Bijlage 4a - Bestemmingsplan VB3 - toel. regels en bijlagen
Tekst van het document
NL.IMRO.0090.BP2022SVR011-0401
25
Vrijburgh - Fase 3
Hoofdstuk 4
Omgevingsaspecten
Uit de bestaande omgevingssituatie kunnen (wettelijke) belemmeringen en/of voorwaarden voor de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan blijken. Uitgangspunt is dat er een goede omgevingssituatie bestaat voor het planvoornemen. In de volgende paragrafen zijn de relevante milieukundige en planologische randvoorwaarden beschreven en beoordeeld op eventuele beperkingen voor het plangebied.
4.1
Ecologie (en stikstof)
Wet- en regelgeving In het kader van de uitvoerbaarheid van ruimtelijke plannen is het conform artikel 3.1.6 Bro noodzakelijk om aandacht te besteden aan de effecten op natuurwaarden. Effecten dienen te worden beoordeeld in relatie tot geldende wet- en regelgeving op het terrein van zowel de soorten- als wel de gebiedsbescherming. Relevante wet- en regelgeving betreft de Wet natuurbescherming (Wnb) die per 1 januari 2017 in werking is getreden en het provinciale gebiedsgerichte natuurbeleid. Voor wat betreft de effecten op natuurwaarden moet onder meer aangegeven worden of er als gevolg van een plan vergunningen of ontheffingen noodzakelijk zijn en, zo ja, of deze verkregen kunnen worden.
Onderzoek Om de uitvoerbaarheid van het planvoornemen te toetsen is (vanwege de eerder opgenomen verouderde ecologische onderzoeken bij het ontwerp bestemmingsplan) door FaunaX een nieuwe ecologische quickscan uitgevoerd naar het gehele plangebied van Vrijburgh Fase 3. In deze ecologische quickscan zijn de effecten op eventuele beschermde waarden in het plangebied en in de omgeving daarvan onderzocht. Omdat het onderzoek in 2024 is uitgevoerd ten tijde van de nieuwe Omgevingswet, die per 1 januari 2024 in werking is getreden, is hierom ook de meest actuele wet- en regelgeving met betrekking tot ecologie betrokken (die in het Besluit activiteit leefomgeving, Bal, is opgenomen).
In Bijlage 4 bij deze toelichting is de rapportage van deze zogeheten natuurtoets opgenomen met de verslaglegging van het inventariserend onderzoek naar de soorten- en gebiedsbescherming. In het hiernavolgende is verslag van de uitkomsten en conclusies gedaan.
NATUURTOETS Soortenbescherming De volgende onderzoeksresultaten komen uit de natuurtoets naar voren: Flora: De aanwezigheid van beschermde plantensoorten kan uitgesloten worden op basis van habitateigenschappen. Vogels: De aanwezigheid van een jaarrond beschermd nest in de zomereik binnen het plangebied kan niet op voorhand worden uitgesloten. Negatieve effecten op andere jaarrond bechermde nesten als gevolg van het planvoornemen kunnen op voorhand worden uitgesloten. Binnen en vlak buiten het plangebied komen andere vogelsoorten tot broeden waarvan de nesten geen jaarronde bescherming genieten, maar wel beschermd zijn tijdens het broedproces. Vleermuizen: De aanwezigheid van zomer-, kraam-, paar- en winterverblijfplaatsen van vleermuizen in boomholten en een vleermuiskast binnen het plangebied kan niet op voorhand worden uitgesloten. Negatieve effecten op andere verblijfplaatsen van vleermuizen als gevolg van het planvoornemen kunnen op voorhand worden uitgesloten. Negatieve effecten op essentiële foerageergebieden en -vliegroutes van vleermuizen als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden kunnen op voorhand worden uitgesloten. Overige zoogdieren: De aanwezigheid van waterspitsmuis binnen het plangebied kan op voorhand worden uitgesloten. De aanwezigheid van leefgebied van bunzing en wezel binnen het plangebied kan niet op voorhand worden uitgesloten.
De aanwezigheid van (leefgebied van) overige beschermde
26
NL.IMRO.0090.BP2022SVR011-0401
Vrijburgh - Fase 3
zoogdiersoorten, waaronder otter binnen het plangebied kan op voorhand worden uitgesloten. In het plangebied komen andere licht beschermde soorten voor. Voor deze soorten geldt een provinciale vrijstelling in het geval van ruimtelijke ontwikkelingen, maar geldt wel de specifieke zorgplicht voor ruimtelijke ingrepen (als opgenomen in bijlage I van het ecologisch onderzoek). Reptielen: De aanwezigheid van (leefgebied van) beschermde reptielen binnen het plangebied kan op voorhand worden uitgesloten. Amfibieën: Negatieve effecten op (leefgebied van) beschermde amfibieën als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden kunnen op voorhand worden uitgesloten. Voor andere, licht beschermde, vrijgestelde soorten geldt de specifieke zorgplicht voor ruimtelijke ingrepen (als opgenomen in bijlage I van het ecologisch onderzoek). Vissen: Negatieve effecten op grote modderkruiper als gevolg van het planvoornemen kunnen niet op voorhand worden uitgesloten. Negatieve effecten op (leefgebied van) andere beschermde zoetwatervissen kunnen op voorhand worden uitgesloten. Ongewervelden: Negatieve effecten op leefgebied van beschermde ongewervelden als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden kunnen op voorhand worden uitgesloten. Op grond van de vorengenoemde onderzoeksresultaten is het hiernavolgende overzicht opgemaakt van aangetroffen en potentieel aanwezige beschermde soorten in het plangebied.
en hun beschermingsstatus. Alleen die soorten zijn genoemd waarvoor het plangebied onderdeel vormt van het leefgebied en/of levenscyclus en waarop eventueel in de toekomst geplande werkzaamheden van negatieve invloed kunnen zijn.
Tabel 2. Overzicht van aangetroffen en potentieel voorkomende beschermde flora en fauna in en rond het plangebied
Conclusie van de natuurtoets is dat het planvoornemen zonder bezwaren doorgang kan vinden binnen de kaders van geldende natuurwetgeving, mits aan de in tabel 2 genoemde advisering wordt voldaan. Dit betekent dat er diverse nadere onderzoeken moeten worden uitgevoerd. Omdat deze onderzoeken een lange doorlooptijd hebben en de nodige vertragingen voor een bestemmingsplanproces opwerpen, is er richting vaststelling van dit bestemmingsplan voor gekozen niet op de eindresultaten van de diverse onderzoeken te wachten. Om te borgen dat de nadere onderzoeken en de daaruit voortkomende mitigerende maatregelen en verplichtingen wel worden uitgevoerd, is in de regels van dit bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Deze ziet er via de algemene gebruiksregels op toe dat het gebruik van gronden en bouwwerken voor de desbetreffende percelen in het plangebied niet is toegestaan zonder dat uit ecologisch onderzoek is gebleken dat de op grond van de Omgevingswet beschermde soorten en gebieden niet onevenredig worden geschaad. Alle geadviseerde vervolgonderzoeken zijn inmiddels in gang gezet. Mocht uit de ecologische vervolgonderzoeken blijken dat niet uitgesloten kan worden dat verbodsbepalingen per 1 januari 2024 onder de Omgevingswet niet worden overtreden, kan een omgevingsvergunningsaanvraag flora- en fauna activiteit bij Provinsje Fryslân worden gedaan.
Deze bestaat uit een aanvraagformulier met een bijbehorend activiteitenplan. In het activiteitenplan worden dan maatregelen opgenomen om negatieve
NL.IMRO.0090.BP2022SVR011-0401
27
Vrijburgh - Fase 3
effecten zoveel mogelijk te voorkomen, bijvoorbeeld door het realiseren van vervangend leefgebied. Over vorenomschreven werkwijze met betrekking tot ecologie in het kader van dit bestemmingsplan is contact met Provinsje Fryslân als bevoegd gezag, voor eventuele vergunningverlening met betrekking tot flora- en fauna activiteiten, geweest. Mede vanwege de ingediende provinciale zienswijze op het thema ecologie. Provinsje Fryslân heeft aangegeven met de voorgestelde aanpak te kunnen instemmen.
