Bijlage 1 - Ruimtelijke onderbouwing recreatieark Hegewarren te Oudega
Tekst van het document
4.5.3
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
Situatie projectgebied
4.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. 2.
past de functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de functie toe? (interne werking).
4.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
22
Omgevingsvergunning Hegewarren, perceel ODG00-E-2018/2019 Ruimtelijke onderbouwing het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast of het project leidt tot hinder of belemmeringen voor de bedrijven in de omgeving. In dit geval wordt een recreatieark gerealiseerd. De ark is qua aard en omvang vergelijkbaar met een recreatiewoning. Deze functie is – gelet op de kleinschaligheid en de afstand tot nabijgelegen woonpercelen (minimaal 175 meter) - niet milieubelastend voor de omgeving. Er is geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. 4.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe functie(s) binnen het projectgebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving en andersom of de nieuwe functie(s) de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantasten. Uit de VNG-brochure blijkt dat een recreatiewoning als vorm van verblijfrecreatie is aan te merken als milieugevoelig. In de directe omgeving van het projectgebied bevinden zich recreatievoorzieningen. Het gaat hierbij om hoofdzakelijk recreatiewoningen en kampeerterreinen, maar ook jachthavens en een locatie met een zeilschool (Eijzengapaed 7). Van deze recreatiefuncties heeft een jachthaven de hoogste milieucategorie (3.1).
Daarom wordt de jachthaven, met een grootste richtafstand van 50 meter voor het aspect ‘geluid’, in dit geval als maatgevend aangehouden. De afstand tussen de (planologische toegestane) jachthaven en de het projectgebied bedraagt in dit geval tenminste 65 meter. Aan de richtafstand wordt dan ook voldaan. Ter plekke van recreatieark is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Andersom wordt de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven niet geschaad. Tot slot wordt opgemerkt dat de betreffende omliggende bedrijven voor het aspect ‘geluid’ zondermeer niet in hun bedrijfsvoering worden belemmerd omdat voor de milieuregelgeving een recreatiewoning niet tegen geluid wordt beschermd. 4.5.4
Conclusie
Het aspect ‘milieuzonering’ vormt geen belemmering voor de in deze ruimtelijke onderbouwing besloten ontwikkeling.
4.6
Ecologie
4.6.1
Algemeen
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. 4.6.2
Gebiedsbescherming
4.6.2.1 Algemeen Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. 4.6.2.2 Natura 2000-gebieden In de Wet natuurbescherming heeft Nederland de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in nationale wetgeving verankerd. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
23
Omgevingsvergunning Hegewarren, perceel ODG00-E-2018/2019 Ruimtelijke onderbouwing waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Deze vergunningen worden verleend door de provincies of door de Minister van EZ. In voorliggend geval bevindt het projectgebied zich op circa 450 meter van het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied ‘Alde Feanen’. Vanwege de onderlinge afstand en de tussenliggende bebouwing is directe hinder in de vorm van geluid, verstrooiing van licht etc. uitgesloten. Het projectgebied is niet zichtbaar vanuit Natura 2000gebied en de invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten is lokaal. Het is niet aannemelijk dat verstoringseffecten, zoals geluid, optische verstoring, kunstlicht een negatief effect hebben op instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied. Naast directe hinder dient tevens te worden gekeken naar de mogelijke toename van stikstofdepositie op kwetsbare habitattypen binnen Natura 2000-gebieden. In dit geval is door BJZ.nu een AERIUS-berekening uitgevoerd. Het volledige onderzoeksrapport is opgenomen in bijlage 2. Hierna wordt op de resultaten ingegaan. Uit de AERIUS-berekening blijkt dat zowel in de aanlegfase als de gebruiksfase van de voorgenomen ontwikkeling geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j.
Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig.
Afbeelding 4.2: Ligging ten opzichte van NNN en Natura 2000-gebieden (Bron: Atlas Leefomgeving)
4.6.2.3 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlands natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het projectgebied behoort tot Natuurnetwerk Nederland. In eerste instantie wordt opgemerkt dat de locatie qua ligging logischerwijs deel zou kunnen uitmaken van de oever met woonarken. In paragraaf 3.2 is reeds ingegaan op de ligging van het projectgebied in NNN. Daar is reeds aangetoond dat de wezenlijke kenmerken van het NNN niet worden aangetast als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
24
Omgevingsvergunning Hegewarren, perceel ODG00-E-2018/2019 Ruimtelijke onderbouwing 4.6.3
Soortenbescherming
4.6.3.1 Algemeen Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. 4.6.3.2 Situatie projectgebied In dit geval is er door Natuurbank Overijssel een Quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. Het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage 3. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. Onderzoeksresultaten De inrichting en het gevoerde beheer maken het projectgebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Beschermde diersoorten benutten het projectgebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezetten verschillende grondgebonden zoogdier- en amfibieënsoorten er een vaste rustplaats en nestelen er vogels. Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of verblijfplaats in het projectgebied maar gebruiken het wel als foerageergebied.
Het projectgebied is geen essentieel foerageergebied voor vleermuizen. Van de in het projectgebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet verstoord, beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Voor de meeste in het projectgebied voorkomende amfibiesoorten geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van de vaste rust- en voortplantingsplaats’, maar niet voor de heikikker. Tevens mogen amfibieën niet gedood worden. Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden, dient dienen de dieren weggejaagd te worden of gevangen te worden (om elders los te laten). Voor deze niet-dodelijke vangmiddelen heeft de provincie een lijst met toegestane vangmiddelen opgesteld. Deze zijn opgenomen in de provinciale ruimtelijke verordening. De uitvoering van de aanlegwerkzaamheden dient afgestemd te worden op de ecologie van heikikkers, of uit nader onderzoek moet blijken dat de heikikker in het projectgebied ontbreekt. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het projectgebied als foerageergebied voor beschermde dieren niet af. In onderstaande tabel worden de wettelijke consequenties samengevat weergegeven.
Deze wettelijke consequenties zijn van toepassing. Zo wordt de uitvoering van de aanlegwerkzaamheden afgestemd op de ecologie van heikikkers. Daarnaast zullen de werkzaamheden buiten het broedseizoen om plaatsvinden. De te nemen maatregelen worden als voorschrift bij de omgevingsvergunning opgenomen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
25
Omgevingsvergunning Hegewarren, perceel ODG00-E-2018/2019 Ruimtelijke onderbouwing
4.6.4
Conclusie
Het aspect ‘ecologie’ vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het initiatief.
