CConstaterende datSluis
Koppel je AI →
Document · PDF

b. ruimtelijke onderbouwing

Commissie Ruimte/AB 11 maart 2025, gemeente SluisBij agendapunt: Voorstel tot afgifte van een (verzwaard) advies af te geven omtrent het weigeren van de aanvraag omgevingsvergunning voor een buitenplanse afwijking van het omgevingsplan ten behoeve van een zonnepark aan de Lange Heerenstraat-Maaidijk te Oostburg34.676 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Mees Ruimte & Milieu | 18094.GOFLO

Pagina | 27

Figuur 9. Aanduiding ‘Waarde – Archeologie 1’ (projectlocatie bij benadering rood omlijnd)

Binnen de gronden waarop deze dubbelbestemming van toepassing is dient een vergunning te worden aangevraagd en archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd wanneer gebouwd wordt of wanneer sprake is van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden. Uitzondering op deze regel is die gevallen waarin sprake is van bouwwerken of werkzaamheden met een oppervlakte van minder dan 250 m 2 of wanneer geen grondgroerende werkzaamheden plaatsvinden die dieper reiken dan 40 cm, waarbij tevens geen sprake is van hei- of graafwerkzaamheden. De rood oplichtende gebieden betreffen de gebieden met een archeologische verwachtingswaarde. Gelet op de gegeven vrijstellingsoppervlakte en -diepte in relatie tot de omvang van de projectlocatie, is archeologisch onderzoek noodzakelijk. Om deze reden wordt in de eerste plaats een verkennend archeologisch onderzoek in gang gezet. Resultaten worden indien nodig meegenomen bij verdere planontwikkeling. Ten behoeve van de bouwaanvraag wordt nader archeologisch onderzoek uitgevoerd. Belemmeringen worden op voorhand niet verwacht. Cultuurhistorie De projectlocatie ligt niet in of nabij een beschermd stadsgezicht en/of dorpsgezicht. De projectlocatie ligt niet in of nabij werelderfgoed. Ontwikkelingen op de projectlocatie kunnen hierdoor geen invloed hebben op de universele waarde van het werelderfgoed.

Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld door bureau Feddes en Olthof. Hieruit blijkt dat de uitstraling van het omringende landschap grotendeels nog wordt bepaald door beplante historische dijken en lager gelegen kreken. Het landgebruik is voornamelijk weideland, met enkele boomgaarden. Het plangebied grens aan de westzijde aan een historische dijk, en aan de noordoostzijde aan een kreek. Door zorgvuldig met deze landschappelijke structuren om te gaan blijft het karakteristieke landschap gespaard. Dit kan bijvoorbeeld door enige afstand te bewaren tussen de panelen en de kreek, of door langs de historische dijk een nieuwe haag aan te planten. Daarnaast is sprake van een geroteerde zuidopstelling, wat ertoe leidt dat de richting van het landschap wordt gehandhaafd. De hoogte van de panelen op het bestaande maaiveld en in relatie tot de maaiveldhoogte van de omliggende wegen, zorgt er voor dat men nog over de panelen heen kan kijken, waardoor de weidsheid van het landschap te beleven blijft. Voor de volledige inhoud van het landschapsplan wordt verwezen naar de bijlagen bij voorliggende onderbouwing.

Mees Ruimte & Milieu | 18094.GOFLO

Pagina | 28

Conclusie Het aspect cultuurhistorie, monumenten en archeologie vormt een randvoorwaarde voor de beoogde ontwikkeling op de projectlocatie.

DUURZAAMHEID Klimaat en energietransitie Algemeen Beleid Rijk In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI, zie paragraaf 3.1.1.1 van deze GOFLO) zijn de ambities van het Rijk opgenomen die onder andere betrekking hebben op de fysieke leefomgeving in Nederland. Onderdeel hiervan is het beleidsdoel om ruimte te bieden voor klimaatadaptatie en energietransitie. Hiervoor heeft het Rijk de volgende beleidsdoelen: • •