Gebiedsbescherming In de uitgevoerde natuurtoets door FaunaX en in de bureaustudie voor het opstellen van dit bestemmingsplan zijn geen vormen van gebiedsbescherming naar voren gekomen die betrekking hebben op het plangebied. Het plangebied valt niet onder de werking van het Natuur Netwerk Nederland (NNN, voorheen EHS ofwel Ecologische Hoofdstructuur) of Natura 2000 en is ook niet aangewezen als ganzenfoerageergebied of weidevogelkansgebied. Voor het plangebied is derhalve geen sprake van gebiedsbescherming. Daarnaast is vanwege de ligging binnen de bebouwde kom van Drachten geen sprake van een meld- en/of herplantingsplicht voor wat betreft houtopstanden in het plangebied. Er vinden overigens wel de nodige kap-, snoei- en herplantwerkzaamheden aan de houtopstanden plaats. Dit is om het planvoornemen landschappelijk goed in te kunnen passen en het groene karakter van het gebied in stand te houden en te verbeteren. Navolgende figuur toont de voorgenomen acties hierin.
Figuur 5. Houtopstanden
Het plangebied ligt verder op circa 7 km afstand van het stikstofgevoelige natura 2000-gebied Alde Feanen. Vanwege deze ligging en gelet op de voorgenomen plannen is het uitvoeren van een stikstofdepositie-onderzoek noodzakelijk.
STIKSTOFDEPOSITIE-ONDERZOEK Onderzoek is ingesteld naar de stikstofdepositie vanwege het toekomstig gebruik van de woningen (gebruiksfase) en realisatie van het planvoornemen (aanlegfase). Het memo hierover met daarbij de berekeningen, middels de meest recente AERIUS-calculator (d.d. 01-10-2024), met informatie over de invoergegevens is als Bijlage 5 bij dit bestemmingsplan opgenomen.
28
NL.IMRO.0090.BP2022SVR011-0401
Vrijburgh - Fase 3
In het stikstofdepositie-onderzoek is voor de AERIUS-berekening uitgegaan van een 'worst-case'benadering aangezien het plan flexibel in opzet is en nog niet duidelijk waar de woningen en welke woningtypes precies worden gerealiseerd. Er is voor de gebruiksfase uitgegaan van maximaal 151 woningen waarbij voor de berekening alleen vrijstaande, grondgebonden koopwoningen zijn ingevoerd (die wat betreft het wonen de grootste verkeersaantrekkende werking kennen van maximaal 8,2 motorvoertuigbewegingen per dag; dus in totaal 1.230 dagelijkse verkeersbewegingen), alsmede maximaal 150 m2 aan ondergeschikte horecavoorzieningen op een nader te bepalen locatie in het plangebied die tot een ingeschat maximum van 150 dagelijkse verkeersbewegingen leiden. Voor de realisatiefase is uitgegaan van een fasering met een doorlooptijd van 4 jaar, waarbij in de jaren 2025, 2026, 2027 en 2028 sprake kan zijn van de aanleg van de woningen en inrichting van het gehele gebied. Daarbij wordt in de beginjaren 2025 en 2026 nog van het jaarlijks realiseren van 50 woningen uitgegaan, die naar verloop van tijd gereed komen. In latere jaren 2027 en 2028 zal een groot deel van het plangebied ingevuld zijn en derhalve woningbouw in vaart minderen, wat reden is om voor deze beide jaren nog te rekenen met realisatie van 25 woningen per jaar.
In 2029 is het geheel gereed en is alleen nog sprake van verkeer in verband met het gebruik van de woningen in het gebied (de zogeheten gebruiksfase).
Uit het onderzoek blijkt dat met vorenomschreven invoer van verkeersbewegingen er geen verhoogde stikstofdepositie als gevolg van het planvoornemen plaatsvindt, en dus ook geen significant negatieve effecten op stikstofgevoelige, beschermde Natura 2000-gebieden. Wat betreft stikstofdepositie is het planvoornemen van dit bestemmingsplan dan ook uitvoerbaar en is geen sprake van een ontheffingsplicht.
Conclusie Met betrekking tot soortenbescherming is een voorwaardelijke verplichting opgenomen die ziet op het uitvoeren van nadere onderzoeken en het eventueel treffen van hieruit voortkomende mitigerende maatregelen. Daarbij is aangenomen dat eventuele procedures voor een omgevingsvergunning flora- en fauna activiteit bij Provinsje Fryslân redelijkerwijs middels indiening van activiteitenplannen succesvol kunnen worden doorlopen. Met de conclusies wat betreft de gebiedsbescherming, waaronder het berekende effect op beschermde natuurgebieden van 0,00 mol/ha/jaar, wordt derhalve geconcludeerd dat de ecologische uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan voldoende geborgd is en uitvoering van het planvoornemen niet in de weg staan.
4.2
Erfgoed
Wet- en regelgeving De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de toekomstige Omgevingswet. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. De Erfgoedwet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast dient ieder ruimtelijk plan een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. Voor zover in een plangebied sprake is van erfgoed, dient op grond van voorgaande dan ook aangegeven te worden op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologie rekening wordt gehouden. Voor het onderzoek naar erfgoed wordt uitgegaan van de Cultuurhistorische Kaart 2 (CHK2) van de Provinsje Fryslân, waar ook de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) deel van uit
NL.IMRO.0090.BP2022SVR011-0401
29
Vrijburgh - Fase 3
maakt. Op deze kaarten is informatie opgenomen over archeologische en cultuurhistorische waarden. 4.2.1
Archeologie
Toetsing De FAMKE biedt informatie over in de provincie bekende of te verwachten archeologische waarden. Ten aanzien van archeologie geeft de provinciale archeologische advieskaart voor het plangebied aan dat er een verwachting bestaat voor het aantreffen van resten uit de periode ijzertijd-middeleeuwen. Er kunnen in het plangebied sporen aanwezig zijn van veenontginningen met/of (ingegraven) sporen van bewoning of andere activiteiten in de top van het dekzand. Ook bestaat de kans op aanwezigheid van een huisterpje of resten van oudere boerderijen. Daarnaast bestaat er volgens de FAMKE ook een verwachting voor archeologische resten uit de periode steentijd-bronstijd, maar de verwachtingswaarde is gelet op in het verleden reeds verricht onderzoek wat deze onderzoeksperiode betreft laag.
ARCHEOLOGISCH ONDERZOEK Gelet op de hiervoor beschreven provinciale advisering is door RAAP archeologisch onderzoek verricht betreffende de eerst te ontwikkelen fase 2 van Vrijburgh alsook voor grote delen van de daaropvolgende fase 3. De rapportage hiervan is als Bijlage 6 bij deze toelichting opgenomen. In het archeologisch onderzoek is geconcludeerd dat op basis van de resultaten van het booronderzoek de verwachting is dat geen archeologische resten in het plangebied worden bedreigd vanwege het planvoornemen van dit bestemmingsplan. Daarom wordt in het kader van de voorgenomen bodemingrepen geen vervolgstap uit het proces van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMZ) noodzakelijk geacht.
