Bijlage 3 - Bijlagenrapportage
Tekst van het document
9
Projectgerelateerd
Tabel 4-2. Instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied Alde Feanen (Bron: Natura 2000 beheerplan Alde Feanen 2016 – 2022).
Figuur 4-4. Begrenzing van het Natura 2000-gebied Alde Feanen met de verspreiding van Habitattypen (Bron: Natura 2000 beheerplan Alde Feanen 2016 – 2022).
33
18 oktober 2021
VOORTOETS HEGEWARREN
BH5526WMRP2110181432
10
Projectgerelateerd
5
Effectbeoordeling
In dit hoofdstuk wordt kort besproken wat de effecten van de permanente situatie en de tijdelijke (aanlegfase) effecten zijn op de Natura 2000-gebied Alde Feanen. In Tabel 5-1 zijn de verstoringsfactoren weergeven die het plan in de gebruiksfase alsmede in de aanlegfase kunnen optreden. Bepaald wordt of het plan een negatief effect kan veroorzaken ten aanzien van deze storingsfactoren. Mocht er mogelijk een effect optreden, dan wordt dit vervolgens in dit hoofdstuk nader toegelicht. Op dat moment wordt ook bepaald of er sprake is van een mogelijk significant effect. Tabel 5-1. Effecten die volgens de effectindicator van het ministerie van LNV kunnen optreden tijdens de permanente situatie en tijdens de aanlegfase en die voor de vaarweg van toepassing zijn. In sommige gevallen zijn de storingsfactoren samengenomen. Storingsfactor
Tijdelijke situatie
Permanente situatie
Toelichting
Verlies oppervlak (1)
Ja
Ja
Er is sprake van direct ruimtebeslag op zowel leefgebieden als habitattypen.
Versnippering (2) en verandering in populatiedynamiek (18)
Mogelijk
Mogelijk
Omdat er werkzaamheden zullen plaatsvinden binnen leefgebied van aangewezen doelsoorten en habitattypen en in de permanente situatie het tracé door N2000-gebied loopt is er mogelijk sprake van versnippering en verandering in populatiedynamiek.
Toename stikstof (vermesting (3) en verzuring (4))
Mogelijk
Mogelijk
Er wordt gegraven en gewerkt én in de toekomstige situatie is er sprake van een (lokale) toename in vaarbewegingen. Dit kan leiden tot een toename in stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied.
Verzoeting (5)
Nee
Nee
Van verzoeting van de Natura 20000-gebieden is geen sprake. De habitattypen en leefgebieden bestaan niet uit brakke of zoute milieus.
Verzilting (6)
Nee
Nee
Van verzilting en verdroging is mogelijk sprake als er door de werkzaamheden (grootschalige) grondwateronttrekking plaats. Dat kan leiden tot verdroging en daarmee indirect ook tot verzilting van de bodem. De afstand tot de verzilte ondergrond is echter dermate groot dat er geen effect zijn voorzien als gevolg van de vaarweg.
Verontreiniging (7)
Nee
Nee
Van directe verontreiniging van de Natura 2000-gebieden is geen sprake. Het is niet voorzien dat bij de werkzaamheden gebiedsvreemde stoffen gebruikt worden.
Verdroging (8)
Mogelijk
Mogelijk
Van verdroging is mogelijk sprake als er door de werkzaamheden (grootschalige) grondwateronttrekking plaats. Dat kan leiden tot verdroging. De graafwerkzaamheden ten behoeve van de realisatie van de vaarweg hebben mogelijk een dergelijk effect.
Vernatting (9)
Nee
Nee
Vernatting manifesteert zich in hogere grondwaterstanden en/of toenemende kwel veroorzaakt door menselijk handelen. De werkzaamheden leiden niet tot hogere (grond)waterstanden.
Verandering stroomsnelheid (10)
Nee
Nee
Er wordt niet buitendijks gebouwd en gewerkt. Hierdoor is geen sprake van verandering in de stroomsnelheid zoals deze is bedoeld volgens de effectindicator.
Verandering overstromingsfrequentie (11)
Nee
Nee
Er wordt niet buitendijks gebouwd en gewerkt. Hierdoor is geen sprake van verandering in de overstromingsfrequentie.
Verandering dynamiek substraat (12)
Nee
Nee
De vaarweg leidt niet tot aanslibbing of verstuiving van het Natura 2000-gebied.
Nee
De vaarweg leidt mogelijk tot verstoring door geluid van het Natura 2000-gebied. In de tijdelijke situatie kan de aanwezigheid van materieel direct naast en in het Natura 2000-gebied leiden tot verstoring van het natuurgebied.
Geluid (13)
18 oktober 2021
Mogelijk
VOORTOETS HEGEWARREN
BH5526WMRP2110181432
11
Projectgerelateerd
Licht (14)
Mogelijk
Mogelijk
Het plan kan zowel in de toekomstige als in de tijdelijke situatie zorgen voor een toename in verlichting. Dit licht reikt mogelijk tot in het Natura 2000-gebied.
Trillingen (15)
Mogelijk
Nee
Het plangebied ligt direct tegen en deels binnen het Natura 2000gebied. Om die reden zijn effecten door trillingen als gevolg van werkzaamheden tijdens de aanlegfase niet op voorhand uit te sluiten.
Optisch (16)
Mogelijk
Nee
Het plan kan in de tijdelijke situatie zorgen voor een toename in optische effecten door de zichtbaarheid van materieel direct langs of op het Natura 2000-gebied.
Mechanische effecten (17)
Nee
Mogelijk
De aanleg van de vaarweg kan in de tijdelijke situatie zorgen voor een toename in mechanische effecten door het gebruik van materieel direct langs of in het Natura 2000-gebied en de vaarbewegingen in de permanente situatie.
Bewuste verandering soortensamenstelling (19)
Nee
Nee
De werkzaamheden hebben geen invloed op de soortensamenstelling (er worden geen soorten herintroduceert of bewust dieren gedood).
Uit de effectbeoordeling blijkt dat negatieve effecten op N2000-gebied Alde Feanen niet op voorhand kunnen worden uitgesloten. In de tabel is te zien dat er op een aantal storingsfactoren mogelijk effecten ten aanzien: Ruimtebeslag, Versnippering, Verzuring, Vermesting, Verdroging, Geluid, Licht, Trillingen, Optische verstoring, Mechanische effecten en Verandering in populatie dynamiek. Daarbij geldt dat Ruimtebeslag, Versnippering & Verandering in populatiedynamiek en Geluid & Optische verstoring een hoge mate van onderlinge samenhang kennen. Deze verstoringsfactoren worden in de onderstaande paragrafen dan ook in samenhang beoordeeld.
5.1
Ruimtebeslag (1), versnippering (2) & verandering in populatiedynamiek (18)
Effecten als gevolg van ruimtebeslag, versnippering en verandering in populatiedynamiek konden niet op voorhand worden uitgesloten omdat een deel van het vaarwegtracé binnen de grenzen van “Alde Feanen” is voorzien. Het is allereerst van belang na te gaan of het voorziene ruimtebeslag enige relatie heeft met voor “Alde Feanen” geformuleerde instandhoudingsdoelstellingen (zie Tabel 4-2). Uit het meest recente beheerplan blijkt dat het ruimtebeslag is voorzien daar waar habitattypen aanwezig zijn waarvoor in “Alde Feanen” instandhoudingsdoelstellingen zijn geformuleerd, namelijk blauwgrasland (Figuur 4-2). In totaal komt in de Alde Feanen ca. 34 ha goed en matig goed ontwikkeld blauwgrasland voor. De instandhoudingsdoelstelling is gericht op behoud van de oppervlakte en verbetering van de kwaliteit. Landelijk is de staat van instandhouding op als zeer ongunstig beoordeeld 3. Negatieve effecten door ruimtebeslag ten aanzien van habitattypen waarvoor in “Alde Feanen” instandhoudingsdoelstellingen zijn geformuleerd zijn daarmee niet uitgesloten. Voor dit aspect is een passende beoordeling op grond van de Wnb nodig. In het gebied waar ruimtebeslag is, is de aanwezigheid van de noordse woelmuis niet aangetoond (gebaseerd op: Bekker 2004, Koelman & Regelink 2008, Rintjema et al. 2008 en Van der Heijden 2014, ongepubliceerde resultaten A&W).
