Bijlage 2 Vastgesteld BP Toelichting
Tekst van het document
In dit onderzoek is geconcludeerd dat zowel in de gebruiksfase als de realisatiefase geen sprake is van wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming. Soortbescherming De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten maar wel tot een geschikt functioneel leefgebied van verschillende beschermde diersoorten. Beschermde diersoorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezet een beschermd grondgebonden zoogdier er een vaste rusten/of voortplantingsplaats, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en nestelen er vogels. Vleermuizen bezetten mogelijk een vaste rust- of voortplantingsplaats in het plangebied en amfibieën bezetten er geen voortplantingsplaats. Vleermuizen Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn jaarrond beschermd en mogen alleen met een ontheffing beschadigd of vernield worden en vleermuizen mogen alleen verstoord, verwond of gedood worden indien daarvoor een ontheffing is verkregen. Om de functie van de bebouwing voor vleermuizen vast te kunnen stellen is een nader onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd, de bijbehorende rapportage is bijgevoegd als Bijlage 6. In het najaar van 2022 en de zomer van 2023 is de bebouwing in het onderzoeksgebied onderzocht op de aanwezigheid van een verblijfplaats van vleermuizen.
Het onderzoek is uitgevoerd volgens het daarvoor geldende protocol en is volledig en onder gunstige weersomstandigheden uitgevoerd. Uit het onderzoek is gebleken er geen verblijfplaats in de onderzochte bebouwing is vastgesteld. Tevens vormt het onderzoeksgebied geen essentieel foerageergebied voor vleermuizen en is er geen essentiële vliegroute aanwezig. Het slopen van de bebouwing leidt niet tot wettelijke consequenties in het kader van de wet- en regelgeving voor beschermde soorten. Er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden. Vogels Van de in het onderzoeksgebied nestelende vogelsoorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren/vernielen van bezette vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is september-februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridisch beschouwd wel plaats vinden tijdens het
23
bestemmingsplan Drachten - Eikekwartier
broedseizoen van vogels, mits geen bezette vogelnesten beschadigd/vernield worden. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten. Zoogdieren en amfibieën Beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën mogen niet (opzettelijk) gedood worden. Om te voorkomen dat grondgebonden zoogdieren of amfibieën gedood worden, mogen ze weggevangen of verjaagd worden. Indien niet voorkomen kan worden dat beschermde dieren gedood worden, dient een ontheffing van de verbodsbepalingen (doden) aangevraagd te worden of dient gewerkt te worden volgens een Gedragscode. Indien gekozen wordt om te werken volgens een Gedragscode, dient voldaan te worden aan de gestelde eisen en voorwaarden. Eén van de voorwaarden is, dat gewerkt moet worden buiten de kwetsbare periode. Zorgplicht In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het onderzoeksgebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten.
Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten, wordt de functie van het onderzoeksgebied als foerageergebied, voor de in het onderzoeksgebied foeragerende diersoorten, niet aangetast. Houtopstanden Voor de te rooien bomen geldt de APV van de gemeente Smallingerland. Er dient te worden nagegaan of een (omgevings-)vergunning aangevraagd moet worden voor het rooien van de desbetreffende bomen.
4.5.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat aspect ecologie geen belemmering vormt voor het planvoornemen.
4.6
Geluid
4.6.1
Algemeen
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeursgrenswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen. Wegverkeerslawaai Met betrekking tot geluid veroorzaakt door het wegverkeer is in de Wet geluidhinder de verplichting opgenomen tot het verrichten van onderzoek naar de geluidsbelasting op de gevels van (nieuw geprojecteerde) woningen en andere geluidgevoelige objecten. Op grond van artikel 74 van de Wet geluidhinder (Wgh) hoofdstuk VI, afdeling 1 bevindt zich aan weerszijden van een weg een zone. Als in deze zone geluidgevoelige bebouwing wordt geprojecteerd dan dient akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd. De breedte van deze zone is afhankelijk van: de ligging van de weg in stedelijk of buitenstedelijk gebied; het aantal rijstroken.
In stedelijk gebied worden twee typen wegen onderscheiden, met aan weerszijden van de weg de volgende zonebreedtes: wegen met een of twee rijstroken: 200 meter; wegen met drie of meer rijstroken: 350 meter. In buitenstedelijk gebied worden drie typen wegen onderscheiden, met aan weerszijden van de weg de volgende zonebreedtes: wegen met een of twee rijstroken: 250 meter; wegen met drie of vier rijstroken: 400 meter; wegen met vijf of meer rijstroken: 600 meter. De volgende wegen hebben op grond van artikel 74 Wgh geen zone: wegen gelegen in een als woonerf aangeduid gebied; wegen met een maximum snelheid van 30 km/uur. Spoorweglawaai Spoorwegen hebben een zone, waarvan de breedte afhankelijk is van de hoogte van het geluidsproductieplafond. In artikel 1.4
24
bestemmingsplan Drachten - Eikekwartier
van het Besluit geluidhinder is de breedte van de zone aangegeven. De zonebreedte varieert van 100 tot 1.200 meter. Bij ontwikkelingen rond geluidsgevoelige bestemmingen in de zone of wijzigingen aan de spoorlijn moet akoestisch onderzoek worden gedaan. Op basis van de uitkomsten kunnen zo nodig maatregelen worden overwogen. De voorkeursgrenswaarde en maximaal toegestane geluidsbelasting bedragen respectievelijk 55 en 68 dB (Lden), afhankelijk van de situatie. Industrielawaai Rondom industrieterreinen waarop de mogelijkheid aanwezig is tot vestiging van zogenaamde grote lawaaimakers, is op grond van art. 41 van de Wgh een geluidszone vastgesteld. In geval van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen binnen de zone of een wijziging aan het industrieterrein of de geluidszone is een akoestisch onderzoek vereist. Op basis van de uitkomsten kunnen zo nodig maatregelen worden overwogen. De voorkeursgrenswaarde en maximaal toegestane geluidsbelasting bedragen respectievelijk 50 en 65 dB(A) (Letm), afhankelijk van de situatie. Buiten de zone mag de geluidsbelasting nooit meer dan 50 dB(A) (Letm) bedragen. Er dient te worden gewaarborgd dat deze waarde, en de eventuele vastgestelde hogere grenswaarden niet worden overschreden. Middels zogenaamd zonebeheer wordt daarvoor continu de totale vergunde geluidsbelasting vanwege het industrieterrein beheerd.
