CConstaterende datSmallingerland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Veenweideprogramma-2021-2030-print-2-lr

Ronde Tafel 28 september 2021, gemeente SmallingerlandBij agendapunt: Vaststellen Veenweideprogramma 2021-203021.721 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Veenweideprogramma 2021-2030

Foarút mei de Fryske Feangreiden Maart 2021

1

Veenweideprogramma 2021-2030

Foarút mei de Fryske Feangreiden Maart 2021

2

3

Voorwoord

Inhoud

4

Voorwoord

5

1. Samenvatting

7

Een hoge ambitie Werken van onderop in gebieden Via maatwerk streven naar gemiddeld –40 centimeter bij het ‘dikke veen’ Een stap voor stap-strategie Geen geld, geen Zwitsers Integraliteit en koppelkansen We steunen de landbouw in de noodzakelijke aanpassingen Aandacht voor funderingsproblematiek

7 7 7 8 8 8 8 8

2. Aanleiding, context, status en opzet

10

2.1 Aanleiding 2.2 Context 2.3 Relevant (inter)nationaal beleid 2.4 Status en opzet

10 11 14 14

3. Integraal perspectief: visie en ambitie

15

4. Doelen

16

4.1 Onze doelen voor het veenweidegebied: 4.2 Kansen op meerwaarde

16 17

5. Strategie en aanpak

18

5.1 Onze strategie 5.2 Onze aanpak 5.3 Zes programmalijnen

18 19 20

6. Instrumenten

22

6.1 Wat hebben we nodig? 6.2 Flankerend beleid agrarische sector 6.3 Vormen van ondersteuning m.b.t. funderingsproblematiek 6.4 Veenweidefonds 6.5 CO2 certificaten 6.6 Subsidieregelingen ca.

22 22 23 23 23 23

7. Programmalijnen

24

7.1 Programmalijn 1: Waterbeheer en klimaatadaptatie 7.2 Programmalijn 2: Bodem en grondgebruik 7.3 Programmalijn 3: It Nije Buorkjen 7.4 Programmalijn 4: Leefomgeving, natuur en biodiversiteit 7.5 Programmalijn 5: Integrale gebiedsaanpak 7.5 Programmalijn 6: Onderzoek en monitoring

24 27 30 33 35 38

8. Programmaorganisatie

40

9. Kosten en financiering

42

9.1 Kosten 9.2 Financiering

42 42

Het Friese veenweidegebied is een prachtig, vitaal en dynamisch gebied. Bewoners en ondernemers zijn er al eeuwenlang vertrouwd met wonen en werken ‘op ’t fean’. Dat de bodem er daalt, is voor hen geen nieuw fenomeen. De laatste decennia zijn de effecten van bodemdaling wel nijpender geworden. Woningen, wegen en riolering verzakken. Natuurgebieden verdrogen doordat ze steeds hoger komen te liggen ten opzichte van omliggend agrarisch gebied. De kwaliteit van het landschap verandert en de biodiversiteit neemt af. Het waterbeheer wordt complexer en duurder. De polder­kaden langs boezemvaarten en meren moeten vaker worden opgehoogd en de verschillen tussen boeren­ sloten en hoogwatersloten langs woningen nemen toe. De grondwater­standen zakken gestaag waardoor in de toekomst meer water vanuit de oostelijke zandgronden en de Noordelijke klei naar ‘it lege midden’ stroomt. Hierdoor neemt de verdroging van de zandgronden toe en trekt de verzilting vanuit de Waddenzee verder landinwaarts. En veenoxidatie gaat gepaard met uitstoot van broeikas­ gassen. In het landelijk klimaatakkoord zijn daarom afspraken gemaakt over het terugdringen van CO2-uitstoot uit de veengebieden. Ook moeten we het gebied inrichten op de effecten van klimaatverandering.

Hoe zorgen we in de toekomst voor voldoende beschikbaarheid van water in droge perioden en hoe verwerken we zware buien? De afgelopen jaren zijn in het Friese veenweidegebied de nodige proefprojecten in gang gezet. Veel partijen zijn aan de slag gegaan met maatregelen om de veenoxidatie en de bodemdaling te beperken. Vaak in combinatie met maatregelen om de kwaliteit van het gebied te versterken. De komende jaren gaan we door met deze integrale aanpak. We sluiten aan op acties, inzet en initiatieven van bewoners en gebruikers van het gebied.

De landbouw is een cruciale schakel in het realiseren van de opgaven. De boeren in het veenweidegebied beheren bijna tweederde van het landschap. Zonder een vitale landbouw met een goed en houdbaar verdienmodel redden we het niet. Vandaar dat we de landbouw ondersteunen in het omgaan met de veranderende omstandigheden. Veel boeren zijn hier al mee bezig en doen kennis en ervaringen op. Innovaties, nieuwe technieken en financierings­ constructies, zoals valuta voor veen, stellen bedrijven in staat om rendabel te blijven produceren. Tegenover eerlijke producten en diensten, moeten ook eerlijke prijzen staan. Dit programma is een gezamenlijk product van de provincie Fryslân, Wetterskip Fryslân en de veenweidegemeenten. Het is tot stand gekomen in nauwe samenspraak met vertegenwoordigers van landbouw, natuur en recreatie; verenigd in het Bestjoerlik Oerlis Feangreide (BOF). En we hebben gebruikt gemaakt van de kennis van de mensen uit het gebied. Zij hebben al veel bereikt en daar zijn we ‘grutsk’ op. Samen met de mienskip willen we voortvarend verder werken aan een vitaal, waardevol en perspectiefvol veenweide­gebied. ‘Foarút mei de Fryske Feangreiden!’

Douwe Hoogland, gedeputeerde provincie Fryslân, Jan van Weperen, dagelijks bestuur Wetterskip Fryslân Roel de Jong, wethouder De Fryske Marren, namens de veenweidegemeenten

5

1. Samenvatting Met de Veenweidevisie 2015 hebben Wetterskip Fryslân, provincie Fryslân, betrokken gemeenten en diverse partijen een gezamenlijke aanpak ontwikkeld om veenoxidatie en bodemdaling in het Friese veenweidegebied te beperken. Daarmee zijn ze voortvarend aan de slag gegaan. Naast het peilbeleid zijn in kansrijke gebieden allerlei initiatieven en pilots ontwikkeld waarmee veel kennis en inzichten zijn opgedaan. Deze Veenweidevisie is toe aan een actualisatie, met name vanwege het landelijke Klimaatakkoord waarin de veenweidegebieden een aandeel moeten leveren in het beperken van de CO2-uitstoot. Dit Veenweideprogramma 2021-2030 bouwt voort op de Veenweidevisie 2015 en legt nieuwe accenten. Belangrijke daarvan zijn:

Een hoge ambitie Onze ambitie voor de lange termijn (2050) is een blijvend evenwicht, waarin veenafbraak, bodemdaling en CO2uitstoot nagenoeg zijn gestopt. De kwaliteiten van land­ schap en natuur zijn verbeterd. Funderingen worden niet verder aangetast. Ook de leefbaarheid en vitaliteit staan op een hoog peil; de landbouw heeft zich aangepast aan de veranderde omstandigheden en recreatie en toerisme hebben zich verder ontwikkeld. Om tot deze ambitie te komen richten we ons voor 2030 op de volgende veenweidedoelen: • De negatieve effecten van bodemdaling zijn verminderd (gemiddeld 0,2 cm minder bodemdaling per jaar; daar­ naast beperken en compenseren van negatieve effecten); • De uitstoot van broeikasgassen is met 0,4 megaton CO2 equivalenten per jaar afgenomen; • De landbouw heeft een duurzaam toekomstperspectief; • Het watersysteem is waterrobuust en klimaatbestendig ingericht. We koppelen maatregelen en acties voor deze veenweide­ doelen zoveel mogelijk ook aan andere doelen, zoals bio­diversiteit, duurzame energie, vermindering stikstof­ depositie, waterkwaliteit. Op die manier is meer­waarde te bereiken en worden zaken in een gebied in een keer aangepakt.

Werken van onderop in gebieden De structurele veranderingen die nodig zijn vragen om een integrale benadering en brede samenwerking tussen partijen in en buiten het gebied. We willen daarom door­ gaan met de gebiedsbenadering die we al volgden, waar we in gebieden van onderop samen invullen wat in dat gebied kan, wenselijk is en welke ondersteuning daarbij nodig is. Dat doen we samen met boeren, ondernemers,

6

overheden, natuurorganisaties, maar ook met de ‘gewone’ inwoners en huiseigenaren in het gebied. Zij zullen gelijk vertegenwoordigd zijn in de te vormen gebiedsplatforms of -commissies.