• •

Nederland is in 2050 klimaatbestendig en water robuust. Bij (her)ontwikkelingen wordt voorkomen dat het risico op schade en slachtoffers door overstromingen of extreem weer toeneemt, voor zover dat redelijkerwijs haalbaar is. Om de klimaatdoelstellingen voor 2050 te behalen is ervoor gekozen dat het grootste gedeelte van de energieproductie wordt gerealiseerd door middel van windparken op de Noordzee. Ook de ruimte op zee is schaars: naast de vraag om ruimte voor energie, is er ruimte nodig voor scheepvaart, visserij, natuur(herstel), luchtvaart, defensieoefengebieden, zandwinning, olie- en gaswinning en recreatie. De opgave is om de juiste maatschappelijke balans te vinden in de ruimtelijke ontwikkeling van de Noordzee binnen de randvoorwaarden van een gezond ecosysteem. Dit is uitgewerkt in het Programma Noordzee 2022-2027. De energie-infrastructuur wordt geschikt gemaakt voor duurzame energiebronnen. De opgave van duurzame energie wordt gerealiseerd met het oog voor de kwaliteit van de omgeving en zo veel mogelijk gecombineerd met een andere functie.

Beleid Provincie Omgevingsvisie en Omgevingsprogramma De provincies stellen beleidsdoelen op in hun visiedocumenten ten aanzien van de risico’s van de klimaatverandering en energietransitie. In paragraaf 3.4 en 3.5 van deze GOFLO zijn deze doelen reeds aan bod gekomen. Derhalve wordt voor een beschrijving van deze doelen verwezen naar p. 21 van deze GOFLO. Omgevingsverordening en instructieregels In de Omgevingsverordening kan de provincie dwingende bepalingen opgenomen hebben waaraan gemeenten in het omgevingsplan moeten voldoen. Dit noemt men instructieregels. Omgevingsplan gemeente De gemeente stelt normen en regels vast in het omgevingsplan waaraan getoetst dient te worden. Deze normen kunnen ook betrekking hebben op klimaatadaptatie en energietransitie. De normen worden vervat als omgevingswaarden in het omgevingsplan. Relatie tot ontwikkeling Met de beoogde ontwikkeling wordt invulling gegeven aan de energietransitie en wordt een bijdrage geleverd aan het behalen van de duurzaamheidsdoelen van de gemeente zoals reeds beschreven in paragraaf 3.5 en aan de duurzaamheidsdoelen van de provincie zoals beschreven in paragraaf 3.2. Conclusie Het aspect klimaat en energietransitie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

Mees Ruimte & Milieu | 18094.GOFLO

Pagina | 29

ZORGVULDIG RUIMTEGEBRUIK / LADDER VOOR DUURZAME VERSTEDELIJKING Algemeen De toets voor zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand, ook wel de ‘laddertoets’ genoemd, moet gedaan worden voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen die 'voldoende substantieel’ zijn. Het doel van de laddertoets is een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in (niet-) stedelijke gebieden. Wettelijk kader Artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand) 1. Dit artikel is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is. 2. Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met: a. de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en b.

als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stede- lijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. 3. Voor de toepassing van het tweede lid, onder b, wordt tot het stedelijk gebied niet gerekend een stedelijke ontwikkeling waarvoor: a. op grond van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist; en b. nog geen toepassing is gegeven aan het tweede lid. 4. Als een omgevingsplan voorziet in de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en de beoordeling van de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, heeft die beoordeling alleen tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Artikel 8.0b Besluit kwaliteit leefomgeving 1. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, anders dan een omgevingsplanactiviteit van provinciaal of nationaal belang, zijn op de beoordeling van de aanvraag van overeenkomstige toepassing: a.

de regels van hoofdstuk 5;

Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie maakt geen onderdeel uit van het bestaand stedelijk gebied. Uit een uitspraak blijkt van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Raad van State) blijkt dat voor de aanleg van een zonnepark het doorlopen van de Ladder voor duurzame verstedelijking niet nodig is. Dit omdat de ontwikkeling van een zonnepark niet als stedelijke ontwikkeling wordt getypeerd. Daarbij neemt de Raad van State in aanmerking dat een zonnepark zich bij uitstek niet goed leent voor realisatie binnen bestaand stedelijk gebied. Wanneer de Ladder van toepassing zou zijn op dergelijke ontwikkelingen, zou dit betekenen dat het bevoegd gezag telkens opnieuw dient te motiveren waarom de ontwikkeling niet binnenstedelijk plaats kan vinden. Dat is in het geval van een initiatief zoals voorliggende ontwikkeling, niet logisch. De Ladder voor duurzame verstedelijking hoeft daarom niet doorlopen te worden. Verwezen wordt naar de uitspraak van 23 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:178. De nut en noodzaak van het project zal evenwel blijken uit de navolgende beleidsparagrafen. Conclusie Het doorlopen van de Ladder voor duurzame verstedelijking is niet benodigd gezien een zonnepark niet als een stedelijke ontwikkeling wordt getypeerd.

