CConstaterende datSmallingerland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 - Bijlagenrapportage

Ronde Tafel 5 april 2022, gemeente SmallingerlandBij agendapunt: Gebiedsontwikkeling Hegewarren33.664 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

85

A&W-rapport 21-271 Mogelijke moerasontwikkeling in de Hege Warren

29

5 Tijdelijk beheer voor veen- en moerasontwikkeling Het zal jaren duren voor alle ontwikkelingen in de Hege Warren in gang kunnen worden gezet en daarom zal er lange tijd sprake zijn van een overgangssituatie. In dit hoofdstuk staan we stil bij het tussentijdse beheer, en hoe dat effectief kan bijdragen aan de eindsituatie. We beschouwen daarbij in het bijzonder natte teelten, omdat hier zich de kans voor doet om op grote schaal met natte teelten te experimenteren. We sluiten dit hoofdstuk af met conclusies en aanbevelingen die kunnen helpen om slimme keuzes voor moerasontwikkeling te maken.

5.1

Doelen van een overgangsbeheer

Een belangrijk doel van een overgangsbeheer is om de gronden zo te gebruiken dat de uitgangssituatie voor moerasontwikkeling zo goed mogelijk is. Dat betekent in elk geval dat zolang nog niet overgegaan kan worden op vergaande vernatting de voedselrijkdom zo veel mogelijk wordt afgebouwd. Uitmijning is daarom een belangrijk doel. Het maakt daarbij wel uit, of het doel is om kruidenrijke graslanden te ontwikkelen of moerasgebied (figuur 5.1). Daarnaast is het belangrijk dat er geen keuzes in inrichting en gebruik worden gedaan, die nadelig zijn voor de toekomst. Naast deze hoofdzaken zijn er de volgende nevendoelen: • •

•

5.2

Waar mogelijk al bijdragen aan de doelen van het Veenweideprogramma, zoals beperken van de CO2 uitstoot en een klimaatadaptieve inrichting; Waar mogelijk bijdragen aan de biodiversiteit, in het bijzonder de gemeenschappen van de Alde Feanen. Denk bijvoorbeeld aan het stimuleren van een goede waterkwaliteit in de sloten en het stimuleren van helofytenvegetaties in de sloten; Waar mogelijk leren en experimenteren, omdat het zelden mogelijk is om op enige schaal praktijkproeven te doen in een veenweidegebied, zonder dat daarmee de landbouwkundige praktijk in het geding is. Hier zijn daar, binnen de kaders van het tussentijds beheer, veel mogelijkheden voor.

Eerste uitwerking van overgangsbeheer

Het tussentijdse beheer dat we in deze paragraaf benoemen heeft betrekking op de moerasdelen in de twee voorkeursalternatieven en niet op de ‘natte weide’ in de verschillende alternatieven. De termijn waarover tussentijds beheer aan de orde kan zijn is verschillend per alternatief en ook per gebiedsdeel. Vanwege de gasconcessie van 20 jaar is het denkbaar dat de maximumtermijn in elk geval twee decennia beslaat. We gaan daarom uit van een periode van 10-20 jaar. Uitmijning van voedingstoffen Door de jarenlange bemesting van de graslanden is de bodem zeer voedselrijk. Er is sprake van ophoping van voedingstoffen in de (klei-op-)veenbodem, vooral van fosfor. Stikstof spoelt gemakkelijk uit de bodem. Wanneer ontwaterde veengronden worden vernat komt fosfor versneld beschikbaar (‘fosfaatbom’), wat tot sterke ontwikkeling van met name pitrus kan leiden (o.a. Smolders et al. 2006). Om die reden is het wenselijk om de bodem van voormalige landbouwgronden eerst ‘uit te mijnen’, zodat de uitgangssituatie voor waardevolle moerasnatuur verbetert. Uitmijnen houdt in dat er door middel van het oogsten en afvoeren van bovengrondse biomassa op de langere termijn steeds meer voedingsstoffen uit de bodem worden onttrokken.

30

A&W-rapport 21-271 Mogelijke moerasontwikkeling in de Hege Warren

Figuur 5.1. Vereenvoudigd overzicht van de voor- en nadelen van het uitmijnen van veengronden, met als doel kruidenrijke graslanden te ontwikkelen of natte-zeer natte moerasnatuur.

Het gaat dan vooral om het verlagen van de gehalten aan fosfor. Voorwaarde hierbij is uiteraard dat er ook heel weinig fosfor het systeem in komt. Met andere woorden: een goede waterkwaliteit van het inlaatwater is voordelig voor uitmijning. Monitoring van de voedingsstoffen in de bodem gedurende het proces van uitmijning is nodig om gericht te beheren en bij te sturen. Uitmijnen gaat het snelst via een maaibeheer waarbij er sprake is van een hoge productie die in het groeiseizoen wordt afgevoerd. Dat kan door een aangepast agrarisch gebruik met een hoge productie en zonder toevoegen van fosfor. Bemesting kan eventueel met toediening van organische, vaste mest. Uitsluitend beweiding is vanuit de wens om uit te mijnen niet effectief omdat dan weinig wordt afgevoerd uit het systeem (de koeien bemesten tijdens het beweiden ook weer). Wel kan op gronden die al een aantal keren in het jaar zijn gemaaid nabeweiding worden toegepast voor de biodiversiteit. Natte teelten kunnen interessant zijn als voortraject voor ontwikkeling van moerasnatuur, vooral vanwege het feit dat er tijdens het uitmijningstraject reeds sprake kan zijn van natte tot zeer natte condities. Hiermee worden al meteen aan meerdere van de genoemde doelen tegemoetgekomen, terwijl er ook inkomsten kunnen worden gecreëerd.

Met name lisdoddeteelt is een alternatieve natte teeltvorm die de laatste jaren steeds beter is verkend, en waarvan de perspectieven veelbelovend zijn. In paragraaf 5.3 wordt hier nader op ingegaan.

