CConstaterende datSoest
Koppel je AI →
Document · PDF

2. Bijlage 1 Bestemmingsplan Birkstraat 144

Besluitvormende Raadsvergadering 8 juni 2023, gemeente SoestBij agendapunt: Bestemmingsplan Birkstraat 14423.908 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

 Blijft open water en grondwater van voldoende kwaliteit, voor recreatief gebruik en biodiversiteit. Bij langdurige hitte:  Wordt hittestress bij kwetsbare groepen zo veel mogelijk voorkomen.  Wordt opwarming van drinkwater tijdens transport en distributie in het leidingnet voorkomen.  Vinden mens en dier verkoeling in groene plekken Bij overstromingen:  Worden gevolgen beperkt door waterrobuuste bouw en inrichting  Worden gevolgen beperkt door voldoende beschikbaarheid voor schuillocaties en mogelijkheden voor evacuatie. Om dit te bereiken werken we aan klimaatbestendige inrichting van de publieke (openbare) en private buitenruimte (o.a. tuinen en (parkeer)terreinen) en het watersysteem. Relevante fysieke veranderingen worden benut om klimaatbestendige maatregelen te nemen. Dat geldt voor projecten van de gemeenten en het waterschap en voor projecten van anderen: bewoners, (agrarische) bedrijven, woningcorporaties, terreinbeheerders en maatschappelijke organisaties. Dat betekent ook dat onderhoudscycli van infrastructuur, riolering, groen en gebouwen worden benut. Om te kunnen anticiperen op klimaatverandering en om overlast tijdens hevige neerslaggebeurtenissen te voorkomen gaan we anders om met regenwater. We houden het water zoveel mogelijk vast waar het valt en hergebruiken het zoveel mogelijk.

Water dat we niet kunnen vasthouden en hergebruiken laten we bij voorkeur oppervlakkig afstromen. De afstroming vindt plaats naar laagteberging, waar het geen schade oplevert. Vanuit deze voorziening vindt infiltratie naar het grondwater plaats of (vertraagde) afvoer naar het oppervlaktewatersysteem. Het watersysteem voldoet aan de provinciale normen voor de afvoer‐ en bergingscapaciteit.

37/123

Gemeenten en waterschappen bepalen samen in hoeverre zogenaamde vasthoudmaatregelen buiten het watersysteem (tijdelijke waterberging in de openbare en private ruimte) nuttig en nodig zijn in relatie tot de beschikbare afvoer‐ en bergingscapaciteit in het watersysteem. Hierbij zijn de maatschappelijke kosten en baten van investeringen het uitgangspunt. Bij (ver)nieuwbouw is sprake van een klimaatbestendige bouw en inrichting, met zo min mogelijk afwenteling naar de omliggende percelen. We gaan bij de inrichting zo veel mogelijk uit van het van nature aanwezige watersysteem. We passen de functie aan het watersysteem en niet het watersysteem aan de functie. We manipuleren de grondwaterstand en het grondwaterregime niet (of minimaal) om een ontwikkeling of specifieke gebruiksfunctie mogelijk te maken (geen onderbemalingen, minimale toepassing van drainage). In de bebouwde omgeving leggen we meer groen aan om de sponswerking en leefbaarheid van het gebied te vergroten. We verminderen hitte in bebouwd gebied door het creëren van (tijdelijke) schaduwwerking en het gebruik van de juiste bouwmaterialen. Ook houden wij bij de inrichting van de ondergrond rekening met het risico van opwarming van drinkwater in het leidingnet onder verharde oppervlakken. In het gemeentelijk Water en rioleringsplan is bovenstaand beleid nader uitgewerkt.

Huidige situatie Algemeen Het plangebied is gelegen langs de Birkstraat te Soest en bestaat uit enkeerdgronden; fijn zand. In het plangebied is er sprake van grondwatertrap VII. Dat wil zeggen dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand varieert tussen 0,8 m en 1,4 m beneden het maaiveld en dat de gemiddeld laagste grondwaterstand meer dan 1,2 m beneden het maaiveld ligt. Waterkwantiteit Binnen en in de directe omgeving van het plangebied zijn geen watergangen aanwezig. Veiligheid en waterkeringen Het plangebied is niet gelegen binnen de kern‐ en beschermingszone van de regionale/primaire waterkering. Afvalwaterketen en riolering Het plangebied is aangesloten op het gemeentelijke rioolstelsel. Het betreft mechanische riolering waarop geen regenwater geloosd mag worden. Toekomstige situatie Algemeen De beoogde ontwikkeling betreft de functiewijziging van de bestaande bebouwing naar een woonzorgvoorziening, bestaande uit onzelfstandige wooneenheden, algemene ruimten en kantoorruimten en een berging/schuur. Waterkwantiteit De beoogde ontwikkeling betreft de transformatie van bestaande bebouwing. Verhard oppervlak zal daarom niet toenemen en watercompenserende maatregelen zijn dan ook niet vereist. Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden

38/123

rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:  hemelwater vasthouden voor benutting,  (in‐) filtratie van afstromend hemelwater,  afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater,  afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI. Voor het plangebied geldt dat er geen regenwater geloosd mag worden op het riool in de toekomstige situatie. Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet‐uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw‐ als de gebruiksfase. Veiligheid en waterkeringen De ontwikkeling heeft geen invloed op de waterveiligheid in de omgeving. Waterbeheer Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de Keur. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het waterschap mag worden gebouwd, geplant of opgeslagen.

De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aan‐ of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Voor de realisatie van de beoogde ontwikkeling is geen vergunning op basis van de Keur noodzakelijk. Conclusie De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.

4.5

Geluid

Toetsingskader Langs alle wegen ‐ met uitzondering van 30 km/u‐wegen en woonerven ‐ bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen‐ of buitenstedelijke ligging. De geluidbelasting wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day‐evening‐night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal.

39/123

Voor de geluidsbelasting aan de buitengevels van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen de wettelijke geluidszone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In bepaalde gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk. Deze hogere grenswaarde mag de maximaal toelaatbare hogere waarde niet te boven gaan. De maximale ontheffingswaarde in onderhavig situatie bedraagt 53 dB (buitenstedelijk gelegen woningen). Onderzoek en conclusie Met het omzetten van een bedrijfswoning naar een burgerwoning is er geen sprake van een nieuwe geluidsgevoelige functie. Voor het bedrijf wijzigt er niets met betrekking tot dit aspect. Het bedrijf is ook geen geluidsgevoelige functie. Het aspect geluid staat de voorgenomen ontwikkeling niet in de weg.

4.6

Verkeer en parkeren

Ontsluiting De ontsluiting van het perceel blijft na de functiewijziging ongewijzigd. Dit betekent dat het perceel aan de noordzijde direct ontsloten wordt via de Birkstraat. Deze vormt in oostelijke richting de verbinding met Amersfoort en in westelijke richting met Soest. Vanaf de Birkstraat vormen de N413 en de N221 aansluiting op de A28. Er is in de nieuwe situatie sprake van twee inritten, maar de inritten functioneren wel afzonderlijk van elkaar. Dat wil zeggen er is één inrit voor de woning en één inrit voor het bedrijf. Dit is conform de beleidsregels voor inritvergunningen, waarbij ieder perceel één inrit mag hebben. Ook heeft akoestisch onderzoek uitgewezen dat vrachtverkeer niet te dichtbij de woning moet rijden in verband met geluidsoverlast, wat aanleiding is geweest om de inrit voor het bedrijf van de woning af te leggen. De noordelijke inrit is bedoeld voor het vrachtverkeer ten behoeve van de bedrijfsbestemming. Zie hiervoor de onderstaande afbeeldingen met daarop de rijcurves bij de nieuwe inrit. Daarbij is beoordeeld of de inrit geschikt is voor vrachtverkeer ten behoeve van het hoveniersbedrijf. De boogstraal is ingetekend en toont aan dat (grote) vrachtwagens daar de bocht kunnen maken, zowel voorruit als achteruit.

