CConstaterende datSmallingerland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 Plan-projectMER Oudega

Het Debat 19 september 2023, gemeente SmallingerlandBij agendapunt: Bestemmingsplan en Milieueffectrapport (MER) Oudega – Nije Aldegeaster Sânning33.701 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Zoogdieren -vleermuizen Door het ontbreken van mogelijke verblijfsplaatsen (bomen en gebouwen) zijn nadelige effecten uitgesloten. De brede watergangen Nije Mûntsegroppe en het Alddjip zijn van groot belang voor vleermuizen als foerageergebied en waarschijnlijk ook als vliegroute. Door aanleg van het meer gaan de oevers aan één zijde (noordoever van de Nije Mûntsegroppe en westoever van het Alddjip) gedeeltelijk of zelfs grotendeels verloren. De oever aan de andere zijde blijft behouden waardoor deze kan blijven fungeren als vliegroute. Daarnaast zal de hoeveelheid geschikt foerageergebied voor meervleermuis (en eveneens watervleermuis) juist toenemen door aanleg van het meer en aanleg van nieuwe brede moeraszones. Het planvoornemen draagt dan ook bij aan de instandhoudingsdoelstellingen van de Alde Feanen. Voor soorten die elders in het plangebied foerageren, is het huidige gebied van matige kwaliteit en ligt op grote afstand van mogelijke verblijfplaatsen. In de omgeving is veel meer foerageergebied van deels betere kwaliteit beschikbaar zoals de houtopstanden ten noordwesten van het plangebied. Negatieve effecten op vleermuizen door verlies van foerageergebied in het agrarisch gebied zijn niet te verwachten. Binnen het plangebied wordt geen verlichting aangebracht langs het fietspad.

Bij het te nieuw te realiseren gemaal zal alleen noodverlichting worden aangebracht zodat de locatie bij calamiteiten veilig toegankelijk is. Er zal dan ook bij calamiteiten alleen verlichting zijn, naar verwachting zal dit zeer incidenteel zijn. Ook bij de aanlegplaatsen wordt geen permanente verlichting voorzien. De verlichting van aanliggende boten zal een dusdanig klein uitstralingseffect hebben dat vleermuizen daar geen hinder van ondervinden, immers de gehele route van de Alde Feanen naar het plangebied is voorzien van dergelijke aanlegplekken. Grondgebonden zoogdieren De aanwezigheid van de doelsoorten waterspitsmuis en noordse woelmuis is niet aangetoond. Effecten op deze soorten wordt dan ook uitgesloten. Ten aanzien van andere niet-vrijgestelde grondgebonden zoogdiersoorten zijn eveneens geen negatieve effecten te verwachten. De oevers van de Nije Mûntsegroppe, het Alddjip en het oostdeel van de bredere watergang bij De Geasten zijn geschikt als foerageergebied voor otter en worden ook als zodanig gebruikt. Er zijn echter geen rustplekken of verblijfplaatsen aanwezig die geschikt zijn voor langdurig verblijf. Het plan voorziet in nieuwe oevers met moeraszones langs de randen van het te

81/142

ontwikkelen meer en de eilanden, die geschikt zijn als leefgebied voor otter. Deze zones hebben in het planvoornemen een groter oppervlak dan de huidige situatie waardoor het leefgebied van de otter wordt vergroot. Het planvoornemen draagt dan ook bij aan de instandhoudingsdoelstellingen van de Alde Feanen. Negatieve effecten voor otter worden dan ook uitgesloten. Amfibieën Beschermde niet-vrijgestelde amfibieënsoorten zijn niet bekend in het plangebied en niet te verwachten. Negatieve effecten op deze soorten kunnen worden uitgesloten. Door de aanleg van brede oeverzones kan wel geschikt habitat ontstaan Reptielen, vissen en ongewervelden Hoewel in het plangebied potentieel geschikt leefgebied voor grote modderkruiper aanwezig is, is deze soort bij het nader onderzoek in 2020 niet aangetroffen in het plangebied. Op basis hiervan kan worden uitgesloten dat grote modderkruiper voorkomt in het plangebied, en dat een negatief effect voor deze soort optreedt. Op basis van het veldbezoek en gebruikte bronnen is een voldoende beeld van de overige soorten van de soortgroepen reptielen, vissen en ongewervelden ontstaan. Beschermde soorten vissen, reptielen en ongewervelden zijn niet bekend in het plangebied en niet te verwachten. Het plan leidt niet tot negatieve effecten voor beschermde soorten reptielen, vissen en ongewervelden.

Door het aanleggen van de moeraszones wordt wel voorzien in een habitat waar deze soorten gebruik van kunnen maken. Conclusie Het plangebied is niet geschikt als verblijfplaats van de hierboven genoemde ‘beschermde’ soorten. De otter en verschillende soorten vleermuizen maken wel gebruik van het gebied maar hebben geen vaste verblijfplaats. Door de aanleg van plasdraszones langs de zuidwestelijke oever en de eilanden, ontstaat een groter areaal van geschikt habitat voor de otter. Ook het foerageergebied voor onder andere de meervleermuis wordt door deze oevers uitgebreid. Dat maakt dat het planvoornemen een licht positief effect heeft op de aanwezige beschermde soorten en bijdraagt aan de instandhoudingsdoelstellingen van de Alde Feanen (0/+).

