Bijlage 3 - Bijlagenrapportage
Tekst van het document
Hieruit blijkt dat bij autonome ontwikkeling de kwel in de Hege Warren toeneemt (door bodemdaling) en de verdroging in de Alde Feanen eveneens (het hoogteverschil wordt groter). De hydrologische effecten van vernatting in de Hege Warren naar de wijdere omgeving zijn beperkt door de hoge weerstand in de ondergrond (deklaag en keileem). Wel kan door vernatting van de Hege Warren de toename van verdroging vanwege de autonome ontwikkeling worden beperkt of worden voorkomen.
A&W-rapport 21-271 Mogelijke moerasontwikkeling in de Hege Warren
5
Figuur 2.3. Stijghoogte van het grondwater in het eerste watervoerende pakket in een peilbuis aan de zuidkant van Hokkes Aldfean in de Hege Warren, afkomstig van uit het DINO-loket (www.grondwatertools.nl). Te zien is de seizoensfluctuatie en dat in droge zomers (2018) de grondwaterstand ver kan wegzakken. De filters staan op een diepte tussen -2,68 en 4,68 beneden maaiveld.
Figuur 2.4. Kwel- en infiltratiekaart van de Hege Warren en omgeving, afkomstig uit het Natura 2000-beheerplan De Alde Feanen. Altenburg & Wymenga / Provincie Fryslân (2016).
6
2.3
A&W-rapport 21-271 Mogelijke moerasontwikkeling in de Hege Warren
Biotiek: natuurwaarden
De Hege Warren is een doorsnee poldergebied in het Lage Midden van Friesland en is zo goed als geheel in agrarisch gebruik. In de Hege Warren ligt één natuurgebied, Hokkes Aldfean, een blauwgraslandreservaat in beheer en eigendom bij It Fryske Gea. Voorts ligt langs de noordkant een zone met natuur, deels binnen en buiten de EHS gelegen (figuur 2.5). Aan de noordwestkant ligt de Lange Sâne, een boezemland in eigendom en beheer bij het Fryske Gea, en de Lange Lits, een moerasgebied en baai aan de noordwestpunt van de Hege Warren. Aan de noordkant ligt de grens met het Natura 2000-gebied de Alde Feanen. Aan de zuid- en westkant liggen respectievelijk it Eilân en de Burd, beide weidegebieden in beheer bij It Fryske Gea. De Hege Warren is geheel aangewezen als weidevogelkansgebied en deels als foerageergebied voor ganzen (figuur 2.5).
Figuur 2.5. Natuurgebieden in en om de Hege Warren. Bron Provincie Friesland. De Alde Feanen is Natura 2000-gebied.
Vegetatie graslanden Door Wymenga & Bekkema (2021) is een analyse van het landgebruik in de lage delen in Friesland gemaakt, waaronder van de Hege Warren. Hieruit blijkt dat de graslanden overwegend intensief worden gebruikt met uitzondering van percelen met weidevogelbeheer in de noordoosthoek (figuur 2.6). In het overgrote deel van de percelen is niet sprake geweest van frequente grondbewerking voor graslandvernieuwing. Op sommige percelen aan de westkant van Hokkes Aldfean is dat wel wat vaker gebeurd. Samenhangend met het agrarisch gebruik kennen de graslanden een soortenarme begroeiing van hoofdzakelijk engels raaigras, en veel ruw beemdgras. Langs de perceelsranden, en soms langs greppels, komen kruiden en grassen van matig voedselrijke graslanden voor, zoals gestreepte witbol, scherpe boterbloem, pinksterbloem en veldzuring. Op natte plaatsen komt veel geknikte vossenstaart en fioringras voor, grassen die in de veenweiden kenmerkend zijn voor vochtige-natte graslanden. Bijzondere graslandvegetaties in de Hege Warren zijn aan te treffen in Hokkes Aldfean en de Lange Sâne. In laatstgenoemde gebied komen dotterbloemvegetaties voor met wilde kievitsbloem, een van de weinige groeiplaatsen in Friesland. In Hokkes Aldfean is sprake van een brede zone blauwgrasland. Hoewel verdroogd, is de soortenrijkdom hier nog hoog met onder meer bijzondere en in Nederland zeldzame mossen.
Dit gebied kan daarom voor de toekomst als genenreservoir worden gezien.
A&W-rapport 21-271 Mogelijke moerasontwikkeling in de Hege Warren
7
Figuur 2.6. Duiding van het landgebruik in de Hege Warren op basis van remote sensing (Wymenga & Bekkema 2021). Lichtgroen is intensief, hier bestaat >80% van de graslandvegetatie uit grassen van intensief gebruikte graslanden als Engels raaigras, Ruw beemdgras en Kweek. In de extensieve percelen, donkergroen, komen meer kruiden voor en grassen van matig intensief gebruikte graslanden.
Sloten De Hege Warren is een polderlandschap met een veelheid aan sloten, maar geen waterpartijen. De sloten zijn overwegend zeer voedselrijk met, naast veel bagger, veel eendenkroos en eutrofe soorten als smalle waterpest en grof hoornblad. Hoewel in een deel van de sloten sprake is van aanvoer van kwelwater, bepaalt de voedselrijkdom vaak het soortenspectrum. In een deel van de sloten zijn langs de randen zeggensoorten te vinden en wat schralere vegetaties. Fauna Gezien de ligging ten zuiden van de Alde Feanen en de nabijheid van gebieden als it Eilân en de Burd is de omgeving rijk aan vogels, in het bijzonder broedende weidevogels (Wyldlannen, Burd, Eilân-oost), overwinterende ganzen en doortrekkende steltlopers als kievit, grutto en goudplevier (Wyldlannen). In de Hege Warren zelf broeden kleine aantallen weidevogels in de wat opener delen, en daar waar aan de oostkant weidevogelbeheer wordt gevoerd (Oosterveld 2021). Ganzen komen in grotere aantallen foerageren in het winterhalfjaar; ook in de zomer kunnen grote groepen grauwe ganzen op de graslanden in de Hege Warren grazen. Hokkes Aldfean is rijk aan broedvogels van opgaand struweel en elzenbroekbos. Voor wat betreft overige fauna komt in de omgeving, en deels ook in natuurstroken in de Hege Warren, een verscheidenheid aan algemene en ook schaarse soorten voor van laagveengebieden.
Dit betreft bijvoorbeeld de waterspitsmuis in plas-dras delen, de otter vooral langs de randen, en verschillende soorten vleermuizen. Wat minder algemene insecten en libellen zijn gebonden aan de restanten natuur in de Hege Warren. Wat voor de ontwikkeling van veen- en moerasgebieden in de Hege Warren belangrijk is, is dat er in de directe omgeving een groot reservoir is aan soorten, die nieuwe gebieden, mits van voldoende kwaliteit, weer kunnen bevolken.
64
8
A&W-rapport 21-271 Mogelijke moerasontwikkeling in de Hege Warren
Figuur 2.7. Luchtfoto van de westkant van de Hege Warren onder de Alde Feanen. Deze polder is in februari 2020 onder water gezet vanwege de uitbraak van muizen. Foto archief Niek Bosma (Wetterskip Fryslân). Op de achtergrond de Alde Feanen met langs de rand van de Hege Warren de Lange Sâne.
65
A&W-rapport 21-271 Mogelijke moerasontwikkeling in de Hege Warren
9
3 Potenties voor veen- en moerasontwikkeling In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de potenties van de voorkeursalternatieven voor veen- en moerasontwikkeling in de Hege Warren. Dat vindt plaats op basis van de eisen die verschillende moerasvegetaties stellen aan hun omgeving, en dan met name aan water (kwantiteit en kwaliteit) en bodem (vooral voedselrijkdom). Van daaruit kijken we naar de situatie in de Hege Warren en wat daar qua moerasontwikkeling in de verschillende alternatieven te verwachten is. Vervolgens wordt besproken hoe zich dit verhoudt tot de kansen voor biodiverse, vitale moerassen.