40/123

Figuur 4.3 ‐ Rijcurves inrit Gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling is de bestaande infrastructuur ruimschoots voldoende voor een goede afwikkeling van het verkeer. Verkeersgeneratie Wat betreft de verkeersgeneratie is het aannemelijk dat wanneer het bedrijf wijzigt van een machinerepatiebedrijf naar een hoveniersbedrijf de verkeersgeneratie niet toeneemt. Verkeersafwikkeling Wat betreft de verkeersafwikkeling is het aannemelijk dat wanneer het bedrijf wijzigt van een machinerepatiebedrijf naar een hoveniersbedrijf de verkeersgeneratie niet toeneemt.

41/123

Parkeren Het parkeren gebeurt net als in de oorspronkelijke situatie op eigen terrein. De verplichting daartoe is bovendien vastgelegd in de regels van het bestemmingsplan, waarmee afwenteling van de parkeerbehoefte op de omgeving wordt voorkomen. Op basis van de 'Nota parkeernormen auto en fiets Soest' (4e herziening) is bepaald wat de parkeerbehoefte is in de nieuwe situatie met toepassing van het aanwezigheidspercentage. De parkeerplaatsen voor het bedrijf kunnen namelijk ook gebruikt worden voor de woning, of andersom. na toepassing van het aanwezigheidspercentage blijken er minimaal 5 parkeerplaatsen benodigd te zijn op het eigen terrein. In de inrichtingstekening van de nieuwe situatie in Bijlage 1 zijn de benodigde parkeerplaatsen ingetekend voor de woning. Voor de bestemming wonen is rekening gehouden met 1 woning, inclusief een mogelijke kangoeroewoning. Tabel 1: Parkeren Functie

Aantal

Parkeernorm*

Parkeerbehoefte

Loods/opslag

284

m2 bvo

0,9

per 100 m2 BVO

2,56

parkeerplaatsen

Woning van 81 tot 120 m2 GO

1

woning

1,8

per woning

1,8

parkeerplaatsen

Kangoeroewoning

1

woning

1,8

per woning

1,5

parkeerplaatsen

Tabel 2: Parkeervraag Birkstraat 144 waarbij woonfunctie en bedrijfsfunctie gebruik maken van dezelfde parkeervoorzieningen Parkeervraag totaal Werkdag

Totaal Ochtend

4,2

Middag

4,2

Avond

3,1

Nacht

3,3

Koopavond Zaterdag Zondag

4,6 Middag

4,5

Avond

2,6

Middag

2,3

Conclusie Voor de afwikkeling van het verkeer en het opvangen van de parkeerbehoefte zijn de bestaande infrastructuur en de ruimte op eigen terrein afdoende om hierin te voorzien.

4.7

Externe veiligheid

Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen.

42/123

Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde wordt overschreden. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10‐6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft.

Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het Bevt vormt de wet‐ en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het Bevt en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10‐5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10‐6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10‐6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10‐6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute.

Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes waarbinnen beperkingen voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen gelden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Voor het groepsrisico geldt op grond van het Bevt slechts een oriënterende waarde en alleen in bepaalde gevallen is het doen van een verantwoording van een toename van het GR verplicht.

43/123

Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Onderzoek en conclusie In de omgeving van het projectgebied zijn twee risicobronnen aanwezig. De eerste risicobron is gelegen op een afstand van ruim 250 meter en betreft een bovengrondse propaantank. De minimaal aan te houden richtafstand tot deze bron is 20 meter. Daarnaast wordt het oostelijk gelegen zwembad 'Bosbad Birkhoven' aangeduid als risicovolle inrichting maar hiervoor geldt geen richtafstand waar aan gehouden moet worden. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

Figuur 4.4: afstand tot risicobron

4.8

Kabels en leidingen

Toetsingskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden.

44/123

Toetsing In de nabijheid van aan het plangebied loopt ten westen een hoogspanningsverbinding van 150 kV. Op de netkaart (https://www.atlasleefomgeving.nl/) staat een indicatieve afstand van 70 meter aan weerszijden van de bovengrondse hoogspanningsleiding. De contour overlapt voor een klein gedeelte de nieuwe woonbestemming. Gezien de relatief kleine overlap wordt het niet proportioneel geacht dit als belemmering voor de ontwikkeling te zien. De rijksoverheid raadt aan om 'zoveel als redelijk mogelijk is' te voorkomen dat kinderen langdurig worden blootgesteld aan straling van maximaal 0,4 microtesla (zie ook https://www.rivm.nl/hoogspanningslijnen/gezondheidseffecten). De locatie is gelegen buiten de indicatieve zone en nader onderzoek naar blootstelling is dan ook niet noodzakelijk. Conclusie Het aspect kabels en leidingen staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

4.9

Luchtkwaliteit

Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar‐ en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 3 weergegeven. Tabel 3 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm Stof

Toetsing van

Grenswaarde

stikstofdioxide (NO2) jaargemiddelde concentratie

40 µg/m³

fijn stof (PM10)

jaargemiddelde concentratie

40 µg/m³

24‐uurgemiddelde concentratie

max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³

jaargemiddelde concentratie

25 µg /m³

fijn stof (PM2,5)

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:  een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³);  een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij

45/123

twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Onderzoek Met dit bestemmingsplan wordt de functiewijziging mogelijk gemaakt van de functie Wonen en Bedrijf. Gelet op de aard en omvang van de nieuwe functie (1 woning) en afgezet tegen de oorspronkelijke functie (Bedrijf met 1 bedrijfswoning), is per saldo geen sprake van noemenswaardig meer verkeer. Gelet op de omvang van projecten waarvoor het Besluit Nibm van toepassing is (o.a. woningbouwprojecten tot 1.500 woningen), wordt gesteld dat de beoogde ontwikkeling zelf geen noemenswaardige bijdrage heeft aan de concentratie luchtverontreinigende stoffen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL‐monitoringstool 2021 die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Birkstraat, direct ten zuiden van het plangebied.

Uit de NSL‐monitoringstool 2021 blijkt dat in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2020; 16,1 µg/m³ voor NO2, 16,4 µg/m³ voor PM10 en 8,7 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24‐uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6 dagen. Hierdoor is er ter plaatste van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon‐ en leefklimaat. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied. Ter plaatse is sprake van een acceptabel woon‐ en leefklimaat.

4.10 Ecologie Toetsingskader Met de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier‐ en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming Bescherming van natuurgebieden wordt gewaarborgd door de Wet natuurbescherming (Wnb) en de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Natura 2000‐gebieden worden beschermd door de Wnb en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt beschermd door de Wro. Natura‐2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn).

