CConstaterende datSoest
Koppel je AI →
Document · PDF

3. Bijlage 2 Amersfoortsestraat 126 Toelichting bestemmingsplan-gecomprimeerd

Besluitvormende Raadsvergadering 5 april 2023, gemeente SoestBij agendapunt: Bestemmingsplan Amersfoortsestraat 12622.414 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Toelichting Ontwerp bestemmingsplan Amersfoortsestraat 126 Soest NL.IMRO.0342.BPLG0039-0201 7 januari 2022

INHOUDSOPGAVE

1

INLEIDING

7

1.1

Aanleiding

7

1.2

Ligging plangebied

7

1.3

Vigerend bestemmingsplan

8

1.4

Andere procedure(s) en gerelateerde projecten

9

1.5

Leeswijzer

10

2

BESCHRIJVING PLANGEBIED

11

2.1

Introductie

11

2.2

Huidige situatie

11

2.3

Toekomstige situatie

13

3

BELEIDSKADER

19

3.1

Inleiding

19

3.2

Rijksbeleid

19

3.2.1 3.2.2 3.2.3 3.2.4

19 19 20 20

3.3

Provinciaal beleid 3.3.1 3.3.2

3.4

Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Ladder voor duurzame verstedelijking Omgevingswet

Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie en Provinciale Ruimtelijke Verordening Utrecht (2013-2028) Provinciale Ruimtelijke Verordening

21 21 21

Gemeentelijk beleid

24

3.4.1 3.4.2 3.4.3

24 25 25

Structuurvisie Soest (2009-2030) Welstandsnota (13 februari 2014) Parapluplan Retail en Nota parkeernormen auto en fiets

4

MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN

26

4.1

Inleiding

26

4.2

Aanwezigheid m.e.r.-plicht

26

4.3

Natuur

27

4.3.1 4.3.2 4.3.3 4.3.4 4.4

4.5

4.6

Toetsingskader De groene kernkwaliteit van Soest 2014 Resultaten Conclusie

27 28 30 32

Cultuurhistorie en archeologie

32

4.4.1 4.4.2 4.4.3

33 34 35

Toetsingskader Cultuurhistorische Waardenkaart Conclusie

Bodem en niet gesprongen explosieven

35

4.5.1 4.5.2 4.5.3

36 36 37

Toetsingskader Resultaten Conclusie

Water 4.6.1 4.6.2 4.6.3

37 Toetsingskader Resultaten Conclusie

38 40 41

4.7

Verkeer en parkeren

41

4.8

Geluid

42

4.8.1 4.8.2 4.8.3 4.9

4.10

4.11

Toetsingskader Resultaten Conclusie

42 42 44

Luchtkwaliteit

44

4.9.1 4.9.2 4.9.3

44 45 45

Toetsingskader Resultaten Conclusie

Externe veiligheid

45

4.10.1 4.10.2 4.10.3

46 46 47

Toetsingskader Resultaten Conclusie

Bedrijven- en milieuzonering

48

4.11.1 4.11.2

48 49

Resultaten Conclusie

5

JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING

50

5.1

Algemeen

50

5.1.1 5.1.2 5.1.3

50 50 51

Wat is een bestemmingsplan? Over bestemmen en aanduiden Hoofdstukopbouw van de regels

5.2

Dit bestemmingsplan

51

5.3

Toelichting op de regels

51

5.3.1 5.3.2 5.3.3 5.3.4

51 52 53 53

Inleidende regels Bestemmingsregels Algemene regels Overgangs- en slotregels

6

UITVOERBAARHEID

54

6.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

54

6.2

Economische uitvoerbaarheid

54

6.3

Handhaafbaarheid

54

7

PROCEDURE

56

7.1

Inleiding

56

7.2

Ontwerpfase

56

7.2.1 7.2.2

56 56

Vooroverleg Zienswijzen op het ontwerpbestemmingsplan

7.3

Vaststellingsfase

56

7.4

Beroepsfase

56

Laatste pagina

57

Bijlage(n)

Aantal pagina's

I

Stikstofdepositieonderzoek

20

II

Akoestisch onderzoek

18

III

Bomenonderzoek

4

IV

Bodemonderzoek

36

V

Watertoets

3

1 INLEIDING 1.1

Aanleiding

Aanleiding voor het opstellen van het bestemmingsplan vormt het initiatief om de huidige bestemming van de kantoorvilla gelegen aan de Amersfoortstraat 126 in Soesterberg te wijzigen. Momenteel is het pand aan de Amersfoortsestraat 126 bestemd als kantoor met een functieaanduiding voor maximaal 1 bedrijfswoning. Het plan is om in het bestaande pand 4 appartementen te realiseren. De beoogde ontwikkeling bevat geen nieuwbouw of sloop. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Soest heeft in principe ingestemd met het verzoek. De voorgenomen ontwikkelingen zijn in strijd met de vigerende bestemmingsplannen en worden daarom juridisch-planologisch mogelijk gemaakt door middel van de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan voor dit plangebied.

1.2

Ligging plangebied

Op afbeelding 1.1 is de globale ligging van het plangebied weergegeven. Zoals genoemd heeft de voorgenomen ontwikkeling betrekking op het bestaande pand op het adres Amersfoortsestraat 126 te Soesterberg. Het betreft 1 perceel, te weten sectie E nummer 2651. De Amersfoortsestraat vormt samen met de Utrechtseweg de doorgaande weg tussen Soesterberg en Amersfoort. Langs de gehele Amersfoortsestraat en Utrechtseweg zijn op korte afstand van elkaar diverse woningen, bedrijven en kantoren in een groen decor gevestigd. Dit maakt dat deze wegen een woon- en verblijffunctie kennen waarin veel mensen ook daadwerkelijk wonen of verblijven. Op de navolgende afbeeldingen zijn de globale ligging en begrenzing van de locatie weergegeven. Daarnaast ligt het plangebied op het voormalig GGZterrein Zon en Schild, en in de nabijheid van de vliegbasis Soesterberg, de legerbasis en ten noorden van het plangebied bevinden zich de Soestduinen.

7 | 57

Witteveen+Bos | 123804/22-000.148 | Definitief

Afbeelding 1.1 De globale ligging van het plangebied (rode contour)

Amersfoort

Soest

1.3

Vigerend bestemmingsplan

In het plangebied zijn meerdere bestemmingsplannen vigerend (vastgesteld door de gemeente Soest). Het betreffen: het bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied’ (onherroepelijk; op 3 juni 2015 vastgesteld); het bestemmingsplan ‘Parapluplan Retail en Nota parkeernormen auto en fiets’ (onherroepelijk; op 28 september 2017 vastgesteld). Afbeelding 1.2 geeft een overzicht van de toepassing zijnde bestemmingen van het bestemmingsplan Landelijke gebied in het plangebied. Voor het bestemmingsplan Parapluplan Retail en Nota parkeernormen auto en fiets geldt dat dit plan een parkeerregelgeving bevat met als doel te verzekeren dat voldoende parkeergelegenheid is gerealiseerd op eigen terrein bij ruimtelijke ontwikkelingen.