7.4

Aanlegfase planvoornemen

7.4.1 Gebiedsbescherming Vanwege de afstand van het plangebied tot de dichtbijgelegen Natura 2000-gebieden zijn effecten als areaalverlies, versnippering, verdroging, verandering, verontreiniging en verstoring op voorhand uitgesloten. De aanleg van het meer met eilanden en zachte oevers leidt vanwege de inzet van mobiele werktuigen tot stikstofemissies. Deze emissies hebben mogelijk stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats tot gevolg. De achtergrondwaarden van stikstofdepositie zijn op enkele locaties al te hoog, waardoor extra depositie een risico vormt voor de instandhoudingsdoelen. De depositie van stikstof in Natura 2000-gebieden ten gevolge van de emissie van NOx en NH3 van deze ontwikkeling, alsmede van het verkeer van en naar de locatie is berekend met het programmapakket AERIUS (februari 2023, bijlage 7). De resultaten zijn opgenomen in Tabel 7-4. Hieruit blijkt dat met de aanleg van het planvoornemen een afname is te zien van de bijdrage van het plangebied op de stikstofdepositie op 5 natura 2000-gebieden ten opzichte van de referentiesituatie. De aanlegfase wordt dan ook beoordeeld met licht positief op dit onderdeel (0/+). Tabel 7-4 Overzicht grootste effect op Natura 2000-gebieden van het plangebied in referentiesituatie en tijdens de aanlegfase van het planvoornemen in mol N/ha/jr.

Per gebied

Referentiesituatie Grootste bijdrage

Planvoornemen (aanleg) Grootste bijdrage

Verschil Saldo*

Alde Feanen (13)

1,17

0,56

-0.61

Wijnjeterper Schar (16)

0,07

0,02

-0,05

82/142

Van Oordt’s Mersken (15)

0,07

0,03

-0,04

Bakkeveense Duinen (17)

0,04

0,01

-0,03

Drents-Friese Wold & Leggelderveld (27)

0,02

0,01

-0,01

*heeft betrekking op het betreffende Natura 2000- gebied maar is niet per se op hetzelfde hexagoon.

7.4.2 Soortenbescherming Mogelijke effecten op de aanwezige soorten kunnen optreden bij de werkzaamheden van het planvoornemen. Met name verstoring en vernietig van habitat zijn mogelijke effecten. In deze paragraaf worden de effecten beschouwd op de aanwezige soorten en aanbevelingen/ mitigerende maatregelen voorgesteld. Vleermuizen Om negatieve effecten op foerageergebied en potentiële vliegroutes uit te sluiten is het wel noodzakelijk dat verstoring door (extra) verlichting tijdens de aanlegfase van de ontwikkelingen wordt voorkomen. Verlichting van wateren die als vliegroute dienen, is zeer verstorend voor de in de omgeving voorkomende meer- en watervleermuis. In de aanlegfase kan verstoring van vleermuizen door licht (en tevens geluid en trillingen) worden voorkomen door bijvoorbeeld alleen bij daglicht te werken langs de waterlijn. Grondgebonden zoogdieren Otter Door graafwerkzaamheden langs de oevers worden geen vaste verblijfplaatsen van otter aangetast of verstoord, wel kan tijdelijk leefgebied van de soort verloren gaan. Tijdens de werkzaamheden heeft de otter genoeg uitwijkmogelijkheden, waardoor er geen verbodsbepalingen ten aanzien van de otter overtreden worden. Significant negatieve effecten wordt dan ook niet verwacht.

Algemene beschermde zoogdieren Als gevolg van de werkzaamheden kunnen ten slotte verblijfplaatsen van enkele algemene beschermde zoogdieren worden verstoord en/of vernietigd. Ook kunnen hierbij enkele exemplaren worden gedood. De te verwachten algemene soorten worden niet in hun voortbestaan bedreigd en vallen in de provincie Fryslân onder de vrijstellingsregeling van de Wnb bij ruimtelijke ontwikkelingen. Voor deze soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd. Wel geldt voor deze soorten de zorgplicht van de Wnb. Amfibieën Als gevolg van de werkzaamheden kunnen verblijfplaatsen van enkele algemene beschermde amfibieën worden verstoord en/of vernietigd. Ook kunnen hierbij enkele exemplaren worden gedood. De te verwachten algemene soorten worden niet in hun voortbestaan bedreigd en vallen in de provincie Fryslân onder de vrijstellingsregeling van de Wnb bij ruimtelijke ontwikkelingen. Voor deze soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd. Wel geldt voor deze soorten de zorgplicht van de Wnb. Conclusie Ten aanzien van de werkzaamheden treedt verstoring en vernietiging van habitat op. Echter hebben de voorkomende beschermde soorten voldoende uitwijkingsmogelijkheden en worden daarom niet in hun voortbestaan bedreigd. Om mogelijke effecten op de vliegroutes van vleermuizen te voorkomen, worden de werkzaamheden langs de waterlijn in de dag periode uitgevoerd.

Voor alle overige soorten moet worden gewerkt volgens de zorgplicht Wnb. Ten opzichte van de referentiesituatie zal er tijdelijk een licht negatief effect optreden (-/0).

7.5

Alternatieven

7.5.1 Gebiedsbescherming Vanwege de afstand van het plangebied tot de dichtbijgelegen Natura 2000-gebieden zijn effecten als areaalverlies, versnippering, verdroging, verandering, verontreiniging en verstoring op voorhand uitgesloten. De onderscheidende effecten

83/142

worden bepaald door vermesting en verzuring. Daarom zijn voor alle alternatieven AERIUS berekeningen uitgevoerd. De uitkomsten van de berekeningen zijn opgenomen in Tabel 7-5 en vergeleken met de referentiesituatie. Alle alternatieven leiden per saldo tot een bijdrage van stikstofdepositie op de Alde Feanen, waarbij het Alternatief Afzanden de grootste bijdrage tot gevolg heeft. Ook op andere Natura 2000-gebieden worden per saldo bijdragen berekend, behalve bij het Alternatief Veenbodem. Bij alle alternatieven wordt een cutterzuiger ingezet om de zandlaag te verwijderen. Uit de berekeningen blijkt dat deze machines een hogere emissie hebben dan graafmachines. Bij het alternatief afzanden is zelfs een dubbele bijdrage berekend. Dit wordt verklaard doordat de cutterzuiger twee keer ingezet moet worden. De eerste keer om het zand onder het veen weg te halen en de tweede keer om circa 0,50 m zand op het veen te plaatsen. Tabel 7-5 Overzicht grootste bijdrage aan depositie vanuit plangebied op natura 2000 gebieden per alternatief voor aanleg in mol N/ha/jr.