46/123

De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:  soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn;  soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn;  overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn.

Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Onderzoek Gebiedsbescherming Het plangebied ligt op ruim 7 kilometer van Natura 2000‐gebied Arkenheem. Uit ervaringen van vele stikstofberekeningen blijkt dat bij beperkte ontwikkelingen tot 100 woningen en bedrijven tot en met categorie 2 geen stikstofdeposities zijn op meer dan vijf kilometer. Beperkte ontwikkelingen zoals deze leiden tevens tot een beperkte stikstofemissie gedurende de aanlegfase die niet verdere reiken dan deze vijf kilometerzone. Soortenbescherming In maart 2022 is een ecologische quickscan uitgevoerd door onderzoeksbureau E.C.O.‐logisch naar beschermde soorten. De volledige onderzoeksrapportage is bijgevoegd in Bijlage 5. Uit de quickscan blijkt dat de woonfunctie mogelijk verblijfplaatsen voor vleermuizen en jaarrond beschermde nesten voor de gierzwaluw en de huismus biedt.

De groenstructuren rond de bebouwing maakt mogelijk onderdeel uit van essentieel leefgebied voor de huismus. In de bomen in het projectgebied is mogelijk één potentieel jaarrond beschermd nest voor roofvogels aanwezig. In het projectgebied kunnen mogelijk algemene amfibieën en zoogdieren voorkomen. Tevens kunnen nesten van algemene broedvogels worden verwacht in het projectgebied.

47/123

Potentieel aanwezige verblijfplaatsen van vleermuizen kunnen als gevolg van de werkzaamheden worden verstoord of vernield. Daarnaast kunnen individuen van vleermuizen worden verstoord of gedood. De nestlocaties van de gierzwaluw en de huismus kunnen worden vernield. Het potentieel jaarrond beschermd nest voor roofvogels kan worden verstoord als gevolg van de werkzaamheden, indien de werkzaamheden tijdens het broedseizoen worden uitgevoerd. Tevens kunnen nesten van algemene broedvogels worden aangetast of vernield en kunnen individuen van algemene amfibieën en zoogdieren worden gedood. Voordat een aanvraag voor een sloop‐ of bouwvergunning verleend wordt, dient aanvullend onderzoek gedaan te worden naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen. Er is tevens aanvullend onderzoek nodig naar jaarrond beschermde nesten van de boomvalk, gierzwaluw, huismus, ransuil en de sperwer. Daarnaast dient onderzocht te worden of het projectgebied onderdeel uitmaakt van essentieel leefgebied voor de huismus. In de volgende tabel zijn de uit te voeren onderzoeken en onderzoeksperiodes weergegeven. Indien aanvullende inventarisaties aantonen dat het projectgebied functies bevat voor beschermde soorten en verstoring niet voorkomen kan worden, dient een ontheffing van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd.

Tabel 4 ‐ Te verwachten beschermde soorten en aanbevolen inventarisaties Soort/ Soortgroep

Aanvullend onderzoek

Onderzoeksperiode

Algemene broedvogels

Nesten, indien niet buiten het broedseizoen gewerkt wordt

Binnen de periode maart ‐ augustus

Gierzwaluw

Nesten

1 juni t/m 15 juli

Huismus

Nesten en functioneel leefgebied

1 april t/m 20 juni

Roofvogels en uilen

Nesten en roestlocatie

1 februari t/m 31 augustus

Vleermuizen

Zomer‐ en kraamverblijfplaatsen

15 mei t/m 15 juli

Vleermuizen

Massawinterverblijfplaatsen

1 augustus t/m 10 september

Vleermuizen

Paarverblijfplaatsen en zwermplaatsen

15 augustus t/m 1 oktober

Vleermuizen

Winterverblijfplaatsen

1 december t/m 28 februari

Conclusie Het aspect ecologie vormt op het gebied van gebiedsbescherming geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Voor soortenbescherming is een ecologische quickscan uitgevoerd door onderzoeksbureau E.C.O.‐logisch. Hieruit blijkt dat aanvullend onderzoek benodigd is voor gestart kan worden met de werkzaamheden. Daarom dient bij aanvraag van een sloop‐ of bouwvergunning aangetoond te worden dat aanvullend onderzoek uitgevoerd is naar (eventuele verblijfplaatsen van) beschermde soorten en daaruit voortkomende maatregelen genomen zijn.

48/123

4.11 Milieueffectrapportage Toetsingskader In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer‐plichtig, projectmer‐plichtig of mer‐beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG‐richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:  de kenmerken van de projecten;  de plaats van de projecten;  de kenmerken van de potentiële effecten. Onderzoek en conclusie Er is geen sprake van een activiteit genoemd in het Besluit m.e.r. Omdat het plan niet als een 'stedelijk ontwikkelingsproject' zoals bedoeld in het Besluit m.e.r. wordt gezien is een vorm‐vrije m.e.r.‐beoordeling en m.e.r.‐beoordelingsbesluit niet nodig.

49/123

50/123

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische planbeschrijving

Algemeen

In dit hoofdstuk wordt de bestemmingsplanregeling nader toegelicht. Bij het opstellen van het plan is aansluiting gezocht bij de planregels van het bestemmingsplan Landelijk Gebied, waar het plangebied voorheen in opgenomen was. De regels zijn daarnaast conform de standaarden Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012), de Praktijkrichtlijn Bestemmingsplannen (PRBP2012) en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten (STRI2012). Hiermee wordt de rechtsgelijkheid en de uniformiteit binnen de gemeentelijke dan wel landelijke bestemmingsplannen gediend.

5.2

Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd voor zover deze begrippen van het 'normale' spraakgebruik afwijken of een specifiek juridische betekenis hebben. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan zal moeten worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Artikel 2 Wijze van meten Het onderhavige artikel geeft aan hoe hoogte‐ en andere maten, die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.

5.3

Bestemmingsregels

Artikel 3 Agrarisch met waarden Dit bestemmingsplan kent één agrarische bestemming. Binnen deze bestemming is het uitoefenen van een grondgebonden veehouderijbedrijf zoals genoemd in artikel 1 lid 1.6 onder b toegestaan rekening houdend met behoud en herstel alsmede instandhouding van de voorkomende visueel‐ruimtelijke kwaliteit, zoals beschreven in Bijlage 1 van de planregels en behoud en herstel van de voorkomende natuurlijke waarden. Naast gebruik voor grondgebonden veehouderij is ter plaatse van de functieaanduiding 'bomenteeltbedrijf' tevens het gebruik ten behoeve van een bomenteeltbedrijf toegestaan. Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Op de gronden met de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ is een vergunningenstelsel van kracht met het oog op de te beschermen waarden. Door middel van regels wordt het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning, bepaalde werken, voor zover geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, die een aantasting van de landschappelijke en/of natuurlijke

