgen voor een fris en visueel aantrekkelijk stuk door inzet van een grafisch vormgever en professionele fotografie. In het document krijgen een visiekaart en overzichtskaarten een centrale plek. Deze kaarten moeten lange lappen tekst helpen vervangen. In het stuk komen geen uitgebreide verantwoordingen en vakjargon proberen we zoveel mogelijk te vermijden. Onderzoeksresultaten en verantwoording van onze werkwijze komen waar mogelijk in bijlagen.
In het omgevingsprogramma Werken staan de maatschappelijke doelen die we willen bereiken centraal en wordt aangegeven hoe we dit gaan doen (resultaatgericht). In principe wordt er per deelprogramma een uitvoeringsprogramma opgesteld, e.e.a. voor zover noodzakelijk wordt geacht. De uitvoeringsprogramma’s worden eveneens compacte documenten, waarin concrete acties/maatregelen benoemt worden die een bijdrage leveren aan de gestelde maatschappelijke doelen. Per actie / maatregel wordt aangegeven wat de kosten zijn en wanneer die uitgevoerd kunnen worden. Het uitvoeringsprogramma is eigenlijk een projectenlijst aan de hand van de zes doelen die in het omgevingsprogramma zijn gesteld. Het omgevingsprogramma Werken en de uitvoeringsprogramma’s worden tegelijkertijd vastgesteld. Kostenverhaal De programma’s Wonen en Werken leiden uiteindelijk tot initiatieven en projecten, waarvoor allerlei maatregelen binnen het fysieke domein (vanuit de programma’s Groen, Water, Mobiliteit en Energietransitie) nodig zijn en waar dus kosten aan hangen. De gemeente is verplicht om deze kosten te verhalen op (woning)bouwprojecten. Lukt dat niet privaatrechtelijk (via een anterieure overeenkomst met bijvoorbeeld een ontwikkelaar) dan moet dat publiekrechtelijk.
Indien gebruik wordt gemaakt van de publiekrechtelijke regeling zal het bevoegde bestuursorgaan in het besluit dat de activiteit mogelijk maakt regels of voorschriften opnemen over het verhaal van kosten. We onderscheiden hierbij twee typen gebiedsoverstijgende kosten:
−
−
Kosten voor bovenwijkse voorzieningen waarvoor een PTP toets nodig is. PTP staat voor profijt, toerekenbaar en proportionaliteit: heeft de ontwikkeling profijt van de investering, doe je de investering vanwege de ontwikkeling en in hoeverre heeft de ontwikkeling profijt van de investering. Per ontwikkeling bepalen we het bedrag aan bovenwijkse voorzieningen in de zogenaamde kostenverhaalsbeschikking; Financiële bijdrage. Naast het kostenverhaal kunnen we ook een financiële bijdrage vragen (bij initiatiefnemer). Daar is niet per se een PTP toets nodig. Wel is er een functionele samenhang nodig tussen de investering en de ontwikkeling die we vastleggen in de omgevingsvisie, (via het programma) richting een uiteindelijke vergunning of wijziging van het omgevingsplan. Ook rekenen we met de proportionaliteit van de investering.
Voorgaande tekst vloeit voort uit de (nieuwe) Nota Kostenverhaal, waarin uitgebreid wordt aangegeven hoe wij in onze gemeente om willen gaan met kostenverhaal en waarin een relatie wordt gelegd met de omgevingsprogramma's. De Nota Kostenverhaal wordt in dezelfde raadscyclus als de startnotities ter besluitvorming voorgelegd. Via kostenverhaal kan vaak slechts een deel van de kosten verhaald worden. In de uitvoeringsparagraaf van het programma zullen wij gaan aangeven hoe we de resterende kosten (zo veel mogelijk) te dekken.
4.
Plan van Aanpak
Dit hoofdstuk geeft antwoord op de organisatorische vraag hoe het programma tot stand komt. De vaststelling van dit hoofdstuk is in principe aan het college van B&W en ter kennisgeving voor de gemeenteraad.
4.1 Globale aanpak Om tot het programma te komen onderscheiden we globaal vier fasen: Analysefase In de eerste fase na vaststelling van deze startnotitie doen we nader onderzoek op basis van de opdrachten voor dit programma in hoofdstuk 3. We onderzoeken per deelprogramma hoe het er voor staat in Soest en hoe zich dit verhoudt tot de doelstellingen van het programma. Welke trends en ontwikkelingen zien we op het gebied van werken, welke ontwikkelingen zien we in de regio en in de nauw verbonden beleidsterreinen zoals mobiliteit, woningbouw, groen en duurzaamheid? Dit brengen we in beeld en een samenvatting hiervan vormt straks het eerste inhoudelijke hoofdstuk voor het programma. Welke onderzoeken we precies doen in de analysefase staat uitgewerkt in paragraaf 4.2. Participatiefase Als tweede stap en deels parallel aan de analysefase brengen we in beeld wat inwoners, ondernemers, belangenverenigingen en andere belangrijke stakeholders vinden van de werkgelegenheid in Soest en hoe zij aankijken tegen onze werklocaties en daarmee tegen de 4 deelprogramma’s. Hoe waarderen zij onze bedrijventerreinen, onze kantoorlocaties, onze centrumgebieden en onze recreatiemogelijkheden? Wat vinden zij belangrijke aspecten die een plek moeten krijgen in het programma? Hoe kijken zij bijvoorbeeld aan tegen de transformatie van bedrijventerreinen naar woningen en de zondagopenstelling.
Daarnaast inventariseren we in de participatiefase alle mogelijke ideeën die er in de samenleving bestaan voor het programma. De participatie staat verder uitgewerkt in paragraaf 4.4. Ontwerpfase In de ontwerpfase stellen we een conceptprogramma Werken op. Dat doen we op basis van de kaderstelling en de opdracht uit deze startnotitie, aangevuld met de informatie die we verzamelen in de analysefase en uit de participatie. Daarbij bepalen we op welke trends en ontwikkelingen we willen inspelen en welke beleidskeuzes hierbij horen. We kijken bovendien nadrukkelijk naar de andere omgevingsprogramma’s, waar ze elkaar raken en waar een integrale aanpak nodig is. Veel doelstellingen hangen immers met elkaar samen. Dat betekent dat in de uitvoering ook gezamenlijk opgetrokken zal worden om deze te bereiken. Voor het omgevingsprogramma Werken maken we onderscheid in de verschillende deelprogramma’s, waarbij we vervolgens de zes hoofddoelen uitwerken uit deze startnotitie in een strategie, meetbare subdoelen of indicatoren en wat we daarin willen bereiken en onder welke randvoorwaarden.
Naast het omgevingsprogramma maken we in deze fase ook een uitvoeringsprogramma. Dit wordt een actieplan met concrete maatregelen om de doelstellingen die in het omgevingsprogramma Werken staan te realiseren. We brengen in beeld welke acties, plannen, welke fasering, en welke budgetten hiervoor nodig zijn. Een onderdeel daarvan is ook het monitoringsprogramma. Besluitvormingsfase Het omgevingsprogramma en het uitvoeringsprogramma vormen uiteindelijk één geheel en kunnen niet zonder elkaar. We stellen ze daarom ook tegelijk vast. Voordat we dat kunnen doen volgt eerst een zienswijzeprocedure. In die periode kan iedereen nog aandachtspunten meegeven. In de zienswijzennota geven we aan hoe we de input die we in deze fase krijgen, meenemen in het definitieve programma. Dat programma leggen we ter besluitvorming voor.
4.2 Onderzoek, informatie en kwaliteit In deze paragraaf gaan we in op de informatie die aanwezig is of juist nog nodig is voor het opstellen van het omgevingsprogramma. Naast de vier deelprogramma’s onder het omgevingsprogramma Werken, is er ook nog een aantal andere – integrale – opgaven die hieronder benoemd worden, omdat ze voor werken van wezenlijk belang zijn.
