CConstaterende datSoest
Koppel je AI →
Document · PDF

2. Bijlage 1 Bestemmingsplan Birkstraat 134 Soest

Beeldvormende vergadering (Raadzaal) 9 januari 2025, gemeente SoestBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Birkstraat 13419.426 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Hoe aanbeveling verwerkt?

Ja

De perceelsgrenzen blijven behouden.

Het opgaande hout aan de Ja randen van de percelen behouden of versterken

In de bestemming 'maatschappelijk' is een vergunningsplicht opgenomen voor het kappen, vellen of rooien van bomen en opgaande beplanting.

Doorgaans bouwland aan de Behoud het groene karakter Ja voorzijde. In dit geval is hier een villa van het perceel met een landgoedkarakter: het Behoud de groene randen perceel omzoomd met bomenrijen, met bomenrijen een weelderige groene voortuin en Scheiding tussen een meer functionele tuin aan de weelderige groene voortuin achterzijde en een functionelere achtertuin kan inspiratie bieden voor herinrichting van het perceel

Aan de voorzijde blijft de weelderige groene voortuin behouden en de achtertuin wordt gebruikt voor de zorgfunctie ter plaatse. Het groene karakter en de bomen aan de randen van het perceel blijven behouden.

Doorgaans achterste deel van het Behoud de bomenrij perceel doorgaans beplant met een als afscheiding van klein bosperceel. In dit specifieke het perceel geval wel een groene bomenrand ter afscheiding van het perceel

In de bestemming 'maatschappelijk' is een vergunningsplicht opgenomen voor het kappen, vellen of rooien van bomen en opgaande beplanting.

Cultuurhistorische waarden

Aanbeveling

Percelen met afwisselende breedte De perceelgrenzen wel met een regelmatige structuur behouden of herstellen die een planmatigheid in zich heeft Wisselende hoeveelheid opgaand hout langs de randen

40/132

Ja

Bovengemiddelde ruimtelijke kwaliteit in de samenhang tussen bebouwing, openbare ruimte en beplanting

Behoud de ruimtelijke kwaliteit in bebouwing, openbare ruimte en beplanting

Ja

De ontwikkeling vindt plaats op het achtererf van het perceel en heeft geen invloed op het aanzicht van het perceel of de openbare ruimte. De aanwezige beplanting blijft behouden omdat de toekomstige bebouwing gesitueerd wordt op een leeg grasveld dat nu in gebruik is als tuin. Er is in een schetsontwerp aangegeven hoe het perceel ingericht zal worden. De nadere uitwerking van het gebouw vindt in een later stadium plaats.

Kleine schaal van de directe woonomgeving en de grote schaal van het dorp en het landschap zijn mooi met elkaar verweven

Ja

De maximale goot- en bouwhoogte is opgenomen in het bestemmingsplan opgenomen. Daarbij is aangesloten bij de huidige goot- en bouwhoogte zoals opgenomen in het vigerend bestemmingsplan.

Conclusie De cultuurhistorische waarde die ter plaatse aanwezig zijn blijven behouden met de beoogde ontwikkeling. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering.

41/132

4.6

Water

Waterbeheer en watertoets De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap Vallei & Veluwe, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. De initiatiefnemer heeft het waterschap geïnformeerd door gebruik te maken van de Digitale Watertoets. Deze is uitgevoerd op 14 juni 2016. Daaruit kwamen geen aandachtspunten naar voren die aanleiding geven tot nader overleg met het waterschap. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het hoogheemraadschap en de gemeente nader wordt behandeld. Europa:  Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal:  Nationaal Waterplan (NW)  Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW)  Waterwet Provinciaal  Provinciaal Waterplan  Provinciale Structuurvisie  Verordening Ruimte Blauwe Omgevingsvisie 2050 De driedimensionale Blauwe Omgevingsvisie 2050 (BOVI) is de langetermijnvisie van Waterschap Vallei en Veluwe.

Met deze BOVI zet Waterschap Vallei en Veluwe op een geheel nieuwe wijze koers naar een duurzame en waterinclusieve leefomgeving. Daarbij kijkt Waterschap Vallei en Veluwe integraal, grensontkennend, over de grenzen van taken en gebieden heen en werkt vanuit de drie zogenoemde waterprincipes:  Water is een ordenend principe in de ruimtelijke ordening.  Maximaal vasthouden en schoonhouden van water.  Partnerschap als watermerk. Deze principes leiden tot één samenhangende weergave van water in het landschap van Vallei en Veluwe: één kringloop van bron tot monding, door stedelijk en landelijk gebied en van boven- en ondergrond.

42/132

Blauw omgevingsprogramma 2022-2027 Het Blauw Omgevingsprogramma (BOP) is het waterbeheerprogramma van Waterschap Vallei en Veluwe voor de planperiode 2022-2027. Het gebied, de maatschappelijke thema's en samenwerking met partners zijn meer centraal gezet dan in voorgaande waterbeheerprogramma's. Het waterbeheerprogramma is een kerninstrument onder de omgevingswet en bevat naast de verplichte onderdelen van het programma (zoals Kader Richtlijn Water (KRW), Richtlijn Overstromings Risico's (ROR), zwemwaterrichtlijn) ook een niet verplicht deel. Het BOP is daarmee het wettelijk instrument van het waterschap om de doelen voor de middellange termijn vast te leggen. In het BOP worden doelen uit de Blauwe Omgevingsvisie 2050 (BOVI2050) doorvertaald naar gebiedsgerichte doelen. De hoofddoelen van het BOP zijn hieronder kort beschreven.  Waterveiligheid Een zo goed mogelijke bescherming tegen overstromingen volgens de wettelijke normen.  Watersysteem Een toekomstbestendig en klimaatrobuust grond- en oppervlaktewatersysteem, dat passend is ingericht naar de veranderende gebiedswensen.  Wonen en zuiveren Een robuust proces voor het verwerken van extreme neerslag en inzameling van stedelijk en industrieel afvalwater in bebouwd gebied, tot aan het lozen van effluent in het watersysteem.