4.7
Archeologie & cultuurhistorie
4.7.1
Archeologie
4.7.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het projectgebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
26
Omgevingsvergunning Hegewarren, perceel ODG00-E-2018/2019 Ruimtelijke onderbouwing plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 4.7.1.2 Situatie projectgebied De archeologische verwachtingskaart van de provincie Friesland, de FAMKE, bestaat uit twee provinciedekkende advieskaarten, één voor de periode Steentijd - Bronstijd, en één voor de periode IJzertijd Middeleeuwen. Voor het betreffende projectgebied kan op basis van de kaarten uit de twee verschillende perioden tot de volgende conclusies worden gekomen: De advieskaart "Steentijd - Bronstijd" geeft aan dat voor het gehele het projectgebied pas onderzoek nodig is bij grote ingrepen van groter dan 5.000 m2. Volgens de advieskaart "IJzertijd - Middeleeuwen" geldt bij het advies "Karterend onderzoek 3". De provincie beveelt aan om bij ingrepen van meer 5000 m² een historisch en karterend onderzoek te verrichten, waarbij speciale aandacht moet worden besteed aan eventuele Romeinse sporen en/of vroegmiddeleeuwse ontginningen. Voorgenoemde oppervlakte wordt met het initiatief niet overschreden. Een archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk. 4.7.2
Cultuurhistorie
4.7.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 4.7.2.2 Situatie projectgebied Er bevinden zich in het projectgebied zelf geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten of bijzondere cultuurhistorische waarden. In de directe nabijheid van het projectgebied bevinden zich daarnaast geen cultuurhistorische waarden die negatief beïnvloed zouden kunnen worden door voorliggend plan. 4.7.3
Conclusie
De aspecten ‘archeologie & cultuurhistorie’ vormen geen belemmering voor het initiatief.
4.8
Besluit milieueffectrapportage
4.8.1
Algemeen
De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: •
Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is.
•
Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen).
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
27
Omgevingsvergunning Hegewarren, perceel ODG00-E-2018/2019 Ruimtelijke onderbouwing •
Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).
Een belangrijk element in het Besluit m.e.r., is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd. 4.8.2
Situatie projectgebied
4.8.2.1 Artikel 2.8 lid 1 van de Wet Natuurbescherming Het projectgebied ligt niet binnen Natura 2000-gebied. In voorliggend geval bevindt het projectgebied zich op circa 450 meter van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Alde Feanen’. In dit geval is door BJZ.nu een AERIUS-berekening uitgevoerd. Het volledige onderzoeksrapport is opgenomen in bijlage 2. Uit de AERIUSberekening blijkt dat in de gebruiksfase van de voorgenomen ontwikkeling geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 van de Wet Natuurbescherming is dan ook niet noodzakelijk. Om deze reden is geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer. 4.8.2.2 Drempelwaarde Besluit m.e.r. Voor wat betreft het gehele projectgebied wordt voorzien in directe eindbestemmingen waardoor, indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden, sprake is van een m.e.r-beoordelingsplichtig plan. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn.
Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D10 van het Besluit m.e.r., namelijk: De aanleg, wijziging of uitbreiding van: a. b. c. d. e.
skihellingen, skiliften, kabelspoorwegen en bijbehorende voorzieningen; jachthavens; vakantiedorpen en hotelcomplexen buiten stedelijke zones met bijbehorende voorzieningen; permanente kampeer- en caravanterreinen, of themaparken.
Aangezien hier in dit geval sprake van is dient te worden getoetst of sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: 1. 2. 3. 4.
250.000 bezoekers of meer per jaar, een oppervlakte van 25 hectare of meer, 100 ligplaatsen of meer of, een oppervlakte van 10 hectare of meer in een gevoelig gebied.
De in dit kader relevante vraag die eerst beantwoord dient te worden is, is of met de plaatsen van de recreatieark sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' als bedoeld in onderdeel D10 van het Besluit milieueffectrapportage. Gezien de drempelwaarden wordt geconcludeerd dat voor deze omgevingsvergunning geen sprake is van een m.e.r. beoordelingsplicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
28
Omgevingsvergunning Hegewarren, perceel ODG00-E-2018/2019 Ruimtelijke onderbouwing Gelet op de aard- en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is het de vraag om er sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' als bedoeld in onderdeel D 10 van het Besluit milieueffectrapportage. Uit jurisprudentie (ABRvS 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694) volgt dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. De in de voorliggende ruimtelijke onderbouwing besloten ontwikkeling gaat uit van het plaatsen van een recreatieark in het buitengebied van de gemeente Smallingerland. Het gaat om een (zeer) kleinschalige ontwikkeling. Verder is, voor zover in dit kader relevant, sprake van een functie die niet leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen. Gelet op het vorenstaande en de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r..
Eén en ander is tevens bevestigd in de in dit hoofdstuk opgenomen milieu- en omgevingsaspecten en de daarvoor, indien van toepassing, uitgevoerde onderzoeken. 4.8.3
Conclusie
Dit project is niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. Tevens zijn geen significant negatieve effecten te verwachten als gevolg van dit project.
4.9
Wateraspecten
4.9.1
Algemeen
In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) wordt er gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het project worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 4.9.2
Beleidskaders
4.9.2.1 Streekplan Fryslân 2007 In het Streekplan Fryslân 2007 wordt ruim aandacht besteedt aan de wateraspecten. De provincie heeft de volgende ambitie geformuleerd: Wij streven naar goede ruimtelijke condities voor een veilige en bewoonbare provincie en voor gezonde en veerkrachtige duurzame watersystemen waarin sociaal-economische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht zijn. Water is een belangrijk mede ordenend principe in de ruimtelijke inrichting van Fryslân. Voor een goede waterbeheersing worden de nodige ruimtelijke maatregelen getroffen. Door klimaatverandering, bodemdaling en de toename van verhard oppervlak kan in veel gevallen voor een goede waterbeheersing niet meer worden volstaan met technische maatregelen. Voor een robuust en veerkrachtig watersysteem, dat zowel wateroverschotten als watertekorten goed kan opvangen, zullen de (on)mogelijkheden van het watersysteem medebepalend zijn voor de functionele bestemming en inrichting van de ruimte. Een goed functionerende Friese boezem is cruciaal voor de waterhuishouding van heel Fryslân. 4.9.2.2 Wetterskip Fryslân In het Waterbeheerplan 2016 – 2021 beschrijft Wetterskip Fryslân de doelen voor de komende jaren, de strategische keuzes die we maken en de financiële consequenties daarvan. Het bestuur wil in de planperiode richting geven aan goed, efficiënt en betaalbaar waterbeheer, nu en in de toekomst.
Speerpunten uit het bestuursprogramma worden uitgewerkt in het Waterbeheerplan (WBP).
