Bijlage 1 - Veenweideprogramma-2021-2030-print-2-lr
Tekst van het document
Zo gauw voor een van die gebieden voldoende geld bijeen is gebracht gaan we ook daar, steeds samen met de inwoners, verregaander aan de slag en promoveert zo’n gebied ook tot ontwikkelgebied. Naarmate de hoeveelheid beschikbare middelen groeit zullen we gedurende de looptijd van het programmade integrale gebiedsaanpak verder uitbreiden naar andere gebieden waar meerdere doelen en kansen overlappen. Een integrale gebiedsaanpak kent dus zijn eigen voordelen en heeft vanaf het begin een grote rol gespeeld in de veenweideaanpak. We ruimen daarom ook in dit programma een prominente rol in voor de gebiedsaanpak. Onderzoek en monitoring: we weten al veel maar nog niet alles. Er zijn nog onzekerheden en gaten in kennis. Om zo goed mogelijk te bepalen met welke maatregelen in welke gebieden we onze doelen het effectiefst kunnen bereiken, is verdere kennisontwikkeling noodzakelijk. Deels zal die kennisontwikkeling in laboratoria en via modellen plaats vinden. Maar het is essentieel die kennis ook uit de praktijk te halen, door experimenten in het veenweidegebied zelf. Innovaties zijn cruciaal: vernieuwingen zijn nodig om te zorgen voor kostenbesparingen en meer effectiviteit. We sluiten zoveel mogelijk aan bij het Nationaal Kennisprogramma Bodemdaling.
21
6. Instrumenten 6.1 Wat hebben we nodig? Voor het realiseren van de doelen willen we diverse instrumenten inzetten. Uitvoering van maatregelen in het kader van het Veenweideprogramma kan leiden tot nadelige effecten bijv. voor ondernemers en gebruikers. Daarnaast heeft de bodemdaling van de afgelopen decennia eveneens geleid tot nadelige effecten, bijvoorbeeld bij huis eigenaren. Met name in de gebiedsgerichte aanpak, zoals die onder programmalijn 4 (hoofdstuk 7) geschetst wordt, gaan we deze instrumenten gebruiken. Een aantal van deze instrumenten is nu al voorhanden. Een aantal zullen we de komende periode (verder) ontwikkelen in nauwe samen werking met landbouworganisaties, agrarische accountants bureaus, agrarische makelaars en banken en huiseigenaren.
6.2 Flankerend beleid agrarische sector Uitvoering van maatregelen in het kader van dit Veenweideprogramma kan leiden tot nadelige (inkomens) effecten voor individuele agrarische ondernemers. Flankerend beleid is een set aan regels en instrumenten waarmee deze effecten kunnen worden gemitigeerd en/ of gecompenseerd. Mitigatie is gericht op het treffen van (technische) maatregelen die deze negatieve effecten verzachten of wegnemen. Compenseren - in grond en/ of geld - richt zich daarentegen op het vergoeden van (onevenredige) schade die kan zijn ontstaan. Daarmee wordt het voor ondernemers mogelijk te anticiperen op de veranderende omstandigheden en kan voor individuele boeren een goed toekomstperspectief worden geboden. Het flankerend beleid richt zich er op dat de boer ‘buorkjen bliuwe kin’. De set aan instrumenten van het flankerend beleid moet nog verder worden uitgewerkt. Door het BOF (Bestjoerlik Oerlis Feangreide) zijn hiervoor de volgende uitgangs punten geformuleerd. Dit flankerend beleid wordt in gezamenlijkheid met de partijen vertegenwoordigd in het BOF uitgewerkt.
Minnelijk proces Het uitvoeren van het Veenweideprogramma en het overeenkomen van mitigerende en/of compenserende maatregelen is primair een minnelijk proces. Gericht op het ontstaan van een vrijwillige overeenkomst met de benadeelde. Tegelijkertijd is er géén sprake van een vol strekt vrijblijvend proces. Als het niet lukt om tot een minnelijke overeenkomst te komen kan een maatregel toch worden ingezet en is er een juridisch vangnet voor nadeel compensatie waarbij via een formele procedure de schade kan worden afgehandeld.
Duurzaam landbouwkundig perspectief Het Veenweidegebied is en blijft voornamelijk een landbouwgebied. Middels mitigerende en/of
22
compenserende maatregelen wordt ingezet op een land bouw met een duurzaam economisch toekomstperspectief die past bij de natuurlijke omstandigheden van het gebied.
Inzet actief grondbeleid en grondbeleid instrumentarium Uitvoering van het Veenweideprogramma kan individuele agrarische ondernemers confronteren met een inkomensdaling op hun huidige landbouwgronden. Grondaankoop, herwaardering van grond, kavelruil en bedrijfsverplaatsingen zijn daarbij concrete compensatie maatregelen die kunnen bijdragen aan een duurzaam (economisch) toekomstperspectief voor de landbouwers en daarmee aan het behoud van het Veenweidegebied als landbouwgebied.
Economie en ecologie in balans – extensiveren als waarde, niet als norm Het creëren van een duurzaam perspectief voor een land bouw die past bij de natuurlijke omstandigheden van het gebied brengt economie en ecologie opnieuw in balans. Op bedrijfsniveau wordt het extensiveren van de landbouw gezien als belangrijke waarde, niet per sé als norm.
Breder verdienmodel als basis voor een duurzaam landbouwkundig perspectief Om te kunnen komen tot een duurzaam (economisch) landbouwkundig perspectief wordt ingezet op het ontwikkelen van een “breder” verdienmodel. Naast gewas opbrengst wordt ingezet op het creëren van additionele “verdienmodellen” zoals CO₂-credits (Valuta voor Veen) en groene en blauwe diensten. De grote uitdaging is er in gelegen om de individuele agrariër voldoende inkomens zekerheid te bieden in dit bredere verdienmodel.
Flexibel groeimodel – kunnen inspelen op nieuwe ontwikkelingen Veel alternatieve verdienmodellen bieden die inkomens zekerheid op dit moment (nog) te weinig of niet. Tegelijker tijd worden op Nationale en Europese schaal de doel stellingen op het gebied van bijvoorbeeld klimaatadaptatie, biodiversiteit en duurzaamheid verder aangescherpt. We ontwerpen het flankerend beleid daarom als een flexibele groeimodel. De regels en instrumenten worden periodiek geactualiseerd waarbij deze op nieuwe kennis en inzichten maar ook nieuwe wetten en regelgeving worden aangepast.
Marktconformiteit als basis (“staatssteunproof”) Het uitvoeren van het flankerend beleid vraagt een aanzienlijk inzet van de betrokken overheden, die daarbij “marktconform” te werk moeten gaan teneinde markt verstoring te voorkomen. De regels rondom staatssteun kunnen daarbij worden gezien als “slot op de deur”. Tevens moeten de overheden rekening houden met het zogenaamde égalitébeginsel., Dit betekent dat eventuele toerekenbare schade pas voor tegemoetkoming in
aanmerking komt indien deze uitgaat boven het normale maatschappelijke risico of het normaal ondernemersrisico (onevenredig nadeel) van de benadeelde en die de benadeelde in vergelijking met anderen onevenredig zwaar treft. Of, en in welke mate dit égalitébeginsel een rol moet spelen in het minnelijke spoor vraagt nog om uitwerking.
ontwikkeling mogelijk te maken, als uiterste middel inzetten.
Integrale gebiedsontwikkeling en financiering (koppelkansen)
De aanpak van de ondersteuning m.b.t. funderings problematiek is nog in ontwikkeling. Door middel van pilots wordt op dit moment gekeken welke maatregelen wenselijk zijn. Uiterlijk in 2022 wordt een besluit genomen over eventuele aanvullende vormen van ondersteuning en over de toekomstige inrichting van hoogwatercircuits.
Ook al kent het Veenweideprogramma van zichzelf een ruim doelbereik, in de deelgebieden spelen vaak ook nog andere doelstellingen. Bijvoorbeeld in de sfeer van aanleg van nieuwe infrastructuur (grijs en blauw), de aanleg van het Natuur Netwerk Nederland, het stikstofdossier of de aanleg van leefgebieden voor de grutto. Juist het benutten van deze koppelkansen kunnen leiden tot synergie tussen de daarmee verbonden financieringsstromen en dragen daarmee bij aan de financierbaarheid van het Veenweide programma als geheel.
