CConstaterende datSmallingerland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2a - Efterwei 22, 22a en 22b te Rottevalle

Het Debat 11 februari 2025, gemeente SmallingerlandBij agendapunt: Bestemmingsplan Efterwei 22, 22a en 22b te Rottevalle28.164 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Ontwerpbestemmingsplan en vaststellingsprocedure Na aankondiging in het Gemeenteblad en op de website www.ruimtelijkeplannen.nl, wordt het ontwerpbestemmingsplan gedurende 6 weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode kan een ieder zienswijzen omtrent het ontwerp naar voren brengen. Na afloop van de termijn van de terinzagelegging stelt de gemeenteraad het bestemmingsplan al dan niet gewijzigd uiterlijk 12 weken na de termijn van terinzagelegging vast.

NL.IMRO.0090.BP2023BGB102-0401

49

Efterw ei 22, 22a en 22b te Rottevalle

Vastgesteld bestemmingsplan en beroepsprocedure Na de vaststelling van het bestemmingsplan maakt de gemeenteraad het vaststellingsbesluit bekend en legt het vastgestelde bestemmingsplan ter inzage. Iedereen die een zienswijze heeft ingediend, heeft ook de mogelijkheid om beroep in te stellen. Op deze hoofdregel is een aantal uitzonderingen: tegen gewijzigde vaststelling kan beroep worden ingediend zonder dat een zienswijze is ingediend, als de gewijzigde vaststelling leidt tot een belang van diegene die eerder geen aanleiding zag om een zienswijze in te dienen; als kan worden aangetoond dat er een dringende reden bestond waarom geen zienswijze is ingediend. Deze optie is gebonden aan een strikte uitleg en zal niet snel aan de orde zijn. Indien Gedeputeerde Staten (GS) of de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) een zienswijze hebben ingediend die door de gemeenteraad niet volledig is overgenomen of indien de gemeenteraad het bestemmingsplan gewijzigd heeft vastgesteld, geschiedt bekendmaking en terinzagelegging uiterlijk 6 weken na vaststelling. Binnen 6 weken na bekendmaking van het vaststellingsbesluit kan er beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS).

Indien het bestemmingsplan ongewijzigd is vastgesteld en er gehoor is gegeven aan zienswijzen van GS en/of de ILT wordt het vaststellingsbesluit door de gemeenteraad uiterlijk 2 weken na vaststelling bekend gemaakt. Tevens wordt uiterlijk 2 weken na vaststelling het bestemmingsplan ter inzage gelegd.

50

NL.IMRO.0090.BP2023BGB102-0401

Efterw ei 22, 22a en 22b te Rottevalle

Hoofdstuk 6

Uitvoerbaarheid

Wettelijk bestaat de verplichting om inzicht te geven in de uitvoerbaarheid van een plan. Wat dat betreft wordt een onderscheid gemaakt in de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.1

Economische uitvoerbaarheid

Het voorliggende bestemmingsplan is opgesteld naar aanleiding van een verzoek van de initiatiefnemer. De initiatiefnemer draagt de uit het plan voortkomende kosten. Het kostenverhaal wordt in de overeenkomst middels een exploitatiebijdrage geregeld. Op basis van deze overweging is het voorliggende bestemmingsplan economisch uitvoerbaar. De uitvoerbaarheid van het voorliggende bestemmingsplan wordt niet door onvoldoende economische uitvoerbaarheid belemmerd.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1

Wetttelijk vooroverleg

Artikel 3.1.1 van het Bro verplicht om bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te voeren met het Rijk, de provincie en het waterschap. Facultatief kan overleg worden gevoerd met ander maatschappelijke organisaties. Dit overleg is vormvrij en de betreffende instanties kunnen ook aangeven wanneer overleg niet nodig is. Van Provincie Fryslân, Brandweer Fryslân, Wetterskip Fryslân, N.V. Nederlandse Gasunie en Tennet is reactie ontvangen. De ontvangen overlegreacties zijn als Bijlage 10 bij dit bestemmingsplan opgenomen. In navolgende is de inhoud daarvan samengevat en van een beantwoording voorzien.

Overlegreactie Provincie Fryslân Door provincie Fryslân zijn de volgende opmerkingen bij het planvoornemen van dit bestemmingsplan gemaakt: 1. Er wordt gemeend dat de ontwikkeling is toegestaan, omdat er sprake zou zijn van een bestaand bebouwingscluster waar de vier woningen aan kunnen worden toegevoegd. Echter, op grond van de begripsbepaling van Verordening Romte is hier geen sprake van een bebouwingscluster. 2. Hoewel de locatie aansluit bij het bestaand stedelijke gebied, zal een nieuw bebouwingcluster geen aansluiting vinden bij de bestaande stedelijke structuren. Dit komt door de ligging van de sportvelden aan de rand van de kern. Een nieuw cluster vinden wij stedenbouwkundig en landschappelijk niet wenselijk. 3. Omdat er voldoende wordt gesloopt, kan ter plaatse van de te slopen kippenschuren de ruimte-voor-ruimte regeling worden toegepast. Ook zien wij mogelijkheden voor maximaal twee woningen in het lint op het beoogde nieuwe bouwperceel. Voor nog eens twee woningen in een tweede rij zien wij stedenbouwkundig en landschappelijk geen aanknopingspunten. Wij adviseren u eerst een Omgevingstafel te organiseren en de provincie daar bij te betrekken. 4. Ongeacht het voorgaande merken wij op dat de borging van de landschappelijke inpassing en de dubbelbestemming archeologie nog ontbreken. Tot slot wijzen wij u op de nieuwe release van de AERIUS-calculator van 5 oktober jl.

Reactie: Ad. 1. De gemeente deelt de opstelling van de provincie ten aanzien van stedenbouw en landschap niet. Hierover zal de gemeente met provincie in gesprek treden.

NL.IMRO.0090.BP2023BGB102-0401

51

Efterw ei 22, 22a en 22b te Rottevalle

Ad. 2. De landschappelijke inpassing van het geheel vindt plaats met de door de gemeente gehanteerde en gebruikelijke regelingen voor behoud en versterking van houtsingels in het buitengebied. Hieromtrent is een uitgebreide juridische regeling in dit bestemmingplan opgenomen.

Ad. 3. Een archeologische dubbelbestemming is voorts niet voor dit gebied aan de orde. Hiervan was al geen sprake in het geldende bestemmingsplan Buitengebied. Ook de verwachtingswaarden in het gebied zijn dusdanig laag op FAMKE (geen onderzoek noodzakelijk respectievelijk enkel onderzoek bij grote ingrepen) dat een dergelijke beschermingsregeling onnodig is.

Ad. 4. We zijn verder op de hoogte van de AERIUS-calculator van 5 oktober jl, die inmiddels ook al weer moest worden herzien vanwege fouten in de brongegevens. De meest actuele calculator op moment van schrijven is die van 6 november jl. Er resteerde voor dit bestemmingsplan geen tijd en capaciteit meer richting ontwerp om voorliggend planvoornemen nogmaals door dit geactuliseerde AERIUS-programmapakket te halen. Dit zal plaatsvinden richting vaststelling van het plan.

Overlegreactie Brandweer Fryslân Brandweer Fryslân voorziet voor het plangebied een knel-/aandachtspunt met betrekking tot de bereikbaarheid, het bluswater en de zelfredzaamheid. In overeenstemming met de punten die genoemd zijn in de bijgevoegde bijlage adviseert Brandweer Fryslân om: De initiatiefnemer mee te geven dat detectie (in de vorm van installaties) en het hebben van blusmiddelen kan bijdragen aan een snellere ontdekkingstijd en daarmee de kans op een escalatie kan verminderen; Rookmelders in de boerderij te (laten) plaatsen in geval deze nog niet aanwezig zijn. Deze vergroten namelijk de kans op een veilige ontvluchting; De weg minimaal 5 m breed te maken als er geen keerlus aan het eind van de doodlopende weg wordt gerealiseerd, of minimaal 4,50 m als er een keerlus aan het eind van de doodlopende weg wordt gerealiseerd; Te borgen dat er meer dan 4,2 m vrije ruimte in de hoogte aanwezig is; Om de wegen te berekenen op een totaalgewicht van 30 ton en een asbelasting van 11,5 ton; De bochtenstraal te laten voldoen aan R5.5 en R10. Reactie: Deze reactie wordt ter kennisgeving aangenomen. De door Brandweer Fryslân genoemde punten worden betrokken bij de technische uitwerking van het planvoornemen en bij de aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen.