Ook de verspreiding van Natura 2000 habitatrichtlijnsoorten aangewezen voor “Alde Feanen” (kleine modderkruiper, rivierdonderpad, grote modderkruiper en bittervoorn) is niet bekend (bron: Beemster & Bijkerk 2009, Vernooij & Kampen 2007, Koole & Koopmans 2013, van der Heijden 2014). Daarmee zijn alle soorten die mogelijk effect kunnen ondervinden in de vorm van versnippering of verandering in populatiedynamiek (door bijvoorbeeld lokale barrièrevorming) niet 3
Zie: https://www.natura2000.nl/sites/default/files/profielen/Habitattypen_profielen/Profiel_habitattype_6410.pdf
18 oktober 2021
VOORTOETS HEGEWARREN
BH5526WMRP2110181432
12
Projectgerelateerd
bekend uit het gebied waar ruimtebeslag is voorzien of de omgeving daarvan. Voor nagenoeg alle genoemde soorten is er echter wel geschikt habitat aanwezig (ter plaatse van het ruimtebeslag zijn bijvoorbeeld nat grasland en permanente wateren aanwezig). Hierdoor kan er sprake zijn van verlies aan leefgebied, barrièrevorming of het optreden van versnippering. Negatieve effecten ten gevolge van ruimtebeslag, versnippering en verandering in populatiedynamiek ten aanzien van de soorten: Noordse woelmuis, kleine modderkruiper, rivierdonderpad, grote modderkruiper en bittervoorn in “Alde Feanen” geformuleerde instandhoudingsdoelstellingen (zie Tabel 4-2) zijn daarmee niet uitgesloten. Voor dit aspect is een passende beoordeling op grond van de Wnb nodig.
5.2
Vermesting (3) & verzuring (4)
Mogelijke factoren zijn de aanvoer van vermestende/verzurende stoffen via het water en via de lucht. Een aantal habitattypen in de Alde Feanen is gevoelig voor vermesting door depositie van stikstof vanuit de lucht. Bij enkele habitattypen (blauwgraslanden, overgangs- en trilvenen, galigaanmoerassen) wordt nu mogelijk de kritische depositiewaarde overschreden. Tevens grenst of doorkruist (afhankelijk van de gekozen oeverbekleding) de vaarweg straks aan stikstofgevoelige blauwgraslanden. Daardoor kan niet zondermeer worden uitgesloten dat de ontwikkelingsmogelijkheden van de vaarweg significante gevolgen voor deze habitattypen kunnen hebben. Op 20 mei 2021 zijn door de provincie Fryslân al globale stikstofberekeningen gedaan 4, uit deze berekeningen bleek dat gebiedsbreed de emissies vergelijkbaar waren bij de varianten “Huidige vaarweg, geen veehouders” en “Noordelijke vaarwegroute door Hege Warren, geen veehouders”. Waarbij lokaal minder (noordelijk) en meer (zuidelijk) effect is van stikstofdepositie (hierbij is wel meegenomen dat de vaarweg die nu door De Alde Feane loopt niet meer door beroepsvaart gebruikt wordt). Voor dit aspect is een passende beoordeling op grond van de Wnb nodig.
5.3
Verdroging (8)
Verdroging uit zich in lagere grondwaterstanden en/of afnemende kwel. De actuele grondwaterstand is zo lager dan de gewenste/benodigde grondwaterstand. Dit werk weer door in randvoorwaarden voor aanwezige plant- en diersoorten en leidt uiteindelijk tot een verandering in de soortensamenstelling. Het vaarwegtracé ligt binnen een straal van 100 meter van de volgende habitattypen die gevoelig zijn voor verdroging: H4010B - Vochtige heiden (laagveengebied), H7140B - Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden), H6410 – Blauwgraslanden & H91D0 - Hoogveenbossen. De landelijke staat van instandhouding voor al deze typen is matig ongunstig, met uitzondering van blauwgraslanden welke zeer ongunstig zijn. Zowel grond- als oppervlaktewateronttrekking in welke vorm dan ook dienen voorkomen te worden. Indien dit niet voorkomen wordt (wat in de beschouwde situatie met vaarweg heel onzeker is), zijn significante negatieve effecten niet op voorhand uit te sluiten én dient middels berekeningen bepaald te worden of sprake is van verslechtering van deze habitattypen. Dit dient dan nader onderbouwd en beschreven te worden in een Passende Beoordeling.
5.4
Geluid (13) en optische verstoring (16)
Optische verstoring betreft verstoring door de aanwezigheid en/of beweging van mensen en voorwerpen die niet thuishoren in het natuurlijke systeem. Geluid is een hoorbare trilling, gekenmerkt door geluidsdruk en frequentie. Verstoring door geluid kan afkomstig zijn van de vervoersbewegingen in de permanente situatie, maar ook in de aanlegfase, waarbij sprake is van aan- en afvoer van materiaal en 4
Uit rapport: ”Berekeningen provincie Aerius 20 mei 2021”
18 oktober 2021
VOORTOETS HEGEWARREN
BH5526WMRP2110181432
13
Projectgerelateerd
graafwerkzaamheden (en daarmee ook optische verstoring veroorzaken). Een toename van de geluidbelasting binnen de begrenzing van een onder de Wnb beschermd gebied kan het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen ten aanzien van habitat- en vogelrichtlijnsoorten beïnvloedden (Klein 2008). Omdat met name vogels gevoelig zijn voor geluid, is in de literatuur veel onderzoek beschikbaar naar de gevoeligheid voor geluid van bos- en weidevogels. Voor broedvogels is bekend dat een continue geluidbelasting van 45 dB(A) leidt tot merkbare verstoring, welke maximaal is vanaf 60 dB(A) (Reijnen et al. 1995, Foppen et al. 2002, Tulp et al. 2002, Krijgsveld et al. 2008). Meer recent onderzoek door Garniel et al. (2007) laat zien dat voor de vogelrichtlijnsoorten waarvoor in onder meer “Alde Feanen” instandhoudingsdoelstellingen zijn geformuleerd (Tabel 4-2) uitgegaan mag worden van een geluidbelasting van 47 dB(A) in de nacht en tot 55 dB(A) overdag. Afhankelijk van de gekozen werkmethode dient bepaald te worden of deze verstoring leidt tot mogelijk effecten op de aangewezen (niet) broedvogels. Het betreft alleen een tijdelijke verstoring door geluid. Ook de meervleermuis is aangewezen als aangewezen als instandhoudingsdoelstelling, echter is op basis van onderzoek van Kuijper et al. (2006) vastgesteld dat er geen verblijfplaatsen zijn vastgesteld in de buurt van het vaarwegtracé.
Dit betekent dat de geluidsverstoring enkel migratie en foerageren betreft. Aanvullend vleermuisonderzoek zal moeten uitwijzen of de werkzaamheden het instandhoudingsdoel voor de meervleermuis (behoud van omvang en kwaliteit van het leefgebied voor behoud van de populatie) significant negatief beïnvloeden. Verder geldt dat het in geval van de kleine modderkruiper, rivierdonderpad, grote modderkruiper en bittervoorn, dat het gaat om onderwatergeluid. Omdat geluid vanuit de lucht niet of nauwelijks doordringt in het water (Blacquière et al. 2008), is zijn deze instandhoudingsdoelstellingen in deze context niet van belang.
5.5
Licht (14)
Verstoring door licht is afkomstig van kunstmatige lichtbronnen, zoals licht uit woonwijken en industrieterreinen, glastuinbouw etc. Kunstmatige verlichting van de nachtelijke omgeving kan tot verstoring van het normale gedrag van soorten leiden. Met name schemer- en nachtactieve dieren kunnen last hebben van verstoring door licht, doordat zij juist aangetrokken of verdreven worden door de lichtbron. Hierdoor raakt bijvoorbeeld hun ritme ontregeld of verlichte delen van het leefgebied worden vermeden. Daarnaast kan een toename in predatiedruk een rol gaan spelen. Voor de Alde Feanen gelden instandhoudings-doelstellingen voor een aantal vogelsoorten en soorten waarvoor het gebied op grond van de habitatrichtlijn is aangewezen als speciale beschermingszone. De gebieden met de bedoelde functies voor de vogelsoorten (broedgebieden en rustgebieden) liggen binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden die verricht moeten worden bij de realisatie van de vaarweg. Ook de aangewezen instandhoudingsdoelstellingen Noordse woelmuis en Meervleermuis zijn gevoelig voor verstoring door licht. Biotopen van de Noordse Woelmuis bevinden zich binnen de invloedssfeer van het vaarwegtracé hetzelfde geldt voor vliegroutes en foerageergebied van meervleermuis.
