CConstaterende datSluis
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 verbreed GRP Sluis

Raad 7 november 2024, gemeente SluisBij agendapunt: Voorstel tot het vaststellen van het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) voor de jaren 2025-2029 en het afbouwen van de Voorziening Rioolheffing30.059 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

verbreed GRP Sluis definitief rapport

-64-

R024.P260/R006/RHOU 11 september 2024

8.2.1

Overlast en onderlast Er is onderscheid te maken in grondwateroverlast door te hoge grondwaterstanden en zogenaamde grondwateronderlast door te lage grondwaterstanden. Om overlast te voorkomen en perceeleigenaren de mogelijkheid te bieden hun eigen terrein te ontwateren, stelt de gemeente de bewoners een overnamepunt ter beschikking voor de afvoer van overtollig grondwater. De gemeente zal het aangeboden water afvoeren naar een geschikt lozingspunt. Dit is in volgorde van voorkeur: oppervlaktewater, regenwaterriolering of gemengde riolering. De gemeente heeft een ontvangstplicht voor het overtollige grondwater, maar aan de omvang en de aard van het aangeboden grondwater kunnen door de gemeente voorwaarden worden gesteld, evenals bij hemelwater. Burgers dienen de voorschriften over waterdichtheid van gebouwen en afvoer van hemelwater op te volgen die in het bouwbesluit opgenomen zijn. Daarin is onder meer opgenomen, dat woningen die na 1 januari 1993 gebouwd zijn, moeten beschikken over dampdichte vloeren. Ook problemen als gevolg van lekke kelders behoren niet tot de verantwoordelijkheid van de gemeente. In veel gevallen ligt de focus bij grondwater vaak op grondwateroverlast. Voor de toekomst is grondwateronderlast echter ook een realistisch probleem.

Door langdurig droge periodes kan het grondwaterpeil zodanig laag worden dat ongelijke zettingen en paalrot leiden tot schade aan eigendommen. Vanuit klimaatadaptatie is droogte één van de vier thema’s waarvoor een strategie wordt ontwikkeld. Omdat voldoende kennis hierover nog ontbreekt, wordt in de planperiode ingezet op het gezamenlijk ontwikkelen (via de SAZ+ en de KaSZ) van voldoende kennis om de juiste keuzes te maken in de te nemen maatregelen. Het infiltreren van regenwater in de gebieden, waardoor het grondwaterpeil op een acceptabel niveau blijft, wordt naar verwachting een belangrijke maatregel.

8.2.2

Streefwaarden De gemeente wil structurele grondwateroverlast voorkomen. Daarom hanteert de gemeente bij nieuwe ontwikkelingen een streefwaarde voor de maximale grondwaterstand (ontwateringsdiepte) om structurele overlast zoveel mogelijk te voorkomen bij in- en uitbreidingen. Deze streefwaarde is afhankelijk van lokale kenmerken van de betreffende (ontwikkel)locatie. De streefwaarden zijn weergegeven in de navolgende tabel. Tabel 8.1: streefwaarde gewenste grondwaterstanden nieuwe ontwikkelingen

Functie van de grond Bebouwing – wonen en werken • met een kruipruimte • kruipruimteloos Wegen en openbaar gebied Groen – plantsoenen en perken Groen – sportparken

verbreed GRP Sluis definitief rapport

Streefwaarde grondwaterstand ten opzichte van aanlegniveau < 70 centimeter onder het maaiveld < 50 centimeter onder het maaiveld < 70 centimeter onder het maaiveld < 50 centimeter onder het maaiveld < 50 centimeter onder het maaiveld

-65-

R024.P260/R006/RHOU 11 september 2024

Een tijdelijke verhoging van de grondwaterstand boven de streefwaarde leidt niet direct tot structurele schade. Indien er wel sprake is van structurele problemen (groter gebied en langdurige overlast) vindt er onderzoek plaats naar de aard en de oorzaak van de grondwateroverlast en/of -onderlast. Hoge(re) grondwaterstanden op percelen van particulieren blijven de verantwoordelijkheid van de perceeleigenaar en daar treft de gemeente geen maatregelen. Wel geeft de gemeente op verzoek advies aan particulieren die hinder ondervinden van hoge grondwaterstanden op hun perceel.

8.3

Grondwater gemeente Sluis Bij het ontstaan van het grondgebied dat nu gemeente Sluis wordt genoemd, is de zee van grote invloed geweest. Enkele eeuwen voor de jaartelling kreeg de zee meer toegang tot de achter de strandwallen gelegen veengronden, waarbij een landschap van kreken en eilanden ontstond. In de kreken werd het veen door de zee weggeslagen. In en langs de kreken kwam zand en zavel tot afzetting. Verder van de kreken was er door de lagere stroomsnelheden aanslibbing met fijnere zandfracties en kleidelen. Dit proces is nu nog zichtbaar in het Zwin. De kernen van de gemeente Sluis zijn ontstaan op de hoogstgelegen plekken in het landschap. In de 20e eeuw zijn door technische ingrepen de verschillende polderpeilen ingesteld. Ook zijn de kernen uitgebreid, door aan de randen ervan nieuwe woonwijken te bouwen, steeds verder van het hooggelegen centrum, in steeds lager gelegen gebieden. De grondwaterstroming in het freatisch pakket is afhankelijk van de gehanteerde polderpeilen en lokale afwateringsmiddelen. De grondwatertrappen variëren relatief weinig en zijn ook afhankelijk van de bodemopbouw. Een grondwatertrap geeft de fluctuatie van de grondwaterstand aan. Grondwatertrappen worden bepaald aan de hand van de gemiddeld hoogste grondwaterstand in de winter en de gemiddeld laagste grondwaterstand in de zomer.