Via maatwerk streven naar gemiddeld –40 centimeter bij het ‘dikke veen’ De ambitie die we hebben (en ook deels voorkomt uit landelijke verplichtingen en afspraken) is alleen mogelijk als het grondwaterpeil in het Veenweidegebied gemiddeld omhoog gaat. De effectiviteit van het verhogen van het grondwaterpeil hangt samen met het bodemtype. Daarom benoemen we in dit programma een streefpeil voor de grondwater­stand van gemiddeld 40 cm onder het maaiveld voor het ‘dikke veen’. Met de term ‘dikke veen’ doelen wij op de gebieden met een veenpakket van meer dan 80 centimeter dik. De dikke veengebieden hebben geen kleidek of een kleidek van maximaal 40 centimeter. De grondwaterstand van 40 centimeter onder het maai­veld is een gemiddeld streefpeil, omdat concrete omstandig­ heden per gebied bepalen wat verstandig en haalbaar is. Door gebiedsprocessen willen we via maatwerk komen tot de beste peilen voor (delen van) elk gebied. Daarbij richten we ons in eerste instantie op het dikke veen, omdat daar de meeste winst te halen is ten aanzien van onze doelen. Als zich unieke kansen voordoen in andere gebieden en we daar voldoende middelen voor hebben, pakken we die natuurlijk ook. Er wordt een verdeling over de provincies voorbereid van de opgave van 1 megaton CO2 reductie voor de veenweide­gebieden.

Op grond van deze verdeling wordt duidelijk welk deel van de landelijke opgave in het Friese veenweide­gebied moet worden gerealiseerd. Daarnaast wordt komend jaar de monitoringssystematiek uitgewerkt waar­door duidelijk wordt via welke methodiek de reductie berekend moet worden. Op basis van de verdeling en de monitorings­systematiek wordt bij het eerste ijkoment in 2022 een besluit genomen of er ook maatregelen nodig zijn in de gebieden met een dun veenpakket met maximaal 80 centimeter veen (inclusief moerige gronden) en met een dik kleidek (van meer dan 40 centimeter). Dan wordt dus bepaald of er voor deze bodemtypen ook een opgave komt voor de CO2 reductie. Op het ijkmoment in 2026 bepalen we welke maatregelen voor deze gebieden nodig zijn op basis van de dan geldende inzichten en kennis. In eerste instantie richt de aanpak van het veenweideprogramma zich dus op de veengebieden met een veenpakket dikker dan 80 centimeter.

7

Een stap voor stap-strategie Onze hoge ambitie brengt grote veranderingen en hoge kosten met zich mee. Dat kan niet allemaal tegelijk en nog niet al het benodigde geld is verzekerd. Ook vallen er nog zaken te leren waarmee we ons voordeel kunnen doen. Daarom gaan we stap voor stap te werk. We bouwen regelmatig ‘ijkmomenten’ in: momenten waarop we kijken hoe zaken ervoor staan en wat geleerd is. Op basis daarvan bepalen we wat een logische koers voor de daaropvolgende jaren is. Die ijkmomenten hebben we voor de komende jaren al ingepland, in 2022 en 2026. Maar als zich tussen­ tijds grote kansen of bedreigingen voordoen bekijken we ook dan natuurlijk wat dat betekent en hoe we daarop kunnen of moeten inspelen.

De landbouw is onmisbaar in het veenweidegebied. Het is een belangrijke economische en landschappelijke drager. De noodzakelijke verhoging van grondwaterpeilen zal gevolgen hebben voor die landbouw. Daar gaan we op twee manieren mee om: 1. door gezamenlijk, onderop en via maatwerk tot aan­ passingen te komen (zie vorige pagina) 2. door de landbouw te steunen om een rendabele bedrijfs­ voering te behouden, ook na de aanpassingen die nood­zakelijk zijn. Dat doen we door een goed flankerend beleid en we zullen ook een beroep doen op rijks­ middelen en Europese middelen.

Geen geld, geen Zwitsers

Aandacht voor funderingsproblematiek

Een belangrijke overweging bij de herijkmomenten zal zijn waar wel en niet geld voor is. We gaan pas aan de slag in een gebied als er voldoende middelen zijn om dat zinvol te doen. Daarom maken we hier ook onderscheid tussen ontwikkelgebieden en kansrijke gebieden. Ontwikkel­ gebieden zijn die gebieden waar op inhoudelijke gronden en vanuit maatschappelijke energie veel kansen liggen en waar ook voldoende middelen zijn om aan de slag te gaan (concreet 2 op dit moment: Aldeboarn/de Deelen en Hege Warren). Kansrijke gebieden zijn die gebieden waar ook kansen en energie aanwezig zijn, maar er nog niet voldoende geld is om echt ingrijpend aan de slag te kunnen (er vinden al wel pilots en onderzoeken plaats). Daar­van benoemen we er 4: Idzegea, Brekkenpolder, Groote Veen­ polder en Grouster Leechlân. Het streven is de komende jaren alle kansrijke gebieden om te kunnen dopen tot ontwikkel­gebieden.

In het gebied is er een toenemende zorg over de schade aan funderingen. Kennis, informatie en advisering over funderingen wordt bevorderd. Uiterlijk in 2022 wordt een besluit genomen over eventuele aanvullende vormen van ondersteuning en over de toekomstige inrichting van onderwatercircuits. Om huiseigenaren beter te betrekken wordt een funderingstafel in het leven geroepen

Het principe dat we pas aan de slag gaan als er geld is kan ook mede prioriteiten bepalen. Vanzelfsprekend binnen de doelstellingen die we hebben kan een gebied of maatregel soms voorrang krijgen boven een ander, niet zozeer omdat het veel beter is, maar omdat voor dat gebied of die maat­ regel op dat moment middelen zijn te verkrijgen.

Integraliteit en koppelkansen In de gebieden maar ook in het veenweidegebied als geheel is het cruciaal om integraal te werk te gaan om koppel­kansen te kunnen pakken. Het is veel effectiever om bij acties de effecten op zaken als landbouw, klimaat, natuur en land­schap gezamenlijk te bekijken. Dan versterken acties elkaar in plaats van dat ze elkaar tegen­werken. Ook zijn dan combinaties mogelijk (financieel en inhoudelijk). De grootste winst is hierbij te boeken concreet in de gebieden. Als we in die gebieden aan de slag gaan zoeken we ook het contact met zij die betrokken zijn bij zaken als de Regionale Energie­strategie, Stikstofaanpak, regionale landbouwdeals enzovoorts.

8

We steunen de landbouw in de noodzakelijke aanpassingen

We willen onze ambities de komende jaren verwezenlijken via zes programmalijnen:

1. Waterbeheer en klimaatadaptatie De eerste jaren richten we het peilbeheer op het via maat­werk naar gebied en gedurende het jaar streven naar een grondwaterstand van gemiddeld 40 cm onder het maai­veld in de gebieden met een veenpakket dikker dan 80 cm en een kleidek dunner dan 40 cm. We gaan in gebieds­processen in gesprek over wat mogelijk is en welke compensatie en andere oplossingen daarbij horen. Voor flexibiliteit gedurende het jaar hanteren we het principe ‘Hoger als het kan, lager als het moet’ (HAKLAM). De daarbij behorende en in gebiedsprocessen overeengekomen band­ breedte in het peilbeheer wordt vastgelegd in een peil­ besluit. We voeren voor dit flexibele peilbeheer met boeren in pilots meerdere acties uit. Voor de overige veengebieden (klei­gronden met veen in ondergrond; gebieden met een veenpakket dunner dan 80 cm) wordt in 2022 een besluit genomen of deze gebieden een bijdrage moeten leveren aan de taakstelling van CO2 reductie. Als in deze gebieden eerder kansrijke initiatieven tot ontwikkeling komen, gericht op het beperken van bodemdaling en CO2 uitstoot, dan zullen wij deze ondersteunen. Daarnaast moet het veenweidegebied de gevolgen van klimaatverandering op kunnen vangen. Dit vraagt om extra berging van water bij overschotten (met name in de winter) en extra voorraad zoet water bij tekorten (vooral zomers).

Het verlies aan waterberging door peilverhoging vangen we op. Dit kan door verbreding van sloten, het graven van nieuwe sloten of aanleg van waterbergingsgebieden. We

brengen in beeld wat de bijdrage van peilverhogingen in het veenweidegebied is aan het beperken van verzilting en verdroging in aangrenzende gebieden;

2.

