b. ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
De initiatiefnemers van het zonnepanelenpark zijn graag bereid om mee te denken en samen te werken met andere initiatieven, met draagvlak binnen de gemeente, waarmee duurzame stroom kan worden opgewekt. Te denken valt aan resource sharing zoals delen van de aansluiting of batterijen voor opslag.
Planologische procedure De Algemene wet bestuursrecht kent twee voorbereidingsprocedures: de korte voorbereidingsprocedure en de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure. Voor deze buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) wordt de uitgebreide voorbereidingsprocedure doorlopen. Tijdens de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure maakt het bestuursorgaan een ontwerpbesluit, waarover zienswijzen openstaan. Nadat het definitieve besluit is genomen, is er nog beroep mogelijk. In een beroepsprocedure geeft de rechter een oordeel over een besluit van het bevoegd gezag. Bij de meeste besluiten is beroep in eerste instantie bij de rechtbank mogelijk. Daarna kan degene die in beroep is gegaan, nog eenmaal in hoger beroep gaan bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS). Met bovenstaande procedures wordt de maatschappelijke betrokkenheid afdoende gewaarborgd.
1
Zoals bijvoorbeeld een ACM licentie voor levering van energie.
Mees Ruimte & Milieu | 18094.GOFLO
Pagina | 47
7
CONCLUSIE ETFAL De initiatiefnemer heeft als doel een zonnepanelenpark te realiseren in het buitengebied van gemeente Sluis, nabij Oostburg. Het geldende omgevingsplan staat de beoogde ontwikkeling niet toe. Voor deze ontwikkeling dient dan ook een planologische procedure te worden doorlopen. De planologische procedure wordt doorlopen aan de hand van een omgevingsvergunning voor de ‘buitenplanse omgevingsplanactiviteit’ (BOPA). In dit kader is voorliggende ‘goede onderbouwing van (de effecten op) de fysieke leefomgeving’ (GOFLO) opgesteld. Aangezien het projectgebied in het buitengebied van gemeente Sluis gelegen is, is ter bescherming van landschaps- en cultuurhistorische waarden een inpassingsplan opgesteld door een daartoe gespecialiseerd bureau, namelijk Feddes en Olthof. Karakteristieke kenmerken blijven behouden en de weidsheid van het landschap blijft door de beoogde hoogte van de zonnepanelen eveneens beleefbaar. Door de zuidopstelling van het park wordt daarnaast de originele richting van het landschap gerespecteerd. Middels voorliggende GOFLO is het project gemotiveerd aan relevante beleidskaders en omgevingsaspecten. De uitvoerbaarheid van het initiatief is getoetst aan de diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de bijbehorende regelgeving. Hieruit blijkt dat een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) is gewaarborgd.
Mees Ruimte & Milieu | 18094.GOFLO
Pagina | 48
BIJLAGE 2
ARTEFACT! RAPPORT 692
Oostburg Lange Heerenstraat – Maaidijk. Gemeente Sluis Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen
J. Kiburg F.G.R. D’hondt
Colofon Titel
Oostburg Lange Heerenstraat - Maaidijk. Gemeente Sluis. Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen
Auteur(s)
J. Kiburg en F.G.R. D’hondt
Artefact rapport
692
Status rapport
Definitief Voorliggend rapport is beoordeeld en goedgekeurd door de bevoegde overheid.
Datum
8 juli 2024
Projectcode
2022ART20
Projectmedewerker(s)
F.G.R. D’hondt, J.E.M. Wattenberghe, D. Kneuvels
ISSN
2213 7424
Autorisatie
Naam
drs. F.M.J. Delporte (Senior KNA Prospector)
Paraaf
Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed B.V. Riemensstraat 9 4543 BW Zaamslag T 0115 851614 E info@artefact-info.nl W www.artefact-info.nl
© Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed B.V., 2024 Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek of de toepassing van het hierin verwoorde advies. Alle figuren zijn vervaardigd door de auteur(s) tenzij anders vermeld.
Inhoud Samenvatting .......................................................................................................................................... 4 Administratieve Gegevens.......................................................................................................................... 7
1
Inleiding ..................................................................................................................................... 9 1.1 Aanleiding van het onderzoek....................................................................................................... 9 1.2 Doel van het onderzoek en onderzoeksvragen................................................................................10 1.3 Wettelijk kader en beleid ............................................................................................................ 13 1.4 Plangebied en planvorming ......................................................................................................... 15
2
Archeologisch bureauonderzoek .............................................................................................. 17 2.1 Methoden ................................................................................................................................ 17 2.2 Landschap en geologie ...............................................................................................................18 2.2.1
Landschappelijke ontwikkeling........................................................................................ 18
2.2.2
Aardkundige waarden .................................................................................................... 22
2.3 Historie....................................................................................................................................30 2.3.1
Historisch-geografische ontwikkeling ............................................................................... 30
2.3.2
Verstoringsgeschiedenis................................................................................................. 39
2.4 Archeologische waarden............................................................................................................ 42 2.5 Bouw- en cultuurhistorische waarden............................................................................................50 2.6 Archeologisch verwachtingsmodel ...............................................................................................52
3
Inventariserend veldonderzoek ................................................................................................ 56 3.1 Methoden ................................................................................................................................56 3.2 Geologie en bodem.................................................................................................................... 57 3.3 Archeologie ............................................................................................................................. 62
4
Conclusie en Advies.................................................................................................................. 63 4.1 Conclusie: beantwoording onderzoeksvragen.................................................................................63 4.2 Advies ..................................................................................................................................... 67
Lijst met figuren ......................................................................................................................................70 Bronnen .................................................................................................................................................72
Bijlage 1
AMZ-cyclus
Bijlage 2
Verklarende woordenlijst en afkortingen
Bijlage 3
Tijdstabel
Bijlage 4
Vondsten- en determinatielijst
Bijlage 5
Boorstaten
3
Samenvatting De opdrachtgever heeft het voornemen om een zonnepark te realiseren aan de Lange Heerenstraat met hoek Maaidijk te Oostburg (gemeente Sluis). Omdat met de werkzaamheden de vigerende vrijstellingsgrenzen worden overschreden, dient in het kader van de benodigde bestemmingsplanwijziging een archeologisch onderzoeksrapport te worden voorgelegd. In het kader hiervan heeft Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed reeds in 2019 een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd, waarbij een gespecificeerd verwachtingsmodel werd opgesteld voor het plangebied. Op basis van de beschikbare aardwetenschappelijke, archeologische en historische gegevens is in het bureauonderzoek een gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel opgesteld. Hierbij zijn drie geologische niveaus bepaald waaraan een archeologische verwachting te koppelen is. Te weten het Laagpakket van Walcheren (Formatie van Naaldwijk), het Holland-/Basisveen (Formatie van Nieuwkoop) en het Laagpakket van Wierden (Formatie van Boxtel) waarin samengevat resten uit het laat-paleolithicum tot de nieuwe tijd te verwachten zijn.
⎯ Geen monumenten of bekende archeologische vindplaatsen aanwezig zijn; ⎯ Het plangebied kan opgedeeld worden in twee grote eenheden: Zone A met diepreikende geulafzettingen (Laagpakket van Walcheren) en Zone B met een gelaagde opbouw van komafzettingen (Laagpakket van Walcheren), intact veen (Hollandveen Laagpakket) en intact pleistoceen dekzand (Laagpakket van Wierden); ⎯ In Zone A en B een lage verwachting geldt op het aantreffen van vindplaatsen uit de nieuwe tijd in de top van het Laagpakket van Walcheren (direct onder de verstoorde bovenlaag/bouwvoor) omwille van het ontbreken van cartografische referenties. ⎯ Op de kaart van Pourbus uit de 16 e eeuw worden net buiten de oostelijke grens van het plangebied wel enkele hofstedes afgebeeld. Om die reden wordt in Zone A een middelhoge verwachting aangehouden op het aantreffen van vindplaatsen uit de (vroege tot late) middeleeuwen in het Laagpakket van Walcheren. Het is niet bekend in welke mate de 16e -eeuwse stormvloeden, overstromingen en geulinsnijdingen de oudere middeleeuwse sedimenten hebben aangetast en/of volledig opgeruimd. De diepteligging van deze mogelijke vindplaatsen is niet bekend en kan variëren van 0,5 tot 1,7 m-mv; ⎯ In Zone B een middelhoge verwachting geldt op het aantreffen van vindplaatsen uit de (vroege tot late) middeleeuwen in het Laagpakket van Walcheren.