Over het gehele gebied wordt overwegend grondwatertrap VI aangetroffen (gemiddeld hoogste grondwaterstanden tussen 0,40 en 0,80 meter beneden maaiveld en gemiddeld laagste grondwaterstanden lager dan 1,20 meter beneden maaiveld). In sommige gebieden geldt ook grondwatertrap VIb (zuidzijde en oostzijde), waarbij het grondwater nog iets hoger staat. Ook zijn er binnen de gemeente afwijkende gebieden met grondwatertrap VII hetgeen duidt op een lagere grondwaterstand (bron: BIS Nederland).

verbreed GRP Sluis definitief rapport

-66-

R024.P260/R006/RHOU 11 september 2024

8.4

Grondwatervoorzieningen

8.4.1

Bestaande voorzieningen De gemeente Sluis streeft naar een grondwatersituatie waarbij de grondwaterstanden op natuurlijke wijze kunnen fluctueren en waarbij geen overlast wordt ervaren als gevolg van structureel te hoge of te lage grondwaterstanden. Perceeleigenaren zijn verantwoordelijk voor de ontwatering van hun eigen perceel. Dit ligt vast in de Omgevingswet. Binnen de gemeente Sluis functioneert een aantal voorzieningen ten behoeve van het grondwater. In veel gevallen is dit een gecombineerde functie, waarbij ook regenwater wordt verwerkt. Bijvoorbeeld in de aanwezige IT-riolen of gemeentelijke wadi’s. Specifiek voor het reguleren van grondwater is er op diverse plaatsen gemeentelijke drainage aanwezig. • • •

IT-riolen drainage peilbuizen

5,0 km 16,6 km 20 stuks

Drainageleidingen worden in veel gevallen direct mee gelegd bij rioolvervanging. De drainage op begraafplaatsen, sportvelden en plantsoenen is niet inbegrepen in dit overzicht. De IT-riolering wordt meegenomen in het reguliere beheer en onderhoud van de riolering. De wadi-voorzieningen voor wat betreft de bovengrond in het groenonderhoud en voor wat betreft de onderliggende leidingen in het rioleringsonderhoud. Voor de drainageleidingen is geen specifiek onderhoudsprogramma aanwezig. Deze drainage in openbaar gebied wordt niet onderhouden, tenzij er sprake is van structurele grondwateroverlast. Wel wordt de drainage van sportvelden, speelterreinen en begraafplaatsen regulier onderhouden in combinatie met het groenonderhoud. Het is van belang om aan de hand van het beheerbestand en de ervaringen van de afgelopen planperiode een meer structureel onderhoudsprogramma op te stellen voor de drainageleidingen in de openbare ruimte, inclusief de leidingen onder wadi-voorzieningen. Hierbij moet zowel de ligging als de kwaliteit en onderhoudstoestand in beeld worden gebracht.

8.4.2

Nieuw te realiseren voorzieningen Bij vervanging van bestaande (lekke) riolering wordt per locatie onderzocht of de gelijktijdige aanleg van drainage noodzakelijk is om overlast te voorkomen. De lokale (bodem)omstandigheden zijn hierin bepalend. Bij nieuw te realiseren bebouwing wordt grondwater in het kader van de watertoets in de planvorming betrokken. Afhankelijk van de resultaten hiervan, wordt besloten of er grondwaterregulerende voorzieningen noodzakelijk zijn. Goed inzicht in de bodemopbouw

verbreed GRP Sluis definitief rapport

-67-

R024.P260/R006/RHOU 11 september 2024

is hierbij van groot belang. Indien een grondwater-regulerende voorziening wordt aangelegd, is dit meestal drainage. Deze drainage wordt rechtstreeks aangesloten op het oppervlaktewater of op de regenwaterriolering. De nieuwe drainage-leidingen dienen te worden opgenomen in het beheersysteem en meegenomen in de het op te stellen onderhoudsprogramma. Bij bouwprojecten zullen ontwikkelaars en andere initiatiefnemers nadrukkelijk gewezen worden op de eis tot het realiseren van voldoende drooglegging en eventueel noodzakelijke maatregelen daarvoor (bijvoorbeeld kleischelpen in kruipruimte of kruipruimteloos bouwen).