Deelprogramma: Bedrijventerreinen In het Omgevingsprogramma Werken leggen we vast hoe we de bedrijventerreinen toekomstbestendig maken en kwaliteit toevoegen. Dit programma bouwt voort op, en integreert het Toetsingskader Ruimte voor Bedrijven Soest en Soesterberg dat in 2017 is vastgesteld en waarin de ruimtebehoefte voor bedrijven en kantoren is vastgelegd. Daarnaast is als extra basis voor de visie eind 2021 / begin 2022 een onderzoek uitgevoerd naar de (on)mogelijkheden voor intensivering, verkleuring en transformatie van bedrijventerreinen. Naast de bedrijventerreinen zijn er zogenaamde informele werklocaties: het gaat hier om bedrijfsruimte buiten een officiële werklocaties zoals een bedrijventerrein of kantoorlocatie. Het onderzoek van Stec ‘Prognose bedrijventerreinen provincie Utrecht uit 2020 laat zien dat zowel Soest als Soesterberg de nodige locaties met dit karakter hebben. In het programma doen we uitspraken hoe we in de toekomst met deze locaties willen omgaan en hoe en waar we eventueel verlies aan werkgelegenheid willen compenseren.
Deelprogramma: Kantoren Met de economische stand van zaken verandert de behoefte aan kantoren mee. Dit is eigenlijk van alle tijden. Echter, de impact is wel aan verandering onderhevig, doordat thuis werken tegenwoordig voor diverse beroepsgroepen heel gemakkelijk is. De verwachting is dat het kantoor steeds meer zal transformeren naar een ontmoetingsplek. Ook het belang van gezondheid neemt toe. Hierdoor zijn duurzame, slimme kantoorgebouwen in een groene omgeving die uitstekend met het OV-bereikbaar zijn en een aantrekkelijke en gezonde mix van wonen, werken en verblijven bieden de grote winnaars. Het Toetsingskader Ruimte voor Bedrijven Soest en Soesterberg 2017 – 2027 biedt input voor de kantoren(markt). Dit Toetsingskader is in 2020 voor de kantorenmarkt geüpdatet. Dit onderzoek kent een met name kwantitatieve insteek en geeft al de nodige handvatten voor uitwerking. Omdat Soest relatief veel hoogopgeleide ZZP-ers heeft (en het aandeel ZZP-ers de afgelopen jaren is toegenomen), verwachten we dat het zinvol is om inzichtelijk te krijgen wat hun (werk)behoefte is, zodat we hier goed op in kunnen spelen. Dit vereist mogelijk extra onderzoek. De Provincie Utrecht beschikt over bruikbare data die eveneens ingezet kan worden.
Deelprogramma: Retail Onder retail worden detailhandel, dienstverlening en horeca verstaan. Het huidige beleid ligt vast in de Retailvisie 2016 – 2026. In de praktijk is merkbaar dat dit beleid aan herijking toe is. Dit stond al gepland voor 2023 en wordt nu integraal meegenomen als onderdeel van dit omgevingsprogramma. Onderdeel van deze herijking is de toekomstbestendigheid van de supermarkten in Soest en de (kwalitatieve) afwegingen die we moeten maken om deze optimaal te laten bijdragen aan toekomstbestendige winkelgebieden. Daarnaast is een belangrijk issue het karakter van onze winkelgebieden: houden we vast aan de huidige stringente bestemming of bieden we meer flexibiliteit voor andere functies die de gebieden versterken? Denk daarbij ook aan culturele voorzieningen of andere niet-winkelfuncties die nu niet altijd een plek kunnen vinden. Tot slot kijken we ook naar de gebieden die in de Omgevingsvisie als centrumgebieden zijn aangemerkt en hoe die een plek in het nieuwe beleid krijgen.
Deelprogramma: Recreatie & Toerisme Op het gebied van Recreatie & Toerisme is er een beleidsplan ‘Recreatie en Toerisme 2012 – 2022. Dit beleidsstuk is aan vervanging toe en stond al op de planning voor 2023. Bij het opstellen van het nieuwe beleid is er onderzoek nodig naar de huidige arbeidsmarkt binnen deze sector, waar de kansen liggen, welke toegevoegde waarde deze sector voor de arbeidsmarkt kan hebben en hoe de regionale ambities zich vertalen naar concrete functies met bijbehorend ruimtebeslag (binnen en buiten de bebouwde kom, sport én spel, actief en passief, voor jong en oud, op één plek of op een route, bevorderen van gezondheid en vitaliteit, enzovoorts.
Naast het actualiseren van dit beleid is er wel een recent beleidsstuk voor de horeca in het buitengebied ‘Horecabeleid buitengebied Soest 2019 – 2029’ vastgesteld. Dit beleid zal geïncorporeerd worden in het omgevingsprogramma Werken.
Integraal aangepakt Onderzoek naar stationsomgevingen en belangrijke OV-knooppunten De Regio Amersfoort is sinds het BO MIRT in oktober 2022 volwaardig partij in het rijk-regio programma U Ned. In het onderzoeksprogramma U Ned werken rijk, provincie en gemeenten samen aan maatregelen op het gebied van wonen, werken en bereikbaarheid. Het Ontwikkelbeeld Regio Amersfoort Centraal! vormt samen met Utrecht Nabij (van de U10) één verstedelijkingsstrategie. Daarin zijn metropoolpoorten opgenomen (Amersfoort en Utrecht) waar grootschalige verstedelijking plaatsvindt. Daarnaast zijn regiopoorten gedefinieerd. Dit zijn openbaar vervoer knopen in de regio waar tevens een deel van de groei wordt geaccommodeerd, maar waar ook kansen liggen als verbinding van de metropoolpoorten met vitale kernen, het buitengebied en de groenblauwe netwerken. Binnen de U Ned programmalijn Regiopoorten is afgelopen jaar een ruimtelijk programmatische verkenning uitgevoerd naar de potentie van de 8 regiopoorten uit “Utrecht Nabij” (U10). De bevindingen geven inzicht in de kansen en potenties van regiopoorten. In de uitwerking is ook een doorkijk gemaakt voor de periode na 2030 en de verbinding met de Regio Amersfoort. Hierbij kwam onder andere de potentie van Soest en/of Soesterberg als mogelijke regiopoort naar voren.
Omdat dit aansluit bij de opdracht voor de omgevingsprogramma’s wonen, werken en mobiliteit, willen we dit graag samen met U Ned en Regio Amersfoort verkennen. Onderzoeksvragen die hier aan de orde komen zijn bijvoorbeeld: - hoe we wonen en werken nabij OV-knopen kunnen versterken, waarbij verstedelijking wordt gecombineerd met een mobiliteitsprofiel gericht op lopen, fietsen en openbaar vervoer; - hoe knooppuntontwikkeling bijdraagt aan een betere HOV-ontsluiting van Soest/Soesterberg en het versterken van de Soesterlijn; - hoe OV-knopen in Soest (Soesterlijn, maar ook P+R Soesterberg of eventuele nieuwe knopen) bijdragen aan de bereikbaarheid van de Metropoolregio Utrecht, inclusief de toegankelijkheid van groene/blauwe gebieden. Onderzoek welke mobiliteitsmaatregelen een grote bijdrage leveren aan de CO2-reductie Het verminderen van CO2 uitstoot is een van de belangrijkste doelstellingen in het omgevingsprogramma energietransitie. We gaan daarom onderzoeken welke maatregelen de meeste bijdrage leveren aan de CO2-reductie en welke rol het omgevingsprogramma Werken hierin kan spelen. Omdat er op dit vlak al veel gebeurt (onder andere met zonnepanelen op daken), onderzoeken we of we hiermee de beoogde doelstellingen halen en of en hoe het programma Werken hier nog meer aan bij kan dragen.