Overlegreactie Wetterskip Fryslân Het Wetterskip vraagt aandacht voor de volgende punten: 1. In de waterparagraaf wordt geschreven over de toename van het oppervlak aan verharding. In dit plan wordt ook bebouwing gesloopt. Aan de waterparagraaf toevoegen dat dit een vermindering van het verhardingsoppervlak is. In de berekening kan de afname van de verharding afgetrokken worden van de toename. 2. In de noordoostelijke hoek van het plangebied ligt een rioolpersleiding van Wetterskip Fryslân. Als aanvulling op de digitale watertoets hebben wij aangegeven dat deze persleiding bereikbaar moet zijn voor onderhoud enin geval van calamiteiten. In een strook van 6 m (3 m aan weerszijden van de persleiding, gerekend vanuit het hart van de leiding) heeft Wetterskip Fryslân beperkt recht van

52

NL.IMRO.0090.BP2023BGB102-0401

Efterw ei 22, 22a en 22b te Rottevalle

opstal. Hier gelden beperkingen voor het grondgebruik. De eigenaar mag hier zonder schriftelijke toestemming van Wetterskip Fryslân een aantal werkzaamheden niet uitvoeren (zoals het oprichten van een bouwwerk en het aanplanten van bomen of diepwortelende struiken). De grond waarin de rioolpersleiding ligt, en de strook van 3 m aan weerszijden, mag niet in eigendom komen van particulieren. Dit omdat het bouwen van schuren en schuttingen vaak vergunningsvrij mogelijk is. Het is dan niet te voorkomen dat er schuurtjes of iets dergelijks worden gebouwd op de persleiding, wanneer deze door de tuin van particulieren ligt. Bij het uitbreidingsplan bij de Efterwei 22a is het niet mogelijk om de rioolpersleiding om te leggen. Met het stedenbouwkundig bureau van dit bestemmingsplan is afgesproken om de strook van de persleiding te bestemmen als Agrarisch. Uit de waterparagraaf en de verbeelding is niet op te maken of dit goed verwerkt is. Graag ontvangen wij verduidelijking dat er geen bestemming Wonen op de genoemde strook komt te liggen en dit ook benoemen in het bestemmingsplan. 3. Het plangebied ligt binnen de Friese boezem. Het maaiveld ligt inderdaad op een hoogte ruim boven de maatgevende boezemstand en met een ruime drooglegging. In de tekst wordt verwezen naar de AHN4. Deze is niet van april 2023. 4.

Als aanvulling op de digitale watertoets hebben wij doorgegeven dat het niet is toegestaan om een verharde toegangsweg aan te leggen binnen de beschermingszone van de hoofdwatergang. Dit vanwege de breedte van de watergang en het onderhoud (hekkelen en baggeren) wat eenzijdig vanaf de westzijde met een rupskraan uitgevoerd moet worden. In de waterparagraaf van het concept bestemmingsplan is nu opgenomen dat de erfontsluiting wel binnen de beschermingszone van de hoofdwatergang gelegd wordt. Dit is niet mogelijk en Wetterskip Fryslân zal hiervoor geen watervergunning verlenen. In hoofdstuk 2.2 is opgenomen dat de ontsluiting tussen de voorste twee woningen gerealiseerd wordt. Op de Verbeelding is dit ook opgenomen met de bestemming 'Verkeer - Verblijf' tussen de woningen. Zo te zien is klopt de tekst in de waterparagraaf niet met de rest van het bestemmingsplan. Dit aanpassen. In de waterparagraaf wordt geschreven over de hoofdwatergang ten oosten van het plangebied. De hoofdwatergang ligt ook langs de noordzijde van het plangebied. Dit aanvullen. Verder staat er in de tekst dat de woningen buiten de beschermingszone worden gesitueerd. Het gaat niet alleen om de woningen. De beschermingszone van 5 m langs de hoofdwatergang moet geheel obstakelvrij blijven. De tuinen (Woonbestemming) daarom op minimaal 5 m vanaf de insteek van de hoofdwatergang situeren.

Ook eventuele beplanting moet geheel buiten de beschermingszone blijven (het gaat daarbij om de gehele breedte van de beplanting). De waterparagraaf hiermee aanvullen. 5. In hoofdstuk 2.2 wordt geschreven over het bijplanten in bestaande singels, het aanplanten van een nieuwe houtsingel en het graven van een slootje. Deze werkzaamheden liggen (deels) ter plaatse van de regionale waterkering (hoge grond). Gezien de huidige hoogteligging van het maaiveld zien wij daarbij geen problemen. Ook het slopen van de bebouwing (en mogelijk nog andere werkzaamheden) vindt deels plaats binnen de zone van de waterkering. Het is nodig om een watervergunning aan te vragen voor de werkzaamheden ter plaatse van de waterkering. In de waterparagraaf ontbreekt een alinea over de regionale waterkering. Deze nog toevoegen. Reactie: Ad 1.

De waterparagraaf is naar aanleiding van deze opmerking aangepast.

Ad 2. Uit de verbeelding van het bestemmingsplan blijkt dat het gebied waar de leiding ligt en de strook van 3 m aan weerszijden, volledig bestemd is als 'Agrarisch met waarden - Besloten gebied'. Hiermee is uitgesloten dat de gronden bij de woningen kunnen worden getrokken. Als gevolg van de gehanteerde wijze van het inbestemmen van de gronden, is het bij recht onmogelijk gemaakt om schuttingen en/of schuren te bouwen binnen het invloedsgebied van de rioolpersleiding. Dit is nader toegelicht in de waterparagraaf (4.5).

Ad 3.

De verwijziging naar het AHN4 is aangepast naar het correcte jaartal.

NL.IMRO.0090.BP2023BGB102-0401

53

Efterw ei 22, 22a en 22b te Rottevalle

Ad 4. De waterparagraaf is naar aanleiding van deze opmerking aangepast. Naar aanleiding van de adviezen van Wetterskip Fryslân en participatie met de omgeving is de ontsluiting gewijzigd van de oostzijde van het plangebied naar een ontsluitingsweg tussen de voorste twee te realiseren woningen. Dit heeft als gevolg dat er geen verharding en/of bebouwing wordt gerealiseerd in de beschermingszone. Bovendien wordt de beschermingszone van 5 m volledig bestemd als 'Agrarisch met waarden - Besloten gebied' waardoor potentiële bebouwing en verharding wordt uitgesloten. Het voorgaande is nader onderbouwd in paragraaf 4.5.

Ad 5. In de toelichting op het bestemmingsplan is een alinea over de regionale waterkering toegevoegd. Hierin is onderbouwd dat het bijplanten in bestaande singels, het aanplanten van een nieuwe houtsingel en het graven van een slootje (deels) binnen de regionale kering plaatsvinden. Ook is toegelicht dat een watervergunning nodig is voor de werkzaamheden.

Overlegreactie Gasunie Het bestemmingsplan is door de Gasunie getoetst aan externe veiligheid. Op grond van deze toetsing komen wij tot de conclusie dat het plangebied buiten de 1% letaliteitgrens van onze dichtst bij gelegen leiding valt. Daarmee staat vast dat deze leiding geen invloed heeft op de verdere planontwikkeling.

Reactie: Deze overlegreactie wordt voor kennisgeving aangenomen.

Overlegreactie Tennet Binnen de grenzen van dit plan heeft TenneT (na een eerste beoordeling) noch bovengrondse-, noch ondergrondse hoogspanningsverbindingen in beheer. Wij hebben dan ook geen opmerkingen op genoemd plan en wensen u veel succes bij de verdere uitwerking hiervan.

Reactie: Deze overlegreactie wordt voor kennisgeving aangenomen. 6.2.2

Participatie

Het planvoornemen is met diverse belanghebbenden en omwonenden persoonlijk besproken. Hieruit blijkt dat alle gevraagde partijen positief over de voorgenomen ontwikkeling zijn. Er zijn geen bezwaren kenbaar gemaakt. 6.2.3

Terinzagelegging ontwerp bestemmingsplan

Na aankondiging in het Gemeenteblad en op de website www.ruimtelijkeplannen.nl, heeft het ontwerp bestemmingsplan vanaf 13 december 2023 gedurende 6 weken ter inzage gelegen. In deze periode door een ieder zienswijzen omtrent het ontwerp naar voren brengen. De behandeling van de eventueel ingekomen zienswijzen op het plan vindt in een afzonderlijke notitie bij dit bestemmingsplan plaats en wordt te zijner tijd bij het raadsbesluit van het vast te stellen bestemmingsplan gevoegd.