8.4.3

Grondwatermeetnet Op enkele locaties binnen de gemeente (Eede, Oostburg, Schoondijke) worden grondwaterstanden gemeten met behulp van peilbuizen, zowel handmatig als geautomatiseerd. Ook worden er, op projectbasis, grondwatermetingen uitgevoerd in de Stevinstraat in IJzendijke. De peilbuisgegevens worden verzameld om invulling te kunnen geven aan de gemeentelijke grondwaterzorgplicht en bij overlastsituaties. Op verzoek kan deze informatie worden verstrekt aan burgers, bedrijven of adviseurs voor onder andere bouwkundige doeleinden. Het bestaande gemeentelijke grondwaternet wordt alleen uitgebreid indien er gebrek is aan inzicht in de grondwaterstanden of aan de hand van klachten en meldingen (reactief). Daarbij wordt ook aandacht besteed aan analyse van de gemeten grondwaterstanden. De bestaande peilbuizen worden gedurende de planperiode verder gemonitord.

verbreed GRP Sluis definitief rapport

-68-

R024.P260/R006/RHOU 11 september 2024

9

Beleid oppervlaktewater In dit hoofdstuk wordt de strategie voor het oppervlaktewatersysteem beschreven. Rondom het oppervlaktewater wordt nauw samengewerkt met het waterschap. Zij is namelijk, naast waterkwantiteits- en kwaliteitsbeheerder, degene die verantwoordelijk is voor het beheren en onderhouden van het watersysteem.

9.1

Overzicht oppervlaktewatersysteem Het oppervlaktewatersysteem binnen en rondom de kernen van de gemeente Sluis is qua beheer en onderhoud overgedragen aan waterschap Scheldestromen. Het watersysteem bestaat uit drie relatief grote peilgebieden en enkele kleinere peilgebieden die uiteindelijk hun water lozen op de Noordzee en de Westerschelde. Figuur 9.1: watersysteem gemeente Sluis

verbreed GRP Sluis definitief rapport

-69-

R024.P260/R006/RHOU 11 september 2024

9.2

Verantwoordelijkheden Het werken aan water doen de gemeente en waterschap Scheldestromen samen, maar ieder heeft zijn eigen verantwoordelijkheden en taken. In de onderstaande tabel is een overzicht op hoofdlijnen opgenomen van de verschillende verantwoordelijkheden van de verschillende partijen. Tabel 8.1: taakverdeling overheden (ruimer dan alleen oppervlaktewater)

Partij gemeente

waterschap Scheldestromen

Provincie Zeeland Particuliere grondeigenaren en bedrijven

Verantwoordelijk voor • Riolering: zorgplicht voor de inzameling en transport van stedelijk afvalwater en overtollig hemelwater • Milieu en volkshuisvesting • Beheer en onderhoud openbaar gebied • Ontwatering van de (eigen) openbare ruimte • Voorkomen van negatieve effecten van het freatisch grondwater • Ruimtelijke ordening (inclusief bestemmingplannen, watertoetsen) • Veiligheid fysieke leefomgeving • Beheer en onderhoud van oppervlaktewater binnen stedelijk gebied conform BOB-afspraken (‘droge deel’) • Beheer en onderhoud van oppervlaktewater binnen stedelijk gebied zijnde ‘niet-legger wateren’ (buiten BOB-overeenkomst) • Waterkwaliteits- en waterkwantiteitsbeheer van het oppervlaktewater in het beheersgebied • Draagt zorg voor de afwatering • Beheer en onderhoud van oppervlaktewater ten behoeve van waterhuishoudkundige functies (waterafvoer etc.) • Beheer en onderhoud van oppervlaktewater binnen stedelijk gebied (sierwater, recreatiewater en dergelijke (legger wateren)) • Baggeren en slibafvoer conform de BOB-afspraken • Afvoer en zuivering van afvalwater (RWZI) • Kustverdediging • Operationeel grondwaterbeheer (onder andere vergunningverlening, toezicht, handhaving, beleidsontwikkeling) • Advisering bij ruimtelijke plannen (wateradvies) • Vergunningverlening grondwateronttrekking diepe grondwater • Ontwatering en afwatering op eigen perceel • Onderhoud watergangen en

taluds op eigen perceel

Voor het oppervlaktewater heeft de gemeente geen zorgplicht. De gemeente heeft echter wel (samen met de andere partijen in het waterbeheer) een resultaatsverplichting voor de maatregelen die gezamenlijk zijn afgesproken voor de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW). Deze maatregelen zijn opgenomen in stroomgebiedsbeheerplannen. De gemeente moet daaraan een bijdrage leveren wanneer lozingen vanuit de riolering hier een negatieve invloed op hebben. Ook dient het water te voldoen aan de functie die aan de waterloop of waterpartij is gegeven (bijvoorbeeld bergingsfunctie). Daarmee is er een direct verband met de uitvoering van het waterkwaliteitsspoor (zie paragraaf 9.4.2). Het waterschap is beheerder van het oppervlaktewatersysteem, beheert de peilen in de watergangen en draagt zorg voor een goede afwatering. Zij heeft haar beleid vastgelegd in het Waterschapsbeheerprogramma 2022-2027. Voor zover als mogelijk zijn de aandachtspunten uit dit plan meegenomen in het verbreed GRP Sluis.

verbreed GRP Sluis definitief rapport

-70-

R024.P260/R006/RHOU 11 september 2024

9.3

Beheer en onderhoud Beheer en onderhoud van waterlopen is van wezenlijk belang voor het in stand houden van een goed functionerend watersysteem. In het kader van het project BOB (Beheer en Onderhoud Bebouwd gebied) hebben de gemeente en waterschap Scheldestromen gezamenlijk een overeenkomst getekend, waarin duidelijke afspraken zijn gemaakt wie er verantwoordelijk is, wie er wat onderhoudt en hoe de kostenverdeling geregeld is. Deze afspraken worden jaarlijks inhoudelijk besproken en geëvalueerd. De BOB-overeenkomst wordt in 2024 samen met de andere Zeeuwse gemeenten en het waterschap geactualiseerd aan de hand van de ervaringen in de voorgaande jaren.