Opstellen waardenkaart en ambitiekaart voor wonen en werken Om inzicht te krijgen hoe de verschillende omgevingsprogramma’s ruimtelijk in elkaar grijpen, worden er waardenkaarten opgesteld. Deze kaarten maken inzichtelijk op welke locaties welke functies kunnen landen en wat daar de consequenties van zijn. Zo levert het programma mobiliteit input voor de programma's wonen en werken. Immers, door gebruik te maken van de data uit ons verkeersmodel, kunnen we op kaart inzichtelijk waar kansen liggen voor wonen en werken, rekening houdend met de wegcapaciteit. Daarnaast maken we ambitiekaarten. Daarin schetsen we een integraal toekomstbeeld, waar rekening wordt gehouden met bijvoorbeeld de nabijheid van OV en retail bij kantoorlocaties, optimale locaties voor woningbouw op basis van het STOMP-principe vanuit mobiliteit, of locaties voor energieopwekking i.r.t. recreatie. Per thema worden er kaarten gemaakt, die vervolgens over elkaar heen gelegd kunnen worden. Voor het maken van deze themakaarten wordt een GIS-specialist ingeschakeld. Het is de bedoeling deze kaarten zodanig (digitaal) op te zetten, dat ze langdurig (strategisch) kunnen worden ingezet.
Opstellen van ‘De Natuurlijke Aard’ van Soest Om ruimtelijk richting te kunnen gaan geven aan wat belangrijk is voor de gemeente (wat we willen) en hoe dat past in het ruimtelijk karakter van de Soest en Soesterberg, onderzoeken we wat de natuurlijke aard van Soest is. Het is een algeheel ruimtelijk onderzoek dat van kwantitatieve en kwalitatieve aard is en de ruimtelijke capaciteit definieert.
4.3 Programma-organisatie De vier wethouders treden gezamenlijk op als bestuurlijk opdrachtgever. De ambtelijk opdrachtgever is de manager ‘fysieke leefomgeving’. Het programma wordt opgesteld onder leiding van een regievoerder. In dit geval is dat de beleidsmedewerker Economische Zaken. Daarbij zijn er de volgende overlegvormen: Stuurgroep De vier wethouders vormen een stuurgroep samen met een compact ambtelijk kernteam bestaande uit de ambtelijk opdrachtgever en de regievoerder van het programma en de integrale regievoerder. Zij bespreken op regelmatige basis de belangrijkste issues die bij de totstandkoming van het programma naar voren komen. Programmateam In het programmateam zitten de medewerkers van het cluster Economische Zaken (in beginsel worden dat 2 beleidsmedewerkers en de accountmanager bedrijven) en als agenda lid een communicatieadviseur en een financieel adviseur. Zij verdelen de werkzaamheden en voeren individueel of gezamenlijk deelopdrachten uit. Het programmateam staat onder leiding van de regievoerder. Deze persoon bespreekt op regelmatige basis de belangrijkste issues die bij de totstandkoming van het programma naar voren komen met de ambtelijke opdrachtgever (de teamleider).
Interdisciplinair team omgevingsprogramma's De regievoerders van de zes programma's wonen, werken, mobiliteit, water, energietransitie en groen-landschap vormen samen met een integrale regievoerder, eventuele adviseurs vanuit andere vakdisciplines en een ondersteuner een interdisciplinair team. In dit team wordt de integraliteit tussen de programma's geborgd. Bijeenkomsten interne organisatie Tijdens het opstellen van de omgevingsprogramma’s vindt op een aantal momenten een terugkoppeling en uitwisseling plaats met de interne organisatie. Niet alleen met de collega’s die zich bezighouden met de fysieke leefomgeving, maar ook de collega’s uit het sociaal domein worden hierbij betrokken. Daarmee bereiken we een nog grotere samenhang tussen de verschillende programma’s, de andere thema’s uit het fysiek domein, de projecten van het projectbureau en de thema’s van het sociaal domein. Wij informeren de organisatie over waar we staan in het proces. Daarnaast halen we relevante informatie op om tot integrale afwegingen te kunnen komen.
4.4 Participatie Omgevingsvisie Soest en Soesterberg Met het omgevingsprogramma dat volgt op deze startnotitie gaan wij gericht aan de slag met de doelen, ambities en kwaliteiten zoals opgenomen in onze omgevingsvisie. Voor die omgevingsvisie heeft tussen 2019-2021 ook al een uitgebreid participatietraject plaatsgevonden, waarbij vanaf het begin is gekozen voor een aanpak die uitging van het zo vroeg mogelijk betrekken van de samenleving en het bereiken van een zo divers en representatief mogelijke groep. De vraag die destijds voor lag is echter anders dan de vraag die nu voor ligt. In het visieproces was de vraag aan de samenleving: ‘wat voor Soest en Soesterberg willen we zijn (in 2040)?’. De uitkomsten van dat proces zijn uiteindelijk vertaald naar onze omgevingsvisie (met onze doelen, ambities en kwaliteiten). Ondanks dat de vraag aan de samenleving nu anders is, kunnen wij veel van de informatie en inzichten die in het traject van de omgevingsvisie zijn opgehaald ook gebruiken in de uitwerking naar de programma’s. Het gaat dan om input die is verkregen in zowel de ophaalfase (441 straatinterviews, 25 groepsinterviews met in totaal ca. 60 maatschappelijke partijen, aparte interviews met jongeren, vlogs en gesprekken met leerlingen van het Griftland en de Carolusschool en ca.
15 ambtelijke interviews) als in de vervolgfase, waarin samen met de samenleving is nagedacht over ideeën en oplossingen voor de opgaven uit de ophaalfase. De vervolgfase startte destijds met de week van de Omgeving waarin fysieke en digitale workshops werden gehouden rondom allerlei verschillende thema’s (ca. 250 deelnemers, waaronder 50 jongeren) en die gevolgd werd door een (laagdrempelige) internetconsultatie met ruim 30 polls over verschillende onderwerpen (1965 uitgebrachte stemmen en 225 geschreven reacties)
Rond de programma’s stellen wij straks verdiepende vragen op die visie. Wij gaan (opnieuw) met de samenleving in gesprek, maar nu over de vraag hoe we die gestelde ambities en doelen willen bereiken. Omgevingsprogramma We willen met het omgevingsprogramma werken een bijdrage leveren aan de opgaven die in de Soester samenleving spelen. Van grondeigenaren, inwoners, belangenverenigingen en andere belangrijke stakeholders horen we graag welke knelpunten zij zien en welke oplossingen daarbij horen. We maken het beleid ten slotte niet voor onszelf. Daarnaast maken we ook graag gebruik van de ideeën van de mensen voor en met wie we dit allemaal doen.
Integrale aanpak De participatie zetten we integraal op, voor alle zes de omgevingsprogramma’s tegelijk, omdat het traject tegelijk loopt en we deze zo optimaal mogelijk met elkaar willen verweven. Neemt niet weg dat de stakeholders per programma deels zullen verschillen, waardoor er voor diverse specifieke doelgroepen aparte bijeenkomsten nodig zullen zijn. Het voorstel is om een extern bureau in te schakelen voor het uitwerken en uitvoeren van de participatie. Vanuit de gemeente begeleidt de afdeling communicatie het traject, in nauwe afstemming met de regievoerder. Stakeholderanalyse: voor en met wie? We hebben helder wie onze stakeholders zijn. Specifieke groepen voor werken zijn bijvoorbeeld de ondernemers op de bedrijventerreinen en in onze winkelgebieden, maar ook partijen die betrokken zijn bij recreatie en toerisme. Ook hebben we inzichtelijk waar de overlap zit met stakeholders van andere programma’s. Bij werken zijn dat naast inwoners en omwonenden bijvoorbeeld ontwikkelaars, beleggers en woningbouwcorporaties. Wat gaan we ophalen en hoe? We weten wie we welke vragen willen stellen. In onze participatie zoeken we ook naar de raakvlakken met de andere programma’s. Waar thema’s elkaar raken, bundelen we de vragen zodat we onze stakeholders maar één keer bevragen en niet apart voor de verschillende thema’s gaan overvragen.
