Bijlage 1 verbreed GRP Sluis
Tekst van het document
Bij de uitwerking en het uitvoeren van maatregelen wordt nadrukkelijk ook aandacht besteed aan de eigen verantwoordelijkheid van de bewoners en de particuliere perceeleigenaren. Daar waar water op eigen terrein geborgen kan worden en de hoeveelheid particuliere verharding beperkt blijft of verminderd wordt, neemt de kans op wateroverlast af. Over deze principes zullen bewoners zowel bij specifieke projecten als in het algemeen worden geïnformeerd en zij worden gestimuleerd om hierin hun eigen verantwoordelijkheid te nemen, bijvoorbeeld via acties als ‘tegelwippen’ of regentonacties.
verbreed GRP Sluis definitief rapport
-39-
R024.P260/R006/RHOU 11 september 2024
Daarnaast wordt bij (nieuwe) rioleringsberekeningen, maar ook bij afkoppelen, rekening gehouden met intensievere neerslagsituaties. Indien er maatregelen geformuleerd moeten worden, zeker in geval van concrete wateroverlast-locaties, wordt uitgegaan van een integrale benadering. Daarbij wordt de oplossing niet alleen gezocht in ondergrondse infrastructuur, maar juist in het beschouwen van de volledige openbare ruimte. Hierbij wordt ook stil gestaan bij opties als bovengrondse afvoer en berging van overtollig hemelwater in groenzones en in de bodem (klimaatadaptief handelen). Dit soort maatregelen vraagt interdisciplinaire samenwerking tussen de verschillende gemeentelijke disciplines, maar biedt veel kansen om gezamenlijk op te trekken in de openbare ruimte. Concreet wordt voor rioleringsberekeningen in bestaande gebieden uitgegaan van de richtlijn ‘geen water op straat’ bij neerslagsituatie bui 08 conform de Kennisbank Riolering (20 mm in één uur). Voor nieuwbouwlocaties gelden hierbij bui 09 en bui 10 (respectievelijk circa 29 en 36 mm). Ook wordt een doorkijk gemaakt met behulp van de zogenaamde klimaatbuien van de stichting Rioned (bijvoorbeeld 70 mm in één uur), waarbij onderzocht wordt wat de bovengrondse effecten zijn van extreme neerslag en de mogelijkheden rondom afvoer en berging in de openbare ruimte.
Buitenom het voorkomen van materiele schade en overlast als gevolg van water op straat is het ook van belang om te voorkomen dat burgers in aanraking komen met verontreinigd (afval)water uit oogpunt van de volksgezondheid.
verbreed GRP Sluis definitief rapport
-40-
R024.P260/R006/RHOU 11 september 2024
7
Strategie riolering In dit hoofdstuk wordt een beschrijving gegeven van het functioneren van de verschillende objecten en systemen en wordt de strategie ten aanzien van de rioleringszorg uitgewerkt. De strategie is de weergave van de maatregelen en de werkzaamheden die de komende planperiode worden uitgevoerd om invulling te geven aan de missie, visie en doelen.
7.1
Beheer en onderhoud Het beheer en onderhoud bestaat uit diverse werkzaamheden en wordt grotendeels volgens een vaste frequentie uitgevoerd. Het doel hiervan is om alle objecten naar behoren te laten functioneren, zodat de bedrijfszekerheid gewaarborgd is en de vervuilingsgraad tot een acceptabel minimum wordt beperkt. In de onderstaande paragrafen wordt per soort voorzieningen een overzicht gegeven van het beheer en onderhoud.
7.1.1
Vrijverval riolering Onderhoud bestaat uit reiniging en reparatie. Reiniging van de vrijverval riolen vindt plaats volgens het onderstaande schema. • Gemengde- en afvalwaterriolering 1 x per 8 jaar • Regenwaterriolering en IT-riolen 1 x per 8 jaar • Kolken zuigen 2 x per jaar • Overige voorzieningen 1 x per jaar Het reinigen van de riolering en de bijzondere voorzieningen wordt in gezamenlijkheid met de andere Zeeuws-Vlaamse gemeenten uitbesteed (bestek rioolreiniging en inspectie, periode van 4 jaar). Het reinigen van de kolken vindt plaats in eigen beheer, behoudens enkele slecht bereikbare locaties. Bij het reinigen van de riolering, de gemalen en de kolken wordt het vrijkomende rioolslib en het kolkafval naar een gecertificeerd slibverwerkingsbedrijf afgevoerd. Het reinigen van de riolering en de kolken wordt plaatselijk frequenter uitgevoerd indien de situatie daar om vraagt. In het algemeen wordt de reinigingsfrequentie van de objecten geoptimaliseerd op basis van ervaringen met betrekking tot de vervuilingsgraad om zo efficiënt mogelijk te kunnen werken. Het inspecteren van de vrijverval riolering gebeurt met een rijdende inspectiecamera en wordt ingepast in het reinigingsschema met een gehalveerde frequentie (1 x per 16 jaar). Vanuit het onderhoudsprogramma worden steeds vaker direct maatregelen geformuleerd en ook uitgevoerd.
Dit wordt steeds vaker regulier gedaan, om calamiteiten en ad-hoc klachten te voorkomen en het functioneren van de riolering te waarborgen.
verbreed GRP Sluis definitief rapport
-41-
R024.P260/R006/RHOU 11 september 2024
Indien er sprake is van reparatie bestaat dit in veel gevallen uit het herstellen van schades of het vervangen van onderdelen die versleten zijn. Deze werkzaamheden worden, behoudens incidentele kleine klussen, in principe niet zelf gedaan, maar uitbesteed. Reparatie, maar ook vervanging, vindt zoveel mogelijk plaats in combinatie met herstraatwerkzaamheden. Op die manier wordt er werk met werk gemaakt. Renovatie door middel van relining (het aanbrengen van een kunststof bekleding in de rioolbuis) vindt plaats in combinatie met een project of het wordt geclusterd uitgevoerd. Naast beheer en onderhoud op basis van inspectieresultaten vindt er beheer en onderhoud plaats op ad-hoc basis. Dit wordt grotendeels ingegeven door meldingen en klachten van bewoners en medewerkers van de buitendienst. Dit betreft onder andere verstoppingen van huis- en kolkaansluitingen. Prioritering hiervan vindt plaats op basis van schade, overlast en/of (omgevings)risico’s.
7.1.2
Gemalen en persleidingen Onderhoud aan de gemalen (inclusief de pompen van de randvoorzieningen) vindt eenmaal per jaar plaats, evenals het onderhoud aan de drukrioleringsgemalen. Deze onderhoudsronden zijn uitbesteed aan een externe partij. Door de eigen onderhoudsdienst worden de gemalen jaarlijks gereinigd en elektro-mechanisch geïnspecteerd. Tevens wordt preventief en (klein) correctief onderhoud uitgevoerd. De gemalen worden continu gemonitord op hun werking met behulp van het gemaal-beheersysteem AquaviewX. Via dit systeem kunnen alle instellingen worden geraadpleegd en waar nodig aangepast en kunnen grafieken en overzichten van iedere installatie worden gegenereerd. Ook worden storingen via het systeem geprioriteerd en doorgegeven aan de dienstdoende onderhoudsmonteur, die vervolgens de storing oplost. Het gemalenbeheer-systeem is eveneens een samenwerkingsverband tussen de Zeeuws-Vlaamse gemeenten. Onderhoud aan de persleidingen en drukrioleringsleidingen wordt niet met een vaste frequentie uitgevoerd, maar is situatie afhankelijk. Indien de persleidingen moeten worden gereinigd, wordt dat meestal gesignaleerd op basis van terugloop in de (werkelijke) capaciteit van het gemaal. In dat geval worden de leidingen gereinigd.
7.1.3
Overige voorzieningen riolering Overige voorzieningen, zoals de randvoorzieningen of voorzieningen voor regenwater, worden in het reguliere onderhoud meegenomen. Dat betekent in de regel een onderhoudsfrequentie van eenmaal per jaar. Dat geldt ook voor lijngoten, olieafscheiders en facetfilters. Omdat sommige voorzieningen van wezenlijk belang zijn voor de afvoer van overtollig water, worden in de komende planperiode prioritaire locaties in kaart gebracht en worden deze waar nodig frequenter onderhouden om overlast zoveel mogelijk te voorkomen.
verbreed GRP Sluis definitief rapport
-42-
R024.P260/R006/RHOU 11 september 2024
Onderhoud aan huisaansluitingen wordt niet uitgevoerd. De huisaansluitingen zijn op particulier terrein tot aan de perceelsgrens eigendom van de particulier en vallen niet onder de verantwoordelijkheid van de gemeente.