54

NL.IMRO.0090.BP2023BGB102-0401

Efterw ei 22, 22a en 22b te Rottevalle

Bijlagen bij toelichting

NL.IMRO.0090.BP2023BGB102-0401

55

Efterw ei 22, 22a en 22b te Rottevalle

Bijlage 1 Stedenbouwkundig ontwerp en inpassing

56

NL.IMRO.0090.BP2023BGB102-0401

Efterw ei 22, 22a en 22b te Rottevalle

Bijlage 2 Beeldkwaliteitsplan

58

NL.IMRO.0090.BP2023BGB102-0401

Efterwei Rottevalle perceel B5193 Gebiedsbeschrijving

Beleid, waardebepaling en ontwikkeling

Het ontwerp gaat uit van de inpassing van twee erven aan de Efterwei. De twee erven zijn ontsloten met één gezamenlijke oprit. De erven worden ingericht met een stenen woning aan de weg en een schuurwoning op het achtererf. Hiermee wordt aangesloten op het agrarische karakter van de omgeving.

Efterwei Rottevalle perceel B5193 betreft een herontwikkeling waarbij bestaande kippenschuren worden gesloopt en vier nieuwe woningen worden gebouwd om de sloopkosten te financieren. Het plan betreft een maatwerkontwikkeling. Het beleid is erop gericht om een bijzonder woongebiedje te realiseren dat past bij de plek.

Het beeld van een woning met een schuur is het leidende principe. Een compacte situering van de woonvolumes is uitgangspunt om de samenhang tussen de volumes te benadrukken. In de vormgeving is sprake van een duidelijk onderscheid tussen de woning en de schuurwoning. De woning aan de weg bepaalt het aanzicht en heeft een traditionele tot eigentijdse vormgeving, passend in het lint. De schuurwoning is ondergeschikt in het beeld.

De Efterwei bestaat twee deelgebieden: 1. Woningen aan de weg 2. Schuurwoningen op het achtererf

Vrijstaande bijgebouwen en harde erfafscheidingen zijn niet toegestaan. Deze verstoren de samenhang tussen de woning en de schuur. Vergunningsvrije gebouwen zijn ook niet toegestaan. Deze eis wordt als voorwaarden in de koopcontracten vastgelegd. De inrichting van de percelen heeft een groen karakter. Houtsingels, struiken en gras bepalen het aanzicht. Langs de weg wordt de elzensingel hersteld. Aan de oostzijde wordt de bestaande singel gehandhaafd. Een nieuwe sloot markeert de erfgrens. Langs de westzijde wordt een korte elzensingel aangebracht. Deze schermt de bebouwing deels af en verbindt het voor- en achtererf. Tussen de woning aan de weg en de schuurwoningen wordt een groene erfafscheiding aangebracht. Deze zal bestaan uit een haag of lage struiken, zodat de samenhang tussen de woning en de schuur(woning) niet wordt verstoord.

Welstandsambitieniveau

De ontwikkeling betreft een uniek woongebiedje in Rottevalle. Om de gewenste erfopzet goed tot zijn recht te laten komen, geldt voor de deelgebieden een bijzonder welstandsambitieniveau.

Efterwei Rottevalle perceel B5193

Gebiedskenmerken en criteria deelgebied 1. Woningen aan de weg Tabel 1: De plaatsing van gebouwen en corresponderende beleidsintentie Plaatsing

Algemene Beleidsintentie

De woningen zijn met een voorgevel op de weg georiënteerd.

Handhaven

De woning heeft een duidelijke samenhang in de situering met de achterliggende schuurwoning. De hoofdopzet is compact. Aan- en uitbouwen zijn ondergeschikt en liggen achter de voorgevel.

Handhaven

Vrijstaande bijgebouwen zijn niet toegestaan.

Handhaven

Handhaven

Tabel 2: De hoofdvorm van gebouwen en corresponderende beleidsintentie Hoofdvorm

Algemene Beleidsintentie

De hoofdvorm is één bouwlaag met een zadelkap.

Handhaven

Aan- en uitbouwen hebben een plat dak of een kap.

Handhaven

Aangebouwde bijgebouwen hebben een kap.

Handhaven

De nokrichting van alle gebouwdelen is haaks op de weg/evenwijdig aan de verkaveling. Aan- en uitbouwen zijn ondergeschikt.

Handhaven

Dakkapellen, dakopbouwen (opgetrokken gevel) en risalieten zijn ondergeschikt.

Respecteren

Handhaven

Tabel 3: De aanzichten van gebouwen en corresponderende beleidsintentie Aanzichten

Algemene Beleidsintentie

De woningen zijn met een representatieve voorgevel op de weg georiënteerd.

Handhaven

De architectuur is traditioneel tot eigentijds en passend in het lint van de Efterwei.

Handhaven

Tabel 4: De opmaak van gebouwen en corresponderende beleidsintentie Opmaak

Algemene Beleidsintentie

De gevels worden uitgevoerd in baksteen in een rode tot roodbruine kleurtint.

Handhaven

De daken worden afgedekt met matte antraciete tot zwarte dakpannen of riet.

Respecteren

Het kleur- en materiaalgebruik is terughoudend in aantal en expressie; één lichte kleur is als accentkleur toegestaan.

Handhaven

Hoogglanzende materialen zijn niet toegestaan.

Handhaven

De detaillering versterkt de architectuur.

Respecteren

Tabel 5: Diversen en corresponderende beleidsintentie Diversen

Algemene Beleidsintentie

Technische installaties zijn ondergeschikt en zijn niet zichtbaar vanaf de openbare weg.

Handhaven

Erfafscheidingen worden met inheemse beplantingen vormgegeven. De houtsingels aan de oost-, west- en zuidzijde zijn verplicht en worden aangebracht in lijn met de inrichtingsschets.

Handhaven

Harde erfafscheidingen zoals schuttingen, muren, etc. zijn niet toegestaan.

Respecteren

Gebiedskenmerken en criteria deelgebied 2. Schuurwoningen op het achtererf Tabel 3: De plaatsing van gebouwen en corresponderende beleidsintentie Plaatsing

Algemene Beleidsintentie

De schuurwoning heeft een duidelijke samenhang in de situering met de woning aan de weg. De hoofdopzet is compact.

Handhaven

Aan- en uitbouwen zijn ondergeschikt en liggen achter de voorgevel.

Handhaven

Vrijstaande bijgebouwen zijn niet toegestaan.

Handhaven

Tabel 4: De hoofdvorm van gebouwen en corresponderende beleidsintentie Hoofdvorm

Algemene Beleidsintentie

De hoofdvorm is een bouwlaag met een zadelkap.

Handhaven

Aan- en uitbouwen hebben een plat dak of een kap.

Handhaven

Aangebouwde bijgebouwen hebben een kap.

Handhaven

De nokrichting van alle gebouwdelen is evenwijdig aan de verkaveling.

Handhaven

Per zijgevel is één dakopbouw (opgetrokken gevel), risaliet of dakkapel mogelijk, mits ondergeschikt in het beeld.

Handhaven

Tabel 3: De aanzichten van gebouwen en corresponderende beleidsintentie Aanzichten

Algemene Beleidsintentie

De woningen worden vormgeven als schuur en ogen niet als een woning.

Handhaven

Tabel 4: De opmaak van gebouwen en corresponderende beleidsintentie Opmaak

Algemene Beleidsintentie

De gevels worden uitgevoerd in hout of een donkere baksteen.

Handhaven

De daken worden afgedekt met matte antraciete tot zwarte pannen of riet.

Respecteren

Het kleur- en materiaalgebruik is terughoudend in aantal en expressie.

Handhaven

Lichte kleuren (met uitzondering van naturel hout) en hoogglanzende materialen zijn niet toegestaan.

Handhaven

De detaillering versterkt de architectuur.

Respecteren

Tabel 5: Diversen en corresponderende beleidsintentie Diversen

Algemene Beleidsintentie

Technische installaties zijn ondergeschikt en zijn niet zichtbaar vanaf de openbare weg.