 Circulaire economie Volledig circulair opereren in 2050 door anders om te gaan met grondstoffen en goed samen te werken met partners en de omgeving.  Energietransitie Het eerste energieneutrale waterschap van Nederland worden om een voorbeeld te zijn op het gebied van de energietransitie. Het plangebied is gelegen in het deelgebied Eemland. Er zijn verschillende integrale opgaven in dit deelgebied. Met partners bouwt Waterschap Vallei en Veluwe aan een veilig en meer natuurlijk Eemland, met balans tussen verstedelijking, landbouw, beschermen en aanvullen van de grondwatervoorraad, recreatie, natuur en water. Gemeentelijk water- en rioleringsplan Baarn en Soest 2018-2022 Het Gemeentelijk water- en rioleringsplan gaat over alle gemeentelijk watertaken (afvalwater, hemelwater en grondwater), het stedelijk oppervlaktewater en de integratie met onze leefomgeving. Het plan beschrijft de achtergronden, het beleid, het programma en de financiën. Ook komen de rollen van gemeente, waterschap, bewoners en bedrijven aan bod. En het plan houdt rekening met recente ontwikkelingen en het pas afgeronde technische onderzoek Basiswaterketenplan. De gemeente zorgt voor het inzamelen en afvoeren of verwerken van stedelijk afvalwater en hemelwater.

Voor zover doelmatig neemt de gemeente maatregelen tegen grondwateroverlast en zorgen ze samen met het waterschap Vallei en Veluwe dat het stedelijke oppervlaktewater schoon, veilig en beleefbaar is. De gemeente zorgt niet overal en niet altijd voor het water. Bewoners en bedrijven moeten zelf voor de voorzieningen op hun perceel zorgen.

43/132

In sommige gebieden en situaties moeten zij het regenwater bergen en verwerken of afvoeren, of zelf maatregelen nemen tegen grondwaterproblemen. In het Gemeentelijk water- en rioleringsplan is aangegeven wat de gemeente doet en waarvoor bewoners en bedrijven zelf verantwoordelijk zijn. Water en riolering zijn van groot belang voor de volksgezondheid en onze leefomgeving. Het grondwater is belangrijk voor bomen, planten, het bodemleven en de drinkwatervoorziening. Het oppervlaktewater draagt bij aan de ruimtelijke kwaliteit en wordt gebruikt voor ontspanning en recreatie. Een gezonde leefomgeving betekent ook een groene en koele leefomgeving. Minder zichtbaar maar zeker zo belangrijk, is de riolering onder de grond. Een goed functionerende riolering is nodig voor de volksgezondheid, een schone leefomgeving en het beperken van wateroverlast. Door de klimaatverandering wordt dit alles nog belangrijker. De gemeente maakt het watersysteem en de riolering duurzaam en robuust, zodat deze de effecten van de klimaatverandering kunnen opvangen. Dit gebeurt in samenhang met andere ingrepen in de (stedelijke) omgeving, waarbij de gemeente kansen benut en effectgericht werkt. De thema's om tot een duurzaam en robuust systeem te komen zijn: 1. Baarn en Soest klimaatbestendig; 2. duurzame afvalwaterketen; 3. bewoners bewust; 4. beleefbaar water; 5. goed beheren; 6. financiën op orde.

Gemeentelijk beleid Omgevingsvisie Voor een gezonde en veilige leefomgeving streven we naar het zo veel mogelijk voorkomen van het contact met afvalwater. We sluiten lozingen van huishoudelijk afvalwater van alle percelen aan op vuilwaterriool of een andere publieke voorziening, zodat er geen ongezuiverd afvalwater in het milieu terecht komt. Het bedrijfsmatig afvalwater wordt ingezameld en verwerkt als er geen sprake is van beïnvloeding van de doelmatige werking van de riolering en zuivering. Als dit wel het geval is, dan worden voorwaarden gesteld aan de lozing op de riolering. We scheiden zoveel mogelijk vuilwater en schoonwater. Zo blijft schoon water schoon. Bij afkoppelen geldt de voorkeursvolgorde (eerst benutten, dan via infiltratie in de bodem, dan directe afvoer naar het oppervlaktewater, dan afvoer via het maaiveld en tenslotte afvoer via een regenwaterriool). In ons streven naar een gezonde leefomgeving dragen wij als gemeente bij aan een watersysteem van goede kwaliteit. Een watersysteem van goede kwaliteit draagt bij aan natuurontwikkeling, landschap en recreatie. Wij richten ons samen met het waterschap op geen achteruitgang in de kwaliteit van het bodem- en (grond)watersysteem, het meer robuust maken van de retentiegebieden en het behalen van de KRW-doelen voor KRWwaterlichamen in 2027.

We willen de waterkwaliteit laten aansluiten op de functie en het recreatieve gebruik (zwemwater, vaarwater, viswater) en we beperken zoveel mogelijk emissie uit de afvalwaterketen naar het watersysteem, voor zover dit op een doelmatig wijze mogelijk is. Voor een doelmatig beheer van de afvalwaterketen en het optimaal functioneren van de zuivering scheiden we vuilwater en schoonwater. Hierdoor vinden overstorten minder vaak plaats en de impact van overstortingen op de waterkwaliteit is kleiner. We passen de best mogelijke techniek toe bij inzamelen en transport afvalwater. Tot slot passen we het principe toe: de vervuiler/initiatiefnemer betaalt.

44/132

De gemeente streeft samen met onze inwoners en bedrijven naar een leefbare omgeving, waarin de negatieve gevolgen van klimaatverandering zo veel mogelijk worden beperkt. Dat betekent dat wij streven naar het beperken van maatschappelijke ontwrichting en schade door extreme weersomstandigheden: Bij korte hevige én bij langdurige neerslag:  Blijven snelwegen, provinciale wegen en andere hoofdroutes zo lang mogelijk toegankelijk.  Zijn overige wegen binnen een uur weer toegankelijk, bij hevige buien  Blijven nooddiensten bereikbaar voor calamiteitenverkeer.  Ondervindt bebouwing incidenteel schade bij extreme buien.  Ondervinden vitale en kwetsbare functies geen schade of uitval.  Worden onveilige situaties zoals o.a. het onderlopen van onderdoorgangen zoveel mogelijk voorkomen. Bij een lange periode van droogte:  Blijft schade aan openbaar groen beperkt.  Blijft open water en grondwater van voldoende kwaliteit, voor recreatief gebruik en biodiversiteit. Bij langdurige hitte:  Wordt hittestress bij kwetsbare groepen zo veel mogelijk voorkomen.  Wordt opwarming van drinkwater tijdens transport en distributie in het leidingnet voorkomen.

