CConstaterende datSmallingerland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2a - Efterwei 22, 22a en 22b te Rottevalle

Het Debat 11 februari 2025, gemeente SmallingerlandBij agendapunt: Bestemmingsplan Efterwei 22, 22a en 22b te Rottevalle28.164 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

IJzertijd - Middeleeuwen Voor de periode ijzertijd - middeleeuwen geeft de provincie aan dat er geen onderzoek noodzakelijk is. Dit advies wordt gegeven als op basis van eerder onderzoek is gebleken dat er zich geen archeologische resten in de bodem bevinden, of wanneer de archeologische verwachting voor het aantreffen van archeologische resten uit de periode ijzertijd - middeleeuwen op gefundeerde gronden zodanig laag is dat de kans op aantasting bij de meeste ingrepen zeer klein is. Archeologisch onderzoek inzake de ijzertijd - middeleeuwen kan met oog op het voorgaande achterwege blijven.

28

NL.IMRO.0090.BP2023BGB102-0401

Efterw ei 22, 22a en 22b te Rottevalle

Archeologische beschermingsregeling Wel is een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' aan het plangebied toegekend waarmee wordt toegezien op een archeologische beschermingsregeling ter plaatse, indien ruimtelijke ingrepen worden gedaan die de vrijstellingsgrens van 25.000 m2 en dieper dan 0,3 m -mv (beneden maaiveld) overschrijden.

Conclusie Het planvoornemen mag wat het aspect archeologie betreft uitvoerbaar worden geacht. 4.1.2

Cultuurhistorie

Toetsing Voor de toetsing van het aspect cultuurhistorie is de CHK2 geraadpleegd. In het kaartfragment daarvan in navolgende figuur is te zien dat er zich in (de omgeving van) het plangebied diverse door de provincie als cultuurhistorisch waardevol aangewezen objecten bevinden. Door het plangebied loopt een verdwenen pad (blauwe stippellijn). Dit is een pad dat voorheen is geïnventariseerd door de Provinciale Planologische Dienst (PPD). In de bestaande situatie is ter plaatse van de stippellijn echter geen pad meer aanwezig. Het planvoornemen doet dan ook geen afbreuk aan de cultuurhistorische waarde van het geïnventariseerde pad.

NL.IMRO.0090.BP2023BGB102-0401

29

Efterw ei 22, 22a en 22b te Rottevalle

Figuur 11. Uitsnede CHK2

Daarnaast bevindt zich langs het plangebied een verharde weg die in kader van dezelfde inventarisatie door de PPD als het eerdergenoemde verdwenen pad is geïnventariseerd. Deze verharde weg blijft echter gehandhaafd met het planvoornemen.

Voorts zijn ten zuiden van het plangebied twee percelen als boerderijplaats aangemerkt. Op één van deze boerderijplaatsen bevindt zich tevens een onverharde reed, die in het kader van de eerdergenoemde provinciale inventarisatie als zodanig is aangemerkt op de CHK2. De voorgenomen ontwikkeling heeft geen betrekking op de gronden ter plaatse van de onverharde reed en de boerderijplaatsen. De cultuurhistorische waarde van deze objecten blijft dan ook intact.

Conclusie De uitvoerbaarheid van het planvoornemen wordt niet belemmerd door het aspect cultuurhistorie.

30

NL.IMRO.0090.BP2023BGB102-0401

Efterw ei 22, 22a en 22b te Rottevalle

4.2

Ecologie

Toetsingskader In het kader van de uitvoerbaarheid van ruimtelijke plannen is het van belang om aandacht te besteden aan beschermde natuurwaarden. De effecten op natuurwaarden dienen te worden beoordeeld in relatie tot bestaande wet- en regelgeving op het gebied van soortenbescherming en gebiedsbescherming.

Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) van kracht. In deze wet is zowel de bescherming van de flora- en faunasoorten vastgelegd, alsook de bescherming van specifieke natuurgebieden (Natura 2000-gebieden). Naast de Wnb zijn ook de provinciale omgevingsvisie en verordening relevant voor de gebiedsbescherming. Hierin is onder meer het behoud en de ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) geregeld. Om de uitvoerbaarheid van het planvoornemen te toetsen, is een inventarisatie van natuurwaarden nodig.

In kader van de uitvoerbaarheid van het planvoornemen is een beknopte natuurtoets uitgevoerd. De hierbij behorende rapportage is als Bijlage 3 bij de toelichting te raadplegen. Deze beknopte natuurtoets gaat alleen in op de sloop van de opstallen ter plaatse van de Efterwei 22a. In een andere, losstaande beknopte natuurtoets is ingegaan op de gronden naast de Efterwei 22/22b waar de vier woningen mogelijk worden gemaakt.

Beknopte natuurtoets Efterwei 22a, sloop opstallen SOORTENBESCHERMING Op basis van het literatuuronderzoek, het veldbezoek en de planontwikkeling is geconcludeerd dat vleermuizen en algemene soorten van zoogdieren, ongewervelden, broedvogels en amfibieën verwacht kunnen worden binnen het plangebied. Algemeen beschermde zoogdieren, ongewervelden en amfibieën In het plangebied komen naar verwachting algemene amfibieën, ongewervelden en grondgebonden zoogdieren voor, waaronder gewone pad en de egel, waarvoor een vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkeling (Provinsje Fryslân, 2016). Dit wil zeggen dat voor de voorgenomen werkzaamheden geen ontheffing van de Wnb hoeft te worden aangevraagd. Voor deze soorten geldt echter altijd de zorgplicht. In relatie tot dit punt kan gedacht worden aan het volgende: indien individuen van dieren worden aangetroffen, dienen deze de gelegenheid te krijgen om te kunnen vluchten; Aanvullend op vorenstaande maatregel kan ervoor worden gekozen om minder mobiele dieren, zoals egel en gewone pad te verplaatsen tot buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden. Vleermuizen Het terrein rondom de opstallen maakt mogelijk onderdeel uit van het foerageergebied.

Gezien de werkzaamheden overdag uitgevoerd worden en de vleermuizen ’s nachts het plangebied kunnen blijven gebruiken als foerageergebied en er tevens voldoende alternatief foerageergebied beschikbaar is in de direct omgeving, zijn negatieve effecten op het foerageergebied bij voorbaat uitgesloten. Algemene broedvogels Het plangebied biedt diverse mogelijkheden als broedlocatie voor diverse vogelsoorten (zoals de boerenzwaluw en de witte kwikstaart). Werkzaamheden die tijdens de broedactiviteit worden uitgevoerd kunnen leiden tot verstoring of vernietiging van (nesten van) broedende vogels. Er dient daarom rekening te worden gehouden met het broedseizoen (globaal de periode tussen 15 maart tot 1 september, in verband met boerenzwaluw). Verstoring van nesten met eieren of kuikens is niet toegestaan en hier

NL.IMRO.0090.BP2023BGB102-0401

31

Efterw ei 22, 22a en 22b te Rottevalle

wordt geen ontheffing voor verleend. Op basis van het onderzoek is geconcludeerd dat in de omgeving voldoende uitwijkmogelijkheden zijn. Buiten het broedseizoen zijn deze onbezette nesten niet beschermd.

GEBIEDSBESCHERMING Het plangebied heeft geen status als Natura-2000 gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (Alde Feanen) is gesitueerd op circa 8,4 kilometer ten westen van het plangebied. Gezien de aard van de ingreep en de ruime afstand van het plangebied tot het Natura 2000-gebied worden externe effecten zoals trillingen, verstoring door geluid en mechanische effecten niet verwacht. Gezien de aard van de ingreep doet het voornemen naar verwachting geen afbreuk aan de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden. Een onderzoek in het kader van de Wnb (Natura 2000-voortoets) is niet nodig.