8 | 57

Witteveen+Bos | 123804/22-000.148 | Definitief

Afbeelding 1.2 Uitsnede bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied’. Het plangebied is rood omlijnd

Ter plaatse van het plangebied geldt de enkelbestemming Kantoor. Tevens gelden de dubbelbestemmingen ‘Waarde - Archeologie - Middelhoge Verwachting’ en ‘Waarde-Ecologie’. Op het plangebied gelden de gebiedsaanduidingen ‘geluidzone - weg’ en ‘veiligheidszone - munitie - c’. Kantoor Uit de regels van het bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied’ volgt dat ter plaatse de gronden zijn bestemd voor kantoren met de daarbij behorende parkeervoorzieningen, tuinen, erven, ontsluitingsverharding, bedrijfsterreinen en overige voorzieningen, zoals groen- en speelvoorzieningen. Tevens is 1 bedrijfswoning toegestaan met een maximale inhoud van 600 m3. Gebouwen dienen ook te voldoen aan een maximale goothoogte van 3 meter en een maximale bouwhoogte van 11 meter. Waarde - Archeologie - Middelhoge Verwachting Deze dubbelbestemming zorgt voor de bescherming van de archeologische resten die mogelijk in de bodem aanwezig zijn. Er mag dan ook niet zonder toestemming van het bevoegde gezag te gaan bouwen of te laten bouwen. Er zijn uitzonderingen op dit verbod, zoals bijvoorbeeld bij bebouwing dat nodig is voor archeologisch onderzoek. Waarde-Ecologie De voor 'Waarde - Ecologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor instandhouding en ontwikkeling van landschaps- en natuurwaarden.

Geluidzone - weg De gebiedsaanduiding ‘Geluidzone - weg’ verbiedt het bouwen van nieuwe woningen of gebouwen als de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden. Het college kan hierop uitzonderingen toelaten. Veiligheidszone - munitie - c De gebiedsaanduiding 'veiligheidszone - munitie - c' bevat regels met betrekking tot gevels en gebouwen met een zeer groot glasoppervlakte waarin zich als regel een groot aantal personen bevindt en bedrijven die bij calamiteit gevaar voor munitieopslag of omgeving opleveren niet toegestaan.

1.4

Andere procedure(s) en gerelateerde projecten

Na het uitvoeren van een vergunningeninventarisatie is gebleken dat er een omgevingsvergunning voor de inpandige verbouwing nodig is.

9 | 57

Witteveen+Bos | 123804/22-000.148 | Definitief

Daarnaast is in overleg met de gemeente Soest een procedure gestart met betrekking tot de toepassing van een dove gevel. Meer hierover in paragraaf 4.8.

1.5 -

-

-

Leeswijzer allereerst wordt, in hoofdstuk 2, ingegaan op de beschrijving van het plangebied. Deze beschrijving dient als uitgangspunt bij het verdere ontwerp van het plangebied. Het ruimtelijk beleid wordt per thema beschreven en er wordt ingegaan op de belangrijkste uitgangspunten voor de stedenbouwkundige inrichting; hoofdstuk 3 gaat in op de haalbaarheid van het bestemmingsplan, waarbij de ontwikkelingen in het bestemmingsplan getoetst worden aan het bestaande beleid van de Rijksoverheid, de provincie Utrecht en het regionale beleid. Ook komt het gemeentelijke beleid aan de orde; in hoofdstuk 4 worden de ontwikkelingen getoetst aan milieuaspecten en andere omgevingsaspecten; hoofdstuk 5 geeft een toelichting op de regels en geeft aan waarom voor een bepaalde regeling is gekozen. In meer algemene zin wordt eerst de juridische plansystematiek uiteen gezet; in hoofdstuk 6 komt de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid aan de orde; tenslotte is in hoofdstuk 7 de beschrijving van de procedure toegelicht.

10 | 57

Witteveen+Bos | 123804/22-000.148 | Definitief

2 BESCHRIJVING PLANGEBIED 2.1

Introductie

Zoals in hoofdstuk 1 is aangegeven is de voorziene transformatie van het kantoorpand naar woningen de belangrijkste reden voor het opstellen van dit bestemmingsplan. De beoogde ontwikkeling van appartementen past niet binnen de planologische kaders, zodat een nieuw bestemmingsplan nodig is. In dit hoofdstuk wordt het plangebied beschreven. Eerst wordt ingegaan op de huidige situatie en vervolgens wordt ingegaan op de planbeschrijving.

2.2

Huidige situatie

De bestaande ruimtelijke hoofdstructuur en bebouwingsstructuur zijn het uitgangspunt voor de ruimtelijke hoofdopzet van dit nieuwe bestemmingsplan. Het pand aan de Amersfoortsestraat 126 is momenteel ingericht als kantoorpand en staat leeg. Oprichting van het pand heeft in de jaren ’40 plaatsgevonden en momenteel kent het een grondoppervlakte van circa 500 m2. De locatie bevindt zich aan de straatzijde en is, ondanks de groene achtergrond, goed zichtbaar. De villa heeft diverse aan- en uitbouwen met bijbehorende kapconstructies en sluit qua beeldkwaliteit aan op de overige villa’s die in het straatbeeld aanwezig zijn. Op de navolgende afbeeldingen zijn impressies van de huidige situatie weergegeven.

11 | 57

Witteveen+Bos | 123804/22-000.148 | Definitief

Afbeelding 2.1 Impressie plangebied in vogelvlucht

Afbeelding 2.2 Voorzijde pand

12 | 57

Witteveen+Bos | 123804/22-000.148 | Definitief

Afbeelding 2.3 Achterzijde pand

2.3

Toekomstige situatie

Het voorliggende plan ziet op de wijziging van de kantoorfunctie naar een woonfunctie, waarbij maximaal 4 appartementen worden mogelijk gemaakt. Het gebouw wordt inpandig verbouwd en gerenoveerd. De appartementen variëren in grootte van circa 50 m2 tot 190 m2. Op afbeelding 2.4 is een schets te zien van de voor en achtergevel van het gebouw.

Afbeelding 2.4 Voor- en achtergevel pand

13 | 57

Witteveen+Bos | 123804/22-000.148 | Definitief

Tabel 2.1 Globale oppervlakte appartementen Appartement

Oppervlakte circa (m2)

A

85

B

100

C

65

D

190

Het plangebied is bestemd als woongebied. Hierdoor wordt de beoogde transformatie van kantoorgebouwen naar woningen planologisch mogelijk gemaakt. Op de afbeeldingen 2.5, 2.6 en 2.7 wordt de indeling van de appartementen op de verschillende verdiepingen weergegeven. Elke woonlaag bevat in principe 2 appartementen. Appartement 4 is over 2 woonlagen verdeeld (eerste verdieping en zolder).

14 | 57

Witteveen+Bos | 123804/22-000.148 | Definitief

Afbeelding 2.5 Appartement 1 en 2 op de begane grond

Appartement 1 heeft een oppervlakte van ongeveer 85 m2. Er zijn 2 slaapkamers, een woonkamer en een keuken. Appartement 2 is groter met een oppervlakte van ongeveer 100 m 2. Ook dit appartement heeft 2 slaapkamers, een woonkamer en een keuken. Beide appartementen bezitten over eigen toilet- en douchevoorzieningen.

15 | 57

Witteveen+Bos | 123804/22-000.148 | Definitief

Afbeelding 2.6 Appartementen op de eerste verdieping

Appartement 3 heeft een oppervlakte van ongeveer 65 m2 . Er zijn 2 slaapkamers, een woonkamer en een leefkeuken. Appartement 4 is de grootst met een oppervlakte van ongeveer 190 m 2 en bevindt zich op 2 verdiepingen. Dit appartement heeft 4 slaapkamers, een woonkamer en een keuken. Ook deze appartementen beschikken over eigen toilet- en douchevoorzieningen.