Bodem en grondgebruik

De bodem en het beheer van de bodem vormen voor het veenweidegebied in Nederland een belangrijke sleutel voor het toekomstperspectief van de melkveehouderij en een kans voor reductie van broeikasgassen. We onderzoeken en stimuleren bodemmaatregelen waarmee de veenoxidatie kan worden verminderd en maatregelen voor verbetering van de bodemvruchtbaarheid en de bodemstructuur. Bij hogere grondwaterstanden wordt de draagkracht van de bodem steeds belangrijker. We bevorderen en stimuleren daarom ook initiatieven gericht op verbetering van de draagkracht van de bodem en het voorkomen van bodem­ verdichting. Tenslotte blijven we aandacht vragen voor verduurzaming van de maisteelt; mais zonder kerende grond­bewerking, vermindering van het gebruik van onkruid­ bestrijdings­middelen en het verbeteren van de broed­ resultaten van weidevogels op maispercelen;

3. It Nije Buorkjen We zetten in op een landbouw die past bij de natuurlijke omstandigheden in het gebied en tegelijk een duurzaam toekomstperspectief houdt. Acties zijn gericht op het stimuleren en faciliteren van alternatieve en aanvullende verdienmodellen, zoals Valuta voor Veen, en van kringloop­ landbouw. Verder ontwikkelen we een systematiek voor de afwaardering van grond, om op één moment de waarde­daling van de grond te compenseren vanwege beperkingen in gebruiksmogelijkheden. Bij bedrijven waar door beperkingen in het gebruik onevenredig nadeel in de bedrijfs­voering optreedt, gaan we op zoek naar maatwerk­ oplossingen om dit nadeel te compenseren. We onderzoeken, binnen het Nationaal Kennis­programma Bodemdaling, de effecten van drainage- en infiltratie­technieken op hydrologie en CO2-uitstoot. We stimuleren duurzaam bodemgebruik, o.a. om CO2-uitstoot te verminderen en meer koolstof vast te houden;

4. Leefomgeving, natuur en biodiversiteit We bekijken met partijen de mogelijkheden om in en rondom verdrogingsgevoelige natuurgebieden overgangs­ zones in te stellen om verschillen in grondwaterstanden tussen natuurgebied en agrarisch gebied stapsgewijs te overbruggen. De oppervlaktewaterpeilen in het Natuur­ netwerk Nederland worden zo hoog mogelijk om veen­ oxidatie en maaivelddaling hierbinnen te vertragen en CO2-uitstoot te verminderen. We zoeken naar koppelkansen met natuur­programma’s, zoals maatregelen in de 3-km zone rond stikstof­gevoelige Natura 2000 gebieden. Gemeenten en provincie zorgen ervoor dat nieuwe ontwikkelingen zorg­vuldig in het landschap passen en dat de kern­ kwaliteiten van het veenweidelandschap gehandhaafd

blijven. We bevorderen kennis, informatie en adviezen over funderingen, o.a. door een subsidieregeling voor funderings­onderzoek. Het waterschap blijft het water in hoogwater­circuits zo hoog mogelijk houden, om schade aan funderingen, archeologie en infrastructuur zo veel mogelijk te voor­komen. Uiterlijk in 2022 nemen we een besluit over even­tuele aanvullende vormen van ondersteuning van woningen met funderingsschade en over de toekomstige inrichting van hoogwatercircuits;

5. Integrale gebiedsaanpak We gaan door met de integrale gebiedsaanpak in veen­ weide-ontwikkelgebieden. In deze gebieden gaan we aan de slag met combinaties van de acties uit de andere programma­lijnen. Naast landbouw als economische drager, wordt onderzocht welke andere economische dragers in het gebied versterkt en ontwikkeld kunnen worden. We intensiveren de aanpak in de ‘ontwikkelgebieden’ Hege Warren en Aldeboarn de Deelen. Zo gauw we voldoende middelen hebben verkregen doen we hetzelfde in de kans­rijke gebieden Idzegea, Brekkenpolder, Groote Veen­ polder en Grouster Leechlân. Als we nog meer middelen weten te verkrijgen breiden we tijdens de looptijd van het programma de gebiedsaanpak uit naar andere gebieden waar sprake is van meerdere samenhangende doel­ stellingen en kansen om verschillende instrumenten elkaar te laten versterken. Als in de tussentijd in andere gebieden initiatieven van onderop ontstaan kan dit leiden tot nieuwe gebieds­processen. Verder ondersteunen we nieuwe vormen van samen­werking die bijdragen aan de doelen;

6. Onderzoek en monitoring Over sommige vraagstukken is meer kennis nodig om de beste oplossingen te kunnen toepassen, met name over bodemdaling, CO2-uitstoot en verdienmodellen. We ontwikkelen een monitoringssysteem om de bodemdaling en broeikasgasemissie te kunnen volgen. We doen actief mee in het Nationaal Kennisprogramma Bodemdaling en in het Nationaal Onderzoeksprogramma Broeikasgassen Veenweide. De totale kosten van dit Veenweideprogramma ramen we voorlopig op ruim 550 miljoen euro (de totstandkoming van deze raming staat in hoofdstuk 9). Bij de diverse herijkmomenten kijken we ook hier steeds naar en stellen het bedrag bij als daar aanleiding toe is. Hier staan middelen van rijk, provincie en waterschap tegenover, maar deze zijn nog niet voldoende om alle kosten te dekken. Omdat dit Veenweideprogramma meerdere doelen dient, zetten we ook in op medefinanciering vanuit andere doelen. Om stap voor stap te komen tot het geld dat nodig is gaan we actief op zoek naar aanvullende middelen bij het rijk, het Europees Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) en andere Europese fondsen en private investeerders (bijv. bankensector). En als gezegd, we gaan pas aan de slag daar waar ook voldoende geld is om dat te kunnen doen.

9

2. Aanleiding, context, status en opzet

Figuur 2.1: De veendikte in 2014

2.1 Aanleiding In het Friese veenweidegebied daalt de bodem. De hoofd­ oorzaak is de ontwatering van het veen, waardoor er zuur­stof bij komt en het veen langzaam afbreekt (oxideert). Het gevolg is dat woningen, wegen en riolering verzakken, natuur­gebieden steeds hoger komen te liggen ten opzichte van omliggend agrarisch gebied en daar­door verdrogen en dat de kwaliteit van het landschap verandert. De bodem­ daling heeft ook consequenties voor het water­systeem. Door de bodemdaling zakken de grondwaterstanden gestaag waardoor de kans op verzilting in het veenweide­ gebied en daarbuiten toeneemt. De polderkaden langs boezemvaarten en meren moeten vaker worden opgehoogd. Dit leidt tot meer kosten voor waterbeheer. Veen­afbraak en de effecten van bodemdaling zijn onomkeer­baar en van invloed op de inrichting en het gebruik van het gebied. Daar komt bij dat veenoxidatie gepaard gaat met uitstoot van broeikasgassen. Veenafbraak draagt zo bij aan klimaatopwarming. Daarom zetten Rijk en provincie in hun klimaataanpak ook in op CO2-reductie in de veenweidegebieden. Het Rijk stelt voor reductie­

10

maatregelen in de veenweidegebieden geld ter beschikking. Dit biedt ook voor het Friese veenweidegebied nieuwe kansen. De problematiek reikt verder dan alleen het veenweide­ gebied. Het Friese veenweidegebied is een laaggelegen zone tussen het noordelijk zeekleigebied en het zuid­ oostelijk gelegen zandgebied. Het vormt een badkuip waar grondwater naar toestroomt: grondwater uit het kleigebied waardoor de verzilting in dat gebied toeneemt en grond­ water vanuit de zandgronden - o.a. het Drents Plateau waardoor daar verdroging optreedt. Door veenafbraak daalt het veengebied in de toekomst verder. Hierdoor zal de toestroom van grondwater naar het veenweidegebied toe­nemen met circa 50%. De invloed van het veengebied op het grondwatersysteem van heel Fryslân wordt steeds groter. Maatregelen in het veenweidegebied hebben daar­ door ook een gunstig effect op een groter gebied. Er is nog tijd om in te grijpen omdat het veen nog niet is verdwenen. Zeker is wel dat als we niets doen de problemen zich steeds nadrukkelijker zullen manifesteren.

