CConstaterende datSmallingerland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 Plan-projectMER Oudega

Het Debat 19 september 2023, gemeente SmallingerlandBij agendapunt: Bestemmingsplan en Milieueffectrapport (MER) Oudega – Nije Aldegeaster Sânning33.701 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Figuur 4-3 Dwarsdoorsnede aanlegplekken (bron: ontwerp meer 2021)

Trailerhelling en parkeerplaats Nabij het gemaal zal een trailerhelling en een parkeervoorziening worden gerealiseerd met circa 10 maar maximaal 20 parkeerplaatsen. Er zijn diverse andere trailerhellingen in de omgeving van Drachten of Eernewoude, dus het gebruik zal naar verwachting beperkt blijven tot mensen uit de streek en een incidentele bezoeker van elders. Op basis van bezoekersaantallen in de omgeving zal dit niet meer bedragen dan een of twee keer per week een bezoeker. Maar wanneer volop gebruik wordt gemaakt van de 20 parkeerplaatsen is een toename niet uit te sluiten. Er is immers plaats voor 20 auto’s inclusief trailer. Recreanten die gebruik maken van de trailerhelling doen dat vaak voor een dag of dagdeel. Dat betekent dat worst-case een toename van 80 mvt per etmaal in de zomermaanden kan ontstaan. Incidenteel gebruik Het plan biedt geen kader voor grootschalige evenementen, maar mogelijkheden voor bijvoorbeeld zeilwedstrijden (zoals die in de omgeving toch al worden gehouden, bijvoorbeeld het jaarlijkse platbodemevenement) passen uitstekend binnen het doel van het plan. Daarvoor is het meer niet specifiek bestemd, maar dergelijke activiteiten maken deel uit van de in de bestemming genoemde functie 'watersport'.

Concreet bestaat een dergelijk evenement uit twee dagen per jaar waar circa 40 Friese jachten, boeiers, tjotters, aken, schouwen, boatsjes, jollen, grundels en kleine skûtsjes elkaar in de haven van Oudega treffen. In de omgeving worden in die twee dagen drie zeilwedstrijden gehouden. Door de inrichting van het meer kan gekozen worden om in die twee dagen een wedstrijd binnen het plangebied mogelijk te maken met een evenementen

54/142

vergunning. Voor een dergelijk evenement wordt uitgegaan dat maximaal 1.200 toeschouwers het evenement kunnen bekijken vanaf de nieuwe kering, het uitkijkpunt en vanaf de ligplaatsen. De schatting van maximaal 1.200 toeschouwers is gebaseerd op maximaal 10 personen per boot/aanhang maal 3. Het getal maal 3 komt voort uit ervaringscijfers vanuit dergelijke evenementen in de omgeving. Bij het evenement zal het parkeren worden gereguleerd door locaties beschikbaar te stellen nabij de kern van Oudega en het publiek naar een nog nader te bepalen locatie te leiden. 4.3.2 Waterhuishouding Binnen het bestemmingsplangebied wordt ook een nieuw gemaal mogelijk gemaakt. Het gemaal is aan de westzijde van het plangebied voorzien waarmee een gebied van ongeveer 100 hectare bemaalt en een capaciteit heeft van 10 m3/min. Zoals in paragraaf 3.1 is beschreven wordt het gebied in de huidige situatie bemaald door het gemaal Oosterzanding op ongeveer 650 meter ten oosten van het plangebied. Deze wordt gevoed door de watergangen in het plangebied en is middels een onderleider onder het Alddjip door aangesloten. Uit studies van het Wetterskip is gebleken dat een nieuwe onderleider onder het nieuwe meer niet wenselijk en niet (financieel en technisch) uitvoerbaar is. Er is daarom gekozen om ter plaatse van de hoofdwatergang langs De Geasten een nieuw gemaal te realiseren (bijlage 2).

De locatie van het gemaal is gekozen omdat het gebied in de huidige situatie al bemaald wordt via deze hoofdwatergang en deze locatie is gelegen op een laag punt in het gebied. Door op deze locatie een gemaal te plaatsen, worden significante ingrepen in het watersysteem rond het plangebied voorkomen. Hierbij is rekening gehouden met de ontmanteling van het baggerdepot en de ophoging van de gronden ten behoeve van de grondruil. Doordat deze ingrepen in het watersysteem plaatsvinden is een wijziging van het peilbesluit noodzakelijk. In Figuur 3-12 is het toekomstige waterpeil in en rond het plangebied weergegeven. Wetterskip Fryslân is verantwoordelijk voor de bouw, het beheer en het onderhoud van dat gemaal en de handhaving van de nieuwe streefpeilen.

55/142

Figuur 4-4 Overzichtstekening en lengte profile te realiseren gemaal (bron: Wetterskip Fryslân)

56/142

Figuur 4-5 Bemalingsgebied nieuw gemaal

4.3.3 Natuur Het planvoornemen maakt het mogelijk om ter plaatse van agrarische percelen een meer te realiseren. Dit meer wordt voor een klein deel gerealiseerd op grond die de status NNN Natuur kent, namelijk ter plaatse van de oude kering rondom het gebied. Daar waar geen meer wordt gemaakt, heeft Wetterskip Fryslân de gehele kering vernieuwd en verhoogd. Hiervoor is door de provincie Fryslân een ontheffing op de Wet natuurbescherming verleend. Ter plaatse van het te realiseren meer wordt de oude kering afgegraven. Het verlies van deze kering met een natuuraanduiding moet minimaal 1:1 worden gecompenseerd. Daartoe moet dus minimaal eenzelfde oppervlakte de bestemming natuur krijgen. Een groot deel van het meer wordt gerealiseerd op agrarische grond die de status NNN-beheergebied kent. Op grond van het provinciebeleid moet het verlies aan NNN-beheergebied worden afgewogen tegen de nieuwe functie. Bij uitvoering van het plan wordt een agrarisch gebied dat is aangewezen als een NNN-beheergebied, omgevormd tot een meer. Een NNN-beheergebied bestaat gewoonlijk niet uit gronden die zijn bestemd als natuur, maar uit agrarische gronden die bemest, gemaaid en begraasd worden. Wel is geconstateerd dat deze gronden (blauwe arcering, Figuur 4-6) de afgelopen jaren relatief goed werden gebruikt door weidevogels, ook al is dat niet vertaald in een formele status.

Daarom worden de aangrenzende gronden met de status NNN-beheergebied, voor zover die nog in eigendom zijn van de gemeente, verkocht onder randvoorwaarden gericht op weidevogelbeheer. De opbrengstderving waarmee dat gepaard gaat, is in het project verrekend.

57/142

Figuur 4-6 Compensatie NNN-gebied

Figuur 4-7 Dwarsdoorsnede ecologische zone, bron: Ontwerp meer 2021

58/142

Compensatie De kering die onder water wordt gezet vanwege de aanleg van het meer (i.c. de gehele strook NNN-natuur op die plek) bedraagt in totaal 8.896 m2. Dit betekent dat in (of buiten) het plangebied minimaal eenzelfde areaal natuur met minstens vergelijkbare kwaliteit, moet worden benoemd als NNN-natuur. Dit kan op verschillende manieren worden gecompenseerd. Binnen het planvoornemen is een aantal locaties aangewezen voor natuur zie (tabel 4-1). Dit betreft allemaal nieuw te realiseren natuur binnen het plangebied die ligging in of grenzen aan het NNN-(beheer)gebied. Tabel 4-1 Mogelijkheden voor compensatie NNN-gebied (zie Figuur 4-6)

Compensatie NNN

Oppervlakte*

Afstand tot dichtstbijzijnde erfgrens van een boer in functie

Natuureiland (eiland no. 2)

9.780 m2

248 m

Natuurlijk deel eiland no. 3

2

193 m

2

700 m

Plasdraszone (westzijde van het meer)

5.995 m

18.440 m

*De oppervlakte is steeds gemeten vanaf het punt waarop de waterbodem omhoog gaat lopen voor resp. het eiland of de plasdraszone.