Het plangebied heeft geen status in het kader van Natuur Netwerk Nederland (NNN) en/of als ganzenfoerageergebied. Het dichtstbijzijnde NNN-gebied bevindt zich op circa 600 m ten westen van het plangebied en het dichtstbijzijnde ganzenfoerageergebied op circa 8,5 kilometer ten westen van het plangebied. Het voornemen heeft door zijn locatie, aard en omvang geen negatieve invloed op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN en het overige provinciaal beleid (ganzenfoerageergebied). Vanuit het provinciale natuurbeleid is er daarom geen bezwaar tegen de voorgenomen ingreep. Een nadere beoordeling ('nee, tenzij'-toetsing) is niet nodig.

Tijdens de bouwfase wordt een verhoogde waarde van stikstof in de lucht verwacht. Extra uitstoot als gevolg van de werkzaamheden kan een negatief effect hebben op het omliggende Natura 2000-gebied. Zowel tijdelijke als permanente toename van stikstofdepositie is niet toegestaan. Om na te gaan of de werkzaamheden zorgen voor een verhoogde stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden is een AERIUS-berekening nodig. Een dergelijke berekening is ten behoeve van het gehele planvoornemen uitgevoerd. Later in deze paragraaf wordt ingegaan op de uitkomsten van deze berekening.

Beknopte natuurtoets inrichting vier woonpercelen SOORTENBESCHERMING Naast de hiervoor beschreven beknopte natuurtoets, is er nog een beknopte natuurtoets uitgevoerd die betrekking heeft op het perceel ten oosten van Efterwei 22/22B. De resultaten daarvan waren de volgende.

Vogels Er gaan als gevolg van het project geen jaarrond beschermde nesten verloren binnen het plangebied zelf, omdat geen bebouwing wordt gesloopt of bomen worden gekapt. In de naastgelegen houtwal kunnen nestplaatsen van ransuil niet op voorhand worden uitgesloten. Er bestaat echter een ruime afstand van de woningen tot de houtwal aan de overzijde van het water. Om verstoring tijdens de broedperiode tegen te gaan mag niet tijdens de broedperiode van ransuil worden gewerkt. Deze loopt van half maart tot eind augustus. Het beperkte aantal woningen van vier levert naar verwachting geen verstoring in de gebruiksfase op. Indien het niet mogelijk is om volledig buiten de broedperiode van ransuil te werken, dient een nadere inspectie uit te worden gevoerd zodra de bladeren van de bomen zijn. Zodoende kan worden vastgesteld of er mogelijk een nest zit in de houtwal. Als dit niet het geval is, kan worden geconcludeerd dat de bomen niet in gebruik zijn door deze soort. Indien wel een nest wordt aangetroffen dient een nader onderzoek te worden uitgevoerd om vast te stellen of uit te sluiten dat ransuil op deze locatie broedt. Bij de werkzaamheden zal rekening worden gehouden met de broedperiode van ransuil. Bij uitvoering van he plan verandert het plangebied als foerageergebied voor vogels met jaarrond

32

NL.IMRO.0090.BP2023BGB102-0401

Efterw ei 22, 22a en 22b te Rottevalle

beschermde nesten, zoals roek, maar in de directe omgeving van het plangebied is in ruime mate alternatief en hoogwaardiger foerageergebied aanwezig. Negatieve effecten op vogels met jaarrond beschermde nesten door verlies van foerageergebied treden niet op. Voor de overige vogelsoorten, zoals wilde eend of meerkoet, geldt dat het vernietigen of verstoren van in gebruik zijnde nesten bij wet verboden is. Dit kan voorkomen worden door bij de planning en uitvoering van de werkzaamheden rekening te houden met het broedseizoen. Een standaardperiode voor het broedseizoen is er niet; van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. De meeste vogels broeden tussen half maart en half juli, maar ook in de periode van half februari tot eind september kunnen broedgevallen voorkomen. Bij de werkzaamheden wordt rekening gehouden met de broedperiodes.

Vleermuizen Als gevolg van het verwijderen van de vegetatie en de bouw van de woningen gaan geen vleermuisverblijfplaatsen verloren. Het plangebied zal veranderen van karakter en mogelijk minder geschikt worden als foerageerlocatie voor vleermuizen die in open gebieden foerageren, zoals rosse vleermuis. Het is echter een zeer klein gebied en in de directe omgeving is meer en deels hoogwaardiger foerageergebied beschikbaar. Negatieve effecten op vleermuizen door verlies van foerageergebied treden niet op. De brede watergang langs de noord- en zuidoostelijke grens van het plangebied doet mogelijk dienst als vliegroute voor de uit de wijdere omgeving bekende meervleermuis. De watergang blijft gedurende de plannen ongemoeid, maar lichtuitstraling over het water moet voorkomen worden daar dit een vliegroute ongeschikt kan maken. Hetzelfde geldt voor de houtwal die mogelijk dienst doet als vliegroute voor soorten als gewone en ruige dwergvleermuis en laatvlieger. Indien lichtuitstraling niet voorkomen kan worden, dient nader onderzoek te worden uitgevoerd naar het voorkomen van een vliegroute van genoemde soorten.

Grondgebonden zoogdieren De otter is in de zeer directe nabijheid (300 m) waargenomen in het verlengde (ten noorden) van de watergang. De soort zal gebruik maken van het water om in te foerageren en langs te migreren. De water-spitsmuis is in de directe omgeving niet bekend, maar de oever van de watergang is wel geschikt en het ligt binnen het globale verspreidingsgebied van deze soort. De watergang en oever blijft echter ongemoeid en er blijft een strook begroeiing langs de oever van 5 m breed over. De plannen hebben geen negatieve effecten op het (eventuele) voorkomen van otter of waterspitsmuis. Als gevolg van de ontwikkelingen kunnen enkele verblijfplaatsen van algemene zoogdiersoorten worden verstoord en vernietigd. Ook kunnen hierbij enkele exemplaren worden gedood. De te verwachten algemene soorten worden niet in hun voortbestaan bedreigd en vallen in de vrijstellingsregeling bij ruimtelijke ontwikkelingen van de provincie Fryslân. Voor deze soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd. Wel geldt voor deze soorten de zorgplicht van de Wnb. Amfibieën Als gevolg van de ontwikkelingen kunnen enkele verblijfplaatsen van algemene amfibieënsoorten worden verstoord en vernietigd. Ook kunnen hierbij enkele exemplaren worden gedood.

De te verwachten algemene soorten worden niet in hun voortbestaan bedreigd en vallen in de vrijstellingsregeling bij ruimtelijke ontwikkelingen van de provincie Fryslân. Voor deze soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd. Wel geldt voor deze soorten de zorgplicht van de Wnb.

Ongewervelden en vissen Er komen geen beschermde ongewervelden of vissensoorten binnen (de invloedssfeer van) het

NL.IMRO.0090.BP2023BGB102-0401

33

Efterw ei 22, 22a en 22b te Rottevalle

plangebied voor. Negatieve effecten op soorten van beschermde ongewervelden en vissen kunnen op voorhand worden uitgesloten.

GEBIEDSBESCHERMING Wet natuurbescherming Het plangebied ligt op ruime afstand van de Natura 2000-gebieden 'Alde Feanen', 'Van Oordt's Mersken' en 'Wijnjeterper Schar'. Hierdoor zijn in potentie alleen effecten door externe werking mogelijk. Het plangebied is gescheiden van het Natura 2000-gebied door bebouwing, wegen en agrarisch gebied. Gezien de afstand tot het Natura 2000-gebied, de inrichting van het tussenliggende gebied en de aard van het plan, kan een toename van verstoring door geluid, verlichting of optische verstoring worden uitgesloten.