Met betrekking tot de tijdelijke verstoring hangt het effect van lichtverstoring samen met de periode waarin de werkzaamheden worden uitgevoerd (zowel de periode in het jaar als de dag/nacht). Deze gegevens zijn op dit moment niet bekend waarmee effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor deze soorten niet kunnen worden uitgesloten. 37
18 oktober 2021
VOORTOETS HEGEWARREN
BH5526WMRP2110181432
14
Projectgerelateerd
5.6
Trilling (15)
Er is sprake van trillingen in bodem en water als dergelijke trillingen door menselijke activiteiten veroorzaakt worden, zoals bij boren, heien, graven etc. Van de aangewezen natuurwaarden is de Bittervoorn, Grote modderkruiper, Kleine modderkruiper, Rivierdonderpad en Meervleermuis gevoelig voor verstoring door trillingen. Effecten zijn te onderscheiden in permanente en tijdelijke effecten. Trillingen afkomstig van de permanente situatie worden veroorzaakt door bijvoorbeeld (vaar)verkeer. In de tijdelijk situatie kunnen bouwwerkzaamheden leiden tot verstoring door geluid. Denk daarbij graven, zand storten enz. Afhankelijk van de gekozen werkmethode dient bepaald te worden of deze trillingen leidt tot mogelijk effecten op de aangewezen instandhoudingsdoelstellingen.
5.7
Mechanische effecten (17)
Onder mechanische effecten vallen verstoring door betreding, golfslag, luchtwervelingen etc. die optreden ten gevolge van menselijke activiteiten. De oorzaken en gevolgen zijn bij deze storende factor zeer divers. Van de aangewezen natuurwaarden zijn alle habitattypen en – soorten gevoelig voor mechanische verstoring. Effecten zijn te onderscheiden in permanente en tijdelijke effecten. In de permanente situatie kan sprake zijn van een toename in verstoring door het zuigingseffect van vrachtschepen die gebruik zullen maken van de vaarweeg grenzend aan en lopend door het Natura 2000-gebied Alde Feanen. Het voorliggende vaarwegontwerp inderdaad sprake is van een significant zuigingseffect en hinderlijke golfslag door passerende schepen. Deze effecten kunnen leiden tot hinder voor recreatievaart enerzijds en waterbewegingen die merkbaar kunnen zijn tot in de zijwatergangen van de vaarweg die negatief kunnen doorwerken op de gewenste natuurontwikkeling. Deze effecten spelen met name in de krappe delen van de vaarweg 5. Op basis hiervan kan met zekerheid worden gesteld dat significante negatieve effecten niet op voorhand uit te sluiten én dient middels berekeningen bepaald te worden of sprake is van verslechtering van de habitattypen of negatieve invloed op de staat van instandhouding van habitatrichtlijnsoorten.
Dit dient dan nader onderbouwd en beschreven te worden in een Passende Beoordeling.
38
5
Uit memo Royal HaskingDHV BH5662WMNT2109131459
18 oktober 2021
VOORTOETS HEGEWARREN
BH5526WMRP2110181432
15
Projectgerelateerd
6
Cumulatie
Onder cumulatieve effecten worden effecten verstaan die optreden wanneer de effecten van een activiteit worden beschouwd in het licht van effecten ten gevolge van andere projecten in de omgeving van hetzelfde Natura 2000-gebied, in onderhavige toets “Alde Feanen”. Hierbij dient rekening te worden gehouden met ontwikkelingen waarvoor al een vergunning in het kader van de Wnb is verleend, maar die nog niet zijn gerealiseerd. Projecten die voldoen aan bovenstaande zijn niet bekend uit de omgeving van het plangebied. Er is dan ook geen sprake van negatieve effecten op onder de Natuurbeschermingswet beschermde gebieden als gevolg van cumulatie met andere projecten.
39
18 oktober 2021
VOORTOETS HEGEWARREN
BH5526WMRP2110181432
16
Projectgerelateerd
7
Conclusie
7.1
Bevindingen
Uit onderhavige voortoets blijkt dat mogelijke significante negatieve effecten door een toename in stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden Alde Feanen op voorhand niet is uit te sluiten. De stikstofdepositie door de vaarweg is niet op habitattypeschaal berekend. Elke toename in stikstofdepositie leidt tot een mogelijk significant negatief effect op deze instandhoudingsdoelstellingen. Het is noodzakelijk de toename in stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied Alde Feanen nader te onderzoeken in een Passende Beoordeling. Verder is gebleken dat Ruimtebeslag, Versnippering, Verdroging, Geluid, Licht, Trillingen, Optische verstoring en Verandering in populatie dynamiek in de aanlegfase een mogelijk significant negatief effect kan hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van de Alde Feanen. Tot slot zijn ook zijn verstoring door Ruimtebeslag, Versnippering, Verdroging, Licht, Mechanische verstoring en Verandering in populatie dynamiek in de gebruiksfase niet op voorhand uit te sluiten. De Wnb stelt voor een project of plan, dat mogelijke significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, een Passende Beoordeling op. In de Passende Beoordeling moet nader onderzoek uitwijzen of er mitigerende maatregelen getroffen kunnen worden om significante aantasting te voorkomen.
Indien een kans op significant negatief effect niet kan worden uitgesloten, dan moet er in de Passende Beoordeling worden bepaald of het project voldoet aan de volgende criteria: geen Alternatieven mogelijk, Dwingende reden van groot openbaar belang en er is voldaan aan de Compensatieverplichting (de zogenaamde ADCtoets).
7.2
Doorkijk vervolgproces
Zoals vermeld in paragraaf 2.1 kan een Voortoets in de oriëntatiefase normaliter twee mogelijke uitkomsten hebben: er is geen effect en dus geen vergunning op grond van de Wnb nodig, of significant negatieve effecten kunnen niet worden uitgesloten en een Passende beoordeling is vereist. Echter de vraag achter de vraag is in dit geval: is de realisatie van een vaarwegtracé met ruimtebeslag op Natura 2000-gebied Alde Feanen haalbaar dan wel realistisch? In deze laatste paragraaf van deze Voortoets wordt een beeld geschetst van het (mogelijke) vervolgproces. Kijkend naar uitkomst van de effectbeoordeling staat in ieder geval vast dat significant negatieve effecten niet op voorhand kunnen worden uitgesloten. Voor 9 van 19 (!) verstoringsfactoren zal uitvoerig aanvullend onderzoek noodzakelijk zijn om een gedetailleerder beeld te krijgen van mogelijke effecten. Alvorens deze onderzoeken uitgevoerd kunnen worden, als onderdeel van een Passende beoordeling, zal het ontwerp van de gebiedsontwikkeling voor de Hegewarren zelf eerst nog een flink aantal stappen moeten maken. De mate van detaillering in de onderzoeken in de Passende beoordeling vereist dat het ontwerp van de gebiedsontwikkeling (met en zonder vaarweg) op minimaal DO-niveau is. De volgende stappen moeten dan worden uitgevoerd: 1. Kwantitatieve effectbeoordeling d.m.v. aanvullende onderzoek(en) 2.
Cumulatie van andere projecten 3. Afwegen van alternatieven en dwingende reden 4. Bepalen van mitigatie en compensatie
Gezien de mogelijke negatieve effecten die optreden en de toch wel relatief grote ingreep, de aanleg van een vaarweg, is de kans zeer groot (>90%) dat er significant negatieve effecten zullen optreden en dat daarmee een vergunningaanvraag Wnb niet zondermeer wordt verleend. Voor de aangewezen habitatrichtlijnsoorten, broedvogel en niet-broedvogelsoorten in de “Alde Feanen” zullen er mogelijk 18 oktober 2021
VOORTOETS HEGEWARREN
BH5526WMRP2110181432
17
Projectgerelateerd
significant negatieve effecten optreden op de instandhoudingsdoelstellingen, dit is echter in dit prille stadium van het planproces met een abstract ontwerpniveau nog niet precies te voorspellen. Afhankelijk van de exacte inrichting zijn er mitigerende en compenserende maatregelen nodig die kunnen voorkomen dat er significant negatieve effecten optreden. Deze maatregelen kunnen pas concreet worden gemaakt als de inrichting ook concreet is. Naast de eventuele effecten op soorten kunnen er ook negatieve effecten ontstaan op habitatrichtlijntypen o.a. hoogveenbossen, blauwgrasland & overgangs- en trilveen en deze zijn zo mogelijk nog lastiger te compenseren. De verwachting is dat de eventuele vaarweg impact zal hebben, door bijvoorbeeld hydrologische effecten (verdroging door drainerende werking/ afname van kwel) en of zuigende werking van het bevaren, waardoor oevers aflkalven, maar ook het eventueel doorsnijden of schampen van het blauwgrasland. Afhankelijk van het uiteindelijke exacte ligging van het vaarwegtracé kunnen deze effecten meer of minder zijn. Wat betreft mitigerende maatregelen kan er worden gedacht aan het verlagen van de vaarsnelheid, het aanbrengen van oeverbescherming/ vooroevers.