4.6.2
Onderzoek
Wegverkeerslawaai In het kader van de beoogde woningbouwontwikkeling is een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd door Buro Tideman. Het onderzoek is bijgevoegd bij voorliggend bestemmingsplan als Bijlage 8 Akoestisch onderzoek. De geluidbelasting op de grens van het bouwplan bedraagt maximaal 60 dB na aftrek van 5 dB op grond van art. 110g van de Wet geluidhinder. De geluidbelasting is daarmee hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De geluidbelasting is wel lager dan 63 dB zijnde de waarde tot waaraan een hogere waarde kan worden vastgesteld, namelijk 60 dB. Er wordt voldaan aan de voorwaarden zoals deze worden benoemd in de Wet Geluidhinder. Parallel aan de vaststelling van dit bestemmingsplan wordt een hogere waarde vastgesteld van 60 dB voor de appartementen gelegen met de gevel aan de zijde van de Eikesingel. Er wordt een hogere waarde vastgesteld van maximaal 53 dB inclusief aftrek artikel 110g vanwege wegverkeerslawaai van de zoneplichtige Zuiderhogeweg. Er geldt de voorwaarde dat de benodigde gevelisolatie gelijk moet zijn aan het verschil tussen de geluidbelasting van alle wegen samen zonder aftrek ex artikel 110G van de Wet Geluidhinder van maximaal 66 dB en het binnenniveau van 33 dB. De geluidbelasting in de woningen zal met de vereiste geluidwering tevens voldoen aan een goed woon- en leefklimaat.
In het Bouwbesluit is een bepaling opgenomen waarin staat dat de geluidsbelasting waarop de geluidswering wordt bepaald opnieuw vastgesteld kan worden (Artikel 3.3 lid 3). Daarmee worden onnodig zware maatregelen voorkomen als de situatie ter plaatse een lagere geluidsbelasting heeft op het moment dat de bouwaanvraag wordt ingediend. Met de inwerkingtreding van de omgevingswet vervalt dit artikel uit het Bouwbesluit. Conform art. 40.103a en 5.23a BBL kan dit als maatwerk worden geregeld. Deze bepaling moet daarom als regel in het bestemmingsplan worden vastgelegd zodat deze bepaling na 1 januari 2024 mee gaat naar het omgevingsplan. Hiertoe is in de planregels van dit bestemmingsplan een maatwerk regeling opgenomen (5.2.5) waarmee de benodigde geluidwering opnieuw bepaald kan worden. Spoorweglawaai Het plan ligt niet in het invloedsgebied van een spoorweg, van spoorweglawaai is geen sprake. Industrielawaai Het plan ligt niet in het invloedsgebied van een (gezoneerd) industrieterrein, van industrielawaai is geen sprake.
4.6.3
Conclusie
Op basis van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor de vaststelling van onderhavig plan.
25
bestemmingsplan Drachten - Eikekwartier
4.7
Luchtkwaliteit
4.7.1
Algemeen
De Europese Unie wil dat de lucht overal schoon genoeg is om de gezondheid van de mensen zo goed mogelijk te beschermen. Daarom heeft de Europese Unie normen gesteld voor de concentraties van vervuilende stoffen in de lucht. Luchtverontreiniging is afkomstig van verschillende bronnen. Denk bijvoorbeeld aan het gemotoriseerde verkeer, industriële en agrarische inrichtingen en achtergrondconcentraties van verontreinigende stoffen. De Europese richtlijnen voor luchtkwaliteit zijn in Nederland uitgewerkt in de volgende wet- en regelgeving: 1. Wet milieubeheer; 2. Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007; 3. Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM); 4. Besluit gevoelige bestemmingen.
4.7.1.1
Wet milieubeheer
In de Wet milieubeheer (Wm) is hoofdstuk 5 (titel 5.2) de landelijke wetgeving voor luchtkwaliteit weergegeven. In bijlage 2 van deze titel zijn de grenswaarden aangegeven waaraan moet worden voldaan voor wat betreft de luchtkwaliteit. In artikel 5.16 is de toets voor de luchtkwaliteit weergegeven. In dat artikel is bepaald dat ten behoeve van een ruimtelijke ontwikkeling het volgende moet worden getoetst in het kader van luchtkwaliteit: dat de ontwikkeling niet leidt tot het overschrijden of het waarschijnlijk overschrijden van de grenswaarden zoals genoemd in bijlage 2 van de Wm, en; dat de ontwikkeling per saldo niet zorgt voor een verslechtering van de luchtkwaliteit, en; dat de ontwikkeling alleen 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan een toename van de luchtverontreiniging, en; dat de ontwikkeling niet in strijd is met een vastgesteld programma (het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen).
4.7.1.2
Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007
De regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 bevat voorschriften voor het meten en berekenen van de concentratie, en depositie, van luchtverontreinigende stoffen. De regeling legt onder andere de standaardrekenmethoden vast waarmee de gevolgen van ruimtelijke plannen voor de luchtkwaliteit worden berekend. Veel regels uit de Rbl volgen uit de Europese richtlijn voor luchtkwaliteit uit 2008. Toetsing aan de grenswaarden is niet op alle plekken nodig. De twee criteria zijn: 1. Kunnen op die plek mensen komen (toepasbaarheidsbeginsel)? 2. Hoe lang worden hoeveel mensen op die plek blootgesteld (blootstellingscriterium)? Als een project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de verslechtering van de luchtkwaliteit, hoeft geen toets plaats te vinden aan de grenswaarden luchtkwaliteit.
4.7.1.3
Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM)
De toets aan het besluit 'Niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) heeft betrekking op projecten of activiteiten waarvan de bijdrage aan de luchtverontreiniging klein is. Leidt een project tot een toename voor NO2 en PM10 die lager is dan de NIBM-grens, dan is het toetsen van het project aan de grenswaarden luchtkwaliteit niet nodig en kan het project zonder verdere maatregelen doorgaan. Wel moet het project nog voldoen aan het Besluit gevoelige bestemmingen en er moet sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening. De uitvoeringsregels voor NIBM staan in de algemene maatregel van bestuur (AMVB) 'Niet in betekenende mate bijdragen' en de Regeling 'Niet in betekenende mate bijdragen'. In bijlage 5 van de Regeling NIBM zijn vier gebieden opgenomen waarop de Regeling NIBM niet van toepassing is omdat daar structureel een hoge waarde heerst. Dit zijn delen van de gemeenten Asten, Nederweert, Deurne en Barneveld. Volgens het Besluit NIBM is sprake van een NIBM-project als het project of de activiteit maximaal 3% van de jaargemiddelde grenswaarde bijdraagt aan de concentraties fijnstof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 µg/m3 voor zowel PM10 als NO2. Of een project een NIBM-project betreft, kan op twee manieren worden bepaald.