3.1
Hydrologische en abiotische eisen aan veenontwikkeling
Veen en veenontwikkeling Veen bestaat uit opgehoopte, afgestorven, onverteerde plantenresten. De vorming van veen is mogelijk als planten meer organisch materiaal (stengels, bladeren, wortels) produceren dan er wordt afgebroken. In dat geval wordt er bovendien koolstof vastgelegd. Veenvorming is alleen mogelijk als de vertering van het plantenmateriaal traag verloopt. Daarvoor zijn zuurstofarme en dus zeer natte omstandigheden vereist. Afbraak van organisch materiaal gebeurt door waterdieren, bacteriën en schimmels en die activiteit verloopt trager onder zuurstofarme omstandigheden. Bij de afbraak (en dus ook de opbouw van veen) spelen onder andere de aard van het plantenmateriaal, de voedselrijkdom van bodem en water en bijvoorbeeld ook temperatuur een rol. Belangrijke veenvormers zijn veenmossen, riet, lisdodde, zeggensoorten en krabbenscheer: soorten die veel plantenmateriaal produceren en/of slecht afbreken. Onder voedselrijke omstandigheden wordt plantaardig materiaal over het algemeen sneller afgebroken dan onder voedselarme omstandigheden. Ook worden afbraakprocessen gestimuleerd door hogere temperaturen. Figuur 3.1. Beginnende veenvorming in de vorm van veenmosontwikkeling op een droogvallend deel in een dynamisch veenmoeras. Foto E. Wymenga.
Moerasvegetaties Voor veenvorming zijn dus planten nodig die groeien onder (zeer) natte, grotendeels zuurstofarme omstandigheden. Dat is de wereld van de moerasvegetaties: zonder moeras geen veen(vorming). Moeras is een tussenfase van land en water. Moeras kan ontstaan uit ondiep
10
A&W-rapport 21-271 Mogelijke moerasontwikkeling in de Hege Warren
Box I. Moeras: land uit water en/of water uit land Moeras en veen houden het midden tussen land en water. Vitale moerassen worden gekenmerkt door een groot aandeel van die typische moerasvegetaties, die ofwel ontstaan vanuit water ofwel ontstaan vanuit land. Land vanuit water: vereisten goede waterkwaliteit en helder water Voor verlanding is een goede waterkwaliteit (matig voedselrijk, mesotroof en een heldere waterkolom) een vereiste. Dan ontstaan vanuit water waterplantenvegetaties via drijftillen jonge verlandingsvegetaties, welke overgaan in rietlanden en uiteindelijk elzen- en berkenbroekbossen. Zonder goede waterkwaliteit is er geen verlanding mogelijk.
Water vanuit land: vereisten goede waterkwaliteit en peilfluctuaties Voor vermorsing – water vanuit land – zijn peilfluctuaties een vereiste en is een goede waterkwaliteit (matig voedselrijk, mesotroof) een pré. Dan ontstaan bij droogval en vernatting (opzetten peil) riet- en helofytenvegetaties, waar op den duur wilgenbos en elzenbroekbos uit kunnen ontstaan. Peilfluctuaties zorgen voor kieming en verjonging. Zonder peilfluctuaties ontstaan geen moerassige vegetaties.
open water. Dit proces heet verlanding. In laagveenmoerassen bestaat deze verlandingsreeks uit verschillende stadia van open water, waterplantenvegetaties, trilvenen en drijftillen, rietlanden, veenmosrietlanden en (elzen)broekbos. Een goede, matig voedselrijke waterkwaliteit is een voorwaarde voor verlanding (Box I). Moeras kan ook ontstaan vanuit land, op droogvallende natte gronden en bij vernatting. Deze vorm van moerasontwikkeling heet ook wel vermorsing. In dat geval ontstaan helofytenzomen, rietvelden en uiteindelijk ook broekbossen. Peilfluctuaties, inclusief perioden van droogval, zijn een voorwaarde voor vermorsing. Tot moeras wordt een breed scala aan vegetaties gerekend, van begroeiingen in het water tot moerasbos en alle verlandingsstadia daartussen; zie daarvoor bijlage 1. Moerasontwikkeling op voormalige landbouwgrond Een wat afwijkende vorm van de bovenbeschreven laagveenverlanding betreft grootschalige moerasontwikkeling op voormalige landbouwgrond. Een relatief nieuw fenomeen, dat vaak samenhangt met de wens om wateroverschotten op te vangen en/of veenoxidatie te remmen. Een belangrijk verschil met de ‘klassieke’ laagveenverlanding is de grotere beschikbaarheid van voedingsstoffen. Vooral fosfaat kan een belangrijke rol spelen. Bij vernatting - een voorwaarde voor moerasontwikkeling - neemt het vermogen van de bodem om fosfaat te binden af.
De afname van de zuurstofbeschikbaarheid heeft grote invloed op redoxprocessen in de bodem, waardoor fosfaat kan vrijkomen (‘fosfaatbom’; o.a. Smolders et al. 2006). Dit kan binnen korte
A&W-rapport 21-271 Mogelijke moerasontwikkeling in de Hege Warren
11
tijd zorgen voor een hoogproductieve vegetatie. Ook kan fosfaatnalevering plaatsvinden vanuit de bodem naar de waterlaag erboven als het water in warmere perioden zuurstofloos wordt. Daarnaast kunnen bij vernatting van voormalige landbouwgrond stoffen vrijkomen die in hoge concentraties giftig kunnen zijn voor sommige planten, zoals ammonium, tweewaardig ijzer en sulfiden (o.a. de Fouw et al. 2021). Een ander groot verschil met de meer gangbare laagveenverlanding is dat de vegetatieontwikkeling vaak niet begint vanuit onbegroeid open water. Soms wordt er afgegraven, maar in veel gevallen wordt een bestaande vegetatie onder water gezet (Brongers et al. 1999, Wymenga 1999). Geregeld zijn dat vrij ruige graslandvegetaties, met een groot aandeel aan soorten zoals pitrus en rietgras, passend bij de voedselrijke omstandigheden. Bij vernatting ontstaan dan onder andere (zeer) voedselrijke ondiepe plassen, lage pioniervegetaties (o.a. tandzaden, gele waterkers) en mozaïeken van lage moerasvegetaties in ondiep water met een sterke dominantie van liesgras, rietgras en pitrus. Daarnaast komen ook rietkragen, waterrietvelden en grote lisdoddebegroeiingen voor, deels met een ondergroei van in het water staande pitrus (o.a. Altenburg 2020, van der Hut et al. 2018, de Fouw et al. 2021). De vegetatiekundige waarde van dergelijke (zeer) voedselrijke systemen is beperkt.
Ze blijken echter van grote waarde te zijn voor broedvogels van de jonge pionierstadia (als geoorde fuut, porseleinhoen en witwangstern). Relatief grote peilfluctuaties en veel droogvallend areaal spelen daarbij een cruciale rol. Voor de ontwikkeling van waterriet is de aanwezigheid van rietkernen, bijvoorbeeld langs oude sloten, erg belangrijk, want van daaruit kan kolonisatie plaatsvinden. Sturende factoren moerasontwikkeling Uit bovenstaande wordt duidelijk dat een aantal factoren sturend is voor de bij vernatting te verwachten moerasontwikkeling: Kwaliteit van bodem en water (voedingsstoffen en zuurbufferend vermogen) Het gaat daarbij in de eerste plaats om de rijkdom aan voedingsstoffen en bufferstoffen. Voor de ontwikkeling van voedselarmere vegetaties zoals kranswiervegetaties, jonge verlandingen, trilvenen of veenmosrietlanden, moet de invloed van gebufferd, relatief voedselarm kwelwater óf van voedselarm regenwater groot zijn en de bodem weinig voedselrijk. Zo zijn de verlandingen in petgaten in laagveenmoerassen ontstaan. Is de beschikbaarheid aan voedingsstoffen in bodem en/of water groot, dan zijn voedselrijke of zeer voedselrijke moerasvegetaties te verwachten. Er zijn verschillende mogelijkheden om de voedselrijkdom te verminderen. Helofytenfilters kunnen worden ingezet om de voedselrijkdom van het inlaatwater te verminderen.
Grote lisdodde is een soort die snel groeit en veel voedingsstoffen op kan nemen (Vroom et al. 2018). Dat maakt het een geschikte soort om toe te passen in een helofytenfilter én om vernatte voedselrijke grond uit te mijnen. Doorspoelen kan een optie zijn om voedingsstoffen die vrijkomen bij vernatting af te voeren. Een andere mogelijkheid is het verwijderen van de bovengrond waarin het merendeel van de voedingsstoffen zit. Een zeer groot nadeel van vergraving en afvoeren is dat dit leidt tot CO2-uitstoot elders, waar het vrijkomende materiaal wordt toegepast. De bodem kan ook stoffen bevatten die bij vernatting omgezet worden in verbindingen die problemen kunnen opleveren. Denk aan sulfaatrijke (klei)bodems, waarin vorming van pyriet of ophoping van sulfiden (giftig voor planten) op kan treden (Smolders et al. 2006). Bij de afbraak van organische stof onder zuurstofloze omstandigheden ontstaat ammonium, dat bij ophoping giftig kan zijn voor waterplanten (Lamers et al. 2006). Sulfaatrijk inlaatwater kan bijdragen aan de afbraak van organische stof, aan de mobilisatie van fosfaat en aan de ophoping van sulfiden (o.a. de Fouw et al. 2021).