 Vinden mens en dier verkoeling in groene plekken Bij overstromingen:  Worden gevolgen beperkt door waterrobuuste bouw en inrichting  Worden gevolgen beperkt door voldoende beschikbaarheid voor schuillocaties en mogelijkheden voor evacuatie. Om dit te bereiken werken we aan klimaatbestendige inrichting van de publieke (openbare) en private buitenruimte (o.a. tuinen en (parkeer)terreinen) en het watersysteem. Relevante fysieke veranderingen worden benut om klimaatbestendige maatregelen te nemen. Dat geldt voor projecten van de gemeenten en het waterschap en voor projecten van anderen: bewoners, (agrarische) bedrijven, woningcorporaties, terreinbeheerders en maatschappelijke organisaties. Dat betekent ook dat onderhoudscycli van infrastructuur, riolering, groen en gebouwen worden benut. Om te kunnen anticiperen op klimaatverandering en om overlast tijdens hevige neerslaggebeurtenissen te voorkomen gaan we anders om met regenwater. We houden het water zoveel mogelijk vast waar het valt en hergebruiken het zoveel mogelijk. Water dat we niet kunnen vasthouden en hergebruiken laten we bij voorkeur oppervlakkig afstromen. De afstroming vindt plaats naar laagteberging, waar het geen schade oplevert. Vanuit deze voorziening vindt infiltratie naar het grondwater plaats of (vertraagde) afvoer naar het oppervlaktewatersysteem.

Het watersysteem voldoet aan de provinciale normen voor de afvoer- en bergingscapaciteit. Gemeenten en waterschappen bepalen samen in hoeverre zogenaamde vasthoudmaatregelen buiten het watersysteem (tijdelijke waterberging in de openbare en private ruimte) nuttig en nodig zijn in relatie tot de beschikbare afvoer- en bergingscapaciteit in het watersysteem. Hierbij zijn de maatschappelijke kosten en baten van investeringen het uitgangspunt. Bij (ver)nieuwbouw is sprake van een klimaatbestendige bouw en inrichting, met zo min mogelijk afwenteling naar de omliggende percelen.

45/132

We gaan bij de inrichting zo veel mogelijk uit van het van nature aanwezige watersysteem. We passen de functie aan het watersysteem en niet het watersysteem aan de functie. We manipuleren de grondwaterstand en het grondwaterregime niet (of minimaal) om een ontwikkeling of specifieke gebruiksfunctie mogelijk te maken (geen onderbemalingen, minimale toepassing van drainage). In de bebouwde omgeving leggen we meer groen aan om de sponswerking en leefbaarheid van het gebied te vergroten. We verminderen hitte in bebouwd gebied door het creëren van (tijdelijke) schaduwwerking en het gebruik van de juiste bouwmaterialen. Ook houden wij bij de inrichting van de ondergrond rekening met het risico van opwarming van drinkwater in het leidingnet onder verharde oppervlakken. In het gemeentelijk Water en rioleringsplan is bovenstaand beleid nader uitgewerkt. Huidige situatie Algemeen Het plangebied is gelegen langs de Birkstraat te Soest en bestaat uit hoge zwarte enkeerdgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand. In het plangebied is er sprake van grondwatertrap IVu. Dat wil zeggen dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand is gemeten op 0,4 m beneden het maaiveld en dat de gemiddeld laagste grondwaterstand 0,8 m beneden het maaiveld ligt. Waterkwantiteit Binnen de grenzen van het plangebied zijn geen watergangen aanwezig.

De dichtstbijzijnde watergang is een C-watergang en bevindt zich aan de overzijde van de Birkstraat.

Figuur 4.6 - Uitsnede Legger Vallei en Veluwe (Bron Vallei-veluwe.nl)

46/132

Veiligheid en waterkeringen Het plangebied is niet gelegen binnen de kern- en beschermingszone van de regionale/primaire waterkering. Er wordt maximaal 750 m2 verhard oppervlak toegevoegd met de beoogde ontwikkeling. Afvalwaterketen en riolering Het plangebied is aangesloten op het gemeentelijke rioolstelsel. Toekomstige situatie Algemeen De beoogde ontwikkeling betreft de nieuwbouw van 12 zorgwooneenheden. In Bijlage 8 is de digitale watertoets toegevoegd. Waterkwantiteit Er wordt circa 350 m2 verharding toegevoegd. Gezien de geringe omvang van de bebouwing is compensatie niet nodig. Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:  hemelwater vasthouden voor benutting,  (in-) filtratie van afstromend hemelwater,  afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater,  afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI. Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase.

Veiligheid en waterkeringen De ontwikkeling heeft geen invloed op de waterveiligheid in de omgeving. Conclusie De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse. Het aspect water vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

47/132

4.7

Geluid

Toetsingskader Langs alle wegen - met uitzondering van 30 km/u-wegen en woonerven - bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen- of buitenstedelijke ligging. De geluidbelasting wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day-evening-night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal. Voor de geluidsbelasting aan de buitengevels van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen de wettelijke geluidszone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In bepaalde gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk. Deze hogere grenswaarde mag de maximaal toelaatbare hogere waarde niet te boven gaan. De maximale ontheffingswaarde in onderhavig situatie bedraagt 53 dB (buitenstedelijk gelegen woningen). Onderzoek In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidsbelasting vanwege wegverkeer op het plangebied. Dit akoestisch onderzoek is bijgevoegd in Bijlage 9 en geeft inzicht in waar op het perceel de uitbreiding gerealiseerd kan worden ten aanzien van wegverkeer. De uitgangspunten, berekeningen en resultaten zijn vastgelegd in de memo.

Uit het onderzoek blijkt dat het plangebied grotendeels binnen de Lden = 48 dB en de Lden = 53 dB contour ligt (zie figuur 4.7). In de gele zone is de uitbreiding met zorgwoningen mogelijk want de maximale ontheffingswaarde van Lden = 53 dB wordt hier niet overschreden. Wel is het laten vaststellen van hogere waarden nodig vanwege de Birkstraat.