Het project kan getoetst worden aan de categorieën van gevallen die zijn vastgesteld, of er kan een berekening plaatsvinden: In regeling NIBM zijn de volgende getalsmatige categorieën van gevallen vastgesteld, om te bepalen of sprake is van een NIBM-project:
26
bestemmingsplan Drachten - Eikekwartier
Woningbouwlocaties; 3% criterium ligt bij: 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg 3.000 woningen (netto) bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling De berekening of de activiteit maximaal 3% van de jaargemiddelde grenswaarde bijdraagt aan de concentraties fijnstof en stikstofdioxide kan ook worden uitgevoerd als een project de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM overschrijdt. Het is dan mogelijk om alsnog via berekeningen aannemelijk te maken dat de 3% grens niet wordt overschreden. Soms kan een kwalitatieve beschrijving voldoende zijn.
4.7.1.4
Besluit gevoelige bestemmingen
Naast de luchtverontreiniging die door het project zelf wordt veroorzaakt, waarbij het criterium 'Niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) een rol speelt, gaat het om de luchtkwaliteit van het gebied zelf. Er moet worden uitgesloten dat men niet wordt blootgesteld aan een slechte luchtkwaliteit in de toekomst. Het 'Besluit gevoelige bestemmingen' is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. Het Besluit gevoelige bestemmingen beperkt substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een rijksweg. De zone wordt gemeten vanaf de rand van de weg. Voorgaande is enkel toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden, waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico's optreden. Het totaal aantal mensen dat behoort bij een gevoelige bestemming mag niet toenemen als de grenswaarden voor PM10, PM2,5 of NO2 (dreigen te) worden overschreden. Bij uitbreiding van bestaande gevoelige bestemmingen mag het totale aantal blootgestelden eenmalig met maximaal 10% toenemen.
Is de dreigende normoverschrijding niet aan de orde, dan is er geen bouwverbod voor gevoelige bestemmingen binnen de onderzoekszones. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt plaats volgens bepalingen in de Wet milieubeheer (Wm). De basis voor de luchtkwaliteitstoets staat in titel 2 van hoofdstuk 5 Wm. De luchtkwaliteitseisen zelf staan in bijlage 2 van de Wm. Zoals aangegeven zijn in Nederland alleen stikstofoxide en fijn stof (PM10 en PM2,5) relevant voor de beoordeling van de luchtkwaliteit. Stikstofdioxide (NO2) De WHO heeft per september 2021 een nieuwe advieswaarde van 10 microgram per kuub gedefinieerd. De wettelijke jaargemiddelde concentratie ligt met 40 microgram per kuub daar aanzienlijk boven. Fijn stof (PM10) Fijn stof draagt volgens de huidige inzichten bij aan ruim 75% van alle ziektelast van milieufactoren. Daarnaast is van fijn stof bekend dat er ook significant schadelijke effecten zijn op de gezondheid beneden de wettelijke grenswaarde van 40 microgram per kuub. De WHO heeft per september 2021 een nieuwe scherpe advieswaarde van 15 microgram per kuub gedefinieerd (eerder gold 20). Fijner stof (PM2,5) Fijner stof (PM2,5) is een nog belangrijkere schadelijke component van fijn stof. De WHO hanteerde een advieswaarde van 10 microgram per m3 maar heeft deze nu bijgesteld naar 5 microgram per kuub.
De wettelijke jaargemiddelde concentratie ligt met 25 microgram per kuub daar aanzienlijk boven. De volgende grenswaarden voor deze stoffen zijn derhalve gesteld: Stof NO2 NO2 NO2 PM10 PM10 PM10 PM2,5 PM2,5 PM2,5
Soort norm Jaargemiddelde concentratie Uurgemiddelde (max max. 18 keer per jaar worden overschreden) Jaargemiddelde Jaargemiddelde Jaargemiddelde Daggemiddelde Jaargemiddelde Jaargemiddelde Jaargemiddelde
Concentratie 40 µg/m3 200 µg/m3*
Status Grenswaarde Grenswaarde
10 µg/m3 40 µg/m3 15 µg/m3 50 µg/m3 31,3 µg/m3 (jaargemiddeld)** 25 µg/m3 20 µg/m3 5 µg/m3
WHO advieswaarde Grenswaarde WHO advieswaarde Grenswaarde Grenswaarde Indicatieve grenswaarde (EU) WHO advieswaarde
* Van toepassing voor wegen waarvan tenminste 40.000 motorvoertuigen per etmaal gebruik maken. ** De daggemiddelde grenswaarde is voor PM10 belangrijker dan de jaargemiddelde norm van 40 µg/m3. De daggemiddelde norm komt namelijk neer op 31,3 µg/m3 jaargemiddeld.
27
bestemmingsplan Drachten - Eikekwartier
4.7.2
Onderzoek
4.7.2.1
Wet milieubeheer
Voorliggend bestemmingsplan maakt geen activiteiten mogelijk welke beoordelingsplichtig zijn in het kader van de Wet milieubeheer.
4.7.2.2
Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007
De Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 is niet van toepassing omdat het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit.
4.7.2.3
Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM)
Voorliggend plan ligt niet in een uitzonderingsgebied zoals opgenomen in bijlage 5 van de Regeling NIBM, waardoor het plan getoetst kan worden aan de regeling NIBM. Onderhavig plan komt niet in de buurt van de grenswaarde van 1.500 woningen, er worden maximaal 122 wooneenheden gebouwd. Gesteld kan worden dat bij voorliggend plan sprake is van een NIBM-project. Verdere toets aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit hoeft niet plaats te vinden.
4.7.2.4
Besluit gevoelige bestemmingen
Met voorliggend plan worden ten opzichte van de bestaande situatie woningen mogelijk gemaakt. Daarbij zijn zorgfuncties toegestaan, daar waar daartoe een aanduiding is opgenomen. Omdat naast het wonen, zorg mogelijk is, is wellicht sprake van een gevoelige bestemming. Derhalve wordt onderstaand getoetst aan het 'Besluit gevoelige bestemmingen' en beoordeeld of de luchtkwaliteit in de toekomstige situatie geen negatieve invloed zal hebben op de toekomstige bewoners. Het plangebied ligt op ruim 500 meter van de rijksweg A7. De dichtsbijzijnde provinciale weg, de N31, ligt op ruim 2,8 kilometer van het plangebied. Het plan ligt daarmee buiten de invloedsgebieden van toetsingsplichtige wegen en een luchtkwaliteitonderzoek is niet noodzakelijk. Op de RIVM website https://data.rivm.nl/apps/gcn/ kunnen voor de gemeente Smallingerland de onderstaande jaargemiddelde concentraties van NO2, PM10 en PM2,5 worden afgelezen voor de jaren 2022 en 2030. Stof Concentratie in 2022 Concentratie in 2030 Stikstofoxide (NO2) <10 µg/m3 <10 µg/m3 Fijn stof (PM10) 14-16 µg/m3 <14 µg/m3 Fijn stof (PM2,5) 6-8 µg/m3 < 6 µg/m3 Ten opzichte van de bestaande situatie, zal de luchtkwaliteit in de toekomst verbeteren door het schoner worden van verbrandingsmotoren. Er wordt voldaan aan de grenswaarden van het 'Besluit gevoelige bestemmingen'.