16 | 57

Witteveen+Bos | 123804/22-000.148 | Definitief

Afbeelding 2.7 Appartement op de zolder

Parkeren Bij het realiseren van een nieuwe functie moet gekeken worden naar verkeersaspecten als bereikbaarheid, verkeersveiligheid en parkeren. In het kader van een goede leefbaarheid geldt dat hinder in de omgeving zoveel mogelijk moet worden voorkomen. Gelet op de parkeernota van de gemeente Soest, ‘Nota parkeernormen auto en fiets, 3e herziening, slimmer en beter’ d.d. 27 maart 2018, moet er binnen het plangebied plek worden gereserveerd voor acht niet-openbare en 3 openbare parkeerplekken. Binnen het plan wordt hiermee rekening gehouden. De parkeerplaatsen worden aan de voorzijde van het kavel gerealiseerd (zie afbeelding 2.8). De verharding op het terrein neemt niet toe, aangezien gebruik wordt gemaakt van grindpaden. Tuin Voor het ontwerp van de tuin geldt dat de bestaande situatie maatgevend is. Bij de herinrichting van het terrein wordt rekening gehouden met bestaande bomen. Het plangebied krijgt zoveel mogelijk een groenere uitstraling en complimenteert zowel de woning als de omgeving. Het huidige karakter van het terrein wordt versterkt door het aanvullen van bestaande groenelementen, maar ook door het transformeren van verharding in groen. Hiervoor is een tuinontwerp opgesteld, zie hiervoor afbeelding 2.8.

17 | 57

Witteveen+Bos | 123804/22-000.148 | Definitief

Afbeelding 2.8 Tuinontwerp

18 | 57

Witteveen+Bos | 123804/22-000.148 | Definitief

3 BELEIDSKADER 3.1

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt het voor onderhavig plan relevante ruimtelijke beleid beschreven. Dit betreft zowel het beleid van het Rijk, provincie, waterschap als gemeente. Aangegeven wordt wat de relatie is tussen het plan en het beleid en getoetst wordt of het plan in overeenstemming is met het geldende beleid.

3.2

Rijksbeleid

3.2.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) wordt naar verwachting begin 2020 officieel vastgesteld. De NOVI komt voort uit de Omgevingswet en verplicht het Rijk tot een strategische visie op de fysieke leefomgeving. In de NOVI geeft de Rijksoverheid een langetermijnvisie op de ruimtelijke inrichting en de kwaliteit van de leefomgeving in Nederland. De NOVI richt zich op 4 prioriteiten: 1 ruimte maken voor de klimaatverandering en energietransitie; 2 de economie van Nederland verduurzamen en het groeipotentieel behouden; 3 steden en regio’s sterker en leefbaarder maken; 4 het landelijk gebied toekomstbestendig ontwikkelen. Uitgangspunten in de aanpak van de NOVI zijn het maken van slimme combinaties van functies, de kenmerken en identiteit van het gebied centraal stellen en het niet uitstellen of doorschuiven van beslissingen. De overheid streeft in de NOVI naar een geïntegreerde en gebiedsgerichte aanpak waarin samenwerking tussen overheden onderling en tussen overheden, maatschappelijke organisaties en burgers cruciaal is. Relatie met het voorliggende bestemmingsplan De NOVI beschrijft op hoofdlijnen met welke nationale belangen rekening gehouden dient te worden gehouden in planvorming en op welke manier een afweging in dient te worden gemaakt.

De voorgenomen ontwikkeling in het plangebied past binnen de ambities van de NOVI, omdat het plan op integrale wijze een kwalitatief hoogwaardige bijdrage levert aan het verbeteren en ontwikkelen van het landelijk gebied. Conclusie Het voorliggende bestemmingsplan is in overeenstemming met de doelstellingen van de NOVI.

3.2.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Op 17 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vastgesteld. Het Barro bevestigt in juridische zin de kaderstellende uitspraken uit de NOVI ten aanzien van de dertien daarin genoemde nationale belangen. Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan de versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte.

19 | 57

Witteveen+Bos | 123804/22-000.148 | Definitief

Het gaat om de volgende belangen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote rivieren, Waddenzee en Waddengebied, Defensie, Natuurnetwerk Nederland, Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, Primaire waterkeringen buiten het kustfundament en IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte). Conclusie Het Barro legt geen beperkingen op ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling. Het Barro vormt in dat verband geen belemmering voor verdere planvorming.

3.2.3

Ladder voor duurzame verstedelijking

De ladder voor duurzame verstedelijking is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe laddersystematiek geldt. Deze regeling staat beschreven in artikel 3.1.6 Bro. Het bevoegd gezag moet voldoen aan een motiveringsvereiste als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt via een bestemmingsplan, uitwerkings- of wijzigingsplan, of een omgevingsvergunning. Zo bevat een dergelijk plan een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het plan een ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien. De laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een stedelijke ontwikkeling is in het Bro gedefinieerd als een ‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Mede aan de hand van jurisprudentie is duidelijk welke ontwikkelingen al dan niet worden aangemerkt als (nieuwe) stedelijke ontwikkeling.

Uit de handreiking ladder voor duurzame verstedelijking (Bron: Infomil) blijkt dat voor wonen de lijn is, dat er vanaf 12 woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Deze ontwikkeling gaat uit van 4 appartementen en wordt daarom niet gezien als stedelijke ontwikkeling. Conclusie Het aantal woningen dat in het plangebied wordt gerealiseerd, ligt onder de grens van 12 woningen, waardoor de ontwikkeling niet als stedelijke ontwikkeling wordt aangemerkt. Dit betekent dat de Ladder voor duurzame verstedelijking niet op dit plan van toepassing is en geen belemmering oplevert voor de uitvoering van de plannen.

3.2.4

Omgevingswet

Naar verwachting treedt de Omgevingswet (Ow) op 1 juli 2022 in werking. De Omgevingswet betreft een wet die een verregaande vereenvoudiging van het stelsel van wetgeving voor de ontwikkeling en het beheer van de leefomgeving (omgevingsrecht) beoogt door tientallen op dit moment vigerende wetten en honderden regels te bundelen in 1 nieuwe wet. De wet betekent een aanzienlijke inhoudelijke reductie van regels op het terrein van water, lucht, bodem, natuur, infrastructuur, gebouwen en cultureel erfgoed. Het overgangsrecht in de Invoeringswet Omgevingswet (IOw) en in het Invoeringsbesluit Omgevingswet regelt de verhouding tussen nieuwe en bestaande regelgeving. Paragraaf 11.2 van de IOw bevat het overgangsrecht voor de kerninstrumenten van de Ow: de Omgevingsvisie, programma’s, het omgevingsplan, de omgevingsverordening en waterschapsverordening, algemene rijksregels, de omgevingsvergunning, het projectbesluit en instructieregels.

20 | 57

Witteveen+Bos | 123804/22-000.148 | Definitief

De uitwerking van het overgangsrecht kan overigens nog wijzigen in de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel voor de Invoeringswet Omgevingswet. Relatie met het voorliggende bestemmingsplan Op het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet, gaat dit bestemmingsplan op in het omgevingsplan van de gemeente. Bij inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft namelijk iedere gemeente van rechtswege 1 omgevingsplan (artikel 22.1 Ow). Het overgangsrecht, beschreven in de Invoeringswet Omgevingswet (IOw), regelt dat de gemeente in 2021 in ieder geval een omgevingsplan heeft dat gevuld is met (1) de regels die van rijksniveau naar gemeenteniveau gaan en (2) de bestaande ruimtelijke plannen en een aantal verordeningen (artikel 1.1, onderdeel JI IOw). Deze 2 onderdelen vormen samen het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Conclusie Het oude recht is van toepassing op procedures die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn gestart. Op dit bestemmingsplan is derhalve de Omgevingswet nog niet van toepassing. Ook is het overgangsrecht nu zo ingestoken dat alles wat in bestemmingsplannen, beheersverordeningen en omgevingsvergunningen is geregeld in feite gewoon geldig blijft na invoering van de Omgevingswet als onderdeel van het omgevingsplan. De Omgevingswet brengt geen gevolgen met zich mee voor de procedure en opzet van dit bestemmingsplan.