AANVULLEND INVENTARISEREND VELDONDERZOEK Omdat bij planvorming van Vrijburgh Fase 3 de zuidzijde van het plangebied is gewijzigd en groter is geworden, nadat het archeologisch onderzoek in 2021 al had plaatsgevonden, is door RAAP een aanvullend inventariserend veldonderzoek uitgevoerd voor de nog niet onderzochte delen van het plangebied. Dit onderzoek is als Bijlage 7 bij deze toelichting gevoegd. Uit dit onderzoek komt naar voren dat bewoningssporen uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd aanwezig zijn, behorende bij het buurtschap De Folgeren. Hierom wordt voor deze onderzoeksperiode een waarderend proefsleuvenonderzoek voor twee locaties in het plangebied aanbevolen. Specifiek gericht op twee huisplaatsen op historische kaarten aan de zuidzijde van het plangebied, en waar met het voorliggende bestemmingsplan ruimtelijke ingrepen zijn voorzien. Dit betekent dat in dit bestemmingsplan bij vaststelling een beschermingsregeling voor deze twee gebieden is opgenomen middels de bestemming 'Waarde - Archeologie'. Deze dubbelbestemming ziet er op dat beide locaties voorafgaand aan ruimtelijke ingrepen nader moeten worden onderzocht. Dit betreft dus een proefsleuvenonderzoek op basis van een door de bevoegde overheid daartoe goed te keuren nog op te stellen Programma van Eisen.
30
NL.IMRO.0090.BP2022SVR011-0401
Vrijburgh - Fase 3
Figuur 6. Advieskaart met plaatsbepaling van te verrichten waarderend proefsleuvenonderzoek (Bron: RAAP, 2024)
Voor de overige delen van het plangebied is in het kader van de voorgenomen bodemingrepen geen archeologisch vervolgonderzoek aanbevolen. Deze gronden zijn daarmee archeologievrij verklaard. Wel is het zo dat de archeologische meldingsplicht te allen tijde van kracht blijft. Dit betekent dat wanneer bij graafwerkzaamheden onverwacht toch vondsten worden aangetroffen, waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het archeologie betreft, dit gemeld moet worden bij het bevoegd gezag. Conform art. 5.10 van de Erfgoedwet is aanmelding van de vondsten bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed verplicht.
Conclusie Gelet op de resultaten van het archeologisch onderzoek en de getroffen archeologische beschermingsregeling op een tweetal locaties, waarmee een nog uit te voeren nader waarderend onderzoek middels proefsleuven is geborgd, mag voorliggend bestemmingsplan wat betreft archeologie uitvoerbaar worden geacht.
NL.IMRO.0090.BP2022SVR011-0401
31
Vrijburgh - Fase 3
4.2.2
Cultuurhistorie
Toetsing Bestudering van de CHK2 van Provinsje Fryslân leert dat in het plangebied geen bijzonderheden ten aanzien van nog bestaande cultuurhistorische waarden hoeven te worden verwacht.
Conclusie Dit bestemmingsplan wordt niet belemmerd vanwege de mogelijkheid op het verstoren van onderkende cultuurhistorische waarden; de noodzaak van een beschermingsregeling ten behoeve van cultuurhistorie ontbreekt.
4.3
Water
Toetsingskader Op grond van artikel 3.1.6 Bro dient in de toelichting op ruimtelijke plannen een waterparagraaf te worden opgenomen van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie. Het is de schriftelijke weerslag van de zogenaamde watertoets. Het doel hiervan is het waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Door middel van de watertoets als procesinstrument wordt in een vroegtijdig stadium aandacht besteed aan het wateraspect. Het gaat hierbij om de thema's waterkwantiteit, waterkwaliteit, waterkeringen, wegen, afvalwaterketen en beheer & onderhoud van nieuw en bestaand oppervlaktewater.
Waterwet De Waterwet, die per 22-12-2009 van kracht is geworden, heeft gezorgd voor een ingrijpende bundeling van deze wetgeving. Daarnaast heeft het Nationaal Waterplan (NWP), waarvan de eerste versie tegelijk met de Waterwet is verschenen, een formele rol in de ruimtelijke ordening. Het eerste Nationaal Waterplan is tevens een structuurvisie op basis van de Waterwet en de Wro.
Beleidskader Water en Bodem sturend Naast het voorgaande heeft het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat in 2022 een brief aan de Tweede Kamer gestuurd over 'Water en Bodem sturend'. Door water en bodem sturend te laten zijn in de ruimtelijke ordening, kunnen we in Nederland ook in de toekomst met een ander en grillig klimaat blijven leven, wonen en werken. In een veilige omgeving, met een gezonde bodem evenals voldoende en schoon water. Het kabinet wil bij besluiten die gerelateerd zijn aan de ruimtelijke ordening, meer rekening houden met de bodem en het water. De brief van het Ministerie geldt eveneens als uitgangspunt bij voorliggend plan.
Klimaatadaptatieplan Smallingerland 2024-2028 Als uitwerking van de Omgevingsvisie Smallingerland en in het kader van de Visie Duurzaamheid heeft de gemeente Smallingerland een Klimaatadaptatieplan opgesteld. Het plan richt zich op de thema's wateroverlast, droogte, hittestress en biodiversiteit en bestaat uit drie onderdelen: de groenblauwe structurenkaart, de klimaatadaptatiestrategie en de uitvoeringsagenda klimaatadaptatie. Het klimaatadaptatieplan is door het college en de raad vastgesteld in het voorjaar van 2024. Voor Drachten en De Wilgen zijn de groenblauwe structuren en de knelpunten in de structuren geïnventariseerd. Het product is een groenblauwe structurenkaart die geldt voor alle ruimtelijke
32
NL.IMRO.0090.BP2022SVR011-0401
Vrijburgh - Fase 3
ontwikkelingen en het beheer binnen onze gemeente. Deze kaart is een randvoorwaarde voor alle ruimtelijke ontwikkelingen. Het behoud en de versterking van groenblauwe structuren is van groot belang voor het oplossen van problemen die rondom de vier thema's spelen. De structuren zijn dus van groot belang voor de leefbaarheid binnen de woonwijken. Om een helder kader voor alle ruimtelijke ontwikkelingen te beschrijven, is een klimaatadaptatiestrategie uitgewerkt. Er is een strategie per wijk beschreven en er zijn strategieën per categorie uitgewerkt waarbij ook de consequenties voor de ruimtelijke ontwikkeling en het beheer worden uitgewerkt. De klimaatadaptieve randvoorwaarden gelden voor alle ruimtelijke ontwikkelingen. De meeste randvoorwaarden gelden voor het openbaar terrein. Een aantal randvoorwaarden gelden voor het privaat terrein. Er is een uitvoeringsagenda klimaatadaptatie samengesteld waarbinnen projecten worden benoemd met bijbehorende kosten, kostendekking en planning. De uitvoeringsagenda is verdeeld in drie soorten projecten: uitvoeringsprojecten, bewustwordingsprojecten en onderzoeken (kennis). Waterplan Vrijburgh; Fase 2 en 3 In opdracht van de gemeente Smallingerland is begin 2022 door RoyalHaskoning DHV een Waterplan voor de ontwikkeling van fase 2 en 3 van Vrijburgh opgesteld. Dit waterplan is als Bijlage 8 bij dit bestemmingsplan gevoegd.
In deze studie naar de waterhuishouding voor beide fasen van Vrijburgh is geconcludeerd dat het ontwerp voldoet aan de eisen die zijn gesteld voor het oppervlaktewater en afvalwater. Voor hemelwater zijn de randvoorwaarden aanwezig om dit oppervlakkig af te kunnen voeren naar het oppervlaktewatersysteem. De belangrijkste conclusies in het waterplan zijn de volgende: A. Het ontwerp voldoet aan de eisen voor waterberging. 1. Er is voldoende oppervlaktewater opgenomen om te compenseren voor de te dempen sloten en de toename van verhard oppervlak. 2. De peilstijging bij een 50 mm bui bedraagt 19,3 cm en blijft daarmee ruim onder de toegestane 50 cm. B. Het bestaande afvalwaterstelsel in Duizendblad heeft voldoende capaciteit om ook het afvalwater van Vrijburgh fase 2 en 3 te kunnen verwerken. 3. De POC van rioleringsgebied Burmania/Vrijburgh neemt hiermee af van 29,5 m3/uur naar 21,5 m3/uur. C. Het hemelwater in Vrijburgh voert oppervlakkig af naar het oppervlaktewater. 4. In het oppervlaktewater is voldoende ruimte aanwezig om het hemelwater op te vangen. 5. Het plangebied is geschikt om met bovengrondse goten te laten afwateren; a. de afstand tot het oppervlaktewater is niet groter dan 100 m; en, b. ook het minimale verhang van 1:300 lijkt te realiseren binnen het plangebied. D. De kavels liggen in het plan op minimaal 1,40 m NAP en hiermee ligt de ontwatering op 0 cm. 6.