4.7.3
Conclusie
Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
4.8
Bedrijven en milieuzonering
4.8.1
Algemeen
Milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) in de directe omgeving van zogenoemde milieuhinder gevoelige bestemmingen (zoals wonen) kunnen hinder vanwege geur, stof, geluid, gevaar en dergelijke veroorzaken. Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, zoals dat uitgangspunt is van de Wro, dient te worden aangetoond dat ter plaatse van milieuhinder gevoelige bestemmingen sprake is van een 'goed woon- en leefklimaat'. VNG-publicatie 'Bedrijven & milieuzonering' Om niet alle ontwikkelingen bij voorbaat te onderwerpen aan een onnodig langdurig en kostbaar onderzoek is door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uitgebracht. Deze uitgave maakt
28
bestemmingsplan Drachten - Eikekwartier
gebruik van het principe 'functiescheiding'. Door voldoende afstand aan te houden tussen nader bepaalde milieubelastende activiteiten en milieugevoelige bestemmingen kan eenvoudigweg in veel gevallen worden aangetoond dat sprake is een 'goed woon- en leefklimaat'. De VNG-publicatie betreft zgn. pseudowetgeving (geen wetgeving maar een algemeen door de rechter aanvaarde methode). De VNG-publicatie maakt gebruik van een basiszoneringslijst waarin voor nader gedefinieerde bedrijfscategorieën richtafstanden zijn bepaald. Een richtafstand wordt beschouwd als de minimaal aan te houden afstand tussen een milieubelastende activiteit en de milieuhinder gevoelige bestemming waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van milieubelastende (bedrijfs)activiteiten betreffende geluid, geur, stof en gevaar redelijkerwijs kan worden uitgesloten. De genoemde maten zijn indicatief; met een goede motivering kan hiervan worden afgeweken. Naast de gegeven richtafstanden hanteert de VNG-publicatie twee omgevingstypen, namelijk: een rustige woonwijk/buitengebied en een gemengd gebied. In een rustige woonwijk of buitengebied (omgevingstype 1) wordt functiescheiding nagestreefd. Tussen milieuhinder gevoelige functies en bedrijven dient de minimaal aan te houden 'richtafstand' in acht te worden genomen.
In geval van een gemengd gebied (omgevingstype 2), waar sprake is van functiemenging, kan een verkleinde richtafstand worden gehanteerd. In tegenstelling tot rustige woongebieden worden in dergelijke levendige gebieden milieubelastende activiteiten op kortere afstand van milieuhinder gevoelige functies acceptabel geacht. De richtafstand mag in deze gebieden met één afstandsstap worden verkleind (10 meter behorende bij milieucategorie 1 wordt 0 meter, 30 meter van milieucategorie 2 wordt 10 meter van milieucategorie 1, etc.). Relatie tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevingstype Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk en buitengebied 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
De gegeven richtafstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. Ze moeten daarom gemotiveerd worden toegepast. Dit betekent dat geringe afwijkingen in de lokale situatie mogelijk zijn. Vanuit milieuoogpunt kan een bepaalde afstand tussen een milieubelastende activiteit en een milieugevoelig object noodzakelijk zijn. Deze afstand heeft als doel bijvoorbeeld om ter plaatse van een 'gevoelig' object, zoals woningen, een aanvaardbaar geur-, geluid- of veiligheidsniveau te realiseren. Deze afstand wordt een milieuzonering genoemd. Een milieuzonering vormt het indirecte ruimtegebruik van een milieubelastende activiteit. In de uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' van de Vereniging Nederlandse Gemeenten zijn richtafstanden opgenomen, waarmee rekening moet worden gehouden ten opzichte van gevoelige functies. Het gaat daarbij zowel om de invloed van omliggende milieubelastende activiteiten op nieuwbouwplannen, als om invloed van eventuele nieuwe milieubelastende activiteiten op milieugevoelige bestemmingen in de omgeving.
4.8.2
Onderzoek
Onderstaande figuur 4.2 toont een uitsnede van het in de omgeving van het plangebied vigerende bestemmingsplannen. Een gebied kan aangemerkt worden als een gemengd gebied als direct naast woningen andere functies voorkomen zoals kleine bedrijven en sportvelden (ABRvS 1 december 2010, 201008212/1/R1 en 201008213/2/R1, LJN BO6591), als de woning(en) gelegen zijn aan de rand van een woonwijk, omgeven door (spoor)wegen en nabij een instelling voor voortgezet onderwijs (ABRvS 4 augustus 2010, 200908729/1/R2, LJN BN3151), of als ter plaatse naast woningen ook kleine bedrijven voorkomen (ABRvS 21 juni 2010, 201003018/1/R1 en 201003018/2/R1, LJN BM9627). Ook de menging van woningen, een bedrijfsverzamelgebouw, een belastingkantoor, een vestiging van het CWI en een bedrijf leidt tot een gemengd gebied (ABRvS 24 november 2004, 200404442/1, LJN AR6301). Ten zuiden van het plangebied is een sportpark gesitueerd en ten noorden van het plangebied is een tandartsenpraktijk gevestigd. Gelet op de rondom het plangebied gevestigde functies wordt gesteld dat de omgeving van het plangebied kan worden gecategoriseerd als 'gemengd gebied'. Op basis van bovenstaande jurisprudentie en onderstaande figuur wordt geconcludeerd dat het plangebied en de omgeving kunnen worden aangemerkt als "gemengd gebied". De richtafstanden uit de VNG-publicatie worden met één stap verkleind.
