CConstaterende datSoest
Koppel je AI →
Document · PDF

2. Bijlage A1 Onderzoek terugverdientijd SEO

Beeldvormende vergadering (Kamer 2.03) 21 mei 2025, gemeente SoestBij agendapunt: Marktverordening Soest 202531.580 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

14

HOOFDSTUK 2

Om de terugverdientijd te berekenen moet rekening worden gehouden met de omvang (en de frequentie) van de investeringen in vaste activa en de vrije kasstroom van de ondernemer. De vaste activa is de waarde van alle bezittingen van een onderneming waarvan het benodigde kapitaal voor langer dan een jaar is vastgelegd, zoals verkoopwagens, opslaglocaties en sommige bedrijfsmiddelen. De vrije kasstroom bestaat uit de jaarlijkse opbrengsten uit de exploitatie van de ondernemingen. Deze opbrengsten vormen de financiële middelen waarmee de ondernemer zijn investeringen financiert. In economische zin zijn de opbrengsten gelijk aan het verschil tussen de inkomsten en de kosten uit de exploitatie (‘netto winst’). Bij de kosten is mede rekening gehouden met belastingen en de kosten van het aantrekken van vreemd vermogen (rente op leningen). De vrije kasstroom is gelijk aan de netto winst plus de som van de afschrijvingen. 49 De terugverdientijd wordt berekend door de vaste activa en de netto winst plus afschrijvingen op elkaar te delen. Dit levert de volgende gangbare formule: 𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇 =

𝑉𝑉𝑉𝑉𝑉𝑉𝑉𝑉𝑉𝑉 𝑎𝑎𝑎𝑎𝑎𝑎𝑎𝑎𝑎𝑎𝑎𝑎 𝑉𝑉𝑉𝑉𝑉𝑉𝑉𝑉𝑉𝑉 𝑎𝑎𝑎𝑎𝑎𝑎𝑎𝑎𝑎𝑎𝑎𝑎 = 𝑉𝑉𝑉𝑉𝑉𝑉𝑉𝑉𝑉𝑉 𝑘𝑘𝑘𝑘𝑘𝑘𝑘𝑘𝑘𝑘𝑘𝑘𝑘𝑘𝑘𝑘𝑘𝑘 𝐴𝐴𝐴𝐴𝐴𝐴𝐴𝐴ℎ𝑟𝑟𝑟𝑟𝑟𝑟𝑟𝑟𝑟𝑟𝑟𝑟𝑟𝑟𝑟𝑟𝑟𝑟 + 𝑛𝑛𝑛𝑛𝑛𝑛𝑛𝑛𝑛𝑛𝑛𝑛𝑛𝑛𝑛𝑛𝑛𝑛𝑛𝑛

Rendement geïnvesteerd vermogen (‘een redelijke vergoeding van het geïnvesteerde kapitaal’) Bovenstaande formule van de terugverdientijd houdt nog geen rekening met een redelijke vergoeding voor het geïnvesteerde eigen vermogen. In vergelijkbare economische afwegingen om de duur van (publieke) contracten te bepalen, is een vergoeding voor het geïnvesteerde eigen vermogen een veelvoorkomend element. De Dienstenrichtlijn vereist zelfs expliciet dat ‘een redelijke vergoeding van het geïnvesteerde kapitaal’ wordt meegenomen bij de vaststelling van de looptijd van een schaarse vergunning. 50 Om een dergelijke berekening te maken, is het noodzakelijk om te bepalen wat een redelijke vergoeding voor kapitaal is in de ambulante handel. Deze redelijke vergoeding bestaat uit de kosten voor vreemd vermogen (leningen) en het rendement op eigen vermogen. 51 De rentekosten voor de ambulante handel zijn in het empirisch onderzoek bepaald en verwerkt in de berekening van de netto winst. De vraag is wat de redelijke vergoeding is voor het beschikbaar stellen van eigen vermogen in de ambulante handel. We benaderen deze redelijke vergoeding via de gemiddelde kapitaalkosten voor de retailsector in Nederland. Dit rendement ligt gemiddeld op 7,5 procent (zie Hoofdstuk 3 voor details).

We passen de bovenstaande formule voor berekening van de terugverdientijd aan met deze redelijke vergoeding op geïnvesteerd kapitaal (ROI). Vergoeding voor werkzaamheden van ondernemer Een kenmerk van de sector ambulante handel is dat er sprake is van veel eenpersoonsbedrijven. Uit de gesprekken blijkt dat deze ondernemers zichzelf soms geen loon uitbetalen. Deze eenpersoonsbedrijven hebben daarom ook geen loonkosten. De ondernemers gebruiken de netto winst om in het levensonderhoud te kunnen voorzien. In economische zin betekent dit dat de netto winst die de ondernemer uit het bedrijf haalt niet volledig kan tellen als vrije kasstroom: dit verschil tussen opbrengsten en kosten kan niet voor 100 procent worden aangewend om investeringen terug te

49 50 51

Afschrijvingen verlagen de bruto en netto winst maar vormen geen uitgaven voor de onderneming. Bij het bepalen van de vrije kasstroom moeten de afschrijvingen dus weer bij de netto winst worden opgeteld. Zie overweging 62 van de Dienstenrichtlijn. De technische term voor deze redelijke vergoeding is: WACC (Weighted Average Cost of Capital).

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

JURIDISCH EN BEDRIJFSECONOMISCH KADER

15

betalen. De terugverdientijd wordt hierdoor langer. De standaardformule voor berekening van terugverdientijd houdt geen rekening met de mogelijkheid dat de vrije kasstroom nog gecorrigeerd moet worden voor de kosten van levensonderhoud. Wij hanteren daarom de aangepaste formule:

𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑑𝑑 =

𝑉𝑉𝑉𝑉𝑉𝑉𝑉𝑉𝑉𝑉 𝑎𝑎𝑎𝑎𝑎𝑎𝑎𝑎𝑎𝑎𝑎𝑎 𝑉𝑉𝑉𝑉𝑉𝑉𝑉𝑉𝑉𝑉 𝑘𝑘𝑘𝑘𝑘𝑘𝑘𝑘𝑘𝑘𝑘𝑘𝑘𝑘𝑘𝑘𝑘𝑘 − 𝑚𝑚𝑚𝑚𝑚𝑚𝑚𝑚𝑚𝑚𝑚𝑚𝑚𝑚 𝑖𝑖𝑖𝑖𝑖𝑖𝑖𝑖𝑖𝑖𝑖𝑖𝑖𝑖 − 𝑅𝑅𝑅𝑅𝑅𝑅

Voor ondernemers met een eenmanszaak, V.O.F., C.V. of maatschap corrigeren we de netto winst uit het bedrijf voor een minimale vergoeding van arbeid verricht door de ondernemer zelf. Deze vergoeding is gebaseerd op het wettelijk minimum inkomen en houdt rekening met het aantal dagen dat de ondernemer daadwerkelijk actief is op de markt (zie Hoofdstuk 3 voor details). In aanvulling op een redelijke vergoeding op geïnvesteerd kapitaal (ROI) houdt de bovenstaande formule voor berekening van de terugverdientijd dus ook rekening met de vergoeding voor de kosten van levensonderhoud van de ondernemer. Overige mogelijke elementen met een impact op de berekening van de terugverdientijd In gesprekken met ondernemers komt de vraag naar voren of immateriële vaste activa moeten worden meegenomen in de berekening van de terugverdientijd. Immateriële vaste activa zijn onder andere de mogelijke waarde van merknamen en goodwill. De goodwill van een onderneming is de waarde die een onderneming vertegenwoordigt bij een overname, bijvoorbeeld als vergoeding voor een zorgvuldig opgebouwde vaste klantenkring, reputatie en imago. Het waarderen van goodwill is branche- en bedrijfsspecifiek en daarmee niet generiek vast te stellen voor een gemiddelde onderneming. Daarnaast is het niet vanzelfsprekend of het betalen van goodwill relevant is voor de businesscase van een gemiddeld efficiënte toetreder.

De toetreder neemt niet per definitie een bestaand bedrijf over, maar verkrijgt een nieuwe vergunning voor een standplaats op een markt. De kosten die deze nieuwe ondernemer moet maken voor het opbouwen van een klantenkring zoals reclame komen al tot uitdrukking in de bovenstaande formule voor de berekening van de terugverdientijd. Er is geen empirisch bewijs voor de ambulante handel dat goodwill een immaterieel activum vertegenwoordigt met een gemiddelde waarde groter dan nul. Inschattingen terugverdientijd en schaarse vergunningen andere studies Terugverdientijd ambulante handel De Centrale Vereniging voor de Ambulante Handel (CVAH) heeft in 2019 een onderzoek laten uitvoeren naar schaarse vergunningen op de markt door onderzoeksbureau Garma bv. 52 Dit rapport – Gianotten (2019) – gaat in op de relatie tussen terugverdientijd en een redelijke vergunningsduur in de ambulante handel. Gianotten (2019) geeft aan dat om een redelijke vergunningsduur vast te stellen het best aansluiting kan worden gezocht bij de terugverdientijd. Het rapport voor de CVAH presenteert op pagina 41 een figuur waarin de relatie tussen de gekozen afschrijvingstermijn, de bezetting in marktdagen per week en de terugverdientijd in jaren wordt weergegeven.