Hiermee wordt de ontwateringsnorm van 70 cm niet gehaald. Aanvullend onderzoek is nodig om te bepalen wat de kavelhoogte moet worden om aan de ontwateringsnorm te voldoen. E. Hittestress is door de groene opzet in Vrijburgh beperkt. 7. Om te voorkomen dat er lokaal toch hitte-eilanden ontstaan, is het van belang om door heel Vrijburgh voldoende schaduw te creëren. Om het beheer en onderhoud van de watergangen in het plan op een kosteneffectieve manier mogelijk te maken, is hier en daar de groenstrook langs het water iets breder gemaakt voor onderhoud wat ten koste is gegaan van de totale hoeveelheid oppervlaktewater. Het gaat om 2.300 m2. De totaal benodigde waterberging voor fase 2 en 3 is 2,6 hectare. Het waterplan is door RoyalHaskoningDHV doorgerekend met een totaal wateroppervlak van 3,4 hectare. Na aftrek van de 2.300 m2 voldoet het plan nog steeds ruimschoots aan de waterbergingseis. De gemodelleerde peilstijging van 19,3 cm zal nauwelijks toenemen en blijft daarmee ook ruim onder de toegestane 50 cm.
NL.IMRO.0090.BP2022SVR011-0401
33
Vrijburgh - Fase 3
Aanbevolen wordt verder om: Vrijburgh fase 2 en 3 op te nemen in het grondwatermeetnet. Bij vervanging van het gemaal Burmania/Vrijburgh een pompcapaciteit van minimaal 54,3 m3/uur te realiseren om de ledigingstijd terug te brengen naar de gewenste 10 uur. Te verkennen of bovengrondse afvoer van hemelwater op kavelniveau haalbaar is. Voor onderhoudsstroken en watergangen moet minimaal 19,6 m aan ruimte worden gereserveerd, en waar dit niet mogelijk is kan er worden gekozen om vanaf de weg de watergang te onderhouden of aan één zijde een onderhoudsstrook te realiseren. Over voorgaande met betrekking tot invulling van het plangebied van Vrijburgh 3 vindt van gemeentewege afstemming met Wetterskip Fryslân in het kader van de watertoets plaats.
Conclusie Voorwaarden met betrekking tot relevante waterhuishoudkundige aspecten in overleg met Wetterskip Fryslân worden met dit bestemmingsplan in acht genomen. Met het oog daarop wordt er dan ook van uitgegaan dat het planvoornemen van dit bestemmingsplan uitvoerbaar is.
Nota bene Watervergunning (en/of Keurontheffing) van Wetterskip Fryslân als waterbeheerder is nodig voor werkzaamheden in, onder, langs, op, bij of aan open water, waterkeringen en wegen in het beheer van het waterschap, het onttrekken van grondwater en het lozen op het oppervlaktewater (dus ook de voorgenomen demping in voorliggend plan). Voor zover noodzakelijk om tot realisatie van het planvoornemen te komen, zullen te zijner tijd de benodigde vergunningen dan wel ontheffingen bij het waterschap moeten worden aangevraagd.
4.4
Hinder van bedrijven en voorzieningen
Normstelling en beleid Uit oogpunt van ruimtelijke ordening Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, zoals die uitgangspunt is van de Wro, geldt eveneens de noodzakelijkheid tot een voldoende ruimtelijk-functionele afstemming tussen bedrijfsactiviteiten, voorzieningen en hindergevoelige functies (waaronder woningen). Bij deze afstemming kan gebruik worden gemaakt van de richtafstanden uit de basiszoneringslijst in de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) uit 2009. Een richtafstand wordt beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten (betreffende geluid, geur, stof en gevaar) redelijkerwijs kan worden uitgesloten. De grootste afstand is bepalend. In de genoemde VNG-publicatie worden twee omgevingstypen onderscheiden. Bij het omgevingstype 'rustige woonwijk of rustig buitengebied' wordt functiescheiding nagestreefd. Hiertoe worden minimale richtafstanden gehanteerd, waarbij een bepaalde bij een bedrijf of voorziening behorende milieucategorie een zoneringsafstand ten opzichte van hindergevoelige functies inhoudt. Bij het omgevingstype ‘gemengd gebied’ is sprake van functiemenging. In tegenstelling tot rustige woongebieden zijn in dergelijke levendige gebieden milieubelastende activiteiten op kortere afstand van woningen mogelijk.
Hiertoe mogen de aangegeven minimale richtafstanden met één afstandsstap worden verkleind (milieucategorie 1 wordt 0, 2 wordt 1, 3.1 wordt 2, et cetera).
Uit oogpunt van milieu Bedrijvigheid in de directe omgeving van (recreatie)woningen (of (andere) milieugevoelige gebieden) kunnen daar (milieu)hinder vanwege geluid, geur, stof, gevaar en dergelijke veroorzaken. Op grond van
34
NL.IMRO.0090.BP2022SVR011-0401
Vrijburgh - Fase 3
de Wet milieubeheer (Wm) zijn bedrijven en instellingen verplicht te voldoen aan de eisen van een AMvB, dan wel een milieuvergunning te hebben voor de exploitatie van het bedrijf, waarbij rekening gehouden dient te worden met de omliggende woonbebouwing. Door middel van milieuwet- en regelgeving wordt (milieu)hinder voor hindergevoelige functies, zoals woningen, zo veel mogelijk voorkomen.
Toetsing Met het planvoornemen van dit bestemmingsplan is sprake van het juridisch-planologisch mogelijk maken van een nieuwe woonwijk. Woonfuncties gelden als hindergevoelig en daarom moet worden bestudeerd of sprake is van hinderveroorzakende functies zoals bedrijven en voorzieningen in en nabij het plangebied. Aangrenzend aan het plangebied van dit bestemmingsplan is sprake van een tweetal in beginsel hinderveroorzakende functies. Dat betreft een detailhandelsbestemming en een bestemming 'Bedrijf - 1', met de mogelijkheid van bedrijvigheid tot en met milieucategorie 2. Dergelijke bedrijvigheid wordt als goed inpasbaar in woongebieden gezien. Met het planvoornemen van dit bestemmingsplan is rekening gehouden met de toepassing van minimale richtafstanden op grond van de VNG-publicatie. De uitvoering van dit bestemmingsplan wordt dan ook niet belemmerd uit oogpunt van hinder van en voor bedrijven en voorzieningen. Bovendien was in het geldende bestemmingsplan reeds sprake van uitwerkingsbevoegdheden in het plangebied voor wonen. In het kader van dat bestemmingsplan is derhalve ook al overwogen dat wonen in het plangebied gelet op hinder van bedrijven en voorzieningen mogelijk is. Voorliggend bestemmingsplan is een voortzetting van die situatie.
Conclusie Dit bestemmingsplan mag uitvoerbaar worden geacht ten aanzien van het onderdeel hinder van bedrijven en voorzieningen.