7.1.4
Inventarisatie en gegevensbeheer Inzicht in het te beheren areaal is een belangrijke voorwaarde voor het planmatig beheer van een rioolstelsel. Hiervoor heeft de gemeente de beschikking over een rioolbeheersysteem (vrij vervalriolering) en een gemalenbeheer- en onderhoudssysteem. In deze beheersystemen staan, naast de statische gegevens (materiaalsoort, diameter, pomptype, et cetera), ook dynamische gegevens zoals inspecties, storingsmeldingen en dergelijke. Met behulp van deze beheergegevens is te bepalen wanneer maatregelen uitgevoerd dienen te worden of worden analyses en planningen gemaakt om knelpunten of storingen te voorkomen. Aan de hand van de mogelijke rioleringsmaatregelen vindt afstemming plaats met andere werkzaamheden binnen de openbare ruimte, zowel intern als extern, om te komen tot een integraal maatregelenplan voor de openbare ruimte. Met behulp van de gegevens van het beheerpakket kan het rioolstelsel planmatig beheerd worden. Het beheerpakket wordt doorlopend actueel gehouden door revisiegegevens van uitgevoerde rioleringswerken tijdig in het beheerpakket te verwerken. Deze dienen voor of bij oplevering van een project door de aannemer te worden aangeleverd aan de gemeente ter verwerking. Gegevensbeheer is een belangrijk aspect in het kader van data-gedreven rioolbeheer en vraagt daarom om voldoende tijd en aandacht.
Dit geldt zeker voor de komende planperiode, omdat er nog sprake is van een kleine achterstand in het verwerken van beschikbare en aangeleverde (revisie)data. Andere ondergrondse eigendommen worden ook vastgelegd in het beheersysteem in het kader van de WIBON. Deze wet geeft richtlijnen om graafschades te voorkomen. De gegevens worden ter beschikking gesteld aan het Kadaster. Naast de karakteristieken van de riolering worden ook de inventarisatiegegevens van het op de riolering aangesloten verhard oppervlak (grafisch) bijgehouden. Onder meer door de diverse afkoppelprojecten in de afgelopen planperiode is het van belang dit overzicht regelmatig bij te werken en actueel te houden.
7.1.5
Overnamepunten Gemeenten en waterschap hebben richtlijnen ten aanzien van de overnamepunten afgesproken (richtlijn overnamepunten afvalwaterketen Zeeland). Daarin gaat het over de grens tussen de verantwoordelijkheden voor het afvalwatersysteem van de gemeente en die van het waterschap. Een van de uitgangspunten is dat riolering van derden (veelal bedrijven of recreatiegebieden) aangesloten wordt op de gemeentelijke riolering, overeenkomstig de wettelijke zorgplicht van de gemeente tot inzameling van afvalwater. Bij omvangrijke lozingen wordt in nauw overleg met het waterschap afgewogen of aansluiting op het transportsysteem van het waterschap doelmatiger is. Dit is vooral van belang bij ontwikkeling van nieuwe (grote)
verbreed GRP Sluis definitief rapport
-43-
R024.P260/R006/RHOU 11 september 2024
bedrijven, maar ook bij het heroverwegen van bestaande aansluitingen (overnamepunten) van bedrijven of recreatiegebieden op het transportsysteem. Nieuwe grootschalige recreatievoorzieningen of nieuwbouw worden altijd aangesloten op de gemeentelijke riolering of rechtstreeks op een rioolwaterzuivering van het waterschap. Alternatieve afvalwaterzuivering is alleen mogelijk als deze voorziening een vergelijkbaar rendement oplevert als een rioolwaterzuivering, vergelijkbare of lagere beheerkosten kent en een vergelijkbare betrouwbaarheid. De aanlegkosten zijn voor de initiatiefnemer. Het beheer en onderhoud kan onder bepaalde voorwaarden overgedragen worden aan gemeente of waterschap. Afweging en werkwijze bij nieuwe overnamepunten
Figuur 7.1: afweging en werkwijze bij nieuwe overnamepunten 1
Rioolaansluiting nodig o.g.v. Activiteitenbesluit of Besluit lozingen afvalwater huishoudens?
nee
Aanleg IBA.
ja 2
Omvang totale lozing in woonkern: - totaal aantal aansluitingen ≥ 40 waarvan ≥ 30 aansluitingen van permanente bebouwing? óf - totale vervuilingswaarde ≥ 250 i.e. en ≥ 30 aansluitingen van permanente bebouwing?
nee
Aansluiten op gemeentelijke riolering.
ja 3
Afstand tot nabijgelegen bebouwde kern > 500 m ? nee
ja 4
Lozing van bedrijf? ja
1. Aansluiten op gemeentelijke riolering. 2. Aansluiten op transportsysteem waterschap, via nieuwe gemeentelijke voorziening.
nee 5
Aansluiten op transportsysteem waterschap met nieuw overnamepunt. Initiatiefnemer werkt in overleg met waterschap nieuwe aansluiting uit. Stappen: - mogelijke aansluitvarianten bepalen - keuze meest doelmatige variant o.b.v. vergelijking investerings-en exploitatiekosten met contante waardeberekening over periode van tenminste 20 jaar - uitwerken meest doelmatige variant - realiseren aansluiting - overnamepunt vastleggen in beheersystemen waterschap en gemeente
Aandachtspunten: - compensatie negatieve effecten op transportsysteem - aandacht voor functioneren transportsysteem in de praktijk - technische en praktische voorzieningen bij overnamepunt (zie richtlijn) - kostenverdeling - praktische afspraken over uitvoering
verbreed GRP Sluis definitief rapport
-44-
R024.P260/R006/RHOU 11 september 2024
7.2
Bewoners De belangrijkste doelgroep waarvoor rioleringszorg wordt uitgevoerd, zijn de bewoners en bedrijven in de gemeente. Het waarborgen van het functioneren van het systeem komt hen ten goede. Zij betalen daarvoor via de rioolheffing.
7.2.1
Huisaansluitingen Een belangrijke, letterlijke verbinding tussen het gemeentelijke rioolstelsel en de voorzieningen van de bewoners en bedrijven is de huisaansluiting of huisaansluitleiding. Planmatig onderhoud aan huisaansluitingen wordt niet door de gemeente uitgevoerd. De huisaansluitleidingen zijn, in geval van een aansluiting op de vrijverval riolering, vanaf de woning tot en met het ontstoppingsstuk op de perceelgrens eigendom van de particulier en vallen niet onder de verantwoordelijkheid van de gemeente. Verstoppingen door het gebruik vallen onder de verantwoordelijkheid van de gebruiker. Alleen schades of wortelingroei in de huisaansluitleiding in de openbare grond wordt door en op kosten van de gemeente hersteld na melding door de gebruiker. Problemen rondom ontluchting en overlast ten gevolge van het niet of onvoldoende aanwezig zijn van ontluchtingsmogelijkheden binnen de woning vallen ook niet onder de verantwoordelijkheid van de gemeente. Figuur 7.2: verdeling verantwoordelijkheden huisaansluitleiding vrijverval riolering
In principe heeft ieder perceel een gemengde of twee gescheiden huisaansluitleidingen. Indien een perceeleigenaar een extra huisaansluiting wenst, kan deze, wanneer mogelijk, op kosten van de initiatiefnemer worden aangelegd.
verbreed GRP Sluis definitief rapport
-45-
R024.P260/R006/RHOU 11 september 2024
De gemeente kent een rioolaansluitverordening (aangehaald als ‘rioolaansluitverordening gemeente Sluis 2014’). Hierin zijn alle voorwaarden vastgelegd rondom huisaansluitingen op de gemeentelijke riolering. Kort samengevat regelt de rioolaansluitverordening de verantwoordelijkheden tussen de particuliere eigenaar en de gemeente op het gebied van riolering en de afvoer van stedelijk afvalwater. In de verordening is opgenomen hoe om te gaan met een nieuwe of aangepaste huisaansluiting op de gemeentelijke riolering, welke stappen een particuliere eigenaar moet zetten bij een verstopping van de huisaansluiting of andere storingen en hoe het beheer en onderhoud is geregeld. Een groot deel van alle huisaansluitingen is door de gemeente gedigitaliseerd. Via een gemeentelijke website kunnen bewoners hun eigen huisaansluittekening downloaden, onder andere om het ontstoppingsstuk te lokaliseren in geval van een rioolverstopping. De gemeente Sluis kent verder een subsidieregeling voor het ‘naar voren brengen’ van huisaansluitingen. Veel oudere panden zijn vanuit een historische situatie naar achteren toe gerioleerd. Door de jaren heen echter is de gemeentelijke riolering zoveel mogelijk aan de voorzijde van de woning, in de openbare ruimte, aangelegd.