Figuur 4.7 - Overzicht van de berekende geluidcontouren vanwege de Birkstraat op 4,5 meter (Bron: akoestisch onderzoek Rho)

48/132

De geluidbelasting vanwege de Zandlaan voldoet aan de voorkeursgrenswaarde. Vanwege de Birkstraat wordt de voorkeursgrenswaarde overschreden. De uitbreiding van het zorgcomplex is mogelijk tot de Lden = 53 dB contour op het perceel. Als gevolg van het wegverkeer op de Birkstraat wordt de voorkeursgrenswaarde van Lden = 48 dB overschreden. In het kader van de Wet geluidhinder worden maatregelen onderzocht. Er zijn een aantal maatregelen ter reductie van de geluidbelasting denkbaar in genoemde voorkeursvolgorde. Bronmaatregelen Het verlagen van de wettelijke snelheid en de omvang van het verkeer is voor deze weg niet mogelijk om verkeerskundige en vervoerskundige redenen. De Birkstraat vormt een belangrijke verkeersverbinding tussen de kernen. Omdat de Birkstraat reeds is voorzien van het geluidreducerende asfalt SMA-NL8 G+ is dit geen optie om de geluidbelasting te verlagen op het perceel. Overdrachtsmaatregelen Het plaatsen van afschermende voorzieningen (schermen) is om stedenbouwkundige en landschappelijke redenen niet gewenst en bovendien niet inpasbaar vanwege de inritten naar de percelen. Ook het vergroten van de afstand tussen de wegas en de woningen is niet mogelijk vanwege de beperkte ruimte hiervoor. Overdrachtsmaatregelen zijn niet mogelijk of gewenst.

Beoordeling Maatregelen om de geluidbelasting vanwege de Birkstraat te reduceren zijn redelijkerwijs niet mogelijk of stuiten op bezwaren van verkeerskundige-, vervoerskundige-, stedenbouwkundige-, landschappelijke- of financiële aard. Het laten vaststellen van hogere waarden is nodig van ten hoogste Lden = 53 dB. Conclusie Hogere waarden dienen vastgesteld te worden van ten hoogste Lden = 53 dB voor de ontwikkeling vanwege de Birkstraat. Bij de aanvraag van de bouwvergunning moet worden voldaan aan het gemeentelijk geluidsbeleid als genoemd in Bijlage 9. In ieder geval dient aangetoond te worden dat er sprake is van één geluidluwe gevel. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.

4.8

Verkeer en parkeren

Er moet rekening worden gehouden met de effecten die nieuwe ontwikkelingen hebben op de aspecten verkeer en parkeren. In deze paragraaf wordt de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie van de beoogde woningbouw berekend en beoordeeld.

49/132

Toetsingskader Voor de beoogde ontwikkeling wordt de verkeersgeneratie berekend op basis van kencijfers uit CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig Parkeren' (2018). De parkeerbehoefte wordt berekend op basis van de gemeentelijke parkeernormen (Nota parkeernormen auto en fiets, 4e herziening, 2021). Voor het juiste kencijfer/parkeernorm wordt een ligging in de schil centrum gehanteerd, de gemeente Soest wordt op basis van adressendichtheid getypeerd als matig stedelijk gebied. Gezien het gemiddelde autobezit in Soest wordt er uitgegaan van het gemiddelde binnen de bandbreedte van het kencijfer/de parkeernorm. Verkeersgeneratie De Birkstraat is een zit aan de maximale verkeerscapaciteit en een toename in verkeersgeneratie is daarom niet gewenst. Ontwikkelingen aan de Birkstraat zijn daarom uitsluitend uitvoerbaar indien de ontwikkeling niet leidt tot een toename in het aantal verkeersbewegingen. In de huidige situatie zijn twee kantoren en 16 zorgwoningen aanwezig op het perceel. Om de ontwikkeling mogelijk te kunnen maken wordt in de toekomstige situatie alleen de begane grond van het kantoorpand gebruikt als kantoorruimte. Dit betekent dat het bruto-vloeroppervlak aan kantoor afneemt ten opzichte van de huidige situatie. In de praktijk betekent dat dat één van de twee kantoren op deze locatie zal verhuizen naar een locatie elders.

In de verkeersmemo in Bijlage 10 is onderbouwd en berekend dat de beoogde ontwikkeling niet zal leiden tot een toename van de verkeersgeneratie, mits in de toekomst uitsluitend een beperkt aantal vierkante meters als kantoor gebruikt mag worden. Om dit te borgen is in de regels van het bestemmingsplan het maximaal aantal vierkante meters dat gebruikt mag worden als kantoorruimte vastgelegd op 172 m². Dit is de oppervlakte van de begane grond (172 m2). Parkeren In Bijlage 11 is een afbeelding opgenomen waarin te zien is welke parkeermogelijkheden er op het erf zijn. In totaal zijn er 21 parkeermogelijkheden op het erf, waarvan 14 rondom het hoofdgebouw en 7 naast de zorgwoningen onder de bomen (zie figuur 4.8 en figuur 4.9). Volgens de parkeersnota van de gemeente Soest geldt voor zorgwoningen een parkeernorm van 0,6 parkeerplaats per woning. Dat betekent dat voor 28 zorgwoningen 16,8 parkeerplaatsen nodig zijn. Voor kantoorruimte geldt een parkeernorm van 1,9 parkeerplaats per 100 m² bvo. In het bestemmingsplan wordt een maximaal kantoorvloeroppervlak toegestaan van 172 m². Dit betekent dat er voor het kantoor nog 3,3 parkeerplaatsen nodig zijn. Dit resulteert in een totale parkeerbehoefte van 20,1 parkeerplaatsen. Geconcludeerd wordt dat volstaan wordt met de aanwezige parkeerplaatsen op het erf.

50/132

Figuur 4.8 - Parkeerplaatsen naast zorgwoningen

Figuur 4.9 - Parkeerplaatsen naast zorgwoningen Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

51/132

4.9

Externe veiligheid

Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde wordt overschreden. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen.

Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het Bevt vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het Bevt en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties.

Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes waarbinnen beperkingen voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen gelden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Voor het groepsrisico geldt op grond van het Bevt slechts een oriënterende waarde en alleen in bepaalde gevallen is het doen van een verantwoording van een toename van het GR verplicht.

52/132

Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Onderzoek Overeenkomstig de risicokaart waarin relevante risicobronnen getoond worden, zijn er in de omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen te vinden. Het plangebied bevindt zich in het invloedsgebied van transport van gevaarlijke stoffen plaats via het spoor. Er is geen sprake van transport van gevaarlijke stoffen via weg of spoor in de nabijheid van het plangebied, zie onderstaand figuur.

Figuur 4.10 - Uitsnede risicokaart voor de omgeving van het plangebied. Blauwe omkadering geeft plangebied weer.