51/123

waarden, dan wel de cultuurhistorische waarde betekenen. Dit vergunningenstelsel is niet van toepassing voor werken en werkzaamheden binnen het bouwvlak. Wijzigingsbevoegdheid Naast afwijkingsregels zijn er ook wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Deze wijzigingsbevoegdheden zijn opgenomen voor ontwikkelingen, waarvoor een zwaarder afwegingskader geldt dan bij afwijken. Daarnaast gaat een wijzigingsbevoegdheid gepaard met een aanpassing van de verbeelding. Dit bestemmingsplan kent de volgende wijzigingsbevoegdheid:  ten behoeve van de wijziging naar de bestemming Natuur. Artikel 4 Bedrijf De bestemming ‘Bedrijf’ is toegekend aan alle niet‐agrarische bedrijven. Voor de bestemming ‘Bedrijf’ is gebruikgemaakt van een zogenaamde Staat van Bedrijfsactiviteiten (milieucategorieën) (SvB). Verwezen wordt naar Bijlage 3 van de regels. Er gelden binnen deze bestemming bouwregels voor bedrijfsgebouwen en andere bouwwerken binnen het bouwvlak. Met een omgevingsvergunning kan afgeweken worden van de geldende bouwregels voor het vergroten van bestaande bedrijfsgebouwen. De voorwaarden hiervoor zijn opgenomen in de afwijkingsbevoegdheid. Voor bedrijven die de bedrijfsvoering beëindigen is door middel van een wijzigingsbevoegdheid de mogelijkheid opgenomen voor een vervolgfunctie. Artikel 5 Wonen Burgerwoningen in het plangebied hebben de bestemming 'Wonen' gekregen.

Binnen deze bestemming staat het wonen centraal. Naast wonen mag onder voorwaarden ook in de woning worden gewerkt in de vorm van aan‐huisgebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten aan huis. Het maximum oppervlak van deze activiteiten bedraagt de vloeroppervlakte van de betrokken bijgebouwen. Voor deze woning is de precieze locatie van de woning vastgelegd met een bouwvlak. Binnen deze bouwvlakken zijn de hoofdgebouwen toegestaan. Voor bijbehorende bouwwerken geldt in het landelijk gebied: 20% van de bijbehorende gronden tot maximaal 100 m2. Bijbehorende bouwwerken mogen alleen in het bestemmingsvlak, al dan niet binnen het bouwvlak, worden gebouwd. In de planregels is in de woonbestemming naast de algemene afwijkingsregels een afwijkingsregel opgenomen ten behoeve van woningsplitsing grote panden. Artikel 6 Waarde ‐ Archeologie ‐ Hoge verwachting, Artikel 7 Waarde ‐ Archeologie ‐ Middelhoge verwachting In deze artikelen is de bescherming van de archeologische waarde van gronden in het plangebied geregeld met een zogenoemde dubbelbestemming. Hierin is nadrukkelijk gesteld dat gebouwen (die op basis van de bestemmingen mogelijk zijn) op gronden met een archeologische verwachtingswaarde, ter bescherming van die waarden, moeten worden gebouwd binnen de bebouwingsgrenzen. Voorts is een groot aantal werken en werkzaamheden opgenomen.

Voor het verlenen van een vergunning dient advies te worden ingewonnen bij een ter zake deskundige. De dubbelbestemmingen met betrekking tot archeologie zijn opgesteld op basis van de beleidskaart archeologie Soest.

52/123

Hierop zijn gebieden met een verschillende archeologische verwachtingswaarde en het beleid ten aanzien van deze gebieden weergegeven.

5.4

Algemene regels

Artikel 8 Antidubbeltelregeling Dit artikel bevat een algemene regeling, waarmee kan worden voorkomen, dat er in feite meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogt, bijvoorbeeld ingeval (onderdelen van) bouwvlakken van eigenaars verschillen. De regeling is met name van belang met het oog op woningbouw. Deze bepaling is afkomstig uit het Besluit ruimtelijke ordening. Artikel 9 Algemene bouwregels  Overschrijding bouwgrenzen Om te voorkomen, dat kleine ontwikkelingen leiden tot het volgen van aparte procedures, is in dit lid opgenomen, dat voor bepaalde ontwikkelingen de bouwgrenzen overschreden mogen worden.  Bestaande maten Met deze regeling wordt voorkomen, dat bestaande situaties, die afwijken van de maatvoering ingevolge hoofdstuk 2 van de regels – onbedoeld – geheel of gedeeltelijk onder het overgangsrecht van dit bestemmingsplan vallen.  Onderkeldering van gebouwen In dit lid worden regels gesteld aan onderkeldering van gebouwen.  Ondergrondse parkeervoorzieningen In dit lid worden regels gesteld aan het ondergronds bouwen van parkeervoorzieningen. Artikel 10 Algemene gebruiksregels Dit artikel bepaalt welke vormen van gebruik als strijdig met het bestemmingsplan moeten worden aangemerkt. Artikel 11 Algemene afwijkingsregels Dit artikel voorziet in een limitatief aantal situaties waarvoor van het bestemmingsplan afgeweken kan worden.

Het gaat veelal om kleinschalige afwijkingen in maatvoering of om ondergeschikte bouwdelen. Het bestemmingsplan geeft eveneens de mogelijkheid om in een woning een kangeroewoning toe te staan. Een kangeroewoning maakt deel uit van een grotere woning, maar is als zelfstandige wooneenheid aan te merken en vormt daarmee fysiek één geheel. Artikel 12 Algemene wijzigingsregels Er is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor geringe overschrijdingen van bestemmingsgrenzen en om dit bestemmingsplan te wijzigen als ‐een wijziging van‐ de Beleidsnota parkeernormen en parkeerfonds opnieuw door de gemeenteraad is vastgesteld.

53/123

Artikel 13 Overige regels Hierin is geregeld dat voor de wettelijke regelingen waarnaar in de regels wordt verwezen, deze gelden zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan.

5.5

Overgangs‐ en slotregels

Artikel 13 Overgangsregels  Overgangsrecht bouwwerken Het overgangsrecht ten aanzien van bouwen is in dit lid vastgelegd. Uitbreiding van de bebouwing, die onder het overgangsrecht valt is slechts mogelijk met afwijking van het bevoegd gezag.  Overgangsrecht gebruik Het betreft de overgangsbepaling met betrekking tot gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken, voor zover dat gebruik afwijkt van dit bestemmingsplan op het moment, dat dit rechtskracht verkrijgt. Artikel 14 Slotregel Dit artikel geeft aan onder welke naam dit bestemmingsplan kan worden aangehaald.

54/123

Hoofdstuk 6 6.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

Voor de onderhavige ontwikkeling worden de proceskosten en de ontwikkelingskosten en het risico op planschade gedragen door de initiatiefnemende partij. Er zijn geen bijzondere kosten voor de aanleg van ontsluitingen, kabels en leidingen. Om de genoemde kosten te dekken wordt tussen de gemeente Soest en de initiatiefnemende partij een overeenkomst gesloten. De economische uitvoerbaarheid is daarmee aangetoond en de gemeentelijke kosten zijn op deze manier afgedekt.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Initiatiefnemers hebben in het kader van participatie hebben de omgevings geinformeerd over het verzoek dat het verzoek dat voorligt. De familie is met het inrichtingsplan (in concept naar aanleiding van de onderstaande door gemeente aangedragen aandachtspunten) langs de buren geweest in het kader van de participatie. Hiervan is een verslag opgesteld en de individuele reacties zijn verzameld (zie Bijlage 7). Algemeen beeld leert dat er geen weerstand is tegen voorgenomen ontwikkeling. Conform de Wet ruimtelijke ordening wordt het ontwerp van het bestemmingsplan gedurende zes weken voor een ieder ter inzage gelegd. In deze periode heeft een ieder de gelegenheid een zienswijze op het plan in te dienen.