A&W-rapport 21-271 Mogelijke moerasontwikkeling in de Hege Warren

31

Waterpeil verhogen Vanuit de wens de uitstoot te beperken is het wenselijk het peil zo snel mogelijk op te zetten. Echter, omdat uitmijning van voedingstoffen gewenst is, moet het peil dat nog wel mogelijk maken. Voor het uitmijnen van veengronden in combinatie met verhoging van de waterstand kunnen twee sporen worden onderscheiden (Figuur 5.1). Bij natte teeltvormen kan de waterstand meteen worden verhoogd tot boven maaiveld. Maar voor ander extensief landgebruik dient het waterpeil geleidelijk en in stappen te worden verhoogd. Dit heeft ermee te maken dat er anders sprake is van sterke dominantie van bepaalde soorten zoals pitrus, en de afname van de draagkracht bij te snelle vernatting. Nadere uitwerking van deze geleidelijke verhoging (Mettrop et al. 2021) komt in het kort neer op onderstaande stappen: •

•

•

Verhoging van het waterpeil tot een drooglegging van 40 cm -mv1 kan in principe gelijk plaatsvinden. Deze verhoging draagt al flink bij aan vermindering van de uitstoot van broeikasgassen en bodemdaling, maar hierbij blijft agrarisch gebruik voor uitmijning goed mogelijk zonder dat de draagkracht een belemmering vormt; De volgende stap is uitmijnen (maaien en afvoeren), totdat de omstandigheden goed zijn voor verdere vernatting voor moerasnatuur. Tijdens deze fase van uitmijning ligt de focus op het verlagen van met name de P-gehalten in de bodem. Het is belangrijk om te beseffen dat deze fase meerdere jaren in beslag neemt, afhankelijk van de voedselrijkdom in de bodem en praktische overwegingen, zoals maaifrequentie. Gezien de relatief voedselrijke uitgangssituatie (gebaseerd op een bescheiden aantal beschikbare gegevens van percelen uit het gebied) duurt het lang voor de voedselrijkdom echt is afgebouwd (10 tot 20 jaar). Moerasontwikkeling kan al eerder worden ingezet. Gerichte monitoring van de voedselbeschikbaarheid in de bodem, zowel voorafgaand als tijdens dit traject, is een belangrijke voorwaarde om beheer en ontwikkeling te kunnen sturen; Wanneer de voedselrijkdom eenmaal voldoende is afgebouwd, met het liefst P totaalgehalten van minder dan 150 mg/liter bodem, wordt verdere verhoging naar 20-30 cm mv mogelijk, of kan inundatie voor moerasontwikkeling worden ingezet.

Ontwikkeling van vochtig-nat bloemrijk grasland Zowel binnen de variant Polderaquarel als binnen de variant Open en Natuurlijk wordt, naast moerasnatuur, ingezet op een oppervlakte aan vochtige-natte, extensief gebruikte graslanden met als doel bloemrijke, dan wel kruidenrijke vegetaties te ontwikkelen. Via de hierboven besproken methode van geleidelijk verhogen van de waterstand (het eerste spoor in figuur 5.1) is het mogelijk om op voormalige landbouwgronden kruidenrijk grasland te ontwikkelen. Maar aanvullend op, en in combinatie met de geleidelijke verhoging van de waterstand zoals hierboven beschreven, zijn er meer belangrijke aandachtspunten voor succesvolle ontwikkeling van kruidenrijke graslanden op veen. Een recente uitwerking (Mettrop et al. 2021) maakt onderscheid tussen verschillende stappen en verschillende graslandtypen in de volgorde van ontwikkeling. Hieronder worden de belangrijkste aandachtspunten op een rij gezet. Het blijkt dat er meerdere stappen nodig zijn en veel tijd. Voor het ontwikkelen van vochtige-natte kruidenrijkere graslanden gaan het verhogen van de grondwaterstand en het verminderen van de bemesting bovendien hand in hand. Hoe die stappen eruitzien, en wat dat onder meer betekent voor de landbouwkundige gebruiksmogelijkheden is recent uitgewerkt in een stappenschema (Figuur 5.2).

De graslandtypen 2-4 hebben betrekking op biodiverse veenweide met agrarische functies (extensief gebruik) en binnen type 4 en type 5 staan natuurwaarden

1

Het gaat hier om drooglegging. De grondwaterstand – ontwateringsdiepte – kan afhankelijk van neerslag en verdamping heel anders uitpakken. Deze eerste stap gaat over vermindering van de drooglegging.

32

A&W-rapport 21-271 Mogelijke moerasontwikkeling in de Hege Warren

centraal. We vatten hier de bevindingen uit het rapport kort samen; voor de nuances en achtergronden verwijzen we naar de volledige rapportage (Mettrop et al., 2021): Intensief verschralingsbeheer is belangrijk, omdat veel kruiden zich pas vestigen en ontwikkelen onder minder voedselrijke omstandigheden. Maar ook de bemesting moet worden afgebouwd en vlakdekkende toepassing van gewasbescherming dient achterwege te blijven. Omwille van de kruidenrijkdom vindt bemesting idealiter plaats in de vorm van ruige mest, en kan bemesting vóór de eerste snede achterwege blijven. Eventueel kan in beperkte mate drijfmest worden toegepast. De voederkwaliteit en productie gaan er in de beginfase nog weinig op achteruit, aangezien veengronden over het algemeen een hoog stikstofleverend vermogen hebben. Het is belangrijk te beseffen dat verschraling op de voedingsrijke percelen in het gebied tien tot tientallen jaren kan duren. Op basis van de beperkte beschikbaarheid van bodemgegevens uit een deel van het gebied kan voorzichtig worden ingeschat dat de eutrofiegraad van de bodem ‘neutraal’ tot ‘ruim’ kan worden genoemd, met grasland P-Al-getallen tussen de 30 en 45. De verschillende stappen en typen die in figuur 5.2 worden beschreven zullen naar verwachting allemaal expliciet moeten worden doorlopen ten behoeve van succesvolle ontwikkeling.

Uitmijnen (met behulp van introductie van bepaalde soorten die specifiek veel van bepaalde voedingsstoffen opnemen) kan dit proces eventueel versnellen. In dat geval wordt bemesting niet geheel afgebouwd, maar gericht ingezet om (bijvoorbeeld) vooral fosfor af te voeren via (klaver)soorten die veel fosfor opnemen. Zoals in voorgaande paragraaf toegelicht, vernatting van veenbodems kan leiden tot een snelle toename van de P-beschikbaarheid voor planten. Daarom moet de P-beschikbaarheid worden verminderd vóórdat er wordt vernat naar gemiddelde grondwaterstanden van -30 cm onder maaiveld of hoger. Bij het snel instellen van hoge grondwaterstanden (naar -30 cm -mv) op voorheen ontwaterde en intensief gebruikte (klei-op-)veengronden bestaat een groot risico op dominantie door bepaalde soorten, zoals Pitrus of Krulzuring. Onder verzuurde condities op pure veengronden kan bij verschraling Gestreepte witbol gaan domineren en het grasland zeer lang in dat stadium blijven. In dergelijke graslanden vestigen zich nauwelijks kruiden en is de voederwaarde laag. Hier is vroeg maaien gewenst, waarbij vanzelfsprekend goed rekening wordt gehouden met weidevogels. De afwezigheid van zaden in de natuurlijke zaadbank kan een belemmering zijn voor de vestiging van kruiden.