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
29
Omgevingsvergunning Hegewarren, perceel ODG00-E-2018/2019 Ruimtelijke onderbouwing Enkele speerpunten zijn: • • • • • •
Zeedijken, boezemkaden, duinen en andere waterkeringen onderhouden en ervoor zorgen dat ze aan de veiligheidsnormen voldoen. Grond- en oppervlaktewaterpeilen regelen en het watersysteem onderhouden. De inrichting van het watersysteem afstemmen op de functies en wensen van gebruikers. Initiëren van het project Wateractieve Stad. Hiermee onderzoeken we de effecten van klimaatverandering in het stedelijk gebied. De waterkwaliteit monitoren en indien nodig verbeteren. Lozingen en emissies van bedrijven en onze eigen zuiveringsinstallaties reguleren en hierop toezien.
4.9.2.3 Gemeentelijk beleid In 2017 is het Gemeentelijk Waterplan 2017-2020 opgesteld en bestuurlijk vastgesteld door de besturen van de Gemeente Smallingerland en Wetterskip Fryslân. Het waterplan bestaat uit een watervisie en een maatregelenprogramma. In de watervisie worden een aantal streefbeelden per thema beschreven. De streefbeelden geven op hoofdlijnen weer hoe het water op een duurzame manier kan worden ingericht en beheerd. De watervisie wordt als uitgangspunt gebruikt bij alle nieuwe ruimtelijke plannen. Verder is de watervisie uitgangspunt bij onderhoudsplannen, waaronder het hekkelen en baggeren van wateren. Daarnaast is de watervisie het kader voor het maatregelenprogramma. De watervisie wordt een belangrijk onderdeel van de in 2021 op te stellen Omgevingsvisie. Streefbeeld klimaatadaptieve inrichting In de watervisie worden belangrijke streefbeelden beschreven ten aanzien van de klimaatadaptieve inrichting van nieuwe gebieden: • •
• •
•
Regenwater zo lang mogelijk vasthouden door voldoende oppervlaktewater te realiseren (10% van het verhard oppervlak) of water vast te houden in de bodem of op groene daken; Zoveel mogelijk verhard oppervlak (op particulier terrein bovengronds) afkoppelen waarbij ook het nut en de noodzaak van verhardingen moet worden afgewogen. Zo weinig mogelijk verharding toepassen en zo groen mogelijk inrichten; Ecologische inrichting en beheer van oppervlaktewater waarbij migratiebarrières voor waterdieren zoveel mogelijk worden voorkomen en een zo hoog mogelijke biodiversiteit wordt nagestreefd; Bij nieuwe openbare gemeentelijke gebouwen of reconstructies van bestaande openbare gemeentelijke gebouwen worden de platte daken voorzien van groene daken en/of zonnepanelen. Daarnaast worden bewoners en bedrijven gestimuleerd om zelf groene daken aan te leggen; De mogelijkheden voor de aanleg van boezemlanden en broekbossen worden zoveel mogelijk benut waarbij een toename van biodiversiteit en de recreatieve mogelijkheden van groot belang zijn.
Daaruit voortvloeiend kunnen een aantal meer specifieke adviezen worden meegegeven voor de klimaatadaptieve inrichting rekening houdende met het voorkomen van wateroverlast, hittestress en droogte: •
• • •
• •
Leg een open watersysteem (sloten en vijvers) aan die tenminste 10% van de verharding compenseert. Zie de bijlage bij deze notitie voor de inrichtingseisen vanuit de watervisie van het open watersysteem; Plant bomen voor schaduwrijke plekken; Pas zoveel mogelijk groene daken (natuurdak, retentiedak, sedumdak) toe; Alleen steen toepassen waar steen ook functioneel is (daadwerkelijk als verharding wordt gebruikt). De wegbreedte graag zo minimaal mogelijk houden en nut en noodzaak van stoepen (aan weerszijden) afwegen. Vrijgekomen ruimte kan worden benut als groenvakken; Geen steen toepassen om "overhoekjes" op te vullen. Op die plekken waar steen niet nodig is, groen/beplanting toepassen; Waar mogelijk halfverharding toepassen voor de vertraging van de regenwaterafvoer en het aanvullen van de grondwatervoorraad; BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
30
Omgevingsvergunning Hegewarren, perceel ODG00-E-2018/2019 Ruimtelijke onderbouwing •
4.9.3
Een deel van het regenwater kan worden gebruikt voor het toepassen in en om de woning voor bijvoorbeeld toiletspoeling, douches en de tuin. Watertoetsproces
Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Het Wetterskip Fryslân is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de zogenoemde ‘normale procedure’ van de watertoets van toepassing is. Voor de volledige uitkomst van de watertoets met de bijbehorende adviezen wordt verwezen naar bijlage 4. Deze ruimtelijke onderbouwing ziet op het onderdeel ‘handelen in strijd regels ruimtelijke ordening’.
De exacte uitwerking is nog niet bekend. Voor de uitvoer van de werken is voorafgaand aan de werkzaamheden een watervergunning nodig waarbij een overzichtstekening en dwarsprofiel van de damwand/oeverbescherming worden bijgevoegd. Met de adviezen van het waterschap wordt rekening gehouden bij de concrete uitwerking van de plannen. Te zijner tijd worden dan ook de noodzakelijke watervergunningen aangevraagd.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
31
Omgevingsvergunning Hegewarren, perceel ODG00-E-2018/2019 Ruimtelijke onderbouwing
HOOFDSTUK 5
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad naar aanleiding van een omgevingsvergunning moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk plan. Er zijn echter uitzondering. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een omgevingsvergunning of bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. In het voorliggende geval wordt een planschadeovereenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en gemeente. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
32
Omgevingsvergunning Hegewarren, perceel ODG00-E-2018/2019 Ruimtelijke onderbouwing
HOOFDSTUK 6 6.1
VOOROVERLEG EN PARTICIPATIE
Het Rijk
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke plannen. Geoordeeld wordt dat voorliggend initiatief geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.
6.2
Provincie Fryslân
In het kader van het wettelijke vooroverleg is de concept ruimtelijke onderbouwing voorgelegd aan de Provincie Fryslân. De adviezen van de provincie zijn opgenomen deze ruimtelijke onderbouwing. Daarnaast geeft de provincie aan dat provinciale belangen in de omgevingsvergunning aanleiding geven tot het maken van opmerkingen (cat.3, overige provinciale belangen). Ecologie Voor de ontwikkeling is een quickscan verricht. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het projectgebied als foerageergebied voor beschermde dieren niet af. Wel zijn enkele maatregelen nodig. Zo wordt de uitvoering van de aanlegwerkzaamheden afgestemd op de ecologie van heikikkers. Daarnaast zullen de werkzaamheden buiten het broedseizoen om plaatsvinden. De gemeente Smallingerland dient de te nemen maatregelen als voorschrift in de omgevingsvergunning op te nemen. Vaarwegen Ter plaatse van de ontwikkeling is de Vaarwegenverordening Fryslân 2014 (VVF 2014) van toepassing. Voor de voorzieningen ten behoeve van de ark, de vlonder, steiger, palen in het water en dergelijke dient voorafgaand aan de uitvoering een ontheffing van de VVF 2014 te worden aangevraagd.
