3. Bijlage 2 Amersfoortsestraat 126 Toelichting bestemmingsplan-gecomprimeerd
Tekst van het document
Per 1 januari 2017 is de 3e herziening van de Keur ‘Waterschap Vallei en Veluwe 2013’ in werking getreden. In de Keur staat wat er wel en niet mag in watergangen, waterkeringen, bergingsgebieden en ondersteunende kunstwerken en met grondwater. Met die regels beschermt het waterschap de dijken, sloten, waterstanden en grondwaterstanden. Gemeentelijk beleid Waterplan Soest 2011-2015 In het Waterplan Soest 2011-2015 staan uitgangspunten en doelstellingen voor het (stedelijk) waterbeheer en is een visie opgesteld voor 2030. Hemelwater, dat op onverharde gebieden valt, wordt grotendeels afgevoerd op een natuurlijke manier: via grondwaterstromen en verdamping via de grond en via de beplanting. Hemelwater dat op daken en wegen valt (verhard oppervlak) wordt afgevoerd via het rioolstelsel. Bij nieuwbouw en uitbreidingen moet hemelwater dat op verhard oppervlak valt, waar mogelijk van het riool worden afgekoppeld en in de bodem worden geïnfiltreerd. Op deze manier wordt het rioolstelsel en de rioolwaterzuivering niet onnodig belast. Het gemeentelijke waterplan streeft naar Duurzaam Bouwen in de toekomst en integratie van waterbewust bouwen in gemeentelijke bouw-, verbouw- en inrichtingsprocedures. Grondwaterplan Soest Het grondwaterplan beschrijft de visie van de gemeente op water tot 2030.
In het Grondwaterplan wordt de wijze beschreven waarop de gemeente invulling geeft aan de wettelijke zorgplicht voor grondwaterbeheer. Het Waterplan en het Grondwaterplan dienen als achtergronddocument voor het op te stellen Rioleringsplan. Het is een wettelijke verplichting eens in de 5 jaar het rioleringsplan te actualiseren. In het rioleringsplan moet zijn opgenomen hoe de gemeente invulling geeft aan haar zorgplichten voor hemelwater en grondwater. Het Grondwaterplan van de gemeente Soest geeft een beeld van beleid en uitgangspunten en biedt inzicht in de algemene geohydrologische situatie en de omvang van de grondwaterproblematiek in de gemeente Soest. Het beschrijft een concrete strategie voor de aanpak van grondwaterproblemen (inclusief monitoring) en geeft uitgangspunten voor het beheer. Gemeentelijk Rioleringsplan Soest 2012 - 2017 Voor het verwijderen van afvalwater uit de woonomgeving is riolering een onmisbare voorziening. Aanleg en beheer van riolering is een gemeentelijke taak. Het Rioleringsplan beschrijft hoe de gemeente de rioleringstaak vorm geeft en beleid op het terrein van bescherming van bodem- en waterkwaliteit en de rioleringszorg.
4.6.2
Resultaten
De voorgenomen ontwikkeling betreft een inpandige functiewijziging. Er is geen sprake van een toename van verhard oppervlak of van het dempen van open water. Bovendien zorgt de groene setting van de locatie ervoor dat er voldoende mogelijkheden zijn voor het hemelwater om via een natuurlijke weg de bodem te bereiken.. Watertoets Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het waterbeheer van de 21ste-eeuw gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast,
40 | 57
Witteveen+Bos | 123804/22-000.148 | Definitief
tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Het waterschap Vallei Veluwe is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. Uit de digitale analyse blijkt dat er geen grote waterbelangen zijn. De ruimtelijke ontwikkeling voldoet aan de belangrijkste minimale voorwaarde: ‘het stand still-beginsel’. Dit beginsel houdt in dat door het plan geen verslechtering van de waterhuishouding ontstaat. Waterschap Vallei en Veluwe adviseert positief over het ruimtelijk plan. Voor het watertoetsresultaat wordt verwezen naar bijlage V. Hierna wordt op enkele relevante aspecten ingegaan. Vasthouden - bergen - afvoeren Een belangrijk principe is dat een deel van het hemelwater binnen het plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater. Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegen gegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater (met eventueel wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden) wordt voorkomen. Bij lozing op oppervlaktewater zal hiervan een melding gedaan moeten worden bij het waterschap. In overeenstemming met het beleid van de gemeente Soest wordt de regenwaterafvoer niet aangesloten op het drukriool.
Tevens zal al het hemelwater van de verharde oppervlakken middels bodemfiltratie afvloeien. Er wordt niet geloosd op oppervlaktewater. Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen. Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater, beschouwd worden ten opzichte van de GHG. Het structureel onttrekken / draineren van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen. Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar. Schoonhouden - scheiden - schoonmaken Om verontreiniging van bodem, grond- en/of oppervlaktewater te voorkomen is het van belang dat het afstromende hemelwater niet verontreinigd raakt. Dit kan door nadere eisen of randvoorwaarden te stellen aan bijvoorbeeld de toegepaste (bouw)materialen. Het waterschap vraagt de initiatiefnemer om duurzame bouwmaterialen te gebruiken. De gemeente kan hierbij verder helpen. In dit plan wordt de waterberging opgevangen op het eigen terrein. Dit gebeurt onder andere door het water te laten infiltreren op de met halfverharding aan te leggen parkeerplaats en de patio.
4.6.3
Conclusie
Het aspect ‘water’ staat de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg.
4.7
Verkeer en parkeren
Verkeer De locatie is goed bereikbaar via de Amersfoortsestraat. Het pand kent gezien de omvang en het feit dat er maximaal 4 woningen worden gerealiseerd slechts een zeer beperkte verkeersaantrekkende werking. Enige verkeersbeweging vindt plaats ten behoeve van de bewoners. Dit zal verwaarloosbaar zijn ten opzichte van de huidige kantoorfunctie van het gebouw. Het plangebied wordt in de huidige en toekomstige situatie via dezelfde toegangsweg vanuit de Amersfoortsestraat ontsloten. Op basis van het huidige kantorenprogramma zijn er met toepassing van de CROW-rekentool 48 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Op basis van het nu in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte woonprogramma zijn dat 24 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Dit betekent dat het aantal verkeersbewegingen op grond van de toekomstige situatie minder is dan in de huidige situatie.
41 | 57
Witteveen+Bos | 123804/22-000.148 | Definitief
Parkeren Conclusie De ontwikkeling leidt tot een afname van het aantal verkeersbewegingen. Daarnaast worden er voldoende parkeerplaatsen binnen het plangebied gerealiseerd. Het aspect ‘verkeer en parkeren’ staat het plan dan ook niet in de weg.
4.8
Geluid
Bij het opstellen van een bestemmingsplan dient het aspect geluid beoordeeld te worden. Bij het aspect geluid gaat het om het ruimtelijk mogelijk maken van geluidsbron (zoals wijzigingen aan een weg, spoorweg of industrie) enerzijds, en aan bestemmingen die een zekere mate van rust nodig hebben (zoals woningen, scholen en ziekenhuizen) anderzijds. Ruimtelijke plannen moeten voldoen aan de wet- en regelgeving die is opgenomen in de Wet geluidhinder (Wgh), de Wet milieubeheer (Wm) en onderliggende besluiten en regelingen. Om de akoestische effecten van de nieuwe functie van het gebouw in beeld te brengen is in februari 2021 door Witteveen+Bos een akoestisch onderzoek uitgevoerd1. Daarvoor is de huidige situatie vergeleken met de toekomstige situatie en is beoordeeld of in de toekomstige situatie kan worden voldaan aan de richtwaarden. Het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage II bij deze toelichting.