Aan deze figuur wordt de conclusie verbonden dat een terugverdientijd van vijftien jaar de meeste ondernemers in staat zal stellen om de investeringen terug te verdienen, ook bij een bezetting van vier marktdagen per week.

52

Gianotten, H.J. (2019), Schaarse vergunningen op de markt. Een onderzoek naar de gevolgen. Garma bv.

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

16

HOOFDSTUK 2

De relatie in de figuur, en daarmee ook de conclusie over de redelijke vergunningsduur van vijftien jaar is gebaseerd op een set van aannames. Op basis van een databeeld verkregen via openbare CBS-data, veronderstelt de analyse in Gianotten (2019) dat er na aftrek van een vergoeding voor de werkzaamheden van de ondernemer de vrij beschikbare kasstroom om de investeringen af te lossen enkel bestaat uit de afschrijvingen. 53 Met andere woorden, de genoemde vergunningsduur geldt onder de aanname dat de gemiddelde ondernemer geen rendement over het geïnvesteerde kapitaal weet te behalen. Deze veronderstelling wordt gemaakt voor een ondernemer met een bezettingsgraad van vijf marktdagen per week. 54

2.3

Conclusie

Het juridische kader voor de verdeling van schaarse vergunningen voor ambulante handel vormt de Europese Dienstenrichtlijn (2006/123/EG). Op grond van deze richtlijn mogen schaarse vergunningen niet voor onbepaalde tijd worden verleend. De verplichting om schaarse vergunningen voor bepaalde tijd te verlenen geldt zodra het aantal voor verlening beschikbare vergunningen is beperkt. De achterliggende ratio van deze verplichting is immers dat vergunningen na afloop van die duur weer beschikbaar komen voor herverdeling. Bij de vaststelling van de looptijd moet rekening worden gehouden met de terugverdientijd en met een redelijke vergoeding van geïnvesteerd kapitaal. De terugverdientijd geeft aan hoeveel maanden of jaren een onderneming nodig heeft om de investeringen terug te verdienen. Als de terugverdientijd langer is dan de vergunningsduur, loopt de ondernemer het risico de investeringen niet terug te kunnen verdienen. Een te korte vergunningsduur kan met andere woorden negatieve economische effecten hebben, terwijl een te lange vergunningsduur de toegang tot de markt onnodig kan beperken. Om de terugverdientijd te berekenen moet rekening worden gehouden met de omvang (en de frequentie) van de investeringen in vaste activa en de vrije kasstroom van de ondernemer. Door de vaste activa en de netto winst plus afschrijvingen op elkaar te delen wordt de terugverdientijd vastgesteld.

In de berekening van de terugverdientijd dient rekening gehouden te worden met een redelijke vergoeding voor geïnvesteerd kapitaal. Daarnaast houden we rekening met de specifieke omstandigheid in de ambulante handel dat het gaat om kleine, vaak eenpersoonsbedrijven. Dit houdt in dat de ondernemer niet de volledige netto winst kan aanwenden om investeringen terug te betalen. Een deel van deze netto winst kan worden beschouwd als een vergoeding voor de arbeid van de ondernemer en is bestemd om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien. 53

54

Het CBS rapporteert over 2017 zo’n elf duizend bedrijven in de ambulante handel (Gianotten, 2019, tabel 1.2). De totale omzet in 2017 is gelijk aan € 1.300 miljoen, hiervan is zo’n 18 procent het resultaat voor belastingen (Gianotten, 2019, tabel 1.7). Dit houdt in dat het gemiddelde resultaat voor belastingen zo’n € 21 duizend per onderneming bedraagt. Gianotten (2019) bevat ook een enquête onder ambulante handelaren. Bij het vaststellen van de terugverdientijd lijkt in de gebruikte aannames en in de genoemde figuur geen gebruik gemaakt te worden van de mogelijke inzichten uit deze enquête, zoals bijvoorbeeld informatie over de waarde van de vaste activa, de netto winst en de afschrijvingen. Op basis van de openbare rapportage is het niet vast te stellen of in het uitgevoerde veldwerk deze informatie is uitgevraagd en verzameld. De impliciete aanname is dat de gemiddelde onderneming zoals genoemd in de voorgaande voetnoot inderdaad voltijds actief is. Als deze gemiddelde onderneming in werkelijkheid minder dan vijf dagen actief is, zal de in Gianotten (2019) berekende terugverdientijd noodzakelijkerwijs lager uitvallen. Daarom vragen wij in de huidige enquête expliciet naar het aantal actieve dagen per week. Dit stelt ons in staat om deze belangrijke aanname en het effect op de terugverdientijd te toetsen.

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

SCHAARSE VERGUNNINGEN EN TERUGVERDIENTIJD IN DE AMBULANTE HANDEL

3

17

Resultaten kwantitatieve analyse

In dit hoofdstuk is de terugverdientijd van gedane investeringen kwantitatief berekend. De terugverdientijd varieert tussen de negen en twaalf jaar afhankelijk van of de terugverdientijd een correctie bevat voor de kosten van levensonderhoud van de ondernemer. Er is geen reden om de terugverdientijd te differentiëren tussen verschillende typen ondernemers in de ambulante handel.

3.1

Beschikbare en verzamelde data

De bevindingen van dit hoofdstuk zijn gebaseerd op: • data verzameld in een online vragenlijst (zie Bijlage C voor de volledige vragenlijst); • een drietal CBS-Microdatabestanden (over meerdere jaren). Online vragenlijst Ruim 6.000 ondernemers zijn per brief en via online berichtgeving uitgenodigd om deel te nemen aan een onderzoek over de terugverdientijd van gedane investeringen in de ambulante handel. In totaal zijn er op deze wijze 478 complete en bruikbare vragenlijsten verzameld. 55 De achtergrondgegevens van de respondenten laten zien dat de steekproef zowel geografisch als qua sectorindeling een goede afspiegeling vormt van de populatie. Gelet op de totale populatie zijn het met name de grotere ondernemingen die de vragenlijst hebben ingevuld. De consequenties hiervan zijn beperkt omdat de terugverdientijd op ondernemingsniveau is bepaald. Bijlage B bevat een beschrijving van de dataverzameling, representativiteit en opschoning van het analysebestand. CBS-Microdatabestanden Voor de gehele onderzoekspopulatie zijn drie CBS-Microdatabestanden met relevante bedrijfskarakteristieken en resultaten opgevraagd. Deze bestanden bevatten op ondernemingsniveau data over het aantal medewerkers, de rechtsvorm en de omzet over meerdere jaren.

Daarnaast beschikt het CBS voor een subset van de onderzoekspopulatie over de (immateriële en materiële) vaste activa, de netto winst en de jaarlijkse afschrijvingen (zie Tabel 3.1). Deze laatste drie variabelen zijn potentieel interessant voor het vaststellen van de terugverdientijd. Bijlage D bevat een uitgebreid overzicht hoe de CBS Microdatabestanden zijn gekoppeld aan de totale onderzoekspopulatie. Tabel 3.1

Voor 1,5 procent van de ondernemingen beschikt het CBS over de NFO-gegevens

CBS bestandsnaam

Percentage succesvolle koppeling*

Variabele in bestand

ABR (2018)

91,1 %

Bedrijfsgrootte (aantal werknemers) Rechtsvorm Sector (SBI-code)

BTW (2018)

86,3 %

Omzet

NFO (2015 t/m 2018)

1,5 %

Vaste activa & afschrijvingen hierover Netto winst

*

De Kamer van Koophandel heeft10.977 bedrijven geïdentificeerd die actief zijn in de ambulante handel

55

Incomplete vragenlijsten zijn voor zover mogelijk meegenomen in deze analyse.

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

18

Bron:

HOOFDSTUK 3

SEO Economisch Onderzoek (2020)

De CBS-Microdata waren niet altijd goed te koppelen aan het populatiebestand en een gedeelte van de gegevens ontbrak binnen de CBS-Microdata. Hierdoor kon slechts een gedeelte van het populatiebestand worden verrijkt met de CBS-Microdata. De tweede kolom van Tabel 3.1 geeft aan in hoeverre de bedrijfskarakteristieken en resultaten beschikbaar waren. Een voorbeeld: voor 91,1 procent van de onderzoekspopulatie waren de drie bedrijfskenmerken uit het Algemene Bedrijvenregister (ABR) beschikbaar en voor 86,3 procent waren er omzetgegevens op basis van belastingaangiften (BTW) beschikbaar. De vullingsgraad voor de vaste activa, netto winst en afschrijvingen is relatief laag (1,5 procent). Een aannemelijke verklaring hiervoor is dat het voor kleinere ondernemingen niet wettelijk verplicht is om een balans in te dienen bij de belastingdienst. Daarnaast bevatten de beperkt beschikbare data uit de NFO ook een aantal vreemde observaties. Zo zijn er ondernemingen die volgens hun balans geen vaste activa bezitten, maar wel hierover afschrijven. Te gebruiken data Om te voorkomen dat de resultaten van dit onderzoek gedreven worden door een laag aantal observaties met een mogelijke lage kwaliteit is besloten om voor de verdere analyse geen gebruik te maken van de data uit de NFO.