Handhaven

Erfafscheidingen worden met inheemse beplantingen vormgegeven. De houtsingels aan de oost-, west- en zuidzijde zijn verplicht en worden aangebracht in lijn met de inrichtingsschets.

Handhaven

Harde erfafscheidingen zoals schuttingen, muren, etc. zijn niet toegestaan.

Respecteren

Referentiebeelden deelgebied 1. Woningen aan de weg

Voorbeeld eigentijds vormgegeven vrijstaande woning (Bron: varexhuis.nl)

Voorbeeld traditioneel vormgegeven vrijstaande woning (Bron: brandbba.nl)

Referentiebeelden deelgebied 2. Schuurwoningen op het achtererf

Voorbeeld houten schuurwoning (Bron: kwintarchitecten.nl)

Voorbeeld schuurwoning in baksteen (Bron: Wienerberger.nl)

Voorbeeld schuurwoning in baksteen met een risaliet (Bron: Schuurwoningen.com)

Efterw ei 22, 22a en 22b te Rottevalle

Bijlage 3 Beknopte natuurtoets sloop opstallen

66

NL.IMRO.0090.BP2023BGB102-0401

BEST4BEST B.V.

QUICKSCAN ECOLOGIE EFTERWEI 22A TE ROTTEVALLE

13 JULI 2023

WSP NEDERLAND B.V. ORIONWEG 28 8938 AH LEEUWARDEN +31 (0)88 910 20 00 wsp.com

PROJECTNUMMER SOL025140 DOCUMENTNUMMER SOL025140.RAP001.WL, versie 1.0

COLOFON OPDRACHTGEVER

PROJECTNUMMER OPDRACHTGEVER CONTACTPERSOON WSP NEDERLAND B.V. Tel: +31 Email:

@wsp.com

AUTORISATIE PROJECTNUMMER

DOCUMENTNUMMER

VERSIE

STATUS

SOL025140

SOL025140.RAP001.WL

1.0

Definitief

OPGESTELD DOOR

FUNCTIE

DATUM

PARAAF

Senior Ecoloog

13 juli 2023

FUNCTIE

DATUM

Adviseur Ecologie

13 juli 2023

FUNCTIE

DATUM

Projectleider

13 juli 2023

GEVERIFIEERD DOOR

GOEDGEKEURD DOOR

Quickscan Ecologie Efterwei 22a te Rottevalle SOL025140, versie 1.0 Best4best B.V.

PARAAF

PARAAF

WSP 13 juli 2023 pagina 2/18

INHOUDSOPGAVE

1

INLEIDING

4

2

PLANGEBIED

5

2.1

Ligging en informatie plangebied

5

2.2

Planontwikkeling

6

3

WETTELIJK KADER

7

3.1

Soortenbescherming

7

3.2

Gebiedenbescherming

8

4

ONDERZOEKSOPZET

9

4.1

Beschikbare gegevens

9

4.2

Veldbezoek

9

4.3

Effectenbeoordeling

9

5

BESCHERMDE SOORTEN EN GEBIEDEN

10

5.1

Grondgebonden zoogdieren

10

5.2

Amfibieën

10

5.3

Ongewervelden

10

5.4

Vleermuizen

11

5.5

Vogels

11

6

BESCHERMDE GEBIEDEN

13

7

EFFECTBEOORDELING

14

7.1

Toetsing beschermde soorten

14

7.2

Toetsing beschermde gebieden

14

8

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN

16

8.1

Conclusie beschermde soorten en gebieden

16

8.2

Vervolgstappen (advies)

16

8.3

Geldigheid onderzoeksgegevens

17

OVERZICHT BIJLAGEN Bijlage 1

— Wetgeving Bijlage 2

— Literatuur Bijlage 3

— Ligging plangebied

Quickscan Ecologie Efterwei 22a te Rottevalle SOL025140, versie 1.0 Best4best B.V.

WSP 13 juli 2023 pagina 3/18

1

INLEIDING

In opdracht van heeft WSP Nederland B.V. een quickscan ecologie uitgevoerd ter plaatse van de Efterwei 22A te Rottevalle. Aanleiding voor deze quickscan is de voorgenomen sloop van vier opstallen. De quickscan ecologie vormt de eerste fase in het kader van de procedure van de Wet natuurbescherming (hierna Wnb) en Natuurnetwerk Nederland (hierna NNN). In bijlage 1 worden de natuurwetgeving en het natuurbeleid nader toegelicht. Het doel van de quickscan is, om op basis van een literatuuronderzoek en een veldonderzoek, een inschatting te maken of: ⎯ Beschermde planten- en diersoorten binnen het plangebied of directe omgeving (binnen een straal van maximaal 2 kilometer) van het plangebied kunnen voorkomen. Gezien de werkzaamheden uitsluitend bestaan uit de sloop van de aanwezige opstallen, kunnen negatieve effecten op het voorkomen van beschermde vaatplanten, vissen en reptielen binnen het plangebied op voorhand worden uitgesloten.

⎯ De planontwikkeling mogelijk effect(en) heeft op de al dan niet aanwezige beschermde planten- en diersoorten en daarmee mogelijk strijdig is met de soortenbescherming conform de Wnb; ⎯ Een noodzaak aanwezig is voor het uitvoeren van een nader onderzoek naar de mogelijk voorkomende beschermde planten- en diersoorten, door een gerichte veldinventarisatie volgens de geldende protocollen; ⎯ De planontwikkeling plaatsvindt in of nabij een beschermd natuurgebied (Natura 2000-gebied, ganzenfoerageergebied of het NNN) en of daarbij sprake is van de noodzaak voor nadere toetsing en vergunning in het kader van gebiedsbescherming conform de Wnb, inclusief externe werking en/of het provinciale beleid omtrent het NNN of het ganzenfoerageergebied. Zowel bij mogelijke effecten als bij onvoldoende gegevens over de mogelijke aanwezige beschermde soorten of gebieden, volgt doorgaans het advies voor het uitvoeren van een nader onderzoek en/of toetsing. Op basis daarvan kan een vergunning en/of ontheffing bij het bevoegd gezag aangevraagd worden. Als in het plangebied geen beschermde soorten of functies (onder andere verblijfplaatsen) aanwezig zijn en het plangebied geen functie heeft voor deze soorten, is het nemen van soortgerichte maatregelen niet noodzakelijk. Bij het voorkomen van algemene (niet strikt beschermde) soorten geldt wel de zorgplicht (artikel 1.11 van de Wnb).

WSP Nederland B.V. is door Kiwa gecertificeerd voor de ISO 9001- en de 14001-normen en heeft een eigen kwaliteitssysteem. De medewerkers van WSP Nederland B.V. zijn voor de uitvoer van flora- en faunaonderzoeken allen VCA gecertificeerd. Daarnaast is WSP actief lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB).

Quickscan Ecologie Efterwei 22a te Rottevalle SOL025140, versie 1.0 Best4best B.V.

WSP 13 juli 2023 pagina 4/18

2 PLANGEBIED 2.1

LIGGING EN INFORMATIE PLANGEBIED

Het plangebied is gelegen in het zuidwestelijke deel van Rottevalle en bestaat uit vier opstallen (zie bijlage 3). De opstallen zijn in het verleden in gebruik geweest als stal. Het voorste deel van de westelijke opstal betrof het woongedeelte. Tijdens het veldbezoek bleek dat de asbesthoudende daken van de opstallen niet meer aanwezig waren. De opstallen bestaan uit een houten binnen constructie, bakstenen muren en schuin aflopend dak, welke inmiddels niet meer aanwezig is. Het terrein rondom de opstallen bestaat uit beton en grasland. Aan de oostzijde is een vrij brede watergang aanwezig met langs de oevers enkele elzen. Aan de westzijde van het perceel is een dunne houtwal aanwezig met een afwateringssloot. De houtwal is onder andere begroeid met els. In de figuren 2.1 t/m 2.6 is een impressie opgenomen van het plangebied.

Figuur 2.1: Impressie noordelijke opstal.

Figuur 2.2: Binnenzijde van de noordelijke opstal.

Figuur 2.3: Impressie terrein rondom opstallen.

Figuur 2.4: Binnenzijde van de centraal gesitueerde opstal.

Quickscan Ecologie Efterwei 22a te Rottevalle SOL025140, versie 1.0 Best4best B.V.

WSP 13 juli 2023 pagina 5/18

Figuur 2.5: Binnenzijde oostelijke opstal.