3.3

Provinciaal beleid

3.3.1

Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie en Provinciale Ruimtelijke Verordening Utrecht (2013-2028)

De Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie 2013-2028 (PRS) is door Provinciale Staten van de provincie Utrecht vastgesteld op 4 februari 2013. Hierin geeft de provincie aan welke doelstellingen van provinciaal belang worden geacht, welk beleid bij deze doelstellingen hoort én hoe uitvoering wordt geven aan dit beleid. De PRS (Herijking 2016) en Provinciale ruimtelijke verordening (Herijking 2016) zijn op 12 december 2016 integraal vastgesteld, dus met inbegrip van de 1e en 2e partiële herziening. Het doel van de PRS is om te zorgen voor een blijvend aantrekkelijke provincie. Via haar ruimtelijk beleid draagt de provincie bij aan een kwalitatief hoogwaardige fysieke leefomgeving, waarin het ook in de toekomst plezierig wonen, werken en recreëren is. De PRS geeft de ruimtelijke ambities weer van de provincie Utrecht. Hierin staat welke doelstellingen de provincie van provinciaal belang acht, welk beleid bij deze doelstellingen hoort én hoe dit beleid uitgevoerd wordt. Deels loopt deze uitvoering via de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV) die tegelijk met de PRS is opgesteld.

3.3.2

Provinciale Ruimtelijke Verordening

De Provinciale Ruimtelijke Verordening 2013 (herijking 2016) (PRV) bevat algemene regels die gemeenten in acht moeten nemen bij het opstellen van hun ruimtelijke plannen. In de PRV zijn regels opgenomen die noodzakelijk zijn voor het waarborgen van de provinciale belangen. Dit ruimtelijke beleid van de provincie heeft als uitgangspunt: lokaal wat kan, regionaal wat moet. Gemeenten krijgen hierdoor meer ruimte om, binnen gestelde kaders, zelf beslissingen te nemen. Ruimtelijke kwaliteit staat hierbij voorop. De verdere uitwerking van het ruimtelijk beleid rust op 2 belangrijke pijlers: 1. inzetten op binnenstedelijke ontwikkeling: ten minste 2/3 van de woningbouwopgave moet binnenstedelijk worden gerealiseerd. Dit sluit aan bij de vraag, vergroot het draagvlak voor voorzieningen en openbaar vervoer en vermindert de druk op het landelijk gebied. Verminderen van het overschot aan kantoren en herstructurering van bedrijventerreinen, maken ook deel uit van de binnenstedelijke opgave; en

21 | 57

Witteveen+Bos | 123804/22-000.148 | Definitief

2. behoud en versterken van de kwaliteit van het landelijk gebied: het aantrekkelijk landelijk gebied moet worden behouden en versterkt, zowel voor het landelijk gebied zelf, als voor het stedelijk gebied. De cultuurhistorische waarden van onder meer de linies, de buitenplaatsen en het agrarische landschap dragen bij aan een aantrekkelijk landelijk gebied. Binnen de rol van de provincie is het accent verlegd van toetsing naar sturing (ontwikkelingsplanologie). In de verordening komt bijvoorbeeld het ontheffingsinstrumentarium niet langer voor. In plaats daarvan biedt de verordening ruimte voor lokale ontwikkelingen binnen regionale randvoorwaarden. Als aan die randvoorwaarden wordt voldaan, zijn de ontwikkelingen mogelijk zonder enige betrokkenheid van de provincie. De PRV bevat algemene regels die gemeenten in acht moeten nemen bij het opstellen van hun ruimtelijke plannen. In de PRV staan geen regels die direct doorwerken naar de burgers. In de PRV zijn alleen de algemene regels opgenomen, die noodzakelijk zijn voor het waarborgen van de provinciale belangen. De PRV geeft soms harde ruimtelijke grenzen aan. Soms wordt volstaan met de verplichting om een ruimtelijke keuze voor een bepaald beleidsaspect goed te onderbouwen. Daarnaast bevat de PRV ook regels die voortvloeien uit het Barro, zoals voor de bescherming van het Natuur Netwerk Nederland (NNN).

Tabel 3.1 Relevante beleidslijn en regeling Thema

Relevante beleidslijn en regeling

Cultuurhistorie

PRS (§5.1 - cultuurhistorische hoofdstructuur): Het provinciale ruimtelijk erfgoedbeleid kent een strategie van enerzijds het veiligstellen van cultuurhistorische waarden en anderzijds het sturen van ruimtelijke ontwikkelingen vanuit de cultuurhistorische kwaliteiten ter plaatse. De planlocatie ligt in een gebied waar het militair erfgoed van de oefenlocaties rondom Soesterberg en de archeologische waarden van de Utrechtse Heuvelrug als te beschermen kwaliteiten zijn aangewezen. Ook valt de planlocatie binnen de 17e-eeuwse historische buitenplaats zone langs de Amersfoortsestraat. PRV (art. 1.7): In een ruimtelijk besluit dient te worden gewaarborgd dat de in het plangebied aanwezige cultuurhistorische kwaliteiten die volgen uit de CHS niet worden aangetast.

Landschap

PRS (§5.2 - landschap): Het plangebied valt binnen het landschap Utrechtse Heuvelrug. Hier gelden de volgende te behouden kernkwaliteiten: robuuste eenheid; reliëfbeleving; extreme historische gelaagdheid. Deze kwaliteiten zijn nader uitgewerkt in de Kwaliteitsgids Utrechtse Landschappen. PRV (art. 1.8): Onevenredige aantasting van de geldende landschappelijke kernkwaliteiten is niet toegestaan.

Natuur

PRS (§5.4 - natuur): Het plangebied valt binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het NNN is een robuust, samenhangend netwerk van natuurgebieden en verbindingen daartussen op nationaal niveau. Het doel van het NNN is zowel het behouden en herstellen van de biodiversiteit als het bieden van ruimte voor de groeiende behoefte aan rust en ruimte. Wat ruimtelijke ontwikkelingen betreft geldt een 'nee-tenzij'-regime. PRV (art. 2.4): Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen die een significant negatief effect hebben op de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN zijn niet toegestaan. Kleinschalige ontwikkelingen in het NNN zijn mogelijk mits ze aansluiten aan een bestaande andere functie én ze op al verstoord terrein plaatsvinden.

22 | 57

Witteveen+Bos | 123804/22-000.148 | Definitief

Afbeelding 3.1 Cultuurhistorische vlakkenkaart. Het plangebied is aangegeven met een blauwe stip

Afbeelding 3.2 Provinciale Ruimtelijke Verordening, het plangebied valt onder landschap De Utrechtse Heuvelrug en binnen het deelgebied ‘t Gooi

Conclusie De transformatie van kantoor naar maximaal 4 woningen past binnen de beleidskaders van de provincie en helpt om de geformuleerde doelen te bereiken.

23 | 57

Witteveen+Bos | 123804/22-000.148 | Definitief

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1

Structuurvisie Soest (2009-2030)

In de structuurvisie is globaal vastgelegd hoe de gemeente Soest er in 2030 ongeveer uit moet zien. De kracht van de structuurvisie zit in de samenhang tussen elementen als aantal en soort woningen, werkgelegenheid, voorzieningen en verkeersafwikkeling. Het speerpunt van de structuurvisie is om het dorp Soest levendig en groen houden. In de structuurvisie wordt gestreefd naar een evenwichtige bevolkingsopbouw. Alle bevolkingsgroepen moeten kunnen blijven wonen, werken en gebruik maken van voorzieningen in de gemeente Soest. Daarom wordt er gebouwd voor de eigen bevolking en wordt rekening gehouden met een kleine instroom. Het toevoegen van woningen, voornamelijk voor het goedkope segment en voor doorstromers, mag niet ten koste gaan van het groene en dorpse karakter. Het combineren van deze punten leidt tot een integrale visie voor de kern Soest met enkele nieuwe ontwikkelmogelijkheden.