6.3
Wetterskip Fryslân
Het Wetterskip Fryslân is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de zogenoemde ‘normale procedure’ van de watertoets van toepassing is. Het plan is ingediend bij het waterschap in het kader van vooroverleg. Voor de volledige uitkomst van de watertoets wordt verwezen naar bijlage 4. Op 22 mei heeft het Wetterskip per mail gereageerd in het kader van het wettelijke vooroverleg. Uit de waterparagraaf werd het voor het Wetterskip in eerste instantie niet duidelijk wat voor wateraspecten en waterbelangen er geraakt worden door het plan en hoe hiermee wordt omgegaan. Dit is nadien aangevuld aan de waterparagraaf. Deze ruimtelijke onderbouwing ziet op het onderdeel ‘handelen in strijd regels ruimtelijke ordening’. De exacte uitwerking is nog niet bekend. Voor de uitvoer van de werken is een watervergunning nodig waarbij het aanleveren van overzichtstekening en dwarsprofiel damwand/oeverbescherming de belangrijkste punten zijn. Deze vergunning wordt aangevraagd voorafgaand aan de uitvoering.
6.4
Overige partners
De ruimtelijke onderbouwing is ook een aantal andere externe vooroverlegpartners voorgelegd, te weten de Veiligheidsregio (brandweer), Tennet, Vitens en de Gasunie. De brandweer, Gasunie en TenneT hebben gereageerd. Van Vitens is geen reactie ontvangen. Brandweer Fryslân De brandweer geeft aan dat hun belang is om de fysieke veiligheid en de brandweerzorg in Fryslân goed geregeld te hebben. De doelen die ze hiermee nastreven zijn het voorkomen en beperken van brand(gevaar) en slachtoffers en het borgen van een veilige en adequate incidentbestrijding. Daarom reageren zij middels een advies op plan. Brandweer Fryslân heeft geen bezwaar tegen de ruimtelijke onderbouwing. Wel voorzien BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
33
Omgevingsvergunning Hegewarren, perceel ODG00-E-2018/2019 Ruimtelijke onderbouwing zij het projectgebied een aandachtspunt met betrekking tot omgevingsveiligheid, opkomsttijd, bereikbaarheid en de bluswatervoorziening. Op deze aspecten is reeds ingegaan in paragraaf 4.4.2 en in bijlage 1 van deze ruimtelijke onderbouwing. In de bijlage 1 is een beperkte verantwoording van het groepsrisico opgenomen, waarbij onder meer wordt ingegaan op de opkomsttijd, de bereikbaarheid en de bluswatervoorziening. Gasunie Gasunie geeft aan dat de ruimtelijke onderbouwing geen aanleiding geeft tot het maken van opmerkingen. Tennet TenneT geeft aan dat binnen de grenzen van dit plan TenneT (na een eerste beoordeling) noch bovengrondse-, noch ondergrondse hoogspanningsverbindingen in beheer heeft. Ze hebben dan ook geen opmerkingen op het plan.
6.5
Inspraak
6.5.1
Participatie
Initiatiefnemers hebben de gebruikers van de naastgelegen woonboten/recreatiearken geïnformeerd tijdens een gezamenlijk moment. Er zijn geen bezwaren tegen de plannen. Daarnaast is de tegenovergelegen jachthaven door de initiatiefnemers op de hoogte gebracht van de gewenste ontwikkeling. 6.5.2
Zienswijzen
Tijdens de termijn dat de omgevingsvergunning ter inzage heeft gelegen zijn twee zienswijzen ontvangen op het voornemen. In de zienswijzenota in bijlage 5 worden beide zienswijzen beknopt behandeld en beantwoord. Geconcludeerd wordt dat de zienswijzen niet leiden tot een aanpassing aan het voornemen. Voorliggend project kan om deze reden ongewijzigd worden vastgesteld.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
34
Omgevingsvergunning Hegewarren, perceel ODG00-E-2018/2019 Ruimtelijke onderbouwing
BIJLAGEN BIJ DE RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Bijlage 1
CAROLA Berekening
Bijlage 2
AERIUS-berekening
Bijlage 3
Quickscan ecologie
Bijlage 4
Watertoetsresultaat
Bijlage 5
Zienswijzennotitie
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
35
Kwantitatieve Risicoanalyse
Woonark Hegewarren, Oudega
December 2022
Status: Definitief
Kwantitatieve risicoanalyse Woonark Hegewarren, Oudega
Status: Definitief Datum: December 2022 Projectnummer: 2022-359
Pagina 1 van 17
Inhoud Samenvatting ............................................................................................................. 3 1 Inleiding ................................................................................................................. 6 2 Invoergegevens ....................................................................................................... 8 2.1 Interessegebied ................................................................................................ 8 2.2 Relevante leidingen ........................................................................................... 8 2.3 Populatie.......................................................................................................... 9 3 Plaatsgebonden risico ............................................................................................. 11 4 Groepsrisico screening ............................................................................................ 12 5 FN curves .............................................................................................................. 14 6 Beperkte verantwoording groepsrisico ...................................................................... 15 7 Conclusies .............................................................................................................
16 8 Referenties ............................................................................................................ 17
Pagina 2 van 17
Samenvatting Dit onderzoek heeft betrekking op een perceel aan de Hegewarren in Oudega. Ter plaatse is sprake van een onbebouwde locatie aan het water het Grytmansrak. Initiatiefnemer is voornemens om binnen het projectgebied een woonark te realiseren. In figuur 1.1 is de ligging van het projectgebied ten opzichte van de kern Wilnis en de directe omgeving weergegeven. Figuur 1.2 toont een indicatieve weergave van de gewenste invulling van het projectgebied.