Figuur 2.6: Voorzijde van de drie zuidelijke opstallen.

2.2 PLANONTWIKKELING Het voornemen bestaat uit de sloop van de vier opstallen. De eigenaar is voornemens het terrein her in te richten als weiland. Ten behoeve van de werkzaamheden hoeft geen opgaand groen verwijderd te worden en worden er geen werkzaamheden uitgevoerd aan waterlichamen. In de effectenbeoordeling is ervan uitgegaan dat de werkzaamheden uitsluitend overdag worden uitgevoerd.

Quickscan Ecologie Efterwei 22a te Rottevalle SOL025140, versie 1.0 Best4best B.V.

WSP 13 juli 2023 pagina 6/18

3 WETTELIJK KADER De Wnb voorziet in de bescherming van Natura 2000-gebieden, planten- en diersoorten (zie bijlage 1). De basis wordt gevormd door de zorgplicht (artikel 1.11; zie box 1). Box 1: Zorgplicht Een belangrijk overkoepelend instrument is de zorgplicht (artikel 1.11), waarin gesteld wordt dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Deze zorg houdt in elk geval in dat eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor alle in het wild levende dieren en planten: ⎯ Dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel; ⎯ De noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of; ⎯ Voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zo veel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. Het nalaten van de zorgplicht (voor alle in het wild levende dieren en planten) is een overtreding van de Wnb en kan gevolgen hebben.

3.1

SOORTENBESCHERMING

In de Wnb onderdeel soortenbescherming zijn, op basis van internationale afspraken, drie beschermingsregimes opgesteld voor strikt beschermde soorten (zie tabel 3.1). Tabel 3.1: verboden uit de Wet natuurbescherming SOORTEN

ARTIKEL VERBODEN

VOGELRICHTLIJN-SOORTEN

3.1

Lid 1. Opzettelijk doden/vangen Lid 2. Opzettelijk vernielen, wegnemen of beschadigen van nesten/eieren Lid 3. Eieren rapen/onder zich hebben Lid 4 en 5. Opzettelijk verstoren (indien van wezenlijke invloed op de staat van instandhouding)

HABITATRICHTLIJNSOORTEN, SOORTEN UIT BIJLAGE I EN II VAN DE BERN CONVENTIE EN BIJLAGE I VAN DE BONN CONVENTIE

3.5

Lid 1. Opzettelijk doden/vangen Lid 2. Opzettelijk verstoren Lid 3. Eieren te rapen of vernielen Lid 4. Beschadigen of vernielen van rust- en voortplantingsplaatsen Lid 5. Opzettelijk plukken, verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten

ANDERE BESCHERMDE SOORTEN

3.10

Lid 1 a. Opzettelijk doden/vangen van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen en ongewervelden (vernoemd in onderdeel A) Lid 1 b. Beschadigen of vernielen van rust- en voortplantingsplaatsen van soorten (als bedoeld in onderdeel A) Lid 1 c. Opzettelijk plukken, verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten (als bedoeld in onderdeel B)

Voor de eerste twee beschermingsregimes sluiten deze nauw aan bij de verboden en uitzonderingen uit respectievelijk de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Voor de andere soorten geldt een minder strikt regime. Elk van de drie beschermingsregimes kent zijn eigen soortenlijsten met daarbij eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffingsverlening.

Quickscan Ecologie Efterwei 22a te Rottevalle SOL025140, versie 1.0 Best4best B.V.

WSP 13 juli 2023 pagina 7/18

3.2 GEBIEDENBESCHERMING De Wnb, onderdeel ‘Gebieden’, voorziet in de bescherming van natuurgebieden van Europees belang welke behoren tot het Natura 2000-netwerk. Deze gebieden worden beschermd om de gunstige staat van instandhouding van vogelsoorten, habitattypen en andere planten- en diersoorten te behouden en waar nodig te herstellen. Naast de wettelijke bescherming van de Natura 2000-gebieden heeft Nederland de bescherming van andere gebieden planologische vastgelegd. Onder de planologische bescherming vallen onder andere weidevogelgebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De bescherming van het NNN vindt plaats door toetsing van de bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen aan het NNN-beleid. Gedeputeerde Staten heeft op 17 juni 2014 een ganzenbeleid vastgesteld voor de gehele provincie Fryslân (Provinsje Fryslân, 2016). In dit beleid wordt rust geboden aan inheemse ganzen gedurende de winterrustperiode in de gehele provincie. Op 1 november 2021 is een nieuwe kaart uitgebracht met daarop aangewezen ganzenfoerageergebieden. In de speciaal aangewezen gebieden geldt een langere rustperiode voor (trek)ganzen. Binnen deze gebieden mogen geen (trek)ganzen worden verjaagd of worden geschoten gedurende de periode van 1 november tot 1 april (in soort specifieke gebieden tot uiterlijk 1 mei of 1 juni).

Indien de ganzen gedurende de rustperiode opzettelijk worden verstoord, dan wordt het verbod uit de Wet natuurbescherming overtreden (artikel 3.1, vierde lid).

Quickscan Ecologie Efterwei 22a te Rottevalle SOL025140, versie 1.0 Best4best B.V.

WSP 13 juli 2023 pagina 8/18

4 ONDERZOEKSOPZET Het voorliggende onderzoek bestaat uit het raadplegen van beschikbare gegevens, gevolgd door een veldbezoek en tot slot een effectenbeoordeling van de beschikbare gegevens en het veldbezoek. Hieruit worden conclusies getrokken en advies gegeven met betrekking tot de Wet natuurbescherming en globale toetsing van het provinciaal beleid.

4.1

BESCHIKBARE GEGEVENS

Grote delen van Nederland zijn in de afgelopen jaren reeds onderzocht op aanwezige beschermde soorten. De gegevens afkomstig van deze onderzoeken worden grotendeels gepubliceerd in boeken (soortverspreidingsatlassen), rapportages of zijn op internet te raadplegen. De geraadpleegde literatuur en internetbronnen staan weergegeven in de literatuurlijst. Tevens is gebruik gemaakt van de informatie uit de Nationale Databank Flora en Fauna van 2013 tot en met 2023 (NDFF, 2023). De beschikbare gegevens over het voorkomen van beschermde natuurwaarden in en binnen de invloedsfeer (binnen een straal van maximaal twee kilometer) van het plangebied zijn voorafgaand aan het veldbezoek geanalyseerd en in het veld geverifieerd.

4.2 VELDBEZOEK Inzicht in het voorkomen van beschermde soorten wordt verkregen door het uitvoeren van een oriënterend veldbezoek. Met dit veldbezoek kan beoordeeld worden of de soorten die in de bestaande gegevens zijn genoemd, ook daadwerkelijk in het gebied voorkomen of verwacht kunnen worden. Daarnaast wordt beoordeeld of ook andere beschermde soorten voorkomen of te verwachten zijn op basis van de aanwezige terreinkenmerken en het beheer. Het veldonderzoek is op 12 juli 2023 door de heer van WSP Nederland B.V. uitgevoerd. Ten tijde van de inspectie was het gemiddeld 18 oC, deels bewolkt, droog weer met een matige zuidwesten wind (3 Bft).

4.3 EFFECTENBEOORDELING De omvang van de werkzaamheden en de veranderingen die worden aangebracht in het plangebied vormen de basis voor de effectenbeoordeling. De effectenbeoordeling houdt rekening met tijdelijke effecten (gedurende de uitvoering van de werkzaamheden) en langdurige effecten (na de uitvoering). In hoeverre het mogelijk is om een complete effectenanalyse te maken, is afhankelijk van de volledigheid en bruikbaarheid van de beschikbare verspreidingsgegevens en duidelijkheid over de uit te voeren werkzaamheden en uitvoeringsplanning. In de effectenbeoordeling wordt ervan uitgegaan dat de werkzaamheden gedurende daglichtperiode worden uitgevoerd. Omdat de exacte werkzaamheden en uitvoeringsperiode en -duur nog niet bekend zijn, wordt in de effectenbeoordeling aangegeven in welke periode veel dan wel weinig (of geen) effecten worden verwacht. Wanneer aanvullend onderzoek noodzakelijk blijkt, is dat beschreven.

Quickscan Ecologie Efterwei 22a te Rottevalle SOL025140, versie 1.0 Best4best B.V.