Gezamenlijke financiële verantwoordelijkheid De financiering van het flankerend beleid wordt gedekt uit de voor het programma beschikbare middelen. Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen de afhandeling van het nadeel via het minnelijke spoor of via het juridische vangnet voor nadeelcompensatie.
Verdere uitwerking Om invulling te geven aan bovenstaande uitgangspunten, gaat een werkgroep aan de slag bestaande uit deskundigen van de provincie, het Wetterskip, de landbouwpartijen en de veenweide programmaorganisatie. Deze werkgroep is inmiddels gestart en richt zich op zowel het opleveren van een systematiek van herwaardering van grond als ‘bestuurlijke spelregels’. De werkgroep heeft onder meer de onderstaande kaders meegekregen. • De bovengenoemde uitgangspunten uit het Veenweideprogramma 2021 – 2030 zijn leidend. • Maak gebruik van de leerervaringen van afwaardering van Aldeboarn De Deelen en Idsegea en toets een systematiek zoveel mogelijk in de praktijk. • Onderzoek of een ‘breder verdienmodel’ onderdeel kan zijn van de gekozen systematiek. • Geef een advies hoe een panel van onafhankelijke experts een rol kan spelen.
Wet inrichting landelijk gebied (WILG) Deze wet maakt herverkaveling mogelijk. Hiermee kan de verkaveling van een gebied opnieuw worden ingedeeld zodat er mogelijkheden ontstaan voor een betere inrichting en gebruik van een gebied. De wet biedt de mogelijkheid tot een verplichtende herverkaveling. De bevoegdheid voor toepassing van de wet ligt bij Gedeputeerde Staten. In het veenweidegebied zal de provincie terughoudend omgaan met het verplichtende deel van de WILG. We kunnen ons echter situaties voorstellen waarin we dit, om een bepaalde
6.3 Vormen van ondersteuning m.b.t. funderingsproblematiek
6.4 Veenweidefonds We zien de oprichting van een veenweidefonds als een mogelijk instrument om middelen van publieke en private partijen gecombineerd aan te wenden voor de veranderingen in het veenweidegebied. Dit fonds kan bijvoorbeeld onderzoek en innovatie financieren, maar ook bepaalde vormen van grondgebruik financieel stimuleren.
6.5 CO2 certificaten Met de oprichting van een landelijke koolstofbank is het mogelijk dat boeren via de uitgifte van koolstofcertificaten een vergoeding krijgen voor een hoger waterpeil op hun land. We voeren hier experimenten mee uit en meten de effecten van een hoger slootpeil op de grondwaterstand en de CO2 uitstoot; dit vormt de vergoedingsbasis voor de certificaten. De opzet is dat een deel van het opbrengst verlies door vernatting van het land hiermee kan worden gecompenseerd. Dit kan alleen als het waterpeil hoger wordt gehouden dan het vastgestelde peilbesluit.
6.6 Subsidieregelingen ca. De provincie, het waterschap en gemeenten kunnen subsidies verstrekken om bepaalde ontwikkelingen of activiteiten te stimuleren of te ondersteunen. Samen met initiatiefnemers van een kansrijk project zullen we bekijken in welke vorm en onder welke condities dit succesvol kan zijn. In plaats van nieuwe subsidieregelingen kan soms het werken met opdrachten sneller en effectiever zijn.
23
7. Programmalijnen 7.1 Programmalijn 1: Waterbeheer en klimaatadaptatie Analyse Maaivelddaling is al eeuwenlang een bekend fenomeen in de veengebieden. Door veenoxidatie daalt het maaiveld en wordt het gebied natter. Om de landbouw goed te blijven bedienen wordt het peil verlaagd, dat vervolgens weer zorgt voor verdere veenoxidatie en maaivelddaling.
maailvelddaling
veenoxidatie
natte voeten
peilverlaging
Maaivelddaling maakt aanpassingen in de water huishouding noodzakelijk waardoor de kosten voor het waterbeheer steeds hoger worden. In de landbouwgebieden is tijdens ruilverkavelingen in veengebieden een droog legging ingevoerd van 90 cm of meer; dit was ten behoeve van de landbouw, maar ook voor het waterbeheer om met minder gemalen en grotere peilvakken te kunnen werken. In de naastgelegen natuurgebieden werd het peil juist hooggehouden. Ook rondom kwetsbare bebouwing (fundering op houten palen) is het peil hooggehouden door middel van hoogwatercircuits. Het gevolg is dat de hoogte verschillen tussen natte gebieden (natuur, bebouwd gebied) en drogere (landbouw)gebieden groter zijn geworden en de natte gebieden onvoldoende bediend worden door wegzijging richting de laaggelegen gebieden. Het veenweidegebied stond al voor een aantal uitdagingen: 1. Steeds grotere inspanningen in met name de water huishouding om de landbouw in de huidige vorm uit te kunnen blijven oefenen; 2. Steeds grotere inspanningen om gebieden met kwetsbare natuur, gebouwen en infrastructuur voldoende nat te kunnen houden; 3. Oplopende onderhoudskosten voor riolering, infra structuur, gemalen, stuwen, waterkeringen en hoogwater circuits; 4. Maaivelddaling in het veenweidegebied zorgt voor weg zijging van water uit natuurgebieden en aangrenzende zandgebieden. Deze verdrogen daardoor.
24
Daar is een nieuwe opgave bij gekomen: het inrichten van het watersysteem om de gevolgen van klimaatverandering goed op te kunnen vangen. Schade als gevolg van water overlast of watertekorten kan dan zoveel mogelijk beperkt worden. Dit vraagt om extra opslag van water (water berging) bij overschotten (met name in de winter) en extra voorraad zoet water bij tekorten (vooral zomers). Maatregelen om veenoxidatie en bodemdaling tegen te gaan vragen meer van het watersysteem. Zo leiden hogere slootpeilen tot verlies van waterberging. Ook bij het op grote schaal toepassen van onderwaterdrainage en andere waterinfiltrerende maatregelen kunnen aanpassingen in de waterhuishouding nodig zijn vanwege de toename van watervraag.
Waar gaan we naartoe? Het toekomstige waterbeheer moet er voor zorgen dat maaivelddaling en de nadelige effecten hiervan zo veel mogelijk worden tegengegaan. Daarbij streven we naar een watersysteem dat alle functies in het veenweidegebied zo goed mogelijk blijft bedienen én dat klimaatbestendig is. We gaan meer waterberging creëren zodat het verlies van berging door hogere peilen gecompenseerd wordt en extra wateropslag gerealiseerd wordt voor perioden van langdurige droogte.
Wat gaan we doen? Thema 1: Via maatwerk in peilbeheer tot gemiddeld hogere peilen Hoofdlijn van het peilbeheer in het veenweidegebied is, zoals we al bij onze strategie aangaven, dat we de komende jaren via maatwerk zoveel mogelijk willen proberen te komen tot een grondwaterstand van gemiddeld 40 cm onder maaiveld in de gebieden met een veenpakket dikker dan 80 cm en een kleidek dunner dan 40 cm. Deze grondwaterstand is een streefpeil. In een droge zomer zal de grondwaterstand verder uitzakken en met het peilbeheer willen we voorkomen dat deze grondwaterstand dan te ver uitzakt. In natte perioden zal de grondwaterstand juist stijgen. Dan is het peilbeheer er op gericht om deze stijging zo te beperken dat dit zo weinig mogelijk overlast betekent. Wat precies mogelijk en wenselijk is, is afhankelijk van plaatselijke omstandigheden. Maatwerk houdt daarom om te beginnen in, zoals ook al gezegd, dat we in gebieds processen de mogelijkheden met betrokken partijen in kaart zullen brengen. Ook kijken we daarbij samen met de grondeigenaren/gebruikers naar passende compensatie en/of andere oplossingen. De instrumenten in hoofdstuk 6 zullen daarbij worden ingezet. Grondgebruikers die geconfronteerd gaan worden met veranderingen zullen
voldoende tijd moeten hebben om zich hierop voor te bereiden door bijvoorbeeld hun bedrijfsvoering aan te passen. Ons uitgangspunt is dat maatregelen pas worden uitgevoerd als de dekking ervan rond is en we in staat zijn eventuele onevenredige negatieve gevolgen daarvan voor individuele boeren te compenseren. Maatwerk houdt ook in dat we gedurende het jaar de peilen flexibel aanpassen. In droge tijden willen we voorkomen dat de grondwaterstand te ver wegzakt en in natte perioden willen we voorkomen dat de grondwaterstand te hoog wordt. We hanteren daarbij het principe ‘Hoger als het kan, lager als het moet’ (HAKLAM). We hebben de afgelopen jaren ervaren dat er bij droogte veel winst (landbouwkundig en in CO2 reductie) te halen valt met hogere peilen. In een natte zomer zullen, om wateroverlast te voorkomen, de peilen juist wat lager gehouden worden. Het peilbeheer wordt gebaseerd op onder andere weersvoorspellingen en gemeten grondwaterstanden. De concrete aanpassingen gedurende het jaar komen in overleg met de direct belang hebbenden tot stand. De bij de HAKLAM aanpak horende bandbreedte in het peilbeheer wordt vastgelegd in een peilbesluit. Er worden geen peilaanpassingen meer gedaan totdat het nieuwe peilbesluit is genomen dat gericht is op dit via maatwerk streven naar een grondwaterstand van gemiddeld 40 cm.