Om af te kunnen blijven voeren, zijn veel oudere huisaansluitingen met elkaar gekoppeld via kleinere leidingen in achtertuinen die via achterpaden of particuliere terreinen uiteindelijk aansluiten op het gemeentelijke hoofdriool. Dat leidt in sommige gevallen tot problemen en onduidelijkheden, met name als de afvoer stagneert. De gemeente wil zoveel als mogelijk de huisaansluitingen per woning aan de voorzijde aansluiten op het gemeentelijke hoofdriool. Bewoners die hieraan mee willen werken, kunnen beroep doen op een gemeentelijke subsidie hiervoor. Ook dit is geregeld in de rioolaansluitverordening 2014. Bewoners kunnen tot maximaal € 500,-- subsidie verkrijgen voor de werkzaamheden op eigen terrein en de aansluiting in de straat wordt op kosten van de gemeente gemaakt. Voorwaarde is wel dat het tot een verbeterde afvoersituatie leidt die ook voordeel heeft voor de gemeente Sluis. In het buitengebied is veel drukriolering aanwezig. Ook zijn verschillende panden aangesloten op een IBA. De verantwoordelijkheid voor de huisaansluitleiding is hier niet eenduidig aan te geven. In de meeste gevallen is dit de pompput of de perceelsgrens. Bij IBA’s is dit over het algemeen de aansluiting op de IBA. De afvoerleiding is de verantwoordelijkheid van de gemeente en/of het waterschap.
Verstoppingen en storingen in de drukriolering die veroorzaakt worden door onjuist gebruik zijn voor rekening van de particulier. Hierin gelden dezelfde uitgangspunten als bij een vrijverval aansluiting. Er vinden ook regelmatig verstoppingen en storingen plaats in de gemeentelijke riolering of de gemeentelijke gemalen als gevolg van foutieve lozingen van vet, doekjes en dergelijke. Deze zaken horen niet in de riolering thuis en verstoren de reguliere afstroming.
7.2.2
Beheer Als netbeheerder is de gemeente wettelijk verplicht (WIBON) om de liggingsdata van ondergrondse netten, waaronder ook riolering, op te slaan en beschikbaar te stellen. De opslag en beschikbaarstelling verloopt via een eigen voorziening (Obsurv). Per 1 juli 2019
verbreed GRP Sluis definitief rapport
-46-
R024.P260/R006/RHOU 11 september 2024
zijn netbeheerders verplicht om hun data binnen een maand na aanleg aan te leveren en te ontsluiten via het speciaal daarvoor ontwikkelde IMKL2015-formaat. Voor zover beschikbaar kunnen de gegevens van de huisaansluitleiding door de bewoners bij de gemeente worden opgevraagd of digitaal ingezien. Gezien de complexiteit om alle bestaande huisaansluitingen alsnog te lokaliseren en digitaliseren kent de WIBON een overgangsrecht. Dit overgangsrecht stelt dat registratie van huisaansluitingen pas hoeft te gebeuren bij nieuwe aanleg, vervanging of renovatie. Indien gemeentelijke (hoofd)riolering op particulier terrein gelegen is of komt te liggen, wordt daartoe een zakelijk recht gevestigd. Boven deze leiding mogen geen bouwwerken worden opgericht of diep wortelende bomen worden geplant.
7.2.3
Meldingen en communicatie Jaarlijks komen er verschillende meldingen van burgers binnen op uiteenlopende gebieden, zoals wateroverlast, verstopping, storing van pompen, klachten over stank, kolken of problemen met een IBA. De meldingen (MOR-melding) komen centraal binnen bij het gemeentelijk meldpunt (telefonisch, per mail of per post). Binnengekomen meldingen worden, na beoordeling van de meldingen, gebruikt om werkzaamheden in te plannen. De nadruk ligt op het zo snel mogelijk oplossen van de klachten of storingen. Structurele klachten kunnen aanleiding zijn om een nader onderzoek in te stellen hoe deze klachten definitief opgelost kunnen worden. Bij alle vervangings- en reconstructiewerkzaamheden start de gemeente een participatietraject op. De vorm van dit traject wordt per project afgewogen met behulp van de navolgende stappen: impact bepalen (1), mate van participatie (2), tijd en vorm van communicatie (3). In principe worden de stads- en dorpsraden altijd betrokken bij de voorbereiding en uitvoering van projecten. Communicatie vindt plaats via bijvoorbeeld een brief of mail, een informatiebijeenkomst of een werkgroep.
Het doel van de participatie is enerzijds informeren, maar kan anderzijds ook dienen om de burgerbetrokkenheid bij de inrichting van de eigen omgeving te vergroten en te voorkomen dat een gemeentelijk ontwerp aan het eind van het proces een tekort aan draagvlak heeft. Ook biedt deze werkwijze mogelijkheden om klimaatadaptatie mee te nemen in het ontwerp en de bewustwording over de gevolgen van de klimaatontwikkelingen bij de bewoners te vergroten. Participatie biedt tot slot de mogelijkheid om meerdere vraagstukken binnen één projectgebied integraal af te stemmen.
verbreed GRP Sluis definitief rapport
-47-
R024.P260/R006/RHOU 11 september 2024
7.3
Onderzoek en planvorming In het kader van een goede rioleringszorg is het belangrijk om inzicht te hebben in de kwalitatieve staat en het functioneren van het rioolstelsel. Waar nodig dient daarvoor onderzoek te worden uitgevoerd en beleidsuitgangspunten te worden vastgelegd
7.3.1
Inspectie Inspectie van de vrijverval riolering en van de gemalen is noodzakelijk om inzicht te hebben in welke kwalitatieve staat de voorzieningen verkeren. Dit is een belangrijk onderdeel, omdat hiermee bepaald wordt of nog voldaan wordt aan de minimaal gestelde eisen voor de betreffende voorziening. De gemeente Sluis is voornemens om in deze planperiode haar riolering te inspecteren met een frequentie van eenmaal per 16 jaar. Dit is gekoppeld aan de reinigingsronde. Het streven is om zoveel als mogelijk aaneengesloten gebieden (kernen of wijken in kernen als geheel) te reinigen en te inspecteren. Er is ruimte voor nader onderzoek als de inspectieresultaten of calamiteiten daar aanleiding toe geven. Deze werkzaamheden zijn samen met de andere Zeeuws-Vlaamse gemeenten aanbesteed. De ervaring leert dat inspectie soms ook tot het vinden van extra, onbekende riolering leidt. Deze strengen worden direct opgenomen in het rioolbeheerbestand en waar nodig worden eventuele gebreken hersteld. Voor de interpretatie van de inspectieresultaten wordt gebruik gemaakt van de NEN-EN 13508-2, inspectie en toestandsbeoordeling van riolen. Aan de hand hiervan worden per type schade waarschuwings- en ingrijpmaatstaven opgenomen. Op basis hiervan wordt extra aandacht aan de betreffende streng gegeven en kunnen maatregelen afgewogen worden.
De hoofdgemalen, drukrioleringsgemalen en de pompinstallaties van de randvoorzieningen worden door een externe partij eenmaal per jaar geïnspecteerd. Waar nodig worden kleinschalige gebreken hersteld. Op basis van de inspectieresultaten wordt jaarlijks een rapportage opgesteld met een beschrijving van de staat van de gemalen en een voorstel voor reparatie of vervangingswerkzaamheden. Periodiek worden alle gemalen gecontroleerd conform NEN 3140 (elektrisch). De herhalingstijd is afhankelijk van de geconstateerde toestand.