Mees Ruimte & Milieu | 18094.GOFLO

Pagina | 30

5

ASPECTEN FYSIEKE LEEFOMGEVING In deze Goede onderbouwing van de Fysieke leefmgeving (GOFLO) wordt beschreven op welke wijze rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Deze aspecten omvatten in ieder de onderdelen die zijn opgenomen in artikel 1.2 van de Omgevingswet.

ACTIVITEITEN EN MILIEUZONERING Algemeen De Omgevingswet zorgt voor een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. Daartoe integreert de Omgevingswet het ruimtelijk spoor en het milieuspoor. De Omgevingswet beoogt maatwerk te bieden op basis van de specifieke kenmerken van de locatie én van het type activiteit. Dit gebeurt door gebruik te maken van milieuwaarden. Milieuwaarden zijn milieuaspecten of hinderaspecten waarvoor in het door de gemeente op te stellen omgevingsplan normen worden gesteld. Deze normen zien toe op geluid, geur en licht. De milieuthema’s stof en gevaar worden op andere wijze gereguleerd. Het inzichtelijk maken van milieuwaarden komt aan de orde wanneer een nieuwe functie wordt gestart, een bestaande functie wordt veranderd of een ingrijpende wijziging van de bedrijfsvoering plaatsvindt. In 2019 heeft de VNG de uitgave Milieuzonering nieuwe stijl gepubliceerd. Kern van deze publicatie is om de toelating van bedrijven te reguleren op basis van een voor een locatie beschikbaar gestelde milieuruimte per bedrijf, aan de hand van de eerder genoemde milieuwaarden. De invoering van de Omgevingswet (per 1januari 2024) is de belangrijkste reden geweest om te komen tot een nieuwe Handreiking Activiteiten en Milieuzonering 2024.

Deze handreiking vervangt de publicaties Bedrijven en milieuzonering uit 2009 en Milieuzonering Nieuwe Stijl uit 2019, welke zijn gebaseerd op de Wro respectievelijk de Crisis- en herstelwet. Met de handreiking kan beter worden ingeschat of een activiteit voor wat betreft de benodigde gebruiksruimte voor geluid en geur in een bepaald gebied inpasbaar is. In de handreiking zijn drie mogelijkheden beschreven om in te schatten of een bepaalde activiteit past binnen de toepasselijke zones voor geluid en geur of bijvoorbeeld geschikt is voor functiemenging. De opties luiden als volgt: 1. een inschatting van de feitelijke situatie aan de hand van concrete criteria voor geluid en geur; 2. een indicatie aan de hand van de getransponeerde tabel Bedrijven en milieuzonering (VNG, 2009); 3. door het uitvoeren van gericht onderzoek. Relatie tot ontwikkeling De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van een zonnepanelenpark. Op basis van de getransponeerde tabel Bedrijven en milieuzonering wordt een indicatie gemaakt om in te schatten of de activiteit, in dit geval een zonnepanelenpark, binnen de toepasselijke zones voor geluid en geur past of bijvoorbeeld geschikt is voor functiemening. Bij de zonnepanelen worden een aantal omvormers en een verdeelkast geplaatst.

De activiteit zou daardoor vergeleken kunnen worden met elektriciteitsdistributiebedrijven van, in dit geval, 10 – 100 MVA. De activiteit valt dan in milieucategorie 3.1. Dit betekent dat voor het aspect geluid 50 meter afstand als richtafstand dient te worden gehouden van woningen. De zonnepanelen zelf veroorzaken geen geluid.