Afstand tot dichtstbijzijnde erfgrens van een boer in functie In de tabel is tevens aangegeven hoe groot de afstand is tot de dichtstbijzijnde erfgrens van een agrariër in functie. In de streek is namelijk een groot draagvlak om natuur te ontwikkelen of percelen geschikt te maken voor weidevogels, ook in de agrarische sector, maar er is grote weerstand tegen het vastleggen hiervan in regelgeving. De vrees is dat een dergelijke bestemming op termijn een beperking gaat betekenen voor agrarische bedrijven. Dit wordt nogmaals onderstreept door de reactie op de NRD. Uitgangspunt binnen dit plan is daarom te zoeken naar compensatiegebieden voor natuur op minstens dezelfde afstand als in de huidige situatie. De huidige kering met NNN-natuur aanwijzing ligt op een afstand van 588 meter van de dichtstbijzijnde erfgrens van een agrariër. Er is dan ook gekozen om met het planvoornemen de plasdraszone (18.440 m2) aan de zuidwestkant van het gebied, aan te wijzen met de aanduiding NNN-natuur als compensatie voor het verdwijnen van de huidige NNN-natuur ter plaatse van de huidige kering (8.896 m2). In het Bestemmingsplan Oudega - Nije Aldegeaster Sânning krijgt deze zone de bestemming ‘natuur’.

De zone bestaat uit een droog deel (vanaf de kering; hierbij wordt gedacht aan vlindervriendelijke beplanting) en een nat deel wat via een geleidelijk vernatting tot een onderwaterzone afloopt naar het meer. Door Altenburg en Wymenga (Bijlage 3) zijn reeds adviezen uitgebracht hoe deze zone binnen het te realiseren NNN- gebied en de aan te leggen eilanden moet worden gerealiseerd. In hoofdstuk 7 worden deze adviezen nader beschreven. De overige onderdelen, het natuureiland en het natuurdeel van eiland no. 3, worden wel gecreëerd en als natuur beheerd, maar worden niet formeel aangewezen als NNN-natuur. De vogelwacht heeft aangegeven deze eilanden te willen beheren. 4.3.4 Aanlegfase Met het planvoornemen wordt een aantal ruimtelijke ingrepen mogelijk gemaakt. Zoals in de voorgaande paragrafen is te lezen, wordt een meer gegraven, eilanden en aanlegplaatsen aangelegd. Ook worden er werkzaamheden uitgevoerd ten behoeve van het verhogen van de kering en de aanleg van een nieuw gemaal. Daarnaast worden een uitkijkpunt, vissteiger, hondenstrandje en een kleine parkeergelegenheid met trailerhelling gerealiseerd. In deze paragraaf wordt beschreven hoe deze ruimtelijke ingrepen uitgevoerd worden. In Figuur 4-8 is het technisch ontwerp weergegeven.

59/142

Figuur 4-8 Technisch ontwerp

Aanleg meer Het meer wordt in zijn geheel ontgraven tot een diepte van circa 2 meter (bodemhoogte op -2,52 m t.o.v. NAP). Vrijkomende grond, veen en zand wordt deels binnen het plangebied hergebruikt en deels afgevoerd. De bodem onder het te graven meer bestaat deels uit zand en deels uit veen, zie Figuur 4-9 (grotere weergave is opgenomen in bijlage 4). In het noordelijk deel van het meer zal hoofdzakelijk zand worden opgegraven om het meer te maken, op

60/142

deze locatie is namelijk weinig veen aanwezig in het plangebied. In het zuidelijk deel, ter plaatse van/nabij de nieuwe kering, is het voornemen om voornamelijk veen af te graven. In het middendeel wordt het veen afgegraven en een deel van het zand zodat er een meer met een zandbodem ontstaat. Het veen zal worden afgevoerd voor hergebruik buiten het plangebied. Hierbij wordt gedacht aan afvoer naar bedrijven die het veen (onder keurmerk) nuttig toepassen als champignonmest of compost.

Figuur 4-9 Lengteprofiel huidige situatie (van links naar rechts is zuid naar noord): grijs: leem, geel: zand, oranje: veen

In de uitvoeringsperiode van twee jaar wordt 150.000 m3 teelaarde, 440.000 m3 veen en 210.000 m3 zand ontgraven. Hiervan wordt 124.600 m3 teelaarde en 125.100 m3 zand vervoerd naar een locatie binnen het projectgebied en/of op percelen grenzend aan het projectgebied verwerkt. Het overige vrijkomende materiaal, bestaande uit 25.400 m3 teelaarde, 440.000 m3 veen en 84.900 m3 zand, wordt afgevoerd naar een nader te bepalen locatie buiten het plangebied. Voorzien wordt dat gedurende 24 maanden gewerkt wordt met gemiddeld één shovel en vijf graafmachines gelijktijdig. Er wordt gemiddeld één trekker met dumper, twee zelfrijdende rupsdumpers en een vrachtwagen ingezet per dag. Het af te voeren materiaal (teelaarde, veen en zand) wordt via een in te richten tijdelijke overslaglocatie in het plangebied aan de Nije Mûntsegroppe per schip afgevoerd. De af te voeren materialen worden in schepen met een capaciteit van 600 m3 vervoerd (type motorvrachtschip M4 Dortmund - Eems), er zijn dus circa 918 schepen nodig om de materialen af te voeren. Gemiddeld komt dat neer op twee schepen per dag. Daarnaast wordt er gedurende een periode van een week een asfaltset ingezet voor het verwijderen van een deel van De Geasten. De asfaltset bestaat uit een asfalt spreidmachine, een statische wals, een trilwals, bitumensproeiwagen, waterwagen, schaftwagen en diepladers.

In totaal wordt 900 m2 (300 meter lengte x 3 meter breedte) asfalt verwijderd. Met een gemiddelde dikte van 0,10 cm bedraagt het af te voeren materiaal 90 m3. Het te verwijderen asfalt wordt afgevoerd naar een erkende verwerker. Hiervoor zijn circa 3 vrachtwagens benodigd. Aanleg kering Het meer komt in directe verbinding met de Friese boezem. De gronden waar het meer wordt gerealiseerd komen daarmee buiten polderpeil en binnen boezempeil te liggen. Aan de oostzijde sluit het meer aan op het Alddjip en aan de zuidzijde op de Wide Ie, die reeds op boezempeil liggen. Aan de westzijde van het toekomstige meer is een nieuwe regionale waterkering nodig (zwarte lijn in Figuur 4-8), om de achterliggende polder te beschermen tegen de hoge waterstanden van de boezem. Ter plaatse van de nieuwe kering is een veenlaag aanwezig. Voorbelasting op het veen is niet wenselijk vanwege het risico op inklinken van het veen. Vanwege de aanwezigheid van een veenlaag wordt ter plaatse veen afgegraven en klei uit het

61/142

plangebied toegepast. Tevens wordt aan de westzijde van deze kering een kwelsloot aangelegd om piping te voorkomen (bijlage 5). Wetterskip Fryslân voert deze werkzaamheden uit. De zuidwestelijke kering in het plangebied is vanaf het te realiseren uitkijkpunt richting De Geasten, inmiddels aangelegd. Vanaf De Geasten naar het voormalig gemaal op nummer 4 wordt in het planvoornemen uitgevoerd. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de beschikbare materialen uit het plangebied. Voor het aanleggen van de kering wordt een laag teelaarde en veen verwijderd tot aan de bestaande zandlaag. Dit betreft een strook van 4,90 meter breed en circa 450 meter lang. In de vrijgekomen ruimte wordt een laag opvulgrond aangebracht, waarop de waterkering wordt geplaatst. De veenlaag die in eerste instantie was verwijderd, wordt vervolgens als bekleding toegepast op de kering. De hoogte van de kering bedraagt minimaal 0,65 +NAP. Daarmee voldoet de kering aan de eisen die het Wetterskip stelt aan het type kering (hoge gronden).