Afbeelding 3.3 Structuurvisie Soest

Conclusie De zone waar de Amersfoortsestraat 126 toe behoort is in de Structuurvisie aangewezen als ‘te behouden bos’ en ‘gemengd lint in de natuur’. Daarnaast maakt het plangebied uit van het Buitengebied. Het bestemmingsplan gaat uit van een transformatie, er worden dus geen nieuwe gebouwen toegelaten. Het plan respecteert de bestaande bomen. Bij de herziening van de tuin is er meer ruimte voor groen en afname van verharding. Hierdoor past de voorgenomen ontwikkeling binnen de kaders van de Structuurvisie.

24 | 57

Witteveen+Bos | 123804/22-000.148 | Definitief

3.4.2

Welstandsnota (13 februari 2014)

Bij een omgevingsvergunning voor het bouwen of verbouwen is een positief welstandsadvies nodig voor de verlening van de vergunning. Het welstandsadvies gaat over het uiterlijk van het bouwwerk in relatie tot de openbare ruimte. Het advies wordt gegeven door de onafhankelijke commissie Ruimtelijke Kwaliteit. De commissie adviseert aan de hand van richtlijnen van de gemeente die zijn opgenomen in de welstandsnota. Het gebied waar het plan onder valt is het buitengebied. Conclusie Gelet op het feit dat het pand aan de buitenkant niet wordt aangepast, worden er geen problemen verwacht met de Welstandsnota voor dit bestemmingsplan.

3.4.3

Parapluplan Retail en Nota parkeernormen auto en fiets

Dit plan omvat de gehele gemeente Soest. Onderdeel van dit Parapluplan is de Nota parkeernormen auto en fiets. In 2008 heeft de gemeenteraad van Soest het Gemeentelijk Verkeer- en Vervoersplan (GVVP) vastgesteld. Daarin staat dat vraag naar en aanbod van parkeerplaatsen met elkaar in balans moeten blijven. Het hebben van voldoende parkeerplaatsen levert een belangrijke bijdrage aan de bereikbaarheid, leefbaarheid en (economische) vitaliteit van Soest en Soesterberg. Het hanteren van parkeernormen en het vasthouden aan de parkeereis bij ruimtelijke ontwikkelingen hoort daarbij. De ‘Nota parkeernormen auto en fiets’ (kortweg: parkeernota) bevat de parkeernormen van de gemeente Soest. De parkeernota wordt in principe elke 4 jaar herzien. De huidige herziening is ingegeven vanuit het Retailbeleid 2016-2026. De parkeernota is een bestuurlijk instrument, waarmee de gemeenteraad de kaders voor het parkeerbeleid bepaald. Conclusie Op grond van de gemeentelijke parkeernormen moeten er 11 parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Daarvan zijn er acht parkeerplaatsen voor de woningen en 3 openbare parkeerplaatsen.

25 | 57

Witteveen+Bos | 123804/22-000.148 | Definitief

4 MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN 4.1

Inleiding

In het kader van gemeentelijke besluitvorming dient bij het planologisch mogelijk maken van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling nadrukkelijk rekening te worden gehouden met de consequenties van het plan voor de omgeving en omwonenden. Dit gebeurt in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’. Het bevoegd gezag is namelijk verantwoordelijk voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De effecten op de leefomgeving worden in dit hoofdstuk aan de hand van diverse omgevingsaspecten in beeld gebracht en onderbouwd. De milieu- en omgevingsaspecten die in dit hoofdstuk aan bod komen, zijn: 1 m.e.r.-plicht; 2 natuur; 3 landschap, cultuurhistorie en archeologie; 4 bodem en niet-gesprongen explosieven; 5 water; 6 verkeer; 7 geluid; 8 luchtkwaliteit; 9 externe veiligheid; 10 bedrijven en milieuzonering.

4.2

Aanwezigheid m.e.r.-plicht

In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planm.e.r.-plichtig, projectm.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EU-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten. In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is indien (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2): de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer; een aaneengesloten gebied 2.000 of meer woningen omvat; een bedrijfsvloeroppervlakte 200.000 m2 of meer omvat.

26 | 57

Witteveen+Bos | 123804/22-000.148 | Definitief

Conclusie Op basis van de kenmerken, de plaats en de potentiële effecten van het project worden geen belangrijke nadelige effecten verwacht. Evenmin zijn er relevante ontwikkelingen in de omgeving die zorgen voor belangrijke cumulatieve milieueffecten. Dit betekent dat er voor de voorgenomen activiteiten geen m.e.r.plicht geldt.

4.3

Natuur

In de volgende paragrafen wordt ingegaan op de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het plan vanuit het oogpunt van natuur.

4.3.1

Toetsingskader

Het toetsingskader met betrekking tot het aspect natuur is tweeledig. Enerzijds is deze neergelegd op nationaal niveau, in de Wet natuurbescherming. De Wet natuurbescherming regelt op hoofdlijnen 3 zaken: 1 soortenbescherming: ter bescherming van planten- en diersoorten; 2 gebiedsbescherming: bescherming van de in het kader van de Europese Habitat- en Vogelrichtlijn aangewezen Natura 2000-gebieden; 3 bescherming van bos en houtopstanden. Anderzijds zijn ook op provinciaal niveau regels met betrekking tot gebiedsbescherming neergelegd. In de provinciale regelgeving regels gesteld met betrekking tot de bescherming van de gebieden die het Natuurnetwerk Nederland vormen, samen met de wezenlijke kenmerken en waarden van de gebieden. Soortenbescherming Ten aanzien van soortenbescherming maakt de Wet natuurbescherming onderscheid in 3 categorieën: - vogels: dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn; - Habitatrichtlijnsoorten: dit zijn soorten uit Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn; - andere soorten: dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om een aantal zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten.

Voortplantingsplaatsen en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving zoals foerageergebieden of vliegroutes) van beschermde soorten uit de eerste en tweede categorie mogen niet (opzettelijk) verstoord of vernietigd worden. Daarnaast mag geen enkele beschermde soort (opzettelijk) worden gedood of verwond. Bij vogels zijn daarnaast de nesten van belang. Er zijn 5 categorieën broedvogels waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn (categorie 1-4) of waarvan de nesten beschermd zijn als er onvoldoende alternatieven zijn (categorie 5). De categorie ‘andere soorten’ gaat om soorten die niet onder de Habitatrichtlijn of Vogelrichtlijn vallen. Deze soorten worden beschermd vanwege de breed in de maatschappij levende overtuiging dat deze dieren beschermd moeten worden. De overige soorten uit deze bijlage worden om ecologische redenen beschermd. Hiermee wordt door Nederland uitvoering gegeven aan het Biodiversiteitsverdrag om de staat van instandhouding van dier- en plantsoorten te garanderen. Omdat onder de categorie ‘andere soorten’ ook veel algemene soorten vallen, kan de provincie een lijst opstellen waarin een aantal soorten wordt vrijgesteld.

Gebiedsbescherming

27 | 57

Witteveen+Bos | 123804/22-000.148 | Definitief

Natura 2000 De minister van Economische Zaken en Klimaat (EZK) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Ten aanzien van gebiedsbescherming geldt dat de Wet natuurbescherming de bescherming van Natura 2000-gebieden regelt. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland, de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS), zorgt voor een aaneengesloten netwerk van natuurgebieden en natuurontwikkelingsgebieden die met elkaar verbonden worden door ecologische verbindingszones.