9.4

Maatregelen

9.4.1

Kaderrichtlijn water Naar aanleiding van de Europese Kaderrichtlijn water worden er geen ingrijpende maatregelen verwacht, anders dan de reeds voorgestelde maatregelen. Binnen de grenzen van de gemeente bevinden zich enkele KRW-waterlichamen. Deze zijn hoofdzakelijk buiten de bebouwde kom of aan de rand van een kern gelegen. De waterlopen die als KRW-waterlichaam zijn aangemerkt, zijn weergegeven in de navolgende figuur. Het waterschap is verantwoordelijk voor het beheer van deze waterlichamen. In de komende planperiode kan het voorkomen dat er vaker of anders wordt gemaaid bij KRW-waterlichamen om hogere doelen ten aanzien van biodiversiteit te verwezenlijken. In het kader van de BOB-overeenkomst stemt het waterschap dit af met de gemeente. Figuur 9.2: waterlichamen Europese Kaderrichtlijn Water binnen de gemeente Sluis

verbreed GRP Sluis definitief rapport

-71-

R024.P260/R006/RHOU 11 september 2024

9.4.2

Waterkwaliteitsspoor In het kader van het emissiespoor (of de basisinspanning) zijn de afgelopen decennia de emissies uit de afvalwaterketen flink beperkt. Lokaal kunnen er echter nog steeds nadelige effecten op de waterkwaliteit optreden. Het waterkwaliteitsspoor heeft als doel die nadelige effecten tot een aanvaardbaar niveau terug te brengen. Dit spoor is een gezamenlijke inspanning van waterschap en gemeente. Omdat de waterkwaliteitseffecten lokaal sterk kunnen verschillen, en de veelal brakke watersystemen in Zeeland afwijken van de rest van Nederland, is de afgelopen jaren aan de hand van metingen onderzocht wat voor de Zeeuwse situatie de bepalende invloeden voor de waterkwaliteit (en ecologie) zijn. Er is onderzoek gedaan in stedelijke watersystemen op Tholen, in Vogelwaarde en in Goes. Daaruit blijkt dat het (vaak wisselende) chloridegehalte en de hoge nutriëntengehalten de meest bepalende factoren zijn voor de aanwezigheid van macrofauna en kiezelwieren. In deze brakke watersystemen hadden de overstorten vanuit het afvalwatersysteem op dat moment geen significante invloed op de (ecologische) waterkwaliteit. Op basis hiervan wordt een aanpak voorgesteld, waarbij gemeente en waterschap samen bepalen of de waterkwaliteit voldoet aan de eisen en wensen. Ook zullen ze een ambitie voor stedelijke wateren moeten vastleggen.

Daarin moeten vragen beantwoord worden als: • Is ecologie belangrijk of juist de beleving van een watergang? • Wordt daarbij een verschil gemaakt tussen brakke en zoete wateren? • Wat is verplicht? • Wat is de potentie van het stedelijk water naar de toekomst toe? • Welke eisen stelt klimaatadaptatie? Vanuit kwaliteitsoogpunt kent het oppervlaktewatersysteem enkele aandachtlocaties. Bij langdurige droogte en warme perioden ontstaan problemen van blauwalg (Veste in IJzendijke) of sterke aangroei van grote kroosvaren (vijver Coensdike in Aardenburg). Voor beide locaties is samen met het waterschap gezocht naar een structurele oplossing om de gesignaleerde problemen te voorkomen. De locaties worden gemonitord. Daarnaast wordt ook bewust gekeken naar andere locaties waar doorspoeling of voldoende aanvoer van hemelwater ontbreken.

9.4.3

Stedelijke wateropgave (SWO) De uitwerking van de Stedelijke Wateropgave vloeit voort uit de verantwoordelijkheid die de gemeente samen met het waterschap heeft om de effecten van klimaatverandering in bebouwd gebied het hoofd te bieden. Binnen de SAZ+ is daarom een uitvoeringsprogramma planvorming Stedelijke Wateropgave opgesteld.

verbreed GRP Sluis definitief rapport

-72-

R024.P260/R006/RHOU 11 september 2024

Het doel van het uitvoeringsprogramma is om de planvorming aan te laten sluiten op de urgentie van de problematiek in de verschillende Zeeuwse kernen en de beschikbaarheid van personele capaciteit. Uiteindelijk moet het resulteren in: • een gewenste ontwikkelingsrichting (per woonkern of wijk) voor het klimaatbestendig inrichten van de waterhuishouding; • een programma van maatregelen dat tussen de gemeente en het waterschap is afgestemd. Om de planvorming handen en voeten te geven, kan gebruik worden gemaakt van de werkwijze ‘toekomstbestendige waterhuishouding in bebouwd gebied’ (SAZ+, 2015). Deze werkwijze, ook wel ‘redeneertrant’ genoemd, is ontwikkeld voor het zoeken naar integrale oplossingen voor watervraagstukken in bebouwd gebied onder gezamenlijke verantwoordelijkheid van gemeente en waterschap. De integrale benadering verbindt de aanwezige kennis van rioleringszorg, stedelijk oppervlakte- en grondwaterbeheer en ruimtelijke inrichting en benut ze in samenhang De belangrijkste kenmerken van de redeneertrant zijn: • Integrale samenwerking (via multidisciplinaire aanpak): denken vanuit de totale waterhuishouding in samenhang met de bovengrondse ruimte en mogelijkheden van de ondergrond. • Beredeneren in plaats van berekenen, waarbij de kennis en ervaring van de betrokken vakmensen centraal staat. • Data opwaarderen tot inzicht in het functioneren van de systemen.