29
bestemmingsplan Drachten - Eikekwartier
Figuur 4.2 plangebied met in de omgeving aanwezige functies
Milieubelastende activiteit of milieuhindergevoelige functie De te realiseren woningen betreffen geen milieubelastende activiteit. In de bestaande situatie zijn in het plangebied de functies maatschappelijk en horeca toegestaan. In het kader van de beoogde woningbouwontwikkeling moet worden beoordeeld of ter plaatse van het plangebied sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat. Nabijgelegen milieubelastende activiteiten Om te kunnen beoordelen of in het plangebied ter plaatse van de woning sprake is van een 'goed woon- en leefklimaat' en of omliggende milieubelastende functies in de bedrijfsvoering worden belemmerd zijn nabijgelegen milieubelastende activiteiten beoordeeld. In de omgeving van het plangebied zijn milieuhinderlijk bedrijven en activiteiten gevestigd. Dit betreffen de tandartsenpraktijk ten noorden van het plangebied en het sportpark aan de overzijde van de Eikesingel. De maatschappelijke functie ten noorden van het plangebied betreft een maatschappelijk verzamelgebouw waar onder andere een tandartsenpraktijk is gevestigd. De afstand van ruim 45 meter is zodanig dat geen sprake zal zijn van milieuhinder ter plaatse van het plangebied. Op grotere afstand, is een maatschappelijk functie toegestaan met de aanduiding 'verslavingszorg'.
Deze afstand (125 meter) is zodanig dat dit geen belemmering vormt voor het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied. Ten zuiden van het plangebied bevindt zich een sportpark, conform de VNG-publicatie geldt voor sportvelden en -hallen een milieucategorie van 3.1 vanwege geluid en daarmee een richtafstand van 50 meter tot gevoelige functies. Omdat sprake is van een gemengd gebied wordt de richtafstand verkleind naar 30 meter. In figuur 4.3 is een buffer van 30 meter rondom de sportbestemming ingetekend, hieruit volgt dat aan de richtafstand wordt voldaan. Echter, zijn ter plaatse van het sportpark, en specifiek de tennisvereniging, tevens padelbanen aanwezig. De tennisvereniging is bezig het aantal padelbanen uit te breiden. Met betrekking tot geluidhinder als gevolg van een padelbaan kan niet zondermeer worden uitgegaan van de richtafstand van 30 (of 50) meter. Derhalve is in het uitgevoerde akoestisch onderzoek (Bijlage 8 Akoestisch onderzoek) de geluidbelasting op de nieuwe woningen als gevolg van het gebruik van de tennisbanen en het nieuwe aantal padelbanen berekend. De tennis- en padelbanen veroorzaken overdag en in de avond een overschrijding van de standaardwaarden op de gevels van de nieuw te bouwen woningen. Daarvoor heeft het college van B&W een maatwerkvoorschrift vastgesteld.
De overschrijding is toegestaan, mits voldaan wordt aan een binnen niveau van 35 dB(A). Wegens de geluidbelasting door wegverkeerslawaai zijn bij de nieuwe woningen reeds geluidwerende maatregelen noodzakelijk. De geluidwering van de gevel zal minimaal 22 dB bedragen en maximaal de geluidbelasting door het wegverkeer minus 33 dB.
30
bestemmingsplan Drachten - Eikekwartier
Op deze wijze wordt tevens voldaan aan het vereiste binnen niveau in relatie tot het geluid van de tennisvereniging inclusief de padelbanen. De geluidbelasting in de woningen zal met de vereiste geluidwering en met gesloten deuren en ramen voldoen aan een goed woon- en leefklimaat. Andersom wordt de tennisvereniging niet in de gebruiksmogelijkheden van de eigen gronden beperkt. Milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Figuur 4.3 milieuzonering sportbestemming
4.8.3
Conclusie
Ter plekke van het plangebied zal sprake zijn van een 'goed woon- en leefklimaat' en de in de omgeving van het plangebied aanwezige functies worden niet gehinderd in de planologische mogelijkheden. Vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
4.9
Externe veiligheid
4.9.1
Algemeen
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt. Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd.
31
bestemmingsplan Drachten - Eikekwartier
Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6 (één op de miljoen) bedraagt. Het groepsrisico (GR) is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg) Voor de beoordeling van de risico's vanwege transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende regeling Basisnet.
Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor de beoordeling van de risico's van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud aan de buisleidingen.
4.9.2
Onderzoek
4.9.2.1
Externe veiligheid
Initiatiefnemer zijn voornemens woningbouw te realiseren, woningen betreffen kwetsbare objecten. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken moet een ruimtelijk besluit worden genomen. In het kader van dit ruimtelijke besluit moet, omdat er kwetsbare objecten (wooneenheden) worden gerealiseerd, het aspect externe veiligheid worden beoordeeld. Nieuwe kwetsbare objecten mogen niet binnen de risicocontour van bestaande risicobronnen liggen. Onderstaande kaartuitsnede toont het plangebied ten opzichte van bestaande risicobronnen in de omgeving.
32
bestemmingsplan Drachten - Eikekwartier
Figuur 4.5 uitsnede risicokaart
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Ten noorden van het plangebied, op ruim 715 meter afstand, is een risicovolle inrichting gesitueerd. Deze afstand is dermate groot dat deze inrichting geen belemmering vormt voor het planvoornemen. Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg) Op circa 520 meter ten zuiden van het plangebied is de A7 gelegen, over deze transportas worden gevaarlijke stoffen vervoerd. Het plangebied ligt niet binnen de groepsrisico-contour en de invloed van het plan op het groepsrisico hoeft derhalve niet inzichtelijk te worden gemaakt. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Het plangebied ligt op circa 90 meter van een buisleiding. Bepaald moet worden of de aanwezige buisleiding consequenties kan hebben voor de beoogde ontwikkeling. Ten behoeve van de berekening van het groepsrisico zijn de 100%- en 1%-letaliteitsafstanden van belang. Deze afstanden zijn afhankelijk van de uitwendige diameter en de werkdruk van de buisleiding. Onderstaande tabel toont de uitwendige diameter en werkdruk van de buisleiding, en de daarmee samenhangende letaliteitsgrenzen. Uit de tabel volgt dat het plangebied gedeeltelijk binnen het invloedsgebied is gelegen. Buisleiding
N-505-60
Uitwendige diameter in mm 219
Werkdruk in kPa
4000
Invloedsgebied 100%letaliteitsgrens in meters 50
Invloedsgebied 1%- Werkelijke afstand letaliteitsgrens in tot plangebied in meters meters 95
83
Het plangebied ligt niet in het invloedsgebied van de 100%-letaliteitszone, maar wel in het invloedsgebied voor de 1%-letaliteitszone. In onderstaande figuur is de 1%-letaliteitszone inzichtelijk gemaakt. Circa 100 m2 van het meest westelijke bouwvlak ligt binnen de 1%-letaliteitszone.