12
A&W-rapport 21-271 Mogelijke moerasontwikkeling in de Hege Warren
Het doorzicht van het water is een belangrijke factor voor waterplanten. Ondergedoken waterplanten kunnen zich ontwikkelen als er voldoende licht doordringt in de waterkolom. Dat is eerder het geval onder niet te voedselrijke omstandigheden en in luwere en niet te diepe delen. Is het doorzicht gering, dan zijn de omstandigheden voor ondergedoken waterplanten slecht. Algengroei, opwoeling van bodemslib (door boten, vissen, wind), aanvoer van slib van elders en activiteiten van watervogels kunnen het doorzicht beperken. Vooral in ondiep water (snelle opwarming) boven een zeer voedselrijke waterbodem zijn de omstandigheden vaak erg ongunstig voor waterplanten. Deze omstandigheden ontstaan geregeld in moerassen op voormalige landbouwgronden. Voedselrijk water kan overigens wel rijk zijn aan macrofauna en vis: belangrijke voedselbronnen voor allerlei andere diersoorten. De veraarding van de veenbodem is eveneens van belang. Veenafbraak leidt tot de vorming van bagger en zeer fijn slib dat in het oppervlaktewater terecht komt (Michielsen et al. 2007) en dus ook in de Friese boezem. Het slib wervelt gemakkelijk op, waardoor het de ontwikkeling van waterplanten bemoeilijkt. Bovendien vormt het slib een slecht vestigingssubstraat voor veel moerasplanten.
Eén van de uitzonderingen daarop is kleine lisdodde, die zich bij voorkeur vestigt aan (zuid)westoevers van wateren, waar slib accumuleert in ondiepe omstandigheden. Peilfluctuaties Peilfluctuaties zijn van levensbelang voor de ontwikkeling en het behoud van moeras (Kelly 2000). Moerasvegetaties ontwikkelen zich vooral in de zone tussen hoog en laag water, en hoe groter dat verschil, hoe meer ruimte er is. Bij een vast (of omgekeerd) peil is de ruimte zeer beperkt. ’s Zomers uitzakkende peilen zorgen voor droogvallende oeverzones waarop moerasplanten kunnen kiemen of zich waterwaarts kunnen uitbreiden. Ook ontstaat ondiep water waarin soorten als lisdodde kunnen kiemen. Peilfluctuaties kunnen alleen tot droogval leiden als er flauwe aflopende oevers en onderwaterbodems aanwezig zijn. Bij steile oevers is geen droogval mogelijk. Hoe meer ondiep water en flauwe oevers net boven de waterlijn, hoe groter het areaal dat bij lagere waterstanden kan droogvallen en bij hogere waterstanden kan inunderen. Bedenk wel, dat droogval ook de vestiging van houtige soorten kan faciliteren. Om dat te vermijden luistert peilbeheer zeer nauw (o.a. Altenburg 2020, Brongers & Bijkerk 2018). Ook in chemisch opzicht zijn peilfluctuaties belangrijk, vooral in moeras op voormalige landbouwgrond.
Als in droge perioden zuurstof de bodem in kan dringen, draaien chemische redoxprocessen die optreden bij vernatting weer om. Dan wordt fosfaat weer gebonden, oxideert ammonium weer naar nitraat, etc. Deze processen zijn temperatuurafhankelijk en spelen vooral in de zomer. Droogval in de zomer kan daarom in voedselrijke moerassen erg belangrijk zijn (o.a. van der Hut et al. 2018). Naast seizoensdynamiek is er ook meerjarige peildynamiek. Af en toe een seizoen met sterke droogval of juist langdurige inundatie speelt een belangrijke rol in de verjonging van moerassen. Zo kan na sterke droogval weer massale ontwikkeling van bijvoorbeeld waterriet optreden. Langdurig hoge waterstanden kunnen de vegetatieontwikkeling terugzetten, zodat de successie weer kan starten bij jonge moerasstadia. Een vitaal moeras kan niet zonder peilfluctuatie. Begrazing Naast de waterhuishouding en voedselrijkdom speelt ook begrazing door fauna een grote rol bij de ontwikkeling van moerassen. In Noord-Amerika geldt dat bijvoorbeeld voor de Muskusrat, en dat speelde tot voor kort ook nog in Nederland (Jan Durkspolder: zie Wymenga 1999). Echter, sinds enkele jaren is de soort bijna weggevangen in ons land (Bos et al. 2019). Inmiddels is de Grauwe gans een factor van belang geworden; in grootschalige moerassen is ganzenvraat een
A&W-rapport 21-271 Mogelijke moerasontwikkeling in de Hege Warren
13
belangrijke sturende factor van moerasvegetaties (Beemster et al. in voorbereiding, Vullink & van Eerden 1998). Maar ook in kleinere moerasgebieden kunnen Grauwe ganzen in de afgelopen jaren de ontwikkeling van met name riet, maar ook andere helofyten, lokaal vertragen of verhinderen (van der Hut et al. 2018, Mettrop et al. 2020b). Grootte en vorm van waterpartijen De dimensies van wateren zijn van invloed op de ontwikkelingsmogelijkheden van de beginstadia van de verlanding. In grotere wateren is de strijklengte groter en is er (daardoor) minder luwte. Hoe groter de strijklengte, hoe groter de impact van de golven op de oevers waar de wind het meest op gericht is (de noord- en oostoevers). Slib wordt in tegengestelde richting getransporteerd en verzamelt zich vooral aan (zuid)westoevers (o.a. Altenburg & Brongers 2018). In kleinere en smallere wateren is er meer beschutting, wervelt de weke fractie minder op en zijn er meer ondiepe delen, wat gunstig is voor zowel ondergedoken waterplanten als waterriet (Brongers & Bijkerk 2018). Bronvegetaties Bij vernatting ontwikkelt moerasvegetatie zich gemakkelijker vanuit bestaande vegetatie. Vooral voor riet, dat zich vrijwel uitsluitend vegetatief uitbreidt, zijn bestaande voorkomens (als voormalige slootkanten) erg belangrijk.
Bekend is dat riet – maar ook soorten als gele plomp en waterlelie - zich na vernatting van daaruit vrij gemakkelijk kan verspreiden, terwijl nieuwvestiging in moerassen op voormalige landbouwgronden veel moeizamer verloopt (o.a., van der Hut et al. 2018, de Fouw et al. 2021). Ook vormt in het water staande vegetatie een belangrijk element in jonge moerassen op voormalige landbouwgrond, waarop o.a. kokmeeuwen, geoorde futen en moerassterns broeden (van der Hut et al. 2018). Samenvattend De waterhuishouding en de voedselrijkdom zijn de twee belangrijkste sleutelfactoren die bepalend zijn voor veen- en moerasontwikkeling (Box I). Aanvullend kan begrazing door fauna, in het bijzonder door grauwe ganzen, een grote rol spelen in de ontwikkeling. Vitale diverse moerasvegetaties in veengebieden ontstaan doordat sturende factoren in een of andere vorm beperkend zijn, zoals nutriënten, peildynamiek of het terugzetten van successie (door de mens, of andere factoren). Bij afwezigheid van hydrologische beperkingen (in de vorm van peilfluctuaties) en een hoge voedselrijkdom ontstaan vrijwel altijd zeer soortenarme moerasbegroeiingen met lisdodde en riet (geïnundeerde bodems met grotere waterdiepte) dan wel pitrus en rietgras (plasdrasse bodems, zeer natte bodems). Ook kan bij grotere waterdiepte moerasbegroeiing grotendeels ontbreken.
3.2
Uitgangssituatie Hege Warren en analyse van mogelijke moerasdoelen
Uitgangssituatie Hege Warren Zoals blijkt uit figuur 2.5 is in verreweg het grootste deel van de Hege Warren sprake van een intensief agrarisch gebruik, met diepontwatering en een gangbare bemesting. Dit is de afgelopen decennia (vanaf de jaren ’80 tot en met nu) het geval geweest. Er mag dus worden verondersteld dat sprake is van een (zeer) voedselrijke bovenlaag met veraard veen, of in elk geval een veenpakket met een hoge fosfaatbeschikbaarheid. Het is te verwachten dat bij vernatting veel fosfaat vrij zal komen dat nu, onder aerobe omstandigheden, nog gebonden is aan de bodem. Daarnaast zal bij het realiseren van natte omstandigheden in meer of mindere mate gebruik gemaakt worden van water uit de Friese boezem, dat ook relatief voedselrijk is. De uitgangssituatie voor moerasontwikkeling is hier dus voedselrijk tot zeer voedselrijk.