Doorzaaien met een (gifvrij) kruidenmengsel van regionale (inheemse) herkomst kan een oplossing zijn, mits de bemesting eerst flink is afgebouwd. Ook het verspreiden van zadenrijk maaisel uit een nabijgelegen referentieterrein kan de ontwikkeling op weg helpen. Dat geldt mogelijk ook voor het opbrengen van vers plagsel uit referentiegebieden waar de gewenste flora nog aanwezig is. Het voordeel hiervan is dat ook direct bodemleven, waaronder schimmels, wordt geïntroduceerd. Schimmels helpen bij nutriëntopname door planten, beschermen kiemlingen tegen verdroging en zijn van grote waarde als het gaat om een gezonde bodem. Veengrond en klei-op-veengronden zijn gevoelig voor verzuring. Verzuring is o.a. het gevolg van afbraak van strooisel en toediening van kunstmest. Voor een goede regenwormenstand bijvoorbeeld moet de bodem-pH niet beneden 4,5 dalen. Ook voor de ontwikkeling van kruiden is het belangrijk dat de pH daar flink boven blijft. Daar komt bij dat Pitrusontwikkeling gestimuleerd wordt door verzuring. Bekalking tot een pH tussen 4,8 en 5,5 - in combinatie met verschraling alvorens te vernatten - kan de ontwikkeling van kruiden en een actief bodemleven stimuleren. Op veen zijn kleine kalkgiften (max. 1 ton per jaar) met langzaamwerkende

A&W-rapport 21-271 Mogelijke moerasontwikkeling in de Hege Warren

Type 1:

Type 2:

Type 3:

Type 4:

Type 5:

Diep ontwaterd productiegrasland Hoofdzakelijk Engels raaigras

Ontwaterd productiegrasland Raaigras - beemdgras

Beginfase Beemdgras – raaigras, incl. bv. Paardenbloem, Scherpe boterbloem, Veldzuring, Geknikte vossenstaart, Gestreepte witbol

Goed ontwikkeld kruidenrijk grasland Beemdgras, incl. bv. Pinksterbloem, Zwarte zegge, Moerasstruisgras, Gewoon reukgras

Goed ontwikkeld, nat kruidenrijk grasland Incl. bv. Dotterbloem, Grote ratelaar, Echte koekoeksbloem, Moerasviooltje, Moerasvergeet-mij-nietje

33

010 cm Drooglegging in cm ten opzichte van maaiveld

GHG (0)-10 cm, GLG -40 cm

30 cm 40 cm 50 cm

50 -

GHG -10 cm, GLG -60 cm

GHG -10 cm, GLG -70 cm

GHG -20 cm, GLG -80 cm

90 cm 100 -

GHG -40 cm, GLG -110 cm

Biodiversiteit Aantal veg. soorten per 25 m2

5-10

ca. 10

10-15

15-25

> 25

Insecten

nauwelijks aanwezig

lage aantallen, soortenarm

gemiddelde aantallen, matig soortenrijk, toename regenwormen

hoge aantallen, soortenrijk incl. grote insecten

hoge aantallen, zeer soortenrijk incl. grote insecten

Weidevogels

nauwelijks aanwezig

soortenarm, lage aantallen

soortenarm, hogere aantallen

(matig) soortenrijk en hoge aantallen, naast steltlopers als Grutto, Tureluur ook Slobeend, Veldleeuwerik e.d.

Id., incl. soorten van natte omstandigheden als Kemphaan, Watersnip, Zomertaling

Bodemleven

minimaal

matig

herstellende

goed

goed

zeer soortenarm

soortenarm

matig soortenrijk

soortenrijk

zeer soortenrijk

Voor behoud betreffende type

Regulier beheer productiegrasland

Regulier beheer productiegrasland

Stabiele grondwaterstand + beperkt bemesten (geen kunstmest, wel beperkt drijfmest) + stop gewasbescherming

Beperkte fluctuatie in grondwaterstand + bemesting met enkel ruige mest + gefaseerd maaien na 1 juli + evt. nabeweiding + greppels

Grondwaterstand dicht onder maaiveld + evt. tijdelijke inundatie toestaan + geen bemesting + maaidatum na 15 juli

Voor doorontwikkeling naar volgend type

Drooglegging tot ca. 50 cm + start afbouwen bemesting tot ca. 200 kg N/ha/jaar

Drooglegging tot ca. 40 cm t.o.v. maaiveld + afbouwen bemesting tot ca. 100kg N/ha/jaar + intensief verschralen (maaien in mei)

Intensief verschralen (gefaseerd maaien uiterlijk 1e week juni) + afbouwen bemesting tot < 50 kg N/ha/jaar + bekalking tot pH>4,8 + inzaaien of plagsel uitstrooien + drooglegging tot ca. 30 cm t.o.v. maaiveld

Pas wanneer P<150 mg P/liter bodem: drooglegging tot ca. 10 cm t.o.v. maaiveld

Algemene kwalificatie Ingrepen/beheersmaatregelen

Nutriënteninput/-status N-bemesting (kg N/ha/jaar)

> 200

ca. 200

50-200

0-50

0

P totaal (mg P/liter bodem)

> 250

ca. 250

150-250

< 150

< 150

Figuur 5.2. Vereenvoudigde weergave van de verschillende graslandtypen die in hoofdlijnen kunnen worden onderscheiden in de ontwikkeling van vochtige-natte kruidenrijke graslanden op veen (uit Mettrop et al. 2021).

kalkmeststoffen aan te bevelen om de pH geleidelijk te verhogen. Te hoge kalkgiften kunnen de veenafbraak immers juist versnellen. +/-

+/-

+

++

++

34

A&W-rapport 21-271 Mogelijke moerasontwikkeling in de Hege Warren

Aanvullend kan de fysische gesteldheid van de bodem kan de ontwikkeling belemmeren. Dit heeft te maken met veenafbraak en landbouwactiviteiten zoals (diep)ploegen in het verleden. Het veen is ‘veraard’ en gecompacteerd en dat is niet zomaar terug te draaien. Afgebroken veen kan minder vocht transporteren en vasthouden dan de oorspronkelijke veenbodem. Een te snel vernatte veenbodem heeft bovendien een beperkte draagkracht. Op dergelijke gronden moeten bodem en bodemleven eerst geleidelijk herstellen. Pas wanneer de bodemkwaliteit verbeterd is kan vanuit type 3 verder worden vernat naar type 4. Beweiding kan in kruidenrijke graslanden belangrijk zijn vanwege variatie in vegetatiestructuur, behoud van agrarische functies, en landschapsbeleving. Echter, tijdens de eerste stappen van ontwikkeling vanuit productiepercelen is maaien en afvoeren het meest effectief om de voedselrijkdom af te bouwen. Op slappe veengrond kan beweiding ook de ontwikkeling van Pitrus versterken. Aanvullend beweiden kan wel vanuit weidevogelperspectief wenselijk zijn. In de praktijk kan het lastig zijn om op perceelsniveau de gewenste grondwaterstand ook daadwerkelijk te realiseren. Detailontwatering, perceelsgrootte en veraarding van de veenondergrond zijn hierin bepalend. De verschillen tussen slootpeil en de grondwaterstand in een perceel kunnen groot en variabel zijn.