Provinciaal natuurbeleid De plannen vinden op ruime afstand plaats van het dichtstbijzijnde NNN, Natuur buiten het NNN en weidevogelleefgebieden. Daarnaast is het tussenliggende gebied ingericht met wegen, bebouwing, houtwallen en agrarisch gebied. Hierdoor kunnen negatieve effecten op deze beschermde gebieden worden uitgesloten.

Beschermde houtopstanden De Wnb beschermt bos van minimaal 1.000 m2 en bomenrijen van minimaal 21 bomen gelegen buiten de bebouwde kom. In het plangebied zijn geen beschermde houtopstanden aanwezig. Er hoeft geen kapmelding bij de provincie Fryslân te worden ingediend.

STIKSTOFDEPOSITIE-ONDERZOEK Tijdens de aanleg- en gebruiksfase kan in potentie sprake zijn van een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van het planvoornemen is daarom een AERIUS-berekening uitgevoerd op basis van de thans meest recente calculator. Deze berekening is als Bijlage 5 bij deze toelichting te raadplegen. De berekening wijst uit dat de totale emissie van het plan in de aanleg- en gebruiksfase 18,5 kg NOx/jr en 1,0 kg NH3/jr bedraagt. Verder wordt duidelijk dat er geen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden zijn met een overschrijding van een planbijdrage van meer dan 0,00 mol N/ha/jaar. Er treedt door de stikstofdepositie geen negatief effect op in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) beschermde Natura 2000-gebieden. Het aspect stikstof staat de uitvoerbaarheid van het planvoornemen dan ook niet in de weg.

Conclusie Het plan kan wat het aspect ecologie betreft als uitvoerbaar worden geacht.

4.3

Externe veiligheid

Normstelling en beleid De overheid heeft in voorgaande jaren veiligheidsnormen vastgesteld die moeten worden genomen en waarmee op het gebied van milieu en ruimtelijke ordening rekening moet worden gehouden. Onderdeel van het veiligheidsbeleid is dat afwegingen ten aanzien van risico's op ongevallen die doden en gewonden tot gevolg kunnen hebben, duidelijk zichtbaar moet worden gemaakt en niet impliciet blijven plaatsvinden.

34

NL.IMRO.0090.BP2023BGB102-0401

Efterw ei 22, 22a en 22b te Rottevalle

In het kader van het Interprovinciaal Overleg (IPO) is een zogeheten risicokaart ontwikkeld. Daarop zijn alle objecten met een externveiligheidsrisico opgenomen, zoals gastransportleidingen en wegen waarover gevaarlijk stoffen worden getransporteerd, maar ook bedrijven en instellingen met productie of opslag van gevaarlijke stoffen. Het extern risco bestaat uit twee componenten: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico: Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans op een bepaalde plaats om te overlijden ten gevolge van een ongeval als gevolg van een 'risicovolle activiteit'. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die de hele tijd op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6-jaarcontour (die als harde norm fungeert) mogen geen nieuwe kwetsbare objecten (zoals woningen) gerealiseerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6/jaarcontour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit.

Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1%-letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Het GR kan niet 'op de kaart' worden weergegeven, maar wordt weergegeven in een grafiek waar de kans (f) afgezet wordt tegen het aantal slachtoffers (N): de fN-curve. Toetsing Ten behoeve van het planvoornemen is de eerdergenoemde risicokaart geraadpleegd. Uit de risicokaart blijkt dat er ten oosten van het plangebied een buisleiding aanwezig is. Duidelijkheidshalve wordt naar onderstaande figuur verwezen voor de exacte ligging van de buisleiding ten opzichte van het plangebied.

NL.IMRO.0090.BP2023BGB102-0401

35

Efterw ei 22, 22a en 22b te Rottevalle

Figuur 12. Uitsnede risicokaart. Rood: begrenzing plangebied.

De buisleiding betreft een aardgastransportleiding van Gasunie (N-505-60). Op de bovenstaande figuur is te zien dat het plangebied buiten de risicocontouren van de gasleiding ligt. Een nadere verantwoording van het groepsrisico is niet noodzakelijk. Bovendien worden met het planvoornemen geen nieuwe risicobronnen mogelijk gemaakt.

Conclusie Het planvoornemen mag op het vlak van externe veiligheid uitvoerbaar worden geacht.

4.4

Bodemkwaliteit

Normstelling en beleid In het kader van een ontwikkeling of een herziening van een bestemmingsplan moet onderzocht worden welke gevolgen eventuele bodemverontreinigingen hebben voor de uitvoerbaarheid van het plan. De bodemkwaliteit kan namelijk een beperkende factor zijn voor de beoogde functie of de financiële haalbaarheid van het bestemmingsplan. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming.

36

NL.IMRO.0090.BP2023BGB102-0401

Efterw ei 22, 22a en 22b te Rottevalle

Onderzoek Om de bodemhygiënische kwaliteit van het plangebied aan te kunnen tonen, is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd voor de gronden waarop de woningbouw is voorzien, alsook een asbestdruppelzone-onderzoek voor Efterwei 22A vanwege de voorgenomen sloop van de opstallen ter plaatse. Doel van het onderzoek was het bepalen van de bodemkwaliteit (grond en grondwater) om een uitspraak te kunnen doen of deze al dan niet een belemmering vormt voor de beoogde sloop en bouwen grondwerkzaamheden. Het gehele onderzoek is als Bijlage 6 bij deze bestemmingsplantoelichting opgenomen. In navolgende zijn de conclusies van het onderzoek gepresenteerd.

Uit het bodemonderzoek blijkt dat: ter hoogte van de nieuwbouwlocatie in de mengmonsters van de bodem- en ondergrond geen verhoogde concentraties ten opzichte van de achtergrondwaarde zijn aangetoond; ter hoogte van de nieuwbouwlocatie in het grondwater geen verhoogde concentraties ten opzichte van de streefwaarde zijn aangetoond; ter hoogte van de asbestverdachte druppelzones op Efterwei 22a geen asbestwaardes zijn gemeten die aanleiding geven tot het uitvoeren van een aanvullend asbestonderzoek. De vooraf aan het bodemonderzoek opgestelde hypothese van een 'onverdachte locatie' is met de onderzoeksresultaten bevestigd. In de boven- en ondergrond en het grondwater zijn geen gehalten aanwezig die de achtergrond- en/of streefwaarden overschrijden. Er is hierom geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader onderzoek. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt is er geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek.

Conclusie De uitvoerbaarheid van het plan wordt niet belemmerd door de bodemkwaliteit.

4.5

Waterparagraaf

Toetsingskader Op grond van artikel 3.1.6 Bro dient in de toelichting op ruimtelijke plannen een waterparagraaf te worden opgenomen van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie. Het is de schriftelijke weerslag van de zogenaamde watertoets. Het doel hiervan is het waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Door middel van de watertoets als procesinstrument wordt in een vroegtijdig stadium aandacht besteed aan het wateraspect. Het gaat hierbij om de thema's waterkwantiteit, waterkwaliteit, waterkeringen, wegen, afvalwaterketen en beheer & onderhoud van nieuw en bestaand oppervlaktewater. Het voorliggend plangebied valt binnen het beheersgebied van Wetterskip Fryslân.

Toetsing Op 17 april 2023 is bij Wetterskip Fryslân advies opgevraagd middels de zogeheten digitale watertoets. Dit advies is als Bijlage 7 bij de toelichting te raadplegen. Uit de watertoets blijkt dat de normale watertoetsprocedure van toepassing is op het planvoornemen. Dit wil zeggen dat Wetterskip Fryslân in haar advies constateert dat het plan grote invloed heeft op de wateraspecten in de omgeving. In het onderstaande wordt ingegaan op de aspecten die door het wetterskip van belang worden geacht in relatie tot het onderhavige planvoornemen.