Figuur 1.1
Ligging van het projectgebied (Bron: PDOK)
Pagina 3 van 17
Figuur 1.2
Gewenste invulling projectgebied (Bron: Initiatiefnemer)
Omdat uitvoering van dit project niet in overeenstemming is met het geldende bestemmingsplan is een herziening/afwijking van het bestemmingsplan noodzakelijk. In het bestemmingsplan/ruimtelijke onderbouwing dient aangetoond te worden dat de voorgenomen ontwikkeling uit ruimtelijk oogpunt verantwoord is. Eén van deze zaken betreft het aspect ‘externe veiligheid’. Volgens het Besluit externe veiligheid buisleidingen worden gemeenten namelijk verplicht om bij het opstellen van bestemmingsplannen of een projectafwijkingsbesluit (waboprojectbesluit) rekening te houden met het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op grond waarvan de aanleg van een buisleiding of de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar object bij een
Pagina 4 van 17
buisleiding wordt toegelaten, wordt een waarde in acht genomen van 10 -6 per jaar met betrekking tot het plaatsgebonden risico voor kwetsbare objecten. In dit geval is er sprake van een ontwikkeling waarbij het aantal personen dat aanwezig is/verblijft binnen het projectgebied toeneemt, op een locatie in de nabijheid van een risicovolle aardgasleiding. Met behulp van het programma CAROLA is bepaald of voldaan wordt aan de risiconormen voor de Externe Veiligheid, zoals die zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen. De gebruiker kan de risico's berekenen op basis van locatiespecifieke leidinggegevens, die bij de leidingeigenaar moeten worden opgevraagd. Het resultaat van een berekening bestaat uit de plaatsgebonden risicocontouren (PR-contouren) en de FNcurve voor het groepsrisico (GR). Het rekenpakket beschikt over een functionaliteit waarmee wordt bepaald bij welke leidingkilometer de grootste overschrijding van de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico wordt bereikt. Bij de berekening is uitgegaan van een maximale toename van 3 personen binnen het projectgebied (gemiddeld aantal bewoners van één woning). Voor de bestaande, omliggende functies is een inventarisatie gemaakt van de verschillende functies in de nabijheid van het projectgebied.
Voor deze verschillende functies is de bevolkingsdichtheid (personen/ha) gehanteerd zoals geïnventariseerd door de populatieservice. Het gaat hierbij voornamelijk om woon- en werklocaties in de omgeving van het projectgebied. Het groepsrisico is na invulling van het plan voor de betreffende gasleidingen lager dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Met andere woorden: de uitvoering van het project is op basis het CAROLA-onderzoek in het kader van het groepsrisico aanvaardbaar. Geconcludeerd wordt dat met betrekking tot het aspect ‘externe veiligheid’ ten aanzien van buisleidingen, het project past binnen een ‘goede ruimtelijke ordening’.
Pagina 5 van 17
1 Inleiding De risicostudie in dit rapport is uitgevoerd conform de door de overheid gestelde richtlijnen voor het uitvoeren van risicoanalyses met betrekking tot ondergrondse gelegen hogedruk aardgastransportleidingen [Referentie:1, 2, 3, 4]. De analyse is uitgevoerd met het softwarepakket CAROLA. CAROLA is in opdracht van de Nederlandse overheid ontwikkeld, specifiek ter bepaling van het plaatsgebonden risico en groepsrisico van ondergrondse hogedruk aardgastransportleidingen. In CAROLA berekeningen wordt gebruik gemaakt van de parameters conform de Handleiding Risicoberekeningen Bevb [1]. Achtergrondinformatie over de berekeningen kan worden gevonden in [2, 3, 4, 5]. Het plaatsgebonden risico is gedefinieerd als de kans per jaar dat een onbeschermd persoon die onafgebroken op dezelfde plaats verblijft, komt te overlijden als gevolg van een ongeval met een potentieel gevaarlijke bron. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven door middel van contouren met een gelijke risicowaarde op een kaart. Het groepsrisico voor buisleidingen is gedefinieerd als de frequentie per jaar per kilometer leiding dat een groep van tenminste tien personen komt te overlijden als gevolg van een ongeval met die buisleiding, waarbij een gevaarlijke stof betrokken is.
Het groepsrisico wordt weergegeven in een FN-curve, een dubbel logaritmische grafiek waarbij op de horizontale as het aantal doden (N) wordt gegeven en op de verticale as de cumulatieve frequentie (F) van tenminste N doden. Om te bepalen of de berekende risico’s acceptabel zijn wordt getoetst aan de normen zoals die zijn vastgelegd in het Besluit Externe Veiligheid Buisleidingen. Voor het plaatsgebonden risico geldt dat er zich geen (geprojecteerde) kwetsbare objecten mogen bevinden binnen de plaatsgebonden risico contour van 10-6 per jaar. Voor (geprojecteerde) beperkt kwetsbare objecten geldt het 10 -6 per jaar PR criterium als richtwaarde. Het groepsrisico is voorzien van een oriëntatiewaarde, die voor buisleidingen gesteld is op F∙N2 < 10-2 per jaar per km leiding, waarin F de frequentie per jaar is met N of meer dodelijke slachtoffers. Daarnaast geldt een verantwoordingsplicht, waarbij het bevoegd gezag verplicht wordt gesteld om advies in te winnen bij hulpverleningsdiensten omtrent aspecten als hulpverlening en zelfredzaamheid. Laatstgenoemde aspecten, en daarmee de verantwoordingsplicht, worden in dit rapport niet geadresseerd. Ten aanzien van het bovenstaande wordt nog het volgende opgemerkt.
In verband met de overzichtelijkheid van deze rapportage worden in het vervolg enkel voor de leidingen/leidingdelen die op basis van het onderzoek het meest risicovol zijn gebleken de onderzoeksresultaten weergegeven. De overige onderzoeksresultaten kunnen desgewenst worden opgevraagd bij de opsteller van dit rapport. Op de volgende pagina is een overzicht opgenomen van de elementen die in een QRA gerapporteerd moeten worden weergegeven.