Figuur 4.6 invloedsgebied 1%-letaliteitszone
33
bestemmingsplan Drachten - Eikekwartier
Het invloedsgebied van buisleiding N-505-60 bedraagt 95 meter vanaf de buisleiding. Het plangebied ligt daarmee gedeeltelijk binnen de 1%-letaliteitszone. Wanneer een plan in het gebied tussen de 100% en 1% letaliteitszone ligt, dient een beperkte verantwoording van het GR plaats te vinden (artikel 12, lid 3 Bevb). Bij een beperkte verantwoording dienen de volgende elementen betrokken te worden: de personendichtheid binnen het invloedsgebied, de hoogte van het GR, de bestrijdbaarheid/beperking van de omvang van een incident en de zelfredzaamheid. In de planregels van dit bestemmingsplan is bepaald dat het betreffende gebouw dat in de 1% letaliteitszone is gesitueerd uitsluitend kan worden gebruikt voor zorg indien daarbij geen afbreuk wordt gedaan aan het aspect externe veiligheid. Hiermee is de externe veiligheid in de toekomstige situatie in voldoende mate geborgd. Indien gebruik wordt gemaakt van de opgenomen afwijkingsbevoegdheid om ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - zorg 2' het gebouw te gebruiken voor zorg dan dient het groepsrisico te worden verantwoord door in te gaan op de aspecten zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid.
4.9.3
Conclusie
Op basis van bovenstaande wordt gesteld dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de realisatie van het voorliggende plan.
4.10
Verkeer en parkeren
4.10.1
Algemeen
Vanuit een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat in het plan wordt beoordeeld dat de ontsluitende wegen voldoende capaciteit hebben om het verkeer van en naar het plangebied af te wikkelen. Daarnaast moet worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid, om overlast van geparkeerde auto’s te voorkomen. Hierbij wordt uitgegaan van de verkeerkentallen uit de CROW-publicatie 'Toekomstbestendig parkeren (381, december 2018)' en de Parkeernormennota 2015 van de gemeente Smallingerland.
4.10.2
Onderzoek
In de bestaande situatie heeft het plangebied reeds een verkeersgenererende werking en parkeerbehoefte vanwege de (voorheen) ter plaatse gevestigde functies. In de parkeernormennota van de gemeente Smallingerland is Drachten aangeduid als 'matig stedelijk', het plangebied is aangeduid als 'rest bebouwde kom'.
4.10.2.1 Verkeer Verkeersgeneratie bestaand Onderstaande tabel toont de worst-case verkeersgeneratie in de bestaande situatie. Stedelijkheidsklasse matig stedelijk, rest bebouwde kom Type Gem. per eenheid Hotel 1,44 Kerk Basisschool Totaal
Aantal eenheden 54 kamers 698 m2 350 leerlingen
Totale generatie 77,8 83,6 232 393,4
Het Marathonhotel kende 54 kamers en een verkeersgeneratie van 14,4 voertuigbewegingen per etmaal per 10 kamers. Er kan worden uitgegaan van 77,8 verkeersbewegingen. De voormalige kerk Ichtushus kende een bvo van 698 m2. In de parkeerbalans resulteert dit in 20,9 parkeerplaatsen. Voor kerkgebouwen zijn geen verkeersgeneratie kencijfers bekend, de verkeersgeneratie is dan ook berekend aan de hand van het aantal berekende parkeerplaatsen en het aantal kerkdiensten. De zondag is maatgevend met 2 diensten per dag. Uitgaande van een maximale bezetting van het aantal parkeerplaatsen bedraagt de verkeersgeneratie (20,9 parkeerplaatsen x 2 diensten x 2 (heen en terug) = 83,6 verkeersbewegingen. De basisschool De Parel biedt ruimte aan circa 350 leerlingen. De exacte verkeersgeneratie bij kindfuncties is moeilijk te bepalen. Het aantal kinderen dat met de auto wordt gebracht en opgehaald is sterk afhankelijk van verschillende externe factoren zoals weersomstandigheden, het haal- en brengbeleid van de school of opvang en de agenda van ouders. Uit onderzoek blijkt dat gemiddeld 1/3 deel van de kinderen in Nederland met de auto naar school wordt gebracht. Aangenomen wordt dat 350 x 1/3 = 116 kinderen per dag naar school worden gebracht. Uitgaande van een heen én terugreis resulteert dit
34
bestemmingsplan Drachten - Eikekwartier
in 232 verkeersbewegingen per etmaal. In totaal kan voor de bestaande situatie worden uitgegaan van een theoretische verkeersgeneratie van 393 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Verkeersgeneratie toekomstig Voorliggend bestemmingsplan maakt de herontwikkeling van het Eikekwartier ten behoeve van woningbouwontwikkeling mogelijk. Op basis van de maximale planologische mogelijkheden en in de planfase beoogde doelgroepen (starters, senioren en (woon)zorgbehoevenden) betreft een representatief scenario de realisatie van 113 woon(zorg)eenheden. Hierbij is een afwijking in aantallen tot 122 eenheden onder voorwaarden toegestaan. Er is daarom uitgegaan van een scenario waarbij 122 eenheden worden gerealiseerd. Onderstaande tabel maakt de verwachte verkeersgeneratie in dit scenario inzichtelijk. Type Indicatie gebruiksoppervlakte < 130 m2 Zelfstandige woning met beperkte zorgvoorziening Indicatie gebruiksoppervlakte tussen 80 m2 en 130 m2 Indicatie gebruiksoppervlakte tussen 80 m2 en 130 m2 Totaal
Categorie Gem. per eenheid Huur, etage, 3,6 midden/goedkoop Aanleunwoning en serviceflat 2,45
Aantal eenheden 14
Totale generatie 50,4
48
117,6
Koop, etage, midden
5,6
35
196
Koop, etage, midden
5,6
25
140
122
504
De in opgenomen verkeersbewegingen zijn berekend op basis van de Parkeernormennota Smallingerland 2015 en de CROW-publicatie 'Toekomstbestendig parkeren'. Op basis van de maximale planologische mogelijkheden inclusief afwijkingsmogelijkheid om maximaal 122 woningen te realiseren is dit een realistische inschatting van de maximale verkeersgeneratie. Uit het bovenstaande volgt dat de worst-case verkeersgeneratie door de in het plangebied gevestigde functies als gevolg van het planvoornemen toeneemt met circa 110 motorvoertuigen per etmaal. Hoogstwaarschijnlijk is het daadwerkelijke aantal motorvoertuigbewegingen per etmaal lager. Gelet op de inrichting van de wegen rondom het plangebied als ontsluitingswegen zijn deze in staat deze toename van verkeersbewegingen te verwerken. Het plan leidt daarmee niet tot een afwenteling van negatieve verkeerseffecten op de omgeving.