Mees Ruimte & Milieu | 18094.GOFLO

Pagina | 31

Bij de plaatsing van omvormers en een collecting station dient rekening gehouden te worden met de voornoemde richtafstand tot woningen. De dichtstbijzijnde woonbestemming is de woonbestemming gelegen aan de noordzijde van het projectgebied. Daarnaast liggen op een iets grotere afstand ook aan de zuid- en westkant van de projectlocatie woonbestemmingen. Bij de inrichting van het plan is rekening gehouden met de richtafstand van 50 meter. Er treden ten aanzien van deze woningen daarom geen belemmeringen op voor de beoogde ontwikkeling. Bedrijven op zuidwestelijk gelegen bedrijventerrein Sluis ondervinden geen belemmering in de bedrijfsvoering als gevolg van zonnepanelen. Er worden derhalve geen belemmeringen voorzien ten aanzien van het aspect bedrijven en milieuzonering. Ten slotte bevindt zich aan de zuidzijde van de projectlocatie, naast het aansluitpunt van het zonnepark op de grid, een zoekgebied om een energieopslagsysteem middels batterijen te plaatsen. Hierdoor wordt de leveringszekerheid van het zonnepark verbeterd en wordt overbelasting van het elektriciteitsnet voorkomen. De batterijen maken geen geluid en zijn op meer dan 50 meter afstand van het verdeelstation en de gasleiding gelegen. Conclusie In het kader van activiteiten en milieuzonering is sprake van een etfal.

BODEM Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving: • • • •

Regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerksvoorschrift (artikel IIIa, paragraaf 2.3.6a.2); Regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 en 3.2.22Bal); Regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4) Maatwerkregels over het saneren van de bodem in het zinkassengebied De Kempen, (paragraaf 2.3.6a.5). Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit.

Relatie tot ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in de realisatie van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. Er is immers sprake van de realisatie van een zonnepanelenpark. In de huidige situatie is het gebruik van de projectlocatie agrarisch. De gronden zijn geschikt voor het beoogde gebruik, er is immers geen sprake van toekomstige gebruikers (zoals bewoners) die in aanraking kunnen komen met eventueel vervuilde grond. In het kader van de planologische procedure is daarom geen bodemonderzoek noodzakelijk. In een later stadium zal in het kader van de vergunning voor het bouwen een bodemonderzoek worden uitgevoerd.

Mees Ruimte & Milieu | 18094.GOFLO

Pagina | 32

Conclusie In het kader van bodem is sprake van een etfal.

EXTERNE VEILIGHEID Algemeen Bij externe veiligheid gaat het om de risico’s van het gebruik en transport van gevaarlijke stoffen, de veiligheid van inrichtingen en de veiligheid van nieuwe, zich snel ontwikkelende technologieën. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl van het Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Externe veiligheidsbeleid biedt de kaders waarmee een gebied zo ingericht kan worden dat mensen die er wonen of werken voldoende zijn beschermd bij ongevallen met gevaarlijke stoffen. Door vooraf na te denken over bescherming en doeltreffende maatregelen te nemen, kunnen mensen die in het gebied wonen of werken worden beschermd. Dit kan bijvoorbeeld door afstand te houden of mensen in het gebied de mogelijkheid te bieden om te vluchten of schuilen. Het 'plaatsgebonden risico' en 'aandachtsgebieden' zijn instrumenten van het externe veiligheidsbeleid waarmee invulling gegeven wordt aan het beschermen van de omgeving. Het wettelijk kader m.b.t.

externe veiligheid is vastgelegd in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). In het besluit staan instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Bij de beoordeling van de externe veiligheid zijn twee begrippen van belang: • Plaatsgebonden risico (PR): de kans op het overlijden van een onbeschermd en continu aanwezig persoon buiten de begrenzing van de locatie waar een activiteit wordt verricht als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door die activiteit. Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). • Aandachtsgebieden: aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen.

Dat betekent dat zich binnen dat gebied bij een ongeval met gevaarlijke stoffen levensbedreigende gevaren voor personen in gebouwen kunnen voordoen. Ook al is de kans daarop klein. Het aandachtsgebied vormt een instrument om het gesprek over veiligheid en bescherming door het treffen van maatregelen te starten. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Er is een onderscheid tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Daarmee zijn er ook drie typen aandachtsgebieden: o Brandaandachtsgebied o Explosieaandachtsgebied o Gifwolkaandachtsgebied Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV).