14
A&W-rapport 21-271 Mogelijke moerasontwikkeling in de Hege Warren
De meeste sloten in het gebied zijn smal en worden jaarlijks geschoond. Er zijn blijkens luchtfoto’s van de afgelopen jaren nauwelijks sloten met rietvoorkomens die als bronlocaties kunnen dienen voor rietontwikkeling. Plaatselijk in de noordoosthoek liggen wel wat bredere sloten met riet, en de moeraszone aan de binnenkant van de kade, langs de noord- en oostrand, kan als zodanig dienen. Moerasdoelen in de twee voorkeursalternatieven Zoals aangegeven in de inleiding zijn voor de toekomstige Hege Warren vier verschillende alternatieven uitgewerkt waarin moeras- en veenontwikkeling een belangrijk aandeel heeft, maar is reeds een voorkeur uitgesproken voor ‘Polderaquarel’ en ‘Open en Natuurlijk’. ‘Hoogwaterpolder’ – met natte teelten - en ‘Zicht op twee landschappen’ zijn afgevallen. In bijlage 2 zijn per alternatief kort de moerasdoelen benoemd en de voorgenomen inrichting op hoofdlijnen zoals verwoord in ‘Een nieuwe toekomst voor de Hege Warren’ (Co-creatieteam 2021). Ook is een analyse van de verwachtingen opgenomen. De volgende paragraaf bevat een korte synthese van de perspectieven voor moeras- en veenontwikkeling van de voorkeursalternatieven, op basis van de hydrologische en abiotische eisen (paragraaf 3.1) en de geschetste inrichting (bijlage 2).
3.3
Synthese voorliggende moerasalternatieven
Als resultaat van het co-creatieproces zijn twee inrichtingsalternatieven gekozen met veel water en moeras. Oppervlakte en waterhuishouding van het water en moeras verschillen sterk tussen de alternatieven. Er is nog geen concreet streefbeeld ontwikkeld voor elk van de voorkeursalternatieven; de moerasbouwstenen worden geduid als natuurmoerasland met water, riet en ruigte. De uitgangssituatie voor Polderaquarel en Open en Natuurlijk is gelijk: een zeer voedselrijk systeem op voormalige landbouwgrond. Uit de analyse van belangrijke factoren voor moerasen veenontwikkeling in paragraaf 3.1 blijkt, dat voor de ontwikkeling van een vitaal moeras – met een variatie aan moerastypen (van open water naar elzenbroekbos) – peilfluctuaties en een goede waterkwaliteit essentieel zijn. Daarnaast blijkt dat moerasontwikkeling in (zeer) voedselrijke uitgangssituaties vrijwel altijd leidt tot (zeer) soortenarme moerasbegroeiingen met lisdodde en riet dan wel pitrus en rietgras. De aanduiding ‘natuurmoeras met water, riet en ruigte’ in de inrichtingsalternatieven geeft dat treffend weer. Overigens is de biodiversiteit in dergelijke situaties beduidend groter dan in intensief gebruikte landbouwgronden, maar beperkt in vergelijking tot goed ontwikkelde moerasgebieden, zeker waar het de typische moerasbiodiversiteit betreft.
Ecologische perspectieven en kansen voor moeras- en veenontwikkeling Voor de analyse van ecologische perspectieven en kansen van de twee voorkeursalternatieven kijken we naar vier aspecten, de schaal, de kansen op een vitaal en biodivers moeras, de kansen op veenvorming en de mate waarin het alternatief bijdraagt aan de kwaliteit van het Natura 2000gebied en nationaal park Alde Feanen. Vitaal dynamisch moeras De voorwaarden voor de ontwikkeling van een vitaal, dynamisch moeras – met als resultante daarvan een hoge biodiversiteit – zijn helder: beperkte voedselrijkdom en aanwezigheid van peilfluctuaties. De uitgangssituatie is voor beide alternatieven niet gunstig (nl. zeer voedselrijk) en daarom is van belang om in het overgangsbeheer aandacht te besteden aan uitmijning (afvoer
A&W-rapport 21-271 Mogelijke moerasontwikkeling in de Hege Warren
15
van voedingsstoffen) via een gericht beheer (hoofdstuk 4 en 5). Het alternatief Polderaquarel zet in op een seizoensdynamiek van waterpeilen, wat bewezen leidt tot een dynamisch moeras met hoge biodiversiteit. Open en Natuurlijk zet in op het voor de boezem zetten van het moeras, deels ook met vergraving om dieper water te realiseren. Door het vaste boezempeil en het voedselrijke karakter zal het resultaat vrijwel zeker een ‘bak met water’ zijn zonder vitale riet- en moerasbegroeiingen. Onderzoeken en praktijkvoorbeelden laten dat goed zien. De algemene ervaring leert dat moerasontwikkeling bij een vast peil, voedselrijke omstandigheden en een waterdiepte van >40 cm niet of nauwelijks op gang komt (Wymenga 1999, de Fouw et al. 2021). Het alternatief biedt wel veel mogelijkheden voor ruimtelijke differentiatie, met verschillende ontwikkeling per deelgebied. Zo is er door de omvang van Open en natuurlijk plaatselijk – en dan in de niet-vergraven delen met een diepte van rond 35 cm - meer ruimte voor moerasbegroeiingen. Voor de ontwikkeling van dit alternatief wordt ook aan verontdiepen gedacht door materiaal te gebruiken waar het water op diepte wordt gebracht. Bij dergelijke grondwerkzaamheden kunnen veel voedingsstoffen vrijkomen, die de moerasontwikkeling tegen gaan.
Om dat scherper in beeld te krijgen is informatie nodig over de fosfaat beschikbaar in de diepere ondergrond (die bovenkomt bij de grondwerkzaamheden). Schaal Als we naar de schaal kijken dan springt het alternatief Open en natuurlijk er met een omvang aan water en moeras van 320 ha positief uit. Het Natura 2000-gebied Alde Feanen heeft een omvang van 2142 ha (incl. ’s winters overstroomde zomerpolders). Dat geeft aan dat ontwikkeling van water en moeras op deze schaal een substantiële bijdrage levert aan de schaal van het gebied. Polderaquarel is kleiner van schaal, en is qua omvang min of meer vergelijkbaar met het complex Jan Durkspolder – Wolwarren (aan de oostkant van de Headamsleat). Schaal is belangrijk omdat het gebieden en populaties robuust maakt, en – bij voldoende kwaliteit - meer ruimte biedt aan soorten die een grote actieradius nodig hebben (otter, zeearend, kraanvogel e.d.). Veenvorming Veenvorming is als apart aspect meegenomen, omdat dat in beide alternatieven als expliciet doel is geformuleerd (Co-creatieteam 2021). Zoals in paragraaf 3.1 is aangegeven is veenvorming – ophoping organisch materiaal - alleen mogelijk onder zuurstofarme en dus natte omstandigheden. En natuurlijk moet er sprake zijn van groei van moerasplanten: helofyten als riet, lisdodde, krabbenscheer en bijvoorbeeld veenmos.