Pagina 6 van 17
Overzicht van de elementen die in een QRA gerapporteerd moeten worden. Onderwerp
1
2
3
Algemene rapportgegevens Administratieve gegevens: • naam en adres van de leidingexploitant(en) (volgens Bevb) • naam en adres van de opsteller van de QRA Reden opstellen QRA Gevolgde methodiek • rekenpakket met versienummer • parameterbestand met versienummer Peildatum QRA • datum van de berekening • datum van aanmaak van de buisleidinggegevens Algemene beschrijving van de buisleiding(en) Gegevens buisleiding • naam buisleiding • diameter • druk • eventuele mitigerende maatregelen Ligging van de leiding, aan de hand van kaart(en) op schaal. • leiding • noordpijl en schaalindicatie Beschrijving omgeving Omgevingsbebouwing en gebiedsfuncties
Vertrouwelijk/
Aangeleverd
Openbaar
door CAROLA
Openbaar
Deels
Openbaar Openbaar
Nee Nee Ja
Openbaar Ja Nee Openbaar Ja Ja Ja Ja Openbaar
Openbaar
•
bestemmingsplannen al dan niet gedeeltelijk binnen de PR 10-6-contour en het invloedsgebied Actuele topografische kaart
4
Een beschrijving van de bevolking rond de buisleiding, onder opgave van de wijze waarop deze beschrijving tot stand is gekomen (o.a. incidentele bebouwing, lintbebouwing) Mogelijke gevaren van buiten de buisleiding die op de buisleiding effect kunnen hebben (risicoverhogende objecten, buurbedrijven/ activiteiten, vliegroutes, windturbines) Gebruikt weerstation Beschrijving per leiding van mogelijke risico’s voor de omgeving Samenvattend overzicht van de resultaten van de QRA, waarin tenminste is opgenomen: Kaart met het berekende plaatsgebonden risico, met contouren voor 10-4, 10-5, 10-6, 10-7 en 10-8 (indien aanwezig) FN-curve, voor zowel huidige als toekomstige situatie, met het groepsrisico voor de kilometer buisleiding met de grootste overschrijding van de oriënterende waarde. Op de horizontale as van de grafiek met de FN-curve wordt het aantal dodelijke slachtoffers uitgezet, op de verticale as de cumulatieve kans tot 10-9 per jaar FN-datapunt waarbij de maximale overschrijding van de oriëntatiewaarde optreedt, inclusief de factor van de overschrijding Grafiek met de screening van het groepsrisico Beschrijving of er kwetsbare bestemmingen en/of beperkt kwetsbare bestemmingen binnen de PR contour van 10 -6 per jaar zijn Voorgestelde preventieve en repressieve maatregelen die in de QRA zijn meegenomen
Ja Ja
Ja indien ingevoerd Openbaar Openbaar
Ja indien ingevoerd Nee
Openbaar
Nee
Openbaar
Ja
Openbaar
Ja
Openbaar
Ja
Openbaar
Ja
Openbaar
Ja
Openbaar Openbaar
Ja Nee
Openbaar
Ja
Pagina 7 van 17
2 Invoergegevens De risicoberekeningen die in dit rapport zijn beschreven zijn uitgevoerd met CAROLA versie 1.0.0.52. De gehanteerde parameterfile heeft versienummer 1.3. De berekeningen zijn uitgevoerd op 02-12-2022. Voor de berekeningen is gebruik gemaakt van de meteorologische gegevens van het weerstation Leeuwarden. De gebruikte ruwheidslengte is 0,1 meter. In dit hoofdstuk worden de verschillende invoergegevens nader gespecificeerd in de navolgende secties. 2.1 Interessegebied Het interessegebied is weergegeven in figuur 2.1 Figuur 2.1 Interessegebied voor de uitgevoerde risicoberekeningen
2.2 Relevante leidingen Op basis van het gespecificeerde interessegebied zijn de volgende aardgastransportleidingen meegenomen in het onderzoek. Eigenaar
Leidingnaam
Diameter [mm]
Druk [bar]
Datum aanleveren gegevens
N.V.
8451_leiding-
1066.80
66.20
14-10-2022
Nederlandse Gasunie
A-541-deel-1
N.V.
8451_leiding-
1219.00
79.90
14-10-2022
Nederlandse Gasunie
A-652-deel-1
Pagina 8 van 17
De hierboven dikgedrukt weergegeven aardgasleiding A-541-deel-1 van de Gasunie is in het kader van voorliggend onderzoek het meest risicovol gebleken. In het vervolg worden dan ook enkel de onderzoeksresultaten met betrekking tot deze leiding weergegeven. Desgewenst kunnen de onderzoeksresultaten met betrekking tot de overige onderzochte leidingen worden opgevraagd bij de opsteller van dit rapport. De exploitant specifieke factoren voor casuïstiek (cluster 1b), actief rappel (cluster 1C) en mitigerende maatregelen corrosie staan beschreven in Tabel 11 van Module B van de Handleiding Risicoberekeningen Bevb [1]. De relevante leidingen zijn gevisualiseerd in figuur 2.2. Het projectgebied is indicatief weergegeven met de rode omlijning. Aardgasleiding A-541-deel-1 is donkerblauw weergegeven. Figuur 2.2 Buisleidingen aanwezig in de omgeving van het interessegebied
Voor de in bovenstaande tabel opgenomen leidingen zijn geen risico mitigerende maatregelen verdisconteerd in de bijbehorende risicoberekeningen. 2.3 Populatie De ingevoerde populatie is weergegeven in figuur 2.3. Het projectgebied is hierin indicatief weergegeven met de rode omlijning. Figuur 2.3 Bevolking meegenomen in de risicoberekeningen
Pagina 9 van 17
Populatietype
Polygoonpunten
Populatiepolygoon
Wonen Werken Evenement Populatiepolygonen Label
Type
Aantal
Dichtheid
Vervangmodus
Percentage Personen
Woonark
Wonen
3.0
Toevoegen Nieuwe Populatie
Populatiebestanden Pad
Type
Aantal
Populatiebestanden\bijeen_sport_cel_zkh-dag100-
Evenement
72
Populatiebestanden\industrie-dag100-nacht30.txt
Werken
4
Populatiebestanden\kantoor_kliniek_onderwijs_winkeldag100-nacht0.txt
Werken
2
Populatiebestanden\wonend_vakantiehuis-dag50-
Wonen
214
Percentage Personen
nacht80.txt
nacht100.txt
Pagina 10 van 17
3 Plaatsgebonden risico Voor de in het voorgaande hoofdstuk genoemde leidingen is het plaatsgebonden risico bepaald. Voor leiding A-541-deel-1 wordt in de figuur hieronder het plaatsgebonden risico weergegeven als iso-risicocontour op een achtergrondkaart. Het projectgebied is hierin weergegeven met de rode omlijning. Figuur 3.1 Plaatsgebonden risico voor 8451_leiding-A-541-deel-1 van N.V. Nederlandse Gasunie
1E-4 1E-5 1E-6 1E-7 1E-8 De in de legenda weergegeven kleuren corresponderen met de in figuur 3.1 weergegeven grenzen/lijnen en niet met de ingekleurde vlakken. In dit geval zijn dan ook enkel de plaatsgebonden risicocontouren ‘1E-8’ en ‘1E-7’ van toepassing. Voor buisleidingen geldt de PR 10-6 contour als norm. Dit is de contour waarbij de kans 1 op een miljoen is dat iemand overlijdt ten gevolge van een zwaar ongeval met het transport van de gevaarlijke stoffen. Er zijn rondom de onderzochte buisleidingen, binnen het projectgebied geen 10-6 risicocontouren aanwezig en conform de wetgeving (Besluit externe veiligheid buisleidingen) is er dan ook geen sprake is van een knelpunt (saneringsgeval).