De diepteligging van deze mogelijke vindplaatsen is niet bekend en kan variëren van 0,5 tot 1,7 m-mv; ⎯ In Zone A geen verwachting geldt op het aantreffen van vindplaatsen uit de late ijzertijd en Romeinse tijd in het Hollandveen omwille van diepgaande mariene erosie; ⎯ In Zone B een hoge verwachting geldt op het aantreffen van vindplaatsen uit de late ijzertijd en Romeinse Tijd in de top van het Hollandveen (vanaf circa 0,6 m -NAP of 1,7 m -mv) met uitzondering van die delen die aangetast zijn door moernering; ⎯ In Zone A geen verwachting geldt op het aantreffen van vindplaatsen uit het laat-neolithicum tot en met de bronstijd in het Hollandveen omwille van diepgaande mariene erosie; ⎯ In Zone B een lage verwachting geldt op het aantreffen van vindplaatsen uit het laat-neolithicum tot en met de Bronstijd in het Hollandveen omwille van de aanwezigheid van een zich ontwikkelend veenmoeras; ⎯ In Zone A geen verwachting geldt op het aantreffen van vindplaatsen uit het laat-paleolithicum en het mesolithicum in de top van het Laagpakket van Wierden omwille van diepgaande mariene erosie; ⎯ In Zone B een middelhoge verwachting geldt op het aantreffen van vindplaatsen uit het laat-paleolithicum en het Mesolithicum in de top van het Laagpakket van Wierden omwille van de veronderstelde aanwezigheid van een intacte dekzandtop vanaf circa 1,7 m -NAP (2,8 m -mv); 4
⎯ Er verder geen aanwijzingen zijn voor grootschalige bodemverstoringen. Alleen in de zuidwesthoek dient rekening gehouden te worden met een verstoring door een hogedruk aardgastransportleiding; Uit het bureauonderzoek blijkt dat de kans op het aantreffen van (behoudenswaardige) vindplaatsen reëel is. Hierbij kan een onderscheid gemaakt worden in drie deelgebieden: ⎯ Zone A (gearceerd): (lage) verwachting op het voorkomen van vindplaatsen is reeds bevestigd door het booronderzoek dat in 2002 werd uitgevoerd (oppervlakte 60.500 m²); ⎯ Zone A: lage/(middel)hoge verwachting op het voorkomen van vindplaatsen maar nog niet getoetst door middel van een inventariserend onderzoek (oppervlakte 60.200 m²); ⎯ Zone B: lage/(middel)hoge verwachting op het voorkomen van vindplaatsen uit diverse perioden maar nog niet getoetst door middel van een inventariserend onderzoek (oppervlakte 80.300 m²). Dit model is in 2022 getoetst door het uitvoeren van een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen (verkennende fase). Tijdens deze verkennende fase werden de landschappelijke vormeenheden bepaald met als doel kansarme zones uit te sluiten en kansrijke zones aan te duiden voor eventuele volgende vormen van onderzoek.
Op basis van de resultaten van dit onderzoek kan gesteld worden dat: ⎯ In de delen van het onderzoeksgebied waar pleistocene dekzand behorende tot het Laagpakket van Wierden voorkomt boven 2 meter -NAP een middelhoge verwachting geldt op het voorkomen van vindplaatsen vanaf het laat-paleolithicum tot met het neolithicum. Het dekzand kan in deze zones voorkomen vanaf 1,48 meter -NAP; ⎯ Voor de overige delen van het plangebied een lage verwachting bestaat op het voorkomen van vindplaatsen vanaf het laat-paleolithicum tot met het neolithicum in of op het Laagpakket van Wierden; ⎯ Binnen de zones van het onderzoeksgebied waar Basisveen voorkomt hoger dan 1 meter -NAP een hoge verwachting geldt op het voorkomen van vindplaatsen uit de late ijzertijd en/of Romeinse tijd. Dit veenniveau hier kan voorkomen vanaf 0,57 meter -NAP; ⎯ Voor de overige delen van het plangebied een lage verwachting bestaat op het voorkomen van vindplaatsen uit de late ijzertijd en/of Romeinse tijd in of op het Basisveen Laagpakket; ⎯ Binnen een zone in het oostelijke deel van het onderzoeksgebied, in de top van afzettingen van het Laagpakket van Walcheren, archeologische indicatoren en andere aanwijzingen aangetroffen zijn die verband houden met een vindplaats uit de late middeleeuwen en vroege nieuwe tijd.
Resten van deze vindplaats kunnen aangetroffen worden direct onder de huidige bouwvoor; ⎯ Voor de overige delen van het plangebied een lage verwachting bestaat op het voorkomen van vindplaatsen uit de middeleeuwen en de nieuwe tijd in of op het Laagpakket van Walcheren Ten behoeve de realisatie van een nieuw zonnepark in het plangebied wordt een nieuw bestemmingsplan opgesteld. De exacte inrichtingsplannen voor het park zijn nog niet bekend. Om die reden wordt geadviseerd om de aanwezige/mogelijke archeologische waarden planologisch te beschermen in het nieuwe bestemmingsplan door: ⎯ In het blauw gemarkeerde deel van het plangebied (Figuur 38) een archeologische dubbelbestemming met dieptevrijstellingsgrens van 0,40 meter -mv op te nemen; ⎯ In de bruin gemarkeerde delen van het plangebied (Figuur 38) een archeologische dubbelbestemming met dieptevrijstellingsgrens van 0,5 meter -NAP op te nemen; ⎯ In de geel gemarkeerde delen van het plangebied (Figuur 38) een archeologische dubbelbestemming met dieptevrijstellingsgrens van 1,4 meter -NAP op te nemen; ⎯ In de overige delen van het plangebied geen dubbelstemming meer op te nemen. De kans op het aantreffen van (behoudenswaardige) archeologische vindplaatsen wordt daar immers klein geacht.
5
Meer specifiek wordt geadviseerd om binnen die geselecteerde gebieden geen graafwerkzaamheden uit te voeren die dieper reiken dan de vermelde dieptes. Dat kan bijvoorbeeld door planaanpassing. Indien dat niet wenselijk of mogelijk is en binnen de bovengenoemde gebieden (grootschalige) graafwerkzaamheden plaatsvinden die dieper reiken dan de vermelde vrijstellingsgrenzen wordt archeologisch vervolgonderzoek in de vorm van een Inventariserend Veldonderzoek door middel van proefsleuven noodzakelijk geacht (binnen die delen die verstoord worden) om de daadwerkelijke aan- of afwezigheid van vindplaatsen, en de behoudenswaardigheid daarvan, vast te stellen en de bevoegde overheid toe te laten een selectiebesluit te nemen: vrijgeven, behoud in situ of opgraven.
Voorliggend rapport is beoordeeld en goedgekeurd door de bevoegde overheid.