53/132

Risicovolle inrichtingen De inrichting ten zuidwesten betreft het bedrijf Parc King's Home waar een propaantank aanwezig is. De risicocontouren en pr-contouren reiken niet tot het plangebied. Ten zuidoosten van het plangebied is een risicobron gelegen, namelijk 'het Bosbad Birkhoven'. Hoewel het aannemelijk is dat hier gevaarlijke stoffen aanwezig zijn, wordt het zwembad niet beschouwd als een Bevi-inrichting, maar valt het wel onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit. De inrichting beschikt niet over een plaatsgebonden risicocontour en/of invloedsgebied van het groepsrisico. Hiermee legt de inrichting geen beperkingen op de omgeving. De risicovolle inrichtingen ten zuidwesten en zuidoosten zijn niet relevant voor de beoogde ontwikkeling. Vervoer gevaarlijke stoffen Ten oosten van het plangebied loopt het spoor tussen Amersfoort en Hilversum. Het spoor ligt op een afstand van circa 675m, zie bovenstaand figuur. Over het spoor worden gevaarlijke stoffen vervoerd, maatgevend is de stof D4 met een invloedsgebied van 4km. Omdat de beoogde ontwikkeling voor het spoor op meer dan 200 meter afstand ligt, hoeven volgens het Bevt in principe geen beperkingen te worden gesteld aan het ruimtegebruik ter plaatse van het plangebied. Desalniettemin is vanwege de ligging binnen het invloedsgebied een beknopte verantwoording noodzakelijk.

Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Het plangebied wordt ontsloten via de Birkstraat en de Zandlaan. Deze weg sluit aan op het verdere wegennetwerk van Soest. Het wegennetwerk biedt vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. Het gedegen netwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede. Zelfredzaamheid In de toekomstige situatie zullen maximaal 12 woningen gerealiseerd worden. De aanwezige kinderen en ouderen worden gezien als verminderd zelfredzame personen. Bij deze groep wordt echter ervan uitgegaan dat in geval van nood de verzorgers de kinderen en ouderen zullen begeleiden. Als gevolg van een incident met toxische stoffen over het spoor en de weg geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen.

Dit effect is vaak niet zichtbaar. Zelfredzaamheid in deze scenario's is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen. Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van de objecten door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen. Ook het personeel dient geïnformeerd te worden over de verschillende risico's bij een incident. De alarmering van de aanwezigen wordt momenteel nog gerealiseerd middels het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS). Dit systeem wordt de komende jaren uitgefaseerd. Het waarschuwingssysteem wordt vervangen door een totaal pakket aan alarmeringsmiddelen, waaronder de calamiteitenzenders, de sirenes, crisis.nl, NL-Alert en het gebruik van sociale media.

54/132

Conclusie Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van het spoortraject tussen Amersfoort Hilversum waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Vanwege de geringe omvang van de beoogde ontwikkeling en ruime afstand tot de weg en het spoortraject zal het groepsrisico niet merkbaar toenemen. Uit de beknopte verantwoording blijkt daarnaast dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende worden beschouwd. Wel moet rekening gehouden worden dat de woningen geschikt zijn om enkele uren in te schuilen, denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Verder zijn in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle bronnen aanwezig. Negatieve effecten omtrent de externe veiligheid zijn uitgesloten.

4.10 Kabels en leidingen Toetsingskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Toetsing Grenzend aan het plangebied loopt ten oosten een hoogspanningsverbinding van 150 kV. Hiervoor geldt aan beide zijden zone van 22,5 m. Deze zone valt binnen het plangebied. Binnen deze zone wordt geadviseerd nieuwe situaties te voorkomen waarin kinderen langdurig worden blootgesteld aan het magnetisch veld van de hoogspanningsverbinding. De beoogde ontwikkeling maakt dergelijke situaties niet mogelijk. De woonzorgeenheden zijn niet bedoeld voor kinderen tot 15 jaar. Om dit ook planologisch vast te leggen, is in de begripsbepaling bij het begrip 'woonzorgvoorziening' (die voorkomt in de bestemming Maatschappelijk) vastgelegd dat dit niet is toegestaan. Het plangebied valt ook deels binnen de dubbelbestemming 'Leiding - Hoogspanningsverbinding' uit het bestemmingsplan Landelijk Gebied. Binnen de zone van deze dubbelbestemming mag niet worden gebouwd. De toekomstige bebouwing bevindt zich buiten het bestemmingsvlak van deze dubbelbestemming. De dubbelbestemming 'Leiding - Hoogspanningsverbinding' vormt dan ook geen belemmering.

Naar aanleiding van zienswijze 01 is de dubbelbestemming gespecificeerd omdat de betreffende hoogspanningsverbinding een bovengrondse betreft. De nieuwe benaming voor de dubbelbestemming in dit bestemmingsplan betreft daarom 'Leiding - Bovengrondse hoogspanningsverbinding'. Ook zijn de werkzaamheden die vergunningsplichtig zijn in de juridisch planregels afgestemd op bovengrondse hoogspanningsleidingen. Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn verder geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. Conclusie Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

55/132

4.11 Luchtkwaliteit Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.3 weergegeven. Tabel 4.3 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm Stof

Toetsing van

Grenswaarde

stikstofdioxide (NO2) jaargemiddelde concentratie

40 µg/m³

fijn stof (PM10)

jaargemiddelde concentratie

40 µg/m³

24-uurgemiddelde concentratie

max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³

jaargemiddelde concentratie

25 µg /m³

fijn stof (PM2,5)

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:  een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³);  een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit.

Onderzoek Met dit bestemmingsplan worden 12 extra woonzorgeenheden mogelijk gemaakt en wordt het aantal kantoren gelimiteerd op 1. De maatschappelijke zorgfunctie is reeds aanwezig op het perceel. Om te voorkomen dat deze ontwikkeling meer verkeer zal genereren, wordt één van de twee kantoren weg bestemd. Dit is onderbouwd in de verkeersmemo in Bijlage 10 en vastgelegd in de regels. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van een toename in verkeersgeneratie op het perceel. Gelet op de omvang van projecten waarvoor het Besluit Nibm van toepassing is (o.a. woningbouwprojecten tot 1.500 woningen), wordt gesteld dat de beoogde ontwikkeling zelf niet noemenswaardige bijdraagt aan de concentratie luchtverontreinigende stoffen.