NL.IMRO.0090.BP2023BGB102-0401

37

Efterw ei 22, 22a en 22b te Rottevalle

Toename verharding Door ruimtelijke ontwikkelingen neemt de hoeveelheid verhard oppervlak toe met als gevolg een versnelde afvoer van hemelwater. Het is nodig om deze versnelde afvoer te compenseren om de waterberging in een gebied in stand te houden. Dit geldt ook voor toevoegen van oppervlakteverharding die wel past binnen het bestemmingsplan, maar waarvan de grond al meer dan vijf jaar braak ligt en waar in het verleden niet voor gecompenseerd is. Het is niet toegestaan zonder watervergunning neerslag versneld tot afvoer te laten komen indien daarbij meer dan 200 m2 onverharde grond in stedelijk gebied en 1.500 m2 in landelijk gebied wordt bebouwd of verhard. Er geldt een vrijstelling van de vergunningsplicht wanneer wordt voldaan aan de compensatieregels genoemd in dit wateradvies. De meest voorkomende manier van compenseren is het graven van extra oppervlaktewater. Bij het graven van extra oppervlaktewater hanteert Wetterskip Fryslân de volgende compensatienorm: Boezem 5%, dit heeft alleen betrekking op de Friese boezem; Polder 10%, Vrij afstromend, alternatieve maatregelen. Als gevolg van het planvoornemen neemt het verhard oppervlak in het landelijk gebied toe, gelet op de realisatie van de vier woningen in het plangebied. In kader van het wateradvies is daarom nagegaan hoeveel deze toename bedraagt.

Per woning is uitgegaan van een oppervlakte van 120 m2. Hierbij wordt uitgegaan van maximaal 100 m2 aan bijgebouwen en nog eens 50 m2 aan terreinverharding. Daarbovenop komt nog een oppervlakte van 25 m2 voor de twee parkeerplaatsen per woning. De toename aan verharding/bebouwing bedraagt per woning: 120 + 100 + 50 + 25 = 295 m2. In totaal komt de oppervlakte aan verharding/bebouwing van de vier woningen uit op 4 X 295 m2 = 1.180 m2. Ten behoeve van de ontsluiting van de woningen wordt tevens een erftoegangsweg gerealiseerd. Voor deze weg wordt uitgegaan van circa 250 m2 verharding. De totale toename aan verharding komt derhalve uit op 1.180 m2 + 250 m2 = 1.430 m2. De voorgenomen ontwikkeling heeft echter ook betrekking op de sloop van bestaande bedrijfsbebouwing. Dit bedraagt circa 3.000 m2 bebouwing. Er is derhalve per saldo sprake van een afname aan verharding. Compenserende maatregelen zijn dan ook niet vereist.

Rioolwaterpersleiding Het wetterskip adviseert om bij het opstellen van het plan rekening te houden met de aanwezige rioolwaterpersleiding. In een strook van 6 m (3 m aan weerszijden van de persleiding, gerekend vanuit het hart van de leiding) heeft het Wetterskip beperkt recht van opstal waardoor er beperkingen gelden voor het grondgebruik. De persleiding moet bereikbaar zijn voor onderhoud en in geval van calamiteiten. De grond waarin de rioolpersleiding ligt en de strook van 3 m aan weerszijden, mag niet in eigendom komen van particulieren. Dit vanwege het feit dat het bouwen van schuren en schuttingen vaak vergunningsvrij mogelijk is. Het is dan niet te voorkomen dat er schuurtjes of iets dergelijks worden gebouwd op de persleiding, wanneer deze door de tuin van particulieren ligt.

38

NL.IMRO.0090.BP2023BGB102-0401

Efterw ei 22, 22a en 22b te Rottevalle

Figuur 13. Ligging van rioolwaterpersleiding (links) met zakelijk rechtstrook van 3 m aan weerszijden van de leiding (rechts), Bron: Wetterskip Fryslân, 2024.

Bij het voorliggende bestemmingsplan is de rioolpersleiding met de daar omheen liggende strook van 3 m aan weerszijden beschermd door de desbetreffende gronden te bestemmen als 'Agrarisch met waarden - Besloten gebied'. Binnen deze bestemming is de mogelijkheid om verharding en bebouwing te realiseren uitgesloten. Het bouwen van schuren en schuttingen binnen het invloedsgebied van de rioolpersleiding is dan ook niet mogelijk. De exacte ligging van de bestemmingen blijkt uit de verbeelding van het bestemmingsplan.

Europese Kaderrichtlijn Water (krw) Wetterskip Fryslân heeft volgens de Kaderrichtlijn Water en de Waterwet de plicht om maatregelen te nemen om de ecologische doelen te bereiken die per waterlichaam zijn vastgesteld en ook om deze te beschermen. De huidige ecologische situatie mag niet verslechteren. Als gevolg van het planvoornemen verslechtert de ecologische situatie niet. Het planvoornemen beoogt geen werkzaamheden bij een waterlichaam. Aanwezige ecologische waarden worden dan ook niet aangetast.

Boezemgebied Uit het advies van Wetterskip Fryslân wordt duidelijk dat het plangebied vrij voor boezem ligt. Dit betekent dat het plangebied niet door een boezemkade beschermd is tegen hoge waterstanden in de Friese boezem. Er dient daarom rekening te worden gehouden met hoogwater in het kader van regionale wateroverlast. Het is van belang om rekening te houden met de droogleggingsnorm of het maatgevend boezempeil (MBP). Het MBP, behorend bij een situatie met een kans van voorkomen van 1/100 per jaar, mag tot 1 m voor de gevel voorkomen. Wetterskip Fryslân adviseert daarom om de nieuwe bebouwing/infrastructuur voldoende hoog aan te leggen. In boezemgebieden is het streefpeil -0,52 NAP. Op grond van het Actueel Hoogtebestand (AHN4, 2021) is het maaiveld van het plangebied ter plaatse van het toekomstige woonperceel gelegen op ruim boven de -0,52 NAP met een ruime drooglegging. Geacht wordt dat het plangebied boven het MGP ligt.

NL.IMRO.0090.BP2023BGB102-0401

39

Efterw ei 22, 22a en 22b te Rottevalle

Hoofdwater Uit het wateradvies blijkt dat de watergang ten oosten van het plangebied een hoofdwater is. Aan weerszijden van een hoofdwatergang ligt een beschermingszone van 5 m. De beschermingszone is nodig voor de bereikbaarheid voor beheer en onderhoud aan de hoofdwatergang. Werkzaamheden binnen de beschermingszone van hoofdwatergangen betreffen een vergunningsplichtige activiteit. Aanvullend heeft het Wetterskip aangegeven dat de beschermingszone volledig obstakelvrij moet blijven. De tuinen van de woningen moeten daarom op minimaal 5 m vanaf de insteek van de hoofdwatergang gesitueerd worden. Ook eventuele beplanting moet geheel buiten de beschermingszone blijven. De in dit plan voorziene woningen worden buiten de beschermingszone van de hoofdwatergang gesitueerd. Aanvullend wordt de beschermingszone zowel aan de oostzijde als de noordzijde bestemd als 'Agrarisch met waarden - Besloten gebied' waardoor eventuele bebouwing en/of verharding wordt uitgesloten. Zie ter beeldvorming de verbeelding van voorliggend bestemmingsplan. Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat de beschermingszone voldoende beschermd is en dat onderhoud aan de hoofdwatergang op een conventionele manier kan plaatsvinden.

Regionale waterkering In het midden van het plangebied, tussen het perceel Efterwei 22/22A en het perceel ten oosten daarvan in, bevindt zich een regionale waterkering. Deze regionale waterkering heeft een kern- en beschermingszone die over het plangebied ligt. Het bijplanten van de bestaande singels, de aanleg van een nieuwe houtsingel, het graven van een slootje en het slopen van de bebouwing vindt deels plaats binnen de zone van de waterkering. Het is nodig om een watervergunning aan te vragen voor de werkzaamheden van de waterkering. Deze vergunning zal in een later stadium, bij de aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen, worden aangevraagd.