Dat betekent dat er op een andere wijze een invulling moet worden gegeven aan de (immateriële en materiële) vaste activa, de netto winst en de afschrijvingen om de terugverdientijd te kunnen vaststellen. Deze studie maakt daarvoor gebruik van de online verzamelde enquêtedata. Op basis van de vier meest gebruikte bedrijfsmiddelen kan het grootste gedeelte van de vaste activa en van de afschrijvingen op ondernemingsniveau in kaart worden gebracht. 56 De netto winst kan worden bepaald door de omzetgegevens uit het BTW-bestand te vermenigvuldigen met een redelijke winstmarge. Deze marge is gebaseerd op wat ondernemers zelf hebben aangegeven in de online vragenlijst. 57

3.2

Indeling, vaste activa, afschrijvingen en netto winst

Het doel van deze paragraaf is om de ambulante handel beter in kaart te brengen. Daarbij wordt in eerste instantie gekeken naar het type producten dat ondernemingen verkopen. Vervolgens worden de kosten en afschrijvingen van de meest gebruikte bedrijfsmiddelen belicht. Ten slotte worden de gemiddelde omzet en netto winst van de ondernemingen besproken. Alle berekeningen zijn op ondernemingsniveau uitgevoerd. Om vertrouwelijk met beide datasets om te gaan zijn in deze rapportage alleen de gemiddelde waarden weergegeven. Indeling ambulante handel Het CBS onderscheidt zes verschillende SBI-codes binnen de ambulante handel (zie ook Tabel B1 in bijlage B voor een verdere uitsplitsing). Uit gesprekken met gemeenten, de brancheorganisatie 56

57

In dit onderzoek is de sommatie van deze vier kostenposten genomen als een indicator voor de hoogte van vaste activa. Dit betekent niet dat de overige kosten geen impact hebben op de terugverdientijd. Wel blijkt uit kwalitatief onderzoek dat met deze vier kostenposten het overgrote gedeelte van de vaste activa (looptijd langer dan één jaar) in beeld is. De enquêteresultaten bevestigen dit beeld. Er zijn door de 478 respondenten nagenoeg geen andere grote kostencategorieën genoemd in de open velden. De exacte berekening is in deze paragraaf onder het kopje ‘Omzet en netto winst’ verder toegelicht.

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

RESULTATEN KWANTITATIEVE ANALYSE

19

en ondernemers blijkt echter dat deze indeling als grofmazig wordt ervaren, en niet voldoende recht doet aan de verschillende typen ondernemers in de markt. Daarnaast blijkt uit een inventarisatie van enkele marktverordeningen dat er door gemeenten vaak andere indelingen worden gehanteerd. Omdat een landelijke overkoepelende indeling ontbreekt, is aan alle respondenten gevraagd wat voor type producten zij verkopen (zie Tabel 3.2). Alle antwoorden zijn daarna (deels handmatig) gecodeerd naar verschillende productcategorieën, waarbij sommige productcategorieën zijn geclusterd. De reden hiervoor is dat één van de eisen van het werken met de CBS-Microdata is, dat er niet gerapporteerd mag worden op een niveau met minder dan tien waarnemingen. Onderstaande indeling zal in de rest van dit hoofdstuk worden gehanteerd. Tabel 3.2 toont dat er een tweedeling binnen de Nederlandse ambulante handel bestaat. 56 procent van de ondernemingen verkoopt voedingsmiddelen en het restant verkoopt andere producten. Tabel 3.2

Ruim de helft van de ondernemingen in de ambulante handel verkoopt voedingswaren

Categorie / Producttype Voeding

Aantal (steekproef)

Percentage (steekproef)

296

56%

-

Vis en visartikelen

73

14%

-

Aardappelen, groenten en fruit

62

12%

-

Zuivelartikelen

57

11%

-

Brood, koek en banket

32

6%

-

Noten en zuidvruchten

31

6%

-

Overig

25

5%

-

Vlees- en poelierswaren

16

3%

Niet-voeding

229

44%

-

Persoonsbekleding

67

13%

-

Bloemen en planten

44

8%

-

Overig

29

6%

-

Artikelen (overig)

28

5%

-

Overig textiel en interieurbekleding

27

5%

-

Horloges, sieraden en modeaccessoires

19

4%

-

Lederwaren, schoeisel en reisartikelen

15

3%

525

100%

Totaal Bron:

SEO Economisch Onderzoek (2020) op basis van de verzamelde enquêtedata (n = 525)

Vaste activa Op basis van deskresearch en de gesprekken met betrokkenen zijn de vier meest gebruikte bedrijfsmiddelen van de ambulante handelaren geïdentificeerd: de marktkraam, de verkoopwagen, de transportwagen en de opslaglocatie. Over deze vier bedrijfsmiddelen is in de vragenlijst een aantal vragen gesteld. 58 De waarde van de vaste activa is op ondernemingsniveau berekend en betreft de som van de aanschafwaarde van de bedrijfsmiddelen die de ondernemer in eigendom heeft.

58

Voorbeelden van deze vragen zijn: (i) maakt u voor uw bedrijfsvoering gebruik van deze bedrijfsmiddelen, (ii) zo ja, bent u de eigenaar of huurder van deze bedrijfsmiddelen, en (iii) wat heeft u (destijds) betaald voor de bedrijfsmiddelen (de aanschafwaarde)?

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

20

HOOFDSTUK 3

Tabel 3.3 toont dat ondernemingen die handelen in de productcategorie vis- en visartikelen met een gemiddelde vaste activa van € 730.000 het meest uitgeven aan hun bedrijfsmiddelen. Zij worden gevolgd door ondernemingen die handelen in zuivelartikelen, en vlees- en poelierswaren. Zij besteden gemiddeld genomen respectievelijk € 450.000 en € 400.000 aan de bedrijfsmiddelen. Ondernemingen die in niet-voedingsmiddelen handelen besteden vrijwel altijd minder dan € 250.000. De noot onder Tabel 3.3 bespreekt de stappen die zijn ondernomen om de vaste activa vast te stellen. Tabel 3.3

De vaste activa scheelt fors tussen de verschillende productcategorieën

Type categorie

Gemiddelde vaste activa

Mediaan vaste activa*

Voeding

296

-

Vis en visartikelen

€ 730.000,-

€ 490.000,-

73

-

Zuivelartikelen

€ 450.000,-

€ 355.000,-

57

-

Vlees- en poelierswaren

€ 400.000,-

€ 400.000,-

16

-

Noten en zuidvruchten

€ 340.000,-

€ 365.000,-

31

-

Aardappel, groen, fruit

€ 320.000,-

€ 260.000,-

62

-

Brood, koek en banket

€ 290.000,-

€ 220.000,-

32

-

Overig

€ 205.000,-

€ 195.000,-

25

Niet-voeding

Noot:

*

Bron:

N

229

-

Overig textiel en interieurbekleding

€ 310.000,-

€ 160.000,-

27

-

Bloemen en planten

€ 230.000,-

€ 215.000,-

44

-

Lederwaren, schoeisel en reisartikelen

€ 195.000,-

€ 175.000,-

15

-

Overig

€ 165.000,-

€ 155.000,-

29

-

Artikelen (overig)

€ 100.000,-

€ 80.000,-

28

-

Persoonsbekleding

€ 95.000,-

€ 45.000,-

67

-

Horloges, sieraden en modeaccessoires

€ 30.000,-

€ 15.000,-

19

Om de gemiddelde vaste activa te berekenen zijn de volgende stappen ondernomen: 1) aan alle ondernemers is in de online vragenlijst gevraagd van welke van de vier bedrijfsmiddelen zij gebruikmaken, en vervolgens of zij eigenaar of huurder zijn (zie ook Figuur 3.1 en 3.2). Indien een ondernemer heeft aangegeven dat hij of zij geen gebruikmaakt van het bedrijfsmiddel is de waarde van de vaste activa voor deze post gelijk aan nul. Ook wanneer de ondernemer aangeeft huurder te zijn van het bedrijfsmiddel is de waarde van de vaste activa gelijk aan nul (deze huurkosten drukken de netto winst en belanden zodoende op andere wijze in de terugverdientijd). 2) Vervolgens is aan de ondernemer gevraagd hoeveel de aanschafwaarde van het bedrijfsmiddel betrof. Indien de ondernemer geen waarde heeft doorgegeven, is deze waarde vervangen door de gemiddelde waarde die andere respondenten in dezelfde productcategorie voor dat bedrijfsmiddel hebben aangegeven. Een voorbeeld: een vishandelaar geeft aan gebruik te maken, en eigenaar te zijn, van een verkoopwagen, maar heeft in de vragenlijst niet aangegeven hoeveel er betaald is voor de wagen. Om een onderschatting van de vaste activa van de onderneming te voorkomen is de ontbrekende waarde vervangen door de gemiddelde aanschafwaarde van een verkoopwagen van de andere vishandelaren die de vragenlijst hebben ingevuld.