Figuur 4-10 Voorlopig dwarsprofiel kering

Aanleg wandel-fietsroutes en parkeervoorzieningen Ter plaatse van de nieuwe kering binnen het plangebied wordt eveneens een wandel-fietsroute aangelegd. Dit wandel en fietspad is ter compensatie van de huidige wandel en fietsverbinding dat vervalt door het graven van het meer. Dit wandelfietspad wordt uitgevoerd in een halfverharding (granulaat). In Figuur 4-8 en Figuur 4-10 is met een roze lijn de locatie van het fietspad opgenomen. De parkeerplaats aan het einde van De Geasten wordt eveneens voorzien van een halfverharding (bijvoorbeeld grasstenen). Aanleg eilanden en aanlegplaatsen In het ontwerp voor het meer zijn diverse eilanden en aanlegplaatsen opgenomen (groene lijn in Figuur 4-8). Met deze eilanden wordt deels een recreatieve doelstelling gediend, maar ze worden ook deels ingericht met natuurwaarden. De recreatieve eilanden worden opgebouwd door aan de lijzijde ligplaatsen te maken met een damwand. Het eiland zelf wordt opgebouwd met zand, of deels zand vermengd met veen, uit het gebied. Aan de windzijde komt waar nodig stortsteen om de oever vast te houden; aan die kant ontstaat een zone waar een natuurlijke begroeiing zich mag ontwikkelen, onderstaand een foto ter illustratie. De begroeiing wordt eens in de 5-10 jaar teruggesnoeid om de opbouw van het eiland stabiel

62/142

te houden. Het natuureiland of het schiereiland met een natuurfunctie worden op dezelfde wijze opgebouwd, maar daar komen geen ligplaatsen en geen damwand. Bij het natuureiland zal het beheer zoveel mogelijk aan de natuur worden overgelaten waarbij houtopstanden zoveel mogelijk worden verwijderd. De eilanden worden bij start van de werkzaamheden gemaakt zodat de natuurlijke zones tijd hebben om zich te ontwikkelen voordat de volle kracht van een meer met stormen en golfslag zich aandient. Bij de inrichting van deze eilanden is gebruik gemaakt van de adviezen van Altenburg en Wymenga (Bijlage 3).

Figuur 4-11 Voorbeeld oeverconstructie

Figuur 4-12 Dwarsprofiel ter hoogte van de eilanden en de harde kering

63/142

5. ALTERNATIEVEN EN VARIANTEN 5.1

Algemeen

Een vast onderdeel van m.e.r. -studies is het alternatievenonderzoek: in hoeverre zijn er naast of binnen het planvoornemen reële alternatieven of varianten met andere milieueffecten? In de NRD zijn al alternatieven en varianten benoemd. Deze zijn op hoofdlijnen gelijk gebleven, maar op basis van de inspraakreacties, de marktconsultatie en voortschrijdend inzicht enigszins aangepast.

5.2

Afgevallen alternatieven

Voor de inrichting van het MER zijn geen alternatieven of varianten voor de contouren of het oppervlak onderzocht. ● Zoals reeds aangegeven in Hoofdstuk 4 is een groter meer in eerdere planfases afgevallen, wegens weerstand uit de omgeving en de financiële haalbaarheid. ● Een kleiner meer zou tot gevolg hebben dat niet kan worden voldaan aan de recreatieve doelstellingen. Om zeilwedstrijden te kunnen houden moet een minimale maat van 500 x 500 meter worden gehaald, met het huidige ontwerp wordt dat net gehaald. Ook is ruimte nodig voor de overige recreatieve functies (aanlegplaatsen en strand), de bruikbaarheid en kwaliteit van het meer m.b.v. eilanden en ruimte voor de ecologische maatregelen. ● De contouren worden gevormd door de aansluiting op de bestaande boezem, de aanwezige functies in het gebied en de randen van de verworven percelen. ● Voor de bevaarbaarheid van het meer zal de diepte minimaal -2.52 NAP moeten zijn, een ondieper meer is daarom geen reële optie. ● In de NRD werd nog een variant natuurelement genoemd. Enkele nog te maken keuzes gaan over de uitvoering van eilanden, oevers en mogelijke dieptes en ondieptes en grindbakken. Dit is niet echt een variant, maar zijn mogelijke maatregelen om deeldoelstellingen ten aanzien biodiversiteit, natuur en waterkwaliteit te bereiken.

Dit wordt in H7 en H10 uitgewerkt en kan worden meegenomen worden bij het bepalen en detailleren van de voorkeursvariant.

5.3

Te onderzoeken alternatieven

Momenteel wordt onderzocht wat een duurzame en technisch haalbare manier is om het meer te realiseren. Het uitgangspunt hierbij is dat de aanlegfase circa twee jaar zal duren. Onderstaande alternatieven hebben een andere werkwijze in de aanlegfase tot gevolg, dit heeft invloed op CO2-emissie, stikstofemissies, bodem en waterkwaliteit. Daarom worden deze situaties als alternatieven beschreven en niet als varianten. Dit is een kleine wijziging ten opzichte van de in de NRD voorgestelde aanpak, maar leidt inhoudelijk niet tot een andere onderzoeksopgave of vergelijkingsmogelijkheden. 5.3.1 Alternatief afvoer veen zandwinput Zoals aangegeven bestaat de bodem onder het te graven meer deels uit zand en deels uit veen. In het noordelijk deel is nagenoeg geen veen aanwezig op het zandpakket. In dit deel van het meer zal hoofdzakelijk zand worden opgegraven. Ter plaatse van de huidige kering zal een gedeelte veen af worden gegraven. Voor de afvoer van het veen wordt onderzocht of het veen kan worden benut voor het verondiepen van een nabijgelegen zandwinput (Figuur 5-1). In dat geval wordt het veen nat ontgraven en via een buizenstelsel verpompt naar de put waar het op diepte wordt ingespoten. De diepte van deze zandwinput is niet exact bekend. Wat wel bekend is dat deze put tenminste 6-8 meter diep is en kan worden ondergebracht tot de typering Diepe plassen.

Voordeel van dit alternatief is dat op korte afstand van het plangebied een bestemming is waarbij het veen verwerkt kan worden.

64/142

Figuur 5-1 Ligging plangebied (rood), ligging zandwinput (geel)

Het meer wordt in den natte in zijn geheel ontgraven tot een diepte van circa 2 meter (bodemhoogte op -2.52 m NAP). De teelaarde en zand worden mechanisch ontgraven, overige vrijkomend materiaal (veen) wordt hydraulisch ontgraven. Materialen die in het plan worden hergebruikt (teelaarde en zand), worden op naastliggend terrein in depot geplaatst. Het veen wordt hydraulisch verpompt naar een zandwinlocatie in Drachten. De overige materialen die niet in het plan hergebruikt worden (teelaarde, zand) worden per schip afgevoerd. Voorzien wordt dat gedurende 24 maanden gewerkt wordt met gemiddeld één zuiger en één booster, één shovel en drie graafmachines. Er wordt gemiddeld één trekker met dumper, twee zelfrijdende rupsdumpers en een vrachtwagen ingezet. Daarnaast wordt er gedurende een periode van één week een asfaltset ingezet. In de uitvoeringsperiode van twee jaar wordt 150.000 m3 teelaarde, 440.000 m3 veen en 210.000 m3 zand ontgraven. Hiervan wordt 124.600 m3 teelaarde en 125.100 m3 zand vervoerd naar een depotlocatie (tussendepot) ten westen van het plangebied waarna (na indrogen) het materiaal vervolgens ten behoeve van het project weer teruggebracht wordt binnen het projectgebied om hier en/of op percelen grenzend aan het projectgebied verwerkt te worden. Het overige vrijkomende materiaal bestaande uit 25.400 m3 teelaarde, 440.000 m3 veen en 84.900 m3 zand wordt afgevoerd.

Het veen wordt hydraulisch naar een zandwinlocatie in Drachten vervoert. Met het verpompen van veen is circa 80% water nodig uit het plangebied. De teelaarde en het zand wordt via een in te richten overslag locatie aan de Nije Mûntsegroppe per schip afgevoerd. De af te voeren materialen worden in schepen met een capaciteit van 600 m3 vervoerd (type motorvrachtschip M4 Dortmund - Eems), er zijn 183 schepen nodig om de materialen af te voeren. Gemiddeld zal er met twee schepen per week gevaren worden.