WSP 13 juli 2023 pagina 9/18

5 BESCHERMDE SOORTEN EN GEBIEDEN Gezien het plangebied uitsluitend uit een viertal opstallen bestaat, richt de quickscan zich voornamelijk op beschermde gebouwbewonende diersoorten (grondgebonden zoogdieren, ongewervelden, vleermuizen en vogels). Ook kunnen binnen en rondom het plangebied algemene amfibieënsoorten worden verwacht. Het voorkomen van beschermde planten, reptielen en vissen binnen het plangebied (of de invloedsfeer) worden niet verwacht. Vanzelfsprekend is tijdens de quickscan ook gelet op de voornoemde soortgroepen.

5.1

GRONDGEBONDEN ZOOGDIEREN

Vanuit de verspreidingsgegevens (NDFF, 2023) zijn in de omgeving van het plangebied diverse waarnemingen bekend van grondgebonden zoogdieren. Voor een aantal van de mogelijk voorkomende grondgebonden zoogdieren (onder andere: egel, steenmarter en huisspitsmuis) geldt een vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkeling (Provincie Friesland, 2016). Deze vrijstelling geldt niet voor de in de verspreidingsgegevens vermelde otter, damhert, waterspitsmuis en boommarter. Binnen het plangebied zijn geen geschikte verblijfplaatsen aanwezig voor de voorgenoemde soorten (ontbreken houtwallen, watergangen, holen, bossen etc.). De omgeving van het plangebied biedt mogelijk wel geschikte verblijfplaatsen aan. De werkzaamheden hebben geen betrekking op de westelijke houtwal, het noordelijke grasperceel en de oostelijke watergang. Negatieve effecten van de werkzaamheden op het potentiële leefgebied worden derhalve uitgesloten. Het voorkomen van beschermde grondgebonden zoogdieren kan gezien het geboden habitat (geheel open opstallen) ook worden uitgesloten. Het kan niet worden uitgesloten dat algemene soorten zoals de egel en een tal van muizensoorten het plangebied gebruiken als onderdeel van hun leefgebied. Voor deze soorten geldt te allen tijde de zorgplicht (zie box 1 in hoofdstuk 3).

5.2 AMFIBIEËN Aangezien de werkzaamheden enkel betrekking hebben op de vier opstallen kan het voorkomen van beschermde amfibieënsoorten op voorhand worden uitgesloten. Het kan niet worden uitgesloten dat algemene soorten zoals de gewone pad de omgeving van het plangebied gebruikt als onderdeel van hun leefgebied. Voor deze soorten geldt te allen tijde de zorgplicht (zie box 1 in hoofdstuk 3).

5.3 ONGEWERVELDEN Aangezien het plangebied uit een viertal opstallen bestaat waarbinnen, door de sloop van het dak, wind- en tochtvrije ruimten ontbreken biedt dit geen geschikt habitat voor beschermde ongewervelden. De omgeving van het plangebied kan in de vorm van een houtwal en een brede watergang wel geschikt habitat bieden aan diverse beschermde ongewervelden. Binnen het plangebied kunnen wel algemeen voorkomende ongewervelden worden verwacht. Voor deze soorten geldt te allen tijde de zorgplicht (zie box 1 in hoofdstuk 3). Quickscan Ecologie Efterwei 22a te Rottevalle SOL025140, versie 1.0 Best4best B.V.

WSP 13 juli 2023 pagina 10/18

5.4 VLEERMUIZEN Vanuit de verspreidingsgegevens (NDFF, 2023) zijn in de omgeving van het plangebied verschillende soorten gebouwbewonende vleermuizen waargenomen. Dit betreft de gewone- en ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, meervleermuis en laatvlieger. Uit de verspreidingsgegevens (NDFF, 2023) blijkt er in de directe omgeving van het plangebied niet eerder verblijfplaatsen zijn vastgesteld. De vier opstallen bieden door het ontbreken van wind- en tochtvrije ruimte geen geschikte verblijfplaatsen aan voor de in de omgeving van het plangebied voorkomende vleermuizen. Het voorkomen van verblijfplaatsen kan, gezien de status van de opstallen, worden uitgesloten. De aanwezige watergang aan de oostzijde en de houtwal aan de westzijde van het plangebied wordt mogelijk gebruikt als vliegroute en/of foerageergebied. De werkzaamheden hebben geen betrekking op deze watergang en houtwal. Het terrein rondom de opstallen maakt mogelijk onderdeel uit van het foerageergebied. Gezien de werkzaamheden overdag uitgevoerd worden en de vleermuizen ’s nachts het plangebied kunnen blijven gebruiken als foerageergebied en er tevens voldoende alternatief foerageergebied beschikbaar is in de direct omgeving, zijn negatieve effecten op het foerageergebied bij voorbaat uitgesloten.

5.5 VOGELS Vogels met een jaarrond beschermde nestplaats Vanuit de verspreidingsgegevens (NDFF, 2023) zijn in de omgeving van het plangebied verschillende gebouwbewonende broedvogels met jaarrond beschermde nestlocatie bekend. Dit betreft onder andere de kerkuil, steenuil, huismus en gierzwaluw. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen van gebruik (uitwerpselen of nestmateriaal) aangetroffen door de voornoemde soorten. Gezien het ontbreken van wind- en tochtvrijeruimten binnen de opstallen kan het voorkomen van verblijfplaatsen van de kerkuil, steenuil, huismus en gierzwaluw worden uitgesloten. Ook zijn in de omgeving van het plangebied broedvogels bekend met een jaarrond beschermd nest indien sprake is van een zwaarwegende reden (wanneer bijvoorbeeld geen alternatieve broedlocatie in de buurt is n.a.v. de planontwikkeling). Dit betreft onder andere de koolmees, spreeuw, pimpelmees en boerenzwaluw. Tijdens het veldbezoek is één in gebruik zijnde nestlocatie van de boerenzwaluw vastgesteld. De nestlocatie bevond zich in de noordelijke opstal, onder een restant van het dakbeschot (zie foto 5.1). De nestmogelijkheid is ontstaan door het verwijderen van het dak. Gezien de omgeving van het plangebied zijn er voor de boerenzwaluw voldoende alternatieven aanwezig in de vorm van boerderijen en schuren.

Op basis van het veldbezoek kan geconcludeerd worden dat zwaarwegende ecologische omstandigheden niet aan de orde zijn. Nesten welke gedurende het broedseizoen eieren en/of jongen bevatten zijn te allen tijde beschermd. Hier wordt geen ontheffing voor verleend.

Quickscan Ecologie Efterwei 22a te Rottevalle SOL025140, versie 1.0 Best4best B.V.

WSP 13 juli 2023 pagina 11/18

Figuur 5.1: Nestlocatie boerenzwaluw (bezet) in noordelijke opstal.

Algemene broedvogels Vanuit de verspreidingsgegevens (NDFF, 2023) zijn in de omgeving van het plangebied verschillende waarnemingen bekend van algemene broedvogels. Het plangebied biedt potentiële broedlocaties aan voor de boerenzwaluw en bijvoorbeeld de witte kwikstaart. Nesten welke gedurende het nestseizoen eieren en/of jongen bevatten, zijn te allen tijde beschermd; hier wordt geen ontheffing voor verleend.

Quickscan Ecologie Efterwei 22a te Rottevalle SOL025140, versie 1.0 Best4best B.V.

WSP 13 juli 2023 pagina 12/18

6 BESCHERMDE GEBIEDEN Binnen dit hoofdstuk wordt de status van het plangebied beschreven als Natura 2000-gebied, NNN-gebieden en ganzenfoerageergebied. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is het ‘Alde Feanen’, welke is gesitueerd op circa 8,4 kilometer ten westen van het plangebied. Het plangebied maakt eveneens geen onderdeel uit van het NNN en/of een ganzenfoerageergebied. Het dichtstbijzijnde NNN-gebied is gesitueerd op circa 600 meter ten westen van het plangebied en het dichtstbijzijnde ganzenfoerageergebied op circa 8,5 kilometer ten westen van het plangebied. Hier geldt de ganzenbescherming tot 1 april.

Figuur 6.1: Ligging plangebied (rood omcirkeld) t.o.v. het Natura 2000-gebied (donker paars), het NNN (groen en blauw), natuur buiten NNN (oranje) en het

Quickscan Ecologie Efterwei 22a te Rottevalle SOL025140, versie 1.0 Best4best B.V.