Naast de gebiedsontwikkeling Hegewarren die sowieso al wordt uitgevoerd en zeker potentie biedt voor natuurontwikkeling zullen er mogelijk nog extra compensatiegebieden en/of mitigerende maatregelen moeten worden gerealiseerd, hierbij kan worden gedacht aan; inrichten van blauwgraslanden, overgangsen trilvenen, galigaanmoerassen buiten de Hegewarren, maar in de buurt van Alde Feanen. Dit zijn natuurtypen die niet in een paar jaar gerealiseerd kunnen worden, deze vergen een zeer specifieke hydrologische inrichting en beheer én vooral ook een lange adem en dan is het nog uiterst onzeker of deze habitattypen zich zullen ontwikkelen op de beoogde locatie. Wat het nog lastiger maakt is dat de compensatie vooraf geregeld moet worden, dat betekent dat er mogelijk 20-30 jaar voor de daadwerkelijk aanleg van de vaarweg de compensatie gereed moet zijn. De compensatie lijkt niet realistisch in dit geval. Blauwgraslanden zijn vrij uniek en zeldzaam geworden, in 2016 was er nog slechts 30 ha over in Nederland (beging twintigste eeuw was dit nog 30.000 ha!). Omdat de meeste blauwgraslanden afhankelijk zijn van de toevoer van basenrijk- en ijzerrijk grond- en/of oppervlaktewater, maakt dat hen kwetsbaar voor een slechte kwaliteit van dat water.
Daarnaast hebben blauwgraslanden een hoog waterpeil nodig; ’s winters plasdras staan en ’s zomers oppervlakkig uitdrogen en kennen ze een vrij intensief beheer. De gewenste basenrijkdom kan worden bereikt door aanvoer van aangerijkt grondwater of door overstroming met basenrijk water. Aangezien de huidige situatie goede abiotische randvoorwaarden biedt voor het blauwgrasland wat er nu aanwezig is, brengt iedere kleine verandering in de abiotische omstandigheden risico’s met zich mee voor het behoud van dit habitattype. De abiotische omstandigheden luisteren erg nauw en het compenseren van blauwgraslanden op een andere locatie is een sinecure. Bevoegd gezag zal bij een compensatieplan ook een onderbouwing willen zien dat deze compensatie daadwerkelijk gaat lukken en dat is voor habitattypen als blauwgrasland en trilvenen uiterst onzeker. Naast de provincie als bevoegd gezag zal ook het Rijk (ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) een belangrijke rol spelen als het gaat om compensatie- en/of wijzigingsbesluiten voor Natura 2000-gebieden. Indien de vaarweg een ruimtebeslag op habitattypen van het N2000-gebied veroorzaakt, dan zal dit ruimtebeslag mogelijk gecompenseerd moeten worden met gronden buiten de begrenzing van N2000-gebied Alde Feanen.
Wanneer er nieuwe gronden moeten worden aangewezen zal het Rijk dit moeten besluiten en in procedure moeten brengen, dit wijzigingsbesluit is veelal een langdurig proces, ook omdat alle belanghebbenden (overheden, bewoners, bedrijven, recreanten, etc.) zo intensief mogelijk betrokken moeten worden hierin. Veelal leidt het tot uitgebreide inspraaktrajecten en afhandeling van ingediende zienswijzen en mogelijk zelfs rechtszaken. De uitwerking van het (eventuele) mitigatie- en compensatieplan zal dan ook nog een zeer forse nadere uitwerking, omdat er voor specifieke habitatsoorten en -typen niet een pasklaar antwoord ligt hoe die elders tot ontwikkeling kunnen komen en omdat er een compensatie- en/of toewijzingsbesluit moet komen. Dit vergt nog een flinke inzet aan nadere onderzoeken, uitwerkingen en afstemming met stakeholders. In dit
18 oktober 2021
VOORTOETS HEGEWARREN
BH5526WMRP2110181432
18
Projectgerelateerd
planproces is het onzeker of de verschillende stakeholders/ belanghebbenden het met elkaar eens worden, mede ook gezien het feit dat deze specifieke natuur zich niet simpelweg op relatief korte termijn laat ‘aanleggen’. Binnen het co-creatieproces is ook benoemd dat de Oude Hooidamsloot, binnen N2000 Alde Feanen erg waardevol en ook zeer kwetsbaar is. Echter deze watergang heeft geen specifieke beschermingsstatus/ habitattype vanuit N2000 en wordt dus ook niet als zodanig getoetst in deze Voortoets. Neemt niet weg dat in het vervolgplanproces wel bekeken moet worden of hier mogelijk negatieve effecten ontstaan door de vaarweg en of die vermeden kunnen worden. Daarnaast moet er in de Passende Beoordeling ook beoordeeld worden of de vaarweg een dwingende reden van groot openbaar belang is en of er mogelijk alternatieven zijn. In het co-creatieproces zijn er reeds alternatieven op tafel gekomen; de vaarweg zou bijvoorbeeld ook onder Ie Sicht langs kunnen. Echter bij deze route zijn er ook wel twijfels over de veiligheid van de vaarweg. Het is nu nog onduidelijk om aan te geven of dit een realistisch alternatief is voor de vaarweg. Dit zal in het vervolgproces nader onderzocht moeten worden, er moet dan een goede alternatieven afweging komen. De provincie, het bevoegde gezag zal uiteindelijk in samenspraak met de omgeving moeten afwegen of dit alternatief realistisch is.
Of de nieuwe vaarweg een dwingende reden van groot openbaar belang is, is maar zeer de vraag, er ligt immers een vaarweg. Is er voldoende aannemelijk gemaakt dat dit stuk nieuwe vaarwegtraject echt van groot openbaar belang is? Welke problemen worden daarmee opgelost? Dit is een politiek/bestuurlijke afweging die door de provincie gemaakt zal moeten worden, daar kan in dit stadium geen uitsluitsel over worden gegeven. Zonder een onderbouwing en bestuurlijk besluit van dit grote openbare belang zal er geen vergunning kunnen worden verleend. Concluderend is het nog uiterst onzeker of er een vergunning Wnb kan worden verleend voor de aanleg van de vaarweg door Alde Feanen. Hiervoor zijn nog een groot aantal onderzoeken, onderbouwingen en uitwerkingen nodig van de precieze inrichting. Dit vergt meestal een proces van jaren, waarbij er ook forse kosten moeten worden gemaakt voor de onderzoeken, maar met name ook voor eventuele aankoop, inrichting en beheer van compensatiegronden.
42
18 oktober 2021
VOORTOETS HEGEWARREN
BH5526WMRP2110181432
19
Royal HaskoningDHV is an independent, international engineering and project management consultancy with over 138 years of experience. Our professionals deliver services in the fields of aviation, buildings, energy, industry, infrastructure, maritime, mining, transport, urban and rural development and water. Backed by expertise and experience of 6,000 colleagues across the world, we work for public and private clients in over 140 countries. We understand the local context and deliver appropriate local solutions. We focus on delivering added value for our clients while at the same time addressing the challenges that societies are facing. These include the growing world population and the consequences for towns and cities; the demand for clean drinking water, water security and water safety; pressures on traffic and transport; resource availability and demand for energy and waste issues facing industry. We aim to minimise our impact on the environment by leading by example in our projects, our own business operations and by the role we see in “giving back” to society. By showing leadership in sustainable development and innovation, together with our clients, we are working to become part of the solution to a more sustainable society now and into the future. Our head office is in the Netherlands, other principal offices are in the United Kingdom, South Africa and Indonesia.