Dit vraagt om een inspanning ten aanzien van het analyseren en interpreteren van beschikbare gegevens. • Feitelijke waarnemingen als basis voor inzicht in het functioneren van de watervoerende systemen en de onderlinge samenhang daarvan. • Adaptatie, ofwel optimaal gebruik maken van de kansen die de ruimte en de lokale situatie biedt. • Dienstverleningsniveau in plaats van norm: lokaal maatwerk dat niet persé in generieke maatstaven is te beschrijven. Uitgaan van de mogelijkheden van een gebied. Het proces van ruimtelijke adaptatie en het werken met klimaatlabels loopt parallel aan deze planvorming (SWO-proces). Zowel de regionale als de lokale risicodialoog, waarin de strategie is bepaald hoe wordt omgegaan met de klimaatontwikkelingen, is van invloed op de uitkomsten van de SWO-onderzoeken. Daarnaast is het SWO-onderzoek afhankelijk van de resultaten uit het PWO (Planvorming WaterOpgave van het waterschap). De planvorming SWO dient in samenhang met deze plantrajecten plaats te vinden.

9.4.4

Planvorming Wateropgave (PWO) Naast het programma SWO kent het waterschap het programma Planvorming Wateropgave (PWO). Daarmee brengt het waterschap het watersysteem dat vooral buiten bebouwd

verbreed GRP Sluis definitief rapport

-73-

R024.P260/R006/RHOU 11 september 2024

gebied ligt op orde. In dit programma toetst het waterschap per afvoergebied aan de hand van metingen en hydrologische modelberekeningen welke waterpeilen er nu en in de toekomst optreden. Daarbij wordt gekeken naar zowel normale (dagelijkse) omstandigheden (met normen vanuit GGOR en KRW) als naar extreme omstandigheden (met normen vanuit WB21). De normen dienen dus de waterkwantiteit, maar ook de waterkwaliteit. Aanvullend onderzoekt het waterschap welke maatregelen kunnen worden genomen om aan de normen te kunnen voldoen. Op basis daarvan wordt met de belanghebbenden in het gebied de gewenste waterpeilen bepaald en vastgelegd in een peilbesluit. In 2021 moesten voor alle afvoergebieden in Zeeland peilbesluiten genomen zijn. De uitvoering van de maatregelen moet in 2027 gereed zijn. De maatregelen vanuit SWO en PWO worden zoveel mogelijk op elkaar afgestemd. De gemeente Sluis maakt onderdeel uit van het PWO-gebied West-Zeeuws-Vlaanderen. Voor de peilgebieden in dit gebied zijn de PWO-onderzoeken reeds uitgevoerd en zijn aansluitend peilbesluiten vastgesteld.

verbreed GRP Sluis definitief rapport

-74-

R024.P260/R006/RHOU 11 september 2024

10

Middelen en kostendekking In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de noodzakelijke financiële en personele middelen voor de gemeentelijke watertaken. Voorts wordt aangegeven op welke wijze de kosten voor de gemeentelijke watertaken in de komende planperiode gedekt gaan worden.

10.1

Personele middelen Voor de uitvoering van de gemeentelijke watertaken zijn personele middelen nodig. De omvang van de personele middelen is afhankelijk van verschillende factoren, zoals het inwoneraantal, het aantal aanwezige rioolobjecten, het ambitieniveau van de gemeente en de beschikbaarheid en toegankelijkheid van actuele gegevens. De gemeente Sluis kent voor de uitvoering van de gemeentelijke watertaken functies in de binnendienst en functies in de buitendienst. Al sinds jaar en dag heeft de gemeente ervoor gekozen om een deel van de onderhoudswerkzaamheden zelfstandig uit te voeren. Daarom heeft zij een eigen kolkenzuiger en veegmachine in eigendom, inclusief eigen personeel. In totaal zijn er voor de buitendienst 5 functies die worden ingevuld. Er zijn voldoende personele middelen beschikbaar om de gewenste en geplande taken uit te voeren. Voor de binnendienst zijn er 3 functies beschikbaar. Een deel van de werkzaamheden, te weten planvorming, advies, onderzoek en bestekwerk, wordt uitbesteed. Dit past niet binnen de huidige bezetting van de binnendienst. Voor deze uitbesteding zijn financiële middelen gereserveerd. Het is van belang om hierbij ook een landelijk zichtbare trend te signaleren die laat zien dat personele kwetsbaarheid een steeds belangrijker aandachtspunt wordt binnen de gemeentelijke watertaken.

Door klimatologische en maatschappelijke ontwikkelingen, technische innovaties en benodigde kostenbesparingen neemt de complexiteit van het werk toe, evenals de druk op de personele middelen van de gemeentelijke organisaties. Het is van belang een helder beeld te ontwikkelen van de invulling van de gemeentelijke watertaken en de kwetsbaarheden op dat gebied om deze zo goed als mogelijk te kunnen ondervangen.