7.3.2
Berekeningen Het functioneren van het rioleringssysteem kan worden beoordeeld met behulp van modelberekeningen. Van alle kernen binnen de gemeente zijn rioleringsberekeningen uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn vastgelegd in (dynamische) BRP+ (2018). Het BRP geeft inzicht in
verbreed GRP Sluis definitief rapport
-48-
R024.P260/R006/RHOU 11 september 2024
het functioneren van de riolering en biedt oplossingen om dit functioneren waar nodig te verbeteren. De geformuleerde maatregelen uit het BRP zijn gericht op zowel het verminderen van de vuilemissie (indien nodig) als op het verbeteren van het hydraulisch functioneren, maar bevatten soms ook structuurverbeteringen in het rioolstelsel of aanpassingen aan rioolgemalen. Bij de uitwerking van de maatregelen wordt bewust een doorkijk gemaakt met intensievere neerslagsituaties in het kader van de klimaatontwikkelingen. De geformuleerde maatregelen uit het vigerende BRP zijn, voor zover zij niet al zijn uitgevoerd, opgenomen in de vervangingsplanning van het verbreed GRP. Waar mogelijk worden de maatregelen gekoppeld aan reeds geplande vervangingswerkzaamheden of aan andere projecten, zoals herstraatwerkzaamheden, duurzaamheidsmaatregelen of reconstructies. De maatregelen worden ook afgestemd met het waterschap in het kader van de samenhang met het transportsysteem en het watersysteem. In de komende planperiode wordt bezien in hoeverre het huidige BRP aan vervanging toe is en of actualisatie noodzakelijk is. Ook wordt bezien of voor enkele kernen middels de zogenaamde ‘redeneertrant’ van de SAZ+ een onderzoek moet worden uitgevoerd naar de toekomstbestendigheid.
7.3.3
Meten en monitoren Meten en monitoren in het rioleringssysteem is een belangrijke onderzoeksactiviteit met een hoge kenniscomponent. Door te meten wordt meer kennis verkregen over het daadwerkelijk functioneren van de riolering. Deze kennis over het functioneren van de riolering vertaalt zich op de lange termijn in kwaliteitsverbetering, beter inzicht, doelmatiger beheer, vermindering van emissies naar het oppervlaktewater en uiteindelijk ook besparingen. In de riolering zelf wordt beperkt gemeten (randvoorzieningen). De hoofdgemalen worden verder continu gemonitord op hun werking met behulp van de gemaalbeheersoftware van AquaviewX. Het is van belang de meetresultaten te interpreteren en mee te nemen bij het formuleren van beheermaatregelen. Om tijdig te kunnen anticiperen op storingen en ontwikkelingen is het wenselijk niet alleen inzicht te hebben in de eigen gemeentelijke rioolgemalen, maar ook in de rioolgemalen van waterschap Scheldestromen. Vanuit de samenwerking is er daarom een koppeling tussen de SCADA-systemen van het waterschap en van de gemeente gemaakt. Deze functioneert echter nog niet naar behoren. In de komende planperiode zal dit worden verbeterd. Ervaring moet leren wat de meerwaarde voor zowel de gemeente als het waterschap kan zijn van deze koppeling en of op termijn een gezamenlijke aansturing van de gemalen zinvol is.
verbreed GRP Sluis definitief rapport
-49-
R024.P260/R006/RHOU 11 september 2024
7.4
Vervangingsplanning De vervangingsplanning is een dynamisch document dat, indien nodig, ieder jaar wordt bijgesteld aan de hand van de jaarlijkse inspectieresultaten van delen van de riolering binnen de gemeente en op basis van ontwikkelingen vanuit de ruimtelijke ordening.
7.4.1
Afweging maatregelen en afstemming Om te komen tot een integraal maatregelenpakket, waar rioolvervanging onderdeel van uit maakt, wordt rekening gehouden met diverse aspecten. De kwaliteit van de rioolleidingen, het functioneren van het stelsel, risico-inschatting als het riool instort of anderszins faalt en tenslotte de leeftijd van de riolering zijn factoren die benut worden om tot een maatregelkeuze te komen. Wat daarnaast een belangrijk aspect is in deze, is de volgordelijkheid van maatregelen. Het is van belang te bouwen aan een hoofdstructuur voor een goede afvoer van afval- en hemelwater. Het prioriteren van maatregelen om aan te sluiten binnen deze hoofdstructuur kan daarin noodzakelijk zijn. Tenslotte zal gedurende de planperiode overwogen worden of de resultaten van het Riobase-onderzoek van de HZ en SAZ+ (assetmanagement) geïmplementeerd kunnen worden in de afweging van maatregelen. Aan de hand van de mogelijke rioleringsmaatregelen vindt afstemming plaats met andere werkzaamheden binnen de openbare ruimte, zowel intern als extern (onder andere nutsbedrijven). De interne afstemming met andere disciplines (groen, wegen, ruimtelijke ordening) is van essentieel belang om kosten te besparen en overlast voor burgers zoveel mogelijk te voorkomen.
Daar hoort ook een eenduidige verdeling van kosten tussen de verschillende disciplines bij, evenals een verdeling van de kosten voor beheeraspecten en voor het project zelf. Het is belangrijk dat de motivatie voor beleidskeuzes binnen projecten voor alle betrokken disciplines helder zijn, zodat deze ook gehandhaafd kunnen worden gedurende het gehele project, van planvorming tot en met de uitvoering. Ook de afstemming met de externe partners, zoals de nutsbedrijven, is van belang. Extern wordt voor de langere termijnplannen gebruik gemaakt van AZON (Afstemming Zeeuwse Overheden en Nutsbedrijven). Gezien de lange voorbereidingstijd bij de nutsbedrijven dienen plannen al vroegtijdig te worden ingebracht, zijnde 2-3 jaar voor start van de uitvoering. De projectvoorbereiding moet daarom nog eerder starten (3-4 jaar vooraf). De resultaten van de interne en externe afstemming leiden tot een integraal maatregelenplan voor de openbare ruimte. Een belangrijk aandachtspunt zijn de grondstromen en de bijbehorende kosten die met uitvoeringsmaatregelen en projecten gemoeid gaan. Voor de komende planperiode dient er in de afweging van maatregelen bewust rekening te worden gehouden met de steeds beperktere mogelijkheden en toenemende kosten voor het afvoeren van overtollige grond.
In de komende periode wordt onderzocht of vrijkomende grond na behandeling kan worden herbruikt in de rioolsleuf of fundering van de rijbaan (grondverbetering en/of -stabilisatie).
verbreed GRP Sluis definitief rapport
-50-
R024.P260/R006/RHOU 11 september 2024
Tot slot wordt voor het opstellen van een integraal maatregelenplan voor de openbare ruimte uitgegaan van een wijk- of kerngerichte aanpak. Door voor grotere, maar afgebakende gebieden een integraal maatregelenplan op te stellen, ontstaat meer armslag en daarmee ruimte om potentiële kansen vanuit verschillende disciplines te verzilveren. Al met al is het de insteek dat het afwegingsproces rondom maatregelen zo integraal mogelijk wordt uitgevoerd. Het proces wordt daarbij zoveel mogelijk gestructureerd, zodat het voor alle projecten eenduidig en op dezelfde manier doorlopen wordt. Daarmee wordt het proces organisatie-breed nog beter herkenbaar. Dit sluit ook aan bij de inhoud van de klimaatadaptatiestrategie die door de gemeente Sluis is vastgesteld (zie hoofdstuk 6).