Geen peilaanpassingen zal in de meeste gebieden de komende 10 jaar geen direct probleem opleveren. In gevallen waar dat wel het geval is proberen we dit op te lossen, bijvoorbeeld door hier het HAKLAM principe te hanteren. Het vigerende peilbesluit blijft gelden tot er een nieuw peilbesluit is genomen. Nieuwe peilbesluiten zijn het sluitstuk van een proces met de streek. Deze slimme maatwerkaanpak van het peilbeheer zal enig oefenen vergen. Ook de focus op de grondwaterstand
betekent enig experimenteren, want met peilbeheer kunnen we de grondwaterstand niet volledig sturen, alleen zo goed mogelijk beïnvloeden. Daarom zullen we de komende jaren eerst in een aantal pilots deze aanpak testen. In 2022 nemen we een besluit of de veengebieden met een veenpakket dunner dan 80 centimeter (inclusief de moerige gronden) en de veengebieden met een dik kleidek (dikker dan 40 cm) ook een bijdrage moeten leveren aan de taakstelling die is afgesproken in het klimaatakkoord. Hierbij betrekken we de afspraken die op landelijk niveau zijn gemaakt over de verdeling van de reductiedoelstelling en over de monitoringssystematiek. Voor de rest van de veengebieden, de kleigronden met veen in de ondergrond, en de gebieden met een veenpakket dunner dan 80 cm (incl. de moerige gronden), wordt in 2026 een besluit genomen over de in deze gebieden te nemen maatregelen. Hierbij betrekken we de beschikbare middelen en nieuwste inzichten en onderzoeksresultaten met betrekking tot CO2-reductie, bodemdaling, grondwaterstromen en grondwaterbeheer. Als er in deze gebieden eerder dan in 2022 kansrijke initiatieven van onderop of vanuit andere programma’s komen, gericht op het beperken van de bodemdaling en de CO2-uitstoot, dan zullen wij deze - indien mogelijk en afhankelijk van beschikbare middelen - vanuit dit programma ondersteunen.
Deze aanpak van het peilbeheer zal de bodemdaling beperken: het effect kan per deelgebied verschillen, maar gemiddeld gaat het om 0,2 cm minder bodemdaling per jaar. De jaarlijkse CO2 reductie die met dit peilbeheer bereikt kan worden is op grond van de huidige kennis berekend op minimaal 0,25 Mton ton CO2 (t.o.v. 2020; zie Achtergrond document). Daarnaast verwachten we een verdere
25
een toenemende watervraag in droge periodes, maar ook een toename van extreem natte perioden. We schatten in dat om deze veranderingen op te kunnen vangen in het veenweidegebied met een dik veenpakket in totaal 2% extra waterberging (1360 ha) nodig is. Deze extra water berging kan worden gerealiseerd door verbreding van sloten, het graven van nieuwe sloten of met aanleg van waterbergingsgebieden. Een combinatie ligt voor de hand met de aanleg van meer sloten die nodig zijn om een grondwaterstand van 40 cm te realiseren.
vermindering door vernatting van natuurgebieden. Er zijn nog onzekerheden over de CO2-uitstoot. Op basis van aanvullende kennis en voortschrijdend inzicht besluiten we in 2026 welke aanvullende maatregelen nodig zijn om de vermindering van 0,4 Mton CO2 in 2030 te realiseren. De randvoorwaarde voor het bereiken van dat doel is dat de ervoor benodigde maatregelen haalbaar, betaalbaar en realiseerbaar zijn. Dit betekent dat we de inzet van maat regelen en de effecten die daarmee bereikt kunnen worden, afstemmen op de middelen en mogelijkheden die beschik baar komen voor flankerend beleid.
Acties: Figuur 7.1: Bovenstaande kaart toont de bodemtypes in het veenweidegebied waar in eerste instantie wordt ingezet om de opgave voor vermindering van de CO2 uitstoot te realiseren
• In gebiedsprocessen brengen we de mogelijkheden voor ander peilbeheer gezamenlijk in kaart. De uitkomsten hiervan worden vastgelegd in een peilbesluit. We richten ons hierbij eerst op de 2 ontwikkelgebieden die genoemd zijn in programmalijn 4. Zo gauw er voldoende middelen zijn doen we hetzelfde voor de nu ‘kansrijke’ gebieden. Een volgende stap is toepassing op de rest van het gebied dat op kaart 7.1 is aangegeven als gebied met een veenpakket dikker dan 80 cm. • We voeren pilots uit waarmee we ervaring opdoen met flexibel peilbeheer, gericht op een grondwaterstand van gemiddeld 40 cm beneden maaiveld. We hanteren hierbij de principes van ‘ Hoger als het kan, lager als het moet’ (HAKLAM). • Om de grondwaterstand te gebruiken als indicator voor het peilbeheer, gaan boeren en het waterschap meer meten aan grondwater. In 2020 is hiervoor het project ‘Boeren meten water’ opgestart. In dat verband werkt men ook aan het meten van het bodemvocht als tweede parameter naast de grondwaterstand. • In het verlengde daarvan gaat het waterschap onder zoeken in hoeverre de uitvoering van het peilbeheer door boeren zelf kan plaatsvinden, vanzelfsprekend samen met de boeren.
We streven hierbij naar het dienen van meerdere doelen: naast waterberging bijvoorbeeld ook verbetering van de waterkwaliteit (KRW-doelen; meer natuurvriendelijk beheer van watergangen en oevers) en versterking van de biodiversiteit (nieuwe plas-drassituaties voor weidevogels).
Acties: • Bij de voorbereiding van gebiedsplannen wordt in beeld gebracht wat de gevolgen van de peilverhoging en klimaatverandering zijn voor de waterhuishouding. In het gebiedsplan wordt aangegeven wat er nodig is om deze gevolgen op te vangen.
Thema 3: Veenweide en het grondwatersysteem Uit de Grondwaterstudie8 blijkt dat het veenweidegebied een belangrijke functie heeft in het Friese grondwater systeem. Het gebied ligt lager dan het oostelijk gelegen zandgebied en het noordwestelijk gelegen zeekleigebied. Daardoor stroomt diep grondwater naar het veenweide gebied; jaarlijks circa 73 miljoen m3 grondwater (kwel). Als de veenlaag verdwijnt ondervindt het diepe grondwater minder weerstand om naar boven te stromen. Bij de huidige veenoxidatie en een gematigd klimaatscenario zal in 2085 de toestroom van grondwater met 50% toenemen; zoute kwel komt steeds verder landinwaarts en de verdroging van de zandgronden in Fryslân neemt toe. Uit de Grondwaterstudie blijkt dat hogere peilen in het veenweidegebied niet alleen de veenafbraak en bodemdaling beperken, maar ook leiden tot een hogere grondwaterstand en vermindering van de verdroging in de zandgronden en beekdalen.