3) Vervolgens zijn op ondernemingsniveau de vaste activa berekend door de vier kostenposten (waarde * hoeveelheid) bij elkaar op te tellen. Daarbij is de hoeveelheid begrensd op tien verkoopwagens (een respondent had aangegeven te beschikken over enkele honderden verkoopwagens). 4) Ten slotte zijn op productniveau de gemiddelde waarden getoond. Daarbij zijn alle waarden afgerond op bedragen van € 5.000 om schijnnauwkeurigheid te voorkomen. De mediaan is het middelste getal in de waarnemingen als je die getallen op volgorde zet. Een voorbeeld: in de getallen reeks 11, 12, 13, 14, 50 is het getal 13 de mediaan. Dit is namelijk het middelste getal (er zijn twee lagere en twee hogere getallen). Het gemiddelde is 20 (de sommatie gedeeld door vijf). Hieruit blijkt dat de mediaan minder gevoelig is voor uitschieters dan het gemiddelde. SEO Economisch Onderzoek (2020) o.b.v. de verzamelde enquêtedata (n = 525)

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

RESULTATEN KWANTITATIEVE ANALYSE

21

De mediaan van de vaste activa ligt voor vrijwel alle productcategorieën lager dan het gemiddelde. Dit is een eerste indicatie dat er mogelijk sprake is van enkele bedrijven die een relatief hoge waarde hebben opgegeven (uitschieters). Steekproefsgewijs zijn deze hoge waarden telefonisch gecontroleerd. In enkele gevallen is de waarde van de vaste activa naar beneden aangepast (naar boven kwam niet voor). In deze rapportage is er daarom voor gekozen om zowel de mediaan als het gemiddelde weer te geven. De mediaan laat zien wat de invloed is van verschillen tussen ondernemers op het gemiddelde. Voor de berekening van de terugverdientijd gebruiken we de gemiddelde waarden, omdat waardebepalingen van schaarse rechten in het publieke domein vaak gebaseerd zijn op de kasstromen van de gemiddeld efficiënte toetreder. 59 Het gebruik van de vier bedrijfsmiddelen varieert tussen de verschillende typen ondernemingen. Zo blijkt bijvoorbeeld uit een verdere uitsplitsing van de data dat het met name ondernemers in het niet-voedingssegment zijn die gebruikmaken van een marktkraam. De verkoopwagens die gebruikt worden door ondernemers in voedingsmiddelen zijn relatief duur (vanwege een koeling). Hieronder zijn de belangrijkste bevindingen met betrekking tot het gebruik, het eigenaarschap en de kosten voor de vier bedrijfsmiddelen verder uitgesplitst.

Daarna wordt de rol van de restwaarde van de bedrijfsmiddelen en de impact hiervan op de terugverdientijd belicht. 1. Bevindingen over marktkramen Circa veertig procent van de ambulante handelaren maakt gebruik van ten minste een marktkraam (zie ook Figuur 3.1). Van deze marktkramen is ongeveer twintig procent in eigendom van de ambulante handelaren, en wordt tachtig procent van de marktkramen gehuurd (zie ook Figuur 3.2). Handelaren die aangeven gebruik te maken van een marktkraam geven zelden aan ook gebruik te maken van een verkoopwagen en vice versa. De twee bedrijfsmiddelen lijken daarmee grofweg substituten van elkaar te zijn. Circa een kwart van de ondernemingen die handelt in voedingsmiddelen gebruikt een marktkraam. Voor de overige niet-voedingsmiddelen ligt dit aandeel hoger, circa zestig procent. De aanschafwaarde van een nieuwe marktkraam is volgens de respondenten € 3.250 (mediaan) en wordt gemiddeld genomen over zeven jaar afgeschreven. Het huren van een marktkraam kost de onderneming zo’n € 4.500 per jaar (mediaan). Uit gesprekken blijkt dat de marktkraam dan ook door een derde partij op locatie wordt opgezet wat de meerkosten kan verklaren. 2. Bevindingen over verkoopwagens 66,9 procent van de ambulante handelaren geeft aan gebruik te maken van een verkoopwagen. Deze wagen is nagenoeg altijd (98,5 procent) in eigendom van de onderneming.

Circa negentig procent van de ondernemingen die handelen in de voedingswaren maken gebruik van een verkoopwagen. Voor de overige producten is dit aantal aanzienlijk lager, circa veertig procent. Een gemiddelde verkoopwagen kost € 108.000, en wordt binnen circa tien jaar afgeschreven. Een verdere uitsplitsing toont aan dat de prijzen van de verkoopwagens onderling sterk verschillen. Het grootste gedeelte van de variantie kan worden verklaard door het type verkoopwagen. Zo kost een wagen met koeling gemiddeld genomen € 134.500, terwijl een wagen zonder koeling gemiddeld genomen € 69.500 kost. Verkoopwagens die gebouwd zijn voor de vishandel zijn met een gemiddelde waarde van € 178.000 het duurst.

59

De achtergrond hiervan is het begrip opportuniteitskosten. In een efficiënte markt kan de huidige vergunninghouder immers precies een prijs krijgen wanneer hij de vergunning verkoopt aan de toetreder. Hij derft deze inkomsten door de vergunning zelf in bezit te houden. Zie bijvoorbeeld: Poort, Kerste e.a. (2010).

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

22

HOOFDSTUK 3

3. Bevindingen over transportwagens Circa tachtig procent van de ambulante handelaren maakt gebruik van een transportwagen. Deze wagen is vrijwel altijd in eigendom van de onderneming (zie Figuur 3.2). Ondernemers die handelen in voedingsmiddelen maken relatief vaker gebruik van een transportwagen: 85 procent maakt gebruik van een transportwagen tegenover 75 procent voor de niet-voedingsmiddelen. Een gemiddelde transportwagen kost € 51.500, en wordt binnen ruim zeven jaar afgeschreven. Een verdere uitsplitsing toont dat de prijzen van de transportwagens onderling sterk verschillen. Het grootste gedeelte van de variantie kan worden verklaard door de sector waarin de onderneming actief is. Zo kost een transportwagen die voor de verkoop van voedingsmiddelen wordt gebruikt gemiddeld genomen € 62.000, terwijl transportwagens voor de overige producten voor gemiddeld € 33.000 worden verkocht. Net als voor de verkoopwagens zijn de transportwagens die door vishandelaren worden gebruikt wederom het duurst, een gemiddelde waarde van € 76.000. 4. Bevindingen over de opslaglocatie Circa tachtig procent van de ambulante handelaren maakt gebruik van een opslaglocatie. Van deze opslaglocaties is ongeveer 65 procent in eigendom van de ambulante handelaren, en wordt 35 procent gehuurd (zie Figuur 3.2).

Met name de ondernemingen in de voedingsmiddelen maken relatief vaak gebruik van een opslaglocatie (84 procent voedingsmiddelen, tegenover 71 procent voor de overige producten). Een opslaglocatie kost gemiddeld genomen circa € 250.000. Het huren van een opslaglocatie kost de onderneming gemiddeld zo’n € 9.000 per jaar. Figuur 3.1

Bron:

Circa tachtig procent van de steekproef maakt gebruik van een transportwagen

SEO Economisch Onderzoek (2020) o.b.v. de verzamelde enquêtedata (n = 508)

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

RESULTATEN KWANTITATIEVE ANALYSE

Figuur 3.2

Bron:

23

De transport- en verkoopwagen(s) zijn vrijwel altijd in eigendom van de handelaar

SEO Economisch Onderzoek (2020) de verzamelde enquêtedata

Aanschafwaarde en investeringen De investeringsanalyse berekent de businesscase voor een gemiddeld efficiënte toetreder in de ambulante handel. SEO beschouwt de waarde van de hierboven genoemde bedrijfsmiddelen als een goede indicator voor de omvang van de investeringen van deze toetreder, omdat in de enquête gevraagd is naar de aanschafwaarde van de bedrijfsmiddelen. Om deze reden past de investeringsanalyse geen correctie toe op de waarde van deze activa, door deze bijvoorbeeld te verlagen met de afschrijvingen of rekening te houden met eventuele restwaarde aan het einde van de levensduur. 60 Afschrijvingen De verkregen data uit de vragenlijst bieden tevens inzicht in de afschrijvingskosten van ondernemers in de ambulante handel. Door de aanschafwaarde van de bedrijfsmiddelen te delen door het aantal jaren waarin de ondernemers deze bedrijfsmiddelen afschrijven, zijn de jaarlijkse afschrijvingskosten berekend. Tabel 3.4 geeft de gemiddelde jaarlijkse afschrijvingskosten op productniveau weer. Afschrijvingskosten over de opslaglocatie zijn niet meegenomen in onderstaande berekening. Dit omdat het onduidelijk is welk gedeelte van het bedrijfspand voor de onderneming wordt gebruikt, en wat het verschil tussen de boek- en bodemwaarde van het pand is. Zodoende kan niet de waarde 60

De investeringsanalyse neemt met andere woorden de verkrijgingsprijs als vertrekpunt en niet de actuele waarde van de activa. Dit onderscheid komt tevens terug in het Jaarrekeningenrecht als het gaat om de grondslagen voor de waardering van een actief. Zie art. 2: 384 lid 1 BW.