Figuur 2.2: De veendikte in 2100

Het veenweidegebied staat de komende jaren dus voor grote uitdagingen. In dit Veenweideprogramma 2021-2030 schetsen wij een integraal perspectief voor het gebied. En we werken vervolgens concrete programmalijnen uit om dit perspectief daadwerkelijk te bereiken. Dit veenweideprogramma is gemaakt in overleg met de partijen in het Bestjoerlik Oerlis Feangreide (BOF). Daarin zijn provincie, waterschap, gemeenten, landbouw, natuur en milieu en de recreatie en toerismesector vertegenwoordigd.

2.2 Context In het veenweidegebied komen meerdere vraagstukken bij elkaar. Enerzijds gaat het om de in 1.1 geschetste problemen die specifiek zijn voor het gebied. Anderzijds gaat het om bredere vraagstukken zoals klimaatadaptatie, biodiversiteit, de transitie naar kringlooplandbouw en de energietransitie die door de bijzondere omstandigheden in het veenweidegebied daar nog zwaarder wegen dan elders. Het veenweidegebied, is hierdoor een uitgelezen gebied om

te experimenteren en nieuwe ervaringen op te doen die ook voor veel andere gebieden van nut kunnen zijn. Naast de problemen die er spelen is het ook een gebied met veel kwaliteit en mogelijkheden. Het is een aantrekkelijk woon- en recreatiegebied, mede door het karakteristieke landschap. Vooral de watersport heeft zich sterk ontwikkeld, maar ook wandelaars, fietsers en natuurliefhebbers vinden hier veel van hun gading. De landbouw, met name de melkveehouderij, is van oudsher een belangrijke economische én landschappelijke drager. In het gebied liggen waardevolle natuurgebieden met bijzondere waarden gekoppeld aan veen en water. De samenhang van en wisselwerking tussen dit alles geeft het veenweidegebied z’n bijzondere kleur en charme. In het veenweidegebied zijn al diverse initiatieven gestart om de problemen aan te pakken en de kwaliteiten en potenties van het gebied te benutten. Zo zijn diverse proeven gestart met ander peil- en bodembeheer en nieuwe drainage- en teelttechnieken om landbouw, natuur, wonen en waterhuishouding goed met elkaar te combineren (zie Programmalijn 1 in hoofdstuk 7 en bijlage 1 van het

11

De oppervlakte van het Friese veenweidegebied bedraagt ca. 89.000 ha. Het grootste deel daarvan, 59.000 ha, is in gebruik als agrarische cultuurgrond. Dit zijn vooral weidegronden voor de melkveehouderij. In het gebied liggen ruim 1.100 agrarische bedrijven waar­­van ca. 900 melkveehouderijen1. De bijbehorende werk­­gelegenheid (incl. toelevering, verwerking, onder­ steuning) bedraagt volgens de Agri- en Foodscan 2019 voor Fryslân ca. 8.000 banen. In het veenweidegebied liggen 15.000 hectare aan waterrijke natuurgebieden (excl. open water, zoals de boezemmeren), waaronder acht Natura 2000 gebieden die ook in Europees verband waardevol zijn. De kwaliteit hiervan is sterk afhankelijk van de hoeveelheid en kwaliteit van het grondwater en het voorkomen van kwel. De agrarische polders zijn leef- en broedgebieden van veel weidevogels. Verder is het netwerk van duizenden kilometers aan sloten en slootranden belang­rijk voor typische veensoorten. Het Friese veenweidelandschap - grofweg het Lage Midden en de uitlopers naar de beekdalen - is een polderlandschap met veel openheid en een ken­merkend ontginningspatroon dat de ontstaans­geschiedenis van het gebied weerspiegelt. Het veenweide­gebied is ook een aantrekkelijk recreatie­ gebied. De toeristische sector is met ca. 2.100 banen - vooral gelieerd aan water(sport) - een belangrijke economische factor.

Figuur 2.3: De contouren van het veenweidegebied

Wanneer er geen maatregelen worden getroffen ligt in 2050 het maaiveld van het veenweidegebied overal lager dan 1 meter onder NAP. In 2100 ligt het grootste deel van het veenweidegebied dieper dan 2 m onder NAP. Er zijn dan nog enkele kleine stukken veen­weide die op een hoogte liggen van 1.5 tot 1 m onder NAP. Op de actuele hoogtekaart is de ligging van de verschillende bodemtypen duidelijk zichtbaar. Bij minimaal 3.000 en maximaal 7.000 woningen zou in de toekomst door verzakking funderingsschade op kunnen treden. Op dit moment zijn slechts enkele gevallen van funderingsschade bekend. De totale kosten voor funderingsherstel van een woning worden geschat op gemiddeld € 50.000. Door de veenoxidatie komt jaarlijks 1,8 Mton aan CO2 vrij, een broeikasgas dat bijdraagt aan klimaat­ opwarming. In het Klimaatakkoord van Parijs zijn afspraken gemaakt om de opwarming van de aarde te beperken tot minder dan twee graden Celsius. Nederland heeft deze afspraken uitgewerkt in het nationale Klimaatakkoord. Hierin zitten ook maatregelen om de CO2-uitstoot van veenweide­ gebieden te beperken. Meer informatie en onderbouwing zijn te vinden in het Achtergronddocument.

1

12

De basisadministratie bedrijven van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) komt voor 2018 uit op ca. 800 melkveebedrijven; incl. moerige gronden gaat het dan om ca. 900 melkveebedrijven.

achtergrond­document). In een aantal pilotgebieden zijn verkenningen uitgevoerd en worden gezamenlijk met betrokkenen plannen voor de toekomst ontwikkeld. De ervaringen en inzichten die men hierbij opdoet zijn ook in andere gebieden te benutten. In het Bestjoerlik Oerlis Fean­­greide (BOF) overleggen de partijen met elkaar om acties en maatregelen op elkaar af te stemmen en verder te ontwikkelen. De basis hiervoor vormt de Veenweidevisie uit 2015. We willen zoveel mogelijk aansluiten op deze bestaande initiatieven, lopende gebiedsprocessen, het lokale draagvlak en de energie van onderop. De ingezette koers van de Veenweidevisie 2015 is hierbij nog steeds relevant. Door nieuwe ontwikkelingen en inzichten verdient deze koers echter bijstelling (zie kader hieronder). In dit Veenweide­ programma werken we dat uit.

De Veenweidevisie 2015 van provincie en Wetterskip wil meer balans brengen tussen lusten en lasten in het veenweidegebied. Hoofddoel: een duurzaam ontwikkelings­perspectief voor een aantrekkelijk en leef­baar veenweide­gebied waarvoor alle belang­ hebbenden zich in willen spannen. Concreet: behoud van landbouw, bodemdaling vertragen door peil­verhoging en hoog zomerpeil in klei op veen­gebieden, in gebieden met dik veen bodem­ daling verder vertragen en gevolgen verzachten, in enkele kansrijke gebieden het veen en bijbehorende waarden zoveel mogelijk behouden. Na vaststelling van de Veenweidevisie hebben nieuwe ontwikkelingen plaatsgevonden, zoals de landelijke klimaatopgave om de CO2-uitstoot in veenweidegebied te verminderen. Provinciale Staten (PS) hebben in juli 2018 de Tussenstap Friese Veenweideaanpak vastgesteld. Daarin wordt een Maatschappelijke Kosten Baten Analyse (MKBA) aangekondigd met vijf scenario’s, van niets doen tot en met verdere vernatting. In het provinciale Bestuursakkoord 2019-2023 en het Bestuursakkoord Wetterskip zit al een bijgestelde koers: al in 2030 komen tot een watersysteem waarbij veenoxidatie, verzilting en verdroging zoveel mogelijk voorkomen worden.

Beoogde doelen: verder vertragen van bodemdaling waardoor de negatieve effecten ervan kleiner zijn, afname van CO2-uitstoot, herstel van biodiversiteit en omschakeling naar natuurinclusieve landbouw met een ‘groen’, kansrijk bedrijfsmodel. Op basis van de MKBA besloten PS en het algemeen bestuur van het Wetterkskip (AB) begin 2020 verder te gaan op de ingezette koers; provincie en water­ schap werken deze koers uit in een Veenweide­ programma 2021-2030. Een structurele verandering is nodig in de manier waarop het veenweidesysteem functioneert, zowel fysiek als sociaaleconomisch. De verschillende gebieden binnen het veenweide­ gebied vragen wel om een eigen invulling. PS en AB gaan uit van een meersporen aanpak: in kansrijke

13

gebieden de gebieds­processen intensiveren, verbreden en aanvullen, en succesvolle maatregelen uit­rollen naar andere gebieden. Nog overgebleven onzeker­heden worden nader onderzocht, verkleind en uit­gewerkt in steeds gerichtere keuzes. Op deze manier komen provincie en waterschap met andere partijen tot een integrale aanpak voor het hele veenweide­gebied, met daarin ook een duurzaam landbouw­perspectief op basis van nieuwe verdien­ modellen. Deze bijgestelde koers is ook verwerkt in de provinciale Omgevingsvisie, De Romte Diele.

aan­vullende keuzes in de Nationale Omgevingsvisie. In de brief werd ook een Nationaal Programma Landelijk Gebied aangekondigd. Daarin zijn drie programmalijnen voorzien: regionale gebiedsuitwerkingen, een totaalplaatje op nationaal niveau en een instrumentenkoffer. Het Rijk wil graag op korte termijn met een aantal koploper­gebieden, te selecteren samen met de regio, aan de slag om te oefenen met de regionale gebiedsuitwerkingen. Regio en Rijk hebben gezamenlijk de Friese Veenweide benoemd als een kandidaat koplopergebied.