4.8.1
Toetsingskader
De basis voor de ruimtelijke afweging van geluid is de Wet geluidhinder (Wgh) alsook de Luchtvaartwet. De Wgh biedt geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerlawaai, spoorweglawaai en industrielawaai door middel van zonering. De Wet geluidhinder heeft een sterk verband met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Bij vaststelling van een bestemmingsplan wordt rekening gehouden met deze regels en wetten als: gronden bestemd worden voor nieuwe geluidsgevoelige objecten (bijvoorbeeld woningen en onderwijsgebouwen) binnen zones langs (spoor-)wegen, zones rondom industrieterreinen en zones rondom luchtvaartterreinen; gronden bestemd worden voor de aanleg van nieuwe, dan wel reconstructie van gezoneerde (spoor-) wegen; gronden bestemd worden voor (nieuwe) industrieterreinen waar zich grote lawaaimakers kunnen vestigen; zonegrenzen van industrieterreinen en luchtvaartterreinen herzien worden. De geluidbelasting op de gevels van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen mag in principe niet hoger zijn dan de voorkeurgrenswaarde.
4.8.2
Resultaten
De locatie (zie afbeelding 4.10) is gelegen binnen de wettelijke zone van de N237. De geluidsbelasting van deze weg wordt getoetst aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder. De ontwikkelingslocatie is op circa 2 kilometer van vliegbasis Soesterberg gelegen. Rond de vliegbasis Soesterberg liggen formeel nog een KEzone van het vliegtuiglawaai en een dB(A)-geluidszone vanwege het grondgebonden industrielawaai
1
Witteveen+Bos. Geluidsonderzoek Amersfoortsestraat 126, Soesterberg, 10 januari 2022, referentie rapd-123804.000.170.
42 | 57
Witteveen+Bos | 123804/22-000.148 | Definitief
(onderhoud vliegtuigen). Met het opheffen van de vliegbasis vervallen naar verwachting ook de geluidscontouren en KE-zone. De geluidsbelasting ten gevolge van de vliegbasis is niet beschouwd.
Afbeelding 4.10 Locatie Amersfoortsestraat 126
Binnen de wettelijke geluidzone biedt de Wet geluidhinder in een aantal situaties bescherming aan geluidsgevoelige bestemmingen. Het basisbeschermingsniveau ofwel de voorkeursgrenswaarde is 48 dB. Door middel van een hogere waarde kan door het bevoegd gezag een hogere geluidsbelasting (hogere waarde) worden toegestaan. Deze verhoging is mogelijk tot een maximaal toelaatbare waarde. De hoogte van deze maximaal toelaatbare waarde is afhankelijk van verschillende factoren, zoals de ligging van de geluidsgevoelige bestemming in binnenstedelijk of buitenstedelijk gebied. Voor de Amersfoortsestraat 126 bedraagt de maximaal toelaatbare waarde 53 dB inclusief aftrek art. 110g Wgh. Een hogere waarde kan alleen worden verleend (art. 110a lid 5 Wgh) indien toepassing van maatregelen, gericht op het terugbrengen van de geluidsbelasting onvoldoende doeltreffend zal zijn dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Daarnaast kan het bevoegd gezag (gemeente Soest) eigen beleidsregels vast stellen voor het verlenen van een hogere waarde. De gemeente Soest heeft het beleid ten aanzien van de voorkeursgrenswaarden en de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting opgenomen in de ‘Nota geluidbeleid’.
De voorwaarden voor een hogere grenswaarde hebben betrekking op het onvoldoende doeltreffend zijn van de mogelijke bron- en overdrachtsmaatregelen, dan wel op het ontmoeten van overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke of financiële aard. Voor het verkrijgen van een hogere grenswaarde moet voor wegverkeerslawaai een procedure gevolgd worden. Daarbij hoort de tervisielegging van het akoestisch onderzoek.
43 | 57
Witteveen+Bos | 123804/22-000.148 | Definitief
Op basis van de benoemde uitgangspunten is met behulp van het softwarepakket Geomilieu (versie V2020 1.1) de geluidsbelasting berekend conform het Reken- en meetvoorschrift Geluid 2012. Voor de gevel aan de wegzijde niet kan worden voldaan aan de maximaal te ontheffen waarde van 53 dB. Op de zijgevels bedraagt de geluidsbelasting meer dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB maar kan aan de maximaal te ontheffen waarde uit de Wgh worden voldaan. Op de achtergevel wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Omdat niet aan de voorkeursgrenswaarde wordt voldaan zijn maatregelen onderzocht om de geluidsbelasting te verlagen. Bron- en/of overdrachtsmaatregelen zijn niet mogelijk. Voor de gevel aan de wegzijde is het aanvragen van een hogere waarde niet mogelijk omdat de geluidsbelasting meer bedraagt dan de maximaal toelaatbare waarde. De Wgh maakt een uitzondering voor dove gevels (art. 4 Wgh). Voor de Amersfoortsestraat betekent dat concreet dat de gevel aan de wegzijde moet voldoen aan de eisen die worden gesteld aan een dove gevel. Het toepassen van een dove gevel dient gezien in overleg met de gemeente plaats te vinden. Verwacht kan worden dat er voor de Amersfoortsestraat 126 kan worden voldaan aan het geluidbeleid van de gemeente Soest. Bij de aanvraag van een hogere waarde bij de gemeente Soest moet dit nader in beeld worden gebracht.
4.8.3
Conclusie
In overleg met de gemeente wordt een dove gevel toegepast aan de voorzijde van het pand, waarbij een maximale binnenwaarde geldt van 48 dB. Hiermee kan worden voldaan aan de grenswaarden uit de Wgh.
4.9
Luchtkwaliteit
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. In de Wet milieubeheer (verder: Wm) zijn eisen opgenomen waaraan de luchtkwaliteit in de buitenlucht moet voldoen. Hierbij is onderscheid gemaakt in grenswaarden waaraan nu moet worden voldaan en grenswaarden waaraan in de toekomst moet worden voldaan. De meest kritieke stoffen zijn stikstofdioxide en fijnstof. Voor andere in de Wm genoemde stoffen, wordt in Nederland, behoudens bijzondere situaties, overal voldaan aan de vereisten.
4.9.1
Toetsingskader
Op grond van artikel 5.16 Wm stelt de gemeenteraad alleen een bestemmingsplan vast wanneer aannemelijk is gemaakt dat: het bestemmingsplan niet leidt tot het overschrijden van de in de wet genoemde grenswaarden, of; de luchtkwaliteit als gevolg van het vergunde plan per saldo verbetert of ten minste gelijkt blijft, of bij een beperkte toename, door een met de ontwikkeling samenhangende maatregel of effect, per saldo verbetert, of; het bestemmingsplan niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een stof waarvoor in de wet grenswaarden zijn opgenomen, of; de ontwikkeling is opgenomen of past in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. De Wet milieubeheer (Wm) geeft grenswaarden voor de concentraties van onder andere stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Deze grenswaarden liggen voor zowel NO2 als PM10 op een jaargemiddelde van 40 microgram/m3. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient getoetst te worden of de ontwikkeling ervoor zorgt dat grenswaarden worden overschreden.