6
Administratieve Gegevens Projectnaam
Oostburg Lange Heerenstraat - Maaidijk
Onderzoeksvorm
Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen
LOCATIE Provincie
Zeeland
Gemeente
Sluis
Plaats
Oostburg
Adres / Locatie
Lange Heerenstraat – Maaidijk
RD-coördinaten
NW 23.735 / 373.919 ZW 23.744 / 373.593
Centrum coördinaten
23.992 / 373.781
Kaartblad
67A
Kadastraal perceel
Gemeente Oostburg, sectie P, nr. 1506, 1523, 1527, 1528, 1529 en 1823
Oppervlakte plangebied
Circa 20,1 ha
Vigerende bestemmingsplan
Buitengebied 2011: deels WA-1 (250 m2 en 0,40 m -mv); Sluis Parapluplan archeologie (2019): WA-2 (500 m2 en 0,40 m-mv)
NO 24.141 / 374.523 ZO 24.369 / 373.628
BEKENDE WAARDEN Gemeentelijke vindplaats
Geen
AMK status
Geen
Archis vondstlocatie
1076409 (archis onderzoeksmelding 2053660100)
Zeeuws Archeologisch Depot
Geen (mail helpdesk d.d. 18-03-2022)
OPDRACHTGEVER Naam
Zonnepark Oostburg
Contactpersoon
Dhr. M.P.B. Blok
Adres
Hoofdstraat 54, 4416 AE Kruiningen
Telefoon
030 3200098
marco.blok@solar-ew.com
BEVOEGDE OVERHEID Naam
Gemeente Sluis
Contactpersoon
Mevr. I. Nagy
Adres
Postbus 27, 4500 AA Oostburg
Telefoon
0117 457000
inagy@gemeentesluis.nl
7
ADVISEUR BEVOEGDE OVERHEID Naam
Erfgoed Advies Burger
Contactpersoon
Mevr. M. Burger
Adres
Oude Nieuwlandseweg 12, 4306 NN Nieuwerkerk
Telefoon
06 40985677
marionburger@erfgoedadvies.com
BEHEER EN PLAATS DOCUMENTATIE EN VONDSTEN Naam
Zeeuws Archeologisch Depot
Contactpersoon
dhr. J.J. H. van den Berg
Adres Telefoon
Looierssingel 2, 4331 NK Middelburg Postbus 49, 4330 AA Middelburg 0118 670618
jjh.vanden.berg@erfgoedzeeland.nl
E-depot
EDNA (E-Depot Nederlandse archeologie via www.easy.dans.knaw.nl)
UITVOERDER Naam
Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed
Contactpersoon
dhr. J.E.M. Wattenberghe
Adres
Riemensstraat 9, 4543 BW Zaamslag
Telefoon
0115 851614
janwattenberghe@artefact-info.nl
ONDERZOEKSGEGEVENS Planologische aanleiding
Bestemmingsplanwijziging
Projectnummer Artefact
2022ART20
Archis onderzoeksmelding
5196178100
Vindplaats(en)
BEWV.N (niet opgehoogde nederzetting zonder stedelijk karakter); GW.VW: veenwinning (inclusief zouthoudend veen t.b.v. zoutproductie)
8
1
Inleiding
1.1
Aanleiding van het onderzoek
In opdracht van Zonnepark Oostburg heeft Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd in 2019 binnen een plangebied gelegen in de hoek tussen de Lange Heerenstraat en de Maaidijk, net ten noordoosten van Oostburg (gemeente Sluis). In het huidige onderzoek wordt een update gegeven van dit bureauonderzoek en is tevens een inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen uitgevoerd voor een deel van dit plangebied. 1 De aanleiding tot het onderzoek is het voornemen van de initiatiefnemer om een zonnepark te realiseren. Het plangebied staat kadastraal bekend onder Gemeente Oostburg, Sectie P, omvat perceelnummers 1506, 1523, 1527, 1528, 1529 en 1823 en beslaat een oppervlakte van circa 20,1 ha.
Figuur 1 Ligging in Nederland. Bron: ESRI Nederland, Community Map Contributors 2022.
Het projectgebied is binnen bestemmingsplan Buitengebied (2011) gesitueerd in een zone met enkelbestemming agrarisch. Mogelijke archeologische waarden worden binnen bestemmingsplan Sluis Parapluplan Archeologie (2019) planologisch beschermd door een dubbelbestemming waarde archeologie 2. Binnen het gebied met waarde archeologie 2 geldt een verbod op het uitvoeren van (graaf)werkzaamheden die groter zijn dan 500 vierkante meter én dieper reiken dan 0,40 meter beneden maaiveld (-mv). Dergelijke werkzaamheden zijn wel vergunbaar mits een
1 Het noordelijk deel van het plangebied werd reeds in 2004 middels een inventariserend veldonderzoek met boringen onderzocht.
Zie hiervoor paragraaf 2.6 verder in dit rapport.
9
archeologisch onderzoeksrapport wordt voorgelegd waarin wordt aangetoond dat geen archeologische waarden aanwezig zijn, dat deze niet behoudenswaardig zijn of dat deze door de voorgenomen werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad. Omdat de vrijstellingsgrenzen worden overschreden, diende in het kader van de benodigde Bestemmingsplanwijziging een archeologisch onderzoeksrapport te worden voorgelegd.
1.2
Doel van het onderzoek en onderzoeksvragen
Conform de AMZ-cyclus start een archeologisch onderzoek steeds met een bureauonderzoek. Het doel van een bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde, archeologische verwachting, met behulp van informatie van bestaande bronnen over bekende of verwachte archeologische waarden binnen een omschreven gebied. Het resultaat is een standaardrapport met een advies op basis waarvan de bevoegde overheid een besluit kan nemen over het al dan niet laten uitvoeren van vervolgonderzoek. 2 De resultaten van het standaardrapport bureauonderzoek kunnen leiden tot één van de volgende uitkomsten: ⎯ Er zijn onvoldoende data: er wordt nader archeologisch onderzoek geadviseerd conform protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek ⎯ Er zijn voldoende data: er wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd Het doel van een inventariserend veldonderzoek is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals geformuleerd in het bureauonderzoek en/of in het Programma van Eisen. Het gaat om gebieds- of vindplaatsgericht onderzoek. Inventariserend veldonderzoek gebeurt door middel van waarnemingen in het veld, waarbij (extra) informatie wordt verkregen over bekende en/of verwachte archeologische waarden in een onderzoeksgebied.
Dit omvat de aan- of afwezigheid, de aard, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Een inventariserend veldonderzoek kan uitgevoerd worden als een IVO-proefsleuvenonderzoek (IVO-P waarbij veldwerk bestaat uit het aanleggen van proefsleuven en/of proefputten) of als een IVO-overig (IVO-O waarbij het veldwerk kan bestaan uit oppervlaktekartering, boringen, profielputjes of geofysisch onderzoek). 3 Een inventariserend veldonderzoek kent drie mogelijke fasen: een verkennende, een karterende en een waarderende fase. Het is vanzelfsprekend niet steeds noodzakelijk al deze fasen te doorlopen. ⎯ De verkennende fase heeft als doel om inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap die van invloed zijn op de locatiekeuze in het verleden. Dit kan met een eenvoudige terreininspectie, maar ook door geo-archeologisch booronderzoek en het graven van profielputjes.
Doel daarbij is het uitsluiten van kansarme zones en het selecteren van kansrijke zones voor de volgende vormen van onderzoek ⎯ Tijdens de karterende fase wordt het terrein systematisch onderzocht op de aanwezigheid van vondsten en/of sporen ⎯ Tijdens de waarderende fase kan het waarnemingsnet verdicht worden om de aard, omvang, datering, gaafheid, conservering en inhoudelijke kwaliteit van de archeologische resten vast te stellen Het resultaat van een inventariserend veldonderzoek is een standaardrapport met een waardering en een inhoudelijk selectieadvies (buiten normen van tijd en geld), op basis waarvan een beleidsbeslissing (meestal een selectiebesluit) kan worden genomen. Om te komen tot het resultaat moeten de veldactiviteiten uitgevoerd worden tot het niveau waarop de beleidsbeslissing gefundeerd genomen kan worden, d.w.z. dat de archeologische waarden van het terrein/vindplaats in voldoende mate zijn vastgesteld. Indien er onvoldoende data voor waardering en selectie-advies zijn, kunnen deze niet opgesteld worden. 4 Het advies kan dan zijn: vrijgeven, vervolgonderzoek en/of planologische bescherming. Het voorliggend onderzoek betreft een bureauonderzoek gecombineerd met een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen (IVO-O, verkennende fase). Conform de Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch 2 SIKB, Protocol 4002, Versie 4.1, d.d.
19 februari 2018: p.4.
3
SIKB, Protocol 4003, Versie 4.1, d.d. 19 februari 2018: p.4 4 SIKB, Protocol 4003, Versie 4.1, d.d. 19 februari 2018: p.4-5.
10
onderzoek in de provincie Zeeland 20195 dient een archeologisch vooronderzoek in de Provincie Zeeland, behoudens anders besloten na overleg met de bevoegde overheid, immers (minimaal) te bestaan uit een bureauonderzoek gecombineerd met een inventariserend veldonderzoek door middel van (verkennende) boringen. Het resultaat van het bureauonderzoek (het verwachtingsmodel) is opgenomen in hoofdstuk 2.6. Het resultaat van het inventariserend veldonderzoek door middel van (verkennende) boringen is opgenomen in hoofdstuk 4.1. Het bepalen van de landschappelijke vormeenheden staat daarbij voorop met als doel het uitsluiten van kansarme zones en het selecteren van kansrijke zones voor eventuele volgende vormen van onderzoek.