Per gebied

Referentiesituatie Grootste bijdrage

Alternatief Afvoer zandwinput Grootste bijdrage

Alternatief Veenbodem Grootste bijdrage

Alternatief Afzanden Grootste bijdrage

Alde Feanen (13)

1,17

1,75

1,27

3,30

Wijnjeterper Schar (16)

0,07

0,06

0,05

0,12

Van Oordt’s Mersken (15)

0,07

0,09

0,07

0,17

Bakkeveense Duinen (17)

0,04

0,04

0,03

0,08

Drents-Friese Wold & Leggelderveld (27)

0,02

0,02

0,01

0,04

Voor alle alternatieven geldt dat de uitvoering (aanlegfase) tot een grotere depositie leidt dan de referentiesituatie. Dit zou kunnen worden opgelost door de aanleg of een langere periode dan twee jaar te spreiden, om zo de stikstofdepositie per jaar te reduceren. Deze alternatieven worden dan ook beoordeeld met negatief (-). 7.5.2 Soortenbescherming De verschillende alternatieven voor de uitvoer van het planvoornemen leiden niet tot onderscheidende effecten. Ten aanzien van de werkzaamheden treedt verstoring en vernietiging van habitat op. Echter hebben de voorkomende beschermde soorten voldoende uitwijkingsmogelijkheden en worden daarom niet in hun voortbestaan bedreigd. Om mogelijke effecten op de vliegroutes van vleermuizen te voorkomen, worden de werkzaamheden langs de waterlijn in de dagperiode uitgevoerd. Voor alle overige soorten moet worden gewerkt volgens de zorgplicht Wnb. Ten opzichte van de referentiesituatie zal er net als bij de aanleg van het planvoornemen een tijdelijk licht negatief effect optreden (-/0).

7.6

Samenvattende effectbeoordeling

In Tabel 7-6 is het overzicht van de effectbeoordeling opgenomen. De gebruiksfase is voor alle alternatieven gelijk. De verschillen tussen de aanlegfase worden veroorzaakt door de effecten van de inzet van machines en schepen. Tabel 7-6 Effectbeoordeling Natuur

Beoordelingscriteria

Planvoornemen (gebruik)

Planvoornemen (aanleg)

Alt. Afvoer veen zandwinput

Alt. Veenbodem

Alt. Afzanden veenbodem

Effect op beschermde gebieden (verstoring et cetera)

0/+

0

0

0

0

Effect op beschermde gebieden (vermesting et cetera)

0/+

0/+

-

-

-

Effect op beschermde soorten

0/+

-/0

-/0

-/0

-/0

84/142

Mitigerende maatregelen De volgende maatregelen zijn noodzakelijk om negatieve effecten te voorkomen of zoveel mogelijk te verminderen: ● Vleermuis: In de gebruiksfase zijn geen negatieve effecten te verwachten mits geen verlichting in het gebied wordt aangelegd of uitsluitend zeer lokaal en in de vorm van vleermuisvriendelijke verlichting. ● Tijdens de aanleg is het noodzakelijk om de werkzaamheden bij daglicht uit te voeren, om verstoring van vleermuizen door licht (en tevens geluid en trillingen) te voorkomen. ● Daarnaast moet tijdens het broedseizoen van vogels de zorgplicht van de Wnb in acht worden genomen. ● Werkzaamheden spreiden langer dan twee jaar indien de bijdrage van stikstofemissies groter is dan de referentiesituatie, waarbij de werkzaamheden per jaar worden afgestemd op de maximale toelaatbare stikstofemissie. Aanbevelingen De volgende maatregelen zijn niet noodzakelijk vanuit wettelijke of beleidskaders, maar kunnen wel bijdragen aan een beter plan vanuit ecologisch oogpunt: ● Plasdraszones met maximale waterdiepte van 90 centimeter, met een zandbodem, zodat waterplanten zich goed kunnen ontwikkelen en schuilmogelijkheden biedt voor jonge vis. ● Boomopslag zoveel mogelijk voorkomen op het natuureiland om zo predatie te voorkomen. ● Rietplaggen uit braakliggend terrein benutten om een rietvegetatie op gang te krijgen. Ditzelfde geldt voor krabbenscheer.

85/142

8. LANDSCHAP, ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE 8.1

Toetsingskader

8.1.1 Wet- en regelgeving/beleid Landschap Voor landschap is geen wettelijk kader van toepassing, maar zijn wel beleidskaders vastgelegd, zowel in de provinciale omgevingsvisie als in de gemeentelijke omgevingsvisie. Op basis van deze documenten is een bescherming opgenomen voor het behoud en versterken van kenmerkende landschapsstructuren en cultureel erfgoed. Onder de Omgevingswet zijn instructieregels opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (BKL) in paragraaf 5.1.5 ‘Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed’. Deze regels hebben betrekking op: ● ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; ● verplaatsing van beschermde monumenten; ● gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; ● aantasting van de omgeving van een beschermd monument; ● aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; ● conserveren en in stand houden van archeologische monumenten. Cultuurhistorie en archeologie Bescherming van het archeologisch erfgoed valt (evenals die van monumenten) onder de Erfgoedwet. Deze wet gaat ook op in de Omgevingswet. Bescherming van archeologische waarden is onderdeel van de ruimtelijke planvorming (structuurvisie, bestemmingsplannen). Bij ruimtelijke projecten (bouw, aanleg) moet worden getoetst of archeologische waarden in het geding zijn.