Het participatieplan met nadere uitwerking van de volgende instrumenten maken we in de analysefase.
Uitvoering Bewoners - enquête Van bewoners willen we graag weten wat ze belangrijker vinden. Daarbij krijgen ze dan steeds een keus voorgelegd die aansluit bij de belevingswereld. Hierbij worden ze gevraagd een afweging te maken over wat belangrijker is, bijvoorbeeld meer parkeerplekken in de
straat of meer groen? Meer werkgelegenheid of meer nieuwe woningen? Dergelijke keuzes helpen ons bij de beleidsafwegingen die we in de programma's maken. Als eerste stap in de participatiefase vragen we het inwonerpanel om hun mening. Daarmee kunnen we een representatief beeld te geven van de mening van onze inwoners. We vullen dit aan met een participatie-instrument dat specifiek gericht is op jongeren. We voorkomen daarmee dat we in de participatie alleen de mening van belangengroepen en inwoners met een bovenmatige interesse in het gemeentelijk beleid horen. De vragenlijst bevat niet alleen vragen over werken, maar ook over mobiliteit, wonen, groen, energie en water. Omdat de participatie van deze omgevingsprogramma's op hetzelfde moment in de tijd loopt, bundelen we dit in één enquête. Dat geeft ons ook de kans om integrale afwegingen voor te leggen. Trede op de participatieladder: raadplegen.
Bewoners – de markt op We willen de samenleving breed vragen om ons te voeden, zodat iedereen de mogelijkheid heeft om inbreng te leveren. Ook op de thema’s bedrijventerreinen, kantoren, retail en recreatie & toerisme. Voor veel inwoners is beleid abstract. Het staat soms ver van het bed. Daarom maken we het zo concreet mogelijk. We vragen om maatregelen aan te leveren voor ons uitvoeringsprogramma. Het idee is om concreet op de markt dan wel in de centrumgebieden en bij de supermarkten met een kraam te gaan staan. Zo bereiken we ook de mensen die niet zo snel naar een avond in het gemeentehuis komen. Inwoners leggen we keuzes voor en vragen we om een uitspraak. Hoe we dit precies gaan doen is ter uitwerking, we zullen zoeken naar een ludieke manier. Doel is in elk geval om op een laagdrempelige manier inwoners zich te laten uitspreken wat zij het belangrijkste vinden. Daarnaast willen we ook inwoners de mogelijkheid geven met concrete maatregelen en ideeën te komen. Dit zullen we faciliteren. Trede op de participatieladder: raadplegen
Bewoners – participatieplatform Denk mee over Naast het digitale inwonerpanel kunnen we ook ons digitale platform Denkmeeover.nl inzetten. Hier kunnen inwoners zelf informatie vinden over de programma’s, hun mening achterlaten en die van anderen zien. Deze participatietool zetten we regelmatig succesvol in. Waar in het inwonerspanel gezocht wordt naar gedeelde waarden en de vraagstelling een meer gesloten (meerkeuze) karakter heeft, biedt Denk mee over alle ruimte voor creatieve en deskundige inbreng van inwoners. Op die manier combineren we de inbreng van mensen die géén bovenmatige interesse hebben in gemeentelijk beleid met de inbreng van specialisten, liefhebbers en andere belanghebbenden bij beleid. Ook draagt de tool bij aan de communicatie over het omgevingsprogramma werken.
Trede op de participatieladder: raadplegen
Belangenverenigingen - themasessies Gezien de breedte van het omgevingsprogramma werken, de deelprogramma’s die hier onderdeel van uitmaken en de raakvlakken met de andere omgevingsprogramma’s, verwachten we dat er een aantal themasessies georganiseerd worden met stakeholders, zoals ondernemers(verenigingen) en andere belangstellenden. Tijdens deze sessies verkennen wij wat er in het omgevingsprogramma zou moeten staan en mogelijke maatregelen die daarbij horen. Bij de themasessies zijn raadsleden welkom als toehoorder. Trede op de participatieladder: raadplegen
Adviesorganen – aansluiten bij vergadering Binnen de gemeente kennen we een tweetal ruimtelijke adviesorganen die advies geven over een breed scala van ruimtelijke aspecten bij vergunningen, bestemmingsplannen en beleid. Dit zijn de commissie Ruimtelijke Kwaliteit en de adviescommissie Milieu en Ruimte. Vanuit de zes programma’s sluiten we aan bij een bijeenkomst van beide adviescommissies om hun advies in te winnen. Trede op de participatieladder: adviseren
Andere overheden – bestuurlijke gesprekken We voeren bestuurlijke gesprekken met de gedeputeerde van de Provincie Utrecht, de wethouders van de gemeenten Amersfoort, Baarn en Zeist en met een selectie van andere essentiële stakeholders op bestuurlijk niveau. Uiteindelijk moeten we ervoor zorgen dat het beleid goed aansluit op de keuzes die door andere overheden en beleidsmakers worden gemaakt. Trede op de participatieladder: adviseren
4.5 Procedures Vaststelling In lijn met de Omgevingswet stellen burgemeester en wethouders omgevingsprogramma’s vast (Omgevingswet artikel 3.4). De gemeenteraad stelt de omgevingsvisie vast, zoals zij dat hebben gedaan in december 2021. Als op 1 januari 2024 (naar verwachting) de Omgevingswet in werking treedt, is er dus geen rol voor de raad bij de vaststelling van het programma.
Indien de Omgevingswet niet in werking is getreden ten tijde van de vaststelling van het programma, dan stelt de raad het programma vast. Als het omgevingsprogramma aanleiding geeft tot het aanpassen van kaders uit de omgevingsvisie, dan vragen wij de raad dit vaststellen. Tegelijk met het omgevingsprogramma wordt ook het uitvoeringsprogramma vastgesteld. Ook dat is aan het college. Als voor de uitvoering meer geld nodig is dan nu beschikbaar, dan vragen wij de raad om meer budget. De gemeenteraad blijft gaan over de financiële kaders voor het uitvoeringsprogramma (het budgetrecht). Participatie Onder de Omgevingswet is participatie niet vrijblijvend. In het programma moet staan hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere bestuursorganen bij de voorbereiding betrokken zijn. En wat de resultaten daarvan zijn. Deze motiveringsplicht is geregeld in artikel 10.8 van het Omgevingsbesluit. Afstemmings- en consultatieverplichtingen In artikel 2.2 van de Omgevingswet staat: “Een bestuursorgaan houdt bij de uitoefening van zijn taken en bevoegdheden op grond van deze wet rekening met de taken en bevoegdheden van andere bestuursorganen en stemt zo nodig met deze andere bestuursorganen af.” Dat betekent dat we bij het vaststellen van het programma met andere partijen in overleg moeten. Hoe we dat moeten doen wordt vrijgelaten.