7.4.2
Renovatie of vervanging Bij renovatie en vervanging van de riolering wordt onderscheid gemaakt in levensduur verlengende maatregelen (renovatie) of het volledig nieuw aanleggen van de voorzieningen (vervanging). Renovatie houdt in veel gevallen in dat een leiding en/of inspectieput wordt bekleed met een kunststof bekleding (zogenaamde relining) die beschadigde of lekke riolen hersteld. De keuze voor renovatie of vervanging is afhankelijk van de karakteristieken van een object en de aard van de schade, maar zeker ook van omgevingsfactoren zoals ligging van de leidingen (weg of tuin), karakter van de weg (druk of rustig), diepteligging, kwaliteit huisaansluitingen (gres) en mogelijke combinatie met andere werkzaamheden (bijvoorbeeld herinrichting of afkoppelen). Technische voorwaarden voor relining zijn onder meer zijn dat er een kous (coating) aangebracht moet kunnen worden in de leiding en dat er geen onacceptabele verzakkingen of tegenschot in de rioolstreng aanwezig zijn. Daarnaast is een belangrijke randvoorwaarde voor relinen dat de afmeting van de leiding hydraulisch voldoende is en geen opstuwing veroorzaakt en er dus geen diameteraanpassing moet plaatsvinden. Door relining wordt zowel de instroom van grondwater naar de riolering (rioolvreemd water) als de uitstroom van afvalwater (risico op vervuiling grondwater) voorkomen.
De instroom van grondwater heeft een negatief effect op het functioneren van de rioolwaterzuivering. Wel dient rekening te worden gehouden met het drainerend effect van oude, lekke rioolleidingen.
7.4.3
Afkoppelen Een belangrijke duurzame maatregel om de vuilemissie uit de gemengde riolering terug te dringen, de doelmatigheid van de afvalwaterketen te vergroten en de kans op wateroverlast te verkleinen, is het afkoppelen van verhard oppervlak. Het primaire doel van afkoppelen is het ontvlechten van afvalwater en (schoon) hemelwater. Afkoppeloplossingen worden gevonden in oppervlakkige afstroming, wadi’s of, waar mogelijk, infiltratie, maar ook in (regenwater)leidingen. Ook het terugdringen of beperken van de hoeveelheid
verbreed GRP Sluis definitief rapport
-51-
R024.P260/R006/RHOU 11 september 2024
verharding speelt bij afkoppelen een rol. In geval van het realiseren van nieuwe voorzieningen bij bestaande bebouwing wordt gezocht naar participatie van burgers. Afkoppelen maakt deel uit van het rioleringsbeleid van de gemeente. Daarbij wordt er naar gestreefd om structureel afkoppelkansen te signaleren en te verzilveren, bijvoorbeeld op locaties waar kan worden meegelift met andere werkzaamheden zoals rioolvervanging, herstraatwerkzaamheden of herbouwprojecten in bestaand gebied. Bij afkoppelwerkzaamheden is te allen tijde afstemming met het waterschap noodzakelijk in verband met de capaciteit van het ontvangende oppervlaktewater. Het afkoppelen geschiedt zorgvuldig, met aandacht voor risico’s ten aanzien van de waterkwaliteit en aandacht voor beheer- en onderhoudsaspecten, met name in bestaande gebieden. Ook wordt gewaakt voor kapitaalvernietiging. Dit alles heeft tot doel om te komen tot robuuste en flexibele rioolstelsels die de klimatologische ontwikkelingen aankunnen. Afkoppelen (zowel bovengronds als ondergronds) is geen doel op zich, maar wordt als potentiële maatregel overwogen in relatie tot de meest actuele inzichten in kosten, beheer en onderhoud, effecten op wateroverlast en vuilemissie, en dergelijke. Iedere keer wordt daarvoor een doelmatigheidsafweging gemaakt, waar deze aspecten bij worden betrokken.
Bij elk project zal, afhankelijk van de mogelijkheden van een gebied, een keuze gemaakt worden voor ondergronds dan wel bovengronds afkoppelen. Burgers zullen, indien van toepassing, actief betrokken worden bij het afkoppelen en opvangen van regenwater op eigen terrein. Het vervangen van verharding door groen op eigen terrein kan bijdragen aan een lagere belasting van het rioolstelsel, het vergroten van de biodiversiteit, het verminderen van het risico van verdroging, het aanvullen van het zoete grondwater en het verlagen van de hittestress in bebouwd gebied. Dit alles in lijn met de klimaatadaptatiestrategie. Ook geldt, dat naarmate er minder regenwater afvloeit naar het gemengde stelsel, het risico van verdund afvalwater op straat met risico’s voor de gezondheid van de bewoners kleiner wordt. Indien blijkt dat (onbedoeld) regenwater op de drukriolering zit en voor overlast zorgt, zal onderzocht worden waar de foutaansluitingen vandaan komen en worden de eigenaren verplicht om deze foutaansluitingen van de drukriolering af te halen.
7.4.4
Uitgangspunten vervanging Vervanging van riolen of gemalen vindt in hoofdzaak plaats op basis van de kwalitatieve staat. De ouderdom speelt een ondergeschikte rol. De staat en de functie van de bovenliggende weg daarentegen zijn wel belangrijk in de afweging. Afstemming van het wegbeheer en het rioolbeheer is essentieel om de lastendruk en de maatschappelijke overlast voor de burgers zo laag mogelijk te houden. Ook de aanpak van wateroverlastlocaties en klimaatadaptieve maatregelen speelt steeds meer een rol.
verbreed GRP Sluis definitief rapport
-52-
R024.P260/R006/RHOU 11 september 2024
Bij rioolvervangingsprojecten of wegreconstructies worden de huisaansluitingen in de openbare ruimte ook vervangen (tot aan de erfgrens, in overleg met de eigenaren). De huiseigenaren zullen geadviseerd worden om indien nodig ook hun huisaansluitleiding op eigen terrein te vervangen. Voor de gemiddelde levensduur van de kapitaalvoorzieningen wordt uitgegaan van de onderstaande gegevens. De praktijkervaringen bij vervanging van riolering en gemalen binnen de gemeente Sluis bevestigen de waarde van deze uitgangspunten. • • • • • • •
Vrijverval riolering Vrijverval riolering (gerenoveerd) Gemalen en randvoorzieningen, bouwkundig Rioolgemalen en drukrioleringsunits, mechanisch Rioolgemalen en drukrioleringsunits, elektrisch IBA’s Persleidingen
80 jaar 50 jaar 60 jaar 20 jaar 15 jaar 15 jaar 80 jaar
De hoeveelheid verloren berging in het rioolstelsel van de gemeente Sluis is acceptabel. Bij rioolvervanging wordt gestreefd naar het opheffen van verloren berging. Voor het opheffen van verloren berging zijn geen extra financiële middelen gereserveerd.
Concretisering vervangingsplanning Ten behoeve van het inzicht in de kosten en kostendekking is een (theoretische) langjarige vervangingsplanning opgesteld. Daarbij is uitgegaan van de gemiddeld langste levensduur van onderdelen van het rioleringssysteem (80 jaar) ten opzichte van het jaar van aanleg. Figuur 7.3: langjarige vervangingsplanning op basis van leeftijd (in meters)
12000
10000
8000
6000
4000
2000
0
2010 2027 2030 2033 2036 2039 2042 2045 2048 2051 2054 2057 2060 2063 2066 2069 2072 2075 2078 2081 2084 2087 2090 2093 2096 2098 2101 2103
7.4.5
verbreed GRP Sluis definitief rapport
-53-
R024.P260/R006/RHOU 11 september 2024
Vanuit de langjarige planning zijn de eerste 5 jaar (planperiode) verder geconcretiseerd, onder meer gebaseerd op de inspectieresultaten en rioleringsberekeningen. De resterende planning is gebaseerd op leeftijd. Maatregelen in het kader van klimaatadaptatie zijn integraal opgenomen in deze concrete planning. Afhankelijk van de resultaten van de rioolinspecties, nieuwe inzichten of politieke sturing kan de planning aangepast worden. Primair wordt uitgegaan van het wegwerken van ernstige schadebeelden en het vervangen van leidingen aan het einde van hun levensduur. Op deze manier worden de kwalitatief minst goede leidingen het eerste vervangen of gerenoveerd. Daarmee is de inzet van de financiële middelen zo effectief mogelijk. De geconcretiseerde meerjarenplanning voor maatregelen aan de riolering is opgenomen op de volgende pagina. De gemiddelde vervangingskosten op jaarbasis zijn hoger dan in de voorgaande planperiode. De belangrijkste redenen hiervoor zijn de gestegen eenheidsprijzen (onder andere materiaal) als gevolg van inflatie over de afgelopen jaren. Deze eenheidsprijzen zijn gebaseerd op ervaringen in de regio en recent uitgevoerde projecten binnen de gemeente Sluis.
verbreed GRP Sluis definitief rapport
-54-
R024.P260/R006/RHOU 11 september 2024
Tabel 7.1: vervangingsplanning planperiode verbreed GRP Sluis
verbreed GRP Sluis definitief rapport
-55-
R024.P260/R006/RHOU 11 september 2024
7.5
Riolering buitengebied Binnen de gemeente zijn per 1 januari 2024 nog 754 niet gerioleerde panden aanwezig die afvalwater lozen, gebaseerd op een geactualiseerd overzicht dat de gemeente samen met waterschap Scheldestromen heeft opgesteld. Voor deze panden heeft de gemeente een ontheffing van de zorgplicht voor het inzamelen en transporteren van het afvalwater gekregen van de Provincie Zeeland. Deze ontheffing is geldig voor onbepaalde tijd. Met het in werking treden van de Omgevingswet zal de gemeente zelf moeten bepalen of deze panden onder een gemeentelijke ontheffing komen te vallen en aan welke eisen de eigenaren op termijn moeten voldoen. Dit gebeurt in afstemming met het waterschap.