Een belangrijke bron voor het archeologisch erfgoed binnen de gemeente Smallingerland is de Provinciale Friese Archeologische Monumenten Kaart Extra (FAMKE). FAMKE geeft informatie voor de periode ijzertijd-middeleeuwen en de periode steentijd-bronstijd. Via deze kaart geeft zij advies wanneer archeologische waarden te verwachten zijn en wat dan de onderzoeksstrategie moet zijn bij graafwerkzaamheden in de bodem. Dit wordt nader beschreven in paragraaf 8.2. In 2018 is een Landschapsbiografie voor gemeente Smallingerland opgesteld 'Het verhaal van Smallingerland', waarin integraal aandacht is voor de cultuurhistorische waarden, monumentenzorg en archeologie. 8.1.2 Onderzoeksmethodiek en beoordelingskader In dit MER worden de te verwachten effecten van het planvoornemen en de varianten en alternatieven beschreven ten opzichte van de referentiesituatie. De beoordeling hiervan vindt plaats volgens de criteria in onderstaande tabel. Tabel 8-1 Beoordelingscriteria landschap, cultuurhistorie en archeologie

Score

Beoordeling van het effect

+ 0/+ 0 -/0

Verbetering van landschapsstructuur of cultuurhistorische waarden, niet van toepassing voor archeologische waarden

-

Verslechtering van landschapsstructuur, cultuurhistorische of archeologische waarden

86/142

Lichte verbetering van landschapsstructuur of cultuurhistorische waarden, niet van toepassing voor archeologische waarden Geen significant effect op landschapsstructuur, cultuurhistorische of archeologische waarden Lichte verslechtering van landschapsstructuur, cultuurhistorische of archeologische waarden

8.2

Referentiesituatie

Historie De Aldegeaster Sânning legt de basis voor het huidige landschap. Op oude kaarten is te zien hoe het meer tot aan de zandrug reikt waar het dorp Oudega ligt. Het meer wordt in de jaren '20 ingepolderd. Om Oudega wel via het water bereikbaar te houden wordt met de inpoldering ook het Alddjip gegraven, dit is nog steeds een markante lijn in het landschap die meeknikt met de dijk van de polder. Aan de rand van Oudega ligt sindsdien de haven van het dorp. In de afgelopen decennia is het gebied ruilverkaveld. De smalle percelen zijn breder geworden en houtsingels zijn verdwenen. Bij de recentelijke herinrichting van het baggerdepot aan De Geasten zijn veel van deze singels weer herplant.

Figuur 8-1 het gebied vanaf de jaren 1920 tot recent

Landschap Oudega ligt op de overgang van de Friese Wouden naar het waterrijke en weidse veengebied. Het Veenweidegebied kenmerkt zicht door: ● grootschalig open; ● onregelmatige blokverkaveling, soms een strokenverkaveling tot aan het water; ● veel dijken, weinig wegen, geen bebouwing. Van noord naar zuid gaat het landschap over van een hoger liggend, besloten gebied met houtsingels op oude zandruggen naar een steeds minder beplant, laag gelegen en onbebouwd veenweidelandschap in het zuiden. Met daartussen een oude droogmakerij, die heel kenmerkend als polder is verkaveld met rechte lijnen en verspreid liggende erven. Deze verschillen op zo'n korte afstand maken het gebied aantrekkelijk en bijzonder.

87/142

Figuur 8-2 Landschapstypenkaart (bron: Bijlage 5 bestemmingsplan buitengebied)

Het plangebied ligt in een laagveengebied. Kenmerkend voor het landschap in het plangebied zijn de openheid en brede sloten (Figuur 8-2, Figuur 8-3 en Figuur 8-4). Houtige begroeiing is zeer beperkt aanwezig in het plangebied. Er zijn enkele bomen op hoeken van percelen en langs de kade. In het gebied zijn veel sloten aanwezig die permanent waterhoudend zijn en meestal noord-zuid georiënteerd zijn. Ten noorden op de hoge gronden van het singellandschap is nog aantal beeldbepalende bomenrijen aanwezig. De wateren aan de oost- en zuidrand van het plangebied zijn breed en fungeren ook als vaarweg. Langs het Alddjip ligt een kade met grasbegroeiing; hier is weinig opgaande riet- en moerasbegroeiing aanwezig, alleen in het meest zuidelijke deel is meer riet aanwezig. Het water en de oevers liggen binnen het plangebied. Langs de Nije Mûntsegroppe aan de zuidrand is een brede met riet begroeid oeverzone aanwezig, waarbij het riet uitgroeit over de kade en de sloot aan de noordzijde daarvan. De oeverzone ligt binnen het plangebied, het water zelf niet. In het noorden van het plangebied staat een karakteristiek bouwwerk. De oorspronkelijke functie van het gebouw was een gemaal, bouwjaar 1935. Het pand is nu bestemd als woning en blijft gehandhaafd.

88/142

Figuur 8-3 Zichtlijn vanaf de noordwestelijke rand van het te realiseren meer richting noordwest (te handhaven houtsingels)

Figuur 8-4 Zichtlijn richting zuidoost, (rechts woning It Soal aan de overzijde van het Alddjip)

Cultuurhistorie In en in de nabijheid van het plangebied is één cultuurhistorisch object aanwezig. Het betreft het voormalig gemaal aan de Gealânswei in de noordelijke punt van het plangebied. Het voormalige gemaal is omgebouwd tot woning. Recentelijk is een aanbouw gerealiseerd.