Bepalingen over mededelingen, toezendverplichtingen en overlegverplichtingen zijn geschrapt. Het Omgevingsbesluit vermindert het aantal procedurele bepalingen, waardoor procedures inzichtelijker worden. De procedurele bepalingen gaan uit van het vertrouwen tussen overheden. Mer-beoordelingsplicht Op het omgevingsprogramma werken is een mer-beoordelingsplicht van toepassing. Die beoordeling moet plaatsvinden als het programma een kader biedt voor de aanleg, wijziging of uitbreiding van werklocaties. Naar verwachting zal dit alleen bij aanleg van een nieuw bedrijventerrein gelden. De aanwezigheid van de beoordelingsplicht zal bij het opstellen van het programma nader worden uitgezocht. Publicatie Het programma zelf moeten we publiceren in het Omgevingsloket van het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Om dat te kunnen doen moeten we bij het maken van het programma gebruik maken van een nieuwe standaard, de Standaard officiële publicaties met Toepassingsprofielen voor omgevingsdocumenten (STOP/TPOD). We moeten het programma publiceren via de ‘Landelijke voorziening bekendmaken en beschikbaar stellen’ (LVBB). Zienswijzen Bij het opstellen van een programma geldt de Uniforme openbare voorbereidingsprocedure volgens afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dat staat in artikel 16.27 lid 1 Omgevingswet. Dat betekent dat iedereen zienswijzen kan indienen, dus niet alleen
belanghebbenden. Deze procedure duurt zes weken na publicatie van het ontwerpprogramma. Bezwaar en beroep Een omgevingsprogramma bindt alleen de gemeente zelf. Vanwege het zelfbindende karakter staat er geen beroep open tegen het besluit tot vaststelling van een programma (artikel 1 van bijlage 2 van de Awb).
4.6 Budget Voor het opstellen van het omgevingsprogramma Werken is nog geen budget beschikbaar. Dit is nog niet eerder aangevraagd, in tegenstelling tot de andere omgevingsprogramma’s. Als onderdeel van het totaal aan te vragen budget is een aantal posten voor gezamenlijke doeleinden: participatie, communicatie, het laten opstellen van kaarten en uitvoering van het onderzoek voor de regiopoort (in totaal € 35.000,- per programma). Daarnaast wordt voor alle werkzaamheden voor het omgevingsprogramma werken een budget van € 150.000,aangevraagd. In totaal gaat het om € 185.000,-. Dit budget besteden we ongeveer als volgt. Uitgave
Budget
Programma Werken Onderzoek supermarktstructuur en uitwerken herijking retailvisie Opstellen / uitwerken herijking deelprogramma retail Voorbereiding aanpassing beleid schaarse vergunningen (incl. projectmanagementuren) Onderzoek ZZP / werkwensen zelfstandigen t.b.v. toekomstgerichte kantoren / kantoorlocaties Ondersteuning data analyse t.b.v. inzichtelijk maken werkgelegenheid en eventuele aankoop van data Opstellen beleidsvisie deelprogramma kantoren Opstellen beleidsvisie deelprogramma bedrijventerreinen Onderzoeken m.b.t. recreatie & toerisme Opstellen beleidsvisie deelprogramma recreatie & toerisme (deelprogramma) Onvoorzien
€ 150.000,€ 7.000,€ 15.000,€ 40.000,-
Gezamenlijk Participatie Laten maken kaartmateriaal / materiaal voor participatie Communicatie, grafische vormgeving rapportages, redigeren, beeldmateriaal, ect. Regiopoort
€ 35.000,€ 10.000,€ 5.000,€ 5.000,-
TOTAAL
€ 185.000,-
€ 10.000,€ 10.000,€ 8.000,€ 14.000,€ 20.000,€ 20.000,€ 6.000,-
€ 15.000,-
De regievoerder is beheerder van het budget voor het omgevingsprogramma. Let wel, dit betreft alleen budget voor het opstellen van het programma. In paragraaf 2.5 is ingegaan op onder meer de financiële middelen die nodig zijn voor de uitvoering.
4.7 Planning In de onderstaande figuur is de planning op hoofdlijnen samengevat. Dit betreft een ambitieuze planning waarbij de analyse- en participatiefase voor de zomer worden afgerond. Zodra hierin vertraging optreedt betekent dit dat de participatiefase vanwege de zomervakantie direct een aantal maanden opschuift. Dat heeft ook gevolgen voor het vervolg van de planning. We zetten erop in om dat te voorkomen. Ervan uitgaande dat we de onderstaande planning volgen, starten we direct na de zomer met het opstellen van het inhoudelijke programma en vervolgens de vaststelling van een conceptprogramma dat gedurende zes weken voor zienswijzen wordt vrijgegeven. Na het maken van een zienswijzennota kan in februari 2024 de besluitvorming in het college worden afgerond. Eventuele besluitvorming in de gemeenteraad volgt daarna in maart 2024. Deze planning loopt parallel aan de planning van andere omgevingsprogramma’s die we tegelijkertijd opstellen. Vertraging in één van de andere programma’s kan daarom ook gevolgen hebben voor deze planning.
Zie over het proces met de gemeenteraad ook de volgende paragraaf.
4.8 Communicatie Het doel van communicatie is: - informeren over het proces van totstandkoming - informeren over de inhoudelijke uitgangspunten van het programma - informeren over de inhoudelijke opbrengst vanuit de participatie
Vorm: mensen aan het werk of recreëren in beeld Een omgevingsprogramma werken wordt al snel een vaktechnisch document met ingewikkelde termen. Dat willen we voorkomen. We willen de mens en zijn/haar ideeën voor werken in het stuk centraal stellen. Dat is waar we het voor doen. We hebben daarbij het idee om een aantal inspirerende personen in beeld (foto) en tekst (quote) een plek te geven in het beleidsstuk en ook in de communicatie hier omheen. We vragen daarom een aantal mensen die we in het participatietraject tegenkomen of ze mee willen doen. We vragen een professionele fotograaf om hen in beeld te brengen op hun werkplek of hun favoriete plek om te recreëren. En we vragen een quote waarom zij voor deze plek kiezen. Zo krijgen we een beleidsstuk met bijbehorende communicatie waarin onze inwoners centraal staan. Communicatieplan In de analysefase wordt een communicatieplan opgesteld, waarin ook de momenten waarop we communiceren worden bepaald. Gemeenteraad Met de omgevingsprogramma's wonen, werken, mobiliteit, energietransitie, water en groen wordt een groot deel van de ruimtelijke koers die de gemeenteraad heeft vastgesteld richting 2040 geconcretiseerd. We kunnen ons voorstellen dat er vanuit de gemeenteraad behoefte bestaat om dit proces op de voet te volgen om ook haar controlerende taak uit te kunnen voeren.
Tijdens een informatiebijeenkomst in september 2023 presenteren we de uitkomsten van de analysefase en de participatiefase aan de gemeenteraad. Parallel aan de zienswijzenprocedure consulteren we de gemeenteraad in december 2023 over de ontwerpprogramma's, voordat het college van burgemeester en wethouders deze vaststelt. In maart 2024 komen we indien nodig terug bij de gemeenteraad voor vaststelling van onderdelen. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn als het niet lukt om een programma binnen de nu voorgelegde kaders te ontwikkelen en daarop aanpassingen nodig zijn. Waar dat nodig is komen we ook via de P&C cyclus terug voor het beschikbaar stellen van aanvullend budget voor de uitvoering van de omgevingsprogramma's.
4.9 Uitvoering van het programma Na vaststelling van het omgevingsprogramma Werken met bijbehorend uitvoeringsprogramma ligt er een prioritering voor de uit te voeren werkzaamheden. Dit hangt samen met de prioriteiten die andere programma’s hebben en doelstellingen die gezamenlijk moeten worden behaald. Financiering De verwachting is dat – gezien de opgaven waar Werken voor staat – er een meerjarig uitvoeringsprogramma nodig is, die tegelijk met het omgevingsprogramma wordt vastgesteld. Voor financiering van het uitvoeringsprogramma wordt jaarlijks een budget aangevraagd via de P&C cyclus.