65/142

5.3.2 Alternatief veenbodem In het middendeel van het meer kan in plaats van het afgraven van veen, zoals in het planvoornemen is beschreven, ook worden gekozen om het zand onder het veen weg te halen, zodat een meer met een gedeeltelijke veenbodem ontstaat. De voordelen hiervan zijn dat er geen veen wordt afgevoerd en dat door het onder water zetten van veen de CO2-emissie gering zal zijn. Met betrekking tot de afvoer van het zand wordt in eerste instantie uitgegaan van het wegzuigen van zand onder het veenpakket. Op deze manier kan het veen onder water worden gebracht en functioneren als waterbodem. Het meer wordt in den natte in ontgraven tot een uiteindelijk waterdiepte van circa 2 meter (bodemhoogte op -2.52 m NAP). Deze diepte wordt deels gerealiseerd door middel van het mechanisch ontgraven van de teelaarde en het zand, maar vooral door de zandlaag van 2,00 m (-2,52m NAP tot -4,52m NAP) die zich onder de veenlaag bevindt hydraulisch onder het veen weg te zuigen. Hierdoor zakt het veen tot de gewenste diepte van -2,52m NAP (veen blijft onder water). Voorzien wordt dat gedurende 24 maanden gewerkt wordt met gemiddeld één cutterzuiger en één shovel en vier graafmachines. Er wordt gemiddeld één trekker met dumper, twee zelfrijdende rupsdumpers en één vrachtwagen ingezet. Daarnaast wordt er gedurende een periode van één week een asfaltset ingezet.

In de uitvoeringsperiode van twee jaar wordt 150.000 m3 teelaarde en 210.000 m3 zand ontgraven en 450.000 m3 extra zand weggezogen onder de veenlaag. De 440.000 m3 veen wordt in één werkgang onder water direct verwerkt. De 124.600 m3 teelaarde wordt in den droge ontgraven en naar een depotlocatie (tussendepot) ten westen van de planlocatie gebracht. Ditzelfde geldt voor 125.100 m3 zand. Dit materiaal wordt later in het plangebied hergebruikt. 534.900 m3 zand wordt middels een cutterzuiger uit het plangebied gehaald en via een in te richten overslaglocatie aan de Nije Mûntsegroppe per schip afgevoerd. Met het wegzuigen van de zandlaag is circa 80% water nodig uit het plangebied. De betreffende schepen zijn ingericht om het overtollig water te lozen op het oppervlaktewater. Het overige vrijkomende materiaal, bestaande uit 25.400 m3 teelaarde, wordt eveneens via per schip afgevoerd. De af te voeren materialen worden in schepen met een capaciteit van 600 m3 vervoerd (type motorvrachtschip M4 Dortmund Eems), er zijn 933 schepen nodig om de materialen af te voeren. Gemiddeld zal er met twee schepen per dag afgevoerd worden. 5.3.3 Alternatief afzanden veenbodem Uit de marktconsultatie en de eerste onderzoeksresultaten, wordt inmiddels verwacht dat een veenbodem in het meer mogelijk negatieve gevolgen heeft voor de waterkwaliteit en bevaarbaarheid (zie bijlage 6).

Er is daarom in dit alternatief ook een variant onderzocht waarin de optie ‘afzanden met 50 cm zand’ is opgenomen. Het afzanden houdt in dat het zand onder het veen wordt verwijderd en gedeeltelijk op het veen weer terug wordt geplaatst, nadat het veen onder water is gezet. Naast de verwachte voordelen voor waterkwaliteit, betekent dit ook dat er minder zand hoeft te worden afgevoerd. Er moet wel dieper worden gegraven dan de voorgestelde twee meter. Het meer wordt in den natte in ontgraven tot een uiteindelijk waterdiepte van circa twee meter (bodemhoogte op -2.52m NAP). Deze diepte wordt deels gerealiseerd door middel van het mechanisch ontgraven van de teelaarde en het zand, maar vooral door de zandlaag van 2,5 m (-2,52m NAP tot -5,02m NAP) die zich onder de veenlaag bevindt hydraulisch onder het veen weg te zuigen. Dit is 0,5 m dieper dan bij het Alternatief veenbodem. Hierdoor zakt het veen tot de gewenste diepte van -3,02m NAP (veen blijft onder water). Vervolgens wordt de veenlaag afgezand met 0,5 m zand, waardoor er een bodemhoogte van -2,52m NAP wordt gerealiseerd. Voorzien wordt dat gedurende 24 maanden gewerkt wordt met gemiddeld één zuiger, één boosters, één shovel en zeven graafmachines. Er wordt gemiddeld één trekker met dumper, zes zelfrijdende rupsdumpers en een vrachtwagen in gezet. Daarnaast wordt er gedurende een periode van één week een asfaltset ingezet.

In de uitvoeringsperiode van 2 jaar wordt 150.000 m3 teelaarde en 210.000 m3 zand ontgraven en 531.300 m3 extra zand weggezogen onder de veenlaag. Hiervan wordt 124.600 m3 teelaarde en 231.400 m3 zand vervoerd naar een depotlocatie

66/142

(tussendepot) ten westen van de planlocatie waarna het materiaal vervolgens ten behoeve van het project weer teruggebracht wordt binnen het projectgebied om hier en/of op percelen grenzend aan het projectgebied verwerkt te worden. Het overige vrijkomende materiaal, bestaande uit 25.400 m3 teelaarde en 509.900 m3 zand, wordt via een in te richten overslag locatie aan de Nije Mûntsegroppe per schip afgevoerd. Met het wegzuigen van de zandlaag is circa 80% water nodig uit het plangebied. De betreffende schepen zijn ingericht om het overtollig water te lozen op het oppervlaktewater. De af te voeren materialen worden in schepen met een capaciteit van 600 m3 vervoerd (type motorvrachtschip M4 Dortmund - Eems), er zijn 892 schepen nodig om de materialen af te voeren. Gemiddeld zal er met twee schepen per dag gevaren worden.

5.4

Voorkeursalternatief

Uit onderzoek naar de effecten en mogelijke maatregelen voor alle deelaspecten uit Hoofdstuk 7 t/m 13, volgt een voorkeursalternatief, dat zal bestaan uit een nieuw meer met de contouren en diepte uit het planvoornemen (gezien de aangegeven motivatie hiervoor) en mogelijk keuzes voor de bodem (zand of veen), maatregelen voor versterking van natuur, biodiversiteit, waterkwaliteit, en reductie van CO2 emissie et cetera.

67/142

6. ONDERZOEKSOPZET 6.1

Algemeen

In dit MER wordt de toekomstige situatie beoordeeld en vergeleken met de toekomstige referentiesituatie. Het is gebruikelijk om in een MER en bestemmingsplan circa 10 jaar vooruit te kijken, in beginsel is het zichtjaar voor de gebruiksfase (als het meer volledig is gerealiseerd) 2033. Het kan zijn dat hier op enkele onderwerpen van afgeweken wordt, bijvoorbeeld omdat er alleen prognoses voor 2030 of 2035 beschikbaar zijn. Een belangrijk deel van de onderzoeken heeft betrekking op de aanlegfase en de keuzes die gemaakt kunnen worden voor de aanleg. Aangezien de aanleg in principe twee jaar duurt en start in 2024, is het zichtjaar voor de aanlegfase 2026.

6.2

Plangebied en studiegebied

Plangebied In het MER wordt onderscheid gemaakt tussen de begrippen plangebied en studiegebied. Het plangebied is het in Figuur 4-2 aangegeven gebied. Het doel van het planvoornemen is om economische groei en leefbaarheid te stimuleren en landen waterrecreatie met elkaar te verbinden. Met het bestemmingsplan ‘Bestemmingsplan Oudega - Nije Aldegeaster Sânning’ wordt voorzien in de wijziging van agrarisch naar water met bijbehorende voorzieningen en natuur. De volledige ontgronding waarvoor een vergunning wordt aangevraagd, valt binnen het plangebied van het voorgenoemde bestemmingsplan. Studiegebied Het studiegebied is het totale gebied waarin milieueffecten als gevolg van de realisering van de voorgenomen activiteiten in het plangebied kunnen optreden. Het studiegebied is dus omvangrijker dan het plangebied en kan per milieuaspect verschillen. Voor bijvoorbeeld grondwater en natuur zal het studiegebied groter zijn dan het plangebied. Deze worden dan ook in de hoofdstukken 7 tot en met 13 behandeld indien van toepassing.