Daarom is het van belang dat de detailontwatering goed op orde is. In brede percelen kan de aanleg van nieuwe sloten of brede greppels overwogen worden eventueel. Bijdragen aan biodiversiteit Zowel het gebruik en beheer van de graslanden als van de sloten wordt bij voorkeur zo ingericht dat, waar mogelijk, kan worden bijgedragen aan de biodiversiteit. Voor het graslandbeheer kan dat vooral door rekening te houden met weidevogels bij de timing van het maaibeheer. Aanvullend worden, daar waar het kan, alvast brede (3-5m) zones langs de sloten niet meer bemest. Of dat mogelijk is, is afhankelijk van de vegetaties op afzonderlijke percelen en perceelsranden. Dit dient vooraf te worden vastgesteld in het veld. In veel percelen in de Hege Warren is al sprake van relatief voedselarme condities met een kruidenrijke vegetatie. Het slootbeheer is een belangrijk aandachtspunt. Nu is er sprake van voedselrijke bagger in veel van de ondiepe veensloten. Nagegaan moet worden wat de beste route is om de voedselrijkdom in de sloten af te bouwen, en de vegetatieontwikkeling langs de slootranden te stimuleren. Dit kan door te experimenteren met ecologisch slootschonen en de stabiliteit van de oevers. Deze gronden lenen zich er bij uitstek van om hiervan te leren.

5.3

Potenties van natte teelt

Lisdoddeteelt Als het gaat om tijdelijk beheer onder zeer natte omstandigheden, dan is de natte teelt van lisdodde een interessante optie voor dit gebied. Hierbij gaat het om twee soorten: Grote en Kleine lisdodde. Grote en Kleine lisdodde zijn inheemse moerasplanten die prima kunnen groeien onder natte en voedselrijke omstandigheden (o.a. Bansal et al., 2019), zoals het geval is wanneer voormalige landbouwgronden meteen worden vernat tot boven maaiveld. Productie van biomassa De gewassen lijken een goed economisch rendement op te kunnen leveren, als aanvulling of op sommige plaatsen zelfs als nieuw economisch verdienmodel in het Friese veenweidegebied (Mettrop 2020a). Het gaat hierbij hoofdzakelijk om verwerking tot producten zoals isolatie- en constructiemateriaal, maar ook toepassing als veevoer en bio-plastics zijn mogelijk (o.a.

A&W-rapport 21-271 Mogelijke moerasontwikkeling in de Hege Warren

35

Wichtmann et al., 2016; Colbers et al., 2017; de Jong et al., 2021). Toepassing van de poreuze lisdoddestengels als isolatiemateriaal in de circulaire bouw is een interessante toepassing die door een regionale bouwonderneming reeds wordt verkend. Ecosysteemdiensten Naast productie van biomassa en vermarkting biedt de teelt van lisdodde veel perspectieven juist als het gaat om ecosysteemdiensten, waaronder ook de doelen van het Veenweideprogramma. Hierbij gaat het om de eerder besproken vermindering van bodemdaling, reductie van broeikasgasemissie, de uitmijningscapaciteit, het waterzuiverend vermogen, buffering van weersextremen (bijv. waterberging en waterretentie), maar ook om specifieke bijdragen aan biodiversiteit (Mettrop 2020b). Lisdoddeteelt en biodiversiteit De inrichting van natte teeltbedden kan in directe zin een habitat of verbindingszone opleveren waar moerasgebonden soorten (zowel flora als fauna) gebaat bij zijn. Hiermee kunnen bepaalde doelsoorten al tijdens het voortraject van tijdelijk beheer alvast hun intrede doen in het gebied. Er worden geschikte omstandigheden gecreëerd voor bijvoorbeeld vele soorten aquatische macrofauna die in het huidige graslandlandschap niet voorkomen. Hiermee zal de samenstelling van de gemeenschap van geleedpotigen aanzienlijk veranderen.

Dergelijke ontwikkelingen zullen ook gevolgen hebben voor roofdieren, zoals insectenetende vogels; hun soortensamenstelling zal eveneens veranderen. Ook voor bijvoorbeeld kikkersoorten, dwergmuizen, ringslangen, vissen en grotere moerasvogels kunnen in principe aantrekkelijke omstandigheden ontstaan. Tabel 5.1 geeft op hoofdlijnen een indicatie van de mogelijke kansen die ontstaan voor bepaalde soorten met de inpassing van lisdoddeteelt in het gebied.

Tabel 5.1 Een overzicht op hoofdlijnen van de directe potentiële kansen van lisdoddeteelt voor bepaalde doelgroepen.

Doelgroep moerasnatuur Aquatische macrofauna, insecten

Vogels

Amfibieën en reptielen

Vissen Kleine zoogdieren Flora

Potentiële kansen Geschikt habitat voor foerageren en voortplanting, en schuilplaats om te overwinteren. Zeer geschikt voor een veelheid van insecten van moerassige habitats Geschikt habitat voor hoofdzakelijk foerageren. Mits voldoende omvang (min. 25 m breed) ook interessant als broedlocatie voor moerasvogels. Winteroogst kan leiden tot toename voedselbeschikbaarheid. Geschikt habitat om te foerageren en voor voortplanting. Ook interessant als doortrekgebied voor kolonisatie nieuwe leefgebieden voor bijv. ringslang. Geschikt als paaiplaats, opgroeigebied, foerageergebied en schuilplaats, wanneer aangesloten op de (binnen)boezem. Interessant voor verschillende muizen (bv. waterspitsmuis) als foerageergebied en voor voortplanting. Groeiplaats voor diverse typische soorten moerasvegetatie. Zomeroogst biedt kansen vanwege toename lichtbeschikbaarheid.