Dat lukt alleen goed onder niet te zeer voedselrijke en de juiste hydrologische omstandigheden (voor veenmos weer anders dan voor een vitaal moeras). De beste ‘papieren’ van de twee voorkeursalternatieven om succesvol te komen tot veenvorming zijn er bij Polderaquarel, vanwege de goede perspectieven voor vitale moerasbegroeiingen. Regelmatige en langdurige perioden van droogval – op zich een kwaliteit van een dynamisch moeras – leidt wel tot veenafbraak, waardoor veenvorming tijdelijk wordt afgeremd. Voor Open en Natuurlijk is de kans op veenvorming zeer klein: door de bak met water die ontstaat ontwikkelen zich nauwelijks moerasverlandingen. Lokaal in Open en natuurlijk kunnen daar meer mogelijkheden voor zijn, bijvoorbeeld door ruimtelijke differentiatie in deelgebieden te introduceren (zie hiervoor, en bijlage 3). Bijdrage aan Natura 2000-gebied Alde Feanen Uit hydrologische analyses komt naar voren, dat vernatting van de Hege Warren beperkt positief bijdraagt aan de waterhuishouding van de Alde Feanen, omdat verdroging bij autonome ontwikkeling wordt tegengegaan. Daarnaast kan ook worden bijgedragen aan de Alde Feanen door versterking van het ecosysteem. Uit een analyse van de effecten van natuurontwikkeling in de jaren ’90 bleek duidelijk dat de natuurontwikkelingsgebieden een grote bijdrage leverden aan
16
A&W-rapport 21-271 Mogelijke moerasontwikkeling in de Hege Warren
Box II. Broeikasgasuitstoot bij verschillende waterstanden in veenbodems De grondwaterstand in de veenbodem is van grote invloed op de mate waarin verschillende broeikasgassen worden uitgestoten. Het gaat vooral om de uitstoot van koolstofdioxide (CO 2) en methaan (CH4); lachgas (N2O) speelt een veel kleinere rol als het gaat om de problematiek van broeikasgasuitstoot. In de bovenste figuur zijn deze verschillende broeikasgasemissies (uitgedrukt in CO 2-equivalenten op de y-as) afzonderlijk uitgezet ten opzichte van de grondwaterstand (grondwaterstand op de x-as). Hieruit komt duidelijk naar voren dat ontwatering van meer dan 50 cm leidt tot noemenswaardige CO 2-equivalenten in de vorm van CO2-uitstoot, en dat de uitstoot van CO2 duidelijk wordt verminderd door middel van peilverhoging. Dit heeft ermee te maken dat de zuurstofbeschikbaarheid steeds lager wordt. CO 2 is immers een product van microbiële oxidatie, een afbraakproces waarbij zuurstof nodig is. Bij grondwaterstanden boven het maaiveld, zoals bijvoorbeeld het geval is bij lisdoddeteelt, kan de CO2 uitstoot zelfs worden gestopt. Echter, de CH4 uitstoot neemt over het algemeen bij een waterstand boven het maaiveld juist toe. Dit heeft ermee te maken dat CH4 juist een product is van afbraak zonder zuurstof (microbiële reductie).
Als het gaat om het zo goed mogelijk terugbrengen van de totale broeikasgasuitstoot, waarbij de som van CO 2 en CH4 zo laag mogelijk is, dan is een grondwaterstand ter hoogte van, of nét onder het maaiveld optimaal (onderste figuur). Ook Evans et al. (2021) komen tot netto een zo laag mogelijke uitstoot bij een grondwaterstand van 0-10 cm -mv.
Netto broeikasgasemissies (in CO2-equivalenten, koolstofdioxide, methaan en lachgas samen genomen) uit veenbodems hangen nauw samen met de waterstand. Bron: Jurasinski et al., 2016. Ecosystem services provided by paludiculture. In: Wichtmann et al. (eds.), 2016. Paludiculture - productive use of wet peatlands.
de kwaliteit van de Alde Feanen voor veel typische laagveenmoerasvogels als roerdomp, snor, waterral e.d. (Wymenga 1999, Wymenga & Brongers 2000). Dat is nu nog het geval. Daarom verwachten we dat, daar waar een substantiële oppervlakte vitaal moeras ontstaat, sterk wordt bijgedragen aan de robuustheid en kwaliteit van de Alde Feanen en de moerasfauna in het gebied. Dit geldt in het bijzonder voor Polderaquarel en in beperkte mate voor Open en natuurlijk. Beperkt omdat bij het voor de boezem zetten moeras niet tot ontwikkeling komt in de diepere delen, maar op ondiepe delen mogelijk wel helofytenvegetaties ontstaan (zie hiervoor). Overigens leiden de open water alternatieven tot meer recreatiemogelijkheden in de Alde Feanen; hoe dit uitpakt is onzeker, het kan leiden tot per saldo meer vaarrecreatie maar ook tot een verdunning van de huidige recreatiedruk. In de eindbeoordeling in tabel 3.1. is dit aspect niet meegenomen.
A&W-rapport 21-271 Mogelijke moerasontwikkeling in de Hege Warren
17
Samenvattend De resultaten van de synthese zijn samengevat in onderstaand schema. Als het gaat om een vitaal moeras met een hoge biodiversiteit en een sterke bijdrage aan de Alde Feanen, dan scoort Polderaquarel verreweg het best. Alleen de schaal is beperkt. Combinatie van de schaal van Open en natuurlijk (zonder intensieve recreatievaart) en de seizoensdynamiek van Polderaquarel zou een unieke kans zijn om op grote schaal aansprekende, nieuwe veenmoerassen van nationale allure te ontwikkelen. Nog niet genoemd is, dat eventuele grootschalig grondverzet bij ‘Open en natuurlijk’ naar verwachting tot veel CO2 uitstoot kan leiden. Daarom is het sterk aan te bevelen om per variant afzonderlijk een CO2-boekhouding op te stellen.
Tabel 3.1 Een overzicht van de ecologische meerwaarde van de verschillende alternatieven. Verklaring van de tekens: ++ zeer gunstig, + zeer gunstig, (+) beperkt waardevol of lokaal, - niet gunstig. Overigens moet benadrukt worden, dat uiteindelijk niet per sé voor een van de alternatieven gekozen hoeft te worden, maar dat elementen uit beide kunnen worden gecombineerd.
Alternatief / aspect Polderaquarel
Schaal
Vitaal moeras
Veenvorming
Bijdrage AF
95 ha, +
Open en natuurlijk
320 ha, ++
++ -/+
-/+ - (+)
++ +
74
18
A&W-rapport 21-271 Mogelijke moerasontwikkeling in de Hege Warren
Het moerasgebied van de Jan Durkspolder en de Wolwarren, waar sinds 1984 een dynamisch moerasbeheer wordt gevoerd, met seizoensdynamiek en een beperkt beheer van rietmaaien. Dit gebied staat wel redelijk model voor Polderaquarel. Foto A&W, oktober 2021.
75
A&W-rapport 21-271 Mogelijke moerasontwikkeling in de Hege Warren
19
4 Stappen in moerasontwikkeling In dit hoofdstuk schetsen we de mogelijke eindsituatie bij moerasontwikkeling bij een horizon van 10 (c. 2030) en 30 jaar (c. 2050). We doen dat in afhankelijkheid van de keuzes die kunnen worden gemaakt voor inrichting (waterhuishouding, al dan niet voor de boezem), schaal en tussentijds beheer. Het eindbeeld geeft houvast over wat verwacht kan worden, en welke landschappelijke beelden daarbij passen. Moerasontwikkeling heeft wel tijd nodig en in dat proces zijn verschillende stappen te onderscheiden, die hier nader zijn uitgewerkt. We sluiten dit hoofdstuk af met risico’s en onzekerheden.
4.1
Mogelijke eindsituaties
Zoals uit het vorige hoofdstuk naar voren komt, is het eindbeeld van water en moeras in de Hege Warren sterk afhankelijk van de keuzes die gemaakt worden ten aanzien van peildynamiek, schaal en de mate waarin het lukt om de voedselrijkdom af te bouwen. Met het type inrichting en waterhuishouding wordt impliciet al voor een bepaald eindbeeld gekozen. ‘Eindbeeld’ is overigens niet de beste term, omdat een ecosysteem per definitie niet statisch is. Met ‘eindbeeld’ bedoelen we een situatie die landschappelijk behoorlijk stabiel is. We beschouwen hier de eindbeelden niet per alternatief, omdat voor de keuze voor een bepaalde inrichting elementen uit verschillende alternatieven kunnen worden samengevoegd. Geen peildynamiek (en voedselrijke omstandigheden) In dit geval gaan we uit van een stabiele, min of meer vaste waterstand, zoals in de Friese boezem, of in situaties waarbij gebieden tot een bepaald niveau onder water komen te staan. De meeste organismen die thuishoren in veen- en moerasgebieden in NW Europa zijn qua levenscyclus, groei- en verspreidingsstrategie ingesteld op een natuurlijk waterregime, met in het winterhalfjaar hoge peilen (neerslagoverschot, overstroming) en in het zomerhalfjaar uitzakkende waterstanden (neerslagtekort, verdamping).