10.2

Kosten Voor het uitvoeren van de gemeentelijke watertaken worden er kosten gemaakt. Kosten voor het beheer en onderhoud van de voorzieningen, kosten voor aanleg en vervanging van rioleringsobjecten, maar ook kosten voor onderzoek en beleidsvorming. De kosten zijn onderverdeeld in investeringen enerzijds en in exploitatielasten en kapitaallasten anderzijds. In de navolgende paragrafen zijn samenvattende tabellen opgenomen van de kosten voor de gemeentelijke watertaken in de komende planperiode. Voor alle kosten geldt dat is uitgegaan van prijspeil

verbreed GRP Sluis definitief rapport

-75-

R024.P260/R006/RHOU 11 september 2024

2024. Alle kosten (exploitatie en investeringen) zijn exclusief BTW gerekend. Bij de kostendekkingsberekening is wel een BTW-component (apart) toegevoegd.

10.2.1

Exploitatielasten Onder de exploitatielasten vallen alle directe kosten die jaarlijks gemoeid zijn met de uitvoering van de gemeentelijke watertaken. Dit betreft het beheer en onderhoud van de voorzieningen, maar ook de planvorming, diverse onderzoeken en de voorbereiding van uit te voeren maatregelen. Onder de exploitatielasten vallen ook de personeelskosten en de kapitaallasten die voortvloeien uit de investeringen. Tot slot vallen onder de exploitatielasten ook de zijdelingse kosten, zoals een deel van de kosten voor straatvegen en het baggeren bij overstorten. In de onderstaande tabel is een samenvattend overzicht opgenomen van de exploitatielasten. Tabel 10.2: exploitatielasten planperiode (inclusief inflatie, exclusief BTW)

Jaar oppervlaktewater straatreiniging vrijvervalriolering gemalen/drukriolering planvorming belastingen salarissen kapitaallasten Totaal

10.2.2

2025 € 40.000 € 138.840 € 500.978 € 407.000 € 83.700 € 63.000 € 846.425 € 1.645.713 € 3.725.656

2026 € 41.080 € 142.589 € 514.505 € 417.989 € 85.960 € 64.701 € 869.278 € 1.700.801 € 3.836.903

2027 € 42.107 € 146.153 € 527.368 € 428.439 € 88.109 € 66.319 € 891.010 € 1.721.132 € 3.910.637

2028 € 43.160 € 149.807 € 540.552 € 439.150 € 90.312 € 67.976 € 913.286 € 1.734.846 € 3.979.088

2029 € 44.670 € 155.050 € 559.471 € 454.520 € 93.473 € 70.356 € 945.251 € 1.933.143 € 4.255.933

Investeringen De investeringen betreffen in hoofdzaak de kosten voor het vervangen en renoveren van de riolering en de rioolgemalen. Deze investeringen worden over langere tijd afgeschreven. De afschrijvingstermijn verschilt per onderdeel en is afhankelijk van de levensduur van het betreffende object. De kapitaallasten van de investeringen zijn opgenomen in de exploitatiebegroting. Voor de investeringen is een doorkijk gemaakt over een periode van 80 jaar. Dit komt overeen met de gemiddeld langste levensduur van de rioolobjecten. Daarbij zijn de resultaten van de inspectiegegevens, van de riolerings-berekeningen en de potentiële wateroverlastlocaties leidend geweest voor de kortere termijn. Daarnaast is gekeken waar combinaties gemaakt kunnen worden met andere werkzaamheden zoals het wegonderhoud. Ook het implementeren van klimaatadaptieve maatregelen is hierin verweven. Dat heeft geleid tot een geconcretiseerde vervangingsplanning voor de komende planperiode, waarbij diverse locaties tot op straatniveau benoemd zijn. Deze

verbreed GRP Sluis definitief rapport

-76-

R024.P260/R006/RHOU 11 september 2024

planning is opgenomen in paragraaf 7.4.5 van dit verbreed GRP Sluis. De overige investeringen zijn gebaseerd op levensduur. De totale investeringsbehoefte voor de jaren daarna is vervolgens, uit oogpunt van een gelijkmatige vraag naar personeel en middelen, gemiddeld over de totale periode. Daarbij zijn vervolgens tijdsperioden van 10 jaar vastgesteld met een gelijk investeringsniveau. De onderverdeling in deze tijdsperioden met het daarbij horende investeringsniveau doet meer recht aan de leeftijdsopbouw van het rioleringssysteem dan een vast investeringsniveau over de volledig beschouwde periode. Met deze werkwijze worden grote pieken en dalen voorkomen en ontstaat een min of meer gelijkmatig investeringsniveau over de tijd. In de navolgende grafiek is de investeringsplanning voor de vrijverval riolering weergegeven over een periode van 80 jaar. Daarbij zijn de tijdsperioden van 10 jaar (met een vast investeringsniveau) zichtbaar. Voorts is een meer gedetailleerde tabel opgenomen met een samenvatting van de geplande investeringen voor de komende planperiode. Figuur 10.1: langjarige doorkijk investeringsniveau, prijspeil 2024 (exclusief BTW) €7.000.000 €6.000.000 €5.000.000 €4.000.000 €3.000.000 €2.000.000 €1.000.000