Acties: • We brengen in beeld wat de bijdrage van peil verhogingen in het veenweidegebied is aan het beperken van de landinwaarts trekkende verzilting en de verdroging van het aangrenzende zandgebied. Daarbij wordt ook nagegaan wat er gedaan kan worden om dit nog meer te beperken.
Thema 2: Compensatie waterberging en klimaatadaptatie Zowel door maaivelddaling als door peilverhoging neemt de capaciteit voor waterberging af. Het watersysteem is daardoor minder goed in staat om zware buien te verwerken. Door klimaatverandering zien we daarnaast
26
https://www.fryslan.frl/beleidsthemas/grondwater-infryslan_3451/
8
27
7.2 Programmalijn 2: Bodem en grondgebruik Analyse De bodem en het beheer van de bodem vormen voor het veenweidegebied in Nederland een belangrijke sleutel voor het toekomstperspectief van de melkveehouderij en een kans voor reductie van broeikasgassen. Ze zijn deel van de oplossing en van de uitdagingen waar we nu voor staan. Bodemmaatregelen dragen bij aan de vertraging van de maaivelddaling, aan het verminderen van veenoxidatie en daarmee van de uitstoot van broeikasgassen. Bodemmaatregelen moeten voor boeren een bijdrage leveren aan het verbeteren van draagkracht, aan de vochthuishouding van de bodem, aan een vitaal bodemleven en aan het gezond houden van een productieve en oogstbare grasmat. Bodemmaatregelen zorgen voor een weerbaarder, robuuster en veerkrachtiger veenweidegebied. Landelijk en internationaal wordt het belang van duurzaam bodembeheer onderkend. Zo werkt het ministerie van LNV aan het Nationaal Programma Landbouwbodems en zet ze in op transitie naar kringlooplandbouw. De Europese Green Deal beoogt efficiënt gebruik van bronnen en grondstoffen voor een schone en circulaire economie en versterking van de biodiversiteit. Provinciaal zet Fryslân in op een nieuwe Landbouwagenda met een plek voor bovengenoemde doelstellingen.
Duurzame bodems en bodembeheer kunnen in het veenweidegebied een belangrijke bijdrage leveren aan de beoogde doelen, namelijk: 1. voor klimaatmitigatie (zoals klei in veen voor beperken van veenoxidatie en CO2 uitstoot) 2. voor klimaatadaptatie (zoals opvangen, vasthouden en geleidelijk weer afgeven van water uit neerslag) 3. voor versterking van de biodiversiteit op en onder het maaiveld 4. voor het behoud en verbeteren van de bodemvruchtbaarheid en 5. voor het behoud en verbeteren van draagkracht van de bodem
Enkele uitdagingen voor de Friese veenweidebodems De bodem in het veenweidegebied van Fryslân bestaat voor een belangrijk deel uit een laag veen met daarop klei . Een kleiner deel bestaat uit veen gronden zonder kleidek. We worden de laatste jaren geconfronteerd met langere periodes van aan houdende droogte en ook warmere zomers komen vaker voor. Dat alles terwijl juist het gras van de veenweiden veel vocht blijft verbruiken, waardoor de grondwaterstand ook bij droogte blijft uitzakken. Zonder ingrijpen van de melkveehouder, zoals met tijdige bevloeiing of beregening, droogt de veen bodem in de bovenste laag soms dermate uit, dat het veen zelfs geen water meer kan opnemen, het veen wordt waterafstotend (hydrofoob). Pas na lange
28
tijd van neerslag, zoals natte winters, wil dat veen weer vochtig worden. Spalterveen (schalterveen, ook wel ‘telefoonboek veen’ genoemd) vormt vanwege z’n afdichtende laagjes een extra uitdaging voor een goede vocht huishouding van de bodem: de bodem boven de spalterlaag droogt snel uit in de zomer en blijft lang kletsnat in voorjaar en na neerslag, terwijl muizen die droge grond waarderen. Relatief dunne knipklei (tot circa 40 cm dikte) scheurt ’s zomers in tot op het onderliggende veen, waardoor de veenoxidatie toeneemt. De wettelijke plicht om mest uit te rijden met een mestinjecteur zorgt ervoor dat veengronden in het voorjaar worden ingesneden en inscheuren. Tot ver in de zomer leidt dit via de scheuren tot uitdroging van de bodem. Met ander vormen van bemesting, zoals bovengronds mest uitrijden, kan dit voor komen worden.
Waar gaan we naartoe? We zetten in op duurzaam bodembeheer in onze veenweidegebieden. De veenweidebodems spelen in de toekomst een belangrijke rol in het vertragen van de veenoxidatie en in het vasthouden van koolstof, of in het ultieme geval zelfs het -netto- vastleggen van CO2. De focus van de bedrijfsvoering in de landbouw komt meer dan nu te liggen op de waardering van een bodem in balans en op het optimaal ondersteunen en onderhouden van het bodemleven. De melkveehouder profiteert hier van van door een robuuster bodemsysteem, waar minder ad hoc - ingrepen nodig zijn bij weersextremen. Daarnaast is duurzaam bodembeheer goed voor het klimaat door verminderde emissies van broeikasgassen. Daarnaast is duurzaam bodembeheer essentieel voor een verbeterde bodembiodiversiteit en daarmee ook voor versterking van de algehele biodiversiteit in het veenweidegebied.
Wat gaan we doen? Thema 1: Veenoxidatie en bodemmaatregelen Bodem, bodemorganismen, veenoxidatie, emissie broeikasgassen Veenoxidatie en CO2-emissie zijn een effect van een biologisch proces. Bodemleven zet organische stof om, zoals uit mest, van dierlijke en plant aardige resten, en dus ook van (fossiel) veen. Actief bodemleven gebruikt organische stof om te groeien en stoot zo CO2 uit. Dit vindt plaats in de bovenste zuurstofrijke bodemlaag en de dieper gelegen, ‘zuurstofloze’ zone boven het grondwater. Bodem leven bestaat vooral uit bacteriën en schimmels, naast rode en grijze wormen en andere bodem organismen. Door het omzetten van organische stof voorziet het bodemleven de bodem op z’n beurt van stoffen zoals stikstof en fosfaat. Die
stoffen (nutriënten) kunnen vervolgens opgenomen worden door gewassen. Organische stof wordt ook deels omgezet naar een stabiele vorm. Gezond en evenwichtig bodemleven is van groot belang voor de ‘bodemvruchtbaarheid’ en voor een weerbare bodem. Actief bodemleven heeft altijd emissies van CO2 tot gevolg.
Door het verhogen van het grondwaterpeil wordt het actief bodemleven in de diepere veenlagen verminderd; door de hogere grondwaterstand is er minder zuurstof in het bodemprofiel aanwezig. Maatregelen gericht op hogere grondwaterpeilen zijn opgenomen in programmalijn Water beheer en klimaatadaptatie. Daarnaast zijn er nog er nog een aantal maatregelen in de bodem mogelijk om de activiteit van het bodemleven te beïnvloeden om zo de veenoxidatie te beperken. Daarbij is het zoeken naar een optimum tussen actief bodemleven en het beperken van veenoxidatie. Bodemleven betekent ook bodemvruchtbaarheid en is daarom belangrijk voor de landbouwopbrengst. 1. Immobiliseren van koolstof door het vormen van kleihumuscomplexen Deze toepassing is geïnspireerd op oude landbouw methodes, zoals de aanvoer van terpaarde naar veenweiden en ende toepassing van ‘toemaak’ (stalmest vermengd met klei). Organische stof wordt in de bovenlaag van de bodem gebonden door de lutum uit kleine hoeveelheden toegevoegde klei; zo ontstaan klei-humuscomplexen, waardoor de koolstof uit de bodem duurzaam wordt vast gehouden. Onderzoek op dit vlak loopt sinds begin 2019 en geeft perspectief op emissiereductie van broeikasgassen. Onder laboratoriumomstandigheden varieert de reductie van emissies CO2 van 15% tot 50%. Veldonderzoek wordt verder opgestart in 2021 in landelijk verband.
kan dan de voor dat gebied optimale mix van maatregelen worden benut. We willen verder onderzoeken waar een eventuele balans (optimum) ligt tussen een actief bodemleven afgezet tegen een (nog) acceptabele veenoxidatie. Actief bodemleven betekent immers afbraak van organische stof en daarmee ook deels van (fossiel) veen. Bodemleven betekent ook bodemvruchtbaarheid met directe invloed op landbouwopbrengsten.