We also have established offices in Thailand, India and the Americas; and we have a long standing presence in Africa and the Middle East.
royalhaskoningdhv.com
43
Memo’s behorende bij aspecten afweegkader:
44
Memo’s betreffende aspecten van het afweegkader:
B1 Memo - Natte teelten, waterpeilen en snelheid van vernatting
Natte Teelt en Kruidenrijk Grasland
Tijdelijk Beheer
Opsteller: Hendrik Vries (Projectteam Hegewarren) Afgestemd met: Hanneke Godthelp (Projectteam Hegewarren), Ivan Mettrop (A&W) en Marion Brongers (A&W)
Op basis van de conceptresultaten voor de Hegewarren (vier denkrichtingen) zijn verduidelijkende vragen gesteld. Eén daarvan vraagt om een nadere beschouwing van natte teelten: Welke teelten en verdienmodellen zijn er? Hoeveel hectare is er dan nodig? Deze memo is een eerste aanzet in de beantwoording van de voornoemde vragen. De in deze memo genoemde uitgangspunten zijn input voor het updaten van de business case. De update van de business case voorziet in de toevoeging van een tijdslijn en afstemming van de schaalgrote afgespiegeld aan de ontwikkeltermijn. Een gedetailleerdere uitwerking van de ontwikkeltermijn wordt door bureau Altenburg & Wymenga uitgewerkt en uiteindelijk toegevoegd aan het eindrapport. • Welke vormen van natte teelt laten zich goed inpassen en zijn kansrijk? Er zijn al vele experimenten gedaan van diverse gewassen tot aan vis- en algenkweek. Lering daaruit en vooruit kijkend naar schaalvergroting blijkt riet en lisdodde het meest kansrijk om te renderen. Dit neemt niet weg dat voor de diverse natte teelten een doorontwikkeling en kennisontwikkeling o.b.v. diversiteit in gedraging van de grondslagen nieuwsgierig blijft. Het deel rond Sytebuorren (klei op veen) leent zich goed voor vernatting naar kruidenrijk grasland. Overigens biedt het ook een goed potentieel voor lisdodde teelt.
Belangrijke kanttekening hierbij is dat er een keuze gemaakt moet worden voor het één of het ander. Met een invulling van lisdodde velden is op termijn geen kruidengrasland meer mogelijk. ▪ Is natte teelt mogelijk als tijdelijke variant (leren) of als een eindvariant (productie)? Beiden is mogelijk. In de context van de Hegewarren is de conclusie dat het een passend onderdeel kan zijn voor de transitieperiode naar het eindbeeld. Afgeleid van de doelstelling kan met name lisdoddeteelt op korte termijn bijdragen aan het uitmijnen van de huidige fosfaatrijke landbouwpercelen als voortraject van verdere moerasontwikkeling. ▪ Toepassing op welke schaal is realistisch? Op dit moment drukken de inrichtingskosten en drogingskosten zwaar op de lisdoddepilots. Op dit vlak zijn zeker nog verbetermogelijkheden; er wordt met succes geëxperimenteerd met het (veel goedkopere) drogen aan de lucht. De inrichtingskosten i.v.m. de waterhuishouding (sloten en beheersing) zijn hoog. Voor lisdodde wordt gedacht aan waterpeilen tussen de 10 en 20 cm boven maaiveld, in een oppervlaktewater-gevoed watersysteem met een dicht slootpatroon (om de 10 meter een (infiltratie) greppel). Er wordt daarom een afschrijvingsperiode van minimaal 10 jaar gehanteerd. Met de huidige kennis is voor de natte teelten een schaalgrootte van 50 hectare ruim voldoende.
Wat kan bijdragen aan opschaling of aan experimenten voor ander teelt of oogsttechnieken. De polder aquarel laat in de business case na 25 jaar nog eens een verdubbel mogelijkheid naar 100ha zien. Het is niet ondenkbaar dat lisdodde zich ook zelf ontwikkelt binnen de moerasvarianten en daarmee op een eventueel grotere schaal invulling kan geven aan een natuurmaatregel binnen een variant. ▪ Wat is de doorlooptijd van de ontwikkeltermijn? Om in een gedegen uitrol te voorzien is het belangrijk dat de waterstanden fasegewijs opgezet worden. Het tijdspad daarvoor hangt nauw samen met de nog in de bodem aanwezige voedingstoffen. Een hoog gehalte voedingstoffen (fosfaat) heeft een nadelig effect op de ontwikkeling van met name kruidenrijk grasland. Dit geldt in mindere mate voor de teelt van lisdodde. Houdt rekening met uitmijnen van nutriënten bij elke vorm van teelten en ontwikkeling van kruidenrijk grasland ook als voorloper op een eindvariant. Daarnaast dient vernatten geleidelijk plaats te vinden om bodemontwikkeling mogelijk te maken (geoxideerd veen verliest structuur en stabiliteit).
Door vernatting ontstaat direct methaan als gevolg van de chemische reactie in de bodem. Aan de hand van het gehalte fosfor per liter bodem kan de fosformobilisatie en de periode en/of wijze van uitmijnen worden bepaald. Daarop volgt het geleidelijk opzetten van peil afgestemd op bodemstructuur en stabiliteit. Afhankelijk van in welke type grasland het perceel zich bevindt kan een tijdspad worden gedefinieerd. Zie hiervoor naast staande figuur. De aanname is dat huidige percelen in voornamelijk het stadium type 2 verkeren. Natuurlijke regeneratie vergt tijd.
▪ Kruidenrijk grasland met extensieve landbouw (Polder aquarel > terugvorming) - Stadium verloop van type 1 tot maximaal type 3; - Uitmijnen > drooglegging van -0.80mv naar -0.50mv. Dit 10-20 jaar aanhouden; - Drooglegging van -0.50mv naar -0.40mv in tijdpad van 5 jaar; - Drooglegging -040mv is de bovengrens voor beweiding voor behoud van draagkracht van de bodem. ▪ Kruidenrijk grasland met natuurbeheer (Hoogwaterpolder) - Stadium verloop van type 2 tot maximaal type 5 - Uitmijnen > drooglegging van -0.80mv naar -0.50mv. Dit 10-20 jaar aanhouden; - Drooglegging van -0.50mv naar -0.30mv in tijdpad van 5 jaar; - Drooglegging van -0.30mv naar -0.20mv vraagt beoordeling op geschiktheid en kan sneller 2-3 jaar; - Drooglegging -0,40mv de ondergrens voor weidevogels, bij voorkeur nattere omstandigheden. ▪ Natte teelt - Drooglegging +0.10mv tot +0.20mv; - Geschikt als tussenstap naar moeras ontwikkeling naderhand niet meer geschikt voor grasland; - Voor doorontwikkeling naar moeras zijn fluctuatie van waterpeil en variatie in bodemreliëf van belang. ▪ Wat is het toekomstperspectief Op dit moment is de toepassing van lisdodde als isolatiemateriaal een groot potentieel. Als dit in perspectief wordt gezet tot de teelt en de opgave dan kan met 1 hectare worden voorzien in het isoleren van 10 huizen.
Afgezet tegen de maatschappelijke opgave van de bouw van bijvoorbeeld woningen over een periode van pakweg 10 jaar is het verdienpotentieel marginaal. Een op dit moment nog onbekende toepassing is lisdodde als substraat voor de potgrondindustrie. Dit is een sector die ook omkijkt naar alternatieven. Een interessante markt met een consistente afname. Vanuit veenweideperspectief biedt dat een mooie combinatie van uitmijnen en vermijden van afgraven van veengrond elders. 47
B2 Memo - Ontwikkeltermijn van het voorgestelde grondgebruik in de alternatieven (tempo vernatting)
Mogelijke moerasontwikkeling in de Hege Warren Kansen, knelpunten en fasering A&W-rapport 21-271
in opdracht van
48
49
Mogelijke moerasontwikkeling in de Hege Warren Kansen, knelpunten en fasering A&W-rapport 21-271
E. Wymenga M. Brongers I. Mettrop
50
51
Foto Voorplaat Graslanden Hege Warren westkant, najaar 2021, Eddy Wymenga
E. Wymenga, M. Brongers, I. Mettrop 2021 Mogelijke moerasontwikkeling in de Hege Warren. Kansen, knelpunten en fasering. A&W-rapport 21-271 Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwâlden
Opdrachtgever Provinsje Fryslân Tweebaksmarkt 52 8911 KZ Leeuwarden Telefoon 058 2925925
Uitvoerder Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek bv Suderwei 2 9269 TZ Feanwâlden Science Park 400, Matrix II, K 1.08/1.09 1098 XH Amsterdam Telefoon 0511 47 47 64 info@altwym.nl www.altwym.nl
©
Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek bv. Overname van gegevens uit dit rapport is toegestaan met bronvermelding.