55/123

56/123

BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING

Bijlage 1 Inrichtingstekening op schaal

P P

P

P

P

P

P

P

P

P

P

Zandla

P

P

P

P

an

P

P

P

P

P

P

P

P P P

P

P P

P

P

P P

P

P P

P

P

P

P P P

P P

P

P

P

P P

P

P

P

P

P

P

P

P P

P

P P

P

P

P

P P P P P

P

P P

P

P

P P P

P P

P P

P P P P

P

P

P

P

P

P

P

P

P

P

P

P

P

P

P

P

P

P

Enkelbestemmingen Agrarisch met waarden

P

P

P

P

P

P

P

P

P

P

P

P

P

P

P

Bedrijf

P

P

P

P

P

P

P

P

P P

P

P

P

P

P

P

P

P

P

Wonen

P

P

P

P

P

P

P

P

P

P

P

P

P

P

P

P

P

Inrichting Bebouwing

P

P

P

P

P

P

P

P

P

Haag

P

P

P

P

P

P

P

P

P

P

Verharding

P

P

P

P

P

Houtsingel P

P

P

P

P

P

P

P

P

P

P

Parkeren

P

P

P

P

P

P

P

P

P

P

P

P

P

P

P

P

P

P

GEMEENTE SOEST Birkstraat 144, Soest

P

P

P

P

P

Inrichtingsplan

P

P

P

P

P

P

P

P

P

P P

P

P

P

P

P

P

P

P P

P

P

PROJECT

20220312

FORMAAT

A0

SCHAAL

1:200

Vastgesteld

KAART

1/1

Ontwerp

GETEKEND

F. Jansen

Voorontwerp

P

P

P

P

P

P

P

P

P

P

P P

P

P

P

20

IDN

P

10

Concept

21-11-2022

P

0

P

P

P

P

Meters

RHO ADVISE RS

info@rho.nl www.rho.nl

N

Bijlage 2 V‐stack berekening 2018

Gegenereerd op: 25-10-2018 met V-STACKS Vergunning versie 2010 (c) KEMA Nederland B.V.

Naam van de berekening: Nog niet bekend Gemaakt op: 25-10-2018 Rekentijd:

9:42:21

0:00:01

Naam van het bedrijf: Birkstraat 142

Berekende ruwheid: 0,49 m Meteo station: Eindhoven

Brongegevens: Volgnr.

BronID

X-coord.

Y-coord.

EP Hoogte

Gem.geb. hoogte

EP Diam.

EP Uittr. snelh.

E-Aanvraag

1

ep 1

151 583

463 365

1,5

4,9

2,70

1,00

4 517

Geur gevoelige locaties: Volgnummer

GGLID

Xcoordinaat

Ycoordinaat

Geurnorm

Geurbelasting

2

Birkstraat 144

151 615

463 320

14,0

6,6

3

A

151 578

463 338

14,0

15,3

4

B

151 574

463 338

14,0

15,4

5

C

151 573

463 334

14,0

13,0

Gegenereerd op: 25-10-2018 met V-STACKS Vergunning versie 2010 (c) KEMA Nederland B.V.

Bijlage 3 Bodemonderzoek

RAPPORT Verkennend bodem- en asbestonderzoek Birkstraat 144 te Soest

Opdrachtgever

:

Aannemingsbedrijf Nico Strumpel Turfstreek 227 3766 HW SOEST

Projectnummer

:

22KL067

Datum

:

28 maart 2022

Auteur

:

ing. R.J. Wijma

Paraaf

:

Controleur

:

Paraaf

:

Projectleider

:

ing. F.M. Bouma

J. Riemersma

Klijn Bodemonderzoek B.V. EG-Weg 1, 9636 HX Zuidbroek Telefoon 0598 – 23 20 35 Email info@klijnbodemonderzoek.nl Internet www.klijnbodemonderzoek.nl

2

INHOUD

Rapport 22KL067 BLAD

1.

INLEIDING 1.1. Algemeen 1.2. Opbouw

3 3 3

2.

VOORONDERZOEK 2.1. Algemeen 2.2. Ligging onderzoekslocatie 2.3. Historisch en huidig gebruik 2.4. Belendende percelen en omgeving onderzoekslocatie 2.5. Bodemonderzoek 2.6. Bodemkwaliteitskaart 2.7. Toekomstig gebruik van het terrein 2.8. Financieel/juridisch 2.9. Regionale opbouw en geohydrologie 2.10. Onderzoekshypothese

3 3 4 5 5 6 6 6 6 6 7

3. 4.

ONDERZOEKSPROGRAMMA BODEMGEGEVENS 4.1. Bodemgesteldheid en zintuiglijke waarnemingen 4.2. Samenstelling grondmengmonsters 4.3. Concentratieberekening plaatmateriaal

5. 5.1. 5.2. 5.3. 5.4. 5.5. 6.

RESULTATEN METINGEN EN CHEMISCHE ANALYSES Meetgegevens grondwater Toetsingskader Analyseresultaten verkennend asbestonderzoek NEN 5707 Analyseresultaten verkennend bodemonderzoek NEN 5740 Toelichting analyseresultaten

SAMENVATTING EN CONCLUSIES 6.1. Samenvatting 6.2. Conclusies en aanbevelingen 6.3. Slotopmerking

BIJLAGEN 1

Ligging van de locatie en kadastrale kaart

2

Boorprofielen en legenda

3

Analyserapporten

4

Toetsingstabellen

5

Overzicht posities monsternamepunten

6

Foto's

8 9 9 10 10 11 11 12 13 13 15 17 17 18 19

3

Rapport 22KL067

1.

INLEIDING

1.1.

Algemeen In opdracht van Aannemingsbedrijf Nico Strumpel is door Klijn Bodemonderzoek B.V. een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd op de locatie Birkstraat 144 te Soest. De aanleiding tot het verkennend bodem- en asbestonderzoek vormt de voorgenomen bestemmingswijziging en de aanvraag van een omgevingsvergunning in verband met de geplande bouwaanvraag en op het perceel. Het doel van het verkennend bodem- en asbestonderzoek is het verkrijgen van een indicatie van de kwaliteit van de grond en het ondiepe grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie. Klijn Bodemonderzoek B.V. is gecertificeerd volgens “NEN-EN-ISO 9001:2015”, voor het uitvoeren van milieukundig bodemonderzoek, inclusief partijkeuringen conform het Besluit Bodemkwaliteit en tevens volgens de “Beoordelingsrichtlijn voor het procescertificaat Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek SIKB 2000, protocollen 2001, 2002, 2003 en 2018”. Met betrekking tot onderhavig onderzoek verklaart Klijn Bodemonderzoek B.V. op geen enkele wijze in organisatorische, financiële of personele zin, betrokkenheid te hebben met de activiteiten van de opdrachtgever. De achterliggende gedachte hierbij is dat er geen “eigen” grond wordt onderzocht.

1.2.