4.10.2.2 Parkeren In het kader van onderhavig initiatief is een parkeeronderzoek uitgevoerd door Mobycon, de bijbehorende rapportage is bijgevoegd bij deze toelichting als Bijlage 9 Parkeeronderzoek. Het onderzoek is uitgevoerd conform de voorwaarden die hiervoor gelden op basis van de Parkeernormennota 2015. In het onderzoek zijn de huidige en toekomstige parkeersituatie beoordeeld. Er is rekening gehouden met een aantal scenario's voor de invulling van planologische mogelijkheden. Op basis van het onderzoek is geconcludeerd dat bij alle scenario’s de parkeerdruk na ontwikkeling onder de 80% blijft en daarmee voldoet aan de voorwaarden uit de Parkeernormennota 2015 van de gemeente Smallingerland. Figuur 4.7 toont een overzicht van de parkeerplaatsen aan de Eikesingel die vervallen als gevolg van de herinrichting van de weg, en de hiervoor in de plaats gerealiseerd plekken aan de Bouriciuslaan en Burmanialaan. Het aspect parkeren vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid, en daarmee de vaststelling, van onderhavig bestemmingsplan.
35
bestemmingsplan Drachten - Eikekwartier
Figuur 4.7 mogelijke toekomstige parkeersituatie
4.10.3
Conclusie
Op basis van bovenstaande wordt geconcludeerd dat het plan uitvoerbaar is op de aspecten verkeer en parkeren.
4.11
Kabels en leidingen
4.11.1
Algemeen
In het kader van het bestemmingsplan dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van ondergrondse planologisch relevante leidingen (hoofdtransportleidingen). Indien daartoe aanleiding bestaat dient rondom een leiding een zone te worden aangegeven waarbinnen mogelijke beperkingen gelden.
4.11.2
Onderzoek
Aardgastransportleidingen In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen aardgastransportleidingen. Hoogspanningsleidingen In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen hoogspanningsleidingen. Rioolleidingen De rioolleidingen leiden voor dit plan leidt dit niet tot enige belemmering. Watertransportleidingen In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen watertransportleidingen.
36
bestemmingsplan Drachten - Eikekwartier
Straalverbindingen In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen straalverbindingen. Kabels en niet planologisch relevante leidingen Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning wordt de wettelijk verlichte KLIC-melding uitgevoerd. Een dergelijke melding zorgt ervoor dat netwerkbeheerders van kabels en leidingen een melding krijgen van geplande werkzaamheden in de ondergrond. Aan de hand van de melding sturen netwerkbeheerders tekeningen naar de aanvrager. De tekeningen kunnen vervolgens gebruikt worden om na te gaan of er kabels en leidingen aanwezig zijn op de plaats waar gegraven gaat worden. Tijdens het bouwrijp maken van het plangebied worden deze bestaande kabels en leidingen verwijderd dan wel omgelegd.
4.11.3
Conclusie
In en nabij het plangebied van dit plan zijn geen planologisch relevante leidingen en/of verbindingen aanwezig. Er zijn daarom geen belemmeringen te verwachten. Bij graafwerkzaamheden op het terrein dient wel rekening te worden gehouden met eventueel aanwezige kabels en niet-planologische leidingen.
4.12
MER-toets
4.12.1
Algemeen
Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r. gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r. wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.-beoordeling uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij projecten die kleiner zijn dan de drempelwaarden uit lijst C en D beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook deze projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een MER nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een MER nodig. Voor deze toets wordt ook wel de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd.
Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.(-beoordeling) plaatsvinden. Op 7 juli 2017 is het Besluit m.e.r. weer gewijzigd. Bij deze wijziging is een nieuwe procedure opgenomen voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.- beoordeling aan de orde is, moet het bevoegd gezag een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden.
4.12.2
Onderzoek
Voor de voorbereiding van het mer-beoordelingsbesluit, is een aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld welke is opgenomen als Bijlage 10 Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling. De conclusie is dat de activiteiten die mogelijk worden gemaakt in het kader van het voorliggende bestemmingsplan, gelet op de kenmerken en de plaats van de activiteiten en de kenmerken van de potentiële effecten, niet zodanig van invloed op het milieu zijn dat een milieueffectrapportage moet worden doorlopen. Het voorstel is om het college van de gemeente Smallingerland op basis van deze notitie te laten besluiten dat geen milieueffectrapportage nodig is.
4.12.3
Conclusie
Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-plichtig. Op basis van de aanmeldnotitie zijn tevens geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.
37
bestemmingsplan Drachten - Eikekwartier
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische plantoelichting
Plansystematiek
De in Hoofdstuk 2 beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die bindend is voor overheid, bedrijven en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding (plankaart) vormen het juridisch bindende deel. Op de verbeelding worden de toegekende bestemmingen en aanduidingen visueel weergegeven. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De toelichting heeft zelf geen juridische bindende werking, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen.
5.2
Toelichting op de regels
5.2.1
Opbouw
In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, zoals verplicht is sinds 1 juli 2013. Dit houdt onder meer in dat het plan IMRO-gecodeerd wordt opgeleverd. Navolgend wordt de opbouw, indeling en systematiek van de regels kort toegelicht.
Hoofdstuk 1 Inleidende regels Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding (plankaart) geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.
Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels De opbouw van de bestemmingen ziet er als volgt uit: Bestemmingsomschrijving: De omschrijving van de doeleinden. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies; Bouwregels: In de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding (plankaart); Afwijken van de bouwregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van de bouwregels ten aanzien van het oppervlak en de vorm van bijbehorende bouwwerken; Specifieke gebruiksregels: In dit onderdeel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval zijn toegestaan dan wel strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke toegestane en strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die functies, waarvan het niet op voorhand duidelijk is. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling/verduidelijking op de in de bestemmingsomschrijving genoemde functies; Afwijken van de gebruiksregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van het in de bestemmingsomschrijving beschreven gebruik van hoofdgebouwen;
38
bestemmingsplan Drachten - Eikekwartier
Wijzigingsregels In dit onderdeel is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden gekoppeld aan de desbetreffende bestemming. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven.
Hoofdstuk 3 Algemene regels Anti-dubbeltelregel: Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld; Algemene bouwregels: In dit artikel worden de algemene bouwregels voor het bouwen beschreven, onverminderd het bepaalde in de overige artikelen; Algemene gebruiksregels: Deze bepaling bevat een opsomming van strijdig gebruik van gronden en bouwwerken in algemene zin; Algemene afwijkingsregels: In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; Algemene wijzigingsregels: In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking.