Projectnummer 21-271
Projectleider E. Wymenga
Status Eindrapport
Autorisatie R. de Jong
Paraaf Goedgekeurd
Datum 10 december 2021
Paraaf Kwaliteitscontrole W. Altenburg
Goedgekeurd
A&W-rapport 21-271 Mogelijke moerasontwikkeling in de Hege Warren
Inhoud Samenvatting Inleiding 1 1.1 Aanleiding en doel 1.2 Aanpak en leeswijzer 2 De Hege Warren in een notendop 2.1 Abiotiek: bodem en hoogteligging 2.2 Abiotiek: hydrologie en waterhuishouding 2.3 Biotiek: natuurwaarden 3 Potenties voor veen- en moerasontwikkeling 3.1 Hydrologische en abiotische eisen aan veenontwikkeling 3.2 Uitgangssituatie Hege Warren en analyse van mogelijke moerasdoelen 3.3 Synthese voorliggende moerasalternatieven 4 Stappen in moerasontwikkeling 4.1 Mogelijke eindsituaties 4.2 Stadia van moerasontwikkeling en bijpassende landschapsbeelden 4.3 Effectieve vormen van moerasontwikkeling 4.4 Risico’s en onzekerheden 5 Tijdelijk beheer voor veen- en moerasontwikkeling 5.1 Doelen van een overgangsbeheer 5.2 Eerste uitwerking van overgangsbeheer 5.3 Potenties van natte teelt 5.4 Kiezen voor moeras- en veenontwikkeling: waar en hoe? 6 Literatuur Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3
Moerassystemen Moerasdoelen, inrichting en verwachte ontwikkeling per alternatief Specifieke vragen voorkeursalternatieven
53
1 1 2 3 3 4 6 9 9 13 14 19 19 22 26 27 29 29 29 34 38 39 41 43 47
A&W-rapport 21-271 Mogelijke moerasontwikkeling in de Hege Warren
Samenvatting Polder de Hege Warren (ruim 400 ha) is een agrarisch gebruikte veenweidepolder in het Lage Midden, omgeven door water (De Geau, Kromme Ie en de Grêft) en gelegen ten zuiden van de Alde Feanen. De Hege Warren is een van de ontwikkelgebieden in het Veenweideprogramma 2021-2030, en in die zin voorloper om het beleid voor het veenweidegebied invulling te geven. In het gebiedsproces rond de Hege Warren is onderzocht welke inrichting in de toekomst de meeste perspectieven biedt met het oog op klimaat en natuurdoelen (https://toekomstHege Warren.frl/). In een zogenaamd ‘co-creatieproces’ zijn tot nu toe zes (sub)alternatieven ontwikkeld. Voor twee van die alternatieven, Polderaquarel en Open en Natuurlijk, is door het co-creatieteam een voorkeur uitgesproken. Afhankelijk van het alternatief wordt, in meer of mindere mate, ingezet op ‘natte weide’, moerasland en natte teelten. Voor een verdere uitwerking en het maken van keuzes zijn er nog belangrijke vragen. Wat zijn bijvoorbeeld de perspectieven voor weidevogelpopulaties, de potenties voor natte teelten en hoe kan eventuele moerasnatuur worden vormgegeven. In dit rapport wordt ingegaan op de vragen rond moerasnatuur, in het bijzonder van de voorkeursalternatieven. De perspectieven voor weidevogels zijn in een separate rapportage belicht.
Voorwaarden voor veen- en moerasontwikkeling Alvorens de moerasontwikkeling van de voorkeursalternatieven te kunnen beoordelen is het nodig om scherp te stellen welke ecologische eisen aan een vitale moerasontwikkeling worden gesteld. Moeras houdt het midden tussen land en water. De vorming van veen in moerassige situaties is mogelijk als planten meer organisch materiaal (stengels, bladeren, wortels) produceren dan er wordt afgebroken. In dat geval wordt er bovendien koolstof vastgelegd. Veenvorming is mogelijk als de vertering van het plantenmateriaal traag verloopt. Daarvoor zijn zuurstofarme en dus zeer natte omstandigheden vereist. Waterhuishouding (peilfluctuaties!) en matige voedselrijkdom zijn sleutelfactoren voor een gevarieerde en biodiverse veen- en moerasontwikkeling. Aanvullend kan begrazing door fauna, in het bijzonder door grauwe ganzen, een grote rol spelen in de ontwikkeling. Vitale en biodiverse moerasvegetaties op veen ontstaan doordat sturende factoren in een of andere vorm beperkend zijn, zoals nutriënten, water (peildynamiek!) of het terugzetten van successie (door de mens, of andere factoren). Bij afwezigheid van peilfluctuaties en een hoge voedselrijkdom ontstaan vrijwel altijd zeer soortenarme moerasbegroeiingen met lisdodde en riet (geïnundeerde bodems met grotere waterdiepte) dan wel pitrus en rietgras (plasdrasse bodems, zeer natte bodems).
Bij grotere waterdiepten (>40 cm) kan moerasbegroeiing grotendeels ontbreken. De moerasalternatieven voor de Hege Warren nader belicht In verreweg het grootste deel van de Hege Warren is sprake van een intensief agrarisch gebruik, met diepontwatering en een gangbare bemesting. Daardoor is sprake van een (zeer) voedselrijke bovenlaag met veraard veen, of in elk geval een veenpakket met een hoge fosfaatbeschikbaarheid. Het is te verwachten dat bij vernatting veel fosfaat vrij zal komen dat nu, onder aerobe omstandigheden, nog gebonden is aan de bodem. De uitgangssituatie voor moerasontwikkeling in beide voorkeursalternatieven is hier dus voedselrijk tot zeer voedselrijk. Voor de toekomstige Hege Warren is in het gebiedsproces de keuze gevallen op twee voorkeursalternatieven met een mogelijke moeras- en veenontwikkeling: ‘Polderaquarel’ en ‘Open en Natuurlijk’. Bij Polderaquarel gaat het om c. 95 ha, en bij Open en Natuurlijk om 320 ha.
A&W-rapport 21-271 Mogelijke moerasontwikkeling in de Hege Warren
Voor de analyse van ecologische perspectieven en kansen hebben we vier aspecten belicht: de schaal, de kansen op een vitaal en biodivers moeras, de kansen op veenvorming en de mate waarin het alternatief bijdraagt aan de kwaliteit van het Natura 2000-gebied en nationaal park Alde Feanen. Als het gaat om een vitaal moeras met een hoge biodiversiteit en een sterke bijdrage aan de Alde Feanen, dan scoort Polderaquarel verreweg het best. Alleen de schaal is beperkt. Open en Natuurlijk zet in op het voor de boezem zetten van het moeras, deels ook met vergraving om dieper water te realiseren. Het voor de boezem zetten van gebieden levert geen vitaal moeras. Door het vaste boezempeil en het voedselrijke karakter zal het resultaat vrijwel zeker een ‘bak met water’ zijn zonder vitale riet- en moerasbegroeiingen. Combinatie van de schaal van Open en natuurlijk (zonder intensieve recreatievaart) en de seizoensdynamiek van Polderaquarel zou een unieke kans zijn om op grote schaal aansprekende, nieuwe veenmoerassen van nationale allure te ontwikkelen. Overigens biedt Open en Natuurlijk wel mogelijkheden voor ruimtelijke differentiatie, met ontwikkelingen die verschillen per deelgebied. Zo is er door de omvang plaatselijk – en dan in de niet-vergraven delen met een diepte van rond 35 cm - meer ruimte voor moerasbegroeiingen.
Een ander aspect bij ‘Open en natuurlijk’ is het verwachte grootschalig grondverzet (voor het graven van open water en verontdiepen andere delen) dat naar verwachting tot veel CO2 uitstoot kan leiden. Daarom is het sterk aan te bevelen om per alternatief afzonderlijk een CO2boekhouding op te stellen.
Overzicht van de ecologische meerwaarde van de verschillende alternatieven. Verklaring van de tekens: ++ zeer gunstig, + zeer gunstig, (+) beperkt waardevol of lokaal, - niet gunstig. Benadrukt moet worden, dat in niet per sé voor een van de alternatieven gekozen hoeft te worden, maar dat elementen uit beide kunnen worden gecombineerd.