Acties: • We onderzoeken samen met melkveehouders in Fryslân en landelijk het tegengaan van emissies van broeikasgassen uit de bodem door bodemmaatregelen. We richten ons daarbij op onder meer toevoegingen van klei in veen en van zout en/of zilt slib en op het toevoegen van organisch materiaal aan de bodem. • We onderzoeken het ophogen en profielkeren van veenbodems als bodemmaatregelen om veenoxidatie te beperken. • We bevorderen kennisuitwisseling rond bodemprocessen en stimuleren onderzoek naar de relatie tussen bodemleven, veenoxidatie en emissies van broeikasgassen. • We stimuleren en ondersteunen experimenten in het veld gericht op het beperken van het scheuren van (knip)klei. • We spannen ons in om, samen met andere overheden, belemmerende regelgeving voor het bovengronds uitrijden van mest aan te passen.
2. Zout of zilt slib gericht op het inactiveren van het bodemleven Deze toepassing is niet onbekend vanuit het verleden. Het toevoegen van zeeslib en zout aan de veenbodem inactiveert bodemleven en daarmee wordt veenoxidatie verminderd. 3. Verzuren gericht op het inactiveren van het bodemleven De werking is enigszins vergelijkbaar aan die van zout. Verzuring van de veenweidebodems levert minder perspectief voor landbouw en minder perspectief voor weidevogels. Natuurgebieden, die minder afhankelijk zijn van actief bodemleven, zijn mogelijk geschikter voor verzuring om veenoxidatie tegen te gaan. Andere maatregelen met perspectief om veenoxidatie te beperken zijn het ophogen met grond, profielkeren en het toevoegen van organisch materiaal zoals compost en strorijke stalmest. Door diverse maatregelen te onderzoeken verwachten we in de toekomst over meerder opties te beschikken om veenoxidatie te beperken. In de verschillende gebieden
Thema 2: Bodemvruchtbaarheid, bodem in balans Een bodem in balans is een bodem waar het bodemleven actief kan zijn, waar koolstof wordt omgezet, uitgestoten én in stabielere vorm vastgelegd en waar bodemleven en wortelstelsels voedingstoffen uit bodem en lucht beschikbaar maken. De bodem speelt zo een belangrijke rol in de productiviteit en in het beperken van de CO2 uitstoot. De bodem is daarnaast cruciaal voor het vasthouden en afgeven van bodemvocht en kan zo schommelingen in de neerslag beter opvangen; voedingsstoffen spoelen niet uit maar worden vastgehouden en gaandeweg afgegeven. Landbouwdieren profiteren van een gezond voedselpakket, ze hebben door beweiding hun positieve functie voor de draagkracht en bewerkbaarheid van veenweiden gedurende
29
het seizoen. Ook de biodiversiteit profiteert hiervan. Zo leidt kruidenrijkheid tot beter insectenleven en werkt dit weer door op de stand van de weidevogels. Bodemmaatregelen kunnen positief werken op het wormenbestand, wat ook voor weidevogels positief kan werken. Duurzaam bodembeheer heeft robuuste, vruchtbare, ecologisch waardevolle en klimaatbestendige veenweiden tot gevolg.
vermindering van de bodemverdichting. • We bevorderen kennisoverdracht van nieuwe en bestaande inzichten op het vlak van draagkracht en bodemverdichting.
Het scheuren van grasland bevordert de oxidatie van organische stof in de bodem. We willen een kerende grondbewerking (ploegen) in veenweidegebied is daarom zoveel mogelijk ontmoedigen. We stimuleren daarom alternatieve maatregelen die ook kunnen leiden tot een betere nieuwe grasmat. Schalterveen zorgt voor een behoorlijke barrière in de bodem, waardoor regenwater moeilijk de bodem intrekt en grondwater amper naar de bovenlaag doorstijgt. Door maatregelen om de bodemstructuur te verbeteren kan het waterdoorvoerend en het watervasthoudend vermogen van de bodem worden verbeterd.
Mais is voor veel melkveehouders een belangrijk onderdeel van het voerrantsoen voor het vee. Omdat de kerende grondbewering bij maisteelt zorgt voor extra veenoxidatie worden al enkele jaren experimenten uitgevoerd om mais te telen zonder kerende grondbewerking. Uit deze experimenten blijkt dat dit, met voldoende aandacht tijdens de teelt, leidt tot goede opbrengsten en voederwaardes. Daarnaast is er gestart met veldonderzoek naar duur zamere maisteelt, gericht op beperking van het gebruik van bestrijdingsmiddelen. Een derde spoor richt zich op het versterken van de biodiversiteit op maisvelden, onder andere gericht op een beter broedresultaat van weide vogels.
Acties:
Acties:
• We stimuleren en ondersteunen initiatieven van groepen melkveehouders die verbetering van de bodemvruchtbaarheid en duurzaam bodembeheer beogen. • We onderzoeken en experimenteren samen met melkveehouders op welke manieren problemen in de bodem opgelost kunnen worden gericht op een betere bodemvruchtbaarheid en verbetering van de bodem structuur (o.a. bij schalterveen). • We stimuleren en bevorderen dat bestaande en nieuwe (veenweidebodem) kennis breed bekend wordt binnen agrarische kringen in specifiek het Friese veenweide gebied; we zetten in op actieve kennisoverdracht, niet alleen via communicatie en media maar ook door veld demo’s, begeleiding van groepen boeren en aanzetten tot daadwerkelijke toepassing in het bedrijf. • We stimuleren maatregelen die leiden tot een betere grasmat waarbij het scheuren van grasland niet meer nodig is.
• We stimuleren en ondersteunen dat bij het telen van mais en andere energiegewassen niet kerende grondbewerking de norm wordt. • We stimuleren het verduurzamen van de teelt van mais en andere energiegewassen met beperkt gebruik van bestrijdingsmiddelen. • We stimuleren en ondersteunen initiatieven om de bio diversiteit bij teelten van mais en ander energiegewassen op veen te versterken.
Thema 3: Draagkracht, bodemverdichting Een draagkrachtig bodem is essentieel om te kunnen beweiden en om het land te kunnen bewerken. Verhoging van de grondwaterstand heeft gevolgen voor de draag kracht van de bodem. Daarnaast is er door het intensieve gebruik van de gronden sprake van bodemverdichting. Dit heeft gevolgen voor het watervasthoudend en water bergend vermogen van de bodem en voor de beworteling. Ook hiervoor geldt dat een duurzaam bodembeheer vele voordelen voor kan opleveren.
Acties: • We bevorderen en ondersteunen en ondernemen samen met de sector initiatieven en experimenten die bijdragen aan een betere draagkracht van de bodem en tot
30
Thema 4: Maisteelt en andere energiegewassen
7.3 Programmalijn 3: It Nije Buorkjen Analyse De landbouw in het veenweidegebied bepaalt in sterke mate het aangezicht van het landschap, draagt bij aan de biodiversiteit en aan een leefbaar en aantrekkelijk platte land. Ruim 60% van het veenweidegebied is agrarische cultuurgrond; het merendeel daarvan is weide ten behoeve van de melkveehouderij. Landbouw is samen met de toeleverende en verwerkende industrie ook economisch belangrijk. Om mee te kunnen komen in de (inter)nationale concurrentie moeten de productieomstandigheden optimaal zijn, ook qua drooglegging. Door het geregeld aan passen van waterpeilen ten behoeve van de drooglegging blijven de veenafbraak en bodemdaling doorgaan. Maatschappelijk vragen we van boeren steeds meer rekening te houden met milieu, biodiversiteit en landschap. Dit leidt tot verhoging van de kostprijs voor melk. Zolang hier geen goed verdienmodel tegenover staat, zal schaal vergroting hierop een antwoord zijn. Er zijn boeren die voor een andere weg kiezen9: verbreding of verdieping , extensivering (minder koeien per ha.), korte ketens en produceren voor nichemarkten. Bij die alter natieve vormen van productie kan makkelijker rekening
worden gehouden met de natuurlijke omstandigheden. Er moet een langjarig perspectief zijn zodat in die gevallen de boer tijd heeft investeringen (vaak voor 20 tot 30 jaar) in de aangepaste bedrijfsvoering terug te verdienen en bedrijfs opvolging haalbaar blijft. In de Regiodeal Natuurinclusieve Landbouw (2019) van de drie noordelijke provincies is het Friese veenweidegebied één van de acht proeftuingebieden voor het stimuleren van natuurinclusieve10 landbouw. Het bedrijfsperspectief van de boer is uitgangspunt: de verdiencapaciteit van het bedrijf moet goed zijn. Alle kennis, kunde en innovatieve technieken en landbouwmethoden zullen hiervoor ingezet moeten worden. Naast de boeren en agrarische collectieven zijn ook alle andere partijen in de landbouwketen hierbij van belang, evenals de overheid met voorwaardescheppend beleid en ondersteunende en zo nodig aangepaste wet geving voor melkveehouderij in veenweidegebieden. We sluiten voor deze programmalijn aan bij de nog te ontwikkelen Landbouwagenda voor Fryslân.