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

24

HOOFDSTUK 3

waarover kan worden afgeschreven berekend worden. Dit resulteert in een overschatting van de terugverdientijd (de noemer van de formule voor het bepalen van de terugverdientijd is een onderschatting). Tabel 3.4 laat zien dat er een duidelijk verschil bestaat tussen ondernemingen die in voedingsmiddelen handelen, en ondernemingen die in andere producten handelen. Zo liggen de gemiddelde jaarlijkse afschrijvingskosten voor ondernemingen in niet-voedingsproducten vrijwel altijd lager. Daarnaast toont de tabel dat er een forse variatie zit tussen de gemiddelde jaarlijkse afschrijvingen. Zo zijn de gemiddelde afschrijvingen voor ondernemingen die handelen in vis en visartikelen bijna twintig keer zo hoog als de afschrijvingskosten voor ondernemers die handelen in horloges, sieraden en/of modeaccessoires. Tabel 3.4

Ondernemers die in voedingsmiddelen handelen hebben hogere afschrijvingskosten

Type categorie

Gemiddelde jaarlijkse afschrijvingskosten

Mediaan jaarlijkse afschrijvingskosten*

Voeding

296

-

Vis en visartikelen

€ 50.000,-

€ 30.000,-

73

-

Zuivelartikelen

€ 40.000,-

€ 20.000,-

57

-

Vlees- en poelierswaren

€ 35.000,-

€ 25.000,-

16

-

Noten en zuidvruchten

€ 30.000,-

€ 25.000,-

31

-

Aardappel, groen, fruit

€ 25.000,-

€ 20.000,-

62

-

Brood, koek en banket

€ 25.000,-

€ 20.000,-

32

-

Overig

€ 20.000,-

€ 15.000,-

25

Niet-voeding

Noot:

*

Bron:

n

229

-

Bloemen en planten

€ 15.000,-

€ 10.000,-

44

-

Overig

€ 10.000,-

€ 10.000,-

29

-

Persoonsbekleding

€ 10.000,-

€ 5.000,-

67

-

Overig textiel en interieurbekleding

€ 10.000,-

€ 10.000,-

27

-

Lederwaren, schoeisel en reisartikelen

€ 10.000,-

€ 10.000,-

15

-

Artikelen (overig)

€ 10.000,-

€ 5.000,-

28

-

Horloges, sieraden en modeaccessoires

€ 2.500,-

€ 2.500,-

19

Om tot deze gemiddelde jaarlijkse afschrijvingskosten te komen zijn enkele assumpties gedaan. Allereerst is gekeken of alle respondenten de periode waarin zij de bedrijfsmiddelen willen afschrijven was ingevuld. Waar dit niet het geval was is dit aangevuld door de gemiddelde waarde uit de overige sectoren. In dit geval is er niet voor gekozen om een afschrijvingstermijn van een vergelijkbaar bedrijf te nemen. Dit omdat de gemiddelde waarden tussen de voedings- en niet-voedingscategorie nauwelijks verschilden. Daarnaast zijn er ondernemingen die hebben aangegeven niet af te schrijven over het bedrijfsmiddel (zij hebben een waarde van nul ingevuld). Deze post is gehercodeerd naar onbekend, zodat de gemiddelde afschrijvingskosten alsnog berekend konden worden (delen door 0 is niet mogelijk). Ten slotte is de waarde van de vaste activa gedeeld door de periode waarin ondernemers voornemens zijn om deze post af te schrijven. Om schijnnauwkeurigheid te voorkomen zijn alle waarden afgerond op € 5.000 behalve voor de categorie horloges, sieraden en modeaccessoires (afgerond op € 2.500). De mediaan is het middelste getal in de waarnemingen als je die getallen op volgorde zet. Een voorbeeld: in de getallen reeks 11, 12, 13, 14, 50 is het getal 13 de mediaan. Dit is namelijk het middelste getal (er zijn twee lagere, en twee hogere getallen).

Het gemiddelde is 20 (de sommatie gedeeld door vijf). Hieruit blijkt dat de mediaan minder gevoelig is voor uitschieters dan het gemiddelde. SEO Economisch Onderzoek (2020) de verzamelde enquêtedata

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

RESULTATEN KWANTITATIEVE ANALYSE

25

Omzet en netto winst De gemiddelde omzet van ondernemingen die handelen in voedingsmiddelen ligt gemiddeld genomen op € 251.000. Dat is bijna drie keer zo hoog als de omzet van de overige ondernemingen, € 84.000 (zie Figuur 3.3). De mediaan geeft een heel ander beeld: € 110.000 voor ondernemingen in voedingsmiddelen versus € 20.000 voor de overige productcategorieën. Ook de figuur laat zien dat het grootste gedeelte van de ondernemingen een relatief beperkte omzet heeft. De gemiddelde omzet lijkt zodoende met name te worden gedreven door een beperkt aantal grote spelers. Omdat de terugverdientijd op ondernemersniveau wordt berekend zal het gebruik van de gemiddelde omzetwaarde slechts beperkt van invloed zijn op de berekende terugverdientijd. Figuur 3.3

Noot: Bron:

De gemiddelde omzet van ondernemingen in voedingsmiddelen is circa 3 maal hoger

De verticale stippel- en doorgetrokken lijn tonen respectievelijk het gemiddelde en de mediaan. Daarbij zijn de SBI-codes 47811 en 47819 gehercodeerd naar voeding, en de SBI-codes 47891, 47899, 4782, en 47892 gehercodeerd naar niet-voeding. SEO Economisch Onderzoek (2020) o.b.v. CBS-Microdata (BTW 2018 en het ABR)

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

26

HOOFDSTUK 3

Op basis van de enquêtedata is een verdere uitsplitsing mogelijk. Tabel 3.5 toont de gemiddelde omzet per productcategorie. Met een gemiddelde omzet van € 765.000 per jaar zijn bedrijven in zuivelartikelen koploper, gevolgd door bedrijven in visartikelen. Opvallend is dat de gemiddelde omzet van ondernemers in voedingsmiddelen met ruim € 500.000 ongeveer twee keer zo hoog is als het populatiegemiddelde (€ 251.000). Hetzelfde beeld komt naar voren voor de ondernemers die in niet-voedingsmiddelen handelen (€ 130.000 versus € 84.000). Hieruit blijkt dat grote ondernemers in de database oververtegenwoordigd zijn. Het effect van deze oververtegenwoordiging op de terugverdientijd is beperkt. Dat komt omdat de terugverdientijd op organisatieniveau is bepaald en grote spelers ook vaak over meer vaste activa beschikken. Kolom 4 en 5 bevatten de mediaan van de omzet en van de geschatte netto winst. Tabel 3.5

Ondernemers die zuivelartikelen verkopen hebben gemiddeld de hoogste netto winst Gemiddelde Gemiddelde omzet netto winst

Mediaan omzet*

Mediaan netto winst*

Voeding -

Zuivelartikelen

€ 765.000,-

€ 120.000,-

€ 455.000,-

€ 75.000,-

-

Vis en visartikelen

€ 605.000,-

€ 100.000,-

€ 425.000,-

€ 70.000,-

-

Noten en zuidvruchten

€ 545.000,-

€ 90.000,-

€ 410.000,-

€ 65.000,-

-

Aardappel, groen, fruit

€ 450.000,-

€ 70.000,-

€ 355.000,-

€ 55.000,-

-

Vlees- en poelierswaren

€ 380.000,-

€ 60.000,-

€ 390.000,-

€ 60.000,-

-

Brood, koek en banket

€ 295.000,-

€ 45.000,-

€ 255.000,-

€ 40.000,-

-

Overig

€ 135.000,-

€ 20.000,-

€ 95.000,-

€ 15.000,-

Niet-voeding

Noot:

* Bron:

-

Bloemen en planten

€ 310.000,-

€ 60.000,-

€ 195.000,-

€ 35.000,-

-

Overig

€ 150.000,-

€ 30.000,-

€ 85.000,-

€ 15.000,-

-

Lederwaren, schoeisel en reisartikelen

€ 135.000,-

€ 25.000,-

€ 70.000,-

€ 15.000,-

-

Persoonsbekleding

€ 125.000,-

€ 25.000,-

€ 65.000,-

€ 10.000,-

-

Overig textiel en interieurbekleding

€ 95.000,-

€ 20.000,-

€ 65.000,-

€ 10.000,-

-

Artikelen (overig)

€ 70.000,-

€ 15.000,-

€ 30.000,-

€ 5.000,-

-

Horloges, sieraden en modeaccessoires

€ 40.000,-

€ 10.000,-

€ 15.000,-

€ 5.000,-

De gemiddelde omzetgegevens zijn gebaseerd op de aangifteformulieren die de ondernemers bij de belastingdienst hebben ingediend. Voor de berekening van de winst is uitgegaan van een mediaan winstmarge van 18,6 procent voor de ondernemers in de niet-voeding, en 16,0 procent voor de ondernemers in de voeding. De gemiddelden ligger iets hoger (respectievelijk 21,7 procent en 18,6 procent). Dit winstpercentage is gebaseerd op de ratio van winst / omzet zoals aangegeven door de respondenten in de vragenlijst. Om schijnnauwkeurigheid te voorkomen zijn alle waarden afgerond op € 5.000. De mediaan is het middelste getal in de waarnemingen als je die getallen op volgorde zet. Een voorbeeld: in de getallen reeks 11, 12, 13, 14, 50 is het getal 13 de mediaan. Dit is namelijk het middelste getal (er zijn twee lagere, en twee hogere getallen). Het gemiddelde is 20 (de sommatie gedeeld door vijf). SEO Economisch Onderzoek (2020) o.b.v. de CBS-Microdata en de verzamelde enquêtedata (n = 525)

Tabel 3.5 bevat ook het gemiddelde en de mediaan van de netto winst. Om deze te bepalen is gerekend met een vaste winstmarge voor beide typen categorieën. Voor het berekenen van de winstmarge is de in de online vragenlijst gerapporteerde netto winst gedeeld door de in de online vragenlijst gerapporteerde omzet. Vervolgens zijn alle winstmarges van boven de 100 procent verwijderd om een overschatting te voorkomen. De gemiddelde winstpercentages zijn als volgt: voedingsmiddelen is 16,9 procent (n = 111); overige ondernemers is 21,7 procent (n = 49). De mediaan van deze getallen ligt relatief dichtbij 16,0 procent voor de handelaren in voedingsmiddelen, en

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

RESULTATEN KWANTITATIEVE ANALYSE

27

18,6 procent voor de overige ondernemers. In Tabel 3.5 is de gemiddelde/mediaan van omzet vermenigvuldigd met de mediaan van het winstpercentage. Indien gebruikgemaakt zou worden van het gemiddelde winstmarge zou de terugverdientijd korter zijn (kleinere noemer in de formule voor het vaststellen van de terugverdientijd).

3.3

Operationalisatie terugverdientijd

Het doel van deze paragraaf is om uit te leggen hoe de terugverdientijd van de gedane investeringen in dit onderzoek is vastgesteld. Uit het bedrijfseconomisch en juridisch kader bleek dat er bij het vaststellen van de terugverdientijd rekening moet worden gehouden met de hoogte van de vaste activa en de vrije kasstroom, terwijl ook een redelijke vergoeding op het geïnvesteerde kapitaal (ROI) moet worden meegenomen. Daarnaast speelt de onzekerheid over de kosten van levensonderhoud van ondernemers. Niet alle ondernemers nemen hun loon op als kosten. Ze beschouwen de netto winst als loon. Dit deel van de netto winst kan dan niet worden beschouwd als vrije kasstroom. De berekening van de terugverdientijd kan corrigeren voor een minimum inkomen voor de ondernemer. Hieronder staat de formule die in dit onderzoek is gebruikt voor het berekenen van de terugverdientijd van gedane investeringen. Formule 3.1 De bovengrens van de terugverdientijd houdt rekening met een minimum inkomen

𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇 =

𝑉𝑉𝑉𝑉𝑉𝑉𝑉𝑉𝑉𝑉 𝑎𝑎𝑎𝑎𝑎𝑎𝑎𝑎𝑎𝑎𝑎𝑎 𝑉𝑉𝑉𝑉𝑉𝑉𝑉𝑉𝑉𝑉 𝑘𝑘𝑘𝑘𝑘𝑘𝑘𝑘𝑘𝑘𝑘𝑘𝑘𝑘𝑘𝑘𝑘𝑘 − 𝑚𝑚𝑚𝑚𝑚𝑚𝑚𝑚𝑚𝑚𝑚𝑚𝑚𝑚 𝑖𝑖𝑖𝑖𝑖𝑖𝑖𝑖𝑖𝑖𝑖𝑖𝑖𝑖 − 𝑅𝑅𝑅𝑅𝑅𝑅

Operationalisatie van Return on investment (ROI) Bij het vaststellen van een redelijk rendement op geïnvesteerd vermogen wordt normaliter gebruik gemaakt van de WACC. Er is echter geen informatie over de hoogte van de WACC voor de Nederlandse ambulante handel. Omdat het opstellen van een WACC buiten de reikwijdte van dit onderzoek valt is er besloten om voor dit doeleinde de WACC van een verwante sector te gebruiken. In dit onderzoek is ervoor gekozen om de WACC van de Nederlandse retailsector te gebruiken. Deze WACC heeft een gemiddelde hoogte van 7,5 procent. Operationalisatie minimum inkomen Daarnaast houdt de bovengrens van de terugverdientijd rekening met een minimum inkomen. Maar hoe hoog is dit minimum inkomen? In dit onderzoek betreft het minimum inkomen het wettelijk brutominimumloon van € 1.684.80 per maand bij een volledig dienstverband (zie ook Staatscourant 2019, nr. 56.680). Om te bepalen in hoeverre er sprake was van een volledig dienstverband is er gekeken hoeveel dagen per week de onderneming gemiddeld genomen actief was. Een voorbeeld: indien de onderneming twee dagen per week actief is, verdient de ondernemer veertig procent van het wettelijk brutominimumloon. Hij heeft immers bij een volle werkweek drie dagen beschikbaar om ander inkomen te generen.

De terugverdientijd is op ondernemingsniveau vastgesteld De terugverdientijd is allereerst op ondernemingsniveau vastgesteld. Dat betekent dat er voor elke organisatie waar de hoogte van de vaste activa, de vrije kasstroom en het aantal werkzame dagen

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

28

HOOFDSTUK 3

bekend was de terugverdientijd is vastgesteld. Pas daarna is de terugverdientijd uitgesplitst naar de productcategorieën, het aantal medewerkers dat de onderneming in dienst heeft, de rechtsvorm van de organisatie en het aantal dagen dat de organisatie per week actief is. Deze uitsplitsingen zijn gedaan om te onderzoeken of er in het te ontwerpen instrument met één van deze parameters al dan niet rekening moet worden gehouden.

3.4

Berekening terugverdientijd

Het doel van deze paragraaf is om te onderzoeken of het zinvol is om in het te ontwerpen instrument verschillende beslisparameters toe te voegen. Daarbij wordt gekeken naar: (i) de productcategorie waarin de onderneming handelt; (ii) het aantal medewerkers dat voor de onderneming werkt; (iii) de rechtsvorm van de onderneming; en (iv) het aantal dagen dat een onderneming per week actief is. De paragraaf sluit af met de berekende terugverdientijd(en). 1. Samenhang tussen productcategorie en terugverdientijd Figuur 3.4 bevat de resultaten van de analyse van de terugverdientijd per productcategorie. Iedere regel op de verticale as vertegenwoordigt een productcategorie. De horizontale as vertegenwoordigt de terugverdientijd in jaren. Het linker verticale streepje vertegenwoordigt de terugverdientijd indien er geen rekening wordt gehouden met het minimum inkomen. Dit streepje betreft in zekere woorden dan ook een harde ondergrens van de terugverdientijd. Het rechter verticale streepje (de bovengrens) controleert wel voor een minimum inkomen. De terugverdientijd is daarom ook langer. Zowel het linker als het rechter verticale streepje houdt rekening met een redelijke vergoeding van het geïnvesteerde kapitaal. Figuur 3.4

Bron:

De terugverdientijd lijkt te variëren tussen de verschillende productcategorieën

SEO Economisch Onderzoek (2020)

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

RESULTATEN KWANTITATIEVE ANALYSE

29

Figuur 3.4 laat zien dat de terugverdientijd tussen de verschillende productcategorieën varieert. Maar in hoeverre is dit verschil ook statistisch significant? Deze vraag kunnen we beantwoorden met behulp van een ANOVA-toets. 61 Deze toets wordt gebruikt voor de vergelijking van meerdere groepen op basis van de gemiddeldes. Een voorbeeld: Figuur 3.4 laat zien dat de gemiddelde terugverdientijd voor ondernemingen die handelen in lederwaren, schoeisel en reisartikelen gemiddeld zestien jaar is, maar is dit ook significant hoger dan de terugverdientijd van acht jaar voor ondernemingen die in aardappelen, groenten en fruit handelen? Het kan immers voorkomen dat de relatief lange gemiddelde terugverdientijd van zestien jaar wordt gedreven door een uitschieter (een bedrijf met bijvoorbeeld bijzonder hoge investeringen, en een lage vrije kasstroom). De ANOVA-toets leert ons dat er geen significant verschil is tussen de gemiddelde terugverdientijd van de verschillende productcategorieën. Dat betekent dat de absolute bovengrens die er hierboven visueel uitspringt door een zeer beperkt aantal uitschieters (ondernemingen met een terugverdientijd van meer dan vijftig jaar) te verklaren is. Een tweede ANOVA toont aan dat er ook geen significant verschil is tussen ondernemingen die handelen in voedingsmiddelen en ondernemingen die handelen in een ander type producten.