Opbouw In het voorliggende rapport komen de volgende aspecten aan de orde:  vooronderzoek  onderzoeksprogramma  bodemgegevens  metingen en chemische analyses  samenvatting, toetsing van de gekozen onderzoekshypothese, conclusies en aanbevelingen

(hoofdstuk 2); (hoofdstuk 3); (hoofdstuk 4); (hoofdstuk 5); (hoofdstuk 6).

2.

VOORONDERZOEK

2.1.

Algemeen Ten behoeve van het bodemonderzoek is een standaard vooronderzoek conform de NEN 5725 (2017) ‘Uitvoeren van een milieuhygiënisch vooronderzoek’ uitgevoerd. In het vooronderzoek wordt informatie verzameld over het vroegere en huidige gebruik van het terrein. Het onderzoek is gericht op het vinden van mogelijke bronnen van bodembelasting. Evenals het verzamelen van informatie over het toekomstige gebruik, bodemopbouw, geohydrologie en financieel/juridische aspecten. Op basis van de verzamelde gegevens kan een totaalbeeld worden gevormd en conclusies worden getrokken over de afbakening van het geografische besluitvormingsgebied, de afbakening van de onderzoekslocatie voor het bodemonderzoek, de onderverdeling van de onderzoekslocatie voor het bodemonderzoek in deellocaties en de te hanteren onderzoekshypothese per deellocatie. De verzamelde informatie is opgesplitst in de volgende categorieën: o ligging onderzoekslocatie (paragraaf 2.2) o historisch en huidig gebruik (paragraaf 2.3) o belendende percelen en omgeving onderzoekslocatie (2.4) o bodemonderzoek (2.5) o bodemkwaliteitskaart (2.6) o toekomstig gebruik (2.7) o financieel/juridisch (2.8) o bodemopbouw en geohydrologie (2.9) o onderzoekshypothese (2.10)

4

Rapport 22KL067

Ter verkrijging van de benodigde informatie zijn onderstaande bronnen geraadpleegd:  Locatie-inspectie (d.d. 11 maart 2022);  Informatie opdrachtgever;  Gemeente Soest (d.d. 1 maart 2022);  Internetsite bodeminformatie (https://bodemloket.nl);  Internetsite Dinoloket (https://dinoloket.nl);  Internetsite Basisregistratie Adressen en Gebouwen (https://bagviewer.kadaster.nl);  Luchtfoto Google Earth;  Grondwaterkaart van Nederland;  Topografische Atlas van Nederland (2002);  Internetsite Tijdreis, historisch kaartmateriaal van ca. 1815 tot heden (https://topotijdreis.nl);  Kadastrale kaart. Voorafgaand aan de veldwerkzaamheden zijn bovenstaande bronnen geraadpleegd en is door Klijn Bodemonderzoek een locatie-inspectie uitgevoerd. Tijdens de locatie-inspectie is onder andere gelet op verdachte plekken (zoals verkleuringen, brandplekken, olieopslag etc.), asbest op of in de bodem, asbestbeschoeiingen, verzakkingen en ophogingen. 2.2.

Ligging onderzoekslocatie Het perceel ligt aan de Birkstraat 144 te Soest en is kadastraal bekend als Gemeente Soest, sectie C, nr. 2509, 4400 en 4405. De onderzoekslocatie betreft de gehele kadastrale percelen en heeft een oppervlakte van 8.578 m2. De locatie bevindt zich aan de zuidoostzijde van het stadscentrum binnen de bebouwde kom van Soest. In figuur 1 is een luchtfoto te zien van de onderzoekslocatie en directe omgeving. Figuur 1: Luchtfoto onderzoekslocatie en omgeving

In de omgeving van de onderzoekslocatie bevinden zich voornamelijk bedrijfsterreinen, een sportcomplex en een camping (landelijk gebied).

Rapport 22KL067

5

Voor een topografisch overzicht van de locatie en omgeving verwijzen wij naar de tekening in bijlage 1, een tekening van de locatie is weergegeven in bijlage 5. 2.3.

Historisch en huidig gebruik De gehele locatie, tevens onderzoekslocatie aan de Birkstraat 144 te Soest, heeft een oppervlakte van circa 8.578 m². Het terrein is momenteel bebouwd met een woonhuis en diverse loodsen/schuren. Volgens de internetsite Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) is het woonhuis gerealiseerd in 1917. De schuren/loodsen zijn gerealiseerd volgens het BAG in 1917 en 1961. Op de locatie was een landbouwproductengroothandel en machinereparatiebedrijf gevestigd. Door de opdrachtgever is aangegeven dat er geen opslag met olie en/of bestrijdingsmiddelen hebben plaatsgevonden. Ter plaatse van de loods zouden enkel enige laswerkzaamheden hebben plaats gevonden. Het onbebouwde achter terrein was tot 2016/2017 in gebruik als kwekerij voor kerstbomen. Onbekend is wanneer de activiteiten zijn gestart. Na deze activiteiten is het terrein ingericht voor opslag van diverse materialen zoals hout en sierbestrating. Tevens si een fietsenzaak actief op het perceel. Deze bedrijfsmatige activiteiten zijn door het bevoegd gezag bestempeld als illegaal en niet in overeenstemming met het huidige bestemmingsplan. De activiteiten van een houtverwerkingsbedrijf, sierbestratingsbedrijf en een fietsenzaak zijn gestopt omstreeks 2019. Sinds die tijd is het achter terrein braakliggend. Naast de woning bevindt zich de inrit welke verhard is middels klinkers.

Aan de achterzijde en de zuidzijde van de woning bevindt zich de tuin. Ter plaatse van kadastraal perceel Gemeente Soest, sectie C, nr. 2509 is tevens sprake van een klinker verharding. Het woonhuis is bekleed middels dakpannen. De schuur aan de zuidzijde van de woning is bekleed middels asbestverdachte golfplaten. Aan de noordzijde is een loods bekleed middels stalen golfplaten. Uit beeldmateriaal blijkt dat een gedeelte tevens is bekleed middels asbestverdachte golfplaten. Uit telefonisch overleg met de opdrachtgever is gebleken dat de golfplaten asbesthoudend zijn. Aan de noordelijke schuur bevindt zich geen dakgoot. Hierdoor is de druppelzone onder de dakgootlijn verdacht op de aanwezigheid van asbest in de bodem. Aan de zuidelijke schuur met asbestverdachte golfplaten is wel een functionerende dakgoot aanwezig. Verder is door de opdrachtgever aangegeven dat de golfplaten in de toekomst zullen worden verwijderd. Uit de informatie, welke is verkregen uit het historisch onderzoek conform NEN 5725, is tevens gebleken dat over de aanwezigheid van onder- of bovengrondse opslagtanks of in het verleden uitgevoerde dempingen geen gegevens bekend zijn. Tevens is niet bekend of op de onderzoekslocatie in het verleden een bodemonderzoek is uitgevoerd.

Op de locatie is, voor zover bekend, geen sprake van (voormalige) puntbronnen en zijn er geen gegevens bekend over eventuele uitgevoerde verdachte (bodembedreigende) activiteiten op het perceel die de milieuhygiënische kwaliteit van grond en grondwater nadelig kunnen hebben beïnvloed.

2.4.