89/142

Figuur 8-5 Voormalig gemaal, Gealânswei 4

Archeologie Op basis van de archeologische advieskaart FAMKE van de provincie Fryslân blijkt dat voor de periode ijzertijd-middeleeuwen het plangebied is gelegen in de zone ‘karterend onderzoek 3 (middeleeuwen)’. In deze gebieden kunnen zich archeologische resten bevinden uit de periode ijzertijd-middeleeuwen. Het gaat hier dan met name om vroeg en vol-middeleeuwse veenontginningen. Daarbij bestaat de kans dat er zich huisterpjes uit deze tijd in het plangebied bevinden. Ook de wat oudere boerderijen kunnen archeologische sporen of resten afdekken, hoewel de veengronden eromheen al afgegraven zijn. De provincie beveelt aan om bij ingrepen van meer 5.000 m² een historisch en karterend onderzoek te verrichten, waarbij speciale aandacht moet worden besteed aan eventuele Romeinse sporen en/of vroeg- middeleeuwse ontginningen.

90/142

Figuur 8-6 Uitsnede FAMKE ijzertijd- middeleeuwen

Binnen het plangebied zien we op de advieskaart voor de periode steentijd-bronstijd dat het gehele gebied is gelegen in een zone voor karterend onderzoek 3 (steentijd). In deze gebieden kunnen zich op enige diepte archeologische lagen bevinden uit de steentijd, die zijn afgedekt door een veen- of kleidek. Mochten zich hier archeologisch resten bevinden, dan zijn deze waarschijnlijk goed van kwaliteit. De provincie beveelt daarom aan om bij ingrepen van meer dan 5.000 m² een karterend (boor)onderzoek uit te laten voeren, waarbij minimaal drie boringen per hectare worden gezet, met een minimum van drie boringen voor gebieden kleiner dan een hectare.

Figuur 8-7 Uitsnede FAMKE steentijd-bronstijd

91/142

Door RAAP is in 2020 een inventariserend en karterend booronderzoek uitgevoerd naar het voorkomen van mogelijke archeologische waarden (bijlage 10). In dit onderzoek is gebruik gemaakt van het door Boon & Boekema (2009) opgestelde archeologische verwachting. Op basis van dit onderzoek is een beschrijving opgenomen van de mogelijk te verwachten waarden binnen het plangebied: ● Het westen van het plangebied ligt op de rand van een relatief hoger gelegen deel in het landschap. Op relatief hogere delen van pleistocene oppervlak kunnen resten van bewoning uit de steentijd aanwezig zijn. Dit wordt bevestigd door de aanwezigheid van een mogelijke mesolithische vindplaats net ten oosten van het plangebied (zaakidentificatienummer 2929214100). In het laat-paleolithicum en het mesolithicum is bewoning mogelijk geweest. Tegen het eind van het mesolithicum vernatte het landschap en vond er veengroei plaats, waardoor bewoning niet meer mogelijk was. ● Vanaf de Middeleeuwen zijn in de omgeving van het plangebied nederzettingen gesticht. Oudega en Smalle Ee zijn hier voorbeelden van. Vanaf omstreeks de 10e eeuw vond veenontginning plaats, waardoor het maaiveld daalde. In de 12e eeuw vernatte het gebied dusdanig dat uiteindelijk een groot meer ontstond ten zuiden van Oudega; de Oudegaster Zanding (Figuur 8-8). Aan het begin van de 20e eeuw is dit meer drooggelegd.

Het noorden van het plangebied ligt binnen dit voormalige meer.

Figuur 8-8 Het plangebied geprojecteerd op de kaart van Eekhoff uit 1848.

●

De archeologische verwachting voor de steentijd is middelhoog. Binnen de relatief hogere delen van het plangebied kunnen kleine kampementen en/of activiteitenzones aanwezig zijn op het al dan niet overdekte pleistocene dekzand oppervlak. De conservering van de resten en sporen kan plaatselijk goed zijn als gevolg van de afdekking door (rest)veen. Vanwege de veen ontginningsactiviteiten zullen de resten vermoedelijk dicht onder het huidige maaiveld liggen. Voor de periodes neolithicum, bronstijd, ijzertijd en vroege middeleeuwen is de archeologische verwachting

92/142

●

laag. Het gebied zal als gevolg van de hoge grondwaterstand en de wijdverspreide veengroei toen vrijwel ontoegankelijk zijn geweest. Voor de delen van het plangebied waar de Oudegaster Zanding heeft gelegen geldt een lage archeologische verwachting voor vindplaatsen uit de late middeleeuwen en de nieuwe tijd. Het gebied daarbuiten was niet geschikt voor permanente bewoning, maar hier kunnen wel sporen van ontginningssporen en seizoensgebonden activiteiten aanwezig zijn. Deze zijn echter met booronderzoek niet of nauwelijks op te sporen. Op basis van dit vooronderzoek is de onderzoeksstrategie bepaald voor het booronderzoek van RAAP. De te onderzoeken locaties binnen het plangebied zijn in Figuur 8-9 weergegeven met een groene arcering.

Figuur 8-9 Onderzoeksstrategie karterend booronderzoek RAAP (rood: onderzoeksgebied, groen: nader onderzoek nodig)

●

Uit dit booronderzoek blijkt dat plaatselijk houtskool in de top van het dekzand is waargenomen. Andere archeologische indicatoren zijn niet aangetroffen. Houtskool kan een aanwijzing zijn voor een archeologische nederzetting, maar kan ook een natuurlijke oorsprong hebben. Overtuigende aanwijzingen voor de aanwezigheid van een archeologische vindplaats, zoals bewerkt vuursteen, zijn niet gevonden. Bovendien is uit het onderzoek gebleken dat een groot deel van het plangebied (recent) verstoord is tot in de C-horizont, waardoor eventuele archeologische vindplaatsen verdwenen zullen zijn. De archeologische verwachting voor vindplaatsen uit de steentijd wordt bijgesteld naar laag.

93/142

8.3

Planvoornemen

Landschap en cultuurhistorie Het realiseren van een meer met een dergelijke oppervlakte kan zeer ingrijpend zijn voor huidige landschappelijke kenmerken. Bij het ontwerp van het meer is daarom zorgvuldig rekening gehouden met landschappelijke kenmerken en cultuurhistorische waarden in de directe omgeving zie Figuur 8-10.