Het is dus niet te adviseren om in het instrument rekening te houden met het soort product dat de ondernemer verkoopt. In juridische zin vertaalt dit zich naar de stelling dat op geabstraheerd niveau sprake is van gelijke gevallen, die een gelijke behandeling (in looptijd) rechtvaardigen. 2. Samenhang tussen aantal medewerkers en terugverdientijd Ook blijkt er geen significante samenhang tussen het aantal medewerkers dat voor een onderneming werkt en de terugverdientijd van deze onderneming te zijn. Tabel E.1 en Figuur E.1 in Bijlage E tonen de resultaten van een lineair regressiemodel. 62 Zodoende blijkt dat een verdere uitsplitsing naar het aantal medewerkers in het te ontwerpen instrument niet nodig zal zijn. 3. Samenhang tussen rechtsvorm en terugverdientijd Ten derde is gekeken of er een verschil bestaat tussen de terugverdientijd voor verschillende rechtsvormen. Tabel 3.6 laat op basis van een descriptieve analyse (de mediaan) zien dat er in het te ontwerpen instrument geen rekening hoeft te worden gehouden met de rechtsvorm van de onderneming. Zowel de mediaan als het gemiddelde wijkt niet significant af voor de verschillende rechtsvormen. Er is geen significantietest gedaan omdat de descriptieve cijfers niet van elkaar afwijken. Tabel 3.6

Er is geen significante samenhang tussen het aantal werknemers en terugverdientijd

Rechtsvorm

Terugverdientijd bovengrens (mediaan)

Aantal waarnemingen

Eenmanszaak

7

195

Maatschap / C.V. / B.V.

7

15

V.O.F.

7

228

Noot: Bron:

Voor in totaal 438 organisaties was en de terugverdientijd en de rechtsvorm bekend SEO Economisch Onderzoek (2020)

61

Er dient een ANOVA-toets te worden gebruikt omdat de onafhankelijke variabele categorisch is, en de afhankelijke variabele op schaalniveau. Aan alle voorwaarden voor het gebruik van de toets is voldaan. Er dient een OLS-toets te worden gebruikt omdat zowel de afhankelijke, als de onafhankelijke variabelen op continue variabelen zijn. Aan alle voorwaarden voor het gebruik van de toets is voldaan.

62

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

30

HOOFDSTUK 3

4. Samenhang tussen aantal actieve dagen en terugverdientijd Ten slotte toont verdere analyse aan dat er geen significante samenhang is tussen het aantal dagen dat een onderneming per week actief is en de terugverdientijd (zie ook Figuur 3.5). Een KruskalWallis test is uitgevoerd om te toetsen of er significante verschillen zijn tussen het aantal dagen dat een onderneming per week actief is en de terugverdientijd in jaren. 63 Uit de resultaten blijkt dat er geen significant verschil tussen de typen ondernemingen is (p-value = 0.939). Dat betekent dat de mediaan van de verschillende typen bedrijven identiek is. Zodoende hoeft er in het te ontwerpen instrument geen rekening gehouden te worden met het aantal dagen dat een onderneming per week actief is. Figuur 3.5

Noot: Bron:

63

Er is geen significante samenhang tussen het gemiddelde aantal dagen per week dat de onderneming actief is en de terugverdientijd

Voor in totaal 435 organisaties was en het gemiddelde aantal werkzame dagen per week en de terugverdientijd bekend. De horizontale lijn geeft de mediaan van de terugverdientijd in jaren weer. SEO Economisch Onderzoek (2020)

Er is gekozen om gebruik te maken van een Kruskal-Wallis test omdat uit een Shapiro-Wilk test bleek dat de residuen van de ANOVA-test geen normale verdeling volgden.

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

RESULTATEN KWANTITATIEVE ANALYSE

31

De terugverdientijd Tabel 3.7 toont aan dat de gemiddelde terugverdientijd voor ondernemingen in de ambulante handel negen of twaalf jaar is. Indien er gekozen wordt voor de bovengrens houdt men rekening met een minimum inkomen voor alle ondernemers in aftrek van de netto winst. Indien er gekozen wordt voor de ondergrens, wordt er geen rekening met het minimum inkomen gehouden. Tabel 3.7

De gemiddelde terugverdientijd is 9 (ondergrens) of 12 (bovengrens) jaar

Terugverdientijd

Ondergrens / bovengrens

Gemiddelde

Ondergrens (excl. minimum inkomen)

9

Bovengrens (incl. minimum inkomen)

12

Ondergrens (excl. minimum inkomen)

5

Bovengrens (incl. minimum inkomen)

7

Mediaan

Bron:

Jaar

SEO Economisch Onderzoek (2020)

Beperkingen van het kwantitatieve onderzoek Het kwantitatieve onderzoek kent twee beperkingen. Allereerst is in de berekening van de vaste activa alleen gekeken naar de materiele vaste activa. Er is daarbij geen rekening gehouden met immateriële activa zoals goodwill (immateriële zaken zoals reputatie en een bestaand klantenbestand). SEO veronderstelt dat immateriële activa in de ambulante handel geen effect hebben op de terugverdientijd. Twee argumenten spelen hierbij een rol: allereerst is de waarde van eventuele goodwill veelal gebaseerd op historische cijfers, en wordt het toekomstige verdienvermogen van het bedrijf in de berekening niet meegewogen. De vraag kan daarbij gesteld worden of winsten behaald in het verleden een garantie moeten bieden voor het winstpotentieel in de toekomst. Ten tweede berekenen we de terugverdientijd voor de gemiddelde efficiënte toetreder. De businesscase van de toetreder is niet afhankelijk van goodwill. Wel kunnen kosten een rol spelen die samenhangen met reclame, het opbouwen van een vaste klantenkring e.d. In dit geval is er dus geen sprake van immateriële vaste activa maar van bedrijfskosten, die onderdeel zijn van de kasstromen zoals opgenomen in deze investeringsanalyse. De tweede beperking van het onderzoek is dat de terugverdientijd deels is gebaseerd op historische cijfers.

Het is mogelijk dat de investeringen van zittende partijen anders waren omdat zij uitgingen van een vergunning met een onbepaalde looptijd. Dit kan betekenen dat de berekeningen een langere terugverdientijd laten zien dan die van een gemiddeld efficiënte toetreder. Het valt buiten de reikwijdte van het onderzoek om te onderzoeken in hoeverre investeringen gedaan door nieuwe toetreders afwijken van investeringen gedaan door partijen die al een langere periode actief zijn.

3.5

Conclusie kwantitatieve analyse

De conclusies van dit hoofdstuk zijn: • De gemiddelde terugverdientijd voor gedane investeringen is negen jaar (ondergrens) of twaalf jaar (bovengrens) op basis van de standaardformule inclusief redelijke vergoeding op geïnvesteerd vermogen. De bovengrens houdt rekening met een minimum inkomen voor de ambulante handel. De ondergrens houdt geen rekening met het minimum inkomen; • Het CBS-Microdatabestand waarin op ondernemingsniveau uitspraken worden gedaan over de vaste activa, netto winst en afschrijvingen, zijn voor de doeleinden van dit onderzoek slecht

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

32

HOOFDSTUK 3

gevuld (circa 1,5 procent). Om te voorkomen dat de resultaten van dit onderzoek gedreven worden door een laag aantal observaties met een mogelijke lage kwaliteit is besloten om voor de verdere analyse geen gebruik te maken van deze data. Hierom is er teruggegrepen naar de data verzameld in een online vragenlijst; • Op basis van de aanschafwaarde van de vier meest gebruikte bedrijfsmiddelen (de marktkraam, verkoopwagen, transportwagen, en de opslaglocatie) is op ondernemingsniveau een inschatting gemaakt van de vaste activa, en de jaarlijkse afschrijvingskosten hierover. De resultaten laten zien dat deze twee bedrijfsposten sterk verschillen tussen verschillende typen ondernemers; • De vaste activa en jaarlijkse afschrijvingskosten van ondernemers in voedingsmiddelen liggen ruimschoots hoger dan voor ondernemers in overige producten. Tegelijkertijd zijn ook de omzet en geschatte netto winst in deze sector hoger; • Additionele uitsplitsingen laten zien dat er in het te ontwerpen instrument geen rekening hoeft te worden gehouden met het type product dat de onderneming verkoopt, de rechtsvorm van de onderneming, het aantal medewerkers dat de onderneming in dienst heeft en het aantal dagen dat de onderneming gemiddeld genomen per week actief is.