2101

2099

2097

2094

2091

2088

2085

2082

2079

2076

2073

2070

2067

2064

2061

2058

2055

2052

2049

2046

2043

2040

2037

2034

2031

2028

2025

€-

Tabel 10.3: samenvatting investeringen planperiode (inclusief inflatie, exclusief BTW)

Jaar Vrijverval riolering Afkoppelen/verbetering Renovatie (relining) Oppervlaktewater Persleiding Rioolgemalen Drukriolering / IBA Totaal

verbreed GRP Sluis definitief rapport

2025 € 2.342.199 € 1.350.386 € 70.000 € 191.000 € 78.731 € 116.850 € 178.000 € 4.327.166

2026 € 2.444.728 € 984.818 € 778.780 € 236.900 € 78.731 € 126.400 € 136.000 € 4.786.357

-77-

2027 € 2.567.582 € 416.524 € € 75.000 € 78.731 € 126.400 € 178.000 € 3.442.237

2028 € 2.814.570 € 188.224 € 70.000 € 75.000 € 78.731 € 126.400 € 92.500 € 3.445.425

2029 € 1.686.845 € 774.111 € 883.871 € 75.000 € 78.731 € 107.300 € 148.000 € 3.753.858

R024.P260/R006/RHOU 11 september 2024

10.3

Kostendekking Tegenover de kosten voor de gemeentelijke watertaken staan ook baten. Deze baten worden grotendeels gevonden in de rioolheffing die door burgers en bedrijven wordt betaald voor het gebruik van de gemeentelijke voorzieningen. Daarnaast zijn er baten afkomstig uit nieuwe aansluitingen die worden gerealiseerd. Dit laatste is echter een zeer klein aandeel in de totale baten. Het streven van de gemeente is een kostendekkend tarief voor de rioolheffing (100% kostendekkendheid). De komende jaren wordt getracht de kosten voor de gemeentelijke watertaken niet te sterk te laten stijgen om zo de kosten voor de burger beperkt te houden. De kosten voor de gemeentelijke watertaken stijgen echter, onder meer als gevolg van het structureel vervangen van kwalitatief slechte riolering, van klimaatontwikkelingen waar op moeten worden ingespeeld om (water)overlast te voorkomen, het op peil houden van het onderhoudsniveau van de voorzieningen, uitbreiding van het areaal en het voldoen aan de gestelde eisen van de waterbeheerder. Onder meer in de samenwerking met andere (water)partners en gemeentelijke disciplines, maar ook in risico-gestuurd beheer en onderhoud worden mogelijkheden gezocht om kosten te besparen en eventuele kostenstijgingen zoveel mogelijk te beperken (minder meerkosten).

10.3.1

Heffingsgrondslag In de ‘Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing Sluis’ wordt de rioolheffing opgelegd aan de gebruiker van een perceel. Dit gaat uit van het principe ‘de gebruiker betaalt’, waarbij een hoger verbruik (meer drinkwater) ook zwaarder wordt belast. Voor niet-woningen (veelal bedrijven) is de hoogte van de rioolheffing ook gerelateerd aan het drinkwaterverbruik. Er zijn verschillende categorieën onderscheiden. In de onderstaande tabel is ter illustratie de vastgestelde rioolheffing voor 2024 opgenomen. Tabel 10.4: categorieën rioolheffing gemeente Sluis (2024)

Waterverbruik (m³/jaar) 0-300 m³ 301-1.000 m³ 1.001-2.500 m³ 2.500-5.000 m³ > 5.000 m³ Vermeerderd per m3 > 5.000 m3

Rioolheffing € 305,55 € 887,85 € 1.298,00 € 1.855,20 € 1.855,20 € 0,25 per m3

In de loop van de komende planperiode wordt het systeem van de rioolheffing en de bijhorende grondslag geëvalueerd. Dit gebeurt zowel binnen de gemeentelijke organisatie als in SAZ+-verband. Afhankelijk van de resultaten daarvan kan gekozen worden voor een eventuele aanpassing van de systematiek.

verbreed GRP Sluis definitief rapport

-78-

R024.P260/R006/RHOU 11 september 2024

10.3.2

Voorziening riolering De gemeente Sluis beschikt over een voorziening riolering. Deze voorziening is tot op heden gebruikt om schommelingen in het tarief te egaliseren (tariefegalisatiereserve). De effecten van grote verschillen tussen verschillende jaren ten aanzien van de hoogte van de investeringen en exploitatielasten worden opgevangen via deze voorziening. Het eventuele overschot tussen kosten en baten wordt in de voorziening gestort. Met deze voorziening wordt ook gespaard voor latere jaren wanneer er pieken worden verwacht in de vervangingsinvesteringen. De voorziening mag gedurende de beschouwde periode niet negatief worden. Een punt van aandacht in de komende planperiode is de omvang van de voorziening. De afgelopen planperiode is de voorziening groter gebleven dan vooraf werd verwacht. Deze meer dan verwachte omvang moet in de komende planperiode niet meer onnodig plaatsvinden. Daartoe dient er regelmatig, maar minimaal jaarlijks, een gerichte controle plaats te vinden van de omvang van de voorziening in relatie tot de uitgaven (investeringen en exploitatie) voor de gemeentelijke watertaken.