Mees Ruimte & Milieu | 18094.GOFLO

Pagina | 33

De gemeente moet in het omgevingsplan binnen deze aandachtsgebieden rekening houden met het groepsrisico. Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied. Dit staat in het eerste lid van artikel 5.15 van het Bkl. Dit artikel biedt de gemeenteraad een eigen afwegingsruimte bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen een aandachtsgebied. Dat wil zeggen: zolang het gaat om een locatie buiten de afstand waar de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico geldt. Het noemen van het aantal van tien personen betekent niet dat de kans berekend moet worden. De vraag of van een groepsrisico sprake is, kan de gemeente ook beantwoorden met demografische gegevens of onderbouwde schattingen. Maatregelen Het bevoegd gezag kan diverse maatregelen inzetten om mensen te beschermen binnen de aandachtsgebieden. Deze gereedschapskist bestaat uit de volgende maatregelen: • afstand houden tot de risicobron binnen het aandachtsgebied • aanvullende risicocommunicatie • beperken van personendichtheden in de omgeving van de risicobron • vlucht- en schuilmogelijkheden • omgevingsmaatregelen • aanvullende bouwmaatregelen in een voorschriftengebied. Voorschriftengebied Een gemeente kan binnen een aandachtsgebied voorschriftengebieden aanwijzen.

Een voorschriftengebied kan een deel van of het gehele aandachtsgebied zijn. De gemeente wijst in dat geval een locatie binnen een (brand- of explosie)aandachtsgebied als (brand- of explosie)voorschriftengebied aan in het omgevingsplan. In dit deel van het aandachtsgebied gelden dan aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen. Deze aanvullende bouweisen staan in de artikelen 4.90 tot en met 4.96 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Zij hebben tot doel om mensen in een gebouw beter te beschermen tegen de effecten van een brand of explosie. Voor gedeelten van het bouwwerk buiten het voorschriftengebied gelden geen aanvullende bouweisen uit het Bbl. Als de gemeente geen brand- of explosievoorschriftengebied in het omgevingsplan heeft aangewezen, gelden binnen het aandachtsgebied geen aanvullende bouweisen. Zeer kwetsbare gebouwen Locaties voor zeer kwetsbare gebouwen in een brand- of explosieaandachtsgebied moeten altijd worden aangewezen als voorschriftengebied. Voor deze gebouwen zijn de aanvullende bouweisen na aanwijzing van het voorschriftengebied in het omgevingsplan dus altijd van toepassing. Het gaat dan om bijvoorbeeld ziekenhuizen, basisscholen en kinderdagverblijven. De aanvullende bouweisen gelden niet voor bestaande gebouwen die binnen een voorschriftengebied liggen.

Deze gelden alleen in geval van nieuwbouw of vervangende nieuwbouw. Groepsrisico Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Relatie tot ontwikkeling Voor de beoogde ontwikkeling geldt dat een zonnepanelenpark geen kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object betreft in het kader van externe veiligheid. In onderstaand figuur is de kaartviewer Atlas Leefomgeving weergegeven. Het projectgebied is deels gelegen binnen de invloedssfeer van een relevante risicobron. Het betreft een buisleiding van de Gasunie (NL.IMEV.GASU.BuisleidingStelsel-Z-551-03). Het projectgebied is deels gelegen binnen het brandaandachtsgebied van de hoge druk aardgas buisleiding. In onderstaand figuur is te zien dat het brandaandachtsgebied op enkel het zuidelijke deel van de projectlocatie gelegen is. Het plaatsgebonden Mees Ruimte & Milieu | 18094.GOFLO

Pagina | 34

risico in een straal van 55 meter rondom de buisleiding is. Daarnaast ligt binnen 55 meter rondom de buisleiding een PR 10-8 contour. Gezien de beoogde ontwikkeling geen kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object is, is er voor de beoogde ontwikkeling geen belemmering in het kader van externe veiligheid. Op circa 35 meter van de projectlocatie is de dichtstbijzijnde woning gelegen. Gezien de voorgenomen activiteit geen risicovolle activiteit betreft, vormt dit geen belemmering. De belemmeringszone voor de gasleiding is 5 meter aan beiden kanten van de buis. In deze zogenoemde belemmeringenzone van de gasleiding, dient geen diepwortelende beplanting te liggen. Dit om schade aan de leiding te voorkomen. Bij de beoogde ontwikkeling wordt in deze belemmeringenzone niks veranderd aan de huidige situatie. Op 5 meter afstand van de buisleiding wordt een haag en een hek geplaatst. Bij de beoogde ontwikkeling wordt rekening gehouden met de belemmeringenzone en derhalve vormt de gasleiding geen belemmering voor de ontwikkeling.