Een belangrijke kanttekening is dat voor veel soorten, zoals diverse (moeras)vogelsoorten en amfibieën, goed ontwikkelde natte teeltbedden op termijn juist niet geschikt zijn vanwege de dichte vegetatiestructuur. De vegetatie dient voor veel moerasvogels open genoeg te zijn om onder of nabij dekking te foerageren in ondiep water en/of slik (bv. van der Hut et al. 2016). Voor amfibieën geldt in het algemeen dat open plekken een voorwaarde zijn vanwege de

36

A&W-rapport 21-271 Mogelijke moerasontwikkeling in de Hege Warren

beschikbaarheid van zonlicht en warmte om eieren af te zetten. Deze voorbeelden illustreren een tegenstrijdigheid op lokale schaal tussen productie en biodiversiteit. Vanuit het oogpunt van productie is het doel immers om een lisdoddeteeltbed te verwezenlijken met maximale dichtheid en scheutlengte. Ook voor wat betreft de gevolgen van oogst bestaan er tegenstrijdigheden. Deze gevolgen kunnen enerzijds positief, of zelfs noodzakelijk, zijn voor het behoud van bepaalde soorten. Maar de gevolgen kunnen anderzijds ook negatief uitpakken voor soorten die gevoelig zijn voor verstoring, zeker in de zomerperiode. In het algemeen kan wel worden geconcludeerd dat de aanwezige soorten erbij gebaat zijn als er jaarlijks delen van het teeltbed worden uitgesloten van de maaiwerkzaamheden (gefaseerd maaibeheer). Inrichting en aanleg Idealiter worden natte teeltbedden met lisdodde aangelegd volgens een 'doorstroomprincipe'. Vanuit de boezem wordt volgens dit model eenvoudig water ingelaten door gebruik te maken van het peilverschil, en via een achterliggende sloot met lager peil kan gemakkelijk water worden afgevoerd uit het gehele systeem. Een schematische weergave van het gehanteerde principe is weergegeven in Figuur 5.2. De in- en uitlaten kunnen eenvoudig tijdelijk worden afgesloten met behulp van 'ellebogen'.

Via deze constructie kan op eenvoudige, doch nauwkeurige wijze het waterpeil worden gecontroleerd, ook onder extreme weersituaties. Het mooie van dit principe van aanleg is dat het water tijdens de doorstroom gezuiverd kan worden. Deze functie als helofytenfilter kan waardevol zijn eventueel voor aangrenzende deelgebieden waarin al wordt toegewerkt naar ontwikkeling van moerasnatuur.

Teeltbed

Binnenboezem

Achterliggende sloot

Figuur 5.2 Een schematische doorsnede van het voorgestelde doorstroom model van lisdoddeteeltbedden.

Voor het inbrengen van lisdodde zijn in eerdere proeven in Fryslân (Better Wetter) drie verschillende technieken onderzocht. Het inplanten van wortelstokken is een zeer arbeidsintensieve manier, maar de groeiresultaten zijn erg goed. Voor het inplanten van voorgekweekte stekjes (‘pluggen’) geldt dat er minder garantie is voor goede groeiresultaten. Hier bestaan immers veel risico’s op vraat. Vooral ganzen vinden de jonge ingeplante scheuten erg aantrekkelijk. De derde manier is inzaaien. Verschillende zaaiproeven laten sterk uiteenlopende resultaten zien. De laatste resultaten uit het Bûtefjild (Better Wetter) zijn veelbelovend. Inzaaien is een goedkope optie, welke op grote schaal gemakkelijk kan worden toegepast. Om te voorkomen dat kieming mislukt, of zaailingen meteen worden overgroeid, dient de bovengrond eerst te worden gefreesd. De waterstand dient vervolgens heel goed te kunnen worden afgestemd. Kieming dient te gebeuren onder een dun laagje water van 1-2 centimeter, en vervolgens dient de waterstand heel geleidelijk samen met de groeisnelheid van de zaailingen te worden verhoogd. Te lange periode van droogte zorgt voor snelle overwoekering van andere kruiden, en wanneer de waterkolom te diep wordt zullen de zaailingen als snel te weinig licht ontvangen.

Deze nauwkeurige afstemming brengt risico’s met zich mee, maar wanneer de kieming en groei van zaailingen succesvol verloopt kan er met relatief weinig moeite over zeer grote oppervlakte

A&W-rapport 21-271 Mogelijke moerasontwikkeling in de Hege Warren

37

lisdodde worden ingebracht. Deze manier van inbreng wordt dan ook, eventueel gedeeltelijk, aanbevolen voor grootschalige inrichting van natte teeltbedden met lisdodde. Een goed voorbeeld van de ontwikkeling van een grootschalige monocultuur met Grote lisdodde is het dichtbijgelegen gebied de Headamskampen in de Alde Feanen (It Fryske Gea) In het kader van natuurherstel is daar de bovengrond van een voormalig perceel extensief grasland met veel pitrus gefreesd. Het frezen van de bovengrond met daaropvolgend een peilopzet in 2018 heeft geleid tot de ontwikkeling van een monocultuur van Grote lisdodde over een enorme oppervlakte van ca. 45.000 m2. Hier is overigens niet eens actief ingezaaid, de zaden moeten zich op natuurlijke wijze hebben verspreid in het gebied vanuit elders. De planten hebben zich vervolgens in korte tijd zeer goed weten te ontwikkelen, omdat de omstandigheden ideaal waren voor lisdodde als pioniersoort. Inmiddels begint riet de overhand te krijgen over lisdodde, en ontwikkelt de moerasnatuur, inclusief roerdompen, in dit gebied zich naar de wens van It Fryske Gea. Dit gebied kan daarom als voorbeeld worden gezien voor lisdoddeteelt als voortraject voor moerasontwikkeling over een grote oppervlakte. Veenmosteelt Veenmosteelt is minder interessant dan lisdoddeteelt als het gaat over directe vernatting van voormalig agrarisch gebied.

Dit heeft ermee te maken dat veenmossen niet gebaat zijn bij hoge voedselbeschikbaarheid, maar juist sterk afhankelijk zijn van voedselarm regenwater. Dat neemt niet weg dat veenmosteelt op termijn wel degelijk in aanmerking zou kunnen komen als tussentijdse beheervorm, eventueel na een periode van lisdoddeteelt. Als de veenbodem eenmaal genoeg is uitgemijnd via lisdoddeteelt, wordt de groei en biomassaproductie van lisdodde immers steeds lager. In dat geval zouden veenmossen kunnen worden geïntroduceerd, die de bedekking vervolgens overnemen. Succesvolle proeven met veenmosteelt zijn reeds uitgevoerd binnen Better Wetter (Mettrop, 2020a). Het waardevolle van veenmosteelt is dat, met de hoge waterstanden rond maaiveld, de uitstoot van CO2 maximaal wordt gereduceerd (Box I). Daarbij komt dat er, zij het langzaam, zelfs koolstof wordt vastgelegd. Veenmossen zijn immers in staat om boven de waterspiegel uit te groeien en zelf een laag afgestorven mosbiomassa op te bouwen (de ‘acrotelm’). Hiermee wordt bodemdaling niet alleen tegengegaan, maar wordt er zelfs nieuwe bodem gecreëerd. De snelheid van aangroei is niet hoog, deze bedraagt zo’n 2 centimeter per jaar. En het verdienmodel rondom veenmosteelt is, hoewel nog niet uitvoerig onderzocht, naar verwachting niet zo aantrekkelijk als bijvoorbeeld van lisdoddeteelt.