10.3.3

Hoogte rioolheffing Voor het bepalen van de hoogte van de rioolheffing is uitgegaan van de hiervoor beschreven uitgangspunten. Daarbij is een doorkijk gemaakt naar een langere periode van circa 60 jaar. Daarmee wordt een groot deel van de cyclus van het vervangen van het complete rioleringssysteem beschouwd. Zoals genoemd wordt de hoogte van de rioolheffing gebaseerd op de inhoud van dit verbreed GRP, de kosten van de geprojecteerde rioolvervangingen en renovatiewerkzaamheden en de kosten van de gemeentelijke watertaken in het algemeen. Ook de lopende en de nieuwe kapitaallasten die voortvloeien uit de investeringen worden uit de rioolheffing gedekt. Om de exacte hoogte van de rioolheffing te bepalen, maakt de gemeente Sluis vervolgens gebruik van de kosten inclusief BTW en overhead. De BTW component wordt over een deel van de totale exploitatielasten berekend en aan de totale kosten toegekend en de overhead wordt aan de salarislasten toegekend. Op basis van die getallen wordt vervolgens de hoogte van de rioolheffing vastgelegd. In de voorgaande planperiode is de rioolheffing jaarlijks met 1,25% gestegen en is daar bovenop een inflatiecorrectie toegepast. Mede als gevolg van toegenomen baten (stijging van het aantal heffingseenheden) en minder lasten (vertraging in uitgaven) is de omvang van de voorziening gestegen.

Dit is één van de ontwikkelingen die in het kader van het bepalen van de toekomstige hoogte van de rioolheffing is meegenomen. Het is niet wenselijk om de voorziening verder te laten stijgen of zelfs op dit niveau te houden. Op basis van deze uitgangspunten is voor dit verbreed GRP Sluis is een voorkeursvariant uitgewerkt. Hierbij wordt het beleid uitgevoerd zoals dat in dit verbreed GRP is beschreven. Gezien het huidige niveau van de rioolheffing en de begrote baten en lasten van de gemeentelijke watertaken wordt voorgesteld om de hoogte van de rioolheffing in de planperiode voor enkele jaren te nivelleren of zelfs te laten dalen. Daarbij wordt wel

verbreed GRP Sluis definitief rapport

-79-

R024.P260/R006/RHOU 11 september 2024

uitgegaan van het doorzetten van een jaarlijkse inflatiecorrectie in de jaren dat de heffing niet daalt. Met deze voorkeursvariant wordt ingestoken op het interen op de bestaande omvang van de rioolvoorziening. Een overzicht van het voorgestelde verloop van de rioolheffing gedurende de planperiode en de verwachte effecten daarvan op de voorziening (lange termijn) is opgenomen in de onderstaande tabel en naastgelegen figuur. Tabel 10.5: verloop voorziening en rioolheffing gedurende de planperiode (voorkeursvariant)

Jaar

2024 2025 2026 2027 2028 2029

10.3.4

Voorziening per einde jaar [€] € 6,9 miljoen € 7,6 miljoen € 7,8 miljoen € 7,6 miljoen € 7,0 miljoen € 6,4 miljoen

Rioolheffing categorie 0-300 m³ [€] [%} € 305,55 1,25% (+inflatie) € 305,55 0% € 281,11 -8% € 264,24 -6% € 253,67 -4% € 262,55 0% (+inflatie)

Evaluatie kostendekkingsplan Bij het opstellen van het kostendekkingsplan zijn alle maatregelen en bijbehorende investeringen zo nauwkeurig mogelijk geraamd, evenals alle posten van de exploitatie en de personele middelen. De praktijk in de planperiode kan echter afwijken, onder meer als gevolg van onvoorziene financiële of technische ontwikkelingen. Voorbeelden hiervan zijn de gestegen transportkosten van af te voeren grond of de gestegen leveringskosten van materialen. In zijn algemeenheid gaat dit verbreed GRP uit van een aanzienlijk hoger investeringsniveau dan in de afgelopen planperiode. Dit vloeit voort uit de huidige kwaliteit van het (ouder wordende) rioolstelsel en de noodzaak om meer vervangings- en renovatiewerkzaamheden uit te gaan voeren. Het is daarom van belang de geschetste ontwikkeling van de rioolheffing als indicatief te beschouwen en deze met enige regelmaat tegen het licht te houden in het perspectief van de ontwikkelingen op langere termijn (doorkijk). Daarom wordt uitgegaan van een tussentijdse evaluatie binnen de planperiode na twee of drie jaar.

verbreed GRP Sluis definitief rapport

-80-

R024.P260/R006/RHOU 11 september 2024

Figuur 10.2: langjarige doorkijk niveau rioolvoorziening en hoogte rioolheffing (inclusief inflatie)

verbreed GRP Sluis definitief rapport

-81-

R024.P260/R006/RHOU 11 september 2024

verbreed GRP Sluis definitief rapport

-82-

R024.P260/R006/RHOU 11 september 2024

BIJLAGE 1

VERKLARENDE WOORDENLIJST

verbreed GRP Sluis definitief rapport

-83-

R024.P260/R006/RHOU 11 september 2024

verbreed GRP Sluis definitief rapport

-84-

R024.P260/R006/RHOU 11 september 2024

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Sluis&id=512a3037-56a0-4a61-884e-2275a7852f6b