56/132

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het projectgebied gegeven. De indicatie is gedaan op basis van de cijfers van de Atlas Leefomgeving. De Atlas Leefomgeving is een tool van de Rijksoverheid en biedt informatie over de kwaliteit van de Nederlandse leefomgeving. Uit de kaart van Atlas Leefomgeving (Bron: atlasleefomgeving.nl/check-je-plek) blijkt dat in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijnstof langs de Birkstraat weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen voor de planlocatie bedroegen in 2020: 13 µg/m³voor NO2 en 8 µg/m³ voor PM2,5. Ter plaatse is sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat. Kippenboer Birkstraat 142 Op een afstand van circa 60 meter is een kippenboer gevestigd, op de Birkstraat 142. Dit bedrijf veroorzaakt fijnstof. Hiervoor de Atlas van Provincie Utrecht geraadpleegd, zie onderstaand figuur.

Figuur 4.11 - Atlas provincie Utrecht fijnstof (Bron: Provincie Utrecht) Uit deze kaart is te lezen dat er ter plaatse van het plangebied sprake is van een luchtkwaliteit van 20 - 22,5 µg/m³ voor PM10. De luchtkwaliteit rondom de kern van de boerderij reikt niet tot het plangebied. Hiermee wordt binnen het plangebied voldaan aan de grenswaarde van 40 µg/m³ voor PM10 van de wet milieubeheer. Op 22 september 2021 heeft de World Health Organization (WHO) nieuwe advieswaarden voor de luchtkwaliteit uitgebracht. Deze advieswaarden zijn niet bindend. De advieswaarde voor PM10 bedraagt 15 µg/m³ . Hier wordt niet aan voldaan. 57/132

Conclusie In het plangebied is er sprake van een matige luchtkwaliteit bepaald door de aanwezigheid van de kippenboer. De waardes voor fijnstof overschrijden niet de grenswaarden van de wet milieubeheer vormen daardoor geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Geadviseerd wordt om bij de bouw maatregelen te treffen ter bevordering van het binnenklimaat. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering.

4.12 Ecologie Toetsingskader Met de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming Bescherming van natuurgebieden wordt gewaarborgd door de Wet natuurbescherming (Wnb) en de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Natura 2000-gebieden worden beschermd door de Wnb en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt beschermd door de Wro. Natura-2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening.

Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:  soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn;  soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn;  overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod.

58/132

De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Onderzoek Gebiedsbescherming De ontwikkeling dient getoetst te worden aan de eisen uit de Wet natuurbescherming, waarbij de mogelijk gevolgen voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000 een rol spelen. Het meest nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden is 'Oostelijke Vechtplassen', gelegen op circa 13 kilometer afstand van het plangebied. De andere Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitats liggen op (nog) grotere afstand. Met het rekenmodel Aerius (versie 2022.1) is een berekening uitgevoerd om de mogelijke gevolgen van de bouwwerkzaamheden voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000-gebieden in beeld te brengen, daarbij is de realisatiefase beschouwd.

In de memo in Bijlage 12 wordt achtereenvolgens ingegaan op de gehanteerde uitgangspunten, de resultaten en de conclusie. Uit de berekening met AERIUS Calculator (versie 2022.1) voor de realisatiefase blijkt dat er geen toename van stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jr is berekend. Op basis van de berekening zijn significante negatieve effecten op Natura 2000-gebied in de aanlegfase uitgesloten. De beoogde herontwikkeling is derhalve uitvoerbaar in het kader van de Wet natuurbescherming. Soortenbescherming In september 2022 is een ecologische quickscan uitgevoerd door onderzoeksbureau Habitus naar beschermde soorten. De volledige quickscan is bijgevoegd in Bijlage 13. Uit de quickscan volgde dat er vervolgonderzoek nodig is naar vleermuizen, de huismus, hazelworm en glad biggenkruid. Dit onderzoek is uitgevoerd door onderzoeksbureau Van der Goes en Groot en de rapportage is bijgevoegd in Bijlage 14. Geconcludeerd wordt dat voor geen van de onderzochte soorten aanvullend onderzoek noodzakelijk is. Hieronder wordt per onderzochte soort de conclusie samengevat. Huismus In het plangebied zijn geen verblijfplaatsen aanwezig van de Huismus. De aanwezige vaste verblijfplaatsen in het hoofdgebouw van het zorgcomplex, gelegen iets ten noorden van het plangebied, zullen door de werkzaamheden niet beschadigd of vernield kunnen worden.

Ook zal geen essentieel leefgebied verdwijnen door de voorgenomen werkzaamheden in het plangebied, omdat Huismus geen gebruik maakt van het kortgemaaide gazon en de directe omgeving ervan. De struikjes waar Huismus gebruik van maakt liggen ten noorden en westen van het plangebied, dus buiten de invloed van de werkzaamheden. Als men toch werkzaamheden aan het hoofdgebouw gaat uitvoeren, zoals dakrenovatie, dan kunnen de holtes alsnog beschadigd worden of verdwijnen. In dat geval dient een ontheffing te worden aangevraagd waarbij in een op te stellen 'activiteitenplan' mitigerende en compenserende maatregelen worden uitgewerkt.

59/132

Vleermuizen Er zijn tijdens de inventarisaties geen verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen, er zijn geen negatieve effecten van de ingreep op verblijvende vleermuizen mogelijk. Het foerageergebied van vleermuizen binnen het plangebied maakt slechts een klein deel uit van een veel groter foerageergebied en is geen 'essentieel' deel van het leefgebied. De vleermuizen kunnen derhalve uitwijken. Na oplevering van de plannen zal vanwege de beschutting toenemen en zal het terrein geschikt blijven voor foeragerende vleermuizen. De tijdelijke achteruitgang van foerageermogelijkheden is vanwege de grootte van het plangebied zeer beperkt en kan opgevangen worden omdat vleermuizen kunnen uitwijken naar vergelijkbaar en beter foerageergebied in de omgeving. Overige broedvogels In het plangebied zijn geen vogelsoorten met jaarrond beschermde verblijfplaatsen aanwezig. Er kunnen in het plangebied, in het broedseizoen, wél andere soorten broedvogels vestigen met niet-jaarrond beschermde nesten. Dergelijke vogelnesten kunnen worden verstoord of vernield bij ecologisch gevoelige werkzaamheden zoals het rooien en kappen van struiken en bomen, diverse graafwerkzaamheden of het verwijderen van de vegetatieve toplaag. Men dient deze activiteiten waarbij nesten verstoord of vernield kunnen worden daarom buiten het broedseizoen plaats te doen vinden, dus niet van grofweg 15 maart tot 15 juli.