Doorwerking in (onderliggend) beleid Bij het vaststellen van het omgevingsprogramma Werken vervalt een aantal vigerende beleidsnota’s. Nieuwe kaders hiervoor krijgen straks een plek in het omgevingsprogramma Werken. Dit geldt voor: Kantoren & Bedrijven: - Toetsingskader ruimte voor bedrijven 2017-2027, raad 22 februari 2018 Retail: - Retailbeleid Soest en Soesterberg 2016-2026, raad 22 december 2016 Recreatie & Toerisme: - Beleidsplan Recreatie en Toerisme 2012 – 2020, raad februari 2012 - Nota verblijfsrecreatie Soest, raad 30 oktober 2008 En mogelijk voor (i.v.m. aanvullend beleid m.b.t. schaarse vergunningen): - Marktverordening - 2015 - Standplaatsenbeleid 2015 En i.v.m. actualiteit rondom zondagopenstelling: - Aangepaste Winkeltijdenverordening gemeente Soest - 2013 Na vaststelling van het omgevingsprogramma volgt mogelijk een doorwerking in andere beleidsstukken. Afhankelijk van de uitwerking kan het zijn dat er vastgelegde kaders zijn, die moeten worden aangepast. Hoe dit er precies uit gaat zien weten we pas in 2024, na vaststelling van het omgevingsprogramma. Andere beleidsstukken blijven waarschijnlijk ongewijzigd.
Dit betreft: - Horecabeleid buitengebied Soest 2019-2029, raad 10 oktober 2019 - Beleidsregels voor het plaatsen van uitstallingen en reclame als bedoeld in de Algemene plaatselijke verordening (APV) Bijsturing van beleid Het monitoringsprogramma dat onderdeel is van het uitvoeringsprogramma moet inzicht geven in de effecten van het beleid. Op basis van het monitoringsprogramma kan het beleid en de uitvoering worden bijgestuurd.
BIJLAGEN
BIJLAGE 1: Afkortingen, begrippen en digitale vindplaatsen PM, nazending
BIJLAGE 2: Samenvatting beleidskaders Europese en landelijke kaders Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De Nationale Omgevingsvisie (de NOVI) is een langetermijnvisie voor het omgevingsbeleid van Nederland. Voor werken (economie) zijn vier prioriteiten geformuleerd: Ruimte voor klimaatadaptatie energietransitie Duurzaam economisch groeipotentieel Sterke en gezonde regio’s Toekomstbestendig ontwikkelen van het landelijk gebied De NOVI is uitgewerkt in een aantal landsdelige programma’s. Voor de provincie Utrecht zijn van belang: Omgevingsagenda landsdeel Noordwest (provincies Noord-Holland, Utrecht en Flevoland), vaststelling najaar 2021 / voorjaar 2022 (gebeurd?) NOVI-gebied Groene Hart en NOVI-gebied Regio Utrecht Gezamenlijke Rijk-regioprogramma’s binnen de Provincie Utrecht. Voor het landsdeel Noordwest geldt: Het is een gebied met uiterste: de internationale economische toplocaties (zoals Schiphol / Zuidas Amsterdam) versus de uitgestrekte landelijke gebieden. De balans tussen economische groei en leefbaarheid is de opgave. Inzet is een groene, gezonde en slimme leefomgeving. In de NOVI zijn acht NOVI-gebieden geïntroduceerd. Dit zijn gebieden waar grote en urgente ruimtelijk-fysieke opgaven uit de NOVI samenkomen en waar een gezamenlijke meerjarige aanpak nodig is. De regio Amersfoort hoort hier niet bij.
Binnen de provincie Utrecht wordt gewerkt aan twee van de zeven regionale verstedelijkingsstrategieën zoals opgenomen in de NOVI. Het gaat om ontwikkelperspectief Utrecht Nabij (vastgesteld november 2020) en de Verstedelijkingsstrategie Arnhem-Nijmegen-Foodvalley. In het BO MIRT najaar 2020 is verder afgesproken dat het Rijk via een klankbordgroep aan het Ontwikkelbeeld 2030 – 2040 regio Amersfoort zal meewerken. De NOVI heeft een aantal Regio Deals onder zich. Hierin is wel opgenomen de Metropool Utrecht, maar die gaat verder niet in op de Regio Amersfoort.
Provinciale en regionale kaders Provinciale Omgevingsvisie (POVI) In de provinciale omgevingsvisie (POVI, maart 2021 vastgesteld) staat hoe de provincie Utrecht de komende jaren wil omgaan met thema’s als groeiende woonbehoefte, de aantrekkende economie, bereikbaarheid en de energietransitie. De provincie Utrecht wil in 2050 duurzaam, gezond en veilig bereikbaar zijn. Omdat de ruimte in de provincie beperkt is, is het uitgangspunt (waar mogelijk) slim combineren en concentreren. Bij de locatiekeuze voor nieuwe verstedelijking gelden de volgende basisprincipes: Zo veel mogelijk binnenstedelijk/binnen-dorps (binnen het stedelijk gebied) nabij knooppunten; Daarnaast in overig stedelijk gebied;
-
Eventuele nieuwe (grootschalige) uitleg koppelen aan hoogwaardig openbaar vervoer en aan (bestaande of nieuwe) knooppunten van de belangrijkste infrastructurele corridors. Onder voorwaarden kan er aan kernen ruimte geboden worden voor kleinschalige uitbreiding van het stedelijk gebied om de lokale vitaliteit of ruimtelijke kwaliteit te vergroten (lokaal maatwerk).
Algemeen De economie van de provincie Utrecht is sterk op diensten georiënteerd, met name in de gezondheidszorg, ICT en zakelijke dienstverlening. Op het gebied van de gezondheidszorg zijn er niet alleen veel bedrijven, maar is er ook veel kennis aanwezig (universiteiten, hogescholen, onderzoeksinstituten) op dit gebied. De maakindustrie, logistiek en groothandel zijn belangrijke sectoren met veel banen. Bedrijventerreinen De ruimte voor bedrijfsvestiging in de provincie is schaars. Er is niet of nauwelijks sprake van structurele leegstand en er is weinig voorraad aan beschikbaar en uitgeefbaar bedrijventerrein. Specifiek voor bedrijventerreinen geldt dat er wordt ingezet op herstructurering, revitalisering, eventueel herprofilering en efficiënter gebruik op bestaande bedrijventerreinen. Er liggen ambities op het gebied van energietransitie, klimaatadaptatie, circulariteit en gezondheid. Er is terughoudendheid m.b.t. het mogelijk maken van nieuw, nog niet gepland bedrijventerrein. De behoefte vanuit het lokale, reeds gevestigde bedrijfsleven (uitbreiding of vervanging) willen we waar mogelijk faciliteren. Met name als lokale bedrijven sterk verankerd zijn in de lokale samenleving. Binnenstedelijk heeft de voorkeur, maar als dat niet mogelijk is, kan uitbreiding een optie zijn, mits het past bij het karakter van het dorp en de aanwezige infrastructuur niet belemmerend werkt.
Kantoren M.b.t. de kantorenmarkt geldt dat deze zich concentreert op een aantal knooppunten in stedelijke gebieden (Utrecht, Amersfoort en Leidsche Rijn Centrum) die goed bereikbaar zijn. De vraag op deze ‘populaire’ locaties is groter dan het aanbod. Op andere locaties in de provincie wordt nog wel meer aanbod dan vraag waargenomen, tot uiting komend in leegstand. Daarnaast wordt ingezet op het vernieuwen van verouderde kantoren op courante locaties en op herontwikkeling en transformatie van kantoorgebieden met problematische leegstand. Retail De provincie Utrecht beschikt over een goede retailstructuur, maar door maatschappelijke ontwikkelingen hebben met name de middelgrote (winkel)centra het moeilijk; er is sprake van toenemende leegstand. Inzet is concentratie in bestaande winkelgebieden. Met de gemeenten en ondernemingen inzetten op een beleid gericht op versterking van de vitaliteit van onze binnensteden en dorpen. Voor PDV is in principe voldoende planologische ruimte beschikbaar. Recreatie en toerisme Recreatie & toerisme krijgt een belangrijke rol. Rekening wordt gehouden met een groei van 18 miljoen bezoekers in 2017 naar 29 miljoen in 2030. Dit gaat om zowel buitenlands als binnenlands bezoek. Dit vertaalt zich in bestedingen en werkgelegenheid. Inzet is een goede spreiding van voorzieningen en een goede match tussen vraag en aanbod.