2.4 Status en opzet Eén ding is ons de afgelopen jaren wel duidelijk geworden: maatschappelijk draagvlak en samenwerking met de partijen in het gebied zijn onontbeerlijk om de nood­ zakelijke veranderingen tot stand te brengen. Vandaar dat we in de programmalijnen hier veel energie in steken. We sluiten zoveel mogelijk aan op wat er al gebeurt in het gebied, zodat we de daadkracht en initiatieven die er al bestaan maximaal kunnen benutten.

2.3 Relevant (inter)nationaal beleid Het landelijk en internationaal beleid dat het meest relevant is voor Friese veenweidegebied heeft vooral met klimaat te maken. In het Klimaatakkoord van Parijs uit 2015 hebben landen afgesproken om de opwarming van de aarde te beperken tot minder dan 2 graden. Als uitvloeisel hiervan werd in Nederland op 2 juli 2019 de Klimaatwet van kracht. De wet is bedoeld om de uitstoot van broeikas­gassen in Nederland te verminderen met 95% in 2050 (ten opzichte van 1990) en al 49% in 2030. Daarnaast moet Nederland op basis van een rechtelijke uitspraak al eind 2020 ten minste 25% minder broeikasgassen uitstoten als in 1990. Om de doelen van de Klimaatwet te halen hebben over­ heden, bedrijven en maatschappelijke organisaties eind 2019 afspraken gemaakt in het landelijke Klimaatakkoord. Om bij te dragen aan de doelstelling van 49% vermindering voor 2030 is afgesproken dat de jaarlijkse uitstoot van broeikas­gassen in veenweidegebieden in 2030 landelijk met 1 megaton CO2 equivalenten moet zijn afgenomen. Naast het verminderen van de uitstoot zijn ook maatregelen nodig om de onvermijdelijke klimaatverandering op te kunnen vangen: klimaatadaptatie. Het doel van het landelijke Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie is een klimaat­bestendige en waterrobuuste ruimtelijke inrichting van Nederland in 2050.

Het landelijke Bestuursakkoord klimaat­adaptatie 2018 is bedoeld om een impuls te geven aan de uitvoering van de maatregelen in het programma. De bedoeling is om in totaal € 300 miljoen van het Rijk en € 300 miljoen van de decentrale overheden beschikbaar te stellen voor klimaatadaptatiemaatregelen.

Aankomend beleid: het Nationaal Programma Landelijk Gebied Eind april 2020 informeerde de minister van Binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties (BZK) de Tweede Kamer over

14

Het Veenweideprogramma 2021-2030 bouwt voort op de voorgaande inspanningen van partijen in het gebied en het BOF. We gaan het wiel niet opnieuw uitvinden maar zetten wel nieuwe stappen. Dit Veenweideprogramma is een actualisatie van de Veenweidevisie 2015. Met name vanwege de doelen in het landelijke Klimaatakkoord is deze actualisatie nodig. Maar ook het nieuwe provinciale Bestuursakkoord 20192023 en het Coalitieakkoord van Wetterskip Fryslân geven hiertoe aanleiding. Het programma bouwt voort op de Veenweidevisie 2015 maar kent ook een aantal nieuwe uitgangspunten. Om onduidelijkheid te voorkomen vervangt dit Veenweideprogramma - in combinatie met de veenweide­paragraaf in de provinciale Omgevingsvisie - de Veenweidevisie uit 2015. Dit Veenweideprogramma is een Omgevingsprogramma voor een gebied. Het geeft invulling aan de ambitie en doelen voor het veenweidegebied in de provinciale Omgevings­visie. Het is tegelijk een gemeenschappelijk programma van provincie, waterschap en meerdere veenweide­gemeenten. Dit betekent dat zowel provinciale staten van Fryslân als het algemeen bestuur van Wetterskip Fryslân en enkele gemeenteraden van de veenweide­ gemeenten het programma vaststellen. Wanneer de nieuwe Omgevingswet vanaf 1 januari 2022 inwerking is getreden is dit Veenweideprogramma een Omgevingsprogramma in de zin van artikel 3.4 en 3.5 van die wet2.

Dit Veenweideprogramma is ook de Regionale veenweide­ strategie voor Fryslân als bedoeld in het Klimaatakkoord en de Nationale Omgevingsvisie (NOVI).

2

Een Omgevingsprogramma bevat volgens de Omgevingswet: een uitwerking van het te voeren beleid voor de ontwikkeling, het gebruik, het beheer, de bescherming of het behoud van de fysieke leefomgeving; maatregelen om aan een of meer omgevings­waarden te voldoen of een of meer andere doel­ stellingen voor de fysieke leefomgeving te bereiken. Een Omgevings­programma kan een uitwerking van de Omgevings­ visie zijn voor een of meer thema’s (zoals natuur, verstedelijking, mobiliteit of water) maar ook voor een gebied, zoals het veenweide­gebied.

3. Integraal perspectief: visie en ambitie Wat we willen is een duurzame toekomst voor het Friese veenweidegebied. In 2050 heeft het veenweidegebied een nieuw en blijvend evenwicht gevonden: veenafbraak en bodem­daling zijn nagenoeg gestopt evenals de uitstoot van CO2. Op sommige plekken in natuurgebieden is zelfs weer sprake van veengroei. De veenweidelandschappen en hun ontstaansgeschiedenis zijn nog steeds goed herkenbaar en hebben hun kwaliteit behouden. Op sommige plekken zijn nieuwe veenlandschappen met veel kwaliteit ontwikkeld ten behoeve van klimaatadaptatie, natuurontwikkeling, recreatie, etcetera. De natuur floreert weer, zowel binnen als buiten natuur­ gebieden. Er is sprake van robuuste economische dragers. De boeren verdienen er een goede boterham en zijn de trotse beheerders van grote delen van het gebied. Het gebied is fijn om in te leven en dynamisch, mede door een sterke positie van recreatie en toerisme. Om dit lange termijnperspectief mogelijk te maken zijn een vertraging van de bodemdaling en een afname van de uitstoot van broeikasgassen nodig, zodat het een aantrekkelijk gebied blijft om te wonen, te werken en te verblijven. In dat perspectief is sprake van balans tussen de belangen van landbouw, natuur, water, wonen, landschap, cultuurhistorie en archeologie. Hiervoor zijn veranderingen nodig.

Veranderingen in het gebruik van grond en bodem en veranderingen in het waterbeheer. De landbouw is hierbij onmisbaar. We willen deze uitdaging samen met de sector oppakken om ervoor te zorgen dat de landbouw een belangrijke economische én landschappelijke/ ecologische drager blijft van het gebied. We streven naar een duurzame landbouw waarmee ook in de toekomst een goed inkomen te verdienen valt. Met dit programma geven we duidelijkheid over de ontwikkel­richting van het Friese veenweidegebied. Deze richting willen we samen met alle betrokkenen inslaan. Daar­binnen bestaat veel ruimte om in te spelen op nieuwe ontwikkelingen. We geven aan welke doelen we uiteindelijk willen bereiken (het ‘wat’). Op welke manier we daar samen met betrokken partijen komen (het ‘hoe’) vullen we stap voor stap nader in op basis van ervaringen en inzichten. Daarom ligt de focus van de maatregelen in dit programma ook op de korte termijn. Al in 2022 maken we eerste balans op en In 2026 volgt een tweede ijkmoment. Op die momenten (en vaker als daar aanleiding toe is) sturen we zo nodig bij en passen het programma aan. De ambitie voor 2050 blijft de lange termijn horizon waar we naar toe werken.