WSP 13 juli 2023 pagina 13/18

7 EFFECTBEOORDELING In dit hoofdstuk worden de effecten op de verwachte natuurwaarden besproken op basis van de in hoofdstuk 2 omschreven planontwikkeling. Op basis van de verwachte effecten wordt inzicht gegeven over de kans dat de werkzaamheden leiden tot een overtreding van de Wnb (tabel 3.1). Waar een overtreding niet zonder meer kan worden uitgesloten wordt, waar mogelijk, een praktisch advies gegeven om de werkzaamheden alsnog zonder ontheffing (en overtreding) te kunnen laten doorgaan. Deze informatie wordt overzichtelijk gepresenteerd in de conclusie (hoofdstuk 7).

7.1

TOETSING BESCHERMDE SOORTEN

Op basis van het literatuuronderzoek, het veldbezoek en de planontwikkeling wordt geconcludeerd dat vleermuizen, algemene zoogdieren, -ongewervelden, -broedvogels en algemene amfibieën verwacht worden binnen het plangebied. Algemeen beschermde zoogdieren, ongewervelden en amfibieën In het plangebied komen naar verwachting algemene amfibieën, ongewervelden en grondgebonden zoogdieren voor, waaronder gewone pad en de egel, waarvoor een vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkeling (Provinsje Fryslân, 2016). Dit wil zeggen dat voor de voorgenomen werkzaamheden geen ontheffing van de Wnb hoeft te worden aangevraagd. Voor deze soorten geldt echter te allen tijde de zorgplicht (zie box 1 in paragraaf 3.1). Vleermuizen Het terrein rondom de opstallen maakt mogelijk onderdeel uit van het foerageergebied. Gezien de werkzaamheden overdag uitgevoerd worden en de vleermuizen ’s nachts het plangebied kunnen blijven gebruiken als foerageergebied en er tevens voldoende alternatief foerageergebied beschikbaar is in de direct omgeving, zijn negatieve effecten op het foerageergebied bij voorbaat uitgesloten. Algemene broedvogels Het plangebied biedt diverse mogelijkheden aan als broedlocatie voor diverse vogelsoorten (zoals de boerenzwaluw en de witte kwikstaart).

Werkzaamheden die tijdens de broedactiviteit worden uitgevoerd kunnen leiden tot verstoring of vernietiging van (nesten van) broedende vogels. Verstoring van nesten met eieren of kuikens is niet toegestaan en hier wordt geen ontheffing voor verleend. Op basis van het voorliggende onderzoek is geconcludeerd dat in de omgeving voldoende uitwijkmogelijkheden zijn. Buiten het broedseizoen zijn deze onbezette nesten niet beschermd.

7.2 TOETSING BESCHERMDE GEBIEDEN Het plangebied heeft geen status als Natura-2000 gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (Alle Feanen) is gesitueerd op circa 8,4 kilometer ten westen van het plangebied. Gezien de aard van de ingreep en de ruime afstand van het plangebied tot het Natura 2000-gebied worden externe effecten zoals trillingen, verstoring door geluid en mechanische effecten niet verwacht. Gezien de aard van de ingreep doet het voornemen naar verwachting geen afbreuk aan de instandhoudingsdoelen van de Natura 2000-gebieden. Een onderzoek in het kader van de Wnb (Natura 2000Voortoets) is niet nodig. Tijdens de bouwfase wordt een verhoogde waarde van stikstof in de lucht verwacht. Extra uitstoot als gevolg van de werkzaamheden kan een negatief effect hebben op het omliggende Natura 2000-gebied. Zowel tijdelijke als permanente toename van stikstofdepositie is niet toegestaan. Om na te gaan of de werkzaamheden zorgen voor een verhoogde stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden wordt aanbevolen een AERIUS-berekening te laten uitvoeren.

Quickscan Ecologie Efterwei 22a te Rottevalle SOL025140, versie 1.0 Best4best B.V.

WSP 13 juli 2023 pagina 14/18

Het plangebied heeft geen status in het kader van Natuurnetwerk Nederland (NNN) en/of als ganzenfoerageergebied. Het dichtstbijzijnde NNN-gebied bevindt zich op circa 600 meter ten westen van het plangebied en het dichtstbijzijnde ganzenfoerageergebied op circa 8,5 kilometer ten westen van het plangebied. Het voornemen heeft door zijn locatie, aard en omvang geen negatieve invloed op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN en het overige provinciaal beleid (ganzenfoerageergebied). Vanuit het provinciale natuurbeleid is er daarom geen bezwaar tegen de voorgenomen ingreep. Een nadere beoordeling (‘nee, tenzij’-toetsing) is niet nodig.

Quickscan Ecologie Efterwei 22a te Rottevalle SOL025140, versie 1.0 Best4best B.V.

WSP 13 juli 2023 pagina 15/18

8 CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN 8.1

CONCLUSIE BESCHERMDE SOORTEN EN GEBIEDEN

De verspreidingsgegevens en het oriënterend veldbezoek geven een voldoende duidelijk beeld van het (mogelijk) voorkomen van beschermde diersoorten en/of er mogelijk negatieve effecten zijn op het Natura-2000 gebied, NNN of ganzenfoerageergebied. Op basis van het bureauonderzoek en het oriënterend veldbezoek kunnen de volgende conclusies met betrekking tot beschermde natuurwaarden worden getrokken: Tabel 8.1: Samenvatting aanwezige natuurwaarden SOORTGROEP/GEBIED

(NEGATIEVE) EFFECTEN VAN DE WERKZAAMHEDEN

ADVIES

ONTHEFFING NOODZAKELIJK?

Vaatplanten

Geen

Geen

Nee

Reptielen

Geen

Geen

Nee

Vissen

Geen

Geen

Nee

Amfibieën

Verstoring-/doden algemene amfibieën

Zorgplicht

Nee

Ongewervelden

Verstoring-/doden algemene amfibieën

Zorgplicht

Nee

Grondgebonden zoogdieren

Verstoring-/doden algemene amfibieën

Zorgplicht

Nee

Vleermuizen

Mogelijke verstoring van foerageergebied wanneer werkzaamheden ’s nachts worden uitgevoerd

Werken overdag-/ of met vleermuisvriendelijke verlichting

Nee

Algemene broedvogels

Mogelijke verstoring/vernietiging van een broedplaats door de werkzaamheden

Werken buiten broedseizoen-/ broedvogelcheck door ecoloog

Nee

Vogels (jaarrond beschermd)

Geen

Geen

Nee

NNN-gebieden

Geen; op geruime afstand

Geen

Nee

Natura 2000-gebieden

Mogelijk verhoogde stikstofdepositie

AERIUS-berekening uitvoeren

Mogelijk

Ganzenfoerageergebied

Geen; op geruime afstand

Geen

Nee

Geen vervolgonderzoek/ acties noodzakelijk voor de geplande werkzaamheden De geplande werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd mits het gegeven advies wordt opgevolgd Vervolgonderzoek: er is onvoldoende inzicht verkregen om de effecten van de werkzaamheden te bepalen Ontheffing is noodzakelijk. De werkzaamheden zullen leiden tot een negatief effect.

8.2 VERVOLGSTAPPEN (ADVIES)

Quickscan Ecologie Efterwei 22a te Rottevalle SOL025140, versie 1.0 Best4best B.V.

WSP 13 juli 2023 pagina 16/18

Amfibieën, ongewervelden en zoogdieren Tijdens de werkzaamheden de zorgplicht in acht houden waarbij gedacht wordt aan o.a. het volgende: ⎯ Indien individuen van dieren worden aangetroffen, dienen deze de gelegenheid te krijgen om te kunnen vluchten; ⎯ Aanvullend op bovenstaande maatregel kan ervoor worden gekozen om minder mobiele dieren, zoals egel en gewone pad te verplaatsen tot buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden. Vleermuizen Voor vleermuizen (en andere nacht actieve/lichtgevoelige dieren zoals uilen) dient rekening te worden gehouden met mogelijke lichtverstoring. Door uitsluitend overdag te werken of vleermuisvriendelijke verlichting te gebruiken wordt verstoring van deze soorten voorkomen. Algemene beschermde broedvogels Werken buiten broedseizoen (globaal de periode tussen 15 maart tot 1 september (in verband met boerenzwaluw)) en/of broedvogelcheck laten uitvoeren door een ecoloog.