Conclusie Het planvoornemen kan wat het aspect water betreft als uitvoerbaar worden geacht.

4.6

Geluidhinder

De Wet geluidhinder (Wgh) beschouwt een woning als een geluidsgevoelig gebouw. De 'geluidbelasting' op gevels van woningen en andere geluidsgevoelige objecten mag niet hoger zijn dan een in de wet bepaalde norm. Daarom dient er een toetsing plaats te vinden aan de eisen uit de Wet geluidhinder. De Wet geluidhinder gaat in op zowel wegverkeerslawaai, spoorweglawaai als industrielawaai. Voor het onderhavige plan is alleen wegverkeerslawaai relevant. Een akoestisch onderzoek is op grond van de Wgh noodzakelijk wanneer een geluidgevoelig gebouw gelegen is binnen een door deze wet aangewezen geluidzone. Bij wegverkeerslawaai geldt een uitzondering voor wegen die gelegen zijn binnen een als woonerf aangeduid gebied en/of wegen waarvoor een maximum snelheid geldt van 30 km/uur. Wel dient er sprake te zijn van een 'goede ruimtelijke ordening' om een goed woon- en leefklimaat te garanderen.

Onderzoek Het plangebied is gelegen aan de Efterwei. Ter plaatse geldt een snelheidsregime van 60 km/uur. In het kader van de Wgh moet het plangebied als buitenstedelijk worden aangemerkt. In buitenstedelijk gebied geldt voor een 60 km/uur weg, bestaande uit één of twee rijstroken, een geluidszone van 250 m. Deze zone strekt zich uit vanaf de as van de weg tot de volgende breedte aan weerszijden van de wegvoorgenomen ontwikkeling worden vier geluidsgevoelige gebouwen mogelijk gemaakt die allemaal binnen de geluidszone van 250 m worden gesitueerd. Er is daarom akoestisch onderzoek nodig.

40

NL.IMRO.0090.BP2023BGB102-0401

Efterw ei 22, 22a en 22b te Rottevalle

Bij de gemeente zijn geen verkeerstelgegevens van de Efterwei beschikbaar. Hierom wordt met aannames in het akoestisch rekenmodel gewerkt. Het akoestisch rekenmodel en de daarbij behorende resultaten zijn als Bijlage 8 bij de toelichting gevoegd. In het onderstaande wordt hierop ingegaan.

Het rekenmodel wijst uit dat als de weekdagetmaalintensiteit in 2033 niet meer bedraagt dan 900 motorvoertuigen per etmaal, er geen hogere waarden nodig zijn voor de nieuwe woningen. Dit is overigens ruim meer dan hetgeen in redelijkheid te verwachten is. In de feitelijke situatie zal de weekdagetmaalintensiteit namelijk naar verwachting lager zijn. In het onderstaande wordt dit nader onderbouwd.

Op 15 september 2015 is voor het nabijgelegen perceel Efterwei 33 een bestemmingsplan is vastgesteld voor woningbouw. Destijds zijn berekeningen gemaakt met 400 motorvoertuigen per weekdagetmaal in 2025, op basis van tellingen van de gemeente. De 48 dB-contour ten opzichte van de weg bedroeg in die situatie ongeveer 10 m. Naar aanleiding van deze uitkomsten is bij het voorliggende bestemmingsplan uitgegaan van een worst-case situatie bestaande uit 500 motorvoertuigen per etmaal (25% groei in 8 jaar). Uit de uitkomsten blijkt dat het geluidsniveau ten plaatse van alle geluidgevoelige objecten in het plangebied (de vier nieuwe woningen) onder de 48 dB blijft en er ondanks de worst-case aanname met zekerheid blijkt dat er wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB.

Conclusie De uitvoerbaarheid van het voorliggende plan wordt niet belemmerd door geluidhinder.

4.7

Hinder van bedrijven en voorzieningen

Wettelijk kader Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, als uitgangspunt van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), is het waarborgen van voldoende afstand tussen hinderveroorzakende functies zoals bedrijven en voorzieningen, en hindergevoelige functies zoals woningen, noodzakelijk. Bij de ruimtelijk-functionele afstemming hiervan kan gebruik worden gemaakt van de richtafstanden uit de basiszoneringslijst van de publicatie Bedrijven en milieuzonering (2009) van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Een richtafstand wordt beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten (betreffende geluid, geur, stof en gevaar) redelijkerwijs kan worden uitgesloten in gebieden met functiescheiding (omgevingstype 1: rustige woonwijk, dan wel rustig buitengebied). De grootst aangegeven afstand is bepalend.

Als aan de gestelde richtafstanden wordt voldaan, is op die punten sprake van een goede ruimtelijke ordening. De genoemde maten zijn evenwel richtinggevend en met een goede motivering kan en mag hiervan worden afgeweken. De richtafstanden zijn overigens niet alleen gekoppeld aan de milieucategorie van een te beoordelen bedrijf/voorziening maar ook aan de karakterisering van de omgeving. Zo kan in geval van een gemengd gebied (omgevingstype 2), waar sprake is van functiemenging in plaats van functiescheiding, worden gewerkt met een verkleinde richtafstand. Hiertoe kan de minimale richtafstand met één afstandsstap worden verkleind.

Het geldend bestemmingsplan vormt het juridisch-planologisch kader van functies, bebouwing en werkzaamheden die in de verschillende op de verbeelding aangegeven bestemmingen zijn toegelaten. Een studie hiernaar vormt een goede toetsing van het aspect bedrijven- en milieuhinder.

Toetsing

NL.IMRO.0090.BP2023BGB102-0401

41

Efterw ei 22, 22a en 22b te Rottevalle

Het plangebied ligt net buiten de dorpskern en ligt daardoor in het zuidwestelijke deel van het dorp Rottevalle. Dit deel van het dorp is qua aard en schaal aan te merken als het buitengebied. In de omgeving van het plangebied is diverse lintbebouwing gesitueerd. Het gaat overwegend om woonfuncties, met daar tussenin enkele (agrarische) bedrijven. Het plangebied wordt op grond hiervan aangemerkt als 'rustig buitengebied'. Externe werking Bij externe werking gaat het voornamelijk om de vraag of het planvoornemen leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar gezien, in strijd kan worden geacht met een goede ruimtelijke ordening. Hiervan is sprake indien het woon- en leefklimaat van omwonenden wordt aangetast of de realisatie van het plan leidt tot hinder of belemmeringen voor bedrijven uit de omgeving. Het planvoornemen ziet niet op de realisatie van een milieubelastende functie waardoor er, vanuit oogpunt van externe werking, geen sprake is van een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat van omliggende functies. Wel wordt de Efterwei 22a in zijn geheel als agrarisch bedrijf wegbestemd. Hierdoor wordt een huidige milieubelastende functie uit het plangebied verwijderd, waarmee bestaande hinder/milieubelasting ten einde komt.

Interne werking Bij interne werking gaat het om de vraag of nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving.

In het plangebied bevindt zich een bedrijfsbestemming ter plaatse van het perceel Efterwei 22. Deze bedrijfsbestemming biedt de mogelijkheid om op dit adres bedrijvigheid te ontwikkelen tot maximaal milieucategorie 3.1. Dit betekent dat er richtafstand geldt van 50 m tussen de bedrijfsbestemming en de te realiseren woonbestemming in het plangebied. Aan een dergelijke richtafstand kan niet worden voldaan. Echter wordt de bedrijfsbestemming met de voorgenomen ontwikkeling herbestemd naar 'Wonen - Woonboerderij'. Daarmee komt de mogelijkheid van het houden van een agrarisch bedrijf ter plaatse te vervallen (door het agrarisch bedrijf weg te bestemmen). Hierdoor vervalt ook de aan te houden richtafstand van 50 m en levert de eerder toegestane bedrijvigheid ter plaatse geen beperkingen meer op voor de te realiseren woningen.