15

4. Doelen Onze ambitie willen we verwezenlijken door in de periode 2021 – 2030 voor het veenweidegebied een aantal doelen te realiseren. We gaan ons met de andere partijen in het gebied inspannen om de doelen te bereiken. We monitoren regelmatig de resultaten hiervan en sturen zo nodig onze inspanningen bij om de doelen te realiseren.

4.1 Onze doelen voor het veenweidegebied: 1. De negatieve effecten van bodemdaling zijn verminderd 1. De negatieve effecten van bodemdaling zijn verminderd. Ten eerste willen we de bodemdaling afremmen; dit kan per deelgebied (bodemtype) aanmerkelijk verschillen, maar gemiddeld streven we naar 0,2 cm minder bodemdaling per jaar3. De negatieve effecten van de bodemdaling die overblijft willen we op een andere manier beperken, mitigeren of compenseren. Dit moet ertoe leiden dat: a. schade aan gebouwen, wegen en infrastructuur beperkt wordt. b. de stijging van kosten van waterbeheer ook in de toekomst beperkt blijft. c. de verdroging van natuurgebieden is afgenomen. d. Landschappelijke-, cultuurhistorische- en archeologische waarden in het veenweidegebied zoveel mogelijk behouden, herkenbaar en waardevol blijven; maar ook ruimte is voor landschapsontwikkeling in samenhang met bijvoorbeeld klimaatadaptatie en energietransitie.

2. De uitstoot van broeikasgassen uit de veenbodem is in 2030 met 0,4 megaton (Mton) CO2 equivalenten per jaar afgenomen Het aandeel van het Friese veenweidegebied in de landelijke uitstoot van CO2 uit veen is ca. 40%. In het Klimaatakkoord is afgesproken dat de landelijke uitstoot in 2030 met 1 Mton CO2 equivalenten per jaar moet zijn verminderd. We voelen ons hieraan gecommitteerd. Uitgaande van het Friese aandeel zou dit voor Fryslân een afname van 0,4 Mton CO2 equivalenten p/j betekenen (dit is ruim 20% van de huidige jaarlijkse Friese uitstoot van 1,8 Mton CO2)4. Landelijk wordt een verdeling voorbereid van de opgave om

16

3

Ter indicatie: de huidige gemiddelde bodemdaling bedraagt circa 1 cm per jaar.

4

Deze CO2-uitstoot is gebaseerd op de huidige inzichten. In het kader van het Nationaal Kennisprogramma Bodemdaling wordt nu extra onderzoek gedaan naar de CO2-uitstoot en de effectiviteit van maatregelen. Als dit nieuwe inzichten oplevert zal dit tot heroverweging van deze doelstelling kunnen leiden.

in de veenweide­gebieden 1 megaton CO2 equivalenten te verminderen. Op basis van deze verdeling wordt in 2022 een besluit genomen over de reductiedoelstelling voor het Friese veenweidegebied. Naast het verminderen van de uitstoot van CO2, kan het veenweidegebied ook een bijdrage leveren aan het vastleggen van CO2. De realisatie van dit doel is afhankelijk van haalbaar­heid, betaalbaarheid en realiseerbaarheid. Dit betekent dat de middelen en mogelijkheden die de komende jaren beschikbaar komen bepalen in hoeverre we dit doel kunnen realiseren. In 2022 resp. 2026 bekijken we waar we staan en sturen we zo nodig bij (zie H. 5, Strategie en aanpak).

3. De landbouw in het gebied heeft een duurzaam toekomstperspectief Het veenweidegebied is voor een groot deel landbouw­ gebied en dat blijft zo. Maar de natuurlijke omstandigheden in het gebied veranderen door de veenafbraak en de klimaat­verandering en zijn steeds meer van invloed op de productie­omstandigheden voor de landbouw. Met een duurzame productie5 kan de landbouw zich hieraan aan­ passen en vitaal blijven. Het is de uitdaging om de land­ bouw in het veenweidegebied een voorsprong te geven door gezamenlijk een rendabele, eersteklas landbouw te ontwikkelen die past bij andere productieomstandigheden. Als overheden zullen we de randvoorwaarden scheppen die de boeren in staat stellen om deze aanpassing te maken.

4. Het watersysteem is waterrobuust en klimaatbestendig ingericht (klimaatadaptief) Hoewel klimaatadaptatie voor heel Fryslân relevant is, is dit in het veenweidegebied extra het geval vanwege de bodemdaling. Die heeft al gevolgen voor het waterbeheer; bovendien kan het waterbeheer in het veenweidegebied de verdroging en verzilting in gebieden daarbuiten beperken (zie H. 7, programmalijn 1). Dit doel betekent dat het gebied, ook bij enige verdere bodemdaling, goed in staat moet zijn om weersextremen (veel neerslag, lange perioden van hitte en droogte) op te vangen.

5

Fryslân streeft naar een duurzame landbouw die natuurinclusief, grondgebonden en circulair is (geen verspilling van grond- en hulpstoffen; geen uitputting en verontreiniging van bodem en water; duurzame energie zoals stallen met zonnepanelen), bijdraagt aan het herstel van biodiversiteit, maatschappelijk draagvlak heeft en niet in de laatste plaats economisch renderend is (Beleidsbrief duurzame landbouw 2017, provinciale Omgevingsvisie 2020, De Romte Diele).

4.2 Kansen op meerwaarde Een van de rode draden in dit programma is onze wens zo integraal mogelijk te werken. In het veenweidegebied speelt veel en gaat nog meer spelen. Ook zaken die niet onder de doelen van dit programma vallen, maar waar wel winst te boeken is door acties en middelen (geld) te combineren met onze acties in dit programma. Dan valt bijvoorbeeld te denken aan: • doelen ten aanzien van biodiversiteit, bijvoorbeeld met betrekking tot weidevogels; • doelen op het terrein van duurzame energieopwekking en energiebesparing; • doelen ten aanzien van vermindering van stikstofuitstoot; • doelen uit de Europese kaderrichtlijn water op het vlak van waterkwaliteit;

• doelen voor behoud en versterking van de vitaliteit en leefbaarheid van het platteland, waaronder bevordering van recreatie; Waar mogelijk zoeken we in de praktijk in gebieden de koppel­kansen met deze doelen, om zo tot situaties te komen waar 1 plus 1 meer dan 2 is en ervoor te zorgen dat zaken in een keer integraal worden aangepakt, in plaats van keer op keer terug te komen. Binnen de verschillende programma­lijnen bekijken we welke maatregelen goed te combineren zijn met maatregelen uit andere beleidsvelden en programma’s. Op die manier kunnen we middelen en maatregelen zo effectief en efficiënt mogelijk inzetten. Wanneer doelen met elkaar conflicteren, proberen we dit door het aanpassen van maatregelen zoveel mogelijk op te lossen.

17

5. Strategie en aanpak 5.1 Onze strategie Onze strategie voor het veenweidegebied kent een aantal essentiële onderdelen: • Een stap voor stap aanpak, samen en van onderop; • Via maatwerk naar hogere grondwaterstanden; • We steunen de landbouw in de noodzakelijke aanpassingen.

Een stap voor stap aanpak, samen en van onderop Een verandering is alleen mogelijk als hij breed gedragen wordt. Daarom willen we het gewenste maatwerk realiseren samen met de inwoners en ondernemers in het gebied. De verschillende gebieden in het grotere veenweidegebied hebben elk hun eigen kenmerken qua bodemsamenstelling, water­huishouding, inwoneraantal en -opbouw, manieren waarop er geld wordt verdiend, landschap, vorm(en) van landbouw, kansen en problemen. Om zoveel en zo effectief mogelijk onze doelen te halen, vraagt elk gebied dan ook om een eigen aanpak. De kennis van het gebied zit in sterke mate in het gebied zelf, net als ideeën over kansen en oplossingen en de energie om daar­aan te werken. We willen daarom zoveel mogelijk van onderop werken, met partijen en organisaties in het gebied. Een belangrijke rol is daarin weggelegd voor lokale gebieds­­commissies. Die willen we breed samenstellen, met naast boeren, overheden, natuurorganisaties en onder­ nemers nadrukkelijk ook een gelijkwaardige rol voor de ‘gewone’ inwoners van het gebied. Ook integraliteit is alleen mogelijk als breed wordt samen­ gewerkt tussen partijen die kennis en bevoegdheden hebben, maar ook de wil en energie om bij te dragen aan de doelen. Dit vraagt om de genoemde samenwerking in gebieden.