44 | 57
Witteveen+Bos | 123804/22-000.148 | Definitief
Niet in betekenende mate (NIBM) toets De afkorting NIBM staat voor ‘Niet in betekenende mate bijdragen' aan de luchtverontreiniging. Het gaat dan bijvoorbeeld om een ruimtelijk project of (te vergunnen) activiteit, waarvan de bijdrage aan de luchtverontreiniging klein is. Dan is geen toetsing aan de grenswaarden luchtkwaliteit nodig. Wanneer draagt een project niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging? Het Besluit NIBM geeft de volgende voorwaarde: Het project of de activiteit draagt maximaal 3% van de jaargemiddelde grenswaarde bij aan de concentraties fijnstof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 µg/m3 voor zowel PM10 als NO2. Het project is IBM als de toename voor 1 of beide stoffen hoger is. Er zijn 2 mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1 motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een categorie uit de Regeling NIBM valt. Het gaat dan bijvoorbeeld om het realiseren van kantoor- en woningbouwlocaties. Het project is dan NIBM als ze onder de vastgestelde omvang blijft; 2 op een andere manier aannemelijk maken dat het project de 3 %-grens niet overschrijdt. Hiervoor kunnen berekeningen nodig zijn. Dit mag ook als een project de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM overschrijdt.
Het is dan mogelijk om alsnog via berekeningen aannemelijk te maken dat de 3 %-grens niet wordt overschreden. Soms kan een kwalitatieve beschrijving voldoende zijn. Bij de NIBM-toets wordt de toename van de luchtverontreiniging afgezet tegen de autonome ontwikkeling. Voor woningen is in de Regeling NIBM is het maximale aantal van 1.500 nieuwe woningen gesteld uitgaande van de 3 %-grens. Als de 3 %-grens niet wordt overschreden dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden en hoeft er geen onderzoek (berekeningen) te worden uitgevoerd.
4.9.2
Resultaten
In geval van de Amersfoortsestraat 126 wordt de kantoorfunctie vervangen door een woonfunctie, waarbij kantoorruimte wordt vervangen door maximaal 4 woningen. Gelet op het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het project kan worden beschouwd als ‘Niet in betekenende mate’.
4.9.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.10
Externe veiligheid
Het transport, de opslag en productie van gevaarlijke stoffen brengen risico’s met zich mee door de mogelijkheid dat bij een ongeval gevaarlijke lading vrij kan komen. De discipline externe veiligheid houdt zich bezig met het beheersen van de hieraan verbonden risico’s voor mensen die zich in de nabijheid van gevaarlijke stoffen bevinden. Het Nederlandse externe veiligheidsbeleid is gericht op de bescherming van individuen die zich bevinden in beperkt kwetsbare en kwetsbare objecten1. Deze 2 soorten (kwetsbare) objecten worden ook wel de risicoontvangers genoemd. In het kader van het vaststellen van nieuwe ruimtelijke plannen zoals een bestemmingsplan moet worden getoetst of het realiseren van het plan een onacceptabel externe veiligheidsrisico oplevert. Bij de toetsing moet gekeken worden naar 2 soorten risico’s, plaatsgebonden risico en groepsrisico. 1
In artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen is de definitie opgenomen van kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten.
45 | 57
Witteveen+Bos | 123804/22-000.148 | Definitief
In deze paragraaf wordt eerst het toetsingskader beschreven met de daarbij behorende definities van het plaatsgebonden en groepsrisico. Daarna komen de risicobronnen die zich in het gebied bevinden aan de orde en is getoetst aan de geldende wet- en regelgeving.
4.10.1 Toetsingskader Externe veiligheid betreft de beheersing van de risico's en gaat om het gebruik, de opslag, de productie en het transport van gevaarlijke stoffen. De gevaarlijke stoffen kennen 2 verschillende bronnen: - stationaire bronnen, zoals een fabriek of een lpg-vulpunt; - mobiele bronnen, zoals transport van gevaarlijke stoffen over wegen en door leidingen. Voor inrichtingen (bedrijven) zijn het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi) en de ‘Regeling externe veiligheid inrichtingen’ (Revi) van belang. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen wordt externe veiligheid omschreven als 'de kans om buiten een inrichting te overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen de inrichting waar een gevaarlijke stof bij betrokken is'. De richtlijnen voor buisleidingen zijn weergegeven in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), als ook de bijbehorende regeling (Revb). Voor transport is de 'Wet vervoer gevaarlijke stoffen' van belang. Daarnaast is er een aantal besluiten en regelingen vastgesteld waarin het beleid verder uitgewerkt is, waaronder het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij externe veiligheid wordt een onderscheid gemaakt tussen een plaatsgebonden risico en een groepsrisico.
Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon, die zich gedurende een jaar onafgebroken en onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen die kans 10-5 (1 op 100.000) en een contour waarbinnen deze kans 10-6 (1 op 1.000.000) bedraagt. Binnen deze contour mogen in ieder geval geen kwetsbare objecten (onder andere scholen, gebouwen waar zich veel mensen bevinden en gebouwen waar zich minder zelfredzame personen kunnen bevinden) aanwezig zijn of geprojecteerd worden. Het groepsrisico is de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Voor de contour van het groepsrisico geldt in ieder geval dat het niet wenselijk is om hier kwetsbare bestemmingen toe te staan. Het streven moet zijn om het aantal personen binnen het invloed gebied onder de oriëntatiewaarde en waar mogelijk zo laag mogelijk te houden.
4.10.2 Resultaten Om de aanwezige risicobronnen in de omgeving van de projectlocatie in kaart te brengen, is de provinciale risicokaart geraadpleegd. Uit de risicokaart blijkt dat de locatie niet binnen de contouren van risicovolle inrichtingen ligt. Langs het plangebied loopt geen 10-6 PR-contour, waardoor het plaatsgebonden risico geen belemmering vormt voor de realisatie van het plan. De Amersfoortsestraat valt wel binnen het invloedgebied van een transportroute gevaarlijke stoffen. Het plan voorziet echter niet in de realisatie van functies waardoor de dichtheid van aanwezige personen groter wordt. Bij het realiseren van nieuwe functies waarbij de dichtheid van aanwezige personen toeneemt, wordt een mogelijke toename van het groepsrisico herbekeken. Dit betekent dat kan worden volstaan met een beknopte verantwoording van het groepsrisico.
46 | 57
Witteveen+Bos | 123804/22-000.148 | Definitief
Bereikbaarheid Het is van belang dat de hulpdiensten tijdens een ramp of zwaar ongeval voldoende snel kunnen optreden. Een goede bereikbaarheid van het plangebied is hierbij van essentieel belang. Gezien de beperkte omvang van het plan, wordt bestaande bereikbaarheid via de Amersfoortsestraat voldoende geacht. Bluswatervoorzieningen De brandweer dient snel te kunnen beschikken over voldoende bluswater, zowel primaire alsook secundaire of tertiaire (open water), om een incident adequaat te kunnen bestrijden. In de huidige situatie geldt dat er in voldoende mate is voorzien in bluswatervoorzieningen. Er is bij de toegang tot het perceel, op minder dan 40 m van het bouwwerk, reeds een ondergrondse brandkraan aanwezig. Vluchtroutes In geval van een ramp op de Amersfoortsestraat dient men zichzelf in veiligheid te kunnen brengen. Voldoende vluchtmogelijkheden zijn hiervoor een voorwaarde. Er zijn reeds mogelijkheden om het bouwwerk aan de achterzijde te verlaten (en dus van het gevaar af kunnen vluchten). Wel maakt het plangebied deel uit van een veiligheidszone (zone C) van het nabijgelegen munitiedepot van defensie (zie afbeelding 4.11). Voor deze veiligheidszone geldt dat er geen bouwwerken zijn toegestaan met vlies- of gordijngevelconstructies of met grote glasoppervlakten en waarbinnen zich doorgaans een groot aantal personen bevindt. Daar is in dit geval geen sprake van.