Tijdens dit onderzoek worden de volgende vragen beantwoord: ⎯ Wat is de geo(morfo)logische situatie binnen het plangebied? ⎯ Is de bodem intact of werden verstoringen vastgesteld? ⎯ Werden binnen het plangebied (aanwijzingen voor de aanwezigheid van) vindplaatsen vastgesteld? Zo ja, binnen welk deel van het plangebied en op welk niveau/diepte? ⎯ Bestaat binnen het plangebied een verwachting op het voorkomen van vindplaatsen? Zo ja, binnen welk deel van het plangebied en op welk niveau/diepte? Met andere woorden: kan het verwachtingsmodel uit het bureauonderzoek worden bijgesteld? ⎯ Worden de (vastgestelde of verwachte) archeologische waarden bedreigd door de voorgenomen planontwikkeling? ⎯ Is het plangebied in voldoende mate onderzocht? Zo nee, welke vorm van vervolgonderzoek wordt geadviseerd?
5 Provinciaal Blad van Zeeland nr. 8080, 12 december 2019.
11
Figuur 2 Ligging van het plangebied op een uitsnede van de Topografische Kaart. Bron: ESRI Nederland, Community Map Contributors 2022.
12
1.3
Wettelijk kader en beleid
Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht, hiermee is het Europese Verdrag van Malta binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. Het verdrag beoogt het cultureel erfgoed, dat zich in de bodem bevindt, beter te beschermen. De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van archeologische onderzoeken. De Erfgoedwet moet samen met de (nog in werking te treden) Omgevingswet een integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk maken. Op landelijk niveau is een Nationale Onderzoeksagenda Archeologie (NOaA2) opgesteld waarin het Zeeuws kleigebied als archeoregio een afzonderlijk hoofdstuk vormt en de regiogebonden onderzoeksthema’s en -vragen toegelicht worden. Daarnaast worden in deze NOaA2 ook per periode en complextype specifieke onderzoeksthema’s en –vragen geformuleerd die richtinggevend kunnen zijn bij onderzoek. Het beleid van de provincie Zeeland ten aanzien van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) is vastgelegd in de CultuurNota 2017-2020, welke met 1 jaar verlengd is in 2021. In februari 2017 heeft het College van Gedeputeerde Staten van Zeeland het ‘Toetsingskader archeologie Provincie Zeeland 2017’ vastgesteld. 6 In het toetsingskader is vastgesteld wanneer archeologisch (voor)onderzoek noodzakelijk is indien de provincie als bevoegde overheid optreedt.
Daarnaast werd in 2016 de Provinciale Onderzoeksagenda Archeologie Zeeland 2017-2020 gepubliceerd waarin de kernthema’s en zwaartepunten voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland worden gepresenteerd: ⎯ Basale harde gegevens en diachrone datasets ⎯ Archeologisch onderzoek in diepere bodemontsluitingen ⎯ Uitwerking oud archeologisch onderzoek ⎯ Verdronken land en dorpen ⎯ Onderzoek naar infrastructuur ⎯ Verdedigingswerken in Zeeland ⎯ Boerderijen en rurale nederzettingen ⎯ Voedseleconomie van stad en platteland ⎯ Religieuze en rituele verschijningsvormen ⎯ Scheeps- en onderwaterarcheologie ⎯ Publiekswerking van archeologisch onderzoek Tot slot heeft de provincie een Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 2019. 7 De Gedeputeerde Staten van de Provincie Zeeland zijn bevoegde overheid in het kader van de Ontgrondingenwet. Met de komst van de (herziene) Wet op de archeologische Monumentenzorg (Wamz) in 2007, de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in 2008 is de verantwoordelijkheid voor het cultureel erfgoed in grote mate gedecentraliseerd en verschoven van Rijk en provincie naar de gemeenten. Gemeenten worden verantwoordelijk gehouden voor de omgang met archeologische waarden. Daartoe dienen gemeenten een eigen archeologiebeleid te voeren en te verankeren in de ruimtelijke ordening.
As gevolg van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo, 2010) zijn de burgemeester en wethouders bevoegde overheid in het kader van de omgevingsvergunning. De gemeenteraad van Sluis heeft op 20 juni 2013 het gemeentelijke archeologiebeleid en de archeologische onderzoeksagenda vastgesteld 8 dit is in 2017 herzien in het in april 2018 gepubliceerde Archeologiebeleid &
6 Toetsingskader archeologie Provincie Zeeland 2017, Provinciaal blad 2017 nr. 605, 15 februari 2017. 7 Provinciaal Blad van Zeeland nr. 8080, 12 december 2019. 8 De Visser, 2013.
13
Onderzoeksagenda Sluis 2017, Eerste herziening. 9 In de hierin gepubliceerde Gemeentelijke OnderzoeksAgenda Sluis (GOAS) werden zes hoofdthema’s opgenomen, die richtinggevend zijn in het selectiebeleid van de gemeente bij uitvoerend onderzoek: ⎯ Het landschap en bewoning in de prehistorie ⎯ Aardenburg in de Romeinse tijd ⎯ De vroege Middeleeuwen ⎯ Het verdronken land ⎯ De kernen Aardenburg, Groede, IJzendijke, Oostburg en Sluis ⎯ De Staats-Spaanse Linies
Figuur 3 Projectie van het plangebied op de Archeologische Beleidskaart van de gemeente Sluis. Bron: De Visser, 2017: bijlage 2.
Zoals te zien is op de Archeologische Beleidskaart Sluis 10 , ligt het hele plangebied in een zone met categorie 4 (donkerpaars op de kaart; Figuur 3), hetgeen wil zeggen dat hier een hoge verwachting geldt. De waarde archeologie 2 is gebaseerd op deze verwachting. De maximale vrijstelling in oppervlakte bedraagt hierdoor 500 m 2 en de maximale vrijstellingsdiepte bedraagt 0,4 m -mv.
9 De Visser, 2017. 10 De Visser, 2017: bijlage 2.
14
Tevens is te zien dat zich aan de noordzijde van het plangebied een roodgekleurd gebied bevindt; dit betreft een terrein van archeologische waarde. Deze komen overeen met terreinen die vermeld staan op de Archeologische Monumenten Kaart (AMK) met respectievelijk de nummers 13524 en 2454; deze worden beschreven in paragraaf 2.4.
1.4
Plangebied en planvorming
Het plangebied is gelegen in het buitengebied net ten noordoosten van Oostburg (Figuur 2 - Figuur 4). Het plangebied betreft de perceelnummers 1506, 1523, 1527, 1528, 1529 en 1823 van de sectie P van de kadastrale gemeente Oostburg en heeft een totale oppervlakte van circa 20,1 ha. Aan de zuidzijde wordt het plangebied begrensd door de Lange Heerenstraat (N253). Aan de westzijde wordt het plangebied begrensd door de Maaidijk. Aan de noordwestzijde, net voorbij de Maaidijk, bevindt zich een zuiveringsinstallatie (gerealiseerd in 1986). Ten zuidwesten tenslotte is het bedrijventerrein Stampershoek gesitueerd. Dit bedrijventerrein is centraal gelegen in de regio en is bestemd voor gemengde bedrijvigheid. In 2006 hebben Gedeputeerde Staten ingestemd met het bestemmingsplan voor de uitbreiding van het bedrijventerrein in zowel noordelijke als zuidelijke richting. Aan de oostzijde van het plangebied is een hoogspanningsstation gelegen. Over het oostelijke deel van het terrein lopen bovengronds dan ook de kabels van de hoogspanning.
Figuur 4 Projectie van het plangebied (met in zwart en genummerd: de gestuurde boringen) op een uitsnede van de luchtfoto (2020). Bron: ESRI Nederland, Beeldmateriaal.nl.