4.3.2

De groene kernkwaliteit van Soest 2014

Het groenbeleid is vastgelegd in de nota ‘De groene kernkwaliteit van Soest’ (2014). De gemeente Soest heeft een uitgebreide groenstructuur zowel binnen de bebouwde kom als in het groene buitengebied. Daarbij zijn nog veel landschappelijke cultuurhistorische elementen aanwezig. De kernkwaliteit van het groen in Soest bestaat uit een combinatie van visueel-ruimtelijke, functioneel-ruimtelijke en economische kwaliteiten. Het groen op dorps- en wijkniveau draagt bij aan de collectieve beleving van de groene kernkwaliteit, waarbij bomen de belangrijkste groenelementen zijn. Het groen dat bepalend is voor de groene kernkwaliteit is vastgelegd op de groenstructuurkaart. Het doel van de nota ‘De groene kernkwaliteit van Soest’ en de groenstructuurkaart is: het behouden en versterken van de groene kernkwaliteit van Soest; het herstel van landschappelijke cultuurhistorische elementen; het bieden van kaders voor het herstel van lanenstructuren en landschappelijke cultuurhistorische elementen.

Afbeelding 4.1 De groene kernkwaliteit van Soest. De rode stip is de planlocatie

De belangrijkste groene elementen zijn opgenomen in de aanduiding wonen in bos’, waarin beschermende bepalingen zijn opgenomen ter behoud van het bos.

28 | 57

Witteveen+Bos | 123804/22-000.148 | Definitief

Houtopstanden In de nota ‘Bescherming en kap van bomen’ is het beleid rondom het duurzaam beschermen van bomen en de regels voor het kappen vastgelegd. De juridische regels rondom het beschermen en kappen van bomen zijn vastgelegd in de Algemene Plaatselijke Verordening Soest (APV Soest). Het beschermen van bomen is gericht op het behoud van het groene karakter van de gemeente Soest, dat hoofdzakelijk wordt bepaald door bomenstructuren. Daarnaast kunnen individuele bomen of bomengroepen van grote waarde zijn voor een bepaalde plek. De te beschermen bomen zijn onderverdeeld in 5 categorieën: 1. bomenstructuren zoals vastgelegd op de groenstructuurkaart, en de parkwijken; 2. monumentale bomen (particulier en gemeentelijk); 3. waardevolle bomen (gemeentelijk); 4. toekomstig monumentale particuliere bomen op percelen ≥ 175 m²; 5. overige openbare bomen. De beschermwaardige bomen van categorieën 1 tot en met 3 zijn vastgelegd op de bomenkaart (zie afbeelding 4.2) van Soest. Voor deze bomen geldt een concreet verbod op het vellen. Er wordt géén vergunning verleend voor kap, tenzij sprake is van een zwaarwegend planologisch argument van algemeen belang. Daarbij geldt de juridische voorwaarde dat eerst aantoonbaar gekeken moet worden naar alternatieve ruimtelijke en boomkundige oplossingen om de monumentale boom te behouden. Er wordt altijd een herplantplicht opgelegd.

Het plangebied valt onder de bomenstructuur, parkwijk, categorie 1.

Afbeelding 4.2 Uitsnede bomenkaart met aanduiding plangebied (rode contour)

29 | 57

Witteveen+Bos | 123804/22-000.148 | Definitief

Voor categorie 1 bomenstructuur geldt een inspanningsplicht op behoud en veiligheid. Ook geldt een kapverbod, en is een duurzaam behoud van de structuur als geheel onderdeel van de beoordeling bij een ruimtelijke ontwikkeling. Mocht een boom gekapt worden geldt een herplantingsplicht op grond van de beleidsnota bescherming en kap van bomen van de gemeente Soest. Voor de voorgenomen ontwikkeling wordt een bomeninventarisatie uitgevoerd. Bomen en ruimtelijke ontwikkelingen In de oriëntatiefase van een planontwikkeling moet door de initiatiefnemer het aanwezige groen en de bomen/houtopstanden worden ingemeten, geïnventariseerd en gewaardeerd. Op basis van deze inventarisatie beoordeelt de gemeente welke bomen behouden moeten blijven en welke randvoorwaarden worden gesteld. Ook bomen binnen de directe invloedssfeer van de ontwikkeling (5 m uit bouwwerk (rondom) of binnen 5 m uit perceelsgrens) moeten geïnventariseerd worden, om mogelijke schade/ noodzaak tot vellen vooraf in beeld te hebben en bepalend te laten zijn voor de vergunningverlening van het bouwwerk. Als uit de bomeninventarisatie blijkt dat er gevolgen zijn voor de bomen in het plangebied. Dan moet inzichtelijk worden gemaakt wat het effect is van het (bouw)plan/de werkzaamheden op de bomen door middel van een bomeneffectanalyse (BEA).

4.3.3

Resultaten

Gebiedsbescherming Natura 2000 Van de sloop-/verbouwingswerkzaamheden wordt geen toename van de emissie verwacht. Vanwege de afstand tussen het Natura 2000-gebied en de planlocatie en de aard van de werkzaamheden kan een effect van andere oorzaken, zoals geluid, licht of grondwaterstromen, op voorhand worden uitgesloten. Van de sloop-/verbouwingswerkzaamheden zijn geen effecten op het Natura 2000-gebieden te verwachten.

Afbeelding 4.3 Ligging plangebied (zwarte stip) ten opzichte van Natura 2000-gebieden.

Natuur Netwerk Nederland Ondanks dat het plangebied binnen het Natuur Netwerk Nederland valt, worden van de geringe inpandige verbouwingswerkzaamheden geen negatieve effecten op het natuurnetwerk verwacht.

30 | 57

Witteveen+Bos | 123804/22-000.148 | Definitief

Afbeelding 4.4 Natuur Netwerk Nederland met globale aanduiding plangebied (rode stip)

Stikstofdepositie Het plangebied ligt op minimaal 4,5 km afstand van Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitattypen/leefgebieden. Stikstofdeposities kunnen echter ver reiken (> 10 km). In februari 2021 zijn door Witteveen+Bos stikstofberekeningen uitgevoerd voor de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied 1. Uit de stikstofdepositieberekeningen blijkt dat berekende stikstofdepositie tijdens zowel de gebruiks- als de aanlegfase niet hoger dan 0,00 mol/ha/j bedraagt. Mogelijke significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van omliggende Natura 2000-gebieden door stikstof zijn daarmee op voorhand uit te sluiten. Het aspect stikstof vormt daarmee geen belemmering voor de wijziging van het bestemmingsplan op deze locatie. Zie hiervoor bijlage I bij deze toelichting. Bomeninventarisatie In april 2021 is een bomen effect analyse uitgevoerd. Op afbeelding 4.5 is een overzicht te zien van de bomen die zich bevinden in het plangebied. Het rapport is bijgevoegd als bijlage III. Uit deze inventarisatie is gebleken dat boom met nummer 2, 5 en 6 dusdanig van matige kwaliteit zijn dat deze zo spoedig mogelijk moeten worden gekapt. De rest van de bomen is in een goede conditie en blijft behouden.

1

Witteveen+Bos. Stikstofdepositieonderzoek Amersfoortsestraat 126, Soesterberg, 25 februari 2021, 123804/21-003.143.

31 | 57

Witteveen+Bos | 123804/22-000.148 | Definitief

Afbeelding 4.5 Bomenoverzicht

Plangebied Ter bescherming van de natuurwaarde wordt een dubbelbestemming ‘Waarde - Ecologie’ opgenomen op de verbeelding en in de regels van dit bestemmingsplan. Deze bestemming houdt in dat de grond mede bestemd is voor instandhouding en ontwikkeling van landschaps- en natuurwaarden, zoals bomen en groenvoorziening. Hierdoor wordt de natuurwaarde van het gebied gewaarborgd

4.3.4

Conclusie

Vanuit het aspect Natuur worden geen belemmeringen verwacht voor de uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied.