Daar tegenover staat weer dat een veenmoshabitat met het oog op natuurwaarden in potentie waardevoller is dan een lisdoddeteeltbed. Vanwege de oligotrofe condities (hoge regenwater invloed) kan veenmosteelt erg interessant zijn vooral als groeiplaats voor kwetsbare soorten flora, zoals bijvoorbeeld ronde zonnedauw. Inpassing van verschillende natte teeltvormen Een opeenvolging van eerst een langdurige periode lisdoddeteelt van een jaar of tien (in de meest voedselrijke beginsituatie), en daarna veenmosteelt (in de voedselarmere situatie) om de optimale uitgangssituatie voor moerasontwikkeling te verkrijgen, is waarschijnlijk dan ook erg waardevol. Op die manier worden in feite alle gestelde doelen in het gebied optimaal bediend. Deze aanbeveling geldt voor beide alternatieven, en is vooral aan de orde op plekken waar langer moet worden gewacht om moerasontwikkeling op gang te brengen. Het strekt dan ook tot de aanbeveling om binnen alle twee alternatieven te kijken of in de deelgebieden met als einddoel moerasontwikkeling een overgangsperiode met natte teelten kan worden opgenomen. Gezien de schaal zou dat vooral bij Open en Natuurlijk goed mogelijk moeten zijn.

38

5.4

A&W-rapport 21-271 Mogelijke moerasontwikkeling in de Hege Warren

Kiezen voor moeras- en veenontwikkeling: waar en hoe?

In de voorgaande hoofdstukken zijn veel aspecten van moerasontwikkeling de revue gepasseerd. Er is aangegeven wat de randvoorwaarden en sturende factoren zijn voor een perspectiefrijke veen- en moerasontwikkeling, die kan leiden tot vitale moerasecosystemen met kenmerkende biodiversiteit. Ook is aangegeven waar de valkuilen en de knelpunten zitten. Uit de analyse is duidelijk geworden, dat geen van de nu voorliggende alternatieven voor ontwikkeling van moerasnatuur optimaal is. Wat dat betreft kunnen er nog belangrijke keuzes worden gemaakt voor de beste combinatie van elementen, die borgen dat aan de randvoorwaarden voor een gunstige moerasontwikkeling wordt voldaan. Vernatting en ontpoldering van delen van de Hege Warren biedt een grote kans. Als er voor moerasontwikkeling wordt gekozen, is het zaak om deze keuze zo optimaal mogelijk uit te buiten, voor de Hege Warren en voor het nationaal park en Natura 2000-gebied de Alde Feanen. Dit rapport gaat evenwel niet over de keuzes van de inrichtingsalternatieven voor de Hege Warren. Op basis van de voorgaande analyses van de moerasonderdelen van de alternatieven kan echter wel een aantal onderbouwde aanbevelingen worden gedaan die in het keuzeproces kunnen worden meegenomen: 1.

Stel in de te ontpolderen gebiedsdelen – of delen daarvan - een overgangsbeheer in dat zich richt op het effectief uitmijnen van voedingstoffen, zowel op de graslanden als in de sloten. Peilverhoging kan alvast worden doorgevoerd binnen de kaders van het overgangsbeheer; 2. Kies in alle gevallen voor een moeras met peildynamiek en geen vast peil. Alleen peildynamiek verzekert de ontwikkeling van een vitaal en dynamisch moeras. Het voor de boezem zetten van voormalige landbouwgronden met als doel moerasontwikkeling op gang te brengen is niet effectief. Bovendien sluit de peildynamiek beter aan op een klimaatadaptieve inrichting; 3. Kansen voor nieuwe moerasgebieden van schaal doen zich maar zelden voor, zoals bij de klimaatmoerassen bij Groningen. Hier doet zich de mogelijkheid voor om een grootschalig moerasgebied met peildynamiek te realiseren, hetzij als een eenheid hetzij in deelgebieden. Kies daarom in het geval van een alternatief met moerasontwikkeling voor schaal. 4. Natte teelt, bijvoorbeeld teelt van lisdodde, komt als tijdelijk tussenbeheer tegemoet aan meerdere doelen. Lisdoddeteeltbedden lenen zich goed voor uitmijning als voortraject voor moerasnatuurontwikkeling, voor reductie van broeikasgassen, tegengaan van bodemdaling, waterzuivering, en voor waterberging en -retentie.

Bovendien kan met natte teeltvormen alvast een voorsprong worden gemaakt op de ontwikkeling van moerasnatuur, aangezien verschillende moerassoorten in natte teeltbedden alvast hun plek kunnen vinden. Natte teelt is daarom als overgangsbeheer te overwegen, zeker in delen van het gebied.

95

A&W-rapport 21-271 Mogelijke moerasontwikkeling in de Hege Warren

39

6 Literatuur Altenburg & Wymenga / Provincie Fryslân 2016. Natura 2000 beheerplan Alde Feanen. Provincie Fryslân, Leeuwarden. Altenburg W., 2020. Ecologische monitoring van het Life-project Booming Business in de Alde Feanen. A&W-rapport 2412.20/MO. Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwâlden. Bansal., S., Lishawa, S.C., Newman, S., et al., 2019. Typha (Cattail) invasion in North American wetlands: biology, regional problems, impacts, ecosystem services, and management. Wetlands 39: pp. 645-684. Bos, D., E. Wymenga, R. Ydenberg & E. van Loon 2019. De muskusrat op zijn retour. DLN 120: 51-55. Brongers, M., E. Wymenga & R. Jalving 1999. Ecologisch onderzoek in de Alde Feanen. A&W-rapport 200. Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwâlden.’ Brongers, M., Van Belle, J., 2008. Better wetter: peildynamiek voor een vitale Friese boezem. Werkdocument als voorbereiding op een projectvoorstel. A&W-rapport 1144. Altenburg & Wymenga bv. Veenwouden. Claassen, T & R. Veeningen 2011. Presentatie Clear Lakes Revisited 1 december 2011. Download. Co-creatieteam Hege Warren 2021. Een nieuwe toekomst voor de Hege Warren. Alternatieven voor de Hege Warren ontwikkeld door betrokkenen in en rond het gebied. Rapport Open Kaart / HNS / Royal HaskoningDHV. Leeuwarden. Colbers, B., Cornelis, S., Geraets, E., Gutiérrez-Valdés, N., Tran, L. M., Moreno-Giménez, E., RamírezGaona, M., 2017.