15
Momenteel is de grond binnen het plangebied deels braakliggend en deels is deze ingezaaid met groenbemesting. Aan de meest zuidelijke rand bevindt zich een gronddepot. In de toekomst zal op deze locatie een zonnepark worden gerealiseerd. Er bestaan nog geen concrete inrichtingsplannen waarbij de exacte locatie van verstoringen en de diepte bekend zijn. Mogelijke verstoringen van de bodem kunnen optreden bij het funderen van de zonnepanelen of het plaatsen van de panelen op (schroef)palen, de bouw van trafohuisjes en het aanleggen van kabels.
16
2
Archeologisch bureauonderzoek
2.1
Methoden
Het voorliggend hoofdstuk omvat de resultaten van het archeologisch bureauonderzoek. Het onderzoek is uitgevoerd conform protocol 4002 van de KNA 4.1 en de Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 2019. 11 Hierbij werden de volgende processtappen doorlopen: Processtap
Specificatie
Hoofdstuk
Afbakenen plan/onderzoeksgebied; vaststellen consequenties toekomstig gebruik
LS01
1.4
Vermelden (en toepassen) overheidsbeleid
LS01
1.3
Beschrijven huidig gebruik
LS02
1.4
Beschrijven historische situatie
LS03
2.3.1
Beschrijven mogelijke verstoringen
LS03
2.3.2
Beschrijven mogelijke aanwezigheid bouwhistorische waarden ondergrond
LS02-03-04
2.5
Beschrijven bekende aardwetenschappelijke kenmerken
LS04
2.2.2
Beschrijven bekende archeologische kenmerken
LS04
2.4
Opstellen gespecificeerde verwachting
LS05
2.6
Tijdens het uitvoeren van de bovengenoemde processtappen werd een groot aantal bronnen van diverse aard geraadpleegd. Deze worden hieronder benoemd en in het bronnenoverzicht nader gespecificeerd. ⎯ (Landelijke en regionale) bodem-, geologische en geomorfologische (overzichts)kaarten ⎯ Paleogeografische kaarten ⎯ Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) ⎯ (Specialistische) literatuur ⎯ Rapporten van eerder uitgevoerd archeologisch en cultuurhistorisch onderzoek ⎯ Inrichtingsplannen en conditionerende onderzoeksrapporten: milieu, ecologie, niet-gesprongen explosieven ⎯ Lucht- en satellietfoto’s ⎯ Kaartmateriaal: topografische (militaire) kaarten, oud(st)e kadasterkaarten, oude en/of historische kaarten ⎯ Gemeentelijk en/of provinciaal archief ⎯ Archeologische Monumenten Kaart (AMK) ⎯ Het Archeologisch Informatie Systeem (Archis) ⎯ Centraal Monumenten Archief (CMA) en Centraal Archeologisch Archief (CAA) werden niet geraadpleegd omdat deze oude papieren archieven na de introductie door de ROB werden ingevoerd in Archis ⎯ Cultuurhistorie: gemeentelijke waardenkaart en/of de provinciale Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS) ⎯ Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO) ⎯ Gemeentelijke verwachtings- en beleidskaarten ⎯ Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW), maar enkel indien geen meer gedetailleerde regionale kaarten beschikbaar zijn ⎯ Provinciaal depot:
archief van het Zeeuws Archeologisch Depot (ZAD)
11 Provinciaal Blad van Zeeland nr. 8080, 12 december 2019.
17
2.2
Landschap en geologie
2.2.1
Landschappelijke ontwikkeling 12
Zeeland maakt deel uit van het zuidwestelijk zeekleigebied, een sterk gestapeld landschap bestaande uit eolische afzettingen, mariene sedimenten en sedentaat (veen). Omdat de locatiekeuze van bewoning en nederzettingspatronen voor een groot deel worden bepaald door de mogelijkheden die het natuurlijke landschap daartoe bood, is het zinvol de landschappelijke ontwikkeling gedurende de laatste fase van het Pleistoceen en het Holoceen in beeld te krijgen. De landschappelijke evolutie van het Zeeuwse kustgebied kan worden geschetst aan de hand van de paleogeografische kaarten die door Vos en De Vries zijn gepubliceerd13. Paleogeografische kaarten zijn ontwikkeld door de analyse van grote hoeveelheden bodemdata en bieden aan de hand van momentopnamen inzicht in het waarschijnlijke landschapsbeeld. De veranderende landschappelijke omgeving gedurende de laatste 12.000 jaar, en de globale ligging van het plangebied, wordt afgebeeld op figuur 5. Tijdens de laatste koude fase van het Weichselien, ook wel het Dryas-stadiaal genoemd, werden vanuit het droog liggende Noordzeebekken eolische zanden afgezet. Omdat het windafzettingen zijn, bestaan deze sedimenten, behorende tot de Formatie van Boxtel (Laagpakket van Wierden), uit fijne zanden. In het zandpakket komen ook ingeschakelde leemlagen en een aantal gyttja- en venige gyttjalaagjes voor.
14 Het Dryas-stadiaal verliep namelijk gefaseerd met tussentijdse warmere fasen, de zogenaamde interstadialen. Tijdens de interstadialen kon zich vegetatie ontwikkelen aan het op dat moment bestaande oppervlak. Hierdoor zijn de gedurende deze interstadialen ontstane niveaus, die in de volgende koudere fasen opnieuw ondergestoven raakten met een vers pakket zand, vaak goed herkenbaar in het bodemprofiel. Het Dryas kent twee interstadialen, met name het Bölling-interstadiaal (14.650 tot 14.000 BP) en Allerød-interstadiaal (13.900 tot 12.850 BP), waarin zich dergelijke vegetatieniveaus hebben gevormd. Het dekzandlandschap van de Formatie van Boxtel wordt gekenmerkt door zuidwest-noordoost georiënteerde zandruggen. In het grootste deel van Zeeuws-Vlaanderen zijn deze echter niet meer herkenbaar, als direct gevolg van de klimatologische veranderingen die vanaf de aanvang van het Holoceen zijn opgetreden. Het smelten van het landijs van de laatste ijstijd en de daaruit voortvloeiende sterke stijging van de zeespiegel, zorgde namelijk voor een nieuwe reeks van afzettingen die het pleistocene landschap afdekken. De sterke stuwing van het grondwater ten gevolge van de zeespiegelstijging tijdens het Holoceen veroorzaakte op vele plaatsen langs het westelijke Nederlandse kustgebied veengroei op het pleistocene substraat.
Dit veen wordt tot het Basisveen Laagpakket (Formatie van Nieuwkoop) gerekend. In Zeeuws-Vlaanderen is het Basisveen enkel als duidelijk te onderscheiden laag aangetroffen in het noordelijk deel van Oost-Zeeuws-Vlaanderen. 15 Hier bevindt het veen zich tussen het pleistocene dekzand en de mariene afzettingen van de Formatie van Naaldwijk (Laagpakket van Wormer). Deze afzettingen van het Laagpakket van Wormer zijn ontstaan tijdens het holoceen maximum. Op dat ogenblik was de gemiddelde temperatuur het hoogst en bevond de zeespiegel zich op een maximum. Hierdoor ontstond in grote delen van Zeeland een getijdenlandschap, doorsneden door brede geulen. In deze geulen werden de oudere holocene en pleistocene afzettingen opgeruimd. Buiten deze getijdengeulen werden de aanwezige veen- en/of dekzandpakketten bedekt met dikke lagen marien sediment. 16 Enkel de lagergelegen delen in het uiterste westen van Zeeuws-Vlaanderen en het noordelijk deel van Oost-Zeeuws-Vlaanderen werden tijdens het holoceen maximum overstroomd door de zee. In de overige delen van Zeeuws-Vlaanderen vond door de hoge ligging van het pleistocene landschap geen overstroming plaats en kon het Basisveen zich verder ontwikkelen. Radiokoolstofdateringen van de onderzijde van het Basisveen even ten zuiden van Groede dateren het begin van de veengroei rond de periode van het Laat-Atlanticum en het holoceen maximum. 17
12 Deels overgenomen uit Delporte (2020) en, waar nodig, aangepast. 13 Vos & De Vries, 2013. 14 Van Rummelen, 1977b: 12. 15 Van Rummelen, 1977b: 36. 16 Vos & Van Heeringen, 1997: 53. 17 De aanvang van de veenvorming is hier gedateerd rond circa 5100 +/- 180 (cal.) BP. Vos en van Heeringen, 1997: 82.