4.4

Cultuurhistorie en archeologie

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening is het verplicht om in een bestemmingsplan een beschrijving op te nemen van de manier waarop rekening is gehouden met de in het gebied aanwezige

32 | 57

Witteveen+Bos | 123804/22-000.148 | Definitief

cultuurhistorische waarden (gebouwd erfgoed, cultuurlandschap en archeologie). Hierbij gaat het om zowel beschermde objecten en structuren, als niet beschermde objecten als structuren. Met betrekking tot archeologie dient voorafgaand aan het vaststellen van het bestemmingsplan inzicht te zijn verkregen in bekende en te verwachten archeologische waarden in het plangebied en omgeving, en wat de aard en omvang van de voorgenomen werkzaamheden zijn en of deze een bedreiging vormen voor het bodemarchief. Indien dit het geval is, wordt geadviseerd op welke wijze hiermee in het vervolgtraject van de plannen rekening dient te worden gehouden.

4.4.1

Toetsingskader

Erfgoedwet De bescherming van archeologisch en cultureel erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van 6 wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Erfgoedwet, die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet, die naar verwachting in 2022 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode 2016-2022 een overgangsregeling opgenomen. Het uitgangpunt bij ruimtelijke ontwikkelingen is om het binnen een plangebied aanwezige cultuurhistorische erfgoed te behouden. Dit houdt in dat bescherming moet worden geboden aan de aanwezige Rijksmonumenten, provinciale en gemeentelijke monumenten. Met als doel cultuurhistorische belangen te laten meewegen in de ruimtelijke ordening is per 1 januari 2012 het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd. Daarmee zijn gemeenten verplicht in een bestemmingsplan een beschrijving op te nemen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden rekening is gehouden. Dat betekent dat een analyse moet worden verricht naar de cultuurhistorische waarden in een bestemmingsplangebied en dat daar conclusies aan moeten worden verbonden die in een bestemmingsplan verankerd worden.

Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Archeologisch onderzoek zal moeten worden uitgevoerd indien er sprake is van een hoge trefkans of indien het plangebied niet is gekarteerd. Monumentenverordening gemeente Soest De 'Monumentenverordening gemeente Soest' verbiedt het om binnen de grenzen van een beschermd dorpsgezicht gebouwen geheel of gedeeltelijk af te breken. Dit geldt ook voor de dorpsgezichten op de gemeentelijke monumentenlijst. Het monumentenbeleid van gemeente Soest is erop gericht, dat wenselijke of noodzakelijke veranderingen binnen een dorpsgezicht flexibel maar verantwoord kunnen worden ingepast in de cultuurhistorische omgeving. Het plangebied bevat geen monumenten of MIP-objecten en valt niet binnen een beschermd dorpsgezicht.

33 | 57

Witteveen+Bos | 123804/22-000.148 | Definitief

Afbeelding 4.6 Monumentenkaart Soest

Archeologie In dit bestemmingsplan zijn de gronden voorzien van de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie Middelhoge verwachting’. Binnen deze dubbelbestemming is het verboden om zonder onderzoek grondwerkzaamheden dieper dan 0,3 m onder maaiveld uit te voeren over een oppervlakte van meer dan 500 m2. Hiermee worden de eventueel aanwezige archeologische waarden beschermd.

4.4.2

Cultuurhistorische Waardenkaart

De zone waar de Amersfoortsestraat 126 toe behoort is in de Structuurvisie aangewezen als gemiddeld cultuurhistorisch. Dit betreft gebieden die van enig belang zijn voor de geschiedenis van de stedenbouw in het algemeen en de ontwikkeling van Soest in het bijzonder en/of met enige relatie met de historische en landschappelijke hoofdstructuren en/of met een redelijk herkenbaar c.q. gaaf bewaard gebleven stedenbouwkundig concept en/of met een gemiddelde ruimtelijke kwaliteit in de samenhang tussen bebouwing, openbare ruimte en beplanting. Gelet op het feit dat de voorgevel van het pand niet verandert, heeft de voorgenomen ontwikkeling geen negatieve gevolgen voor de cultuurhistorische waarden.

34 | 57

Witteveen+Bos | 123804/22-000.148 | Definitief

Afbeelding 4.7 Cultuurhistorische waardenkaart. Plangebied is aangegeven middels een blauwe stip

4.4.3

Conclusie

Archeologische waarden zijn voldoende beschermd aangezien er niet dieper dan 0,3 m onder het maaiveld en over een oppervlakte groter dan 500 m2 werk wordt uitgevoerd. Daarnaast wordt de huidige archeologische dubbelbestemming overgenomen in dit bestemmingsplan. Het plangebied bevat daarnaast geen monumenten of MIP-objecten en valt niet binnen een beschermd dorpsgezicht. De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.5

Bodem en niet gesprongen explosieven

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Met andere woorden: is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geschikt voor de beoogde bestemming(en) en/of functie(s). Nagegaan wordt of er bodemverontreiniging is die de functiedoelen kan frustreren of gezondheidsrisico’s, ecologische risico’s of verspreidingsrisico’s oplevert en of er tijdig iets aan gedaan kan worden. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Dit is het zogenaamde stand still-beginsel. Daarnaast wordt in de volgende paragrafen ingegaan op de mogelijke aanwezigheid van niet-gesprongen explosieven in het plangebied en de gevolgen hiervan op voorgenomen ontwikkeling.

35 | 57

Witteveen+Bos | 123804/22-000.148 | Definitief

4.5.1

Toetsingskader

De Wet bodembescherming (Wbb) bepaalt dat, indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Gelet op afbeelding 4.8 is te zien dat voor het plangebied geen ernstige bodem verontreinigingen bekend zijn.

Afbeelding 4.8 Bodemverontreiniging Utrecht, de groene stip is het plan gebied

Na de Tweede Wereldoorlog zijn op diverse plekken in Nederland niet-gesprongen explosieven (verder NGE genoemd) achtergebleven. Deze NGE’s vormen een risico op het moment dat in de nabijheid van deze explosieven activiteiten in de bodem worden uitgevoerd, zoals graven. Voorafgaand aan deze bodemroerende werkzaamheden dient de aanwezigheid van deze NGE’s uitgesloten te worden of dienen eventuele NGE’s verwijderd te worden.

4.5.2

Resultaten

Bodem Op 2 augustus 2021 is een bodemonderzoek verricht (bijlage IV). Hieruit blijkt dat de bodem bestaat tot de verkende diepte van 5,2 m-mv overwegend uit matig fijn siltig zand. Met name de bovengrond is humus houdend. In de uitkomende grond is alleen ter plaatse van boring B05 (zie Afbeelding 4.9) een bijmenging (resten baksteen) gedaan die duidt op de mogelijke aanwezigheid van verontreinigende stoffen in de bodem.

36 | 57

Witteveen+Bos | 123804/22-000.148 | Definitief

Afbeelding 4.9 Boorlocaties binnen plangebied

In het grondmengmonster ondergrond zijn licht verhoogde gehalten met kwik, PAK en som PCB aangetoond. In het grondmengmonster bovengrond zijn analytisch licht verhoogde gehalten met lood, zink, PAK en soms PCB aangetoond. De gehalten overschrijden de achtergrondwaarden, doch overschrijden de interventiewaarden echter niet. Op basis van het Besluit bodemkwaliteit kan de milieuhygiënische kwaliteit van deze bodemlaag indicatief als klasse Industrie beschouwd worden. In het kader van dit onderzoek is geen specifiek onderzoek (conform NEN5707) verricht naar het voorkomen van asbest in de grond en op het maaiveld. Wel heeft een indicatieve inspectie van het terrein plaatsgevonden. In de vrijkomende grond en op het maaiveld zijn geen asbestverdachte (plaat)materialen aangetroffen. Op basis van voornoemde is nader bodemonderzoek vanuit milieuhygiënisch oogpunt gezien niet aan de orde. Niet-gesprongen explosieven De beoogde ontwikkeling vindt plaats binnen bestaande bebouwing. Daarnaast vinden er geen bodemingrepen plaats. Dit betekent dat er geen onderzoek nodig is naar niet-gesprongen explosieven.