Figuur 10. Uitsnede risicokaart, projectlocatie ter plaatse van ‘i’ (bron: https://www.atlasleefomgeving.nl)

Conclusie In het kader van externe veiligheid is sprake van een etfal.

GELUID Algemeen De instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) voor geluid wijzen geluidgevoelige gebouwen en ruimten aan ter bescherming van mensen tegen geluid. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie van belang, te weten: • Woonfunctie • Onderwijsfunctie • Bijeenkomstfunctie voor kinderopvang • Gezondheidszorgfunctie Op het moment dat een van bovenstaande functies ontwikkeld wordt, zal middels een geluidsonderzoek aangetoond moeten worden of er voldaan wordt aan de wettelijke standaardwaarde geluid of de

Mees Ruimte & Milieu | 18094.GOFLO

Pagina | 35

grenswaarde geluid uit het Bkl. Deze waarden zijn van toepassing op het geluid door alle geluidbronnen van een geluidbronsoort. De onderstaande tabel geeft de waarden weer. Geluidbronsoort Provinciale wegen Rijkswegen Gemeentewegen Waterschapswegen Lokale spoorwegen Hoofdspoorwegen Industrieterreinen Industrieterreinen

Standaardwaarde (tabel 5.78t Bkl) 50 Lden

Grenswaarde (tabel 5.78u Bkl) 60 Lden

53 Lden

70 Lden

55 Lden

65 Lden

50 Lden 40 Lnight

55 Lden 45 Lnight

Op het moment dat wordt voldaan aan de standaardwaarde, is het geluid in ieder geval aanvaardbaar en de kans op gezondheidsschade klein. Het bevoegd gezag heeft de mogelijkheid om meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar te beoordelen, maar dan dient aan een aantal wettelijke eisen te worden voldaan. Voorbeelden hiervan zijn dat er geen geluidbeperkende maatregelen getroffen kunnen worden om aan de standaardwaarde te voldoen of dat de geluidbeperkende maatregelen zorgen voor zoveel mogelijk beperking van overschrijding van de standaardwaarde. Geluid boven de grenswaarde is niet toegestaan, behoudens enkele uitzonderingen. Zo kan bij zwaarwegende economische of andere maatschappelijke belangen, onder voorwaarden, een overschrijding van maximaal 5 dB van de grenswaarde worden toegestaan. Wel dient als compensatie daarvoor te worden nagedacht over het realiseren van een geluidluwe gevel. Er zijn ook andere gebouwen en locaties die niet zijn aangeven als geluidgevoelig. Voorbeelden hiervan zijn: kantoren, recreatiewoningen, begraafplaatsen of parken. Hiervoor geldt dat de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid kan bepalen vanuit haar taak ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. Zodra in een gebouw of op een locatie met zekere regelmaat en voor een langere tijd personen kunnen verblijven dient het onderdeel geluid nader bekeken te worden.

De praktijk wijst uit dat een goede locatiekeuze van activiteiten of functies meestal voldoende is voor het bereiken van het gewenste beschermingsniveau. De instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) beperken zich tot geluidgevoelige gebouwen en geluidgevoelige ruimten. Deze instructieregels verschillen (deels) per type geluidsbron zoals bedrijven en wegen. Daarnaast moet er gekeken worden naar geluid van alle geluidbronnen samen. Tot slot geldt voor geluidsnormen van onversterkt menselijk stemgeluid, zoals dat van spelende kinderen op een schoolplein, dat dit niet met waarden wordt gereguleerd. Volgens artikel 5.59 van het Bkl moet het omgevingsplan regelen dat het geluid dat wordt veroorzaakt door een activiteit op een geluidsgevoelig gebouw (zoals woningen) aanvaardbaar is. In een omgevingsplan kunnen, om het stemgeluid van spelende kinderen te reguleren, voorschriften worden opgenomen. Dit kan bijvoorbeeld zijn ten aanzien van het aantal kinderen dat tegelijkertijd buiten mag spelen om een aanvaardbaar geluidniveau te behouden. Relatie tot ontwikkeling Met de realisatie van een zonnepanelenpark wordt geen geluidgevoelige functie gerealiseerd. De zonnepanelen produceren bovendien geen geluid. Alleen de omvormers zullen enigszins geluid produceren. Deze zijn echter voorzien van een gebouw.