Ook daarbuiten is samenwerking nodig tussen overheden, met bedrijven, maatschappelijke organisaties, inwoners en kennisinstellingen, van binnen of buiten het gebied. Die samenwerking zal op verschillende schaalniveaus, tijd­ stippen en fases plaatsvinden en in wisselende combinaties, afhankelijk van de vraagstukken die voorliggen. We werken samen bij het maken en uitvoeren van dit programma. De komende jaren zullen we bij de uitvoering vooral samen­ werken met kennisinstellingen en anderen buiten het veenweidegebied, en met partijen in de kansrijke gebieden.

Via maatwerk naar hogere grondwaterstanden De gewenste afname van bodemdaling en vermindering van de CO2-uitstoot zijn onmogelijk zonder het verhogen van de gemiddelde grondwaterpeilen in het gebied. Hogere grondwaterstanden willen we bereiken door aan­ passingen in het peilbeheer: meer flexibel en gebaseerd op de (gemeten) grondwaterstanden, bodemvocht en weers­ omstandigheden. Doordat situaties verschillen van plek tot plek en gedurende het jaar willen we dit slim en via maatwerk doen. Via een gebiedsgerichte aanpak, waarbij we de mogelijkheden gezamenlijk in kaart brengen, worden hiervoor concrete plannen gemaakt.

18

• Bij deze gebiedsgerichte uitwerking is er onder meer aandacht voor aanpassingen in het waterbeheer en de landbouw. Dit kan leiden tot een nieuwe indeling van peilvakken en het aanleggen van nieuwe stuwen en inlaten om het waterbeheer goed te regelen. Hierbij zal altijd een balans gezocht worden tussen kosten, baten en draagvlak. Per gebied zal gezocht worden naar een optimale, haalbare mix van maatregelen. • Uit onderzoek blijkt de effectiviteit van maatregelen sterk afhangt van het bodemtype waarin deze worden ingezet. We zetten in dit programma in eerste instantie in op veengebieden met een veenpakket van meer dan 80 cm dik en een kleidek dunner dan 40cm, omdat daar de meeste reductie van CO2 en bodemdaling te realiseren is. In deze gebieden verwachten we door de aanpassingen in het peilbeheer en het grondgebruik in 2030 een CO2 reductie van 0,25 tot 0,50 megaton t.o.v. 20206 te realiseren en beperking van de jaarlijkse bodem­daling met gemiddeld 0,2 tot 0,4 cm. (zie fig. 7.1. voor kaart met deze bodemtypen). Dit betekent niet dat we geen maatregelen nemen in gebieden met een dunner veen­ pakket. Als daar kansen zijn om bodem­daling te beperken en CO2 reductie te realiseren willen we die benutten.

In 2022 nemen we een besluit of de veengebieden met een veenpakket dunner dan 80 centimeter (inclusief de moerige gronden) en de gebieden met een dik kleidek (dikker dan 40 cm) ook een bijdrage moeten leveren aan de taakstelling. Met andere woorden: is het nodig deze gebieden toe te voegen aan het veenweideprogramma om de afgesproken klimaatdoelstellingen te bereiken.

We steunen de landbouw bij de noodzakelijke aanpassingen De landbouw is een onmisbare partij bij het uitvoeren van dit Veenweideprogramma. Om levensvatbaar te blijven zal de landbouw in staat moeten worden gesteld zich aan te passen aan de veranderende omstandigheden in het gebied. We zorgen voor een goed flankerend beleid om dit mogelijk te maken. We ondersteunen initiatieven die passen bij deze ontwikkeling. We zetten actief grondbeleid in om in gebiedsprocessen toekomstmogelijkheden te scheppen. De kosten hiervan zullen hoog zijn en kunnen we als Friese overheden niet (alleen) dragen. Het Rijk onderschrijft de noodzaak van aanpassingen in de landbouw en stelt daar middelen voor beschikbaar. We zullen daar een beroep op doen, passend bij het aandeel van Fryslân in het halen van de landelijke ambities. Ons uitgangspunt is dat maatregelen pas worden uitgevoerd als de dekking ervan rond is èn we ook in staat zijn de negatieve gevolgen daarvan te compenseren.

6

In het klimaatakkoord is als referentiejaar 1990 opgenomen. De reductie die tussen 1990 en 2020 is gerealiseerd willen we nog in beeld brengen en wordt betrokken bij de ijkmomenten in 2022 en/of 2026.

5.2 Onze aanpak Integraliteit als uitgangspunt De verschillende problemen die in het gebied spelen, de verschillende doelen die we willen behalen en kansen die we willen benutten werken op elkaar in. Een sectorale aanpak gaat niet werken. Integraliteit is daarom een belang­rijk uitgangspunt. We stemmen de oplossingen op elkaar af (zoeken naar ‘koppelkansen’) om bodemdaling tegen te gaan, CO2-uitstoot te verminderen, de landbouw een blijvend perspectief te bieden, voorbereid te zijn op verdere klimaat­verandering, het landschap te behouden of verbeteren, enzovoorts. Gebiedsgericht werken sluit daarop aan: in concrete gebieden komen zowel de problemen als oplossingen bij elkaar. Daarnaast benutten we kansen die zich ook buiten deze gebieden voordoen.

Dynamisch programmeren: stap voor stap zoeken naar de beste aanpak De problematiek in het veenweidegebied is complex en we weten er nog lang niet alles over. Bovendien zullen er nieuwe onvoorziene ontwikkelingen gaan optreden. Ons antwoord daarop is dynamisch programmeren en regel­ matig herijken. We stellen een aanpak op, maar leggen deze niet voor lange tijd helemaal vast. We brengen initiatieven en projecten op gang en zoeken daar werkende weg (aan­vullende) financiering bij. Daarbij zoeken we naar een mix van publieke en private middelen. Bij dynamisch programmeren hoort ook dat het tempo van doelrealisatie wordt aangepast aan de beschikbaarheid van middelen. Voor de eerste jaren is (een deel van) de financiering gedekt. Voor de jaren daarna zal die de komende jaren nog verder moeten worden ingevuld. We monitoren de resultaten van alle inspanningen en acties regelmatig, kijken wat werkt en wat niet, en op basis van deze kennis kunnen we steeds gerichter toewerken naar de doelen. We beginnen bij de veenweideontwikkelgebieden (zie voor een toelichting op die term en het verschil met kans­rijke gebieden de toelichting op de integrale gebieds­

aanpak bij de programmalijnen, hierna) en bouwen van daar­uit succesvolle maatregelen uit. Dit doen we door periodiek een moment van terugblik, vooruitblik en bezinning op de aanpak in te lassen. We onderscheiden twee ijkmomenten. Beide ijkmomenten vinden plaats met een transparant en democratisch proces. Als deze ijkmomenten leiden tot wijzigingen in de aanpak die gevolgen hebben voor betrokkenen van het veenweidegebied, wordt de mogelijkheid geboden om zienswijzen in te dienen. In 2022 is het eerste belangrijke ijkmoment: is het nodig om ook overige bodemtypen toe te voegen aan de aanpak, zijn we nog op de goede koers, kunnen we de aanpak met nieuwe kennis verder invullen, zijn er wijzigingen in aanpak nodig of zijn er extra inspanningen nodig om onze doelen te realiseren? Dat is ook het moment om nadere besluiten te nemen over de funderingsaanpak (zie ook programmalijn 3). Het tweede belangrijke ijkmoment is in 2026. Dan maken we de balans op van vijf jaar uitvoering en kijken we hoever we zijn. Dan gaan we ook, wanneer er voldoende middelen zijn, besluiten welke maatregelen we gaan inzetten in de gebieden met een dikke kleilaag (meer dan 40 cm) en in de gebieden met een dunne veenlaag van minder dan 80 centimeter (incl. de moerige gronden).

We betrekken hierbij de nieuwste inzichten en onderzoeksresultaten met betrekking tot CO2-reductie, bodemdaling, grondwater­ stromen en grondwaterbeheer; ook de kosteneffectiviteit van maatregelen speelt een rol. Bij de eerste en tweede herijking in 2022 resp. 2026 zullen we ook nadrukkelijk naar de ontwikkeling van verdien­ modellen kijken. Wanneer hier onvoldoende voortgang in zit, kan ook dat aanleiding zijn om de aanpak aan te passen. De twee ijkmomenten zijn niet noodzakelijk de enige. Als er zich belangrijke ontwikkelingen voordoen, of het nu kansen of bedreigingen zijn, zullen we ook op die momenten onze aanpak tegen het licht houden en indien nodig bijstellen.