7.5.1
Regeling buitengebied Per 1 januari 2008 zijn er wettelijke regelingen van kracht voor lozingen in het buitengebied en zijn er eisen gesteld aan de septic tank waar veel huishoudens in het buitengebied gebruik van maken. Deze wettelijke regelingen zijn binnen de provincie Zeeland vertaald naar afspraken die aangeven hoe om te gaan met bestaande en nieuwe ongerioleerde huishoudelijke lozingen: beleid lozingen buitengebied (SAZ+). Hierin staat dat nieuwe lozingen direct moeten gaan voldoen aan de nieuwe eisen, bestaande lozingen krijgen nog tot 2027 de tijd om hier aan te voldoen. Deze eisen houden in, dat iedere ongerioleerde lozing moet zijn voorzien van een zuiveringsvoorziening. Deze zuiveringsvoorziening is minimaal een verbeterde septic tank (IBA klasse 1, minimale inhoud 6 m3) conform de eisen van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Dat betekent, dat voor 2027 alle kleine septic tanks door de perceeleigenaar vervangen moeten zijn door een nieuwe voorziening. In deze planperiode zullen alle eigenaren die nog niet aan de wettelijke eisen voldoen door het waterschap worden aangeschreven om voor 1 januari 2027 de noodzakelijke aanpassingen uit te voeren. Voor bestaande lozingen in het buitengebied is verder in het Zeeuwse ‘beleid lozingen buitengebied’ opgenomen dat bestaande drukriolering gehandhaafd blijft.
Hier kan alleen van worden afgeweken als nieuwe ontwikkelingen hebben aangetoond dat deze een beter milieurendement hebben of lagere maatschappelijke kosten opleveren bij minimaal een zelfde milieurendement. Dat geldt ook voor andere lokale zuiveringsvoorzieningen die niet bij de particuliere eigenaar in beheer en onderhoud zijn.
7.5.2
Smalle zorgplicht De gemeente Sluis kiest met dit verbreed GRP voor het handhaven van de zogenaamde smalle zorgplicht voor niet gerioleerde panden in het buitengebied. Dat betekent, dat de particulier verantwoordelijk is voor de aanleg en het beheer en onderhoud van de
verbreed GRP Sluis definitief rapport
-56-
R024.P260/R006/RHOU 11 september 2024
zuiveringsvoorziening op het eigen perceel. De particulier is eigenaar van deze voorziening en betaalt geen rioolheffing. De keuze hiervoor is het voortzetten van bestaand beleid en wordt in belangrijke mate ingegeven door het afwegen van de maatschappelijke kosten en het (milieu)rendement. De kosten voor aansluiten van alle panden in het buitengebied zijn relatief hoog, evenals de kosten voor het beheer en onderhoud van deze voorzieningen. Alle rendabel aan te sluiten panden zijn reeds in de saneringsoperatie in de periode 2000-2008 aangesloten. Daarnaast hebben de meeste inwoners in het buitengebied geen behoefte aan verandering van de huidige situatie waarin zij zelf zorgdragen voor de aanleg en het beheer en onderhoud van de zuiveringsvoorziening op hun eigen perceel. Het rendement in de zin van invulling van een maatschappelijke behoefte is beperkt evenals het milieurendement. Bij uitbreiding van het gemeentelijk rioolstelsel, waarbij woningen in het buitengebied met een septic tank eenvoudig aan te sluiten zijn op het stelsel, wordt een overgangstermijn gehanteerd om alsnog aan te sluiten of maakt de gemeente een financiële afweging over het mogelijk alsnog aansluiten van deze panden.
7.5.3
IBA-wacht Binnen de gemeente Sluis is een groot aantal IBA’s aanwezig. Indien deze in eigendom zijn van de gemeente vallen zij voor wat betreft het beheer en onderhoud onder de zogenaamde IBA-wacht. Dit is een samenwerkingsverband tussen zeven Zeeuwse gemeenten die IBA’s in eigendom en beheer hebben en waterschap Scheldestromen. Het waterschap is hierbij verantwoordelijk voor het onderhoud aan de IBA’s.
verbreed GRP Sluis definitief rapport
-57-
R024.P260/R006/RHOU 11 september 2024
7.6
Nieuw te realiseren bebouwing
7.6.1
Algemeen Voor nieuwe (particuliere) bouwwerken in bestaand gebied geldt het beleid dat het huishoudelijk afvalwater en het hemelwater gescheiden moeten worden aangeboden conform het Bouwbesluit 2012. Op die manier kunnen deze huisaansluitingen eenvoudig worden opgepakt bij toekomstige afkoppelwerkzaamheden. Riolering dient te voldoen aan de eisen conform de NEN 3215 (Gebouwriolering en buitenriolering binnen de perceelgrenzen) en de NTR 3216 (Riolering van bouwwerken). Alle nieuw te realiseren bebouwing binnen de gemeente wordt aangesloten op de gemeentelijke riolering, op drukriolering of via een alternatieve voorziening die voldoet aan de eisen van het Besluit activiteiten Leefomgeving (Bal) (conform het beleid lozingen buitengebied, SAZ+). Dit wordt afgedwongen door ongezuiverde lozingen op oppervlaktewater en in de bodem niet toe te laten. Bij de omgevingsvergunning wordt melding gemaakt van de verplichting aan te sluiten op de riolering. Binnen de bebouwde kom of daar waar binnen 40 meter een gemeentelijk riool aanwezig is, dient verplicht te worden aangesloten op het gemeentelijke rioolstelsel. Dit afstandscriterium geldt vanaf de perceelsgrens (voorheen vanaf de woning). Voor nieuwbouw gold dit criterium altijd al vanaf de perceelsgrens.
Bij nieuwbouw zal het hemelwater gescheiden worden afgevoerd en infiltreren in de bodem of rechtstreeks afstromen naar het oppervlaktewater. Indien infiltratie mogelijk is, geldt dat als uitgangspunt. Indien het hemelwater wordt afgevoerd, vindt dit in principe oppervlakkig plaats of, wanneer dat niet mogelijk is, met behulp van regenwaterriolering. Belasting van de riolering en de rioolwaterzuiveringsinstallatie met schoon water wordt daarmee beperkt. Ook worden aspecten als droogte, veilige bouwhoogte en drooglegging beschouwd.