Het Provinciaal beleid recreatie & toerisme is gericht op het realiseren van een aantrekkelijke en gezonde leefomgeving. Er wordt gestreefd naar functiecombinaties met (het benutten van) natuur, cultuur, langbouw, erfgoed en klimaatadaptatie. Idee: een parkachtige setting als buffer tussen de verstedelijkte gebieden. Er wordt ingezet op recreatietoervaartnet voor inwoners en bezoekers. Er wordt ingezet op vitale vakantieparken en recreatiewoningen voor verblijfsrecreatie. Er komt een gezamenlijke aanpak tussen provincie en gemeenten m.b.t. het tegengaan van permanente bewoning; ondermijning en criminaliteit is ongewenst. Eventuele transformatie naar andere bestemmingen is denkbaar in dit soort gevallen.
Ontwikkelbeeld Regio Amersfoort 2030 – 2040 Het Ontwikkelbeeld Regio Amersfoort laat de toekomst zien van de regio. Er is een directe relatie tussen het RPWW en het Ontwikkelbeeld. Algemeen De inzet van het ontwikkelbeeld Regio Amersfoort is dat er 31.500 arbeidsplaatsen bijkomen tot 2040, met agrifood, life sciences, bouw, geo en ICT als sterke sectoren. Wonen en werken vindt plaats in focusgebieden rondom bestaande knopen. De focusgebieden zijn Amersfoort C-S, Nijkerk en Barneveld. De overige kernen kennen groei voor vitaliteit. Omslag: van denken in hectares naar denken in arbeidsplaatsen. Groen groeit mee (uitvoeringsagenda: Handelingsperspectief Buitengebied Regio Amersfoort) is opgenomen in het Ontwikkelbeeld, maar vindt zijn basis in de POVI Gezamenlijke belangen: Het opstellen van een ontwikkelbeeld is gestoeld op een viertal gezamenlijke belangen met bijbehorende urgenties/opgaven: 1. Regio Amersfoort heeft een unieke positie in twee economische ecosystemen (Food - valley met agrifood en Regio Utrecht met ‘life sciences’) Urgentie/opgave: Samen in stand - houden en versterken. 2. De centraal gelegen Regio Amersfoort is het kruispunt tussen de Randstad en het noorden en oosten van het land. De regio is onderdeel van de ‘Nationale Draaischijf’: een cruciale schakel in de doorvoer van personen en goederen tussen de Randstad, Noord- en Oost-Nederland en het achterland.
Urgentie/ opgave: Samen benutten en uitbouwen van netwerken. 3. Regio Amersfoort biedt een krachtige mix van woon- en werkmilieus voor denkers en doeners. De regio kent een breed palet aan woonmilieus. Van hoogstedelijk tot dorps, je woont en werkt hier dichtbij hooggewaardeerde landschappen. Behoud van vitaliteit en identiteit zijn belangrijk voor de regiogemeenten. Dit is al uitgesproken in de Regionale Ruimtelijke Visie (RVV). Vanuit de POVI wordt ruimte geboden om kleinere kernen vitaal te houden door kleinschalige ontwikkelingen. De regio zelf kent een grote groeiopgave (echter buiten Soest). Urgentie: Samen tijdig zorgen voor passend aanbod. Vitaliteit en economische dynamiek moet behouden blijven dan wel versterkt worden door voldoende ruimte te bieden voor werk en kansen voor intensivering dan wel uitbreiding van bedrijventerreinen samen te verkennen voor denkers en doeners. Transformatie van bedrijventerreinen kan leiden tot vervangingsvraag, waar ruimte voor gevonden moet worden. Het intensiveren van bedrijventerreinen biedt juist weer kansen. Het evenwicht tussen denkers en doeners speelt hierin een rol. 4. Regio Amersfoort heeft een van nature aantrekkelijk landschap. Urgentie/opgave: Samen kansen benutten van de unieke Utrechtse Heuvelrug, Eemvallei en Veluwe.
Provinciaal Programma Wonen en Werken (PPWW) Doel van het PPWW is om als overheden met elkaar in gesprek te blijven over de opgave voor wonen en werken via een cyclisch proces van programmering, monitoring, evaluatie en bijsturing. Hierdoor kan worden ingespeeld op nieuwe ontwikkelingen en kansen die zich voordoen waarmee flexibel en adaptief kan worden geprogrammeerd. Het PPWW bevat de essentie van de drie regionale programma’s (RPWW). Het PPWW wordt elke anderhalf jaar geactualiseerd (parallel cyclus aan regionaal programmeren), inclusief een planMER.
Regionaal Programmeren Wonen en Werken (RPWW)i In de provinciale Ontwerp-Omgevingsvisie en verordening is een nieuwe systematiek voor woon- en werklocaties geïntroduceerd. Daarin neemt regionale programmering een belangrijke plaats in: gemeenten, regio en provincie stellen samen een regionaal programma voor woon- en werklocaties op, dat op basis van monitoring en evaluatie regelmatig kan worden bijgesteld. Provinciale staten stellen de kaders voor deze regionale programma’s vast. Het Regionaal programmeren gebeurt in cycli van 1,5 jaar. De eerste cyclus is in afrondende fase. De tweede cyclus is in november 2022 opgestart, met als doel om nieuwe woon- en werklocaties eind 2024 definitief vast te stellen. Werkwijze: Pijplijnlocaties (die nu niet geprogrammeerd staan voor realisatie) kunnen in de volgende cyclus worden aangemeld. De besluitvorming daarover is voorzien eind 2024. Binnenstedelijke kleine locaties kunnen planologisch worden opgepakt. Kleine locaties ten koste van het buitengebied moeten via regionale programmering worden ingebracht. De vervangingsvraag moet onderbouwd zijn met een besluit van college of raad over de transformatie. De vraag of meerdere kleine locaties (<dan 1 ha.) opgeteld kunnen worden meegenomen in de vaststelling van de regionale vervangingsvraag zou de regio in de op te stellen bedrijventerreinvisie kunnen meenemen.
De nieuwe behoefteraming door de provincie houdt ook een inventarisatie bij gemeenten in. Er zullen in het RPWW afspraken worden gemaakt over een regionaal uitgifteprotocol. Er loopt een traject met gemeenten om te bepalen wat de reikwijdte kan zijn van een uitgifteprotocol. Het is primair aan de regiogemeenten om dat vast te stellen. 2e Cyclus Regionaal Programmeren Wonen en Werken In dit (concept) document (geactualiseerde kader, najaar 2022) worden uitspraken gedaan die van directe invloed zijn op de opgaven waar we in Soest voor staan en de wijze waarop we die kunnen vormgeven. In een notendop: Regio en provincie streven naar het opvangen van de ruimtevraag van de reeds in de regio gevestigde bedrijvigheid en van nieuwe bedrijven die passend zijn. Focus ligt op het faciliteren van bestaande MKBbedrijven en nieuwe op te starten bedrijven die deel uit maken van de economische sectoren en bedrijfstypen die bijdragen aan de ambities van de regio. Denk daarbij aan de sectoren Agrofood, IT, health / zorg, ontwikkeling en bouw. De Regio Amersfoort zet in op de volgende doelstellingen met haar werklocaties: o Het opvangen van de lokale groei- en verplaatsingsdynamiek van ondernemers en daarmee het regionale, krachtige MKB vitaal houden en een toekomstperspectief bieden. o Het bieden van voldoende ruimte voor nieuwe vestigers die passen in het economisch profiel van de regio.