Alternatief / aspect
Schaal
Vitaal moeras
Veenvorming
Bijdrage AF
Polderaquarel
95 ha, +
Open en natuurlijk
320 ha, ++
++ -/+
-/+ - (+)
++ +
Moerasontwikkeling: eindbeeld, stappen en onzekerheden Het eindbeeld van een mogelijk alternatief met water en moeras in de Hege Warren is sterk afhankelijk van de keuzes die gemaakt worden ten aanzien van peildynamiek, schaal en de mate waarin het lukt om de voedselrijkdom af te bouwen. Wanneer gebieden voor de boezem worden gezet op een vast peil ontstaat een ‘bak met water’ zonder vitale moerasbegroeiing. Die situatie kan decennialang aanhouden. Bij vernatting tot vlak boven het maaiveld, maar zonder peilschommelingen, ontstaan op voedselrijke voormalige landbouwgronden vooral dichte en monotone vegetaties van pitrus, rietgras, lisdodde en liesgras, die lang domineren. Op lange duur neemt bosopslag toe. Bij het introduceren van seizoensdynamiek in waterpeilen ontstaan vitale en structuurrijke moerasbegroeiingen, ook met veel pitrus, rietgras en lisdodde, maar met meer variatie en een rijkdom aan fauna en vogels. Hier ontstaat eerder een afwisseling van moerasvegetatie. Grofweg zijn er drie manieren om te komen tot moerasontwikkeling: vernatten, onder water zetten en vergraven. Zowel vernatten als het onder water zetten zijn effectief, als maar aan de voorwaarde van peildynamiek wordt voldaan. Voor wat betreft de voedselrijkdom is het aan te bevelen om voorafgaand aan de moerasontwikkeling tot uitmijning over te gegaan.
A&W-rapport 21-271 Mogelijke moerasontwikkeling in de Hege Warren
Er zijn duidelijke risico’s en onzekerheden te benoemen, zoals de snelheid van uitmijnen, klimaatverandering en vooral het optreden van nieuwkomers. Grauwe ganzen kunnen een sturende rol op zich nemen in de moerasontwikkeling, maar ook soorten als rivierkreeften en andere exoten kunnen in voedselrijke moerassen opduiken. Ook voor de bever zijn nieuwe grote moerassen aantrekkelijk. Daarom is het aan te bevelen om vooraf een helder beleid te ontwikkelen om vast te stellen of vestiging van deze nieuwkomers wel of niet wenselijk is in een dergelijk gebied. Overgangsbeheer en natte teelten Een belangrijk doel van overgangsbeheer is om de gronden zo te gebruiken dat de uitgangssituatie voor moerasontwikkeling zo goed mogelijk is. Zolang nog niet overgegaan kan worden op vergaande vernatting is het afbouwen van de voedselrijkdom wenselijk. Natte teelten, vooral met lisdodde kunnen in hoge mate bijdragen aan dat doel. Een opeenvolging van eerst een periode met lisdoddeteelt (in de meest voedselrijke beginsituatie), en daarna veenmosteelt (in de voedselarmere situatie) om de optimale uitgangssituatie voor moerasontwikkeling te verkrijgen, is naar alle verwachting waardevol. Het strekt dan ook tot de aanbeveling om binnen beide alternatieven te kijken of in de deelgebieden met als einddoel moerasontwikkeling een overgangsperiode met natte teelten kan worden opgenomen.
Kiezen voor moerasontwikkeling: waar en hoe? Ontpoldering van delen van de Hege Warren biedt een grote kans. Als voor moerasontwikkeling wordt gekozen, is het zaak om deze keuze zo optimaal mogelijk uit te buiten. Op basis van de voorgaande analyses van de moerasonderdelen van de alternatieven kan een aantal onderbouwde aanbevelingen worden gedaan die in het keuzeproces kunnen worden meegenomen: • Een overgangsbeheer (in delen van het gebied) dat zich richt op het effectief uitmijnen van voedingsstoffen, zowel op de graslanden als in de sloten. Peilverhoging kan alvast worden doorgevoerd binnen de kaders van het overgangsbeheer; • Natte teelt, bijvoorbeeld teelt van lisdodde, komt als tijdelijk beheer tegemoet aan meerdere doelen; • Kies in alle gevallen voor een moeras met peildynamiek en geen vast (boezem)peil. Alleen peildynamiek verzekert de ontwikkeling van een vitaal en dynamisch moeras; • Kansen voor nieuwe moerasgebieden van schaal doen zich maar zelden voor. Kies daarom in het geval van een alternatief met moerasontwikkeling voor schaal.
56
57
A&W-rapport 21-271 Mogelijke moerasontwikkeling in de Hege Warren
1
1 Inleiding 1.1
Aanleiding en doel
Om de grote opgaven en uitdagingen in het veenweidegebied het hoofd te bieden is door de Provincie Fryslân een veenweidestrategie ontwikkeld (Veenweideprogramma 2021-2030, Provincie Fryslân 2021). Hierin zijn vier doelen gesteld: I) vermindering van de uitstoot van CO2, II) vermindering van (de negatieve effecten van) bodemdaling, III) een duurzaam toekomstperspectief voor de landbouw, en IV) een klimaatadaptieve inrichting. Daaraan gekoppeld is het doel om ook andere opgaven bij de kop te pakken, zoals vermindering van de stikstofbelasting, herstel van biodiversiteit, en verbetering van de waterkwaliteit. Het Veenweideprogramma kent een stap-voor-stap strategie, omdat vanwege de kosten en de tijd die de grote veranderingen met zich meebrengen niet alles tegelijkertijd kan worden gedaan. Daarom zijn ontwikkelgebieden en kansrijke gebieden aangewezen. Ontwikkelgebieden zijn gebieden waar op inhoudelijke gronden en vanuit maatschappelijke energie veel kansen liggen, en waar ook voldoende middelen zijn om aan de slag te gaan. De Hege Warren is één van die ontwikkelgebieden. Het gebiedsproces rond de Hege Warren is op dit moment in volle gang. Onder leiding van de Provincie Fryslân, Wetterskip Fryslân en de gemeente Smallingerland is onderzocht welke inrichting in de toekomst de meeste perspectieven biedt met het oog op klimaat en natuurdoelen (https://toekomstHege Warren.frl/).
In een zogenaamd ‘co-creatieproces’ zijn zes (sub)alternatieven ontwikkeld (Co-creatieteam 2021). Inmiddels is een voorkeur uitgesproken voor de alternatieven ‘Polderacquarel’ en ‘Open en Natuurlijk’. Uiteindelijk wordt bestuurlijk en politiek – met inbreng vanuit het gebiedsproces – een keuze gemaakt voor een inrichtingsalternatief. Dat alternatief is het eindplaatje. Het zal evenwel jaren duren om daar te komen, deels vanwege geleidelijke verwerving maar ook vanwege de gaswinconcessie die nog ca. 20 jaar loopt. In de tussenliggende tijd wordt toegewerkt naar de eindsituatie. Daarvoor is qua kosten en ecologie een effectief beheer nodig, waarbij al zoveel mogelijk wordt bijgedragen aan de veenweidedoelen. Hoe dat beheer eruitziet, moet nader worden uitgezocht. Aan A&W is gevraagd om hiervoor een analyse te doen. Achtergrond en vraagstelling Er zijn voor de toekomstige Hege Warren zes verschillende alternatieven uitgewerkt. Afhankelijk van het alternatief wordt, in meer of mindere mate, ingezet op extensieve landbouw (‘natte weide’ - al dan niet gericht op weidevogels), moerasland en natte teelten. Voor een verdere uitwerking leven er belangrijke vragen rond het perspectief voor weidevogelpopulaties, de potenties voor natte teelten en hoe moerasnatuur kan worden vormgegeven.
Voor wat betreft de perspectieven van weidevogelpopulaties is door A&W een separate rapportage opgesteld (Oosterveld 2021). In dit rapport gaat het om de vragen rond natte teelten en moerasnatuur. Conform opdracht aan A&W staan de volgende vragen centraal in de onderhavige analyse en rapportage: •
Eén van de mogelijke maatregelen is het afgraven en dan ontwikkelen van (moeras)natuur. Dit is vooral onderdeel van ‘Open en natuurlijk’ en in een deel van het alternatief ‘Polderaquarel’, de beide alternatieven waarvoor door het co-creatieteam een voorkeur is uitgesproken. Belangrijke vragen zijn of er een voorspelling gegeven kan worden van de groeisnelheid van moeras binnen de kades en in open water, wat dat betekent in termen van netto vastlegging van CO 2, en hoe kan worden toegewerkt naar de eindsituatie.
2
A&W-rapport 21-271 Mogelijke moerasontwikkeling in de Hege Warren
•
Ook de grootschalige inzet van natte teelt is een optie (o.a in één van de afgevallen alternatieven). Daarbij gaat het waterpeil omhoog met als doel om te verschralen en om te experimenteren met natte teelten. Belangrijke vragen gaan over de potenties voor natte teelten als overgangsbeheer (mogelijkheden voor opschaling, bijdragen aan de doelstellingen) en de potenties voor veenaangroei.