Waar gaan we naartoe? • We zetten in op een landbouw die beter past bij de natuurlijke omstandigheden in het gebied en tegelijk een duurzaam toekomstperspectief houdt. Dit betekent: • een landbouw waar in de toekomst ook nog een goed inkomen mee is te verdienen; er moet voldoende verdien capaciteit zijn; • een landbouw die aansluit op de omstandigheden en kwaliteiten in het gebied;
Wat gaan we doen? Thema 1: Verdiencapaciteit landbouw Door diverse factoren staat het verdienvermogen in de huidige melkveehouderij onder druk. Productdifferentiatie en specialisatie in kwaliteit kunnen de aanjagers voor nieuwe verdienmodellen zijn, ook bij veranderende productieomstandigheden. Het leveren van maatschappe lijke diensten voor natuur en landschap, waterberging en CO2 vasthouden, zal vanuit de hele keten structureel gefinancierd moeten worden; door de overheden, de markt en de burgers. Daarnaast kunnen oplossingen gezocht worden in het verlagen van de kostprijs. Te denken valt aan landbouwstructuurverbetering (zoals kavelruil) en andere vormen van financiering. Om te voorkomen dat nieuwe verdienmodellen vooral theoretisch zijn, zijn de gebieds processen cruciaal: daarin zullen de nieuwe verdien
Bij verbreding gaat het om passende nevenactiviteiten bij een agrarisch bedrijf, zoals zorgverlening, kleinschalige recreatie (agrotoerisme), beheer en onderhoud van natuur en landschap, detailhandel in streekproducten, kinderopvang, en naar de aard daarmee vergelijkbare activiteiten. Bij verdieping gaat het om het vergroten van de toegevoegde waarde van de geproduceerde landbouwproducten door middel van verwerking en bewerking, zoals het maken van kaas; ook de detailhandel hierin valt eronder. 10 Zie ook Nationaal Programma Landbouwbodems.
mogelijkheden concreet moeten worden gemaakt. We richten ons op de randvoorwaarden die boeren in staat stellen om, gezien de (komende) ontwikkelingen, een goed inkomen te genereren.
Case-study Aldeboarn de Deelen In het gebied Aldeboarn de Deelen is een case-study uitgevoerd waarbij voor drie bedrijven is door gerekend wat de bedrijfseconomische effecten zijn van het verhogen van de waterpeilen. Daarbij is in beeld gebracht op welke wijze de nadelige bedrijfs economische effecten te compenseren zijn. Daaruit blijkt dat er zeker mogelijkheden zijn maar deze moeten nog wel toepasbaar worden gemaakt. De mogelijkheden voor compensatie liggen onder meer op het vlak van een melkprijs-plus voor duurzaam heid, extra verdiensten voor ecosysteemdiensten, betaling voor CO2 certificaten (valuta voor veen), afwaarderen van grond/ lagere pacht, extra grond, rentekorting op financiering, financiering door impactbeleggers. In het gebiedsproces worden deze opties verder onderzocht en uitgewerkt.
Acties: • De provincie stimuleert en ondersteunt de ontwikkeling van nieuwe of aanvullende verdienmodellen voor de landbouw. Deze verdienmodellen moeten ook voor de langere termijn houdbaar zijn. We kijken hierbij ook naar de financiering van groen-blauwe diensten en de mogelijkheden die budgetten van het Europese Gemeenschappelijk Landbouw Beleid van de Europese Unie in dat opzicht bieden. Ook richten we ons op mogelijkheden om de kostprijs te verlagen, bijvoorbeeld door landbouwstructuurverbetering of andere vormen van financiering.
9
• We stimuleren en ondersteunen initiatieven voor de teelt van gewassen onder natte omstandigheden, de zogenoemde natte teelten, maar ook het ontwikkelen van een grasmat die onder natte omstandigheden meer draagkrachtig is en in goede conditie blijft. • Samen met de Friese Milieufederatie en de landbouw sector gaan we het concept Valuta voor Veen verder
31
ontwikkelen. Dat is een vergoedingsregeling voor het verminderen van CO2-uitstoot door verhoging van het waterpeil, als onderdeel van de Green Deal Nationale Koolstofmarkt . • We ontwikkelen een systematiek voor de afwaardering van grond; we schakelen brede deskundigheid in bij het onderzoeken van de hoogte van afwaardering van de agrarische gronden, in samenwerking met landbouworganisaties, agrarische accountantsbureaus, agrarische makelaars en banken. Met dit instrument van afwaardering compenseren we op één moment de waardedaling van de grond vanwege de beperkingen in gebruiksmogelijkheden, waarna een meer extensief agrarisch gebruik voor de toekomst verzekerd is. De agrarische grondgebruiker weet dan waar hij aan toe is, wordt op voorhand volwaardig gecompenseerd en kan zijn vervolginvesteringen daarop afstemmen. Onderdeel van de systematiek is de wijze van borging van de met de afwaardering te bereiken doelen. • We stimuleren en ondersteunen initiatieven voor de ontwikkeling/inzet van veerassen die bedrijfseconomisch perspectiefvol zijn en beter aansluiten bij ruwvoer met lagere energie en eiwitwaarden.
• We zorgen voor inzet van bredere deskundigheid en samenwerking met boerenorganisaties, loonbedrijven, zuivelindustrie en banken om de te ontwikkelen verdien modellen te toetsen op houdbaarheid, duurzaamheid en rentabiliteit om de gewenste vitale landbouwsector te kunnen bevorderen. • Ondernemersbegeleiding: we richten een adviespool op om boeren op individueel of groepsniveau te adviseren over de mogelijkheden van andere verdienmodellen en aanpassingen in hun bedrijfsvoering. • Binnen de Regionale Energiestrategie onderzoeken provincie, gemeenten en landbouw op welke wijze duurzame energiewinning in het veenweidegebied een nieuwe economische drager kan worden. Een zonneveld kan bijv. voor agrarische bedrijven een alternatieve inkomstenbron zijn wanneer delen van hun land natter
worden en hierdoor extensiever gebruikt worden. Voorwaarden zijn dat: • een locatie voor zonne-energie past in het provinciale en gemeentelijke beleid voor zonne-energie, waaronder toepassing van de zonneladder; • een zonneveld landschappelijk zorgvuldig worden ingepast; • een zonneveld de uitkomst is van een gebiedsproces en een meerwaarde oplevert voor het gebied. Met pilots kan hiermee geëxperimenteerd worden; • Bij bedrijven waar door beperkingen in het gebruik onevenredig nadeel in de bedrijfsvoering optreedt, gaan we samen op zoek naar maatwerkoplossingen om dit nadeel te compenseren. Dit kan door inzet van technische maatregelen, inzet van instrumenten zoals afwaarderen van grond, compensatie van grond met vervangende grond, bedrijfsverplaatsing, kavelruil en financiële compensatie.