Afbeelding 4.11 Indicatie veiligheidszone (zone C) ten opzichte van het plangebied (rode contour)
4.10.3 Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering bij de voorgenomen ontwikkeling. De geïdentificeerde risicobronnen hebben geen 10-6 PR-contour groter dan 0 meter, waardoor het plaatsgebonden risico geen belemmering vormt voor de realisatie van het plan. Daarnaast leidt de voorgenomen ontwikkeling niet tot een toename van het groepsrisico. Hierdoor wordt geconcludeerd dat de risico’s van dit plan aanvaardbaar zijn. Doordat de in dit bestemmingsplan voorziene woningen worden gerealiseerd in de bestaande panden, waarbij gelet op de bevindingen uit het akoestisch onderzoek geen vlies- of gordijngevelconstructies hoeven te worden toegepast en er evenmin sprake zal zijn van zeer grote
47 | 57
Witteveen+Bos | 123804/22-000.148 | Definitief
glasoppervlakten, vormt de zone C van defensie geen belemmering. De gebiedsaanduiding 'veiligheidszone - munitie - c' wordt meegenomen in het nieuwe bestemmingsplan.
4.11
Bedrijven- en milieuzonering
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Milieuzonering betekent het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies (zoals wonen en recreëren) anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. De onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft 2 doelen: het zoveel mogelijk beperken of voorkomen van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven zodat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen verrichten. De gemeente Soest hanteert voor het bepalen van de afstanden de VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ uit 2009. Hierin staat een hele reeks van milieubelastende activiteiten met richtafstanden ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de 4 richtafstanden is bepalend. De afstanden worden gemeten tussen de grens van de milieubelastende bestemming en gevel van een milieugevoelige functie.
De richtafstanden zijn uitsluitend van toepassing voor nieuwe situaties (nieuwe ontwikkelingen) en niet voor bestaande situaties, waarbij het zo kan zijn, dat gevestigde milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies op een kleinere afstand van elkaar gesitueerd zijn. In bestaande situaties kan de afstand kleiner zijn dan de gewenste richtafstand. In de VNG-publicatie zijn richtafstanden voor diverse omgevings- en gebiedstypen opgenomen. Het gaat onder andere om de typen: 'rustige woonwijk', 'rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. In een rustige woonwijk en een rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies dan de woonfunctie voor. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschappelijke voorzieningenhoreca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Voor gemengde gebieden kunnen de richtafstanden met 1 trap worden verminderd.
4.11.1 Resultaten De directe omgeving van de locatie heeft vanwege de verscheidenheid aan functies (onder andere wonen, bedrijvigheid en kantoren) een gemengde uitstraling waardoor het gebied op basis van de VNG-publicatie kan worden getypeerd als ‘gemengd gebied’. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling bestaat uit het realiseren van 4 nieuwe wooneenheden kan gesteld worden dat sprake is van het mogelijk maken van een nieuwe, gevoelige functie in de zin van het aspect bedrijven en milieuzonering. Aangetoond moet worden dat in het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat. In de omgeving van de locatie bevinden zich naast een aantal woonfuncties ook een aantal bedrijven. Het betreft een tweetal kantoorfuncties, een bedrijfsfunctie waar planologisch gezien maximaal milieucategorie 2 is toegestaan en recreatiewoningen/vakantiepark Het Jachthuis. Gelet op de gemeten afstand en de richtafstand behorende bij een ‘gemengd gebied’ wordt geconcludeerd dat er zich geen belemmeringen voordoen.
48 | 57
Witteveen+Bos | 123804/22-000.148 | Definitief
Tabel 4.1 Milieuhinder veroorzakende functies in de omgeving van het plangebied Adres
Functie
Richtafstanden in meters (gemengd gebied)
Geur
Stof
Geluid
Gevaar
Gemeten afstand (in meters)
Amersfoortsestraat 124
Kantoor
0
0
0
0
17
Amersfoortsestraat 122 A
Bedrijf (max. milieucategorie 2)
10
10
10
10
70
Amersfoortsestraat 123
Kantoor
0
0
0
0
74
Amersfoortsestraat 126 B
Recreatiewoningen
0
0
0
0
61
4.11.2 Conclusie In het kader van het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ zijn er geen belemmeringen ten aanzien van de uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied.
49 | 57
Witteveen+Bos | 123804/22-000.148 | Definitief
5 JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de juridische planbeschrijving. Achtereenvolgens wordt ingegaan op de algemene opzet van de planregels en een toelichting op de regels (onder andere bestemmingsregels).
5.1
Algemeen
5.1.1
Wat is een bestemmingsplan?
Het gemeentelijke bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder, et cetera) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan geeft uit te oefenen. Dit houdt in dat: 1 de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren; 2 de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (de overgangsbepalingen zijn hierbij mede van belang). Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning tot bouwen) en regels voor het verrichten van ‘werken’ (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden). Een bestemmingsplan regelt: 1 het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen); en een bestemmingsplan kan daarbij regels geven voor: 2 het bebouwen van de gronden; 3 het verrichten van werken (aanleggen). Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is zeker niet het enige instrument.
Andere ruimtelijke wetten en regels zoals de Woningwet, de Erfgoedwet, de Algemene Plaatselijke Verordening, de Wet milieubeheer en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht zijn ook erg belangrijk voor het uitoefenen van ruimtelijk beleid.
5.1.2
Over bestemmen en aanduiden
Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangegeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de regels zijn opgenomen. De toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen met behulp van een aanduiding nader worden ingevuld. Een aanduiding is een teken op de verbeelding. Dat teken kan bestaan uit een lijn, een figuur of een lettercode et cetera. Via een aanduiding wordt in de regels ‘iets’ geregeld. Dat ‘iets’ kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken. Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestemmingsregel, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook een eigen regel hebben.
50 | 57
Witteveen+Bos | 123804/22-000.148 | Definitief
5.1.3
Hoofdstukopbouw van de regels
De regels zijn verdeeld in 4 hoofdstukken: 1 inleidende regels. In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2); 2 bestemmingsregels. In dit tweede hoofdstuk zijn de bepalingen van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en gebruiksregels opgenomen. Als er dubbelbestemmingen zijn, dan worden deze ook in dit hoofdstuk opgenomen. Die komen, ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsbepalingen. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels en gebruiksregels opgenomen die specifieker ingaan op bijvoorbeeld de bouwhoogte, situering van gebouwen en de toegestane functies. Aansluitend worden afwijkingsbevoegdheden met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels opgenomen. In een enkel geval worden ruimere mogelijkheden geboden door het toepassen van een wijzigingsbevoegdheid. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsplanbepalingen ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moet worden.
Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld; 3 algemene regels. In de laatste 2 hoofdstukken zijn bepalingen opgenomen met een algemeen karakter. Deze bepalingen hebben betrekking op het gehele plan. Het betreffen achtereenvolgens algemene regels, zoals een anti-dubbeltelregel, algemene gebruiksregels, algemene aanduidingsregels, algemene afwijkingsregels en algemene wijzigingsregels; 4 overgangs- en slotregels. In het laatste hoofdstuk zijn respectievelijk het overgangsrecht en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.