Figuur 8-10 Principe landschappelijke inrichting

Na de realisatie van het meer houdt het gebied zijn open karakter en wordt invulling gegeven aan de brede slotenstructuur door het in stand houden van de herkenbare structuur van de vaart, door deze te voorzien van voldoende lengte. Zo wordt ook de oorspronkelijke oost-westrichting van het water (Wide Ie, Wide Mûntsegroppe, Smelle Ie) in stand gehouden. Daarnaast worden om het meer dijken aangelegd, zodat de kenmerkende afscheiding tussen polder en water intact blijft. De oeverzones worden ingericht met riet zodat de nieuwe oevers aansluiten bij het huidige beeld. Het nieuwe gemaal wordt hoofdzakelijk ondergronds geplaatst waardoor deze de zichtlijnen en de openheid van het gebied niet belemmert. De naastgelegen parkeervoorziening zal op het maaiveld worden gerealiseerd, hiervoor zijn geen bouwwerken voorzien. Het voormalig gemaal behoudt de woonbestemming, hierdoor blijft de cultuurhistorische waarde zichtbaar in het landschap. Er wordt door de realisatie van het meer geen afbreuk gedaan aan de zichtlijnen en de openheid van het gebied. Het planvoornemen wordt daarom beoordeeld met neutraal (0). Archeologie Uit het reeds uitgevoerde onderzoek (reeds beschreven bij de referentiesituatie in paragraaf 8.2) blijkt dat in het plangebied geen archeologische resten bedreigd worden door het graven van het meer. Er treden dan ook geen effecten op het aspect archeologie.

Het planvoornemen wordt daardoor beoordeeld met neutraal (0).

94/142

8.4

Aanlegfase planvoornemen

Landschap en cultuurhistorie Er worden geen ingrepen gedaan die van invloed zijn op de cultuurhistorische waarden. Tijdelijk zal de openheid van het gebied worden verstoord door graafwerkzaamheden. Omdat dit tijdelijke effecten zijn, wordt de aanleg van het planvoornemen beoordeeld met neutraal (0). Archeologie Met het graven van een meer kunnen nadelige effecten op archeologische waarden ontstaan. In de referentiesituatie is beschreven dat de kans op nadelige effecten zeer klein is omdat op basis van onderzoek wordt verwacht dat er geen archeologische resten in het gebied aanwezig zijn. Dit onderdeel wordt dan ook beoordeeld met neutraal (0).

8.5

Alternatieven

Landschap en cultuurhistorie Met de alternatieven ten aanzien van de wijze van uitvoering is weinig onderscheid in de effecten die daarmee kunnen optreden. De cultuurhistorische objecten blijven net als bij het planvoornemen gehandhaafd. Het graven van het meer zal een tijdelijk beeld opleveren van de werkzaamheden die daar plaatsvinden, zowel met de optie graven als de optie zuigen. Door het open karakter van het gebied zal dit duidelijk zichtbaar zijn. Echter dit beeld is tijdelijk waardoor alle alternatieven neutraal scoren (0). Archeologie Een andere uitvoeringswijze leidt niet tot andere effecten dan de aanlegfase van het planvoornemen. Er worden namelijk geen archeologische waarden verwacht. Daarom scoren de alternatieven: afvoer zandwinput, veenbodem en alternatief afzanden ook neutraal op het aspect archeologie (0).

8.6

Samenvattende effectbeoordeling

Uit de beoordeling van de effecten blijkt dat voor landschappelijke kwaliteit een tijdelijk effect ontstaat tijdens de realisatie van het meer, door de aanwezigheid van machines. Met de gebruiksfase zal het open karakter van het gebied behouden blijven. Voor de aspecten archeologie en cultuurhistorie zijn geen nadelige effecten in de gebruiksfase van het planvoornemen te verwachten. De alternatieven ten aanzien van de uitvoer leiden eveneens niet tot andere effecten. Tabel 8-2 Effectbeoordeling Landschap, archeologie en cultuurhistorie

Thema

Beoordelingscriteria/ beschrijving effecten

Planvoornemen (gebruik)

Planvoornemen (aanleg)

Landschap

Effect op landschappelijke waarden

0

0

0

0

0

Cultuurhistorie Effect op cultuurhistorische waarden Archeologie Effect op archeologische waarden

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

95/142

Alt. Afvoer veen Alt. Alt. Afzanden zandwinput Veenbodem veenbodem

9. BODEM 9.1

Toetsingskader

9.1.1 Wet- en regelgeving/beleid Wet bodembescherming (Wbb) De Wet bodembescherming (Wbb) stelt regels om de bodem te beschermen. De Wbb maakt duidelijk dat grondwater een onderdeel van de bodem is. Daarnaast worden de sanering van verontreinigde bodem en grondwater door middel van de Wbb geregeld. Ook lozingen in of op de bodem kunnen op grond van de Wbb worden gereguleerd. De waterbodemregelgeving die voorheen was opgenomen in de Wbb is overgegaan naar de Waterwet. Als een locatie niet geschikt is voor het huidige of toekomstige gebruik dan moet deze geschikt worden gemaakt of moet dat (toekomstige) gebruik wijzigen. Als de locatie verontreinigd is en geschikt moet worden gemaakt door sanering dan zijn de regels van de Wbb van toepassing. Besluit bodemkwaliteit (Bbk) Het Besluit bodemkwaliteit biedt de kaders voor duurzaam bodembeheer. Onder duurzaam bodembeheer wordt de balans tussen de bescherming van de bodemkwaliteit voor mens en natuur en het bieden van ruimte voor maatschappelijke ontwikkelingen verstaan. Het Besluit bodemkwaliteit bevat regels om de kwaliteit van de uitvoering van bodembeheer te reguleren (Kwalibo). Daarnaast geeft het de regels voor het hergebruik van bouwstoffen en het hergebruik van grond en baggerspecie. Het toepassen van bouwstoffen, grond en baggerspecie op of in de bodem en in oppervlaktewater mag namelijk niet leiden tot verontreinigingen.