4.5.3

Conclusie

De milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en het aspect niet-gesprongen explosieven vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.6

Water

De voorgenomen ontwikkeling kan effecten hebben op de waterhuishoudkundige situatie, zowel kwantitatief als kwalitatief. In Nederland is daarom de watertoets een verplicht onderdeel van elke ruimtelijke ontwikkeling. De watertoets is een procesinstrument waarbij de waterbeheerders in een vroegtijdig stadium worden betrokken bij de voorgenomen ontwikkeling, zodat verschillende aspecten van ‘water’ een goede plaats krijgen in de planvorming. In de waterparagraaf worden de effecten van het ontwerp op deze verschillende aspecten omschreven, zoals waterkwantiteit, waterkwaliteit, waterkeringen, beheer en onderhoud en het effect op grondwaterpeilen.

37 | 57

Witteveen+Bos | 123804/22-000.148 | Definitief

4.6.1

Toetsingskader

De watertoets is met ingang van 1 november 2003 wettelijk verplicht geworden voor bestemmingsplannen. Omdat het beleid van het waterschap niet rechtstreeks doorwerkt in het bestemmingsplan is in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bepaald dat de gemeente vooroverleg naast vooroverleg met onder andere het waterschap (art. 3.1.1 Bro) staat ook expliciet beschreven dat de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving moet bevatten van de wijze waarop in het bestemmingsplan rekening is gehouden met de waterhuishouding (art. 3.1.6 b Bro). Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Hieronder staat een overzicht van de voor het plangebied relevante wet- en regelgevingen en nota's. Europees beleid Kaderrichtlijn Water (KRW) De Kaderrichtlijn Water (KRW) is een Europese richtlijn die alle lidstaten verplicht te zorgen voor schoon grond- en oppervlaktewater. De KRW geeft bijvoorbeeld aan welke planten en vissen in het water behoren voor te komen, wat het zuurstofgehalte daarbij moet zijn en hoeveel voedingsstoffen een bepaald type water maximaal mag bevatten voor een gezond waterleven. De provincie legt de doelen voor het oppervlaktewater vast.

Nationaal beleid Nationaal Waterplan (NWP2) Het 2e Nationaal Waterplan (NWP2) beschrijft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de periode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Dit plan is vastgesteld op 14 december 2015. Er wordt ingezet op het robuust en toekomstgericht inrichten van het Nederlandse watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Er wordt gestreefd naar een integrale benadering waarin wateropgaven zoveel mogelijk in samenhang met andere thema’s worden ontwikkeld. Het Nationaal Waterplan gaat uit van een sterke relatie tussen ruimtelijke ontwikkeling en ruimtelijke adaptatie. Water staat nooit los van de omgeving. Het raakt aan andere belangen. Er wordt gestreefd naar integrale combinaties, waarbij ruimtelijke inrichting een belangrijke rol speelt bij het oplossen van wateropgaven. Hiervoor wordt de strategie inpassing, rivierverruiming, meekoppelen, integrale uitwerking en slimme combinaties toegepast. Het kader van de watertoets is wettelijk verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Waterwet Op 29 januari 2009 is de Waterwet vastgesteld.

Deze wet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de huidige vergunningstelsels uit de afzonderlijke waterbeheerwetten worden gebundeld. Dit resulteert in 1 vergunning, de Watervergunning, die met een wettelijk vastgesteld aanvraagformulier kan worden aangevraagd. Daarnaast kent de Waterwet voor projecten zoals dijkversterkingen het projectplan dat een beschrijving geeft van het werk en de wijze waarop het zal worden uitgevoerd. Bestuursakkoord Water Het Rijk, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), het Interprovinciaal Overleg (IPO), de Unie van Waterschappen (UvW) en de Vereniging van waterbedrijven in Nederland (Vewin) sloten in 2011 het Bestuursakkoord Water (BAW). Daarin is afgesproken om de doelmatigheid van het waterbeheer te vergroten. Minder bestuurlijke drukte, heldere verantwoordelijkheden, slim en kosteneffectief samenwerken

38 | 57

Witteveen+Bos | 123804/22-000.148 | Definitief

staat centraal in deze afspraken, die lopen tot 2021. Op 31 oktober 2018 hebben de waterpartners aanvullende afspraken gemaakt op het Bestuursakkoord Water. Dit omdat nieuwe opgaven vragen om nieuwe afspraken. Het addendum bevat nieuwe en hernieuwde afspraken over de volgende onderwerpen. de kansen van de informatiesamenleving; de risico’s van digitale dreigingen; het succes van regionale samenwerking tussen gemeenten, waterschappen en drinkwaterbedrijven; implementatie van de Omgevingswet in de waterketen. Doel van het Bestuursakkoord Water is te blijven zorgen voor: veiligheid tegen overstromingen; een goede kwaliteit water; voldoende zoet water. Provinciaal beleid Provinciaal Waterplan Het Provinciaal Waterplan is vastgesteld op 7 december 2015 onder de naam Bodem-, Water- en Milieuplan 2016-2021. Het Bodem-, Water- en Milieuplan is opgesteld op grond van de verplichting in de Waterwet en de Wet Milieubeheer om respectievelijk een regionaal waterplan en een provinciaal milieubeleidsplan op te stellen. Voor bodem, water en milieu betekent het centraal stellen van deze doelen dat: er is een streven naar een robuust bodem- en watersysteem.

Dit houdt in dat onder normale omstandigheden alle functies goed uitgevoerd kunnen worden en dat extreme situaties goed opgevangen kunnen worden; er is een streven naar bodem-, water- en milieukwaliteiten die passend zijn voor de functie van een gebied; er is een streven naar een duurzaam gebruik van de fysieke leefomgeving, zodat de mogelijkheden die het natuurlijk systeem ons biedt ook in de toekomst gebruikt kunnen worden; er is een streven naar een gezonde leefomgeving, die een positieve bijdrage levert aan de economische en maatschappelijke ontwikkelingen in de regio. Om deze doelen te bereiken worden 2 hoofdlijnen onderscheiden in het beleid: de focus op 4 prioriteiten. Dit betreft urgente maatschappelijke problemen waarin de provincie in de aanpak een belangrijke rol kan spelen. 1. waterveiligheid en wateroverlast; 2. schoon en voldoende oppervlaktewater; 3. ondergrond; 4. leefkwaliteit stedelijk gebied; er wordt gewerkt vanuit 6 basiskwaliteiten (bodemkwaliteit, waterkwaliteit, waterkwantiteit, lucht, geluid (inclusief geur en licht) en externe veiligheid). Deze vormen een integraal onderdeel van al het provinciaal beleid gerelateerd aan de fysieke leefomgeving.

De Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie en de Provinciale Verordening Ruimte zijn reeds behandeld in hoofdstuk 3.3 Beleid waterschap Waterbeheerprogramma Vallei en Veluwe 2016-2021 Op 30 september 2015 heeft het Waterschap Vallei en Veluwe het Waterbeheerprogramma 2016- 2021 vastgesteld. In dit waterbeheerprogramma beschrijft het waterschap zijn ambities en doelen voor het waarborgen van de waterveiligheid, het zorgen voor voldoende én schoon oppervlaktewater, het zuiveren van afvalwater en het verder ontwikkelen van de vele samenwerkings- en innovatiemogelijkheden. Naast ambities in de manier van (samen)werken met partners, heeft het waterschap de volgende inhoudelijke ambities in het programma opgenomen: het gebied beschermen tegen overstromingen; zorgen voor de juiste hoeveelheid water; zorgen voor de goede oppervlaktewaterkwaliteit;

39 | 57

Witteveen+Bos | 123804/22-000.148 | Definitief

-

schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden houden; de hoogst mogelijke waarde uit water halen; afvalwaterketen en watersysteem als 1 geheel beheren, samen met partners.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Soest&id=3429476b-27b1-40c1-bb5e-209484a71e04