5.2
Dit bestemmingsplan
Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. Een toelichting op de bestemmingen is hierna opgenomen. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. De regels in dit bestemmingsplan zijn opgezet aan de hand van hetgeen hierboven is beschreven. Tevens is aangesloten bij de meest actuele landelijke standaarden voor de regels en de verbeelding, te weten de SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012) en IMRO2012 (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening 2012). Qua inhoud en opzet is aangesloten bij recente en vergelijkbare bestemmingsplannen van de gemeente.
5.3
Toelichting op de regels
5.3.1
Inleidende regels
Begrippen die in de regels worden gebruikt en die uitleg behoeven, worden in het eerste artikel van het bestemmingsplan uitgelegd. Vervolgens bevat het tweede artikel technische regelingen om onder andere oppervlaktes, hoogtes, dieptes en breedtes te kunnen bepalen.
51 | 57
Witteveen+Bos | 123804/22-000.148 | Definitief
5.3.2
Bestemmingsregels
De regels hebben voor elke bestemming dezelfde opbouw met achtereenvolgens, voor zover aanwezig, de volgende leden: - bestemmingsomschrijving; - bouwregels; - nadere eisen (indien aanwezig); - afwijken van de bouwregels (indien aanwezig); - specifieke gebruiksregels (indien aanwezig); - afwijken van de gebruiksregels (indien aanwezig); - omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (indien aanwezig); - wijzigingsbevoegdheid (indien aanwezig). Centraal staat de bestemmingsomschrijving. Daarin worden limitatief de functies en waarden genoemd, die binnen de bestemming zijn toegestaan respectievelijk worden beschermd. In een aantal gevallen geeft de bestemmingsomschrijving daarbij nog een nadere beperking in de vorm van een bestemmingscategorie of bijvoorbeeld een gebiedsbegrenzing, een maximale oppervlakte- of inhoudsmaat dan wel een beperking tot de bestaande bebouwing. De bouwregels zijn direct aan de bestemmingsomschrijving gerelateerd. Ook de gebruiksregels zijn gerelateerd aan de bestemmingsomschrijving, zij het dat deze regels zijn opgenomen in de algemene gebruiksregels in hoofdstuk 3. Hierin is bepaald dat het verboden is de onbebouwde grond en/of de daarop aanwezige bouwwerken te gebruiken op een wijze of tot een doel in strijd met het in het plan bepaalde.
Bedoeld wordt een gebruik in strijd met de bestemmingsomschrijving.
Enkelbestemmingen Artikel 3 Tuin Dit artikel bevat regels met betrekking tot de bestemming Tuin. In dit artikel wordt het mogelijk om tuinen en groenvoorzieningen aan te leggen, alsmede parkeervoorzieningen. Artikel 4 wonen Dit artikel bevat regels met betrekking tot de bestemming Wonen. Met de bestemming wonen wordt het mogelijk om een bouwvlak te bewonen in gestapelde vorm. Ook is het ondergeschikt mogelijk om tuinen en parkeervoorzieningen te houden. Het is mogelijk om een beroep aan huis uit te voeren. Er geldt een maximum van 4 woningen binnen het hoofdgebouw. Dubbelbestemmingen Naast de bestemmingen kent het bestemmingsplan ook dubbelbestemmingen. Een dubbelbestemming omvat een eigen stelsel van regels voor bouwen en gebruik voor het behoud en de bescherming van de in de dubbelbestemming aangegeven waarden. De dubbelbestemming functioneert naast de regeling die is verbonden aan de onderliggende bestemming. Artikel 5 Waarde - Archeologie - Middelhoge verwachting De voor 'Waarde - Archeologie - Middelhoge verwachting' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van een gebied met middelhoge archeologische verwachtingswaarde, waarbij de bestemming 'Waarde - Archeologie Middelhoge verwachting' voorrang heeft op de andere daar voorkomende bestemming(en).
52 | 57
Witteveen+Bos | 123804/22-000.148 | Definitief
Artikel 6 Waarde Ecologie De voor 'Waarde - Ecologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor instandhouding en ontwikkeling van landschaps- en natuurwaarden.
5.3.3
Algemene regels
Hoofdstuk 3 van het bestemmingsplan bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied van het bestemmingsplan. Hieronder worden de algemene regels van dit bestemmingsplan toegelicht. Artikel 7 Anti-dubbeltelregel Deze regel dient te voorkomen dat situaties ontstaan welke niet in overeenstemming zijn met de bedoeling van het plan. Daar voor een gebouw een zeker open terrein is vereist, wordt via de anti-dubbeltelregel voorkomen dat eenzelfde terrein 2 keer wordt ‘meegenomen’ bij de beoordeling van een bouwaanvraag. Grond die al eerder moest worden meegeteld bij de beoordeling van een bouwplan mag niet nog eens worden meegeteld bij een nieuwe bouwaanvraag. Artikel 8 Algemene bouwregels In dit artikel zijn algemene bouwregels opgenomen over de overschrijding van bouwgrenzen, bestaande maten, onderkeldering van gebouwen en de maximum goothoogte. Artikel 9 Algemene gebruiksregels In dit artikel wordt ingegaan op het strijdig gebruik. Artikel 10 Algemene aanduidingsregels Binnen het plangebied bevinden zich 2 gebiedsaanduidingen. Dit artikel bevat beperkende gebruiks- en bouwregels ter plaatse van de aanduidingen: Geluidzone - weg; Veiligheidszone - munitie c. Artikel 11 Algemene afwijkingsregels In dit artikel is een algemene wijzigingsbevoegdheid voor burgemeester en wethouders opgenomen voor enkele in het artikel genoemde gevallen.
Artikel 12 Overige regels In dit artikel wordt ingegaan op de uitsluiting van de aanvullende werking van het de Bouwverordening.
5.3.4
Overgangs- en slotregels
Conform het Bro (artikel 3.2.1 en 3.2.2) zijn standaardregels opgenomen met betrekking tot het overgangsrecht voor bouwwerken en gebruik. Hierin is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel wordt aangegeven op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.
53 | 57
Witteveen+Bos | 123804/22-000.148 | Definitief
6 UITVOERBAARHEID In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de maatschappelijke uitvoerbaarheid en economische uitvoerbaarheid van het plan.
6.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Een bestemmingsplan dient maatschappelijk uitvoerbaar te zijn. Dat wil zeggen dat de voorgenomen ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt in het bestemmingsplan zijn besproken met belanghebbenden. Het plan voorziet in een nieuwe ontwikkeling van het gebied. In dit kader wordt een maatschappelijke toets uitgevoerd, waarbij burgers worden geïnformeerd en ruimte hebben om te reageren op de concrete plannen. Met de omwonenden en buurtwerkgroep BASje is voor de zomer van 2020 een eerste overleg gevoerd. Hieruit bleek dat er een positieve grondhouding is tegenover de functie wonen. Er waren echter vragen over de invulling van de ruimte. Toen heeft de initiatiefnemer het grondplan van de appartementen veranderd, zodat er geen sprake kan zijn van gedeeld wonen. Hiermee is hij tegemoet gekomen aan de wens van de omwonenden. Kanttekeningen waren hierbij dat het karakter van de buurt behouden moet worden en dat er niet te veel woningen zouden moeten worden toegevoegd. Een bijeenkomst in maart 2020 kon niet doorgaan in verband met COVID-19.