Thema 2: Landbouw en water Voor de gewasgroei is een goede grondwaterstand belang rijk. Niet te hoog, want dan neemt de opbrengst door natschade af evenals de draagkracht van de bodem. Niet te laag, want dan neemt de opbrengst af door droogte. Boven dien leidt een lage grondwaterstand tot meer veenafbraak en daardoor meer CO2-uitstoot. Het peilbeheer van het waterschap voor de landbouw is van oudsher gericht op het voorkomen van wateroverlast bij hevige neerslag en het zorgen voor voldoende water gedurende het groeiseizoen. Daar komt nu bij het beperken van veenafbraak en bijbehorende CO2-uitstoot. De uitdaging is om hierin een optimale balans te vinden. Het idee was dat onderwaterdrainage de veenafbraak en CO2-uitstoot zou kunnen beperken, ook bij een in verhouding lage grondwaterstand. Onderzoek met de huidige opstellingen heeft echter tot nu toe een dergelijk effect nog niet echt kunnen aantonen. Andere opstellingen die leiden tot hogere grondwaterstanden kunnen mogelijk wel effect hebben. Onderwaterdrainage kan sowieso wel van nut zijn om bij hogere grondwaterstanden ook op lagere percelen landbouw te kunnen blijven uitoefenen.
Acties: • We experimenteren binnen het Nationaal Kennis programma Bodemdaling met onderwaterdrainage en drukdrainage en bestuderen de hydrologische werking en CO2-uitstoot. • We onderzoeken andere mogelijkheden van infiltratie van water in de bodem, zoals greppelinfiltratie, om te zien of dit een vermindering van CO2-uitstoot oplevert. • We doen onderzoeken en stimuleren initiatieven die er toe bijdragen dat landbouwbodems meer water kunnen bergen.
Thema 3: Kringlooplandbouw Onze inzet op het stimuleren van natuurinclusieve land
32
bouw sluit aan op de landelijke ambitie van de minister van LNV dat in 2030 kringlooplandbouw de norm is11. Bij kringlooplandbouw komt zo min mogelijk afval vrij, is de uitstoot van schadelijke stoffen zo klein mogelijk en worden grondstoffen en eindproducten met zo min mogelijk verliezen benut; dit betekent een zorgvuldig gebruik van natuurlijke hulpbronnen, het duurzaam beheren van de bodem en het minimaliseren van emissies. Landbouw bedrijven gebruiken zo veel mogelijk grondstoffen uit elkaars keten. Activiteiten en initiatieven in deze richting gaan we in het veenweidegebied benutten om te komen tot een duurzame toekomst voor de landbouw.
De natuur en biodiversiteit in het veenweidegebied verbeteren structureel en brengen weer meer geuren, kleuren en geluiden in het gebied. Zowel bestaande als nieuwe schades aan funderingen en infrastructuur door maaivelddaling worden beperkt. Archeologische waarden worden beschermd; wanneer archeologische objecten aan de oppervlakte (dreigen te) komen, zullen er passende maatregelen worden genomen om ze zoveel mogelijk te behouden.
Acties:
Thema 1: Natuur en biodiversiteit
• We benutten de Regiodeal Natuurinclusieve Landbouw Noord-Nederland om binnen het veenweidegebied boeren te adviseren over een natuurinclusieve en circulaire bedrijfsvoering. In eerste instantie richten we ons daarbij op de veenweide-ontwikkelgebieden. • We stimuleren samenwerkingsverbanden binnen de agrarische keten om de kringloop van grondstoffen en eindproducten op een zo laag mogelijke schaal te sluiten. • We nemen het initiatief om samen met andere overheden belemmerende regelgeving aan te passen.
De biodiversiteit in het veenweidegebied is afgenomen, zowel binnen de natuurgebieden als in het agrarisch gebied. Natuurgebieden verdrogen door wegzijging van water naar omliggende laaggelegen polders. Deze verdroging neemt toe met het verder dalen van de bodem door een steeds groter hoogteverschil met de omgeving. Door deze verdroging neemt ook in natuurgebieden de oxidatie van veen toe. Te veel stikstof leidt in alle natuur gebieden tot afname van soorten; vier van de acht Natura 2000-gebieden hebben specifiek stikstofgevoelige natuur typen. Door onder meer soortenarme vegetatie en lage grondwaterstanden, in combinatie met predatie, overleven steeds minder weidevogels. In het veenweidegebied moet nog 1000 hectare veranderen in natuur en nog 2.500 ha worden ingericht om het Natuur Netwerk Nederland (NNN) af te ronden. In samenhang hiermee kan de veenoxidatie in deze gebieden worden verminderd. Naast afronding en goed (water)beheer van het NNN, levert vooral een goed weidevogelbeheer op agrarische gronden positieve resultaten voor biodiversiteit op. Het programma voor agrarisch natuurbeheer (GLB) is gericht op het realiseren van grote robuuste weidevogelgebieden.
7.4 Programmalijn 4: Leefomgeving, natuur en biodiversiteit Analyse De bodemdaling en veranderingen in het veenweidegebied hebben invloed op de omgeving waarin mensen wonen, werken en recreëren. In deze programmalijn beschrijven we wat we gaan doen voor enkele onderdelen van onze leef omgeving: wonen, infrastructuur, landschap, cultuurhistorie en archeologie, natuur en biodiversiteit.
Waar gaan we naartoe? Het veenweidegebied zal een aantrekkelijk gebied blijven om in te wonen, werken en recreëren. De leefbaarheid en de ruimtelijke kwaliteit zijn er gewaar borgd. Bij toekomstige ontwikkelingen blijven de ken merken van de veenweidelandschappen en de cultuur historie zoveel mogelijk behouden. Op sommige plekken lukt dat niet meer en komen nieuwe veenlandschappen met nieuwe kwaliteiten tot ontwikkeling ten behoeve van klimaatadaptatie, natuurontwikkeling, nieuwe economische dragers zoals recreatie, en dergelijke.
Volgens de Nota Landbouw, Natuur en Voedsel: Waardevol en Verbonden, 2019. Natuurinclusieve landbouw en kringloop landbouw overlappen elkaar gedeeltelijk. Waar bij kringloop landbouw het accent ligt op het sluiten van kringlopen van mineralen en grondstoffen, ligt dat bij natuurinclusieve landbouw op een verantwoord gebruik daarbij van natuur en natuurlijke processen. 12 Dit past bij de maatregel ‘Versneld Vernatten Veen’, dat de Stichting Urgenda samen met de Friese Milieu Federatie, Natuur monumenten en it Fryske Gea aan ons heeft aangeboden.
11
Wat gaan we doen?
Acties: • We gaan verdroging in natuur zo veel mogelijk tegen door in gebiedsprocessen samen met de landbouw en terreinbeherende organisaties de mogelijkheden te bekijken om in en rondom verdrogingsgevoelige natuur gebieden overgangszones in te stellen. In deze zones worden de verschillen in grondwaterstanden tussen het natuurgebied en het agarisch gebied stapsgewijs over brugd waardoor het grondwater in natuurgebieden beter op peil blijft (zie ook programmalijn 2). De oppervlaktewaterpeilen in het NNN worden zo hoog mogelijk om veenoxidatie en maaivelddaling hierbinnen te vertragen. Het versneld en extra vernatten van het veen in deze natuurgebieden draagt zo aanzienlijk bij aan vermindering van de CO2-uitstoot12. In de periode tot 2023 gaan we met de terreinbeherende natuur organisaties (TBO’s) verkennen hoe we dit kunnen realiseren. Het inrichten van overgangszones kan ook via initiatieven van onderop plaatsvinden. • Voor elk kansrijk- en ontwikkelgebied wordt een eco systeem- en landschapsanalyse gemaakt. Deze analyses vormen belangrijke bouwstenen voor de gebieds processen.