Dat ontbreekt bij een vast peil met als resultaat – kort door de bocht - een moeras van ‘vlees nog vis’: een ruig en nat gebied zonder verlanding en verjonging. Bij het onder water zetten van de polder met boezemwater, en bij een waterstand van >40 cm, ontstaat een bak met water, met alleen hele smalle oeverranden met helofyten als riet, lisdodde en bijvoorbeeld grote egelskop. Verlandingen – dus jonge moerasstadia – ontbreken. In boezemwater groeien door het slechte lichtklimaat (voedselrijkdom → algen → troebel water; bv. Claassen & Veeningen 2011, Altenburg 2020) geen waterplanten. Bij ondieper water is sprake van drijvende veenwortelbegroeiingen. Deze situatie kan decennialang aanhouden (zoals in de 18mêd in de Alde Feanen; Wymenga 1999, de Fouw et al. 2021) Wanneer voormalige landbouwgronden plas-dras worden gezet of onder water met een lage waterstand (10-20 cm), ontstaan eenvormige en massieve rietgras- en pitrusbegroeiingen met her en der riet en lisdodde. Dergelijke vegetaties kunnen decennialang voorkomen, al naar gelang de ontwikkeling in de waterstand (bij fluctuatie treedt verandering op). Op de lange termijn neemt het rietareaal toe, en bij stabiele waterpeilen (niet te veel indroging in de zomer) kunnen na decennia lokaal veenmosplukken ontstaan doordat zich regenwaterlenzen vormen in de bodem (bv.
Reid om’e Krite in de Alde Feanen, oostelijk van de Earnesleat, na ca. 25 jaar). Door het dichte karakter van de vegetatie is opslag van elzen, berken en wilgen maar beperkt aan de orde.
20
A&W-rapport 21-271 Mogelijke moerasontwikkeling in de Hege Warren
Figuur 4.1. Beelden van moerassige en waterrijke gebieden bij een vast peil (geen of weinig peildynamiek) en voedselrijke omstandigheden. Boven: dominantie van pitrus en rietgras op voormalige voedselrijke graslanden, plasdras. Onder links – ondiep water met vooral pitrus en rietgordels langs het water. Onder rechts – open water waarin waterplanten zo goed als ontbreken.
Wat deze vaste-peil moerassen kenmerkt is dat typische moerasvegetaties (Box I) als jonge verlandingen en waterplantenvegetaties nagenoeg ontbreken. Wel kunnen op den duur op de natte gronden rietlanden ontstaan, die dan ook betekenis krijgen voor moerasfauna. Typische soorten van laagveenmoerassen ontbreken of komen in lage aantallen voor. Op lange duur ontstaan in de natte gronden natte plekken die wel interessant kunnen zijn voor bijv. ralachtigen. Afhankelijk van de schaal en waterkwaliteit komt ook moerasfauna voor als otter, meervleermuis en waterspitsmuis. Peildynamiek + (matig) voedselrijk In dit geval gaan we uit van seizoensdynamiek met hoge waterstanden in de winter en uitzakkend water in de zomer. Dat hoeft niet elk jaar gelijk te zijn; het seizoenspatroon kan wisselen tussen de jaren. In deze situatie wordt aan een belangrijke randvoorwaarde van vitale, dynamische moerassen voldaan: peildynamiek. Daarmee nemen de kansen op verjonging sterk toe, en ook de mogelijkheden voor organismen die van die dynamiek afhankelijk zijn. Denk daarbij aan visbroed dat ondiep water opzoekt om op te groeien en volwassen vissen die juist diep water zoeken om te schuilen. Steltlopers, grote waadvogels en allerlei ralachtigen foerageren in ondieper wordend water en op droogvallende randen.
Juist hoge waterstanden kunnen situaties terugzetten in de successie, en ook verspreiding van soorten faciliteren. Vooral in de eerste jaren zijn dergelijke moerassen een eldorado voor vogels met zeer grote aantallen en bijzondere soorten. De Jan Durkspolder is er een voorbeeld van en ook de jonge moerassen in Groningen (van der Hut et al. 2018). De waterdynamiek is een belangrijke sturende factor in het systeem. Door langdurige hoge peilen ontstaan open plekken, waar wilgen en elzen later in het seizoen kunnen kiemen. Bij uitzakkende peilen ontstaan kiemingsmogelijkheden, maar ook maken veel helofyten uitlopers om zich te vermeerderen. Fluctuaties kunnen over de seizoenen en over de jaren verschillen.
A&W-rapport 21-271 Mogelijke moerasontwikkeling in de Hege Warren
21
Figuur 4.2. Beelden van moerassige en waterrijke gebieden bij een fluctuerend peil en matig voedselrijke omstandigheden. Boven: droogval in het najaar, wat ruimte biedt aan nieuwvestiging maar waar ook viseters en steltlopers van profiteren. Onder links – verlanding vanaf de kant in ondiep water met moerasvaren en moerashertshooi. Onder rechts – inundaties van zomerpolders bij hoog boezemwater.
Wat deze dynamische moerassen kenmerkt is een verscheidenheid aan moerasvegetaties (Box I) waaronder open waterpartijen, droogvallende delen, jonge verlandingen, natte rietlanden en bosschages. Hoe beter de waterkwaliteit hoe beter de moerasgemeenschappen zich ontwikkelen, en ook soorten van matig voedselrijke omstandigheden zich vestigen. Bij een matig voedselrijke waterkwaliteit neemt de biodiversiteit sterk toe. De variatie aan moerastypen biedt voedsel en leefgebied aan een breed scala aan moerasfauna. In rietlanden met veel peildynamiek is de dichtheid van soorten zoals roerdomp, waterral, porseleinhoen, snor en andere moerassoorten vaak hoog. Voorbeelden zijn het Houtwiel ten noorden van Feanwâlden (bijv. van der Hut et al. 2016). De droogvallende gebieden hebben een grote betekenis voor eenden, steltlopers en andere soorten, maar ook voor doortrekkers zoals de visarend. Afhankelijk van de schaal en waterkwaliteit komt ook moerasfauna voor zoals zilverreigers, lepelaars, blauwe reigers, zeearend, otter, meervleermuis en waterspitsmuis. Peildynamiek + matig voedselrijk + schaal De schaal waarop water- en moerasgebieden aanwezig zijn is een belangrijke factor die sterk bijdraagt aan de mogelijkheden voor moerasfauna. Dat heeft te maken met het verschil in ontwikkeling waarin de verschillende deelgebieden binnen een groter systeem verkeren, en met de grote mate van rust.
Sommige gebieden zijn in een pionierssituatie of net drooggevallen, terwijl andere gebieden juist in een eindfase van verlanding zitten. Wanneer een gebied genoeg schaal heeft zijn er altijd gedeelten waar geschikte omstandigheden aanwezig zijn voor bepaalde soorten. Op die wijze bijvoorbeeld heeft It Fryske Gea in de Alde Feanen via natuurontwikkeling gezorgd voor een continu aanbod van vitale moerasgebieden (in gebieden die niet vrij voor de boezem liggen). De jonge Groningse moerassen laten daarnaast zien dat schaal ook bijzondere soorten aantrekt als witwang- en witvleugelsterns en er ruimte komt voor soorten zoals bever en otter (Van der Hut et al. 2018). Grauwe ganzen profiteren ook van dit soort moerassen, en spelen soms een grote rol door begrazing.
22
4.2
A&W-rapport 21-271 Mogelijke moerasontwikkeling in de Hege Warren
Stadia van moerasontwikkeling en bijpassende landschapsbeelden
Door de natuurlijke successie – opeenvolging van vegetaties – is een moeras altijd in ontwikkeling en zijn er verschillende stadia te onderscheiden. Klassiek voorbeeld zijn daarbij de cyclische moerasstadia van Davies & Van der Valk (1978). Daarbij wordt een droogvalfase (I) gevolgd door een regeneratiefase (II), een degeneratiefase (III) en tenslotte een meerfase (IV), grotendeels bestaand uit open water met alleen langs de randen smalle gordels met riet of andere helofyten (figuur 4.3). De Friese boezem bevindt zich in feite in een permanente meerfase omdat er sprake is van een vast peil.
Figuur 4.3. Vier fasen van moerasontwikkeling zoals in de klassieke indeling van Davies & van der Valk (1978) bij cyclische moerassen. Dit model voldoet ook voor dynamische moerassen in Nederland.
Bij het ontwikkelen van water- en moerasbiotopen op voormalige landbouwgronden zijn ook verschillende stadia te onderscheiden, elk met hun eigen tijdsframe en eigen landschapsbeeld, en de daarbij passende biodiversiteit. Daarbij maakt het veel uit of de landbouwgronden worden vernat of dat ze volledig onder water worden gezet. Dat onderscheid is relevant, want in de inrichtingsalternatieven die voorliggen in de Hege Warren zijn beide vormen van moerasontwikkelling aan de orde (zie hoofdstuk 3). Ontwikkeling bij een vast peil Bij twee alternatieven wordt ingezet op het onder water zetten van landbouwgronden, nl. bij Zicht op twee landschappen en Open en natuurlijk. Gronden die onder water komen te staan met voedselrijk diep water, veranderen daarna eigenlijk decennialang niet meer. Ze blijven zeer langdurig in de ‘meerfase’ (zie boven). Dit is ook het eindbeeld voor beide genoemde alternatieven. Dit komt, omdat door het troebele, voedselrijke water verlanding vanuit het water niet op gang komt (zie bv. Altenburg 2020, Veeningen & Claassen 2011), en ook vanuit de oever komen riet- en helofytenzomen heel moeilijk op gang. Dat heeft te maken met de slappe ondergrond, het troebele water, het vast peil en, in moerasgebieden waar het wel schoorvoetend op gang komt, met vraat van grauwe ganzen.