6.2
Economische uitvoerbaarheid
Het hoofddoel van dit bestemmingsplan is de gewenste toekomstige situatie planologisch-juridisch vast te leggen, namelijk de wijziging van een kantoorfunctie naar een woonfunctie voor maximaal 4 woningen. De ontwikkeling is een particulier initiatief waarbij de financiële risico's voor de initiatiefnemer zijn. Het plan wordt daarom economisch uitvoerbaar geacht te zijn. De economische uitvoerbaarheid van het project is hiermee gewaarborgd. De gronden benodigd voor de uitvoering van voorliggend bestemmingsplan zijn reeds in het bezit van de initiatiefnemer. Er hoeft dan ook geen grondverwerving plaats te vinden ter uitvoering van voorliggend bestemmingsplan.
6.3
Handhaafbaarheid
Het bestemmingsplan is bindend voor zowel de overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor controle en handhaving van de regels in het bestemmingsplan ligt bij de gemeente. Het handhavingsbeleid van de gemeente Soest vormt de basis van de handhaving binnen de gemeentelijke grenzen. Handhaving kan worden omschreven als elke handeling die erop gericht is de naleving van regelgeving te bevorderen of een overtreding te beëindigen. Het doel van handhaving is om de bescherming van mens en omgeving te waarborgen tegen ongewenste activiteiten en overlast. In het kader van het bestemmingsplan heeft regelgeving met name betrekking op de Wet ruimtelijke ordening en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Bij overtreding van deze regels kan gedacht worden
54 | 57
Witteveen+Bos | 123804/22-000.148 | Definitief
aan bouwen zonder vergunning, bouwen in afwijking van een verleende vergunning en het gebruik van gronden en opstallen in strijd met de gebruiksregels van het bestemmingsplan of een omgevingsvergunning. Uitvoering van bestemmingsplannen dient strikt te worden toegepast en gehandhaafd, omdat met het bestemmingsplan het waarborgen en verbeteren van het leefmilieu kan worden aangestuurd. Een recent bestemmingsplan met duidelijke en hanteerbare regels maakt handhaving eenvoudiger. Wat hierbij wel noodzakelijk is zijn eenduidige en eenvoudige bestemmingsplanbepalingen die goed werkbaar zijn. De doeleindenomschrijving is daarbij belangrijk. Een duidelijke uitleg in de toelichting van het bestemmingsplan van de voorkomende bestemmingen kan verwarring en interpretatieverschillen voorkomen.
55 | 57
Witteveen+Bos | 123804/22-000.148 | Definitief
7 PROCEDURE 7.1
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt de procedure van het plan beschreven. Achtereenvolgens wordt ingegaan op de ontwerpfase en de vaststellingsfase van het plan.
7.2
Ontwerpfase
7.2.1
Vooroverleg
Artikel 3.1.1, eerste lid, van het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat het gemeentebestuur bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg moet plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Voor dit bestuurlijk vooroverleg heeft de gemeente Soest het concept ontwerpbestemmingsplan Amersfoortsestraat 126 digitaal beschikbaar gesteld aan de provincie Utrecht en waterschap Vallei en Veluwe. Reacties uit het vooroverleg worden verwerkt in het definitieve ontwerpbestemmingsplan.
7.2.2
Zienswijzen op het ontwerpbestemmingsplan
na vaststelling wordt het ontwerpbestemmingsplan gedurende een periode van zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode kan een ieder zienswijzen indienen op het ontwerpbestemmingsplan.
7.3
Vaststellingsfase
Deze fase gaat over de vaststelling van het bestemmingsplan. Indien de commentaren uit de ontwerpfase van het bestemmingsplan daar aanleiding toe geven, passen burgemeester en wethouders het bestemmingsplan aan. Dat kunnen zij overigens ook uit eigen beweging doen. Na afloop van de termijn van de terinzagelegging stellen burgemeester en wethouders het raadsvoorstel op. Daarin gaan zij onder meer in op de eventuele zienswijzen. Uiteindelijk beslist de raad over de vaststelling van het bestemmingsplan. De raad kan op dat moment ook besluiten om het bestemmingsplan niet, dan wel gewijzigd vast te stellen. De indieners van de zienswijzen hoeven niet te worden gehoord. Desgewenst kunnen zij gebruik maken van het spreekrecht.
7.4
Beroepsfase
Het vaststellingsbesluit wordt samen met het vastgestelde bestemmingsplan na de vaststelling gedurende 6 weken ter inzage gelegd. Degenen die eerder een zienswijze naar voren hebben gebracht of die hiertoe redelijkerwijs niet in staat zijn geweest, kunnen in deze periode tegen het besluit tot vaststellen van het
56 | 57
Witteveen+Bos | 123804/22-000.148 | Definitief
bestemmingsplan beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tegen de wijzigingen ten opzichte van het ontwerp bestemmingsplan kan een ieder beroep instellen. Wanneer geen beroep wordt ingesteld, is het bestemmingsplan na die 6 weken onherroepelijk. Het bestemmingsplan treedt in werking op de dag dat de beroepstermijn is afgelopen en er geen schorsingsverzoek (voorlopige voorziening) is ingediend. Het bestemmingsplan is onherroepelijk als er door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State een uitspraak is gedaan over het ingestelde beroep.
57 | 57
Witteveen+Bos | 123804/22-000.148 | Definitief
Bijlage(n)
I STIKSTOFDEPOSITIEONDERZOEK
Witteveen+Bos | 123804/22.000-148 | Bijlage I | Definitief
NOTITIE
Onderwerp Project Opdrachtgever Projectcode Status Datum Referentie Auteur(s)
Gecontroleerd door Goedgekeurd door
Stikstofdepositieonderzoek Wijziging bestemmingsplan Amersfoortsestraat 126 Soesterberg Hotel Restaurant Oud London 123804 Concept 01 25 februari 2021 123804/21-003.143 P.F.M. Fouraschen MSc ir. E. Logemann C.F. Terpstra MSc
Paraaf
Bijlage(n)
AERIUS-bijlage gebruiksfase AERIUS-bijlage aanlegfase
Aan
Hotel Restaurant Oud London -
Kopie
1
N.V. Bakker -
INLEIDING
De Amersfoortsestraat 126 in Soesterberg is momenteel bestemd als kantoor met een functieaanduiding voor maximaal één bedrijfswoning. Het plan is om in het bestaande pand vier appartementen te realiseren. Het college van B&W heeft in principe ingestemd met het verzoek. Voor de realisatie van de appartementen is een wijziging van het bestaande bestemmingsplan noodzakelijk. Hiervoor moet onder andere een stikstofdepositieonderzoek worden uitgevoerd naar de gewijzigde gebruiksfase van het plan. In opdracht van Hotel Restaurant Oud Londen heeft Witteveen+Bos een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd naar deze gewijzigde gebruiksfase. In deze notitie zijn de uitgangspunten en resultaten van het onderzoek vastgelegd.
2
JURIDISCHE ONTWIKKELINGEN
Op grond van artikel 2.7 lid 2 Wet natuurbescherming is een vergunning vereist voor het realiseren van projecten waar op voorhand significante negatieve gevolgen op Natura 2000-gebieden niet zijn uit te sluiten. Specifiek voor het aspect stikstof geldt dat sinds de rechterlijke uitspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 de ecologische gevolgen van iedere berekende depositie van meer dan 0,00 mol N/ha/jaar beoordeeld moet worden. De berekening moet uitgevoerd worden met de meest actuele versie van het rekeninstrument AERIUS.
Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. | Deventer Koningin Julianaplein 10, 12e etage | Postbus 85948 | 2508 CP Den Haag | +31 (0)70 370 07 00 | www.witteveenbos.com | KvK 38020751
Spoedwet stikstof Op 1 januari 2020 is de Spoedwet aanpak stikstof aangenomen. De Spoedwet bevat instrumenten om vergunningverlening voor (specifieke) projecten makkelijker te maken. Momenteel geldt het volgende kader (onderstaande punten zijn deels onveranderd gebleven ten opzichte van de wetgeving vóór de ingang van de Spoedwet): - op basis van de Wet natuurbescherming (artikel 2.7 lid 2) is een vergunning vereist voor projecten die mogelijk een significant gevolg kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied. Uitzondering hierop zijn projecten waarbij kan worden uitgesloten dat significante gevolgen optreden: hiervoor vervalt als gevolg van de Spoedwet de vergunningsplicht; - als een vergunning is vereist omdat niet kan worden uitgesloten dat mogelijke significante gevolgen optreden, dient tevens een Passende Beoordeling te worden opgesteld om in beeld te brengen of er daadwerkelijk significante gevolgen aan de orde zijn. In een Passende Beoordeling mogen ook mitigerende maatregelen betrokken worden; - als uit de Passende Beoordeling blijkt dat significante gevolgen niet zijn uit te sluiten, dan is een vergunning alleen mogelijk met het doorlopen van een ADC-toets. Wetsvoorstel vrijstelling aanleg- en sloopwerkzaamheden Recent is het wetsvoorstel stikstofreductie en natuurverbetering door de Tweede Kamer aangenomen. Deze ligt momenteel voor bij de Eerste Kamer.
Dit wetsvoorstel voorziet onder andere in een partiële vrijstelling, op basis waarvan stikstofeffecten als gevolg van ‘activiteiten van de bouwsector’ uitgezonderd worden van de vergunningplicht op grond van artikel 2.7 lid 2 Wet natuurbescherming. Andere effecten en stikstofeffecten in de gebruiksfase blijven wel vergunningplichtig. In het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering is nader uitgewerkt welke activiteiten zijn uitgezonderd van de vergunningenplicht. Het betreft het verrichten van een bouwactiviteit of een sloopactiviteit die het feitelijk verrichten van bouw- of sloopwerkzaamheden aan een bouwwerk betreft of het aanleggen, wijzigen of opruimen van een werk, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen. Voor de (gevolgen van) stikstofdepositie naar aanleiding van deze activiteiten hoeft dus geen natuurvergunning te worden aangevraagd. Het is mogelijk dat de inhoud van dit besluit nog zal wijzigen. Verder is nog niet duidelijk of en wanneer het wetsvoorstel en het besluit in werking zullen treden.
3
UITGANGSPUNTEN
3.1
Gebruiksfase
In de gebruiksfase is het bestaande pand bestemd voor vier appartementen. Tijdens de gebruiksfase vinden stikstofemissies plaats afkomstig van CV-ketels voor de verwarming en warmwatervoorziening van de appartementen. Ook vinden er stikstofemissies plaats door de verkeersaantrekkende werking van de appartementen. Als rekenjaar is 2022 gehanteerd.
3.1.1
CV-ketels
Tijdens de gebruiksfase zijn CV-ketels in werking voor de verwarming en warmwatervoorziening van de appartementen. In AERIUS zijn kengetallen opgenomen voor de jaarlijkse stikstofemissies per type woning. Voor de berekening is aangesloten bij de kengetallen van oudere appartementen: dit komt neer op een jaarlijkse emissie van 1,25 kg NOx en 0,47 NH3. De CV-ketels zijn in AERIUS gemodelleerd als puntbron ‘Wonen en werken - Woningen’. De uitstoothoogte bedraagt 9 meter en de warmteinhoud bedraagt 0,00 MW. Onderstaande tabel 3.1 geeft het overzicht van de emissies van de appartement weer.
2|7
Witteveen+Bos | 123804/21-003.143 | Concept 01
Tabel 3.1 Gebruiksfase - stikstofemissies appartementen Type woning
Stikstofemissie per woning NOx (kg/jaar)
NH3 (kg/jaar)
1,25
0,47
appartement
3.1.2
Aantal woningen
Stikstofemissie totaal
4
NOx (kg/jaar)
NH3 (kg/jaar)
5,0
1,88
Wegverkeer
De verkeersgeneratie van de appartementen is berekend op basis van de meest recente kengetallen van het CROW1. Het gebruik van de CROW-kengetallen geldt als een gangbare methode om de verkeersaantrekkende werking van woningen te bepalen. Per type woning zijn kengetallen voor de verkeersgeneratie beschikbaar: voor deze berekening is aangesloten bij ‘koop, appartement, duur’. De verkeersgeneratie hangt af van de mate van verstedelijking en de ligging van de appartementen. Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) behoort de gemeente Soest met 1.468 adressen2 per km2 tot de klasse ‘Matig stedelijk’. Het bestaande pand is gesitueerd buiten het centrum van Soesterberg: hierom is aangesloten bij de ligging ‘Rest bebouwde kom’. De CROW-kengetallen geven een minimale en maximale verkeersaantrekkende werking weer. Voor deze berekening is uitgegaan van het gemiddelde, wat neerkomt op 2,0 motorvoertuigen/etmaal per woning. De voertuigbewegingen zijn in AERIUS gemodelleerd als lijnbron ‘Wegverkeer - Buitenwegen. De voertuigbewegingen lopen vanaf het terrein van de appartementen over de N237, evenredig verdeeld in noordoostelijke en zuidwestelijke richting, totdat deze bewegingen opgaan in het heersende verkeersbeeld. Dit is het geval wanneer de voertuigbewegingen door snelheid en rij- en stopgedrag niet meer onderscheidend zijn van het overige verkeer op de N2373.
Voor de berekening is hiervoor circa 100 meter aangehouden. Onderstaande tabel 3.2 geeft het overzicht weer van de stikstofemissies door wegverkeer in de gebruiksfase.
Tabel 3.2 Gebruiksfase - stikstofemissies licht wegverkeer Type woning
Verkeersgeneratie (mvt/etmaal)
Aantal woningen
Verkeersgeneratie totaal (mvt/etmaal)
Emissie NOx (kg/jaar)
Emissie NH3 (kg/jaar
2,0
4
8,0
0,19
0,02
koopwoning, appartement, duur
3.2
Aanlegfase
Voor de transformatie van kantoorfunctie van het pand naar vier appartementen worden mobiele werktuigen en bouwverkeer ingezet. Bij deze inzet vinden stikstofemissies plaats. Als rekenjaar is 2021 gehanteerd.
3.2.1
Mobiele werktuigen
Tijdens de aanlegfase worden verschillende mobiele werktuigen ingezet, waarbij stikstofemissies vrijkomen. Omdat er nog geen aannemer in beeld is, is voor de transformatie van kantoorfunctie naar appartementen
1 2
CROW, Toekomstbestendig parkeren - Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie, d.d. 1 december 2018. CBS Statline, Kerncijfers wijken en buurten 2020, d.d. 13 november 2020. Opgehaald via https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/84799NED/table?ts=1614066724061.
3
BIJ12, Instructie gegevensinvoer voor AERIUS Calculator 2020, d.d. januari 2021, versie 3.0.