4.5
Geluidhinder
Wet- en regelgeving De Wet geluidhinder (Wgh) is er op gericht om de geluidhinder vanwege onder andere spoorweglawaai, industrielawaai en wegverkeerslawaai te voorkomen en te beperken. De Wgh bepaalt dat de 'geluidsbelasting' op gevels van woningen en andere geluidsgevoelige objecten niet hoger mag zijn dan een in de wet bepaalde norm die als voorkeursgrenswaarde wordt aangeduid. In veel gevallen is deze norm 48 dB. Wanneer binnen een geluidzone langs (spoor)wegen of ten behoeve van industrielawaai nieuwe geluidgevoelige objecten, zoals woningen, worden gerealiseerd, moet door middel van akoestisch onderzoek worden vastgesteld of aan de grenswaarden uit de Wgh wordt voldaan. Spoorweglawaai en industrielawaai is op voorhand in het plangebied niet aan de orde. Daarom wordt hierna enkel op wegverkeerslawaai ingegaan. In artikel 74 Wgh is aangegeven wanneer een weg zoneplichtig is. Elke weg heeft in principe een zone, behoudens wegen die gelegen zijn binnen een als woonerf aangeduid gebied en wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. De breedte van een geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van de weg binnen of buiten stedelijk gebied. In navolgende tabel is hiervan een overzicht gegeven.
Tabel 3. Overzicht breedte geluidzones per type weg Aantal rijstroken
Wegligging binnenstedelijk gebied
Wegligging buitenstedelijk gebied
2
200 m
250 m
3 of 4
350 m
400 m
NL.IMRO.0090.BP2022SVR011-0401
35
Vrijburgh - Fase 3
5 of meer
n.v.t.
600 m
Toetsing Omdat dit bestemmingsplan ziet op de nieuwbouw van woningen, die als geluidsgevoelige objecten worden aangemerkt, en in het plangebied diverse geluidzones van toepassing zijn van omringende wegen (maatgevend zijn de Folgeralaan en de weg Folgeren/Nijtap), is toetsing aan de Wgh nodig. Hiertoe is een eerste toetsing door de FUMO verricht die als Bijlage 9 bij deze bestemmingsplantoelichting is opgenomen. Omdat het vooralsnog om een mogelijke invulling gaat, is alleen de ligging van belangrijke grenswaardecontouren in het gebied voor het maatgevende jaar 2032 berekend. Daarbij is uitgegaan van het wettelijk kader en is de ligging van de grenswaardecontouren op 1,5 m, 4,5 m en 7,5 m waarneemhoogte ten opzichte van maaiveld inzichtelijk gemaakt. Uit het bijgevoegde beeldmateriaal in de onderzoeksrapportage kan voor het plangebied van Vrijburgh Fase 3 in beginsel in relatie tot het thans uitgewerkte stedenbouwkundige ontwerp het volgende worden opgemaakt: Op een waarneemhoogte van 1,5 m en 4,5 m reiken 48 dB- en 53 dB-grenswaardecontouren vanwege provinciale weg N31 (de Wâldwei) niet tot in het plangebied. Op een waarneemhoogte van 7,5 m ligt de 53 dB-grenswaardecontour over het noordelijk deel van het plangebied.
Hier is van belang dat (afhankelijk van de definitieve planinvulling) vervolgonderzoek nodig kan zijn waarbij de geluidsbelasting op de te realiseren woningen opnieuw wordt doorgerekend. Dat is nodig om - indien de voorkeursgrenswaarde op een bepaalde woning wordt overschreden - een hogere waarde procedure te kunnen doorlopen om daarmee hogere waarde vast te kunnen stellen voor de desbetreffende woningen. Toekomstige woningen in het oostelijk deel van het plangebied worden niet belemmerd door grenswaardecontouren vanwege de Folgeralaan op een waarneemhoogte van zowel 1,5 m als 4,5 m als 7,5 m. Ook vanwege de Folgeren/Nijtap zijn in het zuidelijke deel van het plangebied geen belemmeringen te verwachten omdat gedachte woonfuncties al op grotere afstand gedacht zijn dan dat de berekende 48 dB- en 63 dB-grenswaardecontouren reiken in het plangebied. Conclusie Gelet op voorgaande mag worden geconcludeerd dat de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan op voorhand niet door geluidhinder wordt belemmerd.
4.6
Externe veiligheid
Wet- en regelgeving Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico’s voor de omgeving bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, aardgas of LPG. Het aandachtsveld van externe veiligheid richt zich op zowel inrichtingen (bedrijven) waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn als het transport van gevaarlijke stoffen. Dit vervoer kan plaatsvinden over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid is er op gericht te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Dit is verankerd in diverse wet- en regelgeving, zoals het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Barim; ook bekend als het Activiteitenbesluit). De volgende normen worden onderscheiden: Plaatsgebonden risico (PR): Dit betreft afstandseisen, die moeten worden gezien als grenswaarde (harde norm) waarvan niet kan worden afgeweken. Groepsrisico (GR): Het groepsrisico is afhankelijk van de bevolkingsdichtheid rondom een risicovolle activiteit. Dit betreft geen harde norm, maar een oriëntatie waarde. Daarvoor bestaat een
36
NL.IMRO.0090.BP2022SVR011-0401
Vrijburgh - Fase 3
verantwoordingsplicht. Inventarisatie In het kader van het Interprovinciaal Overleg (IPO) is een zogenoemde risicokaart ontwikkeld. Hierin is informatie opgenomen die met risico te maken heeft; zowel risicobronnen als kwetsbare objecten worden getoond die aandacht verdienen bij ruimtelijke ontwikkelingen. Om na te gaan of er voor het planvoornemen ook aandachtspunten (in dit geval risicobronnen) op het vlak van de externe veiligheid aanwezig zijn, is de risicokaart geraadpleegd. Navolgende figuur toont het kaartfragment hiervan. Zichtbaar is dat voor het plangebied van dit bestemmingsplan twee risicobronnen worden onderscheiden, betreffende: het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; het transport van gevaarlijke stoffen over de N31.
Figuur 7. Fragment van risicokaart met aanwezige risicobronnen nabij plangebied (bron: Atlas leefomgeving, 2022)
Toetsing Om de risico's inzichtelijk te maken met betrekking tot voorliggend plangebied is de FUMO in eerste instantie gevraagd om advies over de externe veiligheid uit te brengen. Dit volgt op het reeds verrichtte onderzoek in 2015, als opgenomen in Bijlage 10, met betrekking tot de totstandkoming van het geldende bestemmingsplan Vrijburgh waarin voorliggend plangebied grotendeels met uitwerkingsbevoegdheden voor wonen is opgenomen. Door de FUMO is geconstateerd dat de direct aan de westzijde van het plangebied gesitueerde hogedruk aardgastransportleiding van de Nederlandse Gasunie (N-505-60) relevant is, evenals de ten noordoosten van het plangebied gelegen basisnetweg N31. Daarnaast blijkt het plangebied deels binnen het invloedsgebied van de Bevi-inrichting van Renewi te liggen. Dit bestemmingsplan voorziet in de realisatie van beperkt kwetsbare objecten (woningen) en kwetsbare objecten (publieke gebouwen dan wel gebouwen met verminderd zelfredzame personen). De exacte locatie voor planrealisatie is globaal. Met het bestemmingsplan is gewerkt met deelgebieden waar de diverse beperkt kwetsbare objecten en kwetsbare objecten mogen worden gebouwd.
NL.IMRO.0090.BP2022SVR011-0401
37
Vrijburgh - Fase 3
Brandweer Fryslân heeft hierop volgend geadviseerd en gekeken naar een aantal aspecten voor de risicobronnen die relevant zijn in de nabijheid van het plangebied en dat betreffen de risicovolle inrichting van Renewi en de buisleiding van Gasunie. Onderstaand zijn de conclusies daarvan overgenomen.