A&W-rapport 21-271 Mogelijke moerasontwikkeling in de Hege Warren
2005
29 aug 2012
23
7 mei 2016
Figuur 4.4. Drie luchtfoto’s van polder De Staten (reservaat Staatsbosbeheer). Na het onder water zetten verdwenen de helofytenvegetaties. Nu resteert troebel open water, vergelijkbaar met de boezem. Door het ontbreken van helofyten en waterplanten is de paai- en opgroeifunctie voor vis waarschijnlijk ook zeer beperkt.
In figuur 4.4 is een voorbeeld gegeven van een gebied – voormalige landbouwgrond – dat voor de boezem is gezet: De Staten ten westen van Sneek. Het gebied is eind 2004 voor de boezem gezet, na vernatting zijn de helofyten snel verdwenen. Die situatie is tot op heden niet veranderd, en blijft ook zo. Zo zijn er vele natuurontwikkelingsgebieden in onze provincie (bv. Brongers & van Belle 2008). Als er geen peildynamiek wordt toegepast, komt er geen moerasontwikkeling op gang. Wanneer polders onder water gezet worden met een waterstand van <40-50 cm – variërend van 10-50 cm – en zonder seizoensdynamiek zijn er verschillende fasen te onderscheiden, vereenvoudigd samengevat in figuur 4.5. We kunnen de ontwikkeling niet in detail schetsen, maar op basis van ervaring in tientallen gebieden en analyses van die gebieden (Wymenga 1999, Altenburg 2020, van der Hut et al. 2018, de Fouw et al. 2021) wel een goede inschatting geven. Eerste fase: 1-5 jaar Wanneer voedselrijke voormalig gebruikte graslanden ondiep onder water worden gezet sterft de graslandvegetatie snel af en nemen helofyten de overhand. In een plas-dras situatie nemen binnen een jaar rietgras en pitrus zeer snel toe, en ontstaan op grote schaal dichte pitrus- en rietgrasvegetaties. Wanneer de waterdiepte wat groter is (10-20 cm), blijven her en der waterplassen en nemen nattere soorten ook plaats in.
Naast pitrus gaat het dan vooral om liesgras of grote lisdodde. Riet kan ook goed gaan groeien, maar dan vooral vanuit bestaande bronnen. Een fraai voorbeeld daarvan is de ‘Oksel’ aan het Prinses Margrietkanaal, tussen De Centrale As en de Van Harinxmawei, waar op voormalig maisland in 5 jaar tijd uitgebreide natte rietlanden zijn ontstaan uit voormalige rietbestanden langs sloten en enkele natte plekken op het maisland.
24
A&W-rapport 21-271 Mogelijke moerasontwikkeling in de Hege Warren
Door de grote voedselrijkdom ontstaan er dichte pakketten van pitrus, rietgras en liesgras en/of lisdodde, al dan niet met rietplukken. Hier kunnen zo goed als geen andere soorten kiemen, waardoor deze situatie langdurig kan voortbestaan. Bovendien is er door het vaak geringe hoogteverschil weinig variatie in waterdiepte en daardoor weinig variatie in vegetatie. Begrazing door vee of ganzen kan eventueel wel wat variatie aanbrengen. Tweede fase: 6-15 jaar Wanneer gebieden langdurig de voorgaande fase hebben doorlopen ontstaan vaak lokaal veranderingen. Dit komt bijvoorbeeld doordat er geen waterafvoer meer is (geen detailontwatering meer), waardoor op den duur door waterophoping en rotting kale plekken kunnen ontstaan. Dit kan ook door lokale begrazing gebeuren. Op die kale plekken kiemen moerasplanten zoals lisdodde en riet, en soms ook wilgen of elzen. Daarmee wordt lokaal de ‘hegemonie’ van pitrus, rietgras en riet doorbroken. Op gronden met een plas-dras situatie gaan de ontwikkelingen heel langzaam, en treedt zelfs na 15 jaar nog nauwelijks verbossing op; het ontstaan van open plekken is een voorwaarde voor verandering. Deze ontwikkelingen gaan sneller als het natter is (10-20 cm). Dan kan riet in een tijdsbestek van 10 jaar de overhand krijgen. In dat geval ontstaan dichte rietlanden met her en der andere soorten.
Soms ontstaan dan ook oeverzegge-velden, als er maar permanent 10-20 cm water op het land staat en er ruimte is voor kieming. Voorheen speelden muskusratten daar een faciliterende rol in. Latere fase: >15 jaar Er is een aantal gebieden waarin we ook kunnen zien hoe dergelijke gebieden zich op lange termijn ontwikkelen (Alde Feanen; Reid om’e Krite). In plas-dras situaties met een dik pakket aan pitrusvegetaties blijft de soort ook op langere termijn domineren, maar na enkele decennia ontstaan door bovengenoemde processen steeds meer ‘gaten’ met ruimte voor andere soorten, en vooral opslag van wilg en zwarte els. Doordat geen regenwater wordt afgevoerd en er niet wordt gemaaid, neemt de dikte van de wortellaag toe, en ontstaan regenwaterlenzen. Dat heeft in de Reid om’e Krite geleid tot veenmosontwikkeling in pitrusvelden. Dat gebeurt zeker niet overal, maar is kennelijk in een tijdsbestek van >25 jaar mogelijk. Bestendige veenmosontwikkeling is alleen mogelijk bij een goede waterhuishouding: een permanent met water verzadigd bodemprofiel. In nattere gebieden ontstaat na enkele decennia zowel ruimtelijk als temporeel meer dynamiek, ook al staat het waterpeil min of meer vast. Wanneer in de rietlanden open delen ontstaan, en dat gebeurt op den duur, kunnen randjes ontstaan waar wilgen kiemen, In sommige zeer natte gebieden zijn na ca. 40 jaar toch in betrekkelijk korte tijd (ca.
5 jaar) op grotere schaal wilgen en elzen opgeslagen, en is zo de ontwikkeling naar moerasbos ingezet. Ingrijpen in de successie In de meeste laagveenmoerassen grijpt de mens voortdurend in en wordt de successie teruggezet. Bijvoorbeeld door begrazing met schotse hooglanders of andere dieren, en vooral natuurlijk door een jaarlijks maaibeheer. Door riet te gaan maaien in de winter wordt de ontwikkeling van riet gestimuleerd en ontstaan rietlanden; afhankelijk van het maaibeheer kan dat tientallen jaren het geval zijn. Pas na verloop van tijd neemt de productie af en nemen moeraskruiden in de onderbegroeiing toe. De begroeiing wordt dan ijler. Als dan het rietmaaien wordt gestaakt, ontstaat in een paar jaar tijd moerasbos; ook daarvan zijn verschillende voorbeelden in de Alde Feanen te vinden.
A&W-rapport 21-271 Mogelijke moerasontwikkeling in de Hege Warren
25
Figuur 4.6. Indicatief beeld van stappen in de tijd van moerasontwikkeling op voormalige landbouwgronden bij een vast peil. Toelichting zie de tekst.
26
A&W-rapport 21-271 Mogelijke moerasontwikkeling in de Hege Warren
Ontwikkeling bij seizoensdynamiek Bij het alternatief Polderaquarel wordt ingezet op het onder water zetten van de landbouwgronden met seizoensdynamiek. Hier zal dan ook sprake zijn van wisselende waterstanden al naar gelang het seizoen, en met verschillen tussen de jaren. Een beeld dat vergelijkbaar is met de Wolwarren en deels de Jan Durkspolder, beide in de Alde Feanen. De waterdiepte die hier kan ontstaan is afhankelijk van de regenval, en eventueel van beperkte inlaat van bemalingswater vanuit het resterende deel van de Hege Warren dat wordt bemalen. Aangezien in de Hege Warren sprake is van een kwelsituatie, zal het gebied al snel plas-dras staan, en in de wintersituatie onder water. De waterdiepte zal niet groot zijn, want zodra het peil stijgt neemt de kweldruk af. We verwachten dat die waterdiepte zonder inlaat van water hooguit 10-20 cm zal zijn. Bij inlaat van water (vanuit bemaling) kan dat hoger zijn. Hoe groter de peildynamiek (verschil tussen laagste en hoogste waterpeil), hoe beter het moeras zich ontwikkelt. Eerste fase: 1-5 jaar Vanwege de voedselrijke ondergrond zal het proces en de fasering in de eerste jaren grotendeels vergelijkbaar zijn aan de vorige beschrijving: na vernatting nemen binnen een jaar rietgras en pitrus zeer snel toe, en ontstaan op grote schaal, dichte pitrus, rietgras- en lisdoddevegetaties.