Belendende percelen en omgeving onderzoekslocatie De directe omgeving van de onderzoekslocatie bestaat uit: - Noordzijde: bedrijfsterrein - Oostzijde: sportcomplex - Zuidzijde: bedrijfsterrein - Westzijde: camping De activiteiten die plaatsvinden en/of plaats hebben gevonden op de belendende percelen worden weergegeven in tabel 1. Tabel 1: Activiteiten die plaatsvinden / plaats hebben gevonden op de belendende percelen Adres

Historische activiteit

Periode

Birkstraat 136

Stortplaats huishoudelijk afval op land

onbekend

Vooralsnog wordt niet verwacht dat de activiteiten van de belendende percelen een nadelige invloed hebben gehad op de bodemkwaliteit van onderhavige onderzoekslocatie.

Rapport 22KL067

6

2.5.

Bodemonderzoek Voor zover bekend is er niet eerder een bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de onderzoekslocatie. Birkstraat 136 Ter plaatse van de Birkstraat 136 is in ter plaatse van de stortplaats onderzoek verricht door Sigma Bouw en Milieu kenmerk 02-M1631, d.d. 21 augustus 2003. Plaatselijk zijn puin, metaal, plastic en glasresten waargenomen in de bovengrond. In de bovengrond zijn sterk verhoogd gehalten aan koper en zink geconstateerd. Daarnaast zijn naast licht verhoogde gehalten aan cadmium, nikkel, PAK, EOX en minerale olie een matig verhoogd gehalte aan lood geconstateerd. In de ondergrond zijn licht verhoogde gehalten aan minerale olie en PAK geconstateerd. In het grondwater zijn licht verhoogde gehalten aan chroom, koper, zink en naftaleen geconstateerd. De sterk verhoogde gehalten koper en zink en matig verhoogde gehalte aan lood ter hoogte van huisvuilstortplaats B, dienen nader onderzocht te worden in een aanvullend onderzoek. In 2004 is hierop een nader onderzoek uitgevoerd door Sigma Bouw en Milieu met kenmerk 03M1990, d.d. 20 januari 2004. Zintuiglijk is in de bovengrond een bijmenging met huisvuil aangetroffen. In de bovengrond zijn sterk verhoogde gehalten aan cadmium, koper, lood, zink en minerale olie aangetoond. Verder zijn er licht verhoogde gehalten aan kwik, nikkel, PAK en EOX aangetoond.

In de ondergrond is een licht verhoogd gehalte aan zink geconstateerd. Er bestaat een duidelijke relatie tussen de aanwezigheid van (huis)vuilresten en het verhoogd voorkomen van de onderzochte componenten. Naar verwachting is er geen sprake van een sterke verontreiniging > 25 m3, waardoor het geen ernstig geval is. De verontreiniging is ook niet urgent. Gezien de afstand van de stortplaats tot onderhavig onderzoekperceel wordt niet verwacht dat de activiteiten een nadelige invloed hebben gehad op de bodemkwaliteit van onderhavige onderzoekslocatie.

2.6.

Bodemkwaliteitskaart Uit gemeentelijke informatie is gebleken dat de bovengenoemde locatie binnen zone B1 en O1 (industrie 1960-heden en oude lintbebouwing) van de gemeentelijke bodemkwaliteitskaart ligt. In deze zone worden in de bovengrond gemiddeld licht verhoogde gehalten aan PAK aangetroffen. In de ondergrond worden gemiddeld geen verhoogde gehalten boven de achtergrondwaarden verwacht. Op basis van de 95-percentielwaarden kunnen in de boven- en ondergrond maximaal industriewaarden worden verwacht.

2.7.

Toekomstig gebruik van het terrein De bestemming van de onderzoekslocatie zal worden gewijzigd. Het voornemen is om de huidige bestemming te wijzigen.

2.8.

Financieel/juridisch Op het perceel hebben, voor zover bekend, geen calamiteiten plaatsgevonden waarbij de bodem verontreinigd is geraakt.

2.9.

Regionale opbouw en geohydrologie De regionale bodemopbouw ter plaatse van de onderzoekslocatie is weergegeven in tabel 2. Tabel 2: Regionale bodemopbouw diepte m-mv

doorlatendheid

formatie

opmerking

0-7 7 - 26 26 - 44 44 - +

matig matig/goed goed goed

Formatie van Drente Formatie van Peelo Gestuwde afzettingen Formatie van Sterksel

Midden, fijn en zand, spore klei en veen Midden, fijn en grof zand, zandige klei Grof en midden zand Grof en midden zand

7

Rapport 22KL067

Het maaiveld ter plaatse van de onderzoekslocatie ligt op ca. 5,8 m+ NAP. De regionale stromingsrichting van het diepe grondwater is vermoedelijk in noordelijke richting. De stromingsrichting van het freatisch grondwater wordt voornamelijk beïnvloed door de aanwezigheid van sloten en watergangen. De stromingsrichting van het freatisch grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie is onbekend 2.10.

Onderzoekshypothese Verkennend bodemonderzoek NEN 5740 Conform de aanpak van de NEN 5740 dient, voorafgaand aan de uitvoering van het veld- en laboratoriumonderzoek, op basis van de verkregen informatie een hypothese te worden opgesteld. Het betreft hierbij een aanname met betrekking tot het al dan niet aanwezig zijn van bodemverontreiniging op de te onderzoeken locatie. Kadastrale percelen Op basis van de gestelde informatie met betrekking tot de historie en het huidige gebruik van de onderzoekslocatie, wordt de onderzoekslocatie beschouwd als “niet-verdacht” ten aanzien van bodemverontreiniging. Bij onverdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem niet verontreinigd is met stoffen in concentraties boven de achtergrondwaarde (grond) en/of de streefwaarde (grondwater). Voor het toetsen van bovenstaande hypothese is de onderzoeksstrategie “onverdacht” uitgevoerd. Deze strategie is verder uitgewerkt in hoofdstuk 3. Druppelzone schuur Op basis van de gestelde informatie met betrekking tot de historie en het huidige gebruik van de onderzoekslocatie, wordt de onderzoekslocatie beschouwd als “verdacht” ten aanzien van bodemverontreiniging met PCB. Bij verdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem verontreinigd is met stoffen in concentraties boven de achtergrondwaarde (grond).

Voor het toetsen van bovenstaande hypothese is de onderzoeksstrategie “verdacht” uitgevoerd. Deze strategie is verder uitgewerkt in hoofdstuk 3. Verkennend asbestonderzoek NEN 5707 Druppelzone schuur Het verkennend asbestonderzoek is uitgevoerd volgens de NEN 5707. Op basis van de verkregen informatie met betrekking tot de historie en het huidige gebruik van de onderzoekslocatie, wordt de onderzoekslocatie (druppelzone) beschouwd als “verdachte” locatie ten aanzien van bodemverontreiniging met asbest in de toplaag. Bij verdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem verontreinigd is met asbest in concentraties boven de grenswaarde of het geldende achtergrondgehalte. Waarbij geldt dat nader onderzoek dient plaats te vinden bij concentraties boven de 0,5 maal de interventiewaarde (0,5 x 100 mg/kg ds. = 50 mg/kg ds.). Voor het toetsen van bovenstaande hypothese is de onderzoeksstrategie “asbest onverdacht met een verdachte toplaag” uitgevoerd. Deze strategie is verder uitgewerkt in hoofdstuk 3. Op basis van het vooronderzoek wordt de onderzoekslocatie onderverdeeld in twee deellocaties: 1. Kadastrale percelen (8.578 m2), 2. Druppelzone schuur (ca. 20 m²).