18
19
Figuur 5 Paleogeografische ontwikkeling Zeeland. Blauwe stip: ligging plangebied. Bron: Vos & De Vries 2018.
20
Na het holoceen maximum nam de invloed van de zee af en ontwikkelde zich bovenop de mariene afzettingen van het Laagpakket van Wormer opnieuw een veenlandschap, dat eveneens deel uitmaakt van de Formatie van Nieuwkoop. In de hoger gelegen delen van Zeeuws-Vlaanderen, waar de getijdeafzettingen geen invloed hadden, ontwikkelde het veen zich rechtstreeks op de dagzomende pleistocene dekzandafzettingen of het reeds aanwezige Basisveen. Door Weerts en Busschers wordt, in de beschrijving van de Formatie van Nieuwkoop, de benaming Basisveen Laag aangehouden voor die venen die gevormd zijn op de pleistocene afzettingen en die afgedekt worden door het Laagpakket van Wormer (Formatie van Naaldwijk). Het veen dat naderhand tot ontwikkeling gekomen is bovenop het Laagpakket van Wormer wordt door hen als het Hollandveen Laagpakket benoemd. Waar geen afzettingen van het Laagpakket van Wormer zijn afgezet, zoals het geval is in de omgeving van het plangebied, is het veelal niet mogelijk om een onderscheid te maken tussen de pakketten die de Formatie van Nieuwkoop vormen. Geleidelijk aan nam de invloed van de zee opnieuw toe. Dit gebeurde geleidelijk en in Zeeuws-Vlaanderen is die evolutie nauw verweven met de zeearm de Honte, die zich vanaf de strandwal voor Knokke en Cadzand in oostelijke richting het achterland ging insnijden.
Deze zeearm moet al in de pre-Romeinse tijd aanwezig zijn geweest in de vorm van een getijdengeul18 en zal als de Honte een belangrijk economisch gegeven in de middeleeuwen vormen. Via geulen in het veen en vermoedelijk ook ontwateringskanalen die door mensen in het veenlandschap werden gegraven, werd deze getijdengeul gevoed. Deze ontwikkelde zich in de loop der tijd geleidelijk tot een zeegat, dat de Schelde met de zee verbond. Gedurende de Romeinse tijd kon, door de geleidelijke daling van het veenlandschap ten gevolge van het inzakken van het veen en wellicht ook de ontginning van het veen, het zeewater steeds verder het binnenland in dringen. In de loop van de 2 e of 3e eeuw veranderde het veenlandschap dan ook geleidelijk opnieuw in een getijdenlandschap. Dit proces werd in het laatste kwart van de 3 e eeuw versneld door de teloorgang van de beperkte waterbouwkundige infrastructuur die was aangelegd in de Romeinse tijd. 19 . Het ontstaan van een nieuw getijdenlandschap vanaf het deze periode resulteerde in de sedimentatie van dikke pakketten klei en zand. Daar waar getijdengeulen zich in het bestaande landschap insneden, werden zandige pakketten afgezet. Buiten deze geulen werden de hoger gelegen veengronden afgedekt met fijner sediment, hoofdzakelijk zware klei.
Deze afzettingen, die benoemd zijn als het Laagpakket van Walcheren (Formatie van Naaldwijk), liggen tot op heden in vrijwel heel Zeeland aan het oppervlak. De hernieuwde mariene invloed bij de vorming van het Laagpakket van Walcheren had een grote impact op het kustlandschap van westelijk Zeeuws-Vlaanderen. Getijdegeulen gingen zich steeds verder landwaarts insnijden. Door deze getijdendynamiek ontstond in het estuarium van de Honte een vlechtwerk van geulen, slikken en schorren, die later zouden uitgroeien tot grotere eilanden. Omstreeks 750 n. Chr. bereikte dit proces zijn maximale effect en nam het dynamische karakter enigszins af. De landschappelijke stabiliteit die met deze afname gepaard ging, maakte het mogelijk om de min of meer droogvallende schorren te koloniseren en te gebruiken als weidegronden voor schapen. Vanaf de 10e eeuw was er een intensivering van de kolonisatie merkbaar. De bevolkingstoename in Vlaanderen en de ontwikkeling van steden zorgden ervoor dat het kustgebied systematisch werd ingepolderd ten behoeve van landbouw. Tussen het einde van de 10 e en het einde van de 11 e eeuw werden de getijdengeulen hier systematisch ingedijkt, wat uiteindelijk leidde tot de verhoging van het stormvloedniveau in het buitendijkse gebied.
20 De bedijkingen zorgden ervoor dat de Honte zich kon ontwikkelen tot een brede getijdenstroom, waarlangs weinig overstromingsbuffers resteerden. Zo werd het binnendijkse gebied gevoelig voor stormvloeden die vanaf de 11 e eeuw opnieuw frequenter voorkwamen en die leidden tot dijkdoorbraken. De bekendste stormvloeden waren die van 1014, 1134, 1375 en de Sint-Elisabethsvloeden van 1404 en 1421. De dijkdoorbraken zorgden voor een inundatie van de achterliggende polders en zorgden, waar deze zich voordeden, voor nieuwe sedimentatie en tevens het ontstaan van een aantal brede geulen, waarvan sommige zich tot een diepte van meer dan 30 m in de ondergrond insneden. 21 Ook deze nieuwe sedimenten en geulafzettingen worden tot het Laagpakket van Walcheren gerekend.
18 Vos & Van Heeringen, 1997: Kaartbijlage 1. Deze getijdengeul is wellicht wat in historische bronnen uit
de volle Middeleeuwen omschreven staat als de Sincfal. 19 Lases en De Kraker, 2009: 30. 20 Tys, 2010: 91. 21 Van Rummelen, 1977b: 26-48.
21
2.2.2
Aardkundige waarden
Geologie Op de Geologische Overzichtskaart van Nederland 22 ligt het grootste deel van het plangebied binnen een zone met code Na8, wat betekent dat hier sprake is van zeeklei van het Laagpakket van Walcheren (Formatie van Naaldwijk) op veen van de Formatie van Nieuwkoop. Het uiterste noorden en uiterste zuiden van het plangebied vallen net buiten deze zone en liggen binnen een zone met code Na6 (geelgekleurd), hetgeen zeeklei en -zand van het Laagpakket van Walcheren aanduidt.
Figuur 6 Ligging van het plangebied op de Geologische Overzichtskaart van Nederland en situering van de dichtstbijzijnde DINO-boringen op uitsnede van de Geologische Kaart. Bron: Van Rummelen 1977a en DINOloket.
Projectie op de oudere Geologische Kaart van Nederland 1: 50.000, Zeeuwsch-Vlaanderen Westblad uit 1977 (Figuur 6) geeft een iets ander beeld. Het noordelijke en het zuidoostelijke deel van het plangebied zijn gelegen in een zone met code Do.3b. Dit houdt in dat de ondergrond bestaat uit Duinkerke IIIb-afzettingen (komafzettingen) op Duinkerke II kreekafzettingen. De kreekafzettingen kunnen gerelateerd worden aan de hier gelegen voormalige Duinkerke II kreek (tussen 300 en 800 na Chr. stroomde hier een geul). Het zuidwestelijke deel en een klein stuk van het noordoostelijke deel zijn gelegen in een zone met code Fo.3b met blauwe ruitjes. Dit zijn afzettingen van Duinkerke die zich ontwikkeld hebben als Duinkerke IIIb komafzettingen op oudere Duinkerke (II) afzettingen op Hollandveen op Pleistoceen. Op basis van de Bijkaarten behorende bij de Geologische kaart van Nederland, kan de top van het pleistoceen hier aangetroffen worden op een diepte tussen 4 en 22 TNO 2010, naar De Mulder et al., 2003.