De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; Overige regels: Hier staan regels geformuleerd ten aanzien van bijvoorbeeld welstand en wegverkeerslawaai en er wordt de mogelijkheid geboden om nadere eisen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing.
Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Overgangsrecht: Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een bouwvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het overgangsrecht is opgenomen zoals opgenomen in artikel 3.2.1 Bro. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet; Slotregel: Deze bepaling geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.
5.2.2
Bestemmingen
Naast de inleidende regels (begrippen en wijze van meten), algemene regels (zoals bouwregels, gebruiksregels en proceduregels) en de overgangs- en slotregels, zijn de volgende bestemmingen in dit plan opgenomen:
5.2.2.1
Groen
Artikel 3 de bestemming 'Groen' is opgenomen ten behoeve van de groene inrichting van de ontwikkeling en het te realiseren oppervlaktewater.
5.2.2.2
Verkeer - Verblijf
Artikel 4 de bestemming 'Verkeer - Verblijf' is opgenomen voor de Burmanialaan en de parkeerkoffer aan de Bouriciuslaan. De vigerende planregels zijn in onderhavig bestemmingsplan overgenomen.
39
bestemmingsplan Drachten - Eikekwartier
5.2.2.3
Wonen - Woongebouw
Artikel 5 bevat de enkelbestemming 'Wonen - Woongebouw'. Deze aangewezen gronden zijn hoofdzakelijk bestemd voor de functie wonen met daarbij behorende voorzieningen en gebruiken. Daarbij is ook zorg toegestaan, ter plaatse van de functieaanduidingen 'specifieke vorm van wonen - zorg 1' en 'specifieke vorm van wonen - zorg 2'. In de planregels is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen waarbij het totaal aantal wooneenheden tot maximaal 122 mag worden verhoogd, mits er wordt voldaan aan de gestelde voorwaarden. Tevens is aanvullend een voorwaardelijke verplichting opgenomen waarmee de waterberging in het plangebied is geborgd.
40
bestemmingsplan Drachten - Eikekwartier
Hoofdstuk 6
Economische uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een ruimtelijke procedure dient op grond van artikel 3.1.6 lid f van het Bro onderzoek plaats te vinden naar de economische uitvoerbaarheid van het plan. Met de inwerkingtreding van de Wro op 1 juli 2008 is de gemeente verplicht, op grond van artikel 6.12 lid 1 van die wet, tot kostenverhaal bij grondexploitatie. Deze verplichting houdt in dat als de gemeente er bij een ruimtelijke ontwikkeling niet in slaagt met alle particuliere eigenaren in het gebied een overeenkomst te sluiten over grondexploitatie, de gemeente publiekrechtelijk de kosten moet verhalen bij alle eigenaren in het exploitatiegebied waarmee niet is gecontracteerd. Gemaakte kosten (limitatief opgesomd in artikelen 6.2.3 tot en met 6.2.5 van het Bro) zoals plankosten, onderzoekskosten, kosten van inrichting van de openbare ruimte etc. kunnen worden verhaald door middel van een exploitatieplan dat gelijktijdig met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld. De toepassing voor het afdwingbare kostenverhaal richt zich op bouwplannen. De definitie van wat onder een bouwplan wordt verstaan is opgenomen in artikel 6.2.1 Bro (o.a. bouw van 1 of meer woningen, bouw van 1 of meer hoofdgebouwen). Het bestemmingsplan voorziet in de ontwikkeling van meerdere gebouwen behorende bij een zorgcomplex. Deze ontwikkeling maakt daarmee een bouwplan mogelijk in de zin van artikel 6.2.1 Bro.
Het bevoegd gezag heeft met de initiatiefnemer een overeenkomst gesloten over grondexploitatie (een anterieure overeenkomst). Hierin zijn afspraken gemaakt over de betaling van de gemeentelijke kosten. De kosten van grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden zijn hiermee anderszins verzekerd. Het maken van een exploitatieplan is niet noodzakelijk.
41
bestemmingsplan Drachten - Eikekwartier
Hoofdstuk 7
Inspraak, overleg en zienswijzen
In dit hoofdstuk is de procedure van het bestemmingsplan beschreven. In de eerste plaats is een toelichting gegeven van de verschillende stappen die in het algemeen in een bestemmingsplanprocedure onderscheiden kunnen worden. Vervolgens zijn de resultaten van de doorlopen stappen in de procedure van bestemmingsplan 'Drachten - Eikekwartier'.
7.1
Vooroverleg
Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met instanties, zoals gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. Het vooroverleg bestemmingsplan is wel gedeeld met de Provincie Friesland, Wetterskip en de Brandweer Friesland. De samenvatting van de reacties is hieronder weergegeven. Provincie Friesland In de vooroverlegreactie van de provincie zijn opmerkingen gemaakt over archeologie en cultuurhistorie. Archeologie Uit onderzoek of er sprake is van archeologische (verwachtings)waarden in het projectgebied is de Friese Archeologische Monumenten Kaart Extra (FAMKE) geraadpleegd. In het kader van onderhavig plan is een beoordeling van archeologische waarden ter plaatse van het plangebied gemaakt.
Deze beoordeling is bijgevoegd in Bijlage 4 Archeologisch advies. In de beoordeling wordt geconcludeerd dat de archeologische verwachtingswaarde ter plaatse van het plangebied naar beneden kan worden bijgesteld. Hiermee is voldoende rekening gehouden met de ter plaatse geldende archeologische verwachtingswaarde op basis van de FAMKE. Het advies om alsnog een dubbelbestemming ten behoeve van archeologie op te nemen, wordt derhalve niet overgenomen. De zorgplicht is wel van toepassing. Indien er tijdens de uitvoering van de werkzaamheden verdachte bevindingen zijn zal de juiste procedure worden doorlopen om de waarden te beschermen. Cultuurhistorie In de reactie is aangegeven dat ter plaatse van het plangebied wel degelijk sprake is van cultuurhistorische waarde. Hoewel de in het plangebied aanwezige bebouwing in de Cultuur Historische kaart van de provincie Fryslân niet is aangeduid als wederopbouwwijk, wordt gesteld dat het bestaande schoolgebouw hier, vanwege de samenhang en het kenmerkende karakter van het schoolgebouw, wel onderdeel van is. Dit is aangepast in hoofdstuk 4.4.2 Cultuurhistorie. Het behoud of hergebruik van het bestaande gebouw is niet mogelijk vanwege het wenselijke eindbeeld. Gesteld wordt dat de urgentie van de woningbouwopgave zwaarder weegt dan de beperkte afbreuk aan de cultuurhistorische waarde van de wederopbouwwijk.