A feasibility study on the usage of cattail (Typha spp.) for the production of insulation materials and bio-adhesives. Eindrapport Academic Consultancy Training, Wageningen Universiteit. de Fouw, J., R. van der Hut, L. Bakker, F. Smolders, J. van der Winden en P.J. Westendorp, 2021. Inrichting, ontwikkeling en beheer van moerassen op voormalige landbouwgrond: Een eerste verkenning van de ontwikkeling van eutrofe moerassen. Rapport nummer 2021/OBN249-LZ, Kennisnetwerk OBN, Driebergen. Evans, C.D. et al. 2021. Overriding water table control on managed peatland greenhouse gas emissions. Nature 593: 548-552. Jong, M. de, van Hal, O., Pijlman, J., van Eekeren, N., Junginger, M., 2021. Paludiculture as paludifuture on Dutch peatlands: An environmental and economic analysis of Typha cultivation and insulation production. Science of the Total Environment 792, 148161. Jurasinski et al., 2016. Ecosystem services provided by paludiculture. In: Wichtmann et al. (eds.), 2016. Paludiculture - productive use of wet peatlands. Kelly, P. 2000. Wetland ecology. Principles and conservation. Cambridge studies in ecology. Cambridge University Press. Mettrop, I. 2020a. Proeven met natte teelten Better Wetter Fase 2. A&W-rapport 3153-2 Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwâlden. https://betterwetter.nl/wp-content/uploads/2021/01/AWBetter-Wetter-tussenrapportage-2020.pdf Mettrop, I. 2020b.

Natte teelten en biodiversiteit. Een kennisoverzicht met speciale aandacht voor lisdoddeen veenmosteelt. A&W-rapport 20-118, Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwâlden. Mettrop, I.S., Wymenga, E., Oosterveld, E., 2020a. Better Wetter maakt werk van klimaatadaptatie; over toekomstbestendig waterbeheer en regionale aanpassingen in het Friese veenweidelandschap. Landschap 37/2: pp. 81-85. Mettrop, I., van der Hut, R., Brongers, M., 2020b. Ganzen en Natura 2000-doelen in het Naardermeer. Effecten en handvatten voor beheer. A&W-rapport 19-385, Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwâlden. Mettrop, I., Loonstra, J., Wymenga, E., 2021. Ontwikkeling van kruidenrijke graslanden bij hoog grondwater in Friese veenweiden. Een overzicht van beschikbare kennis. A&W-rapport 20-326. Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwâlden. Oosterveld, E.B. 2021. Perspectieven weidevogels Hege Warren. A&W-notitie 21-270. Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwalden

40

A&W-rapport 21-271 Mogelijke moerasontwikkeling in de Hege Warren

Provincie Fryslân 2021. Foarut mei de Fryske Feangreiden. Veenweideprogramma 2021-2030. Provincie Fryslân, Leeuwarden. Smolders, A., Lucassen, E., Tomassen, H., Lamers, L., Roelofs, J., 2006. De problematiek van fosfaat voor het natuurbeheer. Vakblad Natuur Bos Landschap 3(4): pp. 5-11. Van der Hut, R. M G., D. Dijkshoorn, J. Hooymans, J. Hylkema & J. van der Kamp 2016. Porseleinhoenen peilen: roepactiviteit in een Fries laagveengebied. Limosa 89: 97-107. https://www.altwym.nl/wpcontent/uploads/2019/04/LIM893-1_Vanderhut.pdf Van der Hut, R. M. G., M. Brongers, W. Bijkerk, & J. de Fouw. 2018. Jonge moerassen in Groningen. Successie en perspectieven. A&W-rapport 2339. Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwâlden. https://www.altwym.nl/wp-content/uploads/2019/07/2962-rapport-jonge-moerasstadia-inGroningen-eindrapport.pdf Van der Valk, A.G. & C.B. Davies 1978. The role of seed banks in the vegetation dynamics of prairie glacial marshes. Ecology 59: 322-335. Van der Wal, B. 2019. Hydrologische analyses Hege Warren. Royal Haskoning DHV, Groningen. Vullink, J.T. & M. van der Eerden 1998. Hydrological conditions and herbivory as key operators for ecosystem development in Dutch artificial wetlands. In: M.F. WallisDeVries, J.P. Bakker & S.E. van Wieren (eds.). Grazing and Conservation management. Pp. 217-252. Kluwer Academic Publishers, Dordrecht.

Wichtmann, W., Schröder, C., Joosten, H., 2016. Paludiculture - productive use of wet peatlands: climate protection - biodiversity - regional economic benefits. Schweizerbart Science Publishers, Stuttgart, Duitsland. Wiersma, J. 2020. Landschapsbiografie De Burd, Sitebuorren, De Hege Warren. Rapport Kenniscentrum Landschap, Rijksuniversiteit Groningen. Wymenga E. 1999. Nije sompen yn de Alde Feanen. A&W-rapport 209. Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwâlden.

97

A&W-rapport 21-271 Mogelijke moerasontwikkeling in de Hege Warren

Bijlage 1

41

Moerassystemen

In deze bijlage is als achtergrond beknopte informatie opgenomen over moerassystemen die kunnen voorkomen in Nederlandse moerasgebieden. Hoogvenen Hoogvenen worden hoofdzakelijk gevoed door regenwater, dat voedselarm en zuur is. Onder die omstandigheden groeien vooral (hoogveen)veenmossen. De waterstand in een hoogveen is hoger dan die in de directe omgeving, dat zorgt ervoor dat de regenwaterinvloed kan domineren. Om voldoende natte omstandigheden te waarborgen - en veenvorming mogelijk te maken - moet het neerslagtekort in het zomerseizoen gecompenseerd worden door het vasthouden van het neerslagoverschot in de winterperiode. Belangrijk daarbij is dat het plantenmateriaal voldoende vocht vast kan houden en de waterverliezen naar de omgeving (wegzijging) beperkt zijn. Voor de Hege Warren is hoogveenontwikkeling niet relevant, aangezien de daarvoor benodigde omstandigheden niet gerealiseerd kunnen worden. Laagvenen Relatief eutrofe laagveenmoerassen ontwikkelen zich onder invloed van voedselrijk(er) oppervlakte- en/of grondwater. In grote lijnen start de verlanding in open water, met (ondergedoken) waterplanten of jonge verlandingsvegetaties als drijftillen of waterriet. Door de ophoping van wortels en ander organisch materiaal sluit de vegetatiemat zich steeds verder en wordt de vegetatiemat geleidelijk dikker, tot deze uiteindelijk boven het waterniveau uitgroeit.