22
3 m -NAP. In de zone met code Do.3b kan de top worden aangetroffen op een diepte tussen de 10 en 5 m -NAP, wat de diepe erosie, veroorzaakt door de geul, aangeeft. Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO) Ten behoeve van dit onderzoek zijn ook de boorgegevens uit het DINO-loket (TNO Geologische Dienst Nederland) geraadpleegd (Figuur 6). Deze boringen zijn bruikbaar om de diepteligging van de verschillende geologische lagen te achterhalen. Op basis van deze boringen is een ondergrondmodel samen te stellen voor een gekozen locatie waarbij boorgegevens worden geïnterpoleerd tot een voorspelling van de bodemopbouw op het gekozen punt. Uiteraard gaat het om de verwachte bodemopbouw die af kan wijken van de werkelijke situatie vanwege onbekende lokale omstandigheden. Binnen het plangebied bevindt zich slechts één boring: boring 2 met identificatienummer B54A0466. Deze boring is gezet tot 6,3 m - mv, waarbij het maaiveld zich bevindt op 1,24 m +NAP. De bodem blijkt hier opgebouwd te zijn uit afzettingen van het Laagpakket van Walcheren (Formatie van Naaldwijk). Volgens het ondergrondmodel bestaat de bovenste 1,5 m - mv uit kleiafzettingen (tot een diepte van 1,5 m – mv, 0,26 m -NAP). Hieronder bevinden zich zeer fijne zandafzettingen (1,5 tot 2,5 m -mv; 0,26-1,26 -NAP). Van 2,5 tot 3,25 m -mv (1,262,01 m -NAP) bevindt zich een sterk humeuze kleilaag.
Daaronder is tot op een diepte van 6,3 m -mv (5,06 m -NAP) siltig zand aangeboord. Volgens de Geologische Kaart van Nederland bevindt boring 2 zich in een zone met de code D0.3b. In de omgeving van het plangebied zijn er nog vier boringen gezet die zich volgens de Geologische Kaart van Nederland in een zone bevinden met de code Do.3b. Het gaat hierbij om boringen met identificatienummers B54A0030 (boring 4), B54A0489 (boring 5), B54A0488 (boring 6) en B54A0465 (boring 7). Boring 4 betreft een pulsboring die gezet is tot op een diepte van 25 m -mv (23,8 m -NAP). Tot 1,5 m -mv (0,30 m -NAP) bevinden zich kleiafzettingen. Daaronder zijn er zandige afzettingen van een fijne en midden categorie. Boring 5 is een Begeman-steekboring. De bovenste tien centimeter is niet bemonsterd. Tot aan 1 m -mv bestaat de ondergrond uit kleiafzettingen (tot 0,43 m +NAP). Van 1 tot 4,1 m -mv (0,43 m +NAP – 2,67 m -NAP) zijn er zandige afzettingen. Tot 4,85 m -mv zijn er vervolgens weer kleiafzettingen aangetroffen (3,42 m -NAP). In boring 6 bestaat de bovenste 1,1 m -mv uit kleiafzettingen (1,68 -0,58 m +NAP). Daaronder bevinden zich zandafzettingen tot een diepte van 2 m -mv (0,32 m -NAP). Boring 7 (B54A0465) is gezet tot een diepte van 6,6 m -mv (5,38 m -NAP). Hierbij zijn er afzettingen van het Laagpakket van Walcheren aangetroffen tot op een diepte van 6,4 m -mv (5,18 m -NAP).
De bovenste 2,7 m (van 1,22 m +NAP tot 1,48 m -NAP) bestaat uit kleiafzettingen. Hieronder bevinden zich zandafzettingen tot 3,98 m -NAP met daaronder sterk siltige klei tot op 4,88 m -NAP. Van 4,88-5,18 m -NAP bevindt zich een kleiig, zandige veenlaag. Onder deze afzettingen van het Laagpakket van Walcheren is er uiterst fijn zand aangetroffen van de formatie van Boxtel. Tenslotte zijn er nog twee boringen gezet die zich volgens de Geologische Kaart van Nederland binnen een zone met code Fo.3b bevinden. Het gaat hierbij om boringen 1 en 3. Boring 1 met identificatienummer B54A0089 betreft een counter-flushboring die gezet is tot op een diepte van 39 m -mv (37,9 m -NAP). De bovenste 1,7 m -mv bestaat uit kleiafzettingen van het Laagpakket van Walcheren. Onder deze kleiafzettingen bevindt zich een pakket van 1,10 meter dik Hollandveen (0,6-1,7 m -NAP). Hieronder bevinden zich zandafzettingen van de Formatie van Boxtel op zandafzettingen van de Formatie van Koewacht op de Eem Formatie. De onderste zes meter van boring 1 betreft kleien zandafzettingen van de Formatie van Dongen. In boring 3 (identificatie B54A0437 werd een bodemprofiel aangetroffen van kleiafzettingen van het Laagpakket van Walcheren op Hollandveen op zand en veen en gyttja afzettingen van het Laagpakket van Wierden (Formatie van Boxtel).
Het Laagpakket van Walcheren is aangetroffen tot 1,8 m -mv (1,14 m +NAP – 0,66 m -NAP). Het veen bevond zich op 1,8 tot 3,1 m -mv (0,66 – 1,96 m -NAP). De afzettingen van het Laagpakket van Wierden bevonden zich op een diepte van 3,1 – 6,6 m -mv (1,96 – 5,46 m -NAP). Het beeld dat geschapen wordt van het plangebied en de directe omgeving op basis van de boringen komt overeen met het beeld van de Geologische Overzichtskaart van Van Rummelen uit 1977. Uit de boringen blijkt dat het veen aan
23
de zuidwestzijde van het plangebied nog intact is. De top van het veen kan aangetroffen worden vanaf circa 0,6 m NAP (circa 1,7 m -mv). Bodem Op de Overzichtskaart van de bodemgesteldheid van Westelijk Zeeuws-Vlaanderen, vervaardigd door I. Ovaa, J. de Buck, M.A. Bazen o.l.v. K.v.d. Meer (StiBoKa 1951/’53; Figuur 9), bevinden zich verschillende zones. In de zuidwesthoek van het plangebied bevindt zich een zone met de code Bp. Dit houdt in dat zich hier Nieuwland bevindt met een bovengrond van lichte klei op overgangsgrond en/of poelklei dieper dan 50 cm. Ten oosten hiervan, centraal door het plangebied ligt een zone met de code Cp. Dit is Nieuwland met een bovengrond van zware zavel op overgangsgrond en/of poelklei dieper dan 50 cm. De zone met de code Cp wordt doorsneden door een verlande kreek. Deze verlande kreek heeft de code CDK1, wat kreekbeddingsgrond inhoudt met zand ondieper dan 50 cm. In het oosten van het plangebied is er een smalle zone zichtbaar van noord naar zuid wederom met de code Bp. Daarnaast bevinden zich nog twee zones met de codes aX en bX. De code aX houdt nieuwlandgrond met een bovengrond van zware klei op kleiplaat ondieper dan 50 cm. De code bX staat voor nieuwlandgrond met een bovengrond van lichte klei op kleiplaat ondieper dan 50 cm.
Figuur 7 Projectie van het plangebied op een vergrote uitsnede van de Overzichtskaart van de bodemgesteldheid van Westelijk Zeeuws-Vlaanderen schaal 1: 50.000. Bron: StiBoKa Wageningen 1951/’53.
Op de Bodemkaart van Nederland uit 1967 ligt het plangebied in een zone waar zich poldervaag-gronden hebben ontwikkeld (Figuur 8). Centraal door het plangebied loopt een zone van kalkrijke poldervaaggronden bestaande uit zware zavel (code Mn25A). In de zuidwesthoek en aan de oostzijde van het plangebied bevinden zich zones met kalkrijke poldervaaggronden bestaande uit lichte klei (code Mn35A).
24
Figuur 8 Projectie van het plangebied op een vergrote uitsnede van de Bodemkaart van Nederland schaal 1: 20000. Bron: StiBoKa Wageningen 1967.