3|7
Witteveen+Bos | 123804/21-003.143 | Concept 01
een inschatting van de inzet gemaakt. Deze inschatting is worstcase gemaakt op basis van de benodigde inzet van materieel voor nieuwbouwwoningen. Naar verwachting zullen de emissies bij transformatie van bestaande panden lager uitvallen, aangezien minder zwaar materieel benodigd is voor de uitvoering van de werkzaamheden. Om de totale stikstofemissie van een mobiel werktuig te berekenen, moeten de emissies die vrijkomen onder belasting en tijdens het stationair draaien van de motor bij elkaar worden opgeteld: E = EMW + ES Waarbij: - E: de emissie van het ingevoerde mobiele werktuig (kg/jaar); - EMW: de emissie van het ingevoerde mobiele werktuig bij belasting (kg/jaar); - ES: de emissie van het ingevoerde mobiele werktuig bij stationair draaien (kg/jaar). Emissie bij belasting De formule om de emissie bij belasting uit te rekenen wordt gebruikt voor zowel NOX en NH3. Dit wordt berekend met de volgende formule: EMW = V × Be × G × EFW / 1.000 Waarbij: - EMW: de emissie van het mobiele werktuig bij belasting (kg/jaar); - V: het volle vermogen van het mobiele werktuig (kW); - Be: de fractie van het volle vermogen van het mobiele werktuig dat daadwerkelijk wordt gebruikt tijdens belasting (-); - G: het aantal draaiuren van het mobiele werktuig bij belasting (uur/jaar); - EFW: de emissiefactor bij belasting (g/kWh).
Emissies tijdens stationair draaien De formule om de emissie bij belasting uit te rekenen wordt gebruikt voor zowel NOX en NH3. De emissie als gevolg van stationair draaien wordt met de volgende formule berekend: ES = TS × EFS_CI × CI / 1.000 Waarbij: - ES: de emissie van het mobiele werktuig bij stationair draaien (kg/jaar); - TS: het aantal draaiuren van het mobiele werktuig bij stationair draaien (uur/jaar); - EFS_CI: de emissiefactor tijdens stationair draaien per liter cilinderinhoud (g/liter/uur); - CI: de cilinderinhoud van het mobiele werktuig (liter). Inschatting cilinderinhoud Voor het inschatten van de cilinderinhoud van de mobiele werktuigen is uitgegaan van onderstaande formule: CI = V / 20 Waarbij: - CI: de cilinderinhoud van het mobiele werktuig (liter); - V: het volle motorvermogen van het mobiele werktuig (kW). Specificaties mobiele werktuigen In de tabellen 3.3 en 3.4 zijn de specificaties van de mobiele werktuigen en de hierop berekende emissies weergegeven. Hierbij is aangenomen dat uitsluitend Stage-IV klasse mobiele werktuigen worden ingezet. Voor de verdeling tussen de uren bij belasting en bij stationair draaien is hierbij aangenomen dat de mobiele
4|7
Witteveen+Bos | 123804/21-003.143 | Concept 01
werktuigen 30 % van de tijd stationair draaien1. De belasting en emissiefactoren volgen uit de opgenomen waarden in AERIUS2. De mobiele werktuigen zijn in AERIUS gemodelleerd als oppervlaktebron ‘Mobiele werktuigen - Bouw en Industrie’. Voor de emissiehoogte en spreiding zijn de standaardwaarden van 4 meter gehanteerd. Ook voor de warmteinhoud is aangesloten bij de standaardwaarde, namelijk 0,00 MW.
Tabel 3.3 Specificaties mobiele werktuigen Omschrijving
Type werktuig
Stage-klasse
V (kW)
G (uur)
TS (uur)
Be (-)
C (L)
boorstelling
graafmachines 100 kW, bouwjaar vanaf 2012
STAGE IIIb, 75 <= kW < 130, bouwjaar 2012 (diesel)
125
70
30
0,692857
6,25
graafmachine
graafmachines 60 kW, bouwjaar vanaf 2012
STAGE IIIb, 37 <= kW < 56, bouwjaar 2013 (diesel)
55
70
30
0,692857
2,75
heistelling
graafmachines 100 kW, bouwjaar vanaf 2015
STAGE IIIa, 75 <= kW < 130, bouwjaar 2007 (diesel)
112
35
15
0,692857
5,6
rupskraan
graafmachines 100 kW, bouwjaar vanaf 2015
STAGE IV, 130 <= kW < 300, bouwjaar 2014 (diesel)
232
140
60
0,692857
11,6
mobiele kraan
mobiele kranen 210 kW, bouwjaar vanaf 2014
STAGE IIIb, 130 <= kW < 300, bouwjaar 2011 (diesel)
240
35
15
0,61
12
graafmachine
graafmachines 100 kW, bouwjaar vanaf 2015
STAGE IV, 75 <= kW < 130, bouwjaar 2015 (diesel)
114
140
60
0,692857
5,7
trilplaat
trilplaten 10 kW, bouwjaar vanaf 1981
Pre-STAGE 1991STAGE I, < 18 kW (diesel)
10
35
15
0,55
0,5
Tabel 3.4 Aanlegfase - stikstofemissies mobiele werktuigen Omschrijving/ machine
NOx EFW (g/kWh)
NOx EFS_Cl (g/L/uur)
NOxemissie (kg)
NH3 EFW (g/kWh)
NH3 EFS_Cl (g/L/uur)
NH3emissie (kg)
boorstelling
4,4
14,2
29,34
0,00252556
0,0033
0,02
graafmachine
2,9
14,2
8,91
0,00262618
0,0033
0,01
heistelling
4,4
14,2
13,14
0,00253977
0,003293
0,01
rupskraan
0,8
10
24,96
0,00250544
0,003142
0,06
mobiele kraan
0,9
14,2
7,17
0,00235907
0,0033
0,01
graafmachine
0,8
10
12,27
0,00250544
0,003149
0,03
trilplaat
12,6
13,9
2,53
0,00332046
0,003431
0,00
totaal
1
98,31
TNO, Onderbouwing AERIUS emissiefactoren voor wegverkeer, mobiele werktuigen, binnenvaart en zeevaart, d.d. 8 oktober 2020, referentie TNO 2020 R11528.
2
0,13
RIVM, Factsheet Emissieberekening mobiele werktuigen, d.d. 15 oktober 2020. Opgevraagd via https://www.aerius.nl/nl/factsheets/emissieberekening-mobiele-werktuigen/15-10-2020.
5|7
Witteveen+Bos | 123804/21-003.143 | Concept 01
3.2.2
Bouwverkeer
Tijdens de aanlegfase vinden ook verkeersbewegingen door het bouwverkeer plaats van en naar de locatie. In onderstaande tabel 3.5 zijn de ingeschatte verkeersintensiteiten van het bouwverkeer weergegeven. De verkeersbewegingen zijn in AERIUS gemodelleerd als lijnbron ‘Wegverkeer - Buitenwegen. De voertuigbewegingen lopen vanaf het terrein van de appartementen over de N237, evenredig verdeeld in noordoostelijke en zuidwestelijke richting, totdat deze bewegingen opgaan in het heersende verkeersbeeld. Dit is het geval wanneer de voertuigbewegingen door snelheid en rij- en stopgedrag niet meer onderscheidend zijn van het overige verkeer op de N2371. Voor de berekening is hiervoor circa 100 meter aangehouden. Onderstaande tabel geeft ook het overzicht weer van de stikstofemissies door bouwverkeer in de aanlegfase.