o Het matchen van behoefte aan bedrijventerrein, onder andere vanwege de noodzaak tot verplaatsing en/ of vervallen van werklocaties door transformatie, oplossen van lokale knelpunten en het vestigen van bedrijven met het oog op het versterken van lokale / regionale economie. o Het zorgen voor een evenwichtige regio, waarin wonen en werken meer in balans zijn en met aanbod van werkgelegenheid in zowel het lage, middel als het hoger opgeleide segment. o Aanbod van een divers palet aan sectoren: dit biedt een robuuste en vitale economie met een vestigingsklimaat dat conjunctuurbestendig(er) en adaptief is. o In het programma is uitdrukkelijk aandacht voor de wens vanuit kleinere gemeenten en kernen om te bouwen voor lokale vitaliteit. De horizon is verlengd tot en met 2040. Hierdoor ontstaat er versnelling in programmering en kan ook invulling worden gegeven aan de ambitie voor het realiseren van enkele regionale bedrijventerreinen .Deze extra ruimte van 2031 t/m 2040 kan pas vanaf 2030 worden gerealiseerd. Het geactualiseerde Kader biedt de mogelijkheid om de harde vervangingsvraag met een ondergrens van 1 hectare netto uitgeefbaar per ontwikkeling, in te vullen. De vervangingsvraag moet worden aangetoond door een genomen raads- en/of collegebesluit, waaruit de omvang van het verlies aan bedrijfsruimte op de transformatielocatie blijkt.
Deze hectares kunnen aan de bandbreedtes per regio worden toegevoegd.
-
-
-
-
Bij een volgende behoefteraming zullen de vastgestelde transformatieplannen worden geïnventariseerd en meegenomen. En in aanvulling: o Meerdere kleine transformaties (< 1 hectare) binnen één gemeente, waarvoor compensatie moet worden gezocht op nieuw te ontwikkelen bedrijventerrein worden als één vervangingsvraag gezien. o Bij compensatie wordt rekening gehouden met een intensiveringsopgave van 20%, dus 80% van de te transformeren ruimte mag nieuw worden ontwikkeld. o Transformaties mogen worden meegerekend vanaf 2019 (referentie is behoefteonderzoek Stec 2019) en moeten aantoonbaar zijn op basis van besluitvorming over concrete plannen of uitvoering. Grotere ruimtevragers > 3 hectare worden geplaatst (of verleid te verplaatsen) naar een regionaal bedrijventerrein. Onder een regionaal bedrijventerrein wordt mede begrepen een bedrijventerrein met een regionale opvangfunctie; De regio gaat werken aan een bedrijventerreinenstrategie waarin een lange termijnplanning wordt opgenomen voor het bedrijventerreinenaanbod, segmentering, fasering en geografische verdeling van bedrijventerreinen. De provincie heeft tot doel 80% te intensiveren en heeft hiervoor een aantal pilotlocaties. De OMU neemt hierin een trekkersrol. Doel is om de intensivering van 80% te toetsen in de praktijk, om te kijken of de ruimtewinst door intensivering haalbaar is of moet worden bijgesteld.
Er wordt een regionale uitgiftestrategie opgesteld met criteria, dat wordt voorgelegd als voorstel ter besluitvorming. Denkrichtingen: o We geven voorrang aan lokale bedrijven. o We stellen aan nieuwe uitgiften eisen ten aanzien van de floor space index en terrein quotiënt (passend bij de activiteit). o We zetten zoveel mogelijk in op het concentreren van grootschalige ruimtegebruikers op een aantal regionaal (georiënteerde) bedrijventerreinen (bestaand en nieuw). o We vestigen grootschalige bedrijven van buiten de regio enkel binnen Regio Amersfoort wanneer het bedrijf bijdraagt aan de economisch vitaliteit. o We bieden – gemeentegrens overstijgend –de ruimte aan het faciliteren van de groei van lokale en regionale bedrijven. o We zetten zoveel mogelijk en passend binnen financiële randvoorwaarden in op een clustering van bedrijven uit eenzelfde sector zodat samenwerking en innovatie kan worden versterkt. Dit kan betrekking hebben op bestaande terreinen en op nieuwe terreinen.
De in het concept document uitgewerkte gezamenlijke ambitie: We streven naar een diversiteit in werklocaties in de regio, zodanig dat deze past bij de werkgelegenheid die wij willen bieden en het gewenste economische profiel. We streven naar een zorgvuldige invulling van de (schaarse) ruimte op bestaande en nieuwe bedrijventerreinen. Op termijn (na 2030) streven we naar een verhoging van de floor space index en (waar dat passend is bij de bedrijfsprocessen) een verlaging van de terrein quotiënt ten opzichte van de laatst gemeten situatie (peildatum 2020). We streven zoveel mogelijk naar verduurzaming van (bestaande en nieuwe) bedrijventerreinen. En concreet: Op bestaande bedrijventerreinen grijpen we de herstructurering van terreinen aan om de werklocaties te verduurzamen door expliciet in te zetten op klimaatadaptatie en duurzaamheid (bv. verduurzaming bedrijfspanden, inzet op energiecollectieven, vergroening en dakoppervlak voor zonnepanelen) Gemeenten verkennen hoe de werklocaties stap voor stap zo duurzaam en circulair mogelijk te maken en te houden. Onderdeel van de verkenning is hoe zoveel mogelijk energie lokaal en duurzaam kan worden opgewekt, bijvoorbeeld door zonnepanelen op daken of windmolens, maar ook bijvoorbeeld door ‘restenergie’ van andere bedrijven in het gebied te hergebruiken.
Met grote dakoppervlakken kunnen bedrijventerreinen energie-opwekkers zijn, belangrijk is dat de infrastructuur daar ook bij past (problematiek van netcongestie). Gemeenten stimuleren de samenwerking met en vooral ook tussen bedrijven. Verduurzaming begint met goed georganiseerde ondernemerscollectieven (ondernemersvereniging, industriële kring,
-
-
-
-
bedrijfsinvesteringszone – BIZ, energiecollectief, ondernemersfonds, etc.). In het stimuleren van de organisatiegraad op bedrijventerreinen kan de provincie Utrecht ook ondersteunen. Gemeenten stimuleren individuele bedrijventerreinen en bedrijfsruimtegebruikers om mee te gaan in de energietransitie (van het gas af, opwekken van duurzame vormen van energie, uit wind, zon, et cetera). Welke middelen hiervoor worden ingezet zal worden onderzocht. Gemeenten wijzen de komende 4 jaar een aantal geschikte, goed ontsloten, regionale locaties aan die concrete circulaire samenwerking direct kunnen faciliteren (nieuw en/of bestaand), waarin we het belang van circulariteit wegen ten opzichte van andere belangen (zoals hittestress et cetera). We sluiten daarbij goed aan bij ervaringen zoals die al worden opgedaan op concrete terreinen in onze regio. Gemeenten behouden voldoende ruimte voor bestaande bedrijvigheid met een hogere milieucategorie, om zowel circulaire ontwikkeling als energietransitie mogelijk te kunnen (blijven) maken. Daarmee doelen we op het borgen van ruimte voor bedrijfsruimtegebruikers die belangrijk zijn in de circulaire ketens in de regio Amersfoort. De vraag naar informele, kleinschalige bedrijfsruimte neemt toe, met name voor sectoren als maakindustrie, reparatie, bouw.
De provincie zet in op behoud en uitbreiding van deze informele bedrijfsruimte, die kan bijdragen aan een levendig stedelijk gebied.
Er zit een directe relatie tussen het regionaal programmeren vanuit de provincie en het Ontwikkelbeeld van de Regio Amersfoort. De uitwerking van het Ontwikkelbeeld zal terug te zien zijn in het regionaal programmeren.