Ten westen van het plangebied bevindt zich een bouwbedrijf. Op grond van de bedrijfsbestemming die hier geldt is bedrijvigheid van milieucategorie 1 en 2 toegestaan. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - bouwbedrijf' is het echter ook mogelijk om hier bouwbedrijven te vestigen. Gelet op de oppervlakte van de bedrijfsbestemming kan voor deze bedrijvigheid het beste aansluiting worden gezocht bij de functie 'bouwbedrijven algemeen: b.o. <= 2.000 m2' uit de VNG publicatie. Dit leidt tot een richtafstand van 50 m. Aan deze richtafstand kan ruimschoots voldaan worden. De afstand tussen de bedrijfsbestemming van het bouwbedrijf en de woonbestemming die met dit plan mogelijk wordt gemaakt bedraagt circa 130 m.

Ten oosten van het plangebied bevindt zich een sportpark waar onder meer een tennisbaan aanwezig is. Bij een dergelijk sportpark dient een richtafstand van 50 m (milieucategorie 3.1) te worden aangehouden. Aan deze richtafstand kan niet worden voldaan. De bestemming 'Sport' waarbinnen de tennisbaan ligt, biedt evenwel ruimte om met velden en accommodatie te schuiven. Als gevolg van de komst van de vier woningen wordt die schuifruimte ingeperkt. In de praktijk zal deze schuifmogelijkheid een theoretische mogelijkheid betreffen omdat het terrein geheel is ingericht en is voorzien van een goed verzorgde accommodatie. De schuifmogelijkheid ligt dan ook niet in de lijn der verwachtingen. Verwacht mag worden dat de tennisbaan geen onevenredige hinder gaat veroorzaken voor de te realiseren woningen. Desalniettemin is aan de hand van het planvoornemen tijdens de ontwerpfase van het bestemmingsplan nader bestudeerd in hoeverre geluidhinder kan optreden op de vier te realiseren woningen bij een gewijzigde terreininrichting van het sportcomplex. Deze zogeheten akoestische

42

NL.IMRO.0090.BP2023BGB102-0401

Efterw ei 22, 22a en 22b te Rottevalle

onderbouwing is als Bijlage 9 bij dit bestemmingsplan gevoegd.

Resultaten akoestische onderbouwing Uit de akoestische onderbouwing blijkt dat bij volledige invulling van het sportterrein het op basis van de afstanden uit de VNG-publicatie 'Bedrijven- en milieuzonering' mogelijk is de twee meest westelijk gelegen woningen zonder meer te realiseren. De twee woningen aan de oostzijde liggen binnen de 50 m-contour. Voor deze beide woningen is nader onderzocht wat de impact van de aanwezigheid van het sportcomplex is voor deze woningen. Hiervan zijn in de akoestische onderbouwing diverse uitgangspunten voor het geluidsmodel gedefinieerd.

Op basis daarvan bedraagt de geluidsbelasting ten gevolge van het sportcomplex in de huidige situatie ter plaatse van het planvoornemen ten hoogste 46 dB(A). Ter plaatse van reeds aanwezige bebouwing rond het sportcomplex bedraagt de geluidsbelasting ten hoogste 51 dB(A). Er mag dan ook worden geconcludeerd dat geen verdere belemmeringen optreden voor het sportcomplex vanwege uitvoering van het planvoornemen. De geluidsbelasting ten gevolge van het sportcomplex in een 'toekomstige' (fictieve) situatie bedraagt ten hoogste 49 dB(A). Deze geluidsbelasting in geval van uitbreiding van het sportcomplex (zoals met padelbanen bij de tennisvereniging) ligt weliswaar 3 dB hoger dan in de huidige situatie, maar is nog altijd lager dan de geluidsbelasting ter plaatse van de reeds aanwezige bebouwing rond het sportcomplex aangezien die ten hoogste 51 dB(A) bedraagt. Ook met deze onderzoeksresultaten kan dus worden geconcludeerd dat geen sprake is van het opwerpen van verdere belemmering van de actitiviteiten op het sportcomplex vanwege het voorliggende plan. Daarnaast blijken de maximale geluidsniveaus (bepaald door het gebruik van een scheidsrechtersfluit) in de bestaande situatie ter plaatse van de bestaande bebouwing maatgevend ten opzichte van de nieuw te realiseren woningen. Ook de maximale geluidsniveaus vormen geen belemmering voor het voorliggende planvoornemen.

Tot slot geldt dat wanneer er wijzigingen op het sportcomplex plaatsvinden een melding in het kader van het Activiteitenbesluit nodig kan zijn. Het voorliggende plan wordt echter pas definitief voor realisatie wanneer het Activiteitenbesluit niet meer bestaat vanwege de invoering van de Omgevingswet per 1 januari 2024, en de regels daaruit zijn overgeplaatst naar het wettelijk regime onder de Omgevingswet. De voornoemde melding zal derhalve in het kader van het tijdelijk omgevingsplan van de gemeente Smallingerland plaatsvinden. Indien uit de melding blijkt dat voldoende aannemelijk is dat niet wordt voldaan aan de geluideisen, kan de gemeente middels een maatwerkbesluit in dergelijke situaties verplichten dat er een geluidrapport wordt ingediend.

Bovendien zal het in gebruik nemen van een andere omroepinstallatie op zeker moment een akoestische onderbouwing vergen. Door zorgvuldige productselectie, uitbalanceren en africhten hoeft volgens het akoestisch adviesbureau echter geen hinder te worden veroorzaakt bij de te realiseren woningen.

Conclusie Het planvoornemen mag op grond van voorgaande en de opgestelde akoestische onderbouwing wat betreft het aspect bedrijven- en milieuzonering uitvoerbaar worden geacht.

4.8

Lichthinder

Toetsingskader Een verlichtingsinstallatie, die sportbeoefenaars in staat stelt om hun sport ook na zonsondergang te bedrijven, kan invloed hebben op het woongenot van omwonenden door onbedoelde lichtuitstraling buiten

NL.IMRO.0090.BP2023BGB102-0401

43

Efterw ei 22, 22a en 22b te Rottevalle

een sportcomplex. Visuele effecten ten gevolge van een buitenverlichtingsinstallatie in de omgeving, die mogelijk hinder veroorzaken, zijn onder andere lichtinval en het vanuit normaal te achten zichtposities direct zicht hebben op (te) heldere verlichtingsarmaturen. Als aangegeven in de vorige paragraaf wordt in de VNG-publicatie Bedrijven en Milieuzonering voor een aantal aspecten een indicatieve afstand voor hinderveroorzakende functies aangegeven. Voor geur, stof, geluid en gevaar gelden minimale richtafstanden bij ruimtelijke ontwikkelingen wanneer in de omgeving hindergevoelige bestemmingen zoals woningen zijn betrokken. Voor het aspect lichthinder is geen minimale richtafstand aangegeven, maar geldt op grond van de VNG-publicatie wel een mate van mogelijke visuele hinder met een index tussen 1 (weinig hinder) tot 3 (veel hinder).