8.3 GELDIGHEID ONDERZOEKSGEGEVENS Dit onderzoek is uitgevoerd conform de landelijk geldende richtlijn: “Onderzoeksgegevens mogen maximaal 3 jaar oud zijn in gebieden waar weinig of geen ruimtelijke of kwalitatieve veranderingen zijn opgetreden in de afgelopen drie jaar. In gebieden waar dit niet voor geldt, moeten de gegevens recenter zijn”.

Quickscan Ecologie Efterwei 22a te Rottevalle SOL025140, versie 1.0 Best4best B.V.

WSP 13 juli 2023 pagina 17/18

OVERZICHT BIJLAGEN Bijlage 1

— Wetgeving Bijlage 2

— Literatuur Bijlage 3

— Ligging plangebied

Quickscan Ecologie Efterwei 22a te Rottevalle SOL025140, versie 1.0 Best4best B.V.

WSP 13 juli 2023 pagina 18/18

BIJLAGE

1

WETGEVING

WETGEVING EN BELEID WET NATUURBESCHERMING De Wet natuurbescherming (hierna Wnb) vervangt vanaf 1 januari 2017 de Natuurbeschermingswet 1998, Flora- en faunawet en de Boswet en voorziet hiermee in een gemoderniseerd wettelijk kader voor de bescherming van natuurgebieden, dier- en plantensoorten en houtopstanden. Een belangrijk deel van de in de wet opgenomen regels bestaat uit de omzetting van de internationale verplichtingen op het vlak van bescherming van de biologische diversiteit, in het bijzonder de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De Wnb richt zich in basis op: ⎯ het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde, en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; ⎯ het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies, en het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies. De wet geeft ook invulling aan de in het bestuursakkoord natuur gemaakte afspraken over decentralisatie van taken en verantwoordelijkheden van het Rijk naar de provincies.

De instrumenten en begrippenkaders van de Wnb zijn zo goed mogelijk afgestemd op andere onderdelen van het omgevingsrecht, in het bijzonder de toekomstige Omgevingswet. In de Wnb zijn, behalve meer algemene bepalingen over bevoegdheden, natuur- en landschapsbeleid, beleidsmonitoring en instrumenten ter bescherming van natuur en landschap ook specifieke regels opgenomen ter bescherming van bijzonder natuurwaarden. Het gaat dan in het bijzonder om de bescherming van natuurgebieden van Europees belang (Natura 2000-gebieden) en de bescherming van soorten die van nature in Nederland in het wild voorkomen die een specifieke bescherming behoeven. Deze onderwerpen zullen hieronder worden toegelicht. ZORGPLICHT Een belangrijk overkoepelend instrument is de zorgplicht (artikel 1.11) waarin gesteld wordt dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving.

Deze zorg houdt in elk geval in dat eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor in het wild levende dieren en planten: ⎯ dergelijke handelingen achterwege laat dan wel; ⎯ indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of; ⎯ voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zo veel mogelijk beperkt of ongedaan maakt (mitigatie). GEBIEDSBESCHERMING In de Wnb zijn regels opgenomen die de bescherming van natuurgebieden van Europees belang die behoren tot het Natura 2000-netwerk. Deze gebieden worden beschermd om de gunstige staat van instandhouding van vogelsoorten, habitattypen en andere planten- en diersoorten te behouden en waar nodig te herstellen. Voor plannen of projecten met mogelijke schadelijke handelingen is in de Wnb een vergunningensysteem opgenomen. Hieraan gekoppeld kan het bevoegd gezag preventieve dwingende maatregelen opleggen om schadelijke effecten te voorkomen. Op basis van de Wnb wordt alleen nog bescherming geboden aan de zogenaamde Natura 2000-gebieden, welke onderdeel zijn van het Europese netwerk van natuurgebieden. De eerder nationaal beschermde natuurmonumenten worden niet meer beschermd op grond van nationale wetgeving.

Wel kunnen provincies ‘bijzondere provinciale natuurgebieden’ en bijzondere provinciale landschappen’ aanwijzen. Provincies kunnen eventueel zelf regelgeving opstellen voor deze gebieden. De gebiedsbescherming is gericht op de bescherming van aangewezen habitats en soorten binnen de gebieden. Significant negatieve effecten op het beschermde gebied zijn niet toegestaan, tenzij sprake is van dwingende redenen

van groot openbaar belang, er geen alternatieven voorhanden zijn en alle schade wordt gecompenseerd. De wet voorziet eveneens in het beschermen van het gebied tegen handelingen buiten het Natura 2000-gebied met een mogelijk negatief effect op de beschermde habitats en hieraan gekoppelde soorten. Dit is geregeld op basis van de zogenaamde externe werking. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden komen de uitvoeringsbevoegdheden voor het overgrote deel bij de provincies te liggen, met uitzondering van het aanwijzen van Natura 2000-gebieden en het vaststellen van de instandhoudingsdoelstellingen. Ten aanzien van de uitvoering is de provincie waarin een ingreep plaatsvindt, bevoegd. Voor rijkswateren blijft de rijksoverheid bevoegd. SOORTENBESCHERMING De in de Wnb gestelde regels ter bescherming van soorten voorzien in voorschriften ter bescherming van de van nature in het wild levende planten- en diersoorten. In dit deel staan de verplichte instrumenten van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern, Bonn en het biodiversiteitsverdrag centraal. Het is erop gericht om voor de beschermde soorten een gunstige staat van instandhouding te bereiken of te herstellen. VERBODSBEPALINGEN De verboden, afwijkingsmogelijkheden en andere beschermingsmiddelen zijn direct overgenomen uit deze richtlijnen en verdragen en worden in de Wnb opgedeeld in drie beschermingsregimes.

Elk van de drie beschermingsregimes kent zijn eigen soortenlijsten met daarbij eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffingsverlening. Voor de eerste twee beschermingsregimes sluiten deze nauw aan bij de verboden en uitzonderingen uit respectievelijk de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Voor de andere soorten geldt een minder strikt regime. Vogelrichtlijnsoorten: De bescherming van alle natuurlijk in het wild levende vogels van soorten die voorkomen in de EU als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn en de niet in die bijlage genoemde geregeld voorkomende trekvogelsoorten (artikel 3.1; zie bijlage 1). Voor deze soorten gelden de volgende verboden: Habitatrichtlijnsoorten: De bescherming van in het wild levende dieren en planten van soorten die voorkomen in de EU (zie bijlage 1) op grond van de Habitatrichtlijn (bijlagen I, II, IV en V) en soorten van de Conventie van Bern Appendix II en de Conventie van Bonn Appendix I (art. 3.5; zie bijlage 1). Voor deze soorten zijn in de Wnb de volgende verboden opgenomen: Lid 1: Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.

Lid 2: Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. Lid 3: Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. Lid 4: Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. Lid 5: Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere soorten: De bescherming van niet onder de bovenstaande twee categorieën vallende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland, vermeld in de bijlage van de Wnb (art. 3.10; zie bijlage 2). Voor deze soorten is onverminderd artikel 3.5 eerste, vierde en vijfde lid het verboden om: Lid 1a: in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen. Lid 1b: de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel A opzettelijk te beschadigen of te vernielen.

Lid 1c: vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Voor de zoogdier-, amfibie- en reptielsoorten opgenomen in de bijlage van artikel 3.10 geldt geen Europese verplichting tot bescherming. Deze soorten worden beschermd vanwege ecologische redenen of de breed in de maatschappij levende overtuiging dat deze dieren een bescherming behoeven. Hiermee geeft Nederland uitvoering aan de algemene verplichting van het Biodiversiteitsverdrag om kwetsbare en bedreigde dier- en plantsoorten te beschermen. NESTEN De Wnb kent geen standaardperiode voor het broedseizoen van vogels. Het gaat erom of er een broedgeval is. Verblijfplaatsen van vogels die hun verblijfplaats het hele jaar gebruiken, zijn jaarrond beschermd. Slechts een beperkt aantal soorten bewoont het nest permanent of keert elk jaar terug naar hetzelfde nest. De meeste vogels maken elk broedseizoen een nieuw nest of zijn in staat om een nieuw nest te maken. Deze vogelnesten voor eenmalig gebruik vallen alleen tijdens het broedseizoen onder de bescherming van artikel 1.3 lid 2 van de Wnb. U heeft voor deze soorten geen ontheffing nodig voor werkzaamheden buiten het broedseizoen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14968472/1