Rapport 22KL067

8

3.

ONDERZOEKSPROGRAMMA Ten behoeve van dit onderzoek is een programma voor veld- en laboratoriumwerk opgesteld. Verkennend bodemonderzoek NEN 5740 Kadastrale percelen De onderzoeksopzet is gebaseerd op de Nederlandse Eindnorm voor verkennend bodemonderzoek ((NEN 5740 versie januari 2009, inclusief correctieblad A1 van februari 2016) voor een onverdachte locatie (ONV-NL). Volgens de NEN 5740 wordt de eerdergenoemde hypothese aanvaard indien in de grond en/of het freatisch grondwater geen concentraties van onderzochte parameters worden aangetroffen boven de achtergrond- of streefwaarden. Druppelzone schuur De onderzoeksopzet is gebaseerd op de Nederlandse Eindnorm voor verkennend bodemonderzoek (NEN 5740 versie januari 2009, inclusief correctieblad A1 van februari 2016) waarbij de onderzoeksstrategie voor verdachte locaties met een plaatselijke bodembelasting met een duidelijke verontreinigingskern (VEP) is gehanteerd. De toplaag ter plaatse van de druppelzone is mogelijk verontreinigd met PCB’s. Volgens de NEN5740 wordt de eerdergenoemde hypothese aanvaard indien in de grond ter plaatse van de druppelzone een verhoogd gehalte aan PCB wordt aangetroffen.

Verkennend asbestonderzoek NEN 5707 Druppelzone schuur De onderzoeksopzet ten behoeve van het verkennend asbest onderzoek is gebaseerd op de Nederlandse Eindnorm voor verkennend asbestonderzoek in grond (NEN 5707, paragraaf 6.4.4) voor verdachte toplaag met plaatselijke bodembelasting met duidelijke verontreinigingskern. Volgens de NEN 5707 (versie augustus 2015, inclusief correctieblad C2 van december 2017), het verkennend asbest onderzoek, wordt de eerdergenoemde hypothese aanvaard indien ter plaatse in de grond concentraties aan asbest worden aangetroffen boven de grenswaarde dan wel onder 0,5 maal de interventiewaarde. Het veldonderzoek is uitgevoerd volgens de SIKB Beoordelingsrichtlijn voor Veldwerk bij Milieuhygiënisch Bodemonderzoek (BRL SIKB 2000) en de Nederlandse Normen en Praktijk Richtlijnen (NEN en NPR) van het Nederlands Normalisatie-Instituut. De verrichte veldwerkzaamheden en chemische analyses zijn weergegeven in tabel 3. Tabel 3: Verrichte veldwerkzaamheden en chemische analyses (deel-)locatie

oppervlakte m2

monsternamepunten1)4)

Chemische analyses grond2)5) grondwater3)5)

Kadastrale percelen, boringen 1 t/m 20

8.578

14 boringen tot 0,5 m-mv 4 boringen tot 2,0 m-mv 2 boringen met peilbuis

3 x NEN-bovengrond inclusief OCB 2 x NEN-ondergrond inclusief OCB

2 x NEN-grondwater Inclusief OCB

Druppelzone schuur, inspectiegaten 101 t/m 104

20

4 inspectiegaten tot 0,1/0,18 m-mv

1 x asbest in grond 1 x SEM analyse 1 x PCB

n.v.t.

1) m-mv = meter minus maaiveld 2) NEN-grond =

zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Pb, Mo, Ni en Zn); PCB’s; minerale olie (GC); PAK -VROM vluchtige aromaten (benzeen, tolueen, ethylbenzeen, xylenen, naftaleen en styreen) ; minerale olie (GC); vluchtige organische halogeenverbindingen 4) inspectiegaten = minimaal 0,3 m bij 0,3 m 5) OCB = Organochloor bestrijdingsmiddelen, 24 verbindingen GC/MS (waaronder DDT en drins) 3) NEN-grondwater = zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Pb, Mo, Ni en Zn);

9

Rapport 22KL067

De posities van de monsternamepunten zijn in bijlage 5 weergegeven. Gezien het feit er op het perceel kwekerij activiteiten hebben plaatsgevonden zijn de grond- en grondwatermonsters naast de parameters van het NEN pakket tevens geanalyseerd op de parameters van het OCB pakket. De chemische analyses zijn conform het AS3000 protocol uitgevoerd door het milieulaboratorium van AL-West B.V. te Deventer. AL-West B.V. beschikt over een accreditatie volgens NEN-ENISO 17025.

4.

BODEMGEGEVENS

4.1.

Bodemgesteldheid en zintuiglijke waarnemingen Ten behoeve van het onderzoek is op 11 maart 2022 een veldonderzoek uitgevoerd door J.A. Post (erkend monsternemer volgens certificaat K44009). Het opgeboorde materiaal is in het veld beoordeeld op textuur, (afwijkende) kleuren en zintuiglijk waarneembare verontreinigingen. De bemonstering heeft plaatsgevonden conform de NEN5742 en/of NEN5743. Daarnaast is voor de opgeboorde grond een olie-op-water-test gedaan: via dompeling van een met olie verontreinigd grondmonster in water ontstaat er een zichtbare film op het water. De grootte en de kleurschakering hiervan kunnen een indicatie zijn voor de mate van olieverontreiniging. Ten behoeve van het verkennend asbest onderzoek is het opgeboorde materiaal in het veld beoordeeld op textuur, (afwijkende) kleuren en zintuiglijk waarneembare verontreinigingen. Voorafgaand aan de veldwerkzaamheden is op diverse plaatsen op het terrein het vochtpercentage in de bodem bepaald. Uit de metingen bleek een gemiddeld bodemvochtgehalte van 30% waarna is gestart met de werkzaamheden. Tevens is tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden periodiek het vochtgehalte in de bodem bepaald. Tijdens de periodieke metingen is gebleken dat het vochtgehalte niet onder de 10% is gemeten.

Op het maaiveld ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn, op basis van zintuiglijke waarnemingen (terreininspectie), geen asbestverdachte materialen waargenomen. Ten behoeve van het asbestonderzoek zijn de inspectiegaten onder de druppelzone handmatig gegraven (50 bij 50 centimeter tot 0,10/0,18 m-mv). De gaten zijn gelijkmatig verdeeld over de deellocatie. Het onderzoeksgebied bestaat uit één RE. De opgegraven grond uit de gaten is uitgespreid met een maximale laagdikte van 2 cm en geïnspecteerd op asbestverdacht materiaal. De grond is met behulp van een hark uitgeharkt zodat alle delen groter dan 20 mm van het grondmonster worden gescheiden. De inspectie efficiëntie ter plaatse van het maaiveld wordt gesteld op 95% Ter plaatse van de noordzijde. Aan de zuidzijde van de schuur was geen inspectie van het maaiveld mogelijk door de aanwezigheid van een klinkerverharding. Ook zijn er geen andere bijzonderheden in de bodem geconstateerd die kunnen duiden op een verontreiniging in de grond en/of het grondwater. De boorprofielen met veldwaarnemingen zijn opgenomen in bijlage 2.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Soest&id=7ff8de83-069e-4cbf-8a61-bdcd8c499f52