Bij deze vragen spelen allerlei zaken een rol, waaronder de huidige voedselrijkdom van de percelen, perspectieven van uitmijning en hoe het beheer daarop kan inspelen. Wat ook van belang is, is het type moeras dat men in de eindsituatie voor ogen heeft. Er wordt in de alternatieven in vrij algemene termen gesproken over ‘water, riet en ruigte’. Hier is nadere verdieping nodig. Verder leiden grootschalige graafwerkzaamheden in het gebied tot veel CO2uitstoot uit de veenondergrond. Vanuit die context is de vraag of moerasontwikkeling ook via andere wegen kan worden gerealiseerd.
1.2
Aanpak en leeswijzer
Als eerste stap in de analyse hebben we de uitgangssituatie in de Hege Warren nader beschreven. Deze beschrijving is gebaseerd op de landschapsbiografie van Wiersma (2020), met daaraan toegevoegd specifieke informatie over de abiotiek en waterhuishouding (hoofdstuk 2). De tweede stap was het in kaart brengen van de mogelijkheden voor veen- en moerasontwikkeling in de Hege Warren (hoofdstuk 3). Om die goed te kunnen beoordelen was het nodig om eerst de (abiotische) eisen voor een vitale en biodiverse moeras- en veenontwikkeling in kaart te brengen. Aan de hand daarvan zijn de voorkeursalternatieven beoordeeld. In de derde stap (hoofdstuk 4) zijn we ingegaan op de verschillende stadia bij veen- en moerasontwikkeling. In de laatste stap in hoofdstuk 5 is het tijdelijk beheer uitgewerkt. Nadrukkelijk gaat hierin aandacht uit naar de perspectieven van inpassing van natte teelten, bijvoorbeeld als overgangsbeheer. Tot slot wordt op basis van de verkenningen aangegeven waar de grootste kansen liggen voor veen- en moerasontwikkeling in de Hege Warren en welk beheer daarbij passend is. Voor de aanpak is zowel gebruik gemaakt van eigen kennis en ervaringen in het veld, onder meer op basis van onderzoek in de Alde Feanen (Wymenga & Brongers 2007, Altenburg 2020) en jonge moerassen in Groningen (van der Hut et al. 2018).
Daarnaast is in 2020 een gericht OBN-onderzoek gedaan naar de ontwikkelingsmogelijkheden van eutrofe moerassen op voormalige landbouwgronden (de Fouw et al. 2021). Aanvullend zijn we goed ingevoerd in de praktijk en de kennisvragen rond natte teelten, gebaseerd op onderzoek in het kader van het innovatieprogramma Better Wetter (Mettrop et al. 2020a, Mettrop 2020a,b). Als reactie op het conceptrapport zijn aanvullende vragen gesteld. Er is voor gekozen om deze vragen concreet en herkenbaar op te nemen en te beantwoorden. Deze staan in bijlage 3 van dit rapport.
59
A&W-rapport 21-271 Mogelijke moerasontwikkeling in de Hege Warren
3
2 De Hege Warren in een notendop Polder de Hege Warren (ruim 400 ha) is een veenweidepolder in het Lage Midden, omgeven door water (De Geau, Kromme Ie en de Grêft) en gelegen ten zuiden van de Alde Feanen. De polder is met zeven boerderijen zo goed als geheel in agrarisch gebruik. Bewoning en ontginning zijn als sinds vóór de middeleeuwen aan de orde, maar er is ook een periode geweest dat het zeer natte gebied grotendeels verlaten was (Wiersma 2020). Na de periode met zeer extensief hooilandgebruik, blauwgraslanden en zo nu en dan inundaties, is het gebied in de periode 19621970 in het kader van de ruilverkaveling verkaveld, ingericht en diep ontwaterd. Sindsdien is het agrarisch gebruik sterk geïntensiveerd. Van het vroegere blauwgrasland resteert nu nog enkel het Hokkes Aldfean, in eigendom en beheer bij It Fryske Gea. De in dit hoofdstuk kort geschetste abiotische en biotische eigenschappen zijn belangrijk als achtergrondinformatie voor hetgeen beschreven in de volgende hoofdstukken. Voor de uitgebreide ontstaansgeschiedenis en de historische ontwikkeling van het gebied verwijzen we naar de landschapsbiografie van Wiersma (2020).
2.1
Abiotiek: bodem en hoogteligging
De bodem bestaat grotendeels uit koopveengrond op veenmosveen met langs de zuidrand een strook weideveengrond op veenmosveen (figuur 2.1). Het veenmosveen duidt erop, dat deze gronden vanuit een hoogveengebied zijn ontstaan. Langs de westrand ligt weideveengrond op rietzeggeveen, duidend op vroegere overstroming. Hier is veenontwikkeling dus niet uit hoogveen ontstaan maar uit zegge- en rietmoerassen. Op koopveengrond ligt een dun kleilaagje, op weideveengrond tot 40 cm klei.
Figuur 2.1. Bodemkaart van het plangebied de Hege Warren, afkomstig uit Wiersma (2020).
Het veen in de Hege Warren ligt op een ondiep, licht golvend dekzandpakket, dat in het grootste deel van het gebied op een diepte van ruim 2 m ligt. Het veenpakket heeft een dikte van 200250 cm aan de oost- en westkant, en aan de noordkant van de ontsluitingsweg. Ten zuiden ervan ligt een zone waar het veenpakket 150-200 cm dik is. Dit is grofweg de zone met weideveengronden in figuur 2.1. Doordat door de ontwatering sinds de jaren ’60 van de vorige eeuw het veenpakket is geslonken, ligt het zand aanmerkelijk minder diep dan in de jaren ’50
4
A&W-rapport 21-271 Mogelijke moerasontwikkeling in de Hege Warren
(toen 2-3 m; Wiersma 2020). Onder het dekzand ligt een dikke laag keileem, in alle gevallen meer dan 2 m diep. De ondiepe dekzandlaag is van belang voor de lokale waterhuishouding, omdat de wegzijging grotendeels plaatsvindt via deze dekzandlaag. Hoogteligging Het gebied kent een vrij vlakke hoogteligging maar bij nadere bestudering verschillen lage en hoge delen gauw een halve meter. De huidige hoogteligging varieert van -0,85 m -NAP in de hoogste delen (centrale deel, rond en ten zuiden van Hokkes Aldfean; figuur 2.2), en 1,40 m NAP in de laagste delen. Deze lage delen liggen aan de uiterste westkant en aan de noordoostkant, waar de hoogte rond 1 m tot 1,10 m -NAP ligt.
Figuur 2.2. Hoogtekaart van de Hege Warren, afkomstig van de AHN-viewer (https://ahn.arcgisonline.nl/ahnviewer/). De lichtgroene delen in het gebied liggen rond 0,85 m -NAP, de donkerblauwe tot 1,40 m -NAP.
2.2
Abiotiek: hydrologie en waterhuishouding
De ondiepe grondwaterstand in de percelen wordt grotendeels bepaald door het peilbeheer. In de Hege Warren wordt een oppervlaktewaterpeil aangehouden van -1,50 (wp) tot -1,60 m -mv (zp), wat in het grootste deel van het gebied neerkomt op een drooglegging van 70-90 cm. In de lagere delen is het waterpeil (de blauwe delen in figuur 2.2) aan de westkant -2,20 (wp) tot -2,05 m -mv (zp), en in de noordoosthoek -2,15 m -mv (wp en zp), resulterend in een drooglegging van 90-110 cm. Het peil in Hokkes Aldfean ligt bijna 50 cm hoger; -1,55 (wp) tot -1,40 m -mv (zp). Uit berekeningen van Wetterskip Fryslân blijkt dat in de Hege Warren bij de huidige grondwaterdruk in het dekzandpakket sprake is van een kwelsituatie. De stijghoogte in het eerste watervoerende pakket ligt in de Hege Warren tussen 1 en 1,5 m -NAP, een hoogte rond het maaiveld dus (figuur 2.3). In de praktijk betekent dit, dat door de aangehouden lage oppervlaktewaterpeilen in de sloten grondwater wordt aangetrokken en afgevoerd. Dat is logischerwijs het sterkst in de laagste delen (vergelijk figuur 2.2 met figuur 2.4). Om na te gaan wat de effecten zijn van vernatting van de Hege Warren op de Alde Feanen zijn hydrologische analyses door Van der Wal (2019) uitgevoerd.