Risicovolle inrichting Op een afstand van circa 2.500 m is het bedrijf Renewi gelegen. Dit bedrijf beschikt over een invloedsgebied van circa 2.700 m op basis van het scenario toxische wolk. Omdat het zuidwestelijke deel van het plangebied binnen dit invloedsgebied ligt, dient er op basis van artikel 13 van het Bevi een verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Een toxische wolk kan vrijkomen ingeval er brand ontstaat in de loods met gevaarlijke stoffen. De brand veroorzaakt rook met giftige verbrandingsproducten. Hierdoor kunnen personen in de omgeving slachtoffer worden. De omvang van de giftige wolk is afhankelijk van de inrichting van de omgeving, de blootstellingsduur en de weersomstandigheden. Afhankelijk van de afstand tot het ongeval en de omstandigheden zullen mensen overlijden of raken gewond. Het handelingsperspectief bij een toxische wolk is: vluchten van de bron af of schuilen binnenshuis en hierbij het sluiten van ramen en deuren en het uitschakelen van ventilatie. Hierbij zijn de aanwezige personen voor een groot deel op zichzelf aangewezen. In het kader van het scenario toxische wolk bij Renewi ziet Brandweer Fryslân, bij huisvesting dan wel aanwezigheid van zelfredzame bewoners/bezoekers, geen knelpunten in relatie tot het plangebied.
Buisleidingen Op een afstand van circa 40 m van de nieuwe woonwijk ligt een hogedruk aardgastransportleiding met een diameter van 4 inch en een maximale werkdruk van 40 Bar. Op basis van het scenario fakkelbrand heeft deze buisleiding een 100%-letaliteitscontour van 30 m en een 1%-letaliteitscontour van 50 m (invloedsgebied). Op basis van artikel 12 van het Bevb dient er een verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Wanneer er een fakkelbrand op de buisleiding ontstaat, zullen alle aanwezige personen binnen de 100%-letaliteitscontour komen te overlijden aan de hittestralingseffecten. Binnen de 1%letaliteitscontour zal tot op de grens hiervan nog 1% van de aanwezige personen komen te overlijden. Binnen deze contour zullen er ook secundaire branden ontstaan en dubbele beglazing zal knappen. Het handelingsperspectief bij een (dreigende) fakkelbrand is: vluchten van de bron af of dekking zoeken/schuilen binnenshuis. Hierbij zijn de aanwezige mensen op zichzelf aangewezen, aangezien de brandweer niet kan optreden binnen deze contouren in verband met de hittestraling die daar zal optreden. Op advies van Brandweer Fryslân is er met voorliggend bestemmingsplan voor gezorgd dat in deze zone van 50 m geen woongebouwen kunnen worden gerealiseerd voor verminderd zelfredzame bewoners aangezien deze onmogelijk zelfstandig van de bron af kunnen vluchten.
Dit betreft de deelgebieden 1 en 5 van voorliggend planvoornemen.
Verantwoordingsplicht van het groepsrisico Met behulp van het uitvoeren van de verantwoordingsplicht voor het groepsrisico en het advies van Brandweer Fryslân, dient het bevoegd gezag zich uit te spreken over de aanvaardbaarheid van het restrisico. Daarbij geldt dat voor wat betreft de acceptatie van een zeker restrisico ook het belang van de ontwikkeling meegewogen dient te worden. Ondanks maatregelen ter verhoging van de veiligheid kunnen risico's namelijk nooit voor 100% worden weggenomen. Ook na het nemen van veiligheid verhogende maatregelen zal altijd een restrisico blijven bestaan. Hierop is door de FUMO het adviesmemo opgesteld dat in Bijlage 11 is opgenomen en waarbij het advies van Brandweer Fryslân is betrokken. In het adviesmemo is ingegaan op de verantwoording van het groepsrisico. Alleen het invloedsgebied van de hogedruk aardgastransportleiding blijkt daarin gelet op het thans voorliggende planvoornemen echter nog tot de verplichting van een verantwoording van het
38
NL.IMRO.0090.BP2022SVR011-0401
Vrijburgh - Fase 3
groepsrisico te leiden. De risicovolle Bevi-inrichting Renewi ligt met 2.500 m namelijk op voldoende afstand om geen gevolgen voor het groepsrisico te kunnen hebben. De uitkomsten van de voor de hoge druk aardgastransportleiding uitgevoerde kwantitatieve risicoanalyse (QRA) leidt voor de bestaande als voor de nieuwe situatie verder ook niet tot een overschrijding van het groepsrisico. Hierom kan worden volstaan met een beperkte verantwoording daarvan.
Beperkt verantwoording van het groepsrisico De wettelijk verplichte onderdelen van een uitgebreide verantwoording groepsrisico (Bevb) zijn: a. de aanwezige dichtheid van personen in het invloedsgebied van de buisleidingen op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld; b. het groepsrisico per km buisleidingen en de bijdrage ten gevolge van de vaststelling van het plan; c. indien mogelijk de maatregelen ter beperking van het GR die worden toegepast door de exploitant van de buisleiding; d. nut en noodzaak van de voorgenomen ontwikkeling; e. de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval in de inrichting waarop het besluit betrekking heeft, en; f. de mogelijkheden van personen die zich in het invloedsgebied van de buisleiding(en) bevinden om zich in veiligheid te brengen indien zich een ramp of zwaar ongeval voordoet. Op grond van artikel 12, lid 2 van het Bevb moet Brandweer Fryslân door de gemeente in de gelegenheid worden gesteld om advies uit te kunnen brengen over de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid (onderdelen e en f). Dat heeft per adviesbrief van 15-11-2022 plaatsgevonden, als opgenomen zijnde de op het bestemmingsplan ingekomen overlegreactie van de brandweer in Bijlage 15.
Uit het adviesmemo van de FUMO is reeds gebleken dat er geen sprake is van een toename van het groepsrisico. In verband hiermee kan daarom worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Dit houdt in dat vorengenoemde onderdelen onder c en d niet in de verantwoording hoeven te worden meegenomen. Dat er geen groepsrisico is berekend, is het gevolg van de ruimtelijke situatie, waarbij vrijwel geen populatie binnen de 100%-letaliteitszone van de hogedruk aardgastransportleiding aanwezig is. Daarnaast heeft de faalfrequentie van de aardgastransportleiding invloed op de hoogte van het berekende groepsrisico. Wat betreft het planvoornemen van voorliggend bestemmingsplan is de beperkte verantwoording van het groepsrisico als volgt:
Ad. a en b: De hoogte van het groepsrisico en de invloed van de ruimtelijke ontwikkeling op het groepsrisico is met de QRA van 08-03-2022 in beeld gebracht. De ruimtelijke ontwikkeling laat geen toename van het groepsrisico zien.
Ad e en f: Bereikbaarheid: 1. Het plangebied is via één aanrijroute bereikbaar. Bepaalde delen van het plangebied zijn slechts via een smalle weg bereikbaar waardoor ontsluiting (mogelijk) niet voldoet aan de eisen en deze objecten niet bereikbaar zijn. 2. Geadviseerd wordt om maatregelen te treffen voor de bereikbaarheid van hulpdiensten in geval van werkzaamheden aan de aanrijroute. Verder wordt geadviseerd om een tweede aanrijroute voor het plangebied te realiseren 3. De berekende opkomsttijd voor het eerst aankomende blusvoertuig in het plangebied is circa 12 minuten en voldoet daarmee aan de geldende normen. Bestrijdbaarheid:
NL.IMRO.0090.BP2022SVR011-0401
39
Vrijburgh - Fase 3
1. Geadviseerd wordt om een netwerk van brandkranen (om de 200 m) aan te leggen in het plangebied en waarbij wordt voldaan aan de volgende eisen: 2. Voor de woningen binnen 6 minuten moet 500 l/min aan bluswater beschikbaar zijn voor de eerste brandbestrijding. Dit kan gerealiseerd wordt door af te leggen op een brandkraan met een opbrengst van minimaal 30 m3/uur die op maximaal 100 m van de opstelplaats. 3. Geadviseerd wordt om de brandweer te betrekken bij de exacte uitwerking van de bluswatervoorziening. Bij de planuitwerking zal de gemeente Smallingerland actief Brandweer Fryslân blijven betrekken om advies voor een veilige inrichting van het plangebied.