68/142

6.3

Beoordeling milieuaspecten

Tabel 6-1 toont het beoordelingskader voor het milieueffectrapport. Het beoordelingskader is opgebouwd uit milieuaspecten en de criteria die beschrijven waaraan een aspect getoetst wordt. Ten opzichte van de NRD is deze tabel geconcretiseerd en aangepast aan de nieuwe inzichten. De effecten op oppervlaktewaterkwantiteit en waterberging zijn bijvoorbeeld verwijderd, omdat met het project juist wateroppervlak mogelijk wordt gemaakt; effecten door het aanbrengen van verharding zijn daarom niet aan de orde. Ook onder het thema duurzaamheid is de ‘wijze van afvoer ontgraven materialen’ niet verder onderzocht, omdat op voorhand met in achtneming van de verkeersveiligheid en bereikbaarheid al is gekozen om de materialen per schip af te voeren. Tabel 6-1 Milieuthema's en -aspecten, criteria en werkwijze Thema’s en aspec-

Toetsingscriterium

Werkwijze

Beïnvloeding van Natura 2000 (inclusief stikstofdepositie); Beïnvloeding van Nationaal Natuurnetwerk; Beïnvloeding van beschermde natuur- en diersoorten.

Kwalitatief en kwantitatief onderzoek Kwalitatief en kwantitatief onderzoek Kwantitatief op basis van veldonderzoek

Versterking of aantasting archeologische waarden in het gebied.

Kwalitatief en kwantitatief

ten Natuur

Archeologie

Landschap/ cultuur- Invloed op karakteristieke patronen, openheid.

Kwalitatief

historie

Aantasting cultuurhistorische structuren of gebouwen

Kwalitatief

Bodem

Bodemopbouw

Kwantitatief

Bodemkwaliteit

Kwantitatief

Grondbalans

Kwantitatief

Geohydrologische effecten op grond- en oppervlaktewater

Kwantitatief en kwalitatief

Waterkwaliteit

Kwantitatief en kwalitatief

Oppervlaktewaterkwaliteit

Kwantitatief en kwalitatief

Hergebruik ontgraven materialen

Kwalitatief

Emissie CO2

Kwantitatief en kwalitatief

Nautische veiligheid

Kwantitatief en kwalitatief

Verkeer aanlegfase

Kwantitatief en kwalitatief

Verkeersveiligheid aanlegfase

Kwantitatief en kwalitatief

Pleziervaart/recreatie (gebruik)

Kwalitatief

Bouwlawaai (aanlegfase)

Kwalitatief

Concentraties NO2, PM10 en PM2,5

Kwalitatief

Emissie CO2

Kwantitatief en kwalitatief

Invloed op buisleiding

Kwalitatief

Plaatsgebonden risico en groepsrisico

Kwalitatief

Bescherming en bevordering

Kwalitatief

Water

Duurzaamheid Verkeer en vervoer

Geluid Luchtkwaliteit Externe veiligheid Gezondheid

De effectanalyse is voor bepaalde aspecten kwantitatief uitgevoerd, hiervan zijn onderzoeksrapporten opgenomen in de bijlagen bij dit MER. Waar berekeningen niet nodig of mogelijk zijn, is de effectanalyse kwalitatief of op basis van een deskundigenoordeel uitgevoerd. Ook wordt aangegeven welke mitigerende en/of compenserende maatregelen mogelijk en/of noodzakelijk zijn.

69/142

Wijze van beoordelen Het MER beschrijft en beoordeelt de milieueffecten van de gebruiksfase van het planvoornemen en de verschillende alternatieven voor de wijze van uitvoering. Dit wordt voor alle alternatieven integraal gedaan en resulteert in een score per criterium. Dit oordeel kan variëren van negatief tot en met positief. Onderstaande algemene beoordelingsschaal toont de vijf beoordelingsklassen die het MER hanteert. Per onderwerp wordt gespecificeerd wanneer een bepaalde beoordeling (score) toegekend wordt. Score + 0/+ 0 -/0 -

70/142

Beoordeling van het effect positief effect licht positief effect geen of nauwelijks effect licht negatief effect negatief effect

7. NATUUR 7.1

Toetsingskader

7.1.1 Wet- en regelgeving Op dit moment is natuurbescherming geregeld in de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb), waarin ook de Europese regelgeving is vertaald naar de Nederlandse praktijk. De Wnb heeft zowel betrekking op de bescherming van gebieden (zoals Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland) als op de soortenbescherming. Deze bescherming en de daarvoor geldende regels en bepalingen zullen met de invoering van de Omgevingswet niet wijzigen, maar worden integraal opgenomen in de Omgevingswet. Hiermee zullen wel zaken zoals procedures voor vergunningen en ontheffingen wijzigen, maar inhoudelijk is er geen verschil. Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Natura 2000 richt zich op het behoud en de ontwikkeling van natuurgebieden in heel Europa. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnenmoeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Voor Nederland gaat het om ruim 160 gebieden. Alle Natura 2000-gebieden liggen binnen het Nationaal Natuurnetwerk. Een groot deel van de Natura 2000-gebieden is inmiddels definitief aangewezen. Dat gebeurt in de vorm van een aanwijzingsbesluit.

In het aanwijzingsbesluit staat welke doelen Nederland nastreeft voor een bepaald gebied, bijvoorbeeld welke planten en dieren bescherming verdienen. Vervolgens komt er in nauw overleg met betrokken partijen een beheerplan, waarin onder andere staat beschreven welke maatregelen nodig zijn om de doelen te behalen. Passende beoordeling Een passende beoordeling is verplicht als een plan, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, significante gevolgen kan hebben voor de betrokken Natura 2000-gebieden. Voor de inschatting van de effecten die een plan kan hebben, moet de significantie worden beoordeeld in het licht van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000gebied, die voor kwalificerende soorten en habitats zijn geformuleerd. Als niet op grond van objectieve gegevens op voorhand significante gevolgen op een Natura 2000-gebied zijn uitgesloten, moet een passende beoordeling worden gemaakt. In de passende beoordeling worden de effecten op Natura 2000-gebieden nader onderzocht. Vervolgens kan een bestemmingsplan slechts worden vastgesteld indien is verzekerd dat ook bij een maximale invulling van het plan de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet worden aangetast. Spoedwet aanpak stikstof Op 1 januari 2020 is de Spoedwet aanpak stikstof aangenomen.

De Spoedwet bevat instrumenten om vergunningverlening voor (specifieke) projecten makkelijker te maken. Momenteel geldt het volgende kader: ● op basis van de Wet natuurbescherming is een vergunning vereist voor projecten die mogelijk een significant negatief effect kunnen hebben op een Natura 2000-gebied. Uitzondering hierop zijn projecten waarbij kan worden uitgesloten dat significante negatieve effecten optreden: hiervoor vervalt als gevolg van de spoedwet de vergunningsplicht. Indien een hoogste bijdrage van niet meer dan 0,0049 mol/ha/jaar berekend wordt, kan worden uitgesloten dat er significant negatieve effecten optreden; ● indien een vergunning is vereist omdat niet kan worden uitgesloten dat mogelijke significante effecten optreden, dient tevens een passende beoordeling te worden opgesteld om in beeld te brengen of er daadwerkelijk significante negatieve effecten aan de orde zijn. In een passende beoordeling mogen tevens mitigerende maatregelen betrokken worden. Indien geen significante effecten aanwezig zijn, dan kan een vergunning verkregen worden; ● indien uit de passende beoordeling blijkt dat significante effecten niet zijn uit te sluiten, dan is een vergunning enkel mogelijk met het doorlopen van een ADC-toets.

Hier moet worden aangetoond dat er geen (A)lternatieven zijn, het project in het kader van een (D)wingende reden van groot openbaar belang is en dient (C)ompensatie plaats te vinden.

71/142

Natuurnetwerk Nederland In de Wet natuurbescherming (straks Omgevingswet) is ook geregeld dat de provincies ter bescherming van bijzondere soorten een landelijk samenhangend stelsel van natuurgebieden moet begrenzen én beschermen, het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Verdere uitwerking hiervan is opgenomen onder de provinciale verordening. Soortenbescherming Voor de soortenbescherming wordt onderscheid gemaakt tussen: ● soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; ● soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; ● overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen, zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren.

GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Provinciale regels: Omgevingsverordening Fryslân Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Nationaal Natuurnetwerk (voorheen ecologische hoofdstructuur) is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Planten en dieren kunnen zich zo van het ene naar het andere gebied verplaatsen. Op plekken waar gaten in het netwerk zitten, legt de provincie nieuwe natuur aan. Het Nationaal Natuurnetwerk (NNN) is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. Robuuste leefgebieden voor planten en dieren zijn nodig om soorten van uitsterven te behoeden. Maar het netwerk is er ook voor mensen die willen genieten van de schoonheid van de natuur, om te recreëren en tot rust komen. Omgevingsplannen moeten voldoen aan de regels die in de Omgevingsverordening Fryslân zijn opgenomen zoals in hoofdstuk 2 al is behandeld. Duisternis en stilte In de Omgevingsverordening (plandatum 18-02-2022) is door middel van instructieregels vastgelegd dat er in omgevingsplannen rekening gehouden moet worden met activiteiten die plaats vinden rondom stiltegebieden en in aandachtsgebieden voor stilte en duisternis.

7.1.2 Beoordelingskader In de volgende tabel zijn de criteria opgenomen waarop het aspect natuur wordt beoordeeld. Tabel 7-1 Beoordelingscriteria natuur

Score +

Beoordeling van het effect Beschermde gebieden (Natura 2000 en NNN) dan wel de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten worden positief beïnvloed

0/+

Beschermde gebieden dan wel de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten worden licht positief beïnvloed

0 -/0 -

Geen effecten of beschermde gebieden of beschermde soorten

72/142

Beschermde gebieden dan wel de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten worden licht negatief beïnvloed Beschermde gebieden dan wel de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten worden negatief beïnvloed

7.2

Referentiesituatie

7.2.1 Gebiedsbescherming Natura 2000 De ligging ten opzichte van provinciaal beschermde natuurgebieden is aangegeven in onderstaande figuur. Het Natura 2000-gebied Alde Feanen is tevens aangewezen als stiltegebied en vormt het grootste natuurgebied in de omgeving, op circa 0,7 kilometer van het plangebied. Op grotere afstand liggen de stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden Van Oordt’s Mersken (5,5 km), Wijnjeterperschar (10 km), Groote wielen (13 km) en Bakkeveense duinen (17 km). De overige gebieden zoals de Deelen en het Sneekermeergebied zijn niet stikstofgevoelig.

Figuur 7-1 Natura 2000-gebieden (groen), Stiltegebied (oranje)

Stikstof Het nabijgelegen Natura 2000-gebieden Alde Feanen is op 10 juni 1994 aangemeld bij de Europese Commissie en valt sindsdien onder het beschermingsregime van de Habitatrichtlijn. In de plantoets (artikel 2.7 lid 1 Wnb) geldt de ‘feitelijke, planologisch legale situatie voorafgaand aan de vaststelling van het plan’ als referentiesituatie, dit volgt uit vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld ABRS 22 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:212). Het feitelijk bestaand agrarisch gebruik in 2022 is planologisch legaal, dateert zelfs van ver voor de datum 10 juni 1994. Sinds de referentiedatum tot de huidige situatie wordt een groot deel van het plangebied agrarisch gebruikt. Op de website www.boerenbunder.nl is het gebruik in de afgelopen jaren weergegeven. Hierin is het grootste deel van het gebied aangemerkt als grasland. Het gaat om 43 hectare dat aantoonbaar agrarisch is gebruikt, deze gronden zijn aangemerkt in onderstaande figuur. De andere gronden zijn in de periode 2014 tot 2020 gebruikt als baggerdepot. Dit depot is inmiddels opgeruimd, de betreffende grond, voor zover gelegen onder het toekomstige meer, wordt inmiddels weer agrarisch gebruikt.

73/142

Figuur 7-2 Gronden met aantoonbaar gebruik als grasland (GL) (bron: boerenbunder.nl)

Uit historische topografische kaarten blijkt dat dit gebruik sinds 1994 altijd hetzelfde is geweest. Een topografische kaart uit 1994 geeft dit weer. Ook het gronddepot werd destijds gebruikt als grasland. De navolgende figuur geeft de situatie in 1994 en 2022 weer.

Figuur 7-3 Topografische kaart 1994 (links) en 2022 (rechts) (bron: topotijdreis.nl)

In totaal betreft het 43 hectare aantoonbaar agrarisch gebruik als grasland. Dit agrarisch gebruik kan worden gezien als de referentiesituatie binnen het plangebied. Op basis van het stikstofonderzoek (bijlage 7) blijkt dat door het agrarisch gebruik een bijdrage op vijf Natura 2000-gebieden is berekend. In de volgende tabel is de grootste depositie op het betreffende gebied weergegeven.

74/142

Tabel 7-2 Overzicht grootste stikstofbijdrage op natura 2000 gebieden referentiesituatie

Per gebied

Referentiesituatie Grootste bijdrage (molN/ha/jr)

Alde Feanen (13)

1,17

Wijnjeterper Schar (16)

0,07

Van Oordt’s Mersken (15)

0,07

Bakkeveense Duinen (17)

0,04

Drents-Friese Wold & Leggelderveld (27)

0,02

NNN-gebied Natura 2000-gebied Alde Feanen is tevens aangewezen als NNN-gebied. Hiermee verbonden zijn natuurgronden langs de Nije Mûntsegroppe en beheergebieden in en bij de Gealanden die ook deels in het plangebied liggen (Figuur 7-4). Een groot zuidelijk deel van het plangebied is begrensd als NNN - beheergebied. Dit gebied werd maar ten dele beheerd als zodanig, met ingang van 2021 gebeurt dat wel, inclusief een uitgestelde maaiverplichting. Dit NNN-beheergebied bestaat gewoonlijk niet uit gronden die zijn bestemd als natuur, maar uit agrarische gronden die bemest, gemaaid en begraasd worden. Tevens is op onderstaande figuur te zien dat de Nije Mûntsegroppe is aangewezen als NNN- water. De oeverzone van Nije Mûntsegroppe en Alddjip zijn aangewezen als NNN-overige natuur; dit betreft de kering van het Wetterskip aan de zuid- en oostzijde van het plangebied. Van oudsher zijn deze keringen aangewezen als natuur maar worden niet zodanig beheerd. Het beheer vindt namelijk plaats met de doelstelling veiligheid, waarop extensief maaibeheer van toepassing is. De kwaliteit van de natuurwaarden in dit gebied is dan ook matig. Er liggen geen weidevogel-kansgebieden in het plangebied. Het meest nabijgelegen weidevogel-kansgebied ligt aan de overzijde van de Nije Mûntsegroppe, circa 100 meter ten zuiden van het plangebied.

Een ander gebied ligt circa 800 meter ten oosten van het plangebied. Hoewel het plangebied geen formele status heeft als weidevogelgebied of ganzenfoerageergebied, biedt het plangebied door haar zeer open karakter, wel deze functie.

Figuur 7-4 EHS beheergebied (groen), EHS overige natuur (lichtgroen). Bron: Omgevingsverordening 2014

75/142

7.2.2 Soortenbescherming Door BügelHajema Adviseurs (bijlage 8) is in 2020 een uitgebreide natuurtoets uitgevoerd voor de ontwikkelingen in en rond het plangebied. Een belangrijk basisdocument dat hierbij is gebruikt, is de Ecologische quickscan Oudega aan het water (Heijden, 2016). Als vervolg hierop is in 2017 nader onderzoek naar een aantal beschermde soorten uitgevoerd, inclusief het effect op het foerageergebied voor ganzen (Heijden, 2018). Sinds de uitvoering van sommige van deze onderzoeken is de begrenzing van het plangebied gewijzigd, is de natuurwetgeving op sommige aspecten gewijzigd en zijn sommige gebruikte veldgegevens verouderd. Daarom is een bundeling van deze onderzoeken en - waar nodig - actualisatie uitgevoerd. Het plangebied is op 15 juli 2020 bezocht om een indruk te krijgen van de terreinomstandigheden, de omgeving en de voorkomende flora en fauna. De resultaten uit het veldbezoek zijn vergeleken met de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) en de hiervoor genoemde onderzoeken. De uitkomst is hieronder kort samengevat. Planten Op basis van het veldbezoek en de geraadpleegde bronnen is een voldoende beeld van de soortengroep vaatplanten ontstaan. Er zijn geen wettelijk beschermde soorten aangetroffen en deze zijn ook niet te verwachten gelet op de inrichting en de voedselrijkdom.