Toetsing Ten oosten van het plangebied bevindt een veldsportcomplex met verlichting. Bij een veldsportcomplex met verlichting is een indexering van 2 van toepassing. Deze visuele hinder ziet overigens niet alleen op lichthinder maar ook op verstoring van een gebied door het gehele complex van velden met bijbehorende bouwwerken. Zoals opgemerkt in de vorige paragraaf is er op het veldsportcomplex ook een tennisbaan met verlichting aanwezig. Voor deze tennisbaan is eveneens een indexering van 2 aan de orde. Voor het plangebied geldt dat er aan de meest westelijke kant van het veldsportcomplex geen lichtmasten aanwezig zijn. Deze bevinden zich meer in het centrale en noordelijke deel van het sportcomplex. De dichtstbijzijnde lichtmasten bevinden zich om de tennisbaan heen. Het veldsportcomplex is echter aan de westelijke zijde begrensd door hoge bomen die voor een afschermende werking van eventuele lichthinder zorgen. De woningen in het plangebied zijn door deze beplanting beschermd voor mogelijke lichthinder afkomstig van zowel het gehele veldsportcomplex als de tennisbaan. Bovendien bevinden de lichtmasten van de tennisbaan zich op een grote afstand (circa 47 m) van de begrenzende beplanting. Lichthinder afkomstig van het veldsportcomplex ligt daardoor niet in de lijn der verwachtingen.

Conclusie De uitvoerbaarheid van het planvoornemen wordt niet belemmerd door onevenredige lichthinder.

4.9

Luchtkwaliteit

Toetsingskader De Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit zijn door Nederland geïmplementeerd in de Wet milieubeheer. Projecten die 'niet in betekenende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit te worden getoetst. De criteria die beoordelen of er voor een project sprake is van nibm, zijn in de AMvB-nibm vastgelegd.

Toetsing Het planvoornemen voorziet in de toevoeging van 4 woningen. De gevolgen van woningbouw voor de luchtkwaliteit zijn in veel gevallen klein. Voor de categorie woningbouwlocaties geldt een getalsmatige grens van: ca 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg; ca 3.000 woningen (netto) bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Het planvoornemen blijft ruimschoots onder de hiervoor genoemde grenzen. Het planvoornemen kan als 'nibm' worden beschouwd.

Conclusie

44

NL.IMRO.0090.BP2023BGB102-0401

Efterw ei 22, 22a en 22b te Rottevalle

Het planvoornemen kan wat het aspect luchtkwaliteit betreft als uitvoerbaar worden geacht.

4.10

Verkeer en parkeren

Inleiding In deze paragraaf wordt getoetst of er geen onevenredige belasting plaatsvindt op de omliggende infrastructuur van het plangebied. Daarnaast wordt getoetst of er voldoende parkeerruimte aanwezig is in verband met de nieuw te realiseren functies.

Verkeer Het planvoornemen voorziet in 4 nieuwe woningen in het plangebied. Om een inschatting te kunnen maken van de verkeersgeneratie die hierdoor wordt veroorzaakt, zijn de kencijfers van het CROW geraadpleegd (publicatie 381, december 2018). Hierbij is de categorie 'Koop, huis, vrijstaand' in het buitengebied en in een niet stedelijke omgeving als uitgangspunt genomen. Dit komt uit op een verkeersgeneratie van 8,6 verkeersbewegingen (motorvoertuigen per weekdaggemiddelde) per woning. De extra verkeersgeneratie van het planvoornemen bedraagt daardoor 4 X 8,6 = 34,4, oftewel 35 verkeersbewegingen. De Efterwei is goed in staat om dit aantal verkeersbewegingen op te vangen. Bovendien is er door het wegbestemmen van de vleeskuiken- en schapenhouderij ter plaatse van de Efterwei 22 geen sprake meer van zware verkeersbewegingen. Het aspect verkeer vormt al met al geen beperkingen voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.

Parkeren In paragraaf 3.4.4 is uitgebreid ingegaan op het parapluplan parkeernormen en de daarbij behorende parkeernormen die op het plangebied van toepassing zijn. In die paragraaf is onderbouwd dat er voldoende parkeerplaatsen aanwezig zijn voor de woningen die in het plangebied mogelijk worden gemaakt. Het aspect parkeren zit de uitvoerbaarheid van het planvoornemen dan ook niet in de weg.

Conclusie Het planvoornemen mag wat de aspecten verkeer en parkeren betreft uitvoerbaar worden geacht.

4.11

M.e.r.-verantwoording

Toetsingskader In het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning plan-m.e.r.-plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Indien een activiteit onder de drempelwaarden blijft, moet er alsnog een zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsvinden, waarbij onderzocht dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de mogelijke (milieu)effecten. Per 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor de ontwerp-bestemmingsplanfase moet een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Deze beslissing wordt als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen.

Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde komt moet de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie opstellen, waarbij ook mitigerende maatregelen mogen

NL.IMRO.0090.BP2023BGB102-0401

45

Efterw ei 22, 22a en 22b te Rottevalle

worden meegenomen. Het bevoegd gezag dient binnen zes weken na indienen een m.e.r.-beoordelingsbesluit af te geven. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsbeslissing hoeft echter niet gepubliceerd te worden. Toetsing Op het planvoornemen is de D-lijst van het Besluit m.e.r. van toepassing. D 11.2 De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling spelen een rol. Uit jurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2020:729) blijkt dat een bestemmingsplan dat voorziet in 12 woningen, gelet op de aard en omvang ervan, niet kan worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject. Daarbij is van belang dat sprake is van bestaand gebouwd gebied en dat het ruimtebeslag van de voorziene bebouwing beperkt is. Het plangebied sluit aan op het bestaand bebouwd gebied en voorziet in een toevoeging van 4 woningen. De ruimtebeslag die hiermee gepaard gaat is van beperkte aard.

Al met al kan de voorgenomen ontwikkeling niet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject. Een plan-MER of vormvrije m.e.r.-beoordeling is niet nodig. Daarnaast zijn de milieueffecten van het planvoornemen in voorgaande paragrafen reeds onderzocht. Op basis hiervan mag worden aangenomen dat de toekomstige activiteiten in het plangebied geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zullen hebben. Naar alle Europese criteria voor de afweging hieromtrent is gekeken. Het planvoornemen geeft dan ook geen aanleiding voor onderzoek in het kader van het Besluit m.e.r. Conclusie Een plan-m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht is niet aan de orde. Daarnaast zijn relevante omgevingsaspecten in voorgaande paragrafen voldoende aan de orde geweest om op grond daarvan de uitvoerbaarheid van het plan te kunnen beoordelen.

46

NL.IMRO.0090.BP2023BGB102-0401

Efterw ei 22, 22a en 22b te Rottevalle

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische toelichting

Plansystematiek

Dit bestemmingsplan is zodanig vormgegeven dat het voldoet aan de vereisten voortkomend uit de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Bij de vormgeving van de regels en de verbeelding is aangesloten op de meest recente regeling Ruimtelijke Standaarden ruimtelijke ordening en is de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP2012) toegepast. Het bestemmingsplan voldoet daarmee aan de digitale verplichtingen zoals die per 01-01-2010 van kracht zijn. SVBP2012 De SVBP2012 bevat een aantal juridische regels die moeten worden opgevolgd. Voor de planregels betekent dit dat er sprake is van een aantal dwingend voorgeschreven begripsbepalingen, die worden neergelegd in artikel 1 aangaande de begrippen. Ook schrijft de SVBP2012 voor op welke wijze er invulling moet worden gegeven aan artikel 2 betreffende de wijze van meten. Vanwege het Bro geldt verder een formulering die ten aanzien van de anti-dubbeltelregel en het overgangsrecht eveneens in de planregels moet worden overgenomen.

5.2

Toelichting op de regels

De regels zijn vervat in artikelen die onderverdeeld zijn in vier hoofdstukken:

Hoofdstuk 1 - Inleidende regels In de 'Inleidende regels' zijn algemene artikelen opgenomen die voor het gehele plan van belang zijn. In artikel 1 zijn omschrijvingen opgenomen van de in het plan voorkomende relevante begrippen. In artikel 2 is vastgelegd op welke wijze dient te worden gemeten. Door deze vaste omschrijving van de begrippen en van de wijze van meten wordt eenduidigheid in de bedoelingen van het plan gegeven en wordt de rechtszekerheid vergroot.