Conclusie Gelet op voorgaande mag voorliggend bestemmingsplan ten aanzien van het aspect externe veiligheid uitvoerbaar worden geacht.
4.7
Luchtkwaliteit (en verkeer)
Normstelling en beleid In hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (Wm) zijn de grenswaarden op het gebied van de luchtkwaliteit vastgelegd. Daarbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5) van belang. Grenswaarden ten aanzien van de jaargemiddelde concentratie betreffen 40 µg/m3 voor zowel NO2 als PM10 en 25 µg/m3 voor PM2,5. Projecten met een invloed van 'niet in betekenende mate' (nibm) op de luchtkwaliteit zijn verder vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden. Op grond van de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) zijn (onder andere) de volgende projecten vrijgesteld van toetsing: woningbouwprojecten met minder dan 1.500 woningen; projecten die leiden tot minder dan 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m3 NO2 of PM10). Deze grens komt in 2022 overeen met 1.985 auto's dan wel 100 vrachtwagens per weekdagetmaal (Grenswaarden per 23-04-2022). PM10 en PM2,5 zijn overigens sterk gerelateerd, aangezien PM2,5 onderdeel uitmaakt van de emissie van PM10. Als aan PM10 wordt voldaan, mag daarom worden aangenomen dat ook de grenswaarde van PM2,5 niet wordt overschreden.
Toetsing Het toevoegen van woningbouw leidt tot een toename van de verkeersaantrekkende werking (van motorvoertuigbewegingen) van en naar het plangebied. Voorgaande vrijstellingsregeling voor woningbouw is evenwel van toepassing op het planvoornemen van dit bestemmingsplan omdat bij recht ten hoogste 151 woningen kunnen worden gerealiseerd. Ook de FUMO hanteert in haar advies aan de gemeente omtrent luchtkwaliteit deze denklijn als opgenomen in Bijlage 12 bij dit bestemmingsplan. Vanwege het planvoornemen en de vrijstellingsregeling die kan worden gehanteerd, is vervolgonderzoek niet nodig. Bovendien blijkt ook op basis van Grootschalige Concentratiekaarten Nederland (GCN-kaarten) dat geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van geldende grenswaarden voor de luchtkwaliteit in het gebied. Aan de regels met betrekking tot de Wet milieubeheer kan bij uitvoering van het planvoornemen worden voldaan. De Wet luchtkwaliteit staat uitvoering van het plan dan ook niet in de weg.
Conclusie Het planvoornemen van dit bestemmingsplan dient te worden beschouwd als een nibm-plan en wordt niet door de wettelijk gestelde eisen wat betreft het aspect luchtkwaliteit belemmerd.
40
NL.IMRO.0090.BP2022SVR011-0401
Vrijburgh - Fase 3
4.8
Bodem
Toetsings- en beleidskader In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat in de toelichting op een ruimtelijk plan inzicht verkregen moet worden in de uitvoerbaarheid van het plan. Dit betekent dat er onder meer inzicht verkregen moet worden in de noodzakelijke financiële investering in een (mogelijk noodzakelijke) bodemsanering. Een onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem is derhalve onderdeel van de onderzoeksverplichting bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan. Uitgangspunt ten aanzien van de bodemkwaliteit is dat deze bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zodanig goed moet zijn dat er geen risico’s voor de volksgezondheid bestaan bij het gebruik van het plangebied voor wonen of een andere functie. Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening moet het bestemmen van gronden met een bodem van onvoldoende milieuhygiënische kwaliteit met een hiervoor gevoelige bestemming in beginsel worden voorkomen.
Water en Bodem sturend Naast het voorgaande heeft het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat in 2022 een brief aan de Tweede Kamer gestuurd over 'Water en Bodem sturend'. Door water en bodem sturend te laten zijn in de ruimtelijke ordening, kunnen we in Nederland ook in de toekomst met een ander en grillig klimaat blijven leven, wonen en werken. In een veilige omgeving, met een gezonde bodem evenals voldoende en schoon water. Het kabinet wil bij besluiten die gerelateerd zijn aan de ruimtelijke ordening, meer rekening houden met de bodem en het water. De brief van het Ministerie geldt eveneens als uitgangspunt bij voorliggend plan.
Onderzoek Vanwege het planvoornemen van dit bestemmingsplan is door WMR Rinsumageest verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De onderzoeksrapportage hiervan is als Bijlage 13 opgenomen. Doel van het onderzoek is geweest om de milieuhygiënische bodemkwaliteit vast te stellen om op basis daarvan te kunnen bepalen of de gronden in zowel fase 2 als fase 3 van Vrijburgh voldoende geschikt zijn voor de voorgenomen woningbouwontwikkeling. De conclusies en aanbevelingen van het onderzoek kunnen als volgt worden samengevat: Op basis van de verhoogde gehalten in de bovengrond en het grondwater blijkt de gestelde onderzoekshypothese, van een onverdachte locatie, niet juist. De licht verhoogde gehalten zijn echter dusdanig (lager dan de interventiewaarde) dat aanvullend onderzoek niet noodzakelijk is. De gemeten sterk verhoogde nikkelconcentratie in het grondwater geeft, formeel gezien, aanleiding tot de uitvoering van een nader bodemonderzoek. Echter, is een afname van de nikkelconcentratie aangetoond, naarmate het grondwater later wordt bemonsterd. Verder is het grondwater ter plaatse van nagenoeg de gehele onderzoekslocatie licht verhoogd met nikkel. In de ondergrond zijn geen verhoogde nikkelgehalten gemeten. Ook zijn er geen historische aanwijzingen dat nikkel verhoogd aanwezig is. Gelet hierop acht WMR een nader grondwateronderzoek niet direct noodzakelijk.
Een mogelijkheid om het grondwater ter plaatse van peilbuis 9 (aan de noordkant in Vrijburgh Fase 3) op een later tijdstip te bemonsteren en te analyseren op het voorkomen van nikkel, zal zekerheidshalve nog plaats gaan vinden. Voorgaand beschreven verkennend bodemonderzoek van 17 november 2021 bleek niet het volledige terrein voor planontwikkeling van Vrijburgh Fase 3 te beslaan. Hierom is voor de resterende delen (in het zuidelijk gelegen deel van Vrijburgh Fase 3) daarna nog een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd dat als Bijlage 14 bij de toelichting is opgenomen. Hieruit bleek voor die onderzochte gronden het volgende: Op basis van de verhoogde gehalten in de bovengrond en het grondwater blijkt de gestelde onderzoekshypothese, van een onverdachte locatie, niet juist. De licht verhoogde gehalten zijn echter dusdanig (lager dan de interventiewaarde) dat aanvullend onderzoek niet noodzakelijk is.
NL.IMRO.0090.BP2022SVR011-0401
41
Vrijburgh - Fase 3
De matig verhoogde bariumconcentratie in het grondwater geeft, formeel gezien, aanleiding tot de uitvoering van een nader grondwateronderzoek. Echter, is bekend dat in deze regio verhoogde gehalten aan zware metalen in het grondwater van nature aanwezig zijn. In de ondergrond zijn geen verhoogde bariumgehalten gemeten. Ook zijn er geen historische aanwijzingen dat barium verhoogd aanwezig is. Gelet hierop acht WMR een nader grondwateronderzoek niet direct noodzakelijk. Een mogelijkheid is om het grondwater ter plaatse van peilbuis 1 op een later tijdstip te bemonsteren en te analyseren op het voorkomen van barium. Conclusie Voorliggend bestemmingsplan wordt gelet op de verrichte verkennende bodemonderzoeken in uitvoerbaarheid niet gehinderd door het aspect bodemkwaliteit.