Vogels Op basis van het veldbezoek en de geraadpleegde bronnen is een voldoende beeld van de soortengroep vogels ontstaan. Er zijn geen geschikte nesten of broedplaatsen van soorten met jaarrond beschermde nesten aangetroffen. Wel wordt het gebied gebruikt als foerageergebied van de buizerd en sperwer. Zoogdieren - vleermuizen Uit de gegevens van NDFF en tijdens het vleermuisonderzoek in 2017 (Heijden, 2018) zijn in en rond het Alddjip in totaal zes soorten vleermuizen waargenomen, namelijk rosse vleermuis, meervleermuis, watervleermuis, gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger. In het plangebied is een mogelijke verblijfsplaats uitgesloten door het ontbreken van gebouwen en of bomen. Wel zijn de brede watergangen Nije Mûntsegroppe en het Alddjip zijn van groot belang voor vleermuizen als foerageergebied en waarschijnlijk ook als vliegroute. Dit geldt ook voor meervleermuis, waarvoor een instandhoudingsdoel geldt in het Natura 2000-gebied Alde Feanen. Doordat deze wateren in verbinding staan met de Alde Feanen wordt aangenomen dat deze watergangen een belangrijke vliegroute voor deze soort tussen verblijfplaatsen en foerageergebied in de Alde Feanen is. Grondgebonden zoogdieren Uit de gegevens van de NDFF blijkt dat in de omgeving het voorkomen van de beschermde grondgebonden zoogdiersoorten bekend is.

Dit betreft de niet-vrijgestelde soorten otter en waterspitsmuis. Deze soorten hebben wateren en oevers met uitgebreide begroeiing van ruigtes en riet als leefgebied. Altenburg en Wymenga (Heijden, 2016) geven aan dat met name de oevers van de Mûntsegroppe geschikt zijn als leefgebied voor waterspitsmuis en otter. Dat geldt ook voor de in de wijdere omgeving voorkomende noordse woelmuis. Daarnaast zijn ook de sloten in het zuidelijk deel van het plangebied (ten zuiden van De Geasten) potentieel geschikt als leefgebied voor waterspitsmuis. Waterspitsmuis en noordse woelmuis In oktober 2020 is opnieuw onderzoek uitgevoerd naar waterspitsmuis en noordse woelmuis, in het zuidelijk deel van het plangebied. Tijdens het onderzoek zijn vijf muizensoorten gevangen. De aanwezigheid van de doelsoorten waterspitsmuis en noordse woelmuis is niet aangetoond. Otter Op 4 november 2020 zijn de oevers in het zuidelijke deel van het plangebied, dat mogelijk geschikt is als leefgebied, onderzocht door twee ecologen van BügelHajema Adviseurs. Hierbij zijn zowel de sloten aan de noordelijke grens van het onderzoeksgebied en de oevers van het Alddjip en Nije Mûntsegroppe langsgelopen. Met het onderzoek zijn in totaal drie

76/142

spraints (uitwerpselen) van otter aangetroffen in het onderzoeksgebied Figuur 7-5. Het zuidelijk deel van het plangebied maakt onderdeel uit van het leefgebied van één of meerdere otters. Dit betreft de oevers van de Nije Mûntsegroppe, het Alddjip en het oostdeel van de bredere watergang nabij De Geasten. Er zijn echter geen rustplekken of verblijfplaatsen aanwezig die geschikt zijn voor langdurig verblijf.

Figuur 7-5 Onderzoeksgebied voor nader onderzoek otter en locaties waar sporen zijn aangetroffen

Amfibieën Op basis van de NDFF komen niet-vrijgestelde amfibieënsoorten niet voor in het plangebied. Volgens Heijden (2016) komt de beschermde niet-vrijgestelde heikikker voor op een aantal locaties in de Alde Feanen. Deze soort komt voor in natte veenweiden, verlandingszones van grotere wateren en in (elzen)broekbossen. De brede oeverzone van de Nije Mûntsegroppe en aangrenzende extensief beheerde weilanden zijn mogelijk geschikt als landbiotoop in de actieve periode. In laag Nederland overwintert heikikker vooral langs sloten met afgetrapte slootkanten. Bosjes ontbreken grotendeels, er zijn weinig afgetrapte slootkanten de sloten zijn matig zonbeschenen en matig voedselrijk. Het gebied is daardoor als voortplantingsbiotoop en overwinteringsbiotoop maar matig geschikt. Wel zijn in het plangebied enkele algemene soorten te verwachten zoals bruine kikker, bastaardkikker en kleine watersalamander. De watergangen vormen voor deze soorten geschikt voortplantingswater. De agrarische percelen zijn geschikt als landbiotoop, maar van lage kwaliteit.

77/142

Reptielen, vissen en ongewervelden Recente waarnemingen van reptielen zijn niet bekend uit het plangebied en naaste omgeving. Het is mogelijk dat ringslang incidenteel voorkomt langs de oevers van de Nije Mûntsegroppe, maar aanwijzingen hiervoor zijn er niet (Heijden, 2016). Verder is geen geschikt leefgebied voor reptielen aanwezig in het plangebied. Uit de omgeving is wel grote modderkruiper bekend. De watergangen in het plangebied zijn geschikt als leefgebied van de grote modderkruiper. In 2020 is daarom onderzoek uitgevoerd naar het voorkomen van deze soort. Hieruit blijkt dat geen grote modderkruiper is aangetoond binnen het onderzoeksgebied. In hetzelfde onderzoek is ook de aanwezigheid van twee soorten beschermde ongewervelden onderzocht, namelijk de platte schijfhoren en de gestreepte waterroofkever. Ook deze soorten zijn niet aangetroffen. Vanwege het ontbreken van krabbenscheer in het plangebied is ook het voorkomen van de libellensoort de groene glazenmaker uitgesloten. Voor andere beschermde soorten uit de overige soortengroepen is door het intensief agrarisch gebruik van het plangebied geen geschikt leefgebied aanwezig.

7.3

Planvoornemen

7.3.1 Gebiedsbescherming Natura 2000 In de uitgebreide natuurtoets (BügelHajema Adviseurs in 2020, bijlage 8) zijn de mogelijke effecten op Natura 2000-gebied Alde Feanen onderzocht. Hierbij is gebruik gemaakt van de Effectenindicator (Ministerie LNV, 2020b). Voor het Natura 2000-gebied Alde Feanen zijn 11 van deze storingsfactoren relevant, zoals blijkt uit de effectindicator opgenomen in bijlage 3 van dat onderzoek. Doordat de geplande ontwikkeling buiten het Natura 2000-gebied plaatsvindt, heeft deze geen invloed op de factoren oppervlakteverlies, versnippering of mechanische effecten. Het plangebied ligt in een ander peilvak dan het Natura 2000-gebied en ligt op 0,7 km afstand. Voor het planvoornemen is een hydrologisch onderzoek door TAUW uitgevoerd (Bijlage 9). De effecten ten aanzien van hydrologische situatie zijn merkbaar tot maximaal 200 à 300 m rond de uitbreiding van de boezem en reiken tot de Alde Feanen. De conclusie van dit onderzoek is dat er geen negatieve effecten ten aanzien van hydrologie van het Natura 2000-gebied optreden. Volgens dit onderzoek is als gevolg van het planvoornemen juist een positief effect te verwachten, doordat een lichte vernatting zal optreden grenzend aan de Alde Feanen. Derhalve treden geen negatieve effecten op gerelateerd aan hydrologische storingsfactoren zoals verdroging en vernatting.

Optische verstoring door aanwezigheid van mensen of machines treedt niet op door de afstand tot het Natura 2000-gebied. Ook vanwege de afstand tot het Natura 2000-gebied is verstoring door licht, geluid en trilling eveneens niet aan de orde. Met het planvoornemen wordt verwacht dat ter plaatse van de huidige wateren en de Alde Feanen een toename van maximaal 1,6% extra vaarbewegingen zal ontstaan. De toename van waterrecreatie vindt grotendeels plaats op andere locaties dan waar zich habitats en soorten met instandhoudingsdoelen bevinden. Daarbij is waarschijnlijk het vaargedrag meer bepalend voor de verstoring dan het aantal vaarbewegingen. Stikstof Door een toename van verkeer en vaarbewegingen kunnen effecten zoals vermesting en verzuring niet op voorhand worden uitgesloten. De achtergronddepositie in de gebieden rond het planvoornemen is op een aantal plaatsen voor stikstofgevoelige habitattypen al te hoog, waardoor er sprake is van een overbelaste situatie. Daarom is de depositie van stikstof ten gevolge van de ontwikkeling berekend. De depositie van stikstof in Natura 2000-gebieden ten gevolge van de emissie van NOx en NH3 van deze ontwikkeling, alsmede van het verkeer van en naar de locatie is berekend met het programmapakket AERIUS (februari 2023, bijlage 7).