Hoofdstuk 2 - Bestemmingsregels In de 'Bestemmingsregels' zijn de bestemmingen en de gebruiks- en/of bebouwingsmogelijkheden van de betreffende gronden aangegeven. De bestemmingen zijn op alfabetische volgorde benoemd. De regels kunnen onder meer bestaan uit de volgende onderdelen: Bestemmingsomschrijving In de bestemmingsomschrijving is uitgegaan van een volledige opsomming van wat binnen een bestemming functioneel ten aanzien van het gebruik van de gronden is toegestaan. Soms kan het voorkomen dat verschillende functies of bestemmingen naast elkaar zijn toegelaten, soms als primaire bestemming en soms als ondergeschikte bestemming. Bouwregels De bouwregels bieden voor iedere bestemming het kader in hoeverre er ergens gebouwd mag worden. Er zijn regels gesteld met betrekking tot het oprichten van hoofdgebouwen, bijbehorende bouwwerken en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Bouwregels kunnen eisen wat betreft maatvoering, oppervlakte- en inhoudsbepalingen en aantallen te plaatsen bouwwerken omvatten. Nadere eisen Deze bepaling regelt dat het bevoegd gezag de mogelijkheid heeft om op grond van artikel 3.6 lid 1 onder d van de Wet ruimtelijke ordening binnen een bestemming nadere eisen te stellen aan

NL.IMRO.0090.BP2023BGB102-0401

47

Efterw ei 22, 22a en 22b te Rottevalle

onderwerpen of onderdelen die in deze bestemming zijn geregeld. Afwijken van de bouwregels Met het afwijken van de bouwregels wordt geregeld dat door het bevoegd gezag in voorkomende gevallen onder voorwaarden bij verschillende bestemmingen kan worden afgeweken van de eerder opgenomen bouwregels per bestemming. Specifieke gebruiksregels Met specifieke gebruiksregels is vastgelegd welk gebruik in ieder geval tot strijdig met het in de bestemmingsomschrijving toegestane gebruik wordt gerekend. Afwijken van de gebruik sregels Burgemeester en wethouders kunnen in een aantal concrete situaties bij een omgevingsvergunning afwijken van de gebruiksregels van dit plan. Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werk zaamheden Hiermee wordt geregeld dat met omgevingsvergunning toestemming dient te worden gekregen om bepaalde werkzaamheden in gebieden met een onderkende waarde (uit bijvoorbeeld een landschappelijk of cultuurhistorisch oogpunt) uit te voeren. Het kan hierbij zoal om het dempen of graven van water, het aanleggen van wegen of het aanplanten van bomen gaan.

Hoofdstuk 3 - Algemene regels In de 'Algemene regels' staan artikelen benoemd die voor alle of meerdere bestemmingen gelden. Het betreffen onder andere de voor alle bestemmingen geldende algemene bouw- en gebruiksregels. In de algemene aanduidingsregels is een regeling opgenomen binnen een gebiedsaanduiding die geldt binnen meerdere bestemmingen. Het betreft een regeling voor het behoud van de houtsingels. De afwijkingsmogelijkheden in de verschillende bestemmingen en de algemene afwijkingsregels zorgen verder voor enige flexibiliteit in het plan. De algemene afwijkingen zijn niet specifiek op één bestemming gericht; zij kunnen gebruikt worden ten aanzien van alle bestemmingen. In de overige regels is tot slot het parkeerverhaal met betrekking tot parkeergelegenheid, een regeling voor paardenbakken en voor kleinschalige kampeerterreinen verwerkt.

Hoofdstuk 4 - Overgangs- en slotregels Ten slotte bevat het bestemmingsplan nog 'Overgangs- en slotregels'. Dit betreft overeenkomstig de in het Bro voorgeschreven artikelen over het overgangsrecht met betrekking tot bouwwerken en gebruik en afsluitend de slotregel.

5.3

Toelichting op de bestemmingen

Agrarisch met waarden - Besloten gebied Het perceel achter de woonboerderij aan de Efterwei 22 in Rottevalle behoudt de bestemming 'Agrarisch met waarden - besloten gebied'. Er mag geen intensieve veehouderij meer plaatsvinden. De gronden zijn bestemd voor agrarische cultuurgrond en een aantal bijbehorende functies. Daarnaast zijn de gronden bestemd voor het behoud en herstel van cultuurhistorische en landschappelijke waarden. De regeling is gelijk aan die in het bestemmingsplan Buitengebied 2013, met uitzondering van de mogelijkheden voor het bouwen voor en uitoefenen van een agrarisch bedrijf.

48

NL.IMRO.0090.BP2023BGB102-0401

Efterw ei 22, 22a en 22b te Rottevalle

Verkeer - Verblijf Binnen de bestemming 'Verkeer - Verblijf' is de ontsluiting van de woonhuizen geregeld. Zo zijn de gronden bestemd voor wegen, voet- en fietspaden en parkeervoorzieningen. Er mogen gebouwen ten behoeve van openbare nutsvoorzieningen worden gebouwd.

Wonen De vier nieuw te bouwen woningen, kunnen worden gebouwd op de gronden voorzien van de bestemming 'Wonen'. Binnen deze bestemming mag gewoond worden, eventueel in combinatie met werk aan huis of een bêd & brochje. Per bouwvlak mogen er twee woningen worden gebouwd. De maatvoering is opgenomen in de regels. Ook is de nokrichting in de regels opgenomen. Er is een regeling opgenomen voor het bouwen van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Binnen de aangegeven aanduiding "specifieke bouwaanduiding bebouwingsvrije zone" geldt dat geen gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn toegestaan. Ook vergunningsvrije bouwwerken zijn binnen dat aanduidingsvlak niet toegestaan. Vrijstaande bijgebouwen en gebouwde erf- en terreinafscheidingen zijn binnen de gehele bestemming niet toegestaan. Voor het gebruik voor werk aan huis en/of een bêd & brochje gelden specifieke gebruiksregels. Het realiseren en in stand houden van de landschappelijke inpassing is als voorwaardelijke verplichting opgenomen. Daarnaast is er een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek voor de locatie gelegen binnen de bestemming Wonen - Woonboerderij en groen omcirkeld in Bijlage 7 van de Regels.

Zonder omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden mag er geen paardenbak worden aangelegd.

Wonen - Woonboerderij De huidige bedrijfswoning met bedrijfsbebouwing is ondergebracht in een regeling voor een woonboerderij binnen de bestemming 'Wonen - Woonboerderij'. Voor wat betreft de bouwregels is aangesloten bij de bestaande maatvoering. Er zijn specifieke gebruiksregels opgenomen voor de uitoefening van nevenactiviteiten.

Waarde - Archeologie Op basis van de provinciale archeologische waardenkaarten ('FAMKE') geldt voor het plangebied een vrijstellingsgrens tot 25.000 m² (2,5 ha) en 0,3 m -mv (beneden maaiveld) voor wat betreft onderzoek naar het voorkomen van mogelijk archeologische waarden. Ter bescherming van deze archeologische waarden is op de verbeelding een archeologische dubbelbestemming opgenomen en is hieraan in de regels een beschermingsregeling verbonden. Archeologisch onderzoek is hiermee noodzakelijk gesteld bij ruimtelijke ingrepen in de bodem van meer dan 25.000 m² en dieper dan 0,3 m -mv.

5.4

Bestemmingsplanprocedure

De bestemmingsplanprocedure is geregeld in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In de procedure zijn de volgende fasen te onderscheiden:

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14968472/1