4.9
Ladder voor duurzame verstedelijking
4.9.1
Inleiding
Het voorgenomen woningbouwplan is vanwege zijn omvang aan te merken als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Hiervoor is in verband met een zorgvuldig ruimtegebruik een uitgebreide onderbouwing in het kader van de Ladder voor duurzame verstedelijking (hierna: de Ladder) noodzakelijk. De Ladder is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik, met een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. De toelichting bij een bestemmingsplan, dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, dient namelijk een beschrijving/toetsing van de behoefte aan die ontwikkeling te bevatten. In navolgende vindt die toetsing van de behoefte aan de ladder plaats aan het bij recht in dit bestemmingsplan opgenomen maximale aantal van 151 woningen. Hiervoor is gebruik gemaakt van de meest actuele beleidsdocumenten, zoals de gemeentelijke en regionale woonvisie, en de daaraan ten grondslag liggende woningbehoefteprognoses. 4.9.2
Wettelijk kader
Bij besluit van 28 augustus 2012 is de Ladder toegevoegd aan artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en vervolgens op 1 oktober 2012 in werking getreden. Op 1 juli 2017 is het Bro gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. De Ladder staat als instrument niet op zichzelf, maar geeft mede vorm aan de systeemverantwoordelijkheid van de minister van Infrastructuur en Milieu voor een goede ruimtelijke ordening. Deze verantwoordelijkheid brengt met zich mee, dat de minister er voor zorgt dat decentrale overheden over de juiste instrumenten kunnen beschikken voor een zorgvuldige benutting van de ruimte. Hieronder wordt begrepen het voorkomen van overprogrammering, het faciliteren van groei, het anticiperen op stagnatie en het leefbaar houden van krimpregio's. De Ladder is onder andere van toepassing op woningbouwplannen die worden aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling.
Bij het bepalen óf en hoe de Ladder moet worden toegepast, zijn de volgende aspecten van belang: 1. 2. 3. 4. 5.
Is er sprake van een stedelijke ontwikkeling? Is de stedelijke ontwikkeling nieuw? Wat is het ruimtelijk verzorgingsgebied? Is er behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling? Ligt de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied?
4.9.3
Toetsing
Ad 1. Is er sprake van een stedelijke ontwikkeling? Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de
42
NL.IMRO.0090.BP2022SVR011-0401
Vrijburgh - Fase 3
ontwikkeling, in relatie tot de omgeving. Voor wonen geldt dat voor woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen of meer sprake is van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. Het bestemmingsplan bevat de mogelijkheid van ten hoogste 151 woningen in diverse bouwvormen en variërende woonmilieus. De locatie speelt in op de grote woningbehoefte die er momenteel bestaat. Gelet op de omvang van het woningbouwplan is sprake van een stedelijke ontwikkeling.
Ad 2. Is de stedelijke ontwikkeling nieuw? De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd. Het plangebied is onderdeel van het bestemmingsplan Vrijburgh (vastgesteld in 2016). Voor het plangebied zijn uit te werken bestemmingen naar wonen en groen van toepassing. Het geldende bestemmingsplan ziet op een uitwerkingsplicht met uitgesteld onderzoek. Dit bestemmingsplan regelt dat uitgeefbare kavels voor een breed pallet aan woningbouwtypen met bijbehorende bouwwerken kunnen worden gerealiseerd. Ten opzichte van het geldende bestemmingsplan is sprake van het benutten van de opgenomen uitwerkingsverplichtingen. Hoewel toekomstige woningbouw was voorzien bij de totstandkoming van het geldende bestemmingsplan, is met voorliggend bestemmingsplan nu sprake van de daadwerkelijke juridisch-planologische verankering en derhalve sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Ad 3. Wat is het ruimtelijk verzorgingsgebied? Wanneer sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, moet de behoefte aan die ontwikkeling worden gemotiveerd.
De behoefte moet worden bepaald binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van de ontwikkeling. De aard en omvang van de ontwikkeling zijn leidend voor het schaalniveau waarop de ruimtebehoefte moet worden afgewogen. Voor wonen kan dit schaalniveau de gemeentegrens overstijgen. In de Omgevingsgerichte Woonvisie 2020-2025 met woningbouwprogramma, als nader uitgewerkt in paragraaf 3.4.2 van de gemeente, is aangegeven dat Drachten zich profileert als centrumstad in de regio en dat ook graag wil blijven. Drachten ligt erg centraal in Noord-Nederland, waarbij de arbeidsmarkt van grotere kernen als Groningen, Assen, Leeuwarden en Heerenveen alle binnen een half uur rijden zijn gesitueerd. Dit betekent een gunstige uitvalbasis in de regio voor hoogopgeleiden als zij in Drachten woonachtig zijn. Het gemeentelijk woonbeleid zet hier dan ook op in. De gemeente richt zich bewust op het behouden en aantrekken van hoogopgeleiden naar Drachten. De achtergrond daarvan is dat de beroepsbevolking van Smallingerland naar verhouden lager opgeleid is, terwijl de vraag naar hoogopgeleiden op de arbeidsmarkt in de gemeente, maar ook in Noord-Nederland als geheel, toeneemt. Dit houdt in dat inkomende pendel in de gemeente hoog is en veelal van buiten de regio afkomstig is.
De gemeente wil de werknemers die in Drachten of de gemeente werken maar er buiten wonen, verleiden om zich hier te vestigen en de specifieke woonwensen van die doelgroep ook in nieuwbouwplannen te betrekken. Het ruimtelijk verzorgingsgebied voor de grotere woningbouwprojecten in de gemeente mag gelet op voorgaande als (boven)regionaal worden aangemerkt.
Ad 4. Is er behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling? Zoals hiervoor al staat vermeld, dient de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, te worden beschreven. Daarbij is het niet relevant of het plangebied binnen of buiten bestaand stedelijk gebied ligt. Kortgezegd is de 'behoefte' het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling (de komende 10 jaar, zijnde de looptijd van het bestemmingsplan) verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als dit aanbod feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit). Naast kwantitatieve aspecten kunnen ook kwalitatieve aspecten een rol spelen bij de beschrijving van de behoefte. Daarbij kan vooral worden gedacht aan specifieke woontypen, wooncategorieën en woonmilieus. De woningbouwruimte voor Smallingerland is vastgesteld op 1.251 woningen voor de periode 2016 t/m 2025. In de periode 2016 t/m 2019 zijn er in totaal 430 woningen netto toegevoegd. De resterende
NL.IMRO.0090.BP2022SVR011-0401
43
Vrijburgh - Fase 3
reguliere woningbouwopgave tot 2026 komt daarmee uit op 820 woningen. Met de provincie is afgesproken om maximaal 250 woningen over te programmeren voor het binnenstedelijk gebied. Dit biedt de mogelijkheid om planologisch 1.070 woningen te plannen. In de 'harde' woningbouwplannen voor de periode 2020-2025 zitten op dit moment 642 woningen, waarvan 120 voor Fase 2/3 van Vrijburgh. In het woningbouwprogramma voor de periode na 2025 zijn nog eens 130 woningen opgenomen voor verdere invulling van Vrijburgh. In de woningbouwprogrammering met de regio is dus reeds overeengekomen dat invulling van Vrijburgh passend is binnen de aanwezige kwantitatieve behoefte. Ook wat betreft de diverse woningtypen en woonmilieus die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt, is de verwachting dat daar ruim voldoende vraag naar bestaat omdat er een brede mix wordt gerealiseerd die verschillende doelgroepen zal aanspreken.
Ad 5. Ligt de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied? In artikel 1.1.1 onder h van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip 'bestaand stedelijk gebied' vastgelegd. Als bestaand stedelijk gebied wordt aangemerkt: "het bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur". De omgeving van het plangebied bestaat uit woningen, infrastructuur (wegen en parkeervoorzieningen) en stedelijk groen. Het plangebied kan als binnenstedelijke uitleglocatie worden aangemerkt. Geconcludeerd kan worden dat het plangebied onderdeel is van het bestaand stedelijk gebied. 4.9.4