Pagina 11 van 17
4 Groepsrisico screening Om in één oogopslag een indruk te krijgen van het groepsrisico wordt het groepsrisico gescreend alvorens voor specifieke segmenten FN-curves te visualiseren. Voor leiding A541-deel-1 wordt per stationing de overschrijdingsfactor van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico weergegeven voor de bestaande en de nieuwe situatie. Deze is berekend door rondom elk punt op de leiding één kilometer segment te kiezen die gecentreerd ligt ten opzichte van dit punt. Voor deze kilometer leiding is een FN-curve berekend en voor deze FN-curve de overschrijdingsfactor. De overschrijdingsfactor is de verhouding tussen de FN-curve en de oriëntatiewaarde. Daarmee is de overschrijdingsfactor een maat die aangeeft in hoeverre de oriëntatiewaarde wordt genaderd of overschreden. Een overschrijdingsfactor kleiner dan 1 geeft aan dat de FN-curve onder de oriëntatiewaarde blijft. Bij een waarde van 1 zal de FN-curve de oriëntatiewaarde raken. Bij een waarde groter dan 1 wordt de oriëntatiewaarde overschreden. 4.1 Figuur 4.1 Groepsrisico screening voor 8451_leiding-A-541-deel-1 van N.V. Nederlandse Gasunie
De maximale overschrijdingsfactor van deze kilometer leiding wordt gevonden bij 0 slachtoffers en een frequentie van 0.00E+000. De maximale overschrijdingsfactor voor dit tracé is gelijk aan 0.000E+000 en correspondeert met die kilometer leiding die gekarakteriseerd wordt door stationing 890.00 en stationing 1890.00. Voor deze kilometer leiding is de FN-curve opgenomen in het volgende hoofdstuk. De betreffende kilometer leiding is gevisualiseerd in figuur 4.2
Pagina 12 van 17
Figuur 4.2 Kilometer leiding behorende bij de maximale overschrijding van de FNcurve voor 8451_leiding-A-541-deel-1van N.V. Nederlandse Gasunie
Pagina 13 van 17
5 FN curves Voor elk van de eerder genoemde leidingen is het groepsrisico berekend voor de bestaande en de nieuwe situatie. Een samenvatting van de resultaten hiervan is gegeven in het voorgaande hoofdstuk; in dit hoofdstuk wordt voor leiding A-541-deel-1 de daadwerkelijke FN-curve gegeven van de (in termen van groepsrisico) “slechtste” kilometer van het betreffende tracé. 5.1 Figuur 5.1 FN curve bestaande situatie voor 8451_leiding-A-541-deel-1 van N.V. Nederlandse Gasunie voor de kilometer tussen stationing 890.00 en stationing 1890.00
5.2 Figuur 5.2 FN curve nieuwe situatie voor 8451_leiding-A-541-deel-1 van N.V. Nederlandse Gasunie voor de kilometer tussen stationing 890.00 en stationing 1890.00
In relatie tot het plaatsgebonden risico wordt opgemerkt dat er rondom de onderzochte buisleidingen, binnen het projectgebied geen 10-6 risicocontouren aanwezig zijn en conform de wetgeving (Besluit externe veiligheid buisleidingen) er dan ook geen sprake is van een knelpunt (saneringsgeval). De projectlocatie bevindt zich echter wel binnen de invloedsafstand van buisleiding A-541-deel-1. In dit kader is een beperkte verantwoording van het groepsrisico opgesteld. Hier wordt nader op ingegaan in het volgende hoofdstuk.
Pagina 14 van 17
6 Beperkte verantwoording groepsrisico In voorliggend geval is sprake van een ontwikkeling waarbij een woonfunctie wordt toegevoegd. Hierdoor neemt het gemiddeld aantal personen dat aanwezig is binnen het projectgebied gedurende de dag, avond en nacht, en hiermee de personendichtheid, in beginsel toe. Het gaat echter om een beperkte toename van de personendichtheid. Bij het verantwoorden van het groepsrisico zijn er zowel locatie-specifieke als ontwikkelingsspecifieke aspecten die dienen te worden onderbouwd. De volgende locatie-specifieke aspecten zijn daarbij van belang: opkomsttijd, dekking waarschuwingsinstallatie en nabijheid bluswatervoorzieningen. Deze worden hierna onderbouwd. • Opkomsttijd: De brandweer dient binnen acht minuten ter plaatse te zijn. In voorliggend geval kan de brandweer in theorie binnen 8 minuten ter plaatse zijn. De dichtstbijzijnde brandweerpost bevindt zich namelijk aan de Gariperwei 30 in Oudega, •
op circa 5 kilometer afstand. Dekking waarschuwingsinstallatie: In geval van calamiteiten worden de aanwezige personen in bedreigd gebied gewaarschuwd middels NL-Alert. Dit is bijvoorbeeld het geval als er gevaarlijke stoffen vrijkomen bij een brand of ongeval. In het bericht wordt tevens het handelingsperspectief vermeld, zodat de personen die in het bedreigde gebied bevinden weten hoe te handelen;
•
Nabijheid bluswatervoorziening: Er zijn in en rondom het plangebied voldoende open water en bluswatervoorzieningen aanwezig.
Eveneens dient in voorliggend geval aan de ontwikkelings-specifieke aspecten te worden getoetst. Dit betreffen de volgende aspecten: bereikbaarheid van hulpdiensten ter plaatse, vluchtmogelijkheden en (zelf)redzaamheid van de aanwezige personen. Hierna worden de voorgenoemde aspecten nader onderbouwd: •
Bereikbaarheid: is dat een gebied/object via minimaal twee ontsluitingswegen toegankelijk is. Daarnaast dient er in de directe omgeving voldoende ruimte te zijn om materiaal op te stellen. Het plangebied is vanwege haar ligging in relatief onbebouwd gebied via meerdere zijden bereikbaar. Daarnaast is er in de directe omgeving
•
voldoende ruimte beschikbaar voor het opstellen van het materieel van hulpdiensten; Ontvluchten van het gebied: Het plangebied is via het omliggende (wegen)netwerk
•
goed te ontvluchten; Zelfredzaamheid; (Zelf)redzaamheid houdt in dat personen zichzelf en eventueel anderen, binnen een bepaald tijdsbestek, kunnen veiligstellen (bijv. schuilen of vluchten) bij dreigend gevaar. Hierbij wordt van de persoon zelf uitgegaan zonder de hulp van hulpverleningsdiensten. De bewoners van de nieuwe woonark kunnen in beginsel als zelfredzaam worden beschouwd. Het plangebied is daarnaast relatief eenvoudig te ontvluchten.
Pagina 15 van 17
7 Conclusies De CAROLA-berekening ten behoeve van de ontwikkeling aan de Hegewarren in Oudega toont aan dat het Groepsrisico kleiner is dan 0.1 van de oriëntatiewaarde (GR < 0.1). het groepsrisico neemt met minder dan 10% toe ten opzichte van de bestaande situatie. Daarnaast blijkt uit de beperkte groepsrisicoverantwoording dat er geen sprake is van een onverantwoorde situatie. Met andere woorden: de uitvoering van het project is op basis het CAROLA-onderzoek in het kader van het groepsrisico aanvaardbaar. Op deze plaats wordt geconcludeerd dat met betrekking tot het aspect ‘externe veiligheid’ ten aanzien van buisleidingen, het project past binnen een ‘goede ruimtelijke ordening’.