Dan kunnen rietlanden ontstaan, maar bijvoorbeeld ook schrale graslandvegetaties. Wordt het pakket zo dik dat de vegetatie buiten het bereik van het oppervlaktewater raakt, dan neemt de invloed van regenwater toe en kunnen zich onder meer veenmosrietlanden ontwikkelen. Wordt er niet gemaaid, dan ontstaan (riet)ruigten, struweel en uiteindelijk moerasbos. Voor moerasontwikkeling zijn vooral de beginstadia heel belangrijk, omdat daar een groot deel van de biodiversiteit van laagveen van afhankelijk is én omdat de verlandingsreeks daar tegenwoordig vaak de grootste belemmeringen kent: Waterplanten Bij de waterplanten gaat het onder kwelgevoede omstandigheden (weinig voedingsstoffen, veel bufferstoffen als calcium) en een minerale bodem vaak om kranswieren. Is het wat voedselrijker, dan gaat het eerder om soorten als krabbenscheer of fonteinkruiden. Onder echt voedselrijke omstandigheden kunnen enkele soorten de waterkolom domineren, zoals smalle waterpest. Maar vaak is het water dan troebel, onder meer door algengroei en opwerveling van veenslib: dan redden alleen drijvende waterplanten het nog of ontbreken waterplanten helemaal. Veel soorten waterplanten breken snel af en dragen daardoor niet of nauwelijks bij aan de veenvorming. Een uitzondering is krabbenscheer, dat wel een goede veenvormer is.

Krabbenscheer produceert veel organisch materiaal dat de waterkolom vult en vormt dichte matten waarop drijftilvorming plaats kan vinden. De soort speelt zo een belangrijke rol in de verlanding. Drijftillen Drijftillen zijn drijvende matten van moerasplanten die vanaf de oever het water ingroeien. Deze vorm van verlanding treedt vooral op als sprake is van steile oevers, zoals in petgaten. Ze kunnen ook ontstaan in luwe hoeken op drijvend plantenmateriaal, zoals bijvoorbeeld wortelstokken van water- of moerasplanten of opdrijvend venig bodemmateriaal. Naarmate de verlanding vordert worden de matten dikker en steviger en kunnen er meer plantensoorten op gaan groeien. Uiteindelijk groeien ze boven het wateroppervlak uit en kan op den duur de invloed van regenwater gaan toenemen. Als kraggen vastgroeien aan de waterbodem dan drijven ze niet meer en kan de grondwaterstand ook meer gaan fluctueren.

42

A&W-rapport 21-271 Mogelijke moerasontwikkeling in de Hege Warren

Waterriet Waterriet is riet dat in het water staat. Het ontstaat door riet dat vanuit de oever via uitlopers het water in groeit en daarbij direct in de bodem wortelt. Hoe ver waterriet vanaf de oever het water in kan groeien wordt beperkt door onder andere de waterdiepte en de ophoping van organisch materiaal op de bodem. Flauw aflopende oevers en onderwaterbodems die droog kunnen vallen zijn belangrijk voor de ontwikkeling van waterriet. Dat zijn de plekken die door rietuitlopers gekoloniseerd worden en waar andere moerasplanten en pioniersoorten kunnen kiemen. Stijgt het peil weer, dan komen deze vegetaties in het water te staan. (Water)riet groeit vooral onder voedselrijke omstandigheden. Dat geldt ook voor andere in het water groeiende moerasplanten zoals grote en kleine lisdodde, gele lis, oeverzegge, liesgras en waterscheerling. Ook lisdodde is, net als riet, een belangrijke verlander. Anders dan riet, dat zich slecht voorplant via zaad en water moet koloniseren via uitlopers vanaf de oever, kunnen lisdoddesoorten goed kiemen in een dun laagje water. Zijn de omstandigheden minder voedselrijk, dan start de verlanding eerder met soorten als holpijp, snavelzegge en waterdrieblad.

99

A&W-rapport 21-271 Mogelijke moerasontwikkeling in de Hege Warren

43

Bijlage 2 Moerasdoelen, inrichting en verwachte ontwikkeling per alternatief In deze bijlage gaan we wat verder in op de moerasdoelen, de gekozen inrichting en de verwachte ontwikkeling bij de verschillende alternatieven. We besteden daarbij met name aandacht aan de voorkeursalternatieven. De moerasdoelen en inrichting komen rechtstreeks uit het rapport ‘Een nieuwe toekomst voor de Hege Warren’ van het Co-creatieteam Hege Warren (2021). De analyse van de verwachte ontwikkeling is er in dit rapport aan toegevoegd.

Bijlage 2.1

Voorkeursalternatieven Polderaquarel en Open en Natuurlijk

Polderaquarel In deze alternatief is er, naast vooral weidevogelgrasland, ruimte voor ca 95 ha moerasnatuur. Uitgangspunt daarbij is een peilbeheer dat de seizoenen volgt en dus ’s winters hoger is en ’s zomers lager. Het moerasdeel blijft een bemalen polder, waarvan de afwatering wordt verplaatst richting gemaal Hege Warren in het oosten. Doel is veenvorming, waardoor het gebied op natuurlijke wijze ‘omhoog groeit’. De natte dijkzone aan de noordrand blijft behouden. Peilopzet in het moerasdeel kan in deze alternatief al vrij snel gerealiseerd worden, naar schatting vanaf 2025. Analyse De poldersituatie maakt een natuurlijk peilregime mogelijk. De verschillen in maaiveldhoogte zijn vrij gering, van ca -1,2 m tot ca -0,9/-0,8 NAP. Uitgaande van een hoog peil waarbij het grootste deel van het gebied in natte perioden inundeert en ’s zomers geleidelijk droogvalt, ontstaan gunstige omstandigheden voor de ontwikkeling van (zeer) voedselrijk moeras. De druk van het grondwater in dit deel (vgl. figuur 2.4) kan een teveel uitzakken van de waterstand mogelijk voorkomen.

Afhankelijk van de startsituatie (deel kruidenrijk grasland, zeer beperkt rietbronnen langs sloten) zal een afwisseling ontstaan van ondiep water, ondiep langdurig geïnundeerd grasland en zich geleidelijk uitbreidende rietgras-, riet- en lisdoddevegetaties. Hier ontstaat biotoop, zeker in de beginfase, voor onder andere porseleinhoen, waterral, roerdomp en wellicht geoorde fuut. Op de hoogste delen zal wat opslag van boom- en struiksoorten ontstaan. Door het voedselrijke karakter zal veenvorming met veenmos waarschijnlijk beperkt zijn (en pas op termijn, wanneer zich regenwaterlenzen vormen), terwijl de veenvorming met andere, voedselrijke moerasvegetaties naar verwachting langzaam verloopt. Omhoog groeien van het gebied zal vele tientallen jaren duren of zeer beperkt plaatsvinden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11215813/1