Bij het bepalen van het grondwaterregime van de bodem wordt gewerkt met grondwatertrappen (Tabel 1). Deze trappen geven een klassenindeling weer van ten eerste de verschillende grondwaterstanden naar diepte en ten tweede de seizoensvariatie in de grondwaterstanden. De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) wordt doorgaans bepaald door de ontwatering van de percelen; de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) wordt echter beïnvloed door de aard van de ondergrond. De grondwatertrappen worden vastgesteld op een schaal van I tot en met VII, van respectievelijk extreem nat tot extreem droog. Gebiedsdelen met een goede ontwatering (Gwt VI en VII) zijn zeer geschikt voor landbouw en vormden mede daarom, met name in het verleden een aantrekkelijk vestigingsgebied. In gebieden met een hoge grondwaterstand kunnen daarentegen goed geconserveerde, met name organische, archeologische resten worden aangetroffen. Binnen het gehele plangebied is sprake van grondwatertrap VI. Dit betekent dat de bodem hier goed ontwaterd is met een gemiddeld hoogste grondwaterstand tussen 0,40 en 0,80 m - mv en een gemiddeld laagste grondwaterstand dieper dan 1,2 m -mv. Deze grond is zeer geschikt voor landbouw en was mogelijk een aantrekkelijke vestingplaats in het verleden. Tabel 1 Indeling grondwatertrappen.
Grondwatertrap
I
II
III
IV
V
VI
VII
GHG in cm -mv
(< 20)
(< 40)
< 40
> 40
< 40
40 - 80
> 80
GLG in cm -mv
< 50
50-80
80-120
80-120
> 120
> 120
(> 160)
25
Geomorfologie Het plangebied is op de Geomorfologische Kaart (Figuur 9) gelegen binnen een zone met de code 2M35. Dit is een vlakte van getijafzettingen. Aan de westkant wordt het plangebied begrensd door de Maaidijk die hier aangegeven is met een roze lijn (roze lijnen zijn een indicatie voor dijken of soortgelijke kunstwerken met een hoogteverschil van 0,5 tot 1,5 meter). Aan de noord-noordoostzijde bevindt zich een kreek. De zwarte stippellijn door het plangebied duidt op een smalle geul.
Figuur 9 Uitsnede van de Geomorfologische Kaart van Nederland. Bron: Stiboka, Brus en De Lange 1987.
Actueel Hoogtebestand Nederland Het Actueel Hoogtebestand Nederland vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse. Dit met behulp van laser-altimetrie (LiDAR) verkregen digitale bestand toont een goed beeld van het huidige reliëf in het plangebied. Kleine hoogteverschillen kunnen zo visueel worden voorgesteld. Figuur 10 toont een bewerkte uitsnede van het AHN waarop duidelijk de geomorfologie van het regionale landschap rond het plangebied is af te lezen. Ten zuidwesten van het plangebied is Oostburg gelegen. Op Figuur 10 is duidelijk zichtbaar dat het centrum van Oostburg verhoogd is gelegen ten opzichte van het omringende landschap. De reden dat Oostburg hoger ligt dan het omringende landschap heeft deels te maken met de antropogene ophogingen die hebben plaatsgevonden sinds de vroege middeleeuwen, maar meer nog door de aanleg van de vestingwerken in de
26
nieuwe tijd. Ten zuiden van het plangebied is het Groote Gat zichtbaar (het laaggelegen gebied in het blauw). Deze kreek is grotendeels ontstaan onder antropogene invloed. Ze werd gegraven om het Zwin bevaarbaar te houden. 23
Figuur 10 Projectie van het plangebied (zwarte polygoon) op een bewerkte uitsnede van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN3). Schaal 1: 30.000. Bron: AHN.
Tegenwoordig is het een natuurgebied waarin ook de resten van de forten terug te vinden zijn. Ten zuiden van het Groote Gat zijn dan ook twee schansen zichtbaar die onderdeel waren van de Linie van Oostburg. De Linie van Oostburg was een Linie van Communicatie die deel uitmaakte van de Staats Spaanse Linies. De Linie werd aangelegd toen Prins Maurits een groot deel van het huidige West-Zeeuws-Vlaanderen had veroverd. In het westen is Fort Nijevelt zichtbaar en in het oosten de Cathelijneschans. Fort Nijevelt zou in 1605 zijn aangelegd, het jaar van de aanleg van de Cathelijneschans is echter niet bekend. Uit rekeningen van uitgevoerd onderhoud aan de schans, heeft men opgemaakt dat dit voor 1594 geweest moet zijn. Het was een kleine bastionachtige vierkante schans met een natte gracht, gelegen op een punt waar de dijken uit de richting Sluis, St. Philip en St. Kruis samenkwamen. 24
23 www.zeeuwseankers.nl/verhaal/leesbaar-landschap-de-kreken-in-zeeuwsvlaanderen 24 Goossens 2004, 186
27
Figuur 11 Binnen het plangebied is een gebied paars omlijnd. Hier is een ovale vorm in het landschap zichtbaar. Het lijkt te gaan om een iets hoger gelegen gebied, omsloten door een lagergelegen greppel/sloot. Bron: AHN/GEOLOKET.
Bovenaan Figuur 10 is een brede geelgekleurde strook zichtbaar met net ten zuiden een bruine lijn. Deze bruine lijn betreft de Henricusdijk die hoger gelegen is in het landschap. De gele strook betreft een zone waar het landschap hoger gelegen is door langduriger sedimentatie en/of aanwas ten noorden van deze dijk. Hier lag een voormalige zeearm die in de 18e eeuw is ingepolderd. 25 Ten noorden van het plangebied komt er vanaf deze Henricusdijk een waterweg richting Oostburg gelopen, de Tragel genaamd. Deze waterweg passeert het plangebied aan de westzijde. Parallel aan de Tragel bevindt zich de Maaidijk, welke voorheen de Stamperhoekweg genoemd werd. De Maaidijk vormde de verbinding van het fort Scherpbier, tevens onderdeel van de Linie van Oostburg, met de versterkte stad Oostburg. Op afbeelding 11 is de Maaidijk duidelijk zichtbaar als verhoogd element in het landschap, net ten westen van het plangebied (oranje-rode kleur). Iets verder naar het westen is er op Figuur 10 een blauwe strook zichtbaar met een noordoost-zuidwestelijke oriëntatie. Dit betreft een oude kreek, de Reep genaamd. Hierom heen is een vochtig weidegebied gelegen, vol met zoutplanten en weidevogels. Deze oude kreek en het weidegebied zijn gelegen in de zogenaamde Groote Henricuspolder.
Deze polder van circa 405 ha groot werd ingedijkt in 1615 in opdracht van Jacob Cats en droeg oorspronkelijk de naam Oostburgsche polder. De polder kwam in 1621 onder water te staan als gevolg van de inundaties en werd in 1637 weer herdijkt. 26 In het algemeen kan gesteld worden dat op de AHN de Duinkerke III getijdegeulen zichtbaar zijn als gele stroken in het landschap, welke overeenkomen met het beeld van de geologische kaart. Daarnaast zijn de blauwe elementen op de kaart restanten van afgedamde kreken. Deze kreken zijn meestal niet compleet verland. Op Figuur 10 is de zuidwestelijke hoek binnen het plangebied lager gelegen. Hier bevinden zich de afzettingen van het Laagpakket van 25 Benjamins 2018, 12 26 https://nl.wikipedia.org/wiki/Groote_Henricuspolder
28
Walcheren op het Hollandveen op Pleistoceen. Op het hoger gelegen deel in de rest van het plangebied bevinden zich de geulafzettingen welke minder onderhevig zijn geweest aan inklinken van de bodem. Ook binnen en in de directe omgeving van het plangebied zijn de verlande geulen zichtbaar. Op Figuur 11 is mogelijk een aanwijzing zichtbaar die kan wijzen op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats binnen het plangebied. Centraal in het plangebied is er een ovaalvormig patroon zichtbaar. De ovale vorm lijkt omsloten te zijn door een lagergelegen rand (groene omranding van iets hoger gelegen geel middengebied). Op de Bodemkaart (afbeelding 9) bleek op deze locatie zich een verlande kreek te bevinden en volgens de Geomorfologische kaart (afbeelding 8) bevindt zich hier een smalle geul. Op de AHN lijkt het echter alsof een centraal gedeelte in zijn geheel omsloten wordt en lijkt het niet alleen om de uitloop van een kreek te gaan. Hypothetisch gesteld zou dit een greppel of sloot kunnen zijn die een huisplaats omsloot. Ten noorden van het plangebied (Figuur 23 vondstlocatie 12) is bij een eerder onderzoek namelijk eveneens een cirkelvormig patroon aangetroffen. Dit bleek een laatmiddeleeuwse huisplaats te zijn omgeven door een greppel of sloot.