Handelingskader PFAS PFAS is een verzamelnaam en staat voor poly- en perfluoroalkylstoffen. Deze groep chemische stoffen is door mensen gemaakt en komt van nature niet voor in het milieu. PFAS kunnen een negatief effect hebben op milieu en gezondheid. Deze vierde actualisatie van het handelingskader vormt de basis voor het vastleggen van toepassen van PFAS-houdende grond en baggerspecie in de regelgeving. Omdat sprake is van een invulling van de zorgplicht, kan dit handelingskader, vooruitlopend op de aanpassing van de regelgeving, nu al worden gebruikt. Er is de mogelijkheid om lokaal invulling te geven aan de zorgplichten door het vaststellen van hogere waarden per gebied of bij specifieke toepassingen. Dit kan wanneer de PFASachtergrondwaarden afwijken van de landelijke achtergrondwaarden. Wanneer PFAS worden genormeerd in de bodemregelgeving hangt mede af van de inwerkingtreding van de Omgevingswet en de beschikbaarheid van resultaten van nog lopende onderzoeken. 9.1.2 Onderzoeksmethodiek en beoordelingskader In dit MER worden de te verwachten effecten van het planvoornemen en de alternatieven beschreven ten opzichte van de referentiesituatie. De beoordeling hiervan vindt plaats volgens de criteria in onderstaande tabel. Tabel 9-1 Beoordelingscriteria Bodem

Score + 0/+

Beoordeling van het effect

0 -/0 -

Geen belangrijke wijzigingen ten opzichte van de autonome situatie

96/142

Bodemopbouw verbetert, grondwaterkwaliteit verbetert, bodemkwaliteit verbetert Lichte verbetering in bodemopbouw, grondwater- of bodemkwaliteit Licht effect op bodemopbouw, kleine kans op effect op grondwater of bodemkwaliteit Grote effecten op bodemopbouw, grondwater- of bodemkwaliteit zijn mogelijk

9.2

Referentiesituatie

Bodemopbouw Figuur 9-1 (bijlage 4 voor een grotere versie) laat de bodemopbouw van het plangebied zien. Het zuidelijk deel van het plangebied (links van het profiel) bestaat de bovenlaag uit veen (rood). De dikte van het veen neemt halverwege het plangebied richting noord af, gelijk met het verloop van de bestaande maaiveldhoogte tussen -1.00 NAP en -2.00 NAP (Figuur 9-2). Onder het veenpakket is een zandlaag van circa 2 meter dikte aanwezig. De toekomstige waterbodem van circa -2.52 NAP wordt geprojecteerd met de blauwe lijn. De onderste laag die zichtbaar is, bestaat uit een keileemlaag van plaatselijk 3 meter dikte.

Figuur 9-1 Lengteprofiel bodemopbouw

97/142

Figuur 9-2 AHN

Door Wiertsema & Partners (VN-76132-1, 27-08-2020, bijlage 11) is onderzoek uitgevoerd naar de hoeveelheid veen en zand die in het plangebied aanwezig is. Op basis van een aantal boringen is een kaart ontstaan met een indicatie van de veendikte in het plangebied. Uit deze kaart kan worden afgeleid dat de dikte van het veen duidelijk toeneemt naar het zuiden. De geleidbaarheid van het veen is niet gelijk over het gebied vanwege variaties in het type veen, het klei-gehalte, de grondwaterverzadiging en de invloed van de grondwaterkwaliteit. Op basis van de geïnterpoleerde bodemopbouw tussen de beschikbare boringen zijn kaarten gemaakt van het afdekkende veenpakket (Figuur 9-3). Het totale volume aan veen binnen het in beeld gebrachte gebied (oppervlakte 331.025 m2) is berekend op circa 457.500 m3 waarbij een gemiddelde veendikte van circa 1,4 m is aangehouden.

Figuur 9-3 Veendikte (links) en dikte zandpakket (rechts)

98/142

Grondwater Uit de modelberekeningen van TAUW (bijlage 9) blijkt dat de grondwaterstand binnen het plangebied in de huidige situatie in de winter en het voorjaar op veel plekken (met name het landbouwgebied) rond de 40 tot 60 cm onder het maaiveld ligt, en op nattere stukken 20 tot 40 cm. In de zomer is dit 60 tot 80 cm onder maaiveld, lokaal dieper of ondieper. Het plangebied en het gebied naar het zuidoosten van de boezemuitbreiding is natter. Hier komen de grondwaterstanden in de winter tot aan het maaiveld. Het maaiveld ter plaatse van wegen en bebouwing (ten noorden van het te realiseren meer) ligt over het algemeen hoger, waardoor de grondwaterstanden lokaal dieper onder het maaiveld liggen. Ook rond het voormalig baggerdepot, waar het maaiveld al is opgehoogd, staat het water in de winter en voorjaar rond 1 m onder maaiveld, en in de zomer dieper. Rond het project ‘Waterfront’ zijn peilbuizen geplaatst die de grondwaterstand rondom gevoelige objecten ten zuiden van Oudega monitoren. Bodemkwaliteit Het huidige gebruik van de bodem bestaat hoofdzakelijk uit agrarische gebruik, waardoor op voorhand geen sterke verontreinigen worden verwacht. Plaatselijk kan door in het verleden gerealiseerde dammen, infrastructuur en de aanwezige kering verontreiniging aanwezig zijn.