Mogelijke beperkingen van dit onderzoek zijn dat er geen rekening wordt gehouden met de immateriële vaste activa en dat de berekeningen gebaseerd zijn op historische cijfers. Het is hierdoor mogelijk dat de investeringen van zittende partijen gebaseerd zijn op een langere terugverdientijd omdat zij uitgingen van een vergunning met een onbepaalde looptijd.

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

SCHAARSE VERGUNNINGEN EN TERUGVERDIENTIJD IN DE AMBULANTE HANDEL

4

33

Resultaten kwalitatieve analyse

Voor dit onderzoek zijn gesprekken gevoerd met ondernemers in de ambulante handel en andere betrokken partijen zoals gemeenten. Volgens de gesprekspartners is voor een winstgevende bedrijfsvoering in de ambulante handel een vergunningsduur noodzakelijk van minimaal tien jaar. De interviews valideren de aannames zoals toegepast in de kwantitatieve analyse van de terugverdientijd.

4.1

Doel en soorten gespreksrondes

Bij de kwantitatieve analyse in Hoofdstuk 3 is gebruikgemaakt van de inzichten uit de diverse gesprekken met ondernemers uit de branche en andere partijen. In totaal hebben er drie soorten gespreksrondes plaatsgevonden: 1. Verkennende gesprekken met een zestal stakeholders (paragraaf 4.2); 2. Diepte-interviews met twintig ondernemers (paragraaf 4.3); 3. Gesprekken ter validatie met drie gemeentebesturen (paragraaf 4.4). Het doel van deze gesprekken was om: • de belangrijkste kostenposten voor ambulante handelaren te identificeren; • de in de online vragenlijst verkregen data te valideren (triangulatie) en te duiden; • een beter beeld te krijgen van de ondernemersplannen; • marktspecifieke omstandigheden in kaart te brengen; en • de beslissingsparameters van de gedane investeringen te identificeren. Daarnaast is in de derde ronde een achttal gesprekken met gemeenten gevoerd. Het doel van deze gesprekken was de verificatie van het beoordelingsinstrument voor het vaststellen van de terugverdientijd. Dit instrument wordt toegelicht in Hoofdstuk 5 waarbij we ook de conclusies van de gesprekken betrekken.

4.2

Verkennende gesprekken stakeholders

De verkennende gesprekken met de stakeholders hebben drie doelstellingen. In deze gesprekken zijn de belangrijkste variabelen / beslisparameters bij het vaststellen van de vergunningsduur geidentificeerd zoals deze door de stakeholders worden gebruikt of ervaren. Daarnaast is met het oog op het opstellen van de online vragenlijst met deze stakeholders besproken wat de verschillende posten in de bedrijfskosten van ondernemers in de ambulante handel zijn, en aan welke posten prioriteit gegeven dient te worden in de uitvraag gelet op de omvang van de verschillende kostenposten. Tot slot is, met het oog op het onder de aandacht brengen van de online vragenlijst bij de betreffende ondernemers, met de stakeholders besproken hoe de ondernemers het best te benaderen om een zo hoog mogelijke respons te borgen. Tijdens deze gesprekken heeft SEO gesproken met (vertegenwoordigers van) de gemeente Almere, de gemeente Amsterdam, de gemeente Apeldoorn, de Rabobank, BK Market Trailers BV, Markt-

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

34

HOOFDSTUK 4

visie en de Centrale Vereniging voor de Ambulante Handel (CVAH). De laatste twee partijen hebben op verzoek van SEO hun medewerking verleend om de online vragenlijst onder de aandacht te brengen van de ondernemers. Uit de gesprekken komen – in verschillende bewoordingen – drie randvoorwaarden naar voren waarbinnen het instrument om de vergunningsduur te bepalen vorm zou moeten krijgen. Het instrument dient rekening te houden met de toegevoegde waarde van een markt voor inwoners en de gemeente (kwaliteit), dient het aantrekkelijk te maken voor ondernemers om actief zijn op de markt (zowel concurrentie als mogelijkheid tot financiering) en moet juridisch een stevige basis hebben. Het voor ondernemers mogelijk maken om op de markt actief te zijn vraagt volgens meerdere gesprekspartners om een vergunningsduur van minimaal zo’n vijf jaar. Volgens deze gesprekspartners zal bij een kortere vergunningsduur de financiering van de investeringen met vreemd vermogen middels leningen nagenoeg onmogelijk worden. Daarbij wordt wel de kanttekening geplaatst dat veel investeringen met eigen vermogen zijn gefinancierd. Het beeld over de noodzaak en wenselijkheid van differentiatie van de vergunningsduur naar verschillende branches, markten en/of type ondernemers als onderdeel van het instrument verschilt tussen de gesprekspartners.

In het algemeen geven de gesprekspartners aan dat differentiatie tussen branches mogelijk op de hoofdlijnen van food vs. non-food zou kunnen, maar dat verdere differentiatie in de praktijk moeilijk hanteerbaar is. Aan de andere kant geven de gesprekspartners duidelijk aan dat het bedrijfsmodel – en daarmee ook de mogelijkheid om investeringen terug te verdienen – sterk kan verschillen tussen verschillende markten. Ook zijn er verschillen in de te verkopen producten en de bedrijfsomvang. Verschillende gesprekspartners zetten hierbij de individuele, kleine ondernemer af tegen de meer landelijk opereerde ondernemingen zoals franchiseformules als Bakkerij ’t Stoepje. Op basis van de gesprekken zijn er enkele kostencategorieën te onderscheiden. Verkoop- en transportwagens vormen een belangrijke kostenpost en zijn ook onderdeel van de vaste activa. Ook voor de opslag van zowel verkoop- als transportwagens en de goederen kunnen significante kosten gemaakt worden. Dit laatste geldt met name voor ondernemers in de foodbranche. Tot slot worden ook personeelskosten genoemd.

4.3

Diepte-interviews met ondernemers

Dataverzameling Tussen 21 oktober en 30 november heeft SEO Economisch Onderzoek met twintig ondernemers gesproken. 64 Deze ondernemers zijn op een tweetal manieren geselecteerd. Vijftien ondernemers zijn aan de hand van een reactie in de online vragenlijst benaderd. Om een zo goed mogelijke afspiegeling van de Nederlandse ambulante handel te krijgen is daarbij gekeken naar de regio waarin de ondernemer woonachtig en werkzaam is, de productcategorie waarin de onderneming handelt, het aantal medewerkers van de onderneming en eventuele achtergelaten opmerkingen in de online vragenlijst.

64

Op het moment van schrijven staan er nog enkele interviews in de planning.

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

RESULTATEN KWALITATIEVE ANALYSE

35

Algemeen beeld Over het algemeen zijn de ondernemers negatief over de invoering van standplaatsvergunningen voor bepaalde tijd. Belangrijkste redenen hiervoor zijn: • Een vergunning voor bepaalde tijd brengt meer onzekerheid met zich mee: a. Het verhoogt de drempel om vreemd vermogen aan te trekken; b. Het verhoogt het ondernemersrisico (terugverdientijd investeringen daalt); en c. Het bemoeilijkt het opbouwen en behouden van een vaste klantenkring; • Alle investeringen zijn gedaan op basis van de huidige situatie en vrije kasstroom. Omdat het toekomstige winstpotentieel van de onderneming onbekend is zal een vergunning met beperkte duur volgens de ondernemers leiden tot meer huur van materiaal en uitstelgedrag van investeringen. Op termijn zal dit leiden tot een verschraling van de kwaliteit; • Ondernemers geven aan dat de invoering van vergunningen met beperkte duur de drempel om hun bedrijf over te dragen bemoeilijkt. Hierdoor zal de sector in sneller tempo (dan deze het al doet) vergrijzen. Zij geven aan dat zij de verkoop van hun onderneming zien als pensioen. Daarnaast geven ondernemers aan dat: • zij hun huidige bedrijfsvoering hebben ingericht op de markten waar zij nu actief zijn.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Soest&id=cc5cb2e5-e35d-4387-96eb-1b770bce9dd2