Pagina 16 van 17
8 Referenties [1]
Handleiding Risicoberekeningen Bevb. Versie 1.0. 20 december 2010.
[2] Risicomethodiek aardgastransportleidingen. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. Brief 390/06 CEV Lah/pbz-1191. 6 november 2006. [3]
Risicomethodiek aardgastransportleidingen. Ministerie van VROM. Brief 2006.334302.
7 december 2006. [4] Laheij GMH, Vliet AAC van, Kooi ES. Achtergronden bij de vervanging van zoneringafstanden hogedruk aardgastransportleidingen van de N.V. Nederlandse Gasunie. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. RIVM-rapport 620121001/2008. 2008. [5] M. Gielisse, M.T. Dröge, G.R. Kuik. Risicoanalyse aardgastransportleidingen. N.V. Nederlandse Gasunie. DEI 2008.R.0939. 2008.
Pagina 17 van 17
AERIUS-Berekening
Oudega, Hegewarren
April 2023
Status: Definitief
AERIUS-Berekening Oudega, Hegewarren Definitief
AERIUS-BEREKENING OUDEGA, HEGEWARREN
Auteur: Status: Datum:
BJZ.nu Definitief 5 april 2023
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
1
AERIUS-Berekening Oudega, Hegewarren Definitief
INHOUDSOPGAVE HOOFDSTUK 1 INLEIDING ................................................................................... 3 HOOFDSTUK 2 VOORGENOMEN ONTWIKKELING ....................................................... 4 HOOFDSTUK 3 UITGANGSPUNTEN ........................................................................ 5 3.1 3.2 3.2
ALGEMEEN ............................................................................................................................................... 5 AANLEGFASE ............................................................................................................................................. 5 GEBRUIKSFASE ........................................................................................................................................... 6
HOOFDSTUK 4 RESULTATEN & CONCLUSIE .............................................................. 8 BIJLAGEN BIJ DE STIKSTOFBEREKENING ...................................................................... 9 BIJLAGE 1 BIJLAGE 2
REKENRESULTATEN AANLEGFASE ............................................................................................................... 9 REKENRESULTATEN GEBRUIKSFASE........................................................................................................... 10
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
2
AERIUS-Berekening Oudega, Hegewarren Definitief
HOOFDSTUK 1
INLEIDING
Voorliggende AERIUS-berekening heeft betrekking op het perceel ODG00-E-2018 aan de Hegewarren te Oudega. Het voornemen bestaat om dit perceel in te richten voor recreatiedoeleinden. In afbeelding 1.1 is de ligging van het projectgebied ten opzichte van de omgeving weergegeven.
Afbeelding 1.1
Ligging van het projectgebied (Bron: PDOK.nl)
Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is inzicht in de te verwachten effecten op nabijgelegen Natura 2000-gebieden nodig. BJZ.nu is gevraagd om de te verwachten stikstofemissie als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling en de eventuele gevolgen daarvan inzichtelijk te maken. De stikstofberekening is uitgevoerd met behulp van de voorgeschreven rekentool AERIUS Calculator 2022. In voorliggend rapport wordt een toelichting op de AERIUS-berekening gegeven.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
3
AERIUS-Berekening Oudega, Hegewarren Definitief
HOOFDSTUK 2
VOORGENOMEN ONTWIKKELING
Het initiatief gaat uit van de realisatie van een recreatieark. Ten behoeve van het voornemen dient de beschoeiing van de inham (‘insteekhaven’) vervangen te worden. Tevens wordt deze voorzien van loopsteigers. Ook dient de inham uitgebaggerd te worden. De bagger die hierbij vrijkomt zal gebruikt worden om het land op te hogen. De afmetingen van de inham zijn 12 meter breed en 16 meter diep. In afbeelding 2.1 is de huidige situatie en een indicatie van de gewenste situatie weergegeven.
Afbeelding 2.1 Huidige en gewenste situatie (Bron: initiatiefnemer)
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
4
AERIUS-Berekening Oudega, Hegewarren Definitief
HOOFDSTUK 3 3.1
UITGANGSPUNTEN
Algemeen
Het projectgebied ligt op circa 436 meter afstand van het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied ‘Alde Feanen’. Ten behoeve van het voornemen zijn, in het kader van de stikstofdepositie als gevolg van het project, twee AERIUS-berekeningen uitgevoerd. Deze bestaan uit een berekening voor de aanlegfase (realisatie voornemen) en een berekening voor de gebruiksfase (gebruik voornemen). Hierna worden de uitgangspunten voor deze berekeningen en de resultaten toegelicht.
3.2
Aanlegfase
3.2.1
Algemeen
Binnen de aanlegfase (realisatie voornemen) is in voorliggend geval sprake van de volgende activiteiten (bronnen) die bijdragen aan de emissie van stikstof: • •
Verkeersgeneratie bouwverkeer van en naar het projectgebied; Te benutten werktuigen binnen het projectgebied.
In de berekening is ervan uit gegaan dat de bouwactiviteiten binnen één jaar zullen plaatsvinden. Doordat de AERIUS-calculator rekent met een stikstofemissie/ -depositie per jaar, worden alle stikstofbronnen van de aanlegfase in één (reken)jaar opgenomen. 3.2.2
Verkeersgeneratie bouwverkeer
De realisatie van het voornemen heeft een tijdelijke toename van vervoersbewegingen tot gevolg, namelijk door de komst van het personeel (bouwvakkers en aannemers) en de aan- en afvoer van bouwmateriaal en bouwafval. Dit heeft tijdelijke stikstofuitstoot tot gevolg. In de AERIUS berekening is van het volgende aantal verkeersbewegingen ten behoeve van de realisatie van het voornemen uitgegaan: Type verkeer
Aantal voertuigen
Licht verkeer Middelzwaar verkeer Zwaar verkeer
20 4 4
Aantal verkeersbewegingen (aantal voertuigen x2) 40 8 8
Bovenstaande gegevens zijn gebaseerd op ervaringscijfers van BJZ.nu. 1 In voorliggend geval wordt er vanuit gegaan dat het bouwverkeer het projectgebied bereikt en verlaat via een zandpad dat leidt naar de Hegewarren. Op de Hegewarren zal het bouwverkeer qua rij- en stopgedrag niet meer te onderscheiden zijn van het overige wegverkeer en zal het bouwverkeer opgaan in het heersende verkeersbeeld. 3.2.3