Als de waterdiepte wat groter is (10-20 cm), ontstaan rietvegetaties. Door de wisselende waterstanden ontstaan al gauw open plekken en waterpartijen, die aantrekkelijk zijn voor eenden en ganzen. ’s Zomerse droogval heeft een grote aantrekkingskracht op vogels. Daarmee is de variatie al in de eerste jaren grotere dan in het vorige scenario. De voedselrijkdom maakt echter wel, dat de dichte vegetaties van pitrus, rietgras, lisdodde en liesgras eerst domineren. Begrazing door grauwe ganzen kan een grote rol spelen bij het al dan niet ontwikkelen van helofyten, vooral van riet en lisdodde. Tweede fase: 6-15 jaar Veel meer dan in het vorige scenario ontstaan in het dynamische moeras plekken waar andere soorten kunnen kiemen. Naar verwachting zal opslag van vooral wilg al na vijf jaar op gang komen en ontstaan op plekken wilgenstruwelen. Onder de wilgenstruwelen neemt de vegetatie weer af. Op al die kale en open plekken ontstaan ook mogelijkheden voor andere moerasplanten. Langzamerhand zal er een grotere afwisseling zijn van bos, riet en open water. De open water fase is sterk afhankelijk van de waterdiepte bij de hoogste waterstanden, en ook van de rol van grazers (ganzen) Hoe groter de dynamiek – peilbereik – hoe groter de variatie aan moerasvegetaties.
Latere fase: >25 jaar De verwachting is dat er zich over deze termijn naast uitgestrekte rietlanden ook lokaal wilgenstruwelen en elzenbroekbos hebben gevestigd. Ook open water behoort tot de mogelijkheden, afhankelijk van de waterdiepte. Doordat ook in de latere fase nog steeds sprake is van peildynamiek, treedt ook geregeld verjonging van moerasvegetaties op bij droogval, waardoor vernieuwing optreedt.
4.3
Effectieve vormen van moerasontwikkeling
Er zijn verschillende manieren van moerasontwikkeling op voormalige landbouwgronden. Deze zijn als volgt samen te vatten:
A&W-rapport 21-271 Mogelijke moerasontwikkeling in de Hege Warren
27
1. Vernatten – geleidelijk opzetten van het peil, al dan niet geleidelijk, zodat de vegetatie zich kan aanpassen aan de nattere omstandigheden; 2. Onder water zetten – het gebied in één keer inunderen – meest voor de boezem zetten – waardoor direct een laag water op het gebied komt te staan; 3. Vergraven – het graven van diepere en minder diepe delen om waterpartijen te maken. Moeras en water ontstaan uit de vergraven delen; soms wordt het gebied ook na vergraven onder water gezet (Eilân-West) Uit de analyses van Wymenga (1999), van der Hut et al. (2018) en de Fouw et al. (2021) blijkt, dat het vernatten en onder water zetten van gebieden effectieve vormen zijn van moerasontwikkeling, mits aan de voorwaarden voor een vitaal moeras wordt voldaan (Box I). Vergraven kan ook, maar leidt tot sterke mineralisatie van de opgeworpen grond, met vervolgens weer een uitloging van voedingstoffen (zoals in het Otterproject in de polders Cuba en de Koai in de Alde Feanen). Daarbij komt dat de CO2-emmissie bij vergraven waarschijnlijk groot is. Dit is niet primair vanwege het in te zetten materieel, maar komt vooral door mineralisatie van de vrijkomende grond. Deze bron van CO2 als gevolg van afgraven moet goed in beeld gebracht worden. Maar buiten dat, op de vrijkomende grond komen alleen storingsvegetaties tot ontwikkeling met uiteindelijk ontwikkeling van wilgenstruweel.
Vernatten vindt bij voorkeur stapsgewijs plaats (en na uitmijning, zie hoofdstuk 5): • Als eerste maaien van de te vernatten gronden en vegetatie na maaien afvoeren. Vrijwel onmiddellijk daarna is het zaak om het peil op te zetten. Wanneer vernatting plaatsvindt zonder vooraf te maaien, ligt een dikke laag gras langdurig weg te rotten in ondiep water, wat niet gunstig is voor verdere ontwikkeling. • Een tweede belangrijke stap is geleidelijke verhoging, zodat eventuele helofyten een kans krijgen mee te ontwikkelen. Hier ligt een belangrijke kans voor moerasvegetaties die nu nog in de sloten voorkomen. Dit proces kan 2-3 jaar duren. Eerste jaar plas-dras, tweede jaar 0-10 cm water, derde jaar laatste verhoging. Zo wordt een generatieve moerasontwikkeling – tweede fase in het model in figuur 4.1 – gesimuleerd. • Wanneer het beoogde waterpeil is bereikt kan als vervolgstap worden overgegaan op seizoensdynamiek. Onder water zetten kan door gebieden in een keer voor de boezem te zetten, maar ook op verschillende andere manieren (Brongers & van Belle 2008). Bijvoorbeeld door gebieden niet voor de boezem te zetten, maar wel getrapt water in te laten via de boezem. Of door ze te gebruiken als winterse uitbreiding van de boezem en ’s zomers het peil te laten uitzakken.
Al deze alternatieven op het onder water zetten van gebieden appelleren aan de belangrijke drijvende kracht achter moerasontwikkeling in dit soort situaties: het introduceren van peildynamiek. Van de drie genoemde manieren om te komen tot moerasontwikkeling zijn zowel vernatten als het onder water zetten effectief, als maar aan de voorwaarde van peildynamiek wordt voldaan. Voor wat betreft de voedselrijkdom is het aan te bevelen om voorafgaand aan de moerasontwikkeling tot uitmijning over te gegaan.
4.4
Risico’s en onzekerheden
84 In dit hoofdstuk zijn in grote lijnen de eindbeelden en fasen van verschillende typen moerasontwikkeling geschetst, grotendeels op basis van ervaringen uit de afgelopen decennia,
28
A&W-rapport 21-271 Mogelijke moerasontwikkeling in de Hege Warren
en onderbouwd met analyses van verschillende gebieden. We kunnen daarbij de volgende risico’s en onzekerheden bij benoemen: •
•
•
•
Uitmijnen van voedingstoffen kan sterk bijdragen aan de kwaliteit van het uiteindelijke moeras. Er bestaat nog niet veel duidelijkheid over de snelheid en effectiviteit van verschillende vormen van uitmijning; zie daarvoor hoofdstuk 5. Door klimaatverandering en andere factoren neemt het aantal invasieve exoten toe. Sommige gedijen goed in voedselrijke omstandigheden zoals grote kroosvaren, grote waternavel en verschillende rivierkreeften. Exoten kunnen ook in nieuwe moerassen een rol spelen, en kunnen daarin niet of nauwelijks bestreden worden. De beste remedie, of beter anticipatie, is om te zorgen voor een goed draaiend ecosysteem, met een grote variatie. Hierbij speelt wederom het terugbrengen van de voedselrijkdom een rol. Weersextremen kunnen moerasontwikkeling in de schijnwerpers zetten, in goede en kwade zin. Extreme wateroverlast kan heel goed in moerasgebieden worden opgevangen, want moerassen kunnen relatief goed tegen hoge waterstanden. Dat geldt ook voor extremen droogte. Droogte kan wel gepaard gaan met veel vissterfte, en bij extreme warmte en ondiep water soms ook vogelsterfte door botulisme. Goede communicatie over wanneer wel en wanneer niet in te grijpen is daarvoor belangrijk. Nieuwe moerasgebieden zijn aantrekkelijk voor nieuwkomers.
In elk geval grauwe ganzen zullen in groten getale gaan broeden in de nieuwe moerassen en in de zomer in de omgeving proberen te grazen in nabijgelegen graslanden. Een andere nieuwkomer zou heel goed, op enige termijn, de bever kunnen zijn. Er is een helder beleid nodig vooraf om vast te stellen of vestiging van deze moerasbouwer wel of niet wenselijk is in een dergelijk gebied. Dat geldt ook voor rivierkreeften, die lokaal talrijk kunnen worden en grote impact hebben.