7.6.2
Incidentele nieuwbouw in landelijk gebied Bij incidentele nieuwbouw in het landelijk gebied op locaties waar geen riolering aanwezig is binnen een straal van 40 meter vanaf de perceelsgrens en waarin de planperiode van dit verbreed GRP geen riolering zal worden aangelegd, vindt in eerste instantie de toetsing plaats of er wel of niet invulling gegeven zal worden aan de zorgplicht voor het inzamelen van afvalwater. Indien dat niet het geval is, zal in de omgevingsvergunning worden opgenomen dat het vrijkomende afvalwater niet ongezuiverd op oppervlaktewater of in de bodem mag worden geloosd. Iedere nieuwe lozing dient te voldoen aan de eisen conform het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). De gemeente zal bij bouwaanvragen voor deze nieuwbouw een melding doen aan de waterkwaliteitsbeheerder (waterschap Scheldestromen) en de betrokkenen naar haar doorverwijzen. In geval van bodemlozingen ligt de verantwoordelijkheid bij de gemeente.
verbreed GRP Sluis definitief rapport
-58-
R024.P260/R006/RHOU 11 september 2024
7.6.3
Bedrijfsmatige nieuwbouw In het geval van nieuwe bedrijfsmatige lozingen (en ook bij bestaande lozingen) is de aard en de omvang van de lozing bepalend voor de wijze van lozen. Er wordt bepaald of een lozing al dan niet op de riolering dient plaats te vinden of, indien dit niet doelmatig blijkt te zijn, welke vorm van lozen dan wordt toegestaan. Dit gebeurt in nauwe samenwerking met het waterschap die als waterkwaliteitsbeheerder daar een belangrijke rol in speelt. Een initiatiefnemer dient op voorhand hierover contact op te nemen met de gemeente, de eventuele kosten voor aanvullende voorwaarden en/of voorzieningen komen geheel ten laste van de initiatiefnemer. Ongemengd bedrijfsafvalwater is in veel gevallen geen stedelijk afvalwater. Hiervoor geldt derhalve geen automatische zorgplicht voor inzameling en transport door de gemeente. De gemeente heeft het recht om bestaande en nieuwe aansluitingen van bedrijven te weigeren. Dit geldt zeker als dit afvalwater niet gezuiverd kan worden op de RWZI.
7.6.4
Projectmatige nieuwbouw Bij projectmatige nieuwbouw worden de voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en hemelwater (bijvoorbeeld uitleggers naar de hoofdriolering) en eventueel voor grondwater aangelegd bij het bouwrijpmaken van de locatie. De kosten hiervoor worden opgenomen in de exploitatieopzet en verrekend met de grondeigenaar en/of ontwikkelaar. Dit kan bijvoorbeeld via een anterieure overeenkomst, maar ook via de aanvraag van een nieuwe rioolaansluiting. Alle nieuwbouw- en herstructureringsprojecten worden toekomstbestendig uitgevoerd, waarbij het scheiden van afvalwater en hemelwater (ontvlechten) de norm is. Verhard oppervlak wordt volledig afgekoppeld en waar mogelijk dient regenwater op eigen terrein te worden gebufferd. Afhankelijk van de karakteristieken van het gebied wordt een keuze gemaakt tussen bovengronds of ondergronds verwerken van regenwater. In een rioleringsplan (of waterparagraaf) zal worden nagegaan waar hemelwater kan worden ingezet voor de lokale waterhuishouding en aan welke eisen moet worden voldaan. Het hemelwater dat niet aan deze criteria voldoet, wordt ingezameld en afgevoerd naar de RWZI. Voor de aanleg van de voorzieningen wordt een (riool)ontwerp gemaakt volgens de dan geldende eisen, waarbij de insteek is om een klimaatbestendige openbare ruimte te realiseren en regenwater zoveel mogelijk ter plaatse te verwerken.
Er worden rioleringsberekeningen uitgevoerd en er wordt een risicoafweging gemaakt, waarbij rekening wordt gehouden met verschillende klimaatontwikkelingen (kort hevig nat, langdurig nat, langdurig droog en hittestress). Er wordt tijdig overleg gevoerd met de waterbeheerder (kwantiteit en kwaliteit). In verband met de voorkeur om regenwater op particuliere terreinen op te vangen, is het belangrijk dat dit ook fysiek mogelijk wordt gemaakt. Bij de bouwwerkzaamheden slaat de grond in de (achter)tuinen vaak dicht, doordat er met zwaar materieel over de bouwlocatie
verbreed GRP Sluis definitief rapport
-59-
R024.P260/R006/RHOU 11 september 2024
wordt gereden. Dit kan leiden tot klachten (richting de gemeente) op het moment dat bewoners intrek nemen in hun nieuwe woning, vaak in de vorm van het melden van een te hoge grondwaterstand. De oorzaak is echter niet de hoge grondwaterstand, maar zogenaamde ‘verkneding’ van de bodem. Op de lagere kleilaag blijft water staan en er ontstaat een zogenaamde ‘schijn-grondwaterspiegel’. Om dit te voorkomen, kan de ontwikkelaar worden verplicht om het perceel ‘diep te spitten’ nadat het is opgehoogd. Ter voorkoming van foutieve aansluitingen worden bij gescheiden rioolstelsels buizen in twee verschillende kleuren toegepast. Voor vuilwaterriolering is dit roodbruin, voor regenwaterleidingen is de kleur middelgrijs. Daarnaast wordt voor infltratieriolering (ITriool) de kleur groen voorgeschreven. Het verplicht gebruiken van deze kleuren wordt ook in de omgevingsvergunning opgenomen.
7.6.5
Watertoets Voor alle ruimtelijke plannen moet een watertoets worden uitgevoerd. In deze watertoets wordt aangegeven hoe in het betreffende plan met water wordt omgegaan. Aspecten als oppervlaktewater, grondwater, hemelwater, afvalwater, waterkwaliteit en -kwantiteit, omgevingsfactoren en waterberging komen hierin aan de orde. Met de watertoets wordt de waterbeheerder tijdig betrokken in het ontwerpproces. Het streven is om vanuit de watertoets in de komende planperiode te gaan komen tot een klimaattoets, waarbij ook de aspecten droogte en hitte worden betrokken. Hierbij wordt onder meer de eerder beschreven labelsystematiek gebruikt. In de openbare ruimte is de zoektocht naar een evenwicht tussen blauw, groen en steen essentieel om de klimaatontwikkelingen het hoofd te bieden. Voldoende ruimte tussen vloerpeil en het niveau van de openbare ruimte zorgt er voor dat water op straat niet direct tot schade aan de woningen leidt. Doorgaande wegen in het plan moeten in principe altijd beschikbaar zijn voor de hulpdiensten. In geval van nieuwe bebouwing dient de toename aan verhard oppervlak te worden gecompenseerd met waterberging op eigen terrein. In uitzonderlijke gevallen kan gebruik worden gemaakt van het Waterbergingsfonds gemeente Sluis. Hiermee kan de verplichting tot het realiseren van waterberging door de gemeente Sluis worden afgekocht van de initiatiefnemer.
Deze waterberging wordt dan, in overleg met waterschap Scheldestromen, elders gerealiseerd.
verbreed GRP Sluis definitief rapport
-60-
R024.P260/R006/RHOU 11 september 2024
7.7
Overige aspecten
7.7.1
Vermindering rioolvreemd water Binnen de SAZ+ is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid en de effecten van rioolvreemd water. Rioolvreemd water kan bijvoorbeeld bestaan uit lekwater bij hogere grondwaterstanden, instromend oppervlaktewater (instroom van water), regenwater op drukriolering, water vanuit drainage of afgebroken huisaansluitleidingen. Afvalwateraansluitingen op hemelwaterriolering vallen ook onder rioolvreemd water en hebben grote invloed op de waterkwaliteit. Rioolvreemd water heeft in het algemeen een kostenverhogend effect op het transporteren en zuiveren van afvalwater en veroorzaakt een wezenlijk verhoogde emissie van nutriënten en gevaarlijke stoffen. Voor het opsporen van rioolvreemd water kan onder meer gebruik worden gemaakt van de meetgegevens van waterschapsgemalen en gemeentelijke rioolgemalen. Voor de gemeente zijn de afgelopen jaren gegevens geïnventariseerd van gemalen, rwzi’s, waterpeilen en neerslag. Op enkele locaties zijn in de afgelopen planperiode gerichte maatregelen uitgevoerd, met name bij foutaansluitingen van vuilwater op regenwaterriolering. Lekke riolering wordt bij vervangingsopgaven pas vervangen. Het is niet doelmatig om alleen voor het bestrijden van rioolvreemd water het riool te vervangen. Figuur 7.3: effecten rioolvreemd water (bron: SAZ+ rapportage ‘aanpak rioolvreemd water’, 2016)
Bij de bepaling van de maatregelen om rioolvreemd water terug te dringen, wordt een integrale afweging gemaakt, waarbij de hoeveelheid rioolvreemd water, de oorsprong van het water, de staat van de riolering, de mogelijkheid om het probleem op te lossen en de afstemming met overige vakdisciplines een rol speelt. De kosten die gemaakt worden om de waterdichtheid van het riool te waarborgen, maken in principe deel uit van de kosten van onderhoud en vervanging van het rioolstelsel. Regenwater op de drukriolering wordt alleen aangepakt als dit een knelpunt oplevert voor de afvoer van het afvalwater. Een kleine hoeveelheid regenwater op de drukriolering kan bijdragen in het voorkomen van aantasting van de ontvangende riolering. Geconstateerde afvalwaterlozingen op regenwaterriolering worden direct/hetzelfde jaar nog overgezet naar vuilwater- of gemengde riolering. De invloed van puur afvalwater op het oppervlaktewater is dermate groot dat dit niet lang kan worden gedoogd.
verbreed GRP Sluis definitief rapport
-61-
R024.P260/R006/RHOU 11 september 2024
7.7.2
Diffuse bronnen Een aantal stoffen dat diffuus in het rioolwater terechtkomt, vormt een belasting voor het milieu. Te denken valt hierbij aan zink uit dakgoten, koper uit waterleidingen of minerale olie uit motoren. Er wordt naar gestreefd de emissie van deze stoffen te voorkomen. De gemeente volgt hierin het landelijk beleid, dat is vastgelegd in het beleid Duurzaam Bouwen (DuBo) met regelgeving voor duurzaam (ver)bouwen in het Bouwbesluit 2012.