Deze periode is afhankelijk van bijvoorbeeld het weer en de betrokken soorten. Als onverhoopt buiten deze periode vogels broedend aanwezig zijn, dienen werkzaamheden plaatselijk te worden uitgesteld. Wanneer toch in het broedseizoen gewerkt gaat worden is het mogelijk, voorafgaand aan het broedseizoen of voorafgaand aan de vestiging van broedvogels, het plangebied ongeschikt te maken als (nog) geen nesten aanwezig zijn. Zorgplicht Voor alle in het wild levende soorten en hun leefomgeving geldt de zorgplicht (zie Bijlage 3.1.1). Teneinde de zorgplicht na te leven kan men voorafgaand aan de werkzaamheden de volgende praktische richtlijnen hanteren:  Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal kan gefaseerd verwijderd worden. Dit geeft bodem- en gebouw bewonende dieren de kans om het plangebied te ontvluchten en een alternatief leefgebied te benutten in de (directe) omgeving.  Ontzie groenvoorzieningen zoveel mogelijk tijdens de werkzaamheden en het (tijdelijk) opslaan van machines en materialen. Gebruik zo klein mogelijke werkbreedtes en probeer dezelfde bouwwegen voor zowel aanvoer als afvoer te gebruiken.  Het verwijderen van groen kan zoveel mogelijk beperkt worden of na de werkzaamheden kan nieuw groen aangeplant worden op dezelfde locaties als waar groen verwijderd wordt. Houd bij werkzaamheden rondom groenvoorzieningen een zo smal mogelijke werkbreedte aan.

 Vermijd zware trillingen en sterk geluid bij mogelijk gevestigde natuurwaarden. Bij de werkzaamheden moet voorkomen worden dat 's nachts en met sterke bouwverlichting wordt gewerkt.

60/132

Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.13 Milieueffectrapportage Toetsingskader In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:  de kenmerken van de projecten;  de plaats van de projecten;  de kenmerken van de potentiële effecten. Typering activiteit besluit milieueffectrapportage Om te bepalen of een milieueffectrapportage (m.e.r.) nodig is, moet worden beoordeeld er sprake is van een plan of besluit zoals genoemd in de bijlage van het Besluit m.e.r. Tevens moet er sprake van een m.e.r.-plichtige of m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit zoals genoemd in de categorieën van de C of de D lijst van de bijlage van het Besluit m.e.r. Besluit m.e.r.

stedelijk ontwikkelingsproject Het Besluit milieueffectrapportage vermeldt de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen als een activiteit in onderdeel D 11.2 van de bijlage. De vaststelling van dit bestemmingsplan wordt genoemd in kolom 4 van het Besluit m.e.r. (namelijk: art. 3.1 lid 1 Wro). In kolom 2 van onderdeel D 11.2 wordt beschreven in welke gevallen de activiteit betrekking heeft op: 1°. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2°. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3°. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Gezien de aard en omvang van de beoogde ontwikkeling wordt geconstateerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject en daarbij geen m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Onderstaand een korte motivatie. Motivering De beoogde ontwikkeling maakt de uitbreiding van de bestaande bedrijfsvoering mogelijk. Naast de 16 bestaande woon zorgeenheden voorziet het voorliggende bestemmingsplan in het mogelijk maken van 12 (extra) woonzorgeenheden. Het vigerende bestemmingsplan laat deze vorm van bedrijfsvoering toe. Echter is er een maximaal bebouwingspercentage en aantal zorgwoningen opgenomen waaraan het voornemen niet aan kan voldoen.

61/132

Het voornemen is voor het grotendeels vergelijkbaar met de vigerende planologische situatie en er vindt geen functiewijziging plaats. De toename van 12 extra zorgwoningen brengt geen significante nadelige milieueffecten met zich mee. Er bevinden zich geen milieugevoelige objecten in de omgeving; er worden geen risicovolle inrichtingen mogelijk gemaakt; er wordt geen belemmeringen geconstateerd vanuit ecologie; er zijn geen knelpunten voor de verkeersveiligheid en verkeersafwikkeling, tevens in de parkeerbalans positief. De conclusie luidt dat gezien de aard en omvang van het voornemen er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject en dat een m.e.r-beoordeling buiten beschouwing wordt gehouden.

62/132

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische planopzet

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt de bestemmingsplanregeling nader toegelicht. Bij het opstellen van het plan is aansluiting gezocht bij de planregels van het vigerend bestemmingsplan 'Birkstraat 134' (vastgesteld d.d. 21 november 2019). De regels zijn daarnaast conform de standaarden Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012), de Praktijkrichtlijn Bestemmingsplannen (PRBP2012) en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten (STRI2012). Hiermee wordt de rechtsgelijkheid en de uniformiteit binnen de gemeentelijke dan wel landelijke bestemmingsplannen gediend.

5.2

Regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd voor zover deze begrippen van het 'normale' spraakgebruik afwijken of een specifiek juridische betekenis hebben. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan zal moeten worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Artikel 2 Wijze van meten Het onderhavige artikel geeft aan hoe hoogte- en andere maten, die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden. Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Artikel 3 Maatschappelijk De bestemming Maatschappelijk is als enkelbestemming opgenomen voor het gehele plangebied en staat een woonzorgvoorziening toe met 28 woonzorgeenheden. Gelet op de resultaten uit het onderzoek naar wegverkeerslawaai is de locatie waar de beoogde woonzorgeenheden zich mogen bevinden, specifiek vastgelegd. Daarnaast is de maximale hoeveelheid bebouwing en kantooroppervlak vastgelegd en is een vergunningsplicht opgenomen voor het kappen, vellen of rooien van houtopstanden of andere opgaande beplanting. Artikel 4 Tuin De gronden aan de voorzijde van de bestemming 'Maatschappelijk' zijn voorzien van de bestemming 'Tuin. Binnen de bestemming tuin zijn perceelsafscheidingen, parkeervoorzieningen, perceelsontsluitingen en andere bouwwerken toegestaan.

63/132

Artikel 5 Leiding - Bovengrondse hoogspanningsverbinding De bovengrondse hoogspanningsverbinding die over het perceel ligt, is met deze bestemming vastgelegd en geregeld. Bouwen ten behoeve van samenvallende bestemmingen is alleen toegestaan nadat een positief advies van de betreffende leidingbeheerder is ontvangen. Daarnaast geldt voor deze dubbelbestemming een voorrangsbepaling die bepaalt dat in geval van strijdigheid met regels uit andere artikelen de regels uit dit artikel primair van toepassing zijn. Artikel 6 Waarde - Archeologie - Hoge verwachting In dit artikel is de bescherming van de archeologische verwachtingswaarde binnen het plangebied geregeld door middel van een zogenoemde dubbelbestemming. Hierin is nadrukkelijk gesteld dat gebouwen (die op basis van de andere ter plaatse geldende bestemmingen mogelijk zijn) op gronden met een archeologische verwachtingswaarde, ter bescherming van die waarden, alleen onder voorwaarden toegestaan zijn. De dubbelbestemmingen met betrekking tot archeologie zijn opgesteld op basis van de beleidskaart archeologie Soest. Hierop zijn gebieden met een verschillende archeologische verwachtingswaarde en het beleid ten aanzien van deze gebieden weergegeven.

Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 7 Anti-dubbeltelregel Dit artikel bevat een algemene regeling, waarmee kan worden voorkomen, dat er in feite meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogt, bijvoorbeeld ingeval (onderdelen van) bouwvlakken van eigenaars verschillen. De regeling is met name van belang met het oog op woningbouw. Deze bepaling is afkomstig uit het Besluit ruimtelijke ordening. Artikel 8 Algemene bouwregels  Overschrijding bouwgrenzen Om te voorkomen, dat kleine ontwikkelingen leiden tot het volgen van aparte procedures, is in dit lid opgenomen, dat voor bepaalde ontwikkelingen de bouwgrenzen overschreden mogen worden.  Bestaande maten Met deze regeling wordt voorkomen, dat bestaande situaties, die afwijken van de maatvoering ingevolge hoofdstuk 2 van de regels – onbedoeld – geheel of gedeeltelijk onder het overgangsrecht van dit bestemmingsplan vallen.  Onderkeldering van gebouwen In dit lid worden regels gesteld aan onderkeldering van gebouwen.  Ondergrondse parkeervoorzieningen In dit lid worden regels gesteld aan het ondergronds bouwen van parkeervoorzieningen. Artikel 9 Algemene gebruiksregels Dit artikel bepaalt welke vormen van gebruik als strijdig met het bestemmingsplan moeten worden aangemerkt.

64/132

Artikel 10 Algemene afwijkingsregels Dit artikel voorziet in een limitatief aantal situaties waarvoor van het bestemmingsplan afgeweken kan worden. Het gaat veelal om kleinschalige afwijkingen in maatvoering of om ondergeschikte bouwdelen. Artikel 11 Algemene wijzigingsregels Er is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor geringe overschrijdingen van bestemmingsgrenzen en om dit bestemmingsplan te wijzigen als -een wijziging van- de Beleidsnota parkeernormen en parkeerfonds opnieuw door de gemeenteraad is vastgesteld. Artikel 12 Overige regels Hierin is geregeld dat voor de wettelijke regelingen waarnaar in de regels wordt verwezen, deze gelden zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan. Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels. Artikel 13 Overgangsrecht  Overgangsrecht bouwwerken Het overgangsrecht ten aanzien van bouwen is in dit lid vastgelegd. Uitbreiding van de bebouwing, die onder het overgangsrecht valt is slechts mogelijk met afwijking van het bevoegd gezag.  Overgangsrecht gebruik Het betreft de overgangsbepaling met betrekking tot gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken, voor zover dat gebruik afwijkt van dit bestemmingsplan op het moment, dat dit rechtskracht verkrijgt. Artikel 14 Slotregel Dit artikel geeft aan onder welke naam dit bestemmingsplan kan worden aangehaald.

65/132

66/132

Hoofdstuk 6 6.1

Uitvoerbaarheid

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Informatiebijeenkomst In het voortraject is een informatieavond geweest met de belanghebbenden in de omgeving en de gemeente. De belanghebbenden zijn middels een brief uitgenodigd om kennis te nemen van de plannen en hebben de mogelijkheid gehad om mondeling en schriftelijk te reageren op de plannen van de initiatiefnemer. Vooroverleg Op grond van artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het concept ontwerpbestemmingsplan voor vooroverleg toegezonden aan diverse overleginstanties. De daaruit voortgekomen opmerkingen zijn verwerkt in het bestemmingsplan. Ontwerpfase Het ontwerpbestemmingsplan heeft, op grond van afdeling 3.4 Awb, van 7 november 2023 tot en met 19 december 2023 ter inzage gelegen. In totaal zijn er 2 zienswijzen ingediend. De zienswijzen zijn binnen de gestelde termijn ingediend en daarmee ontvankelijk. In Bijlage 15 is de nota van beantwoording opgenomen. In deze nota is aangegeven of de binnengekomen zienswijzen hebben geleid tot aanpassingen in het bestemmingsplan.

6.2

Economische uitvoerbaarheid

Voor de onderhavige ontwikkeling worden de proceskosten en de ontwikkelingskosten en het risico op planschade gedragen door de initiatiefnemende partij. Er zijn geen bijzondere kosten voor de aanleg van ontsluitingen, kabels en leidingen. Om de genoemde kosten te dekken is tussen de gemeente Soest en de initiatiefnemende partij een overeenkomst gesloten. De economische uitvoerbaarheid is daarmee aangetoond en de gemeentelijke kosten zijn op deze manier afgedekt.

67/132

68/132

BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING

Bijlage 1 Ontwerpboek

BIRKTSTRAAT 134, SOEST

projectnaam BIRKTSTRAAT 134, SOEST

datum V1 29-05-2023

SITUATIE - BESTAAND 1:1000

GSPublisherVersion 0.9.100.0

projectnaam BIRKTSTRAAT 134, SOEST

paginanummer 01

datum V1 29-05-2023

Zand laan

Oude Leusd erweg

Birkstr aat

SITUATIE - NIEUW 1:1000

GSPublisherVersion 0.9.100.0

projectnaam BIRKTSTRAAT 134, SOEST

paginanummer 02

datum V1 29-05-2023

Zand laan

Oude Leusd erweg

Birkstr aat

BEGANE GROND 1:100

A

Voorgevel 21.438 150

3.300

o: 187,5 a: 190

3.300

150

leefgedeelte

374

3.300 o: 187,5 a: 190

6.500

3.300

3.300

o: 187,5 a: 190

leefgedeelte

6.500

leefgedeelte

300

3.300 o: 187,5 a: 190

6.500

leefgedeelte

3.300

214

3.300 o: 187,5 a: 190

6.500

3.300

o: 187,5 a: 190

leefgedeelte

leefgedeelte

6.500

3.300

300

6.500

3.300

6.500

150

6.500

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Soest&id=8967a38d-6091-4f9c-8075-706833507a18