Middels een verkennend bodem onderzoek zijn deze verdachte locaties beoordeeld en zijn er bijmengingen aangetroffen van puin, resten baksteen en asfalt. Hierbij is geen asbest boven de grenswaarden aangetroffen. In 2021 is door MUG ingenieursbureau een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Bijlage 12). Uit de analyseresultaten is naar voren gekomen dat in de grond zeer plaatselijk een sterk verhoogde waarde aan kobalt is gemeten. Het betreft hier een oppervlakte van 20 m2 en een verontreinigde laagdikte van 0,4 m, de hoeveelheid sterk met kobalt verontreinigde grond bedraagt 16 m3. Hiermee is aangetoond dat er geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. De omvang van de sterk met kobalt verontreinigde grond, is door middel van een interventiewaarde contour weergegeven in de onderstaande afbeelding.

Figuur 9-4 Locatie boorpunten bodemkwaliteit incl. interventiewaarde contour

Verder zijn binnen het plangebied lichtverhoogde gehalten aan metalen, minerale olie, PAK en PCB aangetroffen. Deze geven geen aanleiding tot het uitvoeren van nader onderzoek. Over het algemeen is zowel de bovengrond als de ondergrond toepasbaar. Op enkele locaties is klasse industrie van toepassing.

99/142

Ten aanzien van PFAS blijkt dat de gemeten gehalten aan PFAS in alle onderzochte grondmonsters boven de detectiegrenzen zijn gemeten. De gehalten liggen echter ruimschoots onder de landelijke achtergrondwaarden. Vanuit de omgeving zijn zorgen geuit over de gevolgen op van ATF-brand in Drachten (2000). MUG ingenieursbureau heeft in december 2022 een onderzocht (bijlage 12) of de gevolgen van de brand effect hebben gehad op de gezondheid en de bodemkwaliteit. Uit deze memo en het milieuhygiënische bodemonderzoek blijken dat ter plaatse van het plangebied geen noemenswaardige vormen van bodemverontreiniging aanwezig zijn, die zijn toe te schrijven aan de ATF-brand die heeft plaatsgevonden Kwaliteit van het veen In bijlage 13 heeft Wiertsema en partners onderzoek gedaan naar de kwaliteit van het veen voor nuttige toepassing voor bijvoorbeeld de landbouw en of champignonteelt. Bij het bekijken van het opgeboorde veen werd duidelijk dat het laagveen betreft, dit is minder makkelijk af te zetten. Alleen als het veen in bulk per schip kan worden afgevoerd (lage transportkosten) wordt dit rendabel. Bijkomend voordeel is dat het veen dan niet gedroogd hoeft te worden, maar nat kan worden afgevoerd. Belangrijk is wel dat het veen door (of onder toezicht van) een ervaren vervener wordt afgegraven. De helft van de veenmonsterstype is onderzocht op de botanische samenstelling.

Veen bestaat uit half vergaan organisch materiaal, hierdoor is de vegetatie waaruit de veenlaag oorspronkelijk is opgebouwd vaak nog moeilijk te herkennen. In sommige van de onderzochte monsters komen grote stukken half vergaan hout voor. Vanwege de oranje kleur van de houtresten is dit geïnterpreteerd als restanten van els. In drie veenmonsters werd zeer weinig hout aangetroffen. Het veen in deze monsters is waarschijnlijk ook bosveen, maar dit is niet zeker. Conventionele Explosieven (CE) Op 21 juni 2021 is door BOMBS AWAY vooronderzoek uitgevoerd naar het voorkomen van niet gesprongen explosieven uit de tweede wereld oorlog (bijlage 14). Hierbij is het plangebied inclusief een bufferzone van 250 meter onderzocht. Op basis van het vooronderzoek is het gehele plangebied onverdacht op het voorkomen van niet gesprongen explosieven.

9.3

Planvoornemen

Bodemopbouw en geohydrologie Met de realisatie van het meer wordt een significante hoeveelheid bodemmateriaal weggehaald en voor een groot deel niet meer terug geplaatst. De veraarde toplaag wordt ontgraven en op de aangrenzende percelen hergebruikt bij de ophoging van agrarische percelen. Binnen het plangebied wordt een deel van deze grond gebruikt voor de aanleg van natuurvriendelijke oevers en eilanden. Het gebied wordt ontgraven tot een diepte van -2.52 NAP. In het noordelijk deel van het plangebied is weinig veen aanwezig waardoor het zandpakket moet worden ontgraven om op de gewenste diepte te komen. De afsluitende keileemlaag blijft daarbij intact. De keileemlaag is van dusdanige dikte dat er geen risico ontstaat tot het vermengen van verschillende watervoerende pakketten. Het graven van het meer heeft wel invloed op de grondwaterstand in de omgeving. Uit de modellen van TAUW blijkt dat een stijging van grondwaterniveau te verwachten is ter plaatse van het meer en de omgeving. De effecten van de boezemuitbreiding zijn merkbaar tot maximaal 200 à 300 m ten westen rond de uitbreiding (Figuur 9-5 en Figuur 9-6). Ter plaatse van de gronden ten zuidwesten van het plangebied richting de Alde Feanen treedt iets vernatting op. De grondwaterstand komt op deze locatie op circa 0,4 m onder het maaiveld te liggen.

Dit is een gunstig effect voor de Alde Feanen en de weidevogels die gebruik maken van het gebied. Ook rond het voormalig baggerdepot en de opgehoogde gronden ten noordwesten is een stijging van grondwater te verwachten. Deze gronden buiten het plangebied liggen al hoger dan het plangebied en zijn zover opgehoogd dat nadelige effecten zijn uitgesloten. Met de realisatie van het gemaal en de nieuwe streefpeilen wordt voorzien in een voor de agrarische functie gewenste drooglegging. In de winter en het voorjaar zal dit rond 0.90 cm onder maaiveld zijn, en in de zomer dieper.

100/142

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13012822/1