33
• We gaan verkennen hoe we, in aansluiting op de Bos strategie, CO2 kunnen vastleggen, bijvoorbeeld binnen de moerasnatuur en door de aanleg op geschikte plekken van veenbos. • In de gebiedsgerichte aanpak (zie programmalijn 4) zoeken we koppelkansen met onderstaande programma’s. Uitgangspunt is dat we zo veel mogelijk werk willen stapelen, zodat geld efficiënt wordt ingezet en maar één keer “de kraan het gebied in hoeft”. • Maatregelen gericht op het terugdringen van de stikstofdepositie in de voor stikstof gevoelige Natura 2000 gebieden13. Zo kunnen aangekochte agrarische gronden in de 3-km zone rond Natura 2000 gebieden extensiever gebruikt gaan worden in combinatie met vernatting; naast de stikstofdepositie neemt dan ook de verdroging van de natuur af. • Het provinciale programma biodiversiteit en natuur, met op herstel van biodiversiteit gerichte maatregelen zoals natuurbeheer, agrarisch natuurbeheer et cetera; • Het NNN en het daaraan gelieerde initiatief Natuer mei de Mienskip; • Het programma Greidhoeke+; • Het programma voor de uitvoering van de Kader Richtlijn Water (KRW). • Het Aanvalsplan Grutto’s en Fryslân Greidefûgellân
Thema 2: Landschap, cultuurhistorie en archeologie Landschap, cultuurhistorie en archeologie vertellen het verhaal van de ontginningsgeschiedenis van het veenweidegebied. Ze geven het gebied een herkenbaar profiel en identiteit. Vooral de openheid en verkavelings structuur zijn karakteristiek. Het fraaie landschap en de prachtige natuur van het veenweidegebied zijn trekkers voor de gastvrijheidseconomie. Diverse factoren, waaronder
Voor de stikstofaanpak is in Fryslân een apart programma gestart. Dit bestaat uit een generieke aanpak met maatregelen en afspraken met verschillende sectoren zoals landbouw, verkeer, bouw en industrie. 14 Omgevingskwaliteit als ontwerpbasis is een van de inhoudelijke principes uit de Ontwerp-Omgevingsvisie ‘ De Romte Diele’. 15 De Toolkit landschap is speciaal voor het veenweidegebied gemaakt om bij de ontwikkelingen in het gebied handvatten te bieden om de ruimtelijke kwaliteit te behouden en versterken. 13
34
bodemdaling, hebben invloed op het landschap. Bovendien komen archeologische waarden op een gegeven moment aan de oppervlakte en dreigen daarmee verloren te gaan. Landschappelijke en cultuurhistorische kenmerken bieden goede aangrijpingspunten voor integraal ontwerpen en het versterken van de samenhang tussen oplossingen. Het vroegtijdig betrekken ervan in gebiedsprocessen kan ontwikkelingen versnellen en de ruimtelijke kwaliteit versterken.
Acties: • Gemeenten en provincie hanteren het principe ‘Omgevingskwaliteit als ontwerpbasis’14 bij nieuwe ontwikkelingen. Ze zorgen ervoor dat nieuwe ont wikkelingen zorgvuldig in het landschap passen en dat de kernkwaliteiten van het veenweidelandschap, zoals aangegeven in de provinciale structuurvisie Grutsk op ‘e Romte, gehandhaafd blijven. Kansen voor land schappelijke verbetering worden zoveel mogelijk benut. Bij het opstellen, beoordelen en uitvoeren van maat regelen maken we gebruik van de Toolkit Landschap15. Bij nieuwe ontwikkelingen kunnen gebiedskenmerken zoals hoogteligging, waterlopen en dijken het vertrekpunt vormen voor mogelijke oplossingen. • In sommige situaties lukt behoud van het landschap niet meer en is de opgave om nieuwe veenlandschappen met nieuwe kwaliteiten en iconen te ontwikkelen; zo krijgt de natuur binnen bestaande veenmoerassen vaker een besloten karakter. Ook in dat geval wordt zoveel mogelijk voortgebouwd op gebiedskenmerken met gebruikmaking van de Toolkit Landschap. • Gemeenten en provincie brengen de archeologische waarden/ resten van het veenweidegebied in beeld. Het huidige lopende onderzoekprogramma voor de archeologie in het veenweidegebied wordt hiervoor voortgezet. Op basis van dit onderzoek kunnen keuzes worden gemaakt waar wordt ingezet op behoud van deze archeologische waarden/resten.
Thema 3: Gebouwen en infrastructuur Op plekken waar het niet meer lukt om de grond voldoende nat te houden, kunnen gebouwen, wegen en leidingen verzakken. Houten funderingen rotten doordat er zuurstof bij komt. Omdat de maaivelddaling niet gelijkmatig gaat, kunnen ook gebouwen die op staal zijn gefundeerd ongelijkmatig verzakken en scheuren. Dit geldt ook voor wegen en leidingen. Omdat het veen in de bovengrond als gevolg van oxidatie verdwijnt, komen kabels en leidingen dichter bij het maaiveld te liggen. Hierdoor lopen ze meer kans op beschadigingen door graafwerkzaamheden. Bij recent onderzoek in 2020 en 2021 is in de Grote Veenpolder bij meerdere panden schade aan funderingen geconstateerd. In een aantal van deze gevallen blijkt een hoge urgentie voor herstel van de schade, om verdere schade te voorkomen. Dit sluit aan bij meerdere signalen over mogelijke onderschatting van de funderingsproblemen in de veenweide. De inspanningen van het veenweide programma richten zich daarom o.a. op het beter in beeld brengen van de aard en de omvang van deze problematiek.
Figuur 7.2: Landschappelijke hoofdstructuur Friese Veenweidegebied (bron: Toolkit voor het Friese veenweidelandschap)
Het beperken van schade aan woningen en andere bebouwing, wegen en infrastructuur begint bij bewust wording: meer pandeigenaren bewust maken van en beter informeren over de funderingsproblematiek. Hierbij zijn o.a. ook aandacht voor de leefbaarheid in de dorpen en het welzijn van bewoners en huiseigenaren van belang.
Acties: • Voorlichting en advies geven door een funderingsloket, het publiceren van een Fryske Funderingsviewer, het voeren van gesprekken met makelaars, hypotheek verstrekkers en woningbouwcorporaties, het houden van een enquête onder eigenaren; • Om meer informatie over de staat van funderingen te krijgen, stellen we een subsidieregeling in voor het uitvoeren van funderingsonderzoek; • We gaan zo goed mogelijk in beeld brengen van welke woningen de fundering al is hersteld; • We hebben aandacht voor de leefbaarheid en het welzijn in de dorpen in relatie tot de funderingsproblematiek; • Uitvoeren van de pilot hoogwatercircuits Groote Veen polder, waarin gekeken wordt naar de effectiviteit van hoogwatercircuits; • Een werkgroep van provincie, waterschap en gemeenten gaat na of we nog andere vormen van ondersteuning kunnen bieden aan eigenaren van woningen met funderingsschade. Uitgangspunt is dat de eigenaar primair verantwoordelijk blijft voor funderingsherstel; • Het waterschap onderzoekt de werking van hoogwater circuits en stelt waar dit effectief is overgangszones in tussen panden en achterliggende gebieden;
• Uiterlijk in 2022 willen we een besluit nemen over eventuele aanvullende vormen van ondersteuning en over de toekomstige inrichting van hoogwatercircuits; • Op korte termijn onderzoeken we wat we kunnen betekenen voor de funderingsschadegevallen waar nu een urgent probleem is; • Het waterschap blijft het water in hoogwatercircuits zo hoog mogelijk houden, om schade aan funderingen, archeologie en infrastructuur zo veel mogelijk te voorkomen. • Om huiseigenaren beter te betrekken bij de funderings problematiek en de aanpak daarvan wordt in 2021 een funderingstafel in het leven geroepen. De funderingstafel doet voorstellen. Hierbij is ook een belangrijke rol weg gelegd voor de gemeenten.
7.5 Programmalijn 5: Integrale gebiedsaanpak Analyse In de Veenweidevisie 2015 waren kansrijke gebieden benoemd, waar sindsdien is gestart met een gebiedsproces. Dit zijn gebieden waar op meerdere doelstellingen tegelijk vooruitgang kan worden geboekt en waar energie en potentie in het gebied aanwezig zijn. Door in dergelijke gebieden instrumenten (als kavelruil, gebiedsgericht werken, landinrichting 3.0, grondbank, afwaarderen) en bijbehorende middelen te combineren, kan samen met de inwoners en ondernemers van het gebied meer bereikt worden dan alleen met een generieke aanpak of een sectorale aanpak (enkel voor bijv. natuur of landbouw).