78/142

Uit de AERIUS-berekening voor de referentiesituatie blijkt dat op vijf Natura 2000-gebieden een bijdrage is berekend van het huidig agrarisch gebruik. Met de gebruiksfase van het planvoornemen komt dit huidige gebruikt te vervallen en worden enkele verkeersbronnen en vaarbewegingen toegevoegd. Voor het planvoornemen is alleen op de Alde Feanen een toename van 0,05 mol/ha/jr. berekend. Voor de overige gebieden is met het planvoornemen geen sprake meer van een depositie, wat dus een afname in depositie betekent. In Tabel 7-3 is de grootste bijdrage van het plangebied weergegeven voor zowel de referentiesituatie als de gebruiksfase van het planvoornemen. Hieruit blijkt dat er per saldo sprake is van een afname van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied de Alde Feanen van maximaal 1,12 mol/ha/jaar. Per saldo is er door het planvoornemen sprake van een afname op de omliggende Natura 2000-gebieden, waardoor er geen relevant effect van het plangebied meer is. Het planvoornemen draagt zelfs bij aan de instandhoudingsdoelstellingen in vijf Natura 2000-gebieden. Het planvoornemen wordt op dit onderdeel beoordeeld met positief (+). Tabel 7-3 Overzicht grootste bijdrage van plangebied op Natura 2000-gebieden in referentiesituatie en gebruiksfase planvoornemen (in mol

N/ha/jr.). Per gebied

Referentiesituatie/ te salderen Grootste bijdrage

Gebruiksfase Verschil/saldo planvoornemen Netto resultaat* Grootste bijdrage

Alde Feanen (13)

1,17

0,05

-1,12

Wijnjeterper Schar (16)

0,07

-

-0,07

Van Oordt’s Mersken (15)

0,07

-

-0,07

Bakkeveense Duinen (17)

0,04

-

-0,04

Drents-Friese Wold & Leggelderveld (27) 0,02 *heeft betrekking op het betreffende Natura 2000- gebied maar is niet per se op hetzelfde hexagoon.

-0,02

NNN-gebied Met het planvoornemen verdwijnt de huidige kering die de aanduiding NNN-natuur heeft met een totale oppervlakte 8.896 m2. Dat maakt dat er een compensatieverplichting ontstaat. Deze compensatie wordt ingevuld door de te realiseren plasdraszone in het westen van het plangebied aan te wijzen als NNN-natuur en als zodanig te bestemmen. De nieuw te realiseren plasdraszone aan de zuidwestkant van het gebied bedraagt 18.440 m2 en omvat daarmee in ieder geval ruim het te compenseren oppervlak. Door het inrichten van deze plasdraszone wordt dan ook voldaan aan de compensatieverplichting. Daarnaast wordt door de inrichting van deze zone een meer gevarieerd habitat gerecreëerd dan de huidige waarden ter plaatse van de kering. Ten opzichte van de referentiesituatie scoort het planvoornemen op dit onderdeel licht positief (0/+). Het binnen het plangebied gelegen NNN- beheergebied, dat pas het laatste jaar als zodanig ook wordt beheerd, verdwijnt met de realisatie van het meer. Hierop geldt geen compensatieverplichting, wel moet herbegrenzing plaatsvinden waarbij wordt afgewogen dat de wezenlijke kenmerken en waarden gemitigeerd kunnen worden. Het nieuwe meer wordt bestemd voor onder andere water, waterrecreatie en natuur. Het is in dit geval niet zo dat een NNN-beheergebied wordt bebouwd of verhard, waarna er geen natuurwaarden overblijven en worden beschermd.

De oppervlakte van de NNN en de samenhang worden niet aangetast. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt wel bestaande agrarische natuur vervangen door waternatuur. Door de omvorming zullen de bestaande natuurtypen met soorten van agrarische graslanden dan ook verdwijnen, maar worden vervangen door ontwikkeling van waternatuur met onder andere water- en rietvogels, vissen en andere waterdieren. Ook zal daarbij de bemesting van de gronden worden gestopt, wat positief is voor de natuur rond het gebied. Dit betekent dat de kwaliteit van de NNN niet verloren gaat en mogelijk zelfs verbetert. Het plangebied maakt officieel geen onderdeel uit van een weidevogelgebied, maar wordt door de grutto en de kievit wel als dusdanig gebruikt. De gronden direct grenzend aan het plangebied, ten zuiden van De Geasten, worden optimaal ingericht als fûgeltsjelân (Figuur 7-6). De bestaande, oude zetsloot blijft liggen, maar wordt meer open gemaakt. Door het planvoornemen treedt op deze locatie een lichte vernatting op. Het gebied krijgt een natuurlijk agrarisch beheer, gericht op het

79/142

ontwikkelen en in standhouden van het gebied als weidevogelgebied, vooral voor soorten als grutto en kievit. Voor het broedseizoen van 2023 worden, onder begeleiding van de vogelwacht en een ecologisch bureau, de benodigde maatregelen uitgevoerd. Het areaal wordt wel verkleind ten opzichte van de huidige situatie maar de kwaliteit wordt opgewaardeerd, waardoor het planvoornemen per saldo neutraal scoort (0).

Figuur 7-6 Locatie fûgeltsjelân (rode cirkel)

Overige natuurwaarden Met het planvoornemen wordt voorzien in een natuureiland dat geheel z’n eigen ontwikkeling mag kennen. Daarnaast worden alle eilanden voorzien van een natuurvriendelijke oevers en een harde oeverconstructie ter plaatse van de aanlegplaatsen. Om bij te dragen aan bestaande natuurwaarden in de omgeving en deze te versterken, is ten aanzien van ecologie en waterkwaliteit onderzocht of met betrekking van de inrichting van het meer en de eilanden een meerwaarde kan worden gecreëerd (Altenburg en Wymenga (bijlage 3). In het ontwerp van het meer zijn de adviezen van dit onderzoek geintegreerd: ● Plasdraszones met maximale waterdiepte van 90 centimeter, met een zandbodem zodat waterplanten zich goed kunnen ontwikkelen en schuilmogelijkheden biedt voor jonge vis. ● Boomopslag zoveel mogelijk voorkomen op het natuureiland ● Rietplaggen uit de Zetsloot benutten om een rietvegetatie op gang te krijgen.

80/142

7.3.2 Soortenbescherming Planten Vanwege het ontbreken van beschermde soorten zijn negatieve effecten ten aanzien van wettelijk beschermde plantensoorten uitgesloten. Vogels Er zijn geen geschikte nesten of broedplaatsen van soorten met jaarrond beschermde nesten aangetroffen. Negatieve effecten ten aanzien van vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten worden uitgesloten. Met betrekking tot broedvogelsoorten waarvan nesten niet jaarrond beschermd zijn, kan ervan uitgegaan worden dat geen verbodsbepalingen worden overtreden als buiten het broedseizoen wordt gewerkt of als de werkzaamheden voor het broedseizoen worden opgestart en continu worden doorgevoerd. Voor het broedseizoen wordt in het kader van de Wnb geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Voor de meeste vogels geldt evenwel dat het broedseizoen van ongeveer 15 maart tot 15 juli loopt. Het plangebied zal van karakter veranderen als foerageergebied voor soorten als buizerd en sperwer. Voor een deel gaat dit verloren doordat een meer ontstaat, daarnaast kan het deel met oeverzones ook nieuw hoge kwaliteit foerageergebied opleveren. Het plangebied zal slechts een deel van het foerageergebied van individuen van deze soorten uitmaken. Daarnaast is in het aangrenzend landelijk gebied veel foerageergebied van hoge kwaliteit beschikbaar.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13012822/1