7.7.3
Duurzaamheid Ook binnen de rioleringszorg wil de gemeente invulling geven aan duurzaamheid. Duurzaamheid betekent ‘ontwikkelingen uitvoeren die aansluiten op de behoeften van het heden zonder het vermogen van toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen’. Vanuit de gemeentelijke watertaken is er relatie te leggen met thema’s op dit gebied zoals klimaatadaptatie, energietransitie en versterking van de biodiversiteit. Concreet betekent duurzaam omgaan met water bijvoorbeeld dat oplossingen binnen de hemelwaterzorgplicht steeds vaker gezocht worden in meer natuurlijke voorzieningen zoals waterlopen en waterpartijen. Ondergrondse constructies worden waar mogelijk vervangen door bovengrondse oplossingen in de openbare ruimte. Hiermee wordt ingespeeld op klimaatverandering met steeds hevigere neerslagsituaties. Onderhoud van deze nieuwe bovengrondse voorzieningen dient in de komende jaren specifiek aandacht te krijgen. Duurzame rioleringszorg draagt bij aan een duurzame bescherming van volksgezondheid, maar ook aan de instandhouding van natuur en milieu en waterkwaliteit. Naast het zoeken naar duurzame oplossingen geeft de gemeente invulling aan het streven naar duurzaamheid door gebruik te maken van duurzame producten als hergebruikt pvc en pompen met een laag energieverbruik (in geval van vervanging van de bestaande pompen).
Hiermee wordt invulling gegeven aan aspecten als het hergebruik van materiaal, laag energieverbruik, circulaire economie en biobased materiaalgebruik. Binnen de gemeentelijke rioleringszorg worden nieuwe ontwikkelingen op het gebied van duurzaamheid gevolgd, bijvoorbeeld terugwinning van grondstoffen. Dit gebeurt in SAZ+verband. Indien zich kansen voordoen, wordt bezien of er nuttige toepassingen zijn binnen de gemeente Sluis en worden deze verzilverd. Dit is echter op ad-hoc basis. Vanuit de eigen organisatie onderzoekt de gemeente Sluis de mogelijkheden voor hergebruik van vrijkomende grond in de rioolsleuf of de wegfundering. Daarnaast wordt onderzoek gedaan naar de toepassing van infiltratievoorzieningen in de ondergrond in combinatie met het afkoppelen van regenwater.
verbreed GRP Sluis definitief rapport
-62-
R024.P260/R006/RHOU 11 september 2024
8
Beleid grondwater In de Omgevingswet is de gemeentelijke zorgplicht voor grondwater verwoord. In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de werkzaamheden die in de komende planperiode in het kader van de grondwaterzorgplicht zullen worden uitgevoerd. Tevens wordt het kader geschetst, waarbinnen deze maatregelen worden uitgevoerd. Vanwege klimaatverandering nemen zowel droge als natte perioden toe in frequentie, waardoor grondwateroverlast en/of -onderlast vaker optreden. Dit betekent dat de gemeente vaker te maken zal krijgen met meldingen van burgers en bedrijven ten aanzien van grondwaterklachten. Onder meer om bij klachten juist te kunnen handelen, is het van belang dat de gemeente hiervoor beleid beschikbaar heeft, zodat het voor burgers en gemeenten duidelijk is wat men van elkaar mag verwachten. Het gemeentelijk grondwaterbeleid bevat onder meer de concretisering van de grondwaterzorgplicht voor het beheergebied van de gemeente, maar beschrijft nog meer aspecten.
8.1
Grondwaterzorgplicht De gemeentelijke grondwaterzorgplicht is verankerd in de Omgevingswet (artikel 2.16, lid 1, onder a, onder 2°). Daarin staat: De gemeenteraad en het college van burgemeester en wethouders dragen zorg voor het treffen van maatregelen in het openbaar gemeentelijke gebied om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de op grond van deze wet aan de fysieke leefomgeving toegedeelde functies zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken, voor zover het treffen van die maatregelen doelmatig is en niet tot de taak van een waterschap, een provincie of het Rijk behoort.
De gemeente is daarmee formeel verantwoordelijk voor de uitvoering van het grondwaterbeheer in het stedelijk gebied voor zover dat binnen de kaders van de Omgevingswet is bedoeld. Het verbreed GRP is de plaats waar zij haar beleid ten aanzien van de invulling van de grondwaterzorgplicht verwoordt. Uit hoofde van deze zorgplicht dienen gemeenten, binnen de grenzen van doelmatigheid, maatregelen te treffen om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand te beperken of te voorkomen. Hierbij richt de zorgplicht zich met name op maatregelen van waterhuishoudkundige aard in de openbare ruimte van de gemeente. In het geval dat de maatregelen bestaan uit het aanleggen van (ontwaterings)voorzieningen, valt daar ook het beheer van deze voorzieningen onder. De gemeente heeft nadrukkelijk niet de plicht de grondwaterstand op een (vooraf) vastgesteld peil te houden. Het grondwaterpeil staat onder invloed van zoveel factoren en reageert dermate onafhankelijk, dat het vasthouden van het peil niet tot de mogelijkheden behoort. Een overzicht van de verantwoordelijkheden op het gebied van grondwater is opgenomen in de navolgende figuur.
verbreed GRP Sluis definitief rapport
-63-
R024.P260/R006/RHOU 11 september 2024
Figuur 8.1: verantwoordelijkheden grondwater
Een van de aspecten waarin de grondwaterzorgplicht van de gemeente zichtbaar wordt, is het functioneren van het waterloket (de regisseursrol van de gemeente). Het waterloket is de plaats waar burgers meldingen en klachten over grondwater doorgeven. Het waterloket is vervolgens de aanjager voor het zoeken naar oplossingen van grondwaterproblemen, maar is niet per definitie de plaats waar de oplossingen worden geformuleerd. Hiertoe kunnen ook andere partijen worden ingeschakeld. Het grondwaterloket draagt wel zorg voor de communicatie daarvan naar de burger toe. Daarvoor is in ieder geval een contactpersonenlijst beschikbaar die bekend is bij het klantcontactcentrum van de gemeente en het waterschap.
8.2
Grondwateroverlast De perceeleigenaar is zelf verantwoordelijk voor het voorkomen van overlast of schade ten gevolge van grondwater. Dit houdt in dat de perceeleigenaar zelf verantwoordelijk is voor de ontwatering van het eigen terrein, evenals voor het beheer en onderhoud van deze voorzieningen. Behalve door te hoge grondwaterstanden kan ook overlast ontstaan door te lage grondwaterstanden. Daarbij valt te denken aan schade aan gebouwen door ongelijkmatige zetting en paalrot, maar ook aan schade aan particulier groen. Eventuele particuliere maatregelen dienen niet te leiden tot overlast of schade voor derden (bijvoorbeeld door overmatige grondwateronttrekking of diepgelegen drainage). De gemeentelijke zorgplicht richt zich op het openbaar gebied. Eventuele maatregelen zullen daarom ook in openbaar gebied worden getroffen. De grondwaterzorgplicht is, evenals de hemelwaterzorgplicht, een inspanningsverplichting en geen resultaatsverplichting.