19

2020-2021

• Integrale gebiedsaanpak ontwikkelgebieden • Pilots en onderzoek in kansrijke gebieden • Instellen funderingsloket

Eerste ijkmoment 2022

• besluit over dunne veengebieden (incl. moerige gronden) en veen met dik kleidek (dikker dan 40 cm) • nieuwe kennis, wijzigingen in aanpak, beschikbaarheid middelen • Besluit over funderingsaanpak

Verhouding tussen programmalijnen

Waterbeheer en klimaatadaptatie

Bodem en grondgebruik

Landbouw

Leefomgeving, natuur en biodiversiteit

Integrale gebiedsaanpak

Maatregelen

Maatregelen

Maatregelen

Maatregelen

Onderzoek en monitoring

Maatregelen

Maatregelen

Maatregelen

Maatregelen

Waarom deze programmalijnen? 2023-2026

• Vervolg uitvoering in ontwikkel- en kansrijke gebieden • Uitvoering besluit over aanpak funderingsproblematiek

Tweede ijkmoment 2026

2027-2030

• Nieuwe kennis, wijzigingen in aanpak, beschikbaarheid middelen • Besluit over aanpak rest veenweidegebied

• Vervolg integrale gebiedsaanpak • Uitvoering besluit over aanpak rest veenweidegebied

Faseren en dynamisch programmeren betekent niet dat we alles openlaten: we geven met dit programma duidelijkheid over de bestemming waar we heen willen en de hoofdkoers die we willen volgen. De exacte route(s) en het tempo waar­in we de doelen realiseren, passen we de komende jaren echter aan bij onze toenemende kennis en interne en externe ontwikkelingen.

Verschuivende balans van kennisontwikkeling naar actie Sinds de Veenweidevisie 2015 is veel onderzoek gedaan en geëxperimenteerd; in het Achtergronddocument zijn de resultaten hiervan weergegeven. Hierdoor is onze kennis over het gebied, de problemen die spelen en wat wel en niet werkt sterk vergroot. Over een aantal zaken bestaat nog onzekerheid. Hoe groot is de bodemdaling in het veenweidegebied precies? (In hoeverre) helpt onderwater­ drainage de landbouw om te functioneren bij een hoger waterpeil? Hoeveel vermindert de CO2-uitstoot nu precies als gevolg van hogere waterpeilen? Welke manieren om aan­ gepast te boeren zijn echt economisch rendabel? Enzo­voorts. Kortom, het vergroten van onze kennis blijft nood­zakelijk. De meeste van die onzekerheden gelden voor alle veenweide­gebieden in Nederland. Het landelijke Klimaat­ akkoord richt zich daarom voor de veenweidegebieden in eerste instantie op het opdoen van kennis en ervaring. Op basis hiervan kan een opschaling van de uitvoering plaats­ vinden. In het Nationaal Kennisprogramma Bodemdaling wordt landelijk kennis op het gebied van bodemdaling en uit­stoot van broeikasgassen ontwikkeld en uitgewisseld. We volgen in hoofdlijnen dezelfde strategie als het Klimaat­ akkoord. Dit betekent dat de komende jaren het zwaarte­punt

20

ligt bij het opdoen van kennis, verminderen van onzeker­ heden en experimenteren met vernieuwingen. Naarmate de kennis groeit, onzekerheden verminderen en experimenten blijken te werken, verschuift de balans meer en meer naar uitvoering. Maar de komende jaren gaan we ook al aan de slag. De omvang van activiteiten laten we gelijk oplopen met de toe­nemende kennis. In de gebieden waar op basis van de veenweidevisie 2015 al processen gestart zijn intensiveren we de aanpak en we breiden deze aanpak gestaag uit naar­ mate meer middelen beschikbaar komen. Over de aantasting van funderingen en de oplossingen die eigenaren en bewoners zelf kunnen toepassen, gaan we vanaf 2021 betere informatie verschaffen. Bij het eerste ijk­ moment van dit programma in 2022 bekijken we in hoeverre andere vormen van ondersteuning mogelijk en gewenst zijn.

5.3 Zes programmalijnen Onze strategie en aanpak komen uiteindelijk bij elkaar in zes programmalijnen: waterbeheer en klimaatadaptatie; bodem en grondgebruik; landbouw; leefomgeving, natuur en biodiversiteit; integrale gebiedsaanpak; onderzoek en monitoring. Deze programmalijnen bestaan uit twee verschillende typen: • Vier programmalijnen met inhoudelijke thema’s waar­ binnen we maatregelen voorstellen; • Twee programmalijnen die maatregelen omvatten die alle inhoudelijke gebieden beslaan. In de tabel hiernaast is de verhouding tussen de zes programmalijnen weergegeven.

Waterbeheer en klimaatadaptatie: Waterbeheer is van invloed op alle doelen in dit programma. Het beïnvloedt de mate van bodemdaling, uitstoot van broeikasgassen en soortenrijkdom (biodiversiteit). Daarnaast is water een van de dragers van het landschap. Bovendien zijn zowel landbouw, natuur als wonen afhankelijk van een goed waterbeheer. Tenslotte is waterbeheer belangrijk voor het inspelen op klimaatverandering, door te zorgen voor voldoende waterberging bij wateroverlast en wateropslag bij langdurige droogte. Bodem en grondgebruik: De bodem en het beheer van de bodem vormen voor het veenweidegebied in Nederland een belangrijke sleutel voor het toekomstperspectief van de melkvee­­houderij en een kans voor reductie van broeikas­ gassen. Bodemmaatregelen leveren een bijdrage aan het verbeteren van draagkracht, aan de vocht­huishouding van de bodem, aan een vitaal bodemleven en aan een goede bodem­­vruchtbaarheid. Met bodemmaatregelen kan de veen­ oxidatie worden verminderd en op die wijze kan een bijdrage worden geleverd aan het beperken van de bodem­daling en de CO2-uitstoot. It nije buorkjen: Landbouw beslaat het grootste deel van het veenweidegebied. Landbouw is daardoor van belang voor de gehanteerde waterpeilen in grote delen van het gebied. De wijze waarop landbouw wordt bedreven is dus van grote invloed op de mate waarin we de doelen kunnen bereiken.

Veel van de maatregelen in dit programma verlopen via de manier waarop landbouw wordt bedreven, of ze hebben in ieder geval effect op de landbouw. Leefomgeving, natuur en biodiversiteit: Leefomgeving, natuur en biodiversiteit zijn van belang omdat deze ook negatieve effecten ondervinden van bodemdaling. In de leef­ omgeving verzakken huizen, wegen en leidingen. Wanneer het veen geleidelijk verdwijnt, heeft dat gevolgen voor gebruik en beheer van het landschap. Natuur beslaat bijna 20% van het veenweidegebied en er zijn afspraken om het Nationaal Natuur Netwerk (NNN) te vergroten. Verder­gaande achteruitgang van natuurwaarden door verlaagd grondwater en bijvoorbeeld stikstofuitstoot vormt de achter­grond van meerdere maatregelen. De biodiversiteit (soorten­rijkdom) in het veenweidegebied is de afgelopen jaren afgenomen en willen we met onze maatregelen helpen herstellen. Integrale gebiedsaanpak: Een integrale gebiedsaanpak kent als voordeel dat maatregelen en middelen gericht worden

ingezet. Daarnaast kunnen maatregelen in samen­hang worden uitgevoerd in het gebied, zodat ze elkaar versterken en meerdere doelen tegelijk dienen. In de Veenweidevisie 2015 waren kansrijke gebieden benoemd, waar gestart is met een gebiedsproces. In 2019 werd een Maatschappelijke Kosten Baten Analyse (MKBA) uitgevoerd naar mogelijke scenario’s om de problemen in het veenweidegebied aan te pakken. Bij de besluitvorming over de uitkomsten daarvan, in januari 2020, besloten Provinciale Staten van de provincie en het Algemeen Bestuur van het Wetterskip om: • In twee van de kansrijke gebieden (Hege Warren en Aldeboarn de Deelen) het gebiedsproces te intensiveren om een verandering op gang te brengen; • In vier gebieden (Groote Veenpolder, Idzegea, Brekken­ polder en Grouster Leechlân) het lopende proces met stake­holders aan te vullen met een aantal ‘no regret’ maatregelen; • Resterende onzekerheden te verkleinen en vertalen in steeds gerichtere keuzen. De eerste jaren van de looptijd van dit programma richten we ons op deze zes gebieden, waarbij in overleg de begrenzing nog kan worden aangepast. De eerste twee, waarvoor voldoende middelen zijn om volop aan de slag te gaan, noemen we ontwikkelgebieden. De overige vier blijven kansrijke gebieden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10545399/1