De omvormers kunnen vergeleken kunnen worden met elektriciteitsdistributiebedrijven van, in dit geval, 10 - 100 MVA. Voor deze activiteit betekent dat voor het aspect geluid 50 meter afstand als richtafstand dient te worden gehouden van woningen in het kader van bedrijven en milieuzonering. Aan deze afstand wordt voldaan (zie ook paragraaf 4.1 en 5.1). Daarnaast produceren de batterijen die worden geplaatst om de stroom op het net te kunnen verdelen geen geluid. Conclusie In het kader van geluid is sprake van een etfal.

Mees Ruimte & Milieu | 18094.GOFLO

Pagina | 36

LUCHT Algemeen De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO 2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier reeds een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. De vergunningverlener beoordeelt een aanvraag op het effect op de luchtkwaliteit in de leefomgeving. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) Toetsen aan de omgevingswaarden voor luchtkwaliteit is niet nodig indien een project of activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging. Dan gaat het bijvoorbeeld om een ruimtelijk project of activiteit waarvoor een omgevingsvergunning nodig is maar waarvan de bijdrage aan de luchtverontreiniging klein is.

Indien dit het geval is, is er geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor (NO 2) en fijnstof (PM10) nodig. Een project of activiteit draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Dit volgt uit artikel 5.53 en 5.54 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). In artikel 5.54 van het Bkl staan standaardgevallen niet in betekenende mate aangegeven, waaronder: • Gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan: 1.500 woningen netto bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. • Gebouwen met een kantoorfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan: 100.000 m 2; bruto vloeroppervlak bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 brut vloeroppervlak en een gelijkmatige verkeersverdeling bij twee ontsluitingswegen. • Zowel gebouwen met een kantoorfunctie als gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties van die gebruiksfuncties, met: o één ontsluitingsweg: het aantal woningen maal 0,0008 en een bruto-vloeroppervlakte van kantoorfuncties en nevengebruiksfuncties daarvan in vierkante meter maal 0,000012 dat samen opgeteld kleiner is dan of gelijk is aan 1,2; of o twee ontsluitingswegen: een evenredig aantal woningen en een evenredig grote brutovloeroppervlakte van kantoorfuncties.

Het CIMLK is in opdracht van IenW in beheer bij het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). De structuur en betekenis van gegevens in het CIMLK is vastgelegd in een Informatiemodel Monitoring Luchtkwaliteit. Relatie tot ontwikkeling In onderhavig geval is sprake van de aanleg van een zonnepanelenpark. De zonnepanelen leveren duurzame energie voor ca. 6.560 huishoudens en hebben daarmee een CO2 reductie van ca. 9.700 ton per jaar als gevolg. Er vindt geen uitstoot plaats van (schadelijke) stoffen door het park zelf of door het aan het park gerelateerde vervoersbewegingen. Het park heeft bovendien nagenoeg geen verkeersaantrekkende werking. Conclusie In het kader van lucht is sprake van een etfal.

Mees Ruimte & Milieu | 18094.GOFLO

Pagina | 37

MILIEUEFFECTRAPPORTAGE Algemeen De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU-richtlijn mer Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Omgevingswet (afdeling 16.4) en het Omgevingsbesluit (hoofdstuk 11) met bijlage V. In afdeling 16.4 Omgevingswet is onderscheid gemaakt tussen de MER en de mer-beoordeling voor plannen en programma’s (paragraaf 16.4.1) en tussen de MER en de mer-beoordeling voor projecten (paragraaf 16.4.2). In bijlage V van het Omgevingsbesluit is de aanwijzing van de mer-(beoordelings-)plichtige projecten en besluiten geregeld. In bijlage V zijn verschillende kolommen opgenomen. Zo bevat kolom 1 in samenhang met kolom 2 van bijlage V Omgevingsbesluit de projecten waarvoor een project-MER moet worden gemaakt. Kolom 1 in samenhang met kolom 3 van bijlage V Omgevingsbesluit bevat de projecten waarvoor een project-mer-beoordeling moet worden verricht. De besluiten waarvoor de projectMER-plicht of de projectmer-beoordelingsplicht geldt, zijn aangewezen in kolom 4 van bijlage V Omgevingsbesluit. In kolom 4 wordt onder ‘het omgevingsplan’ ook ‘de omgevingsplanactiviteit’ verstaan (art. 11.6 lid 3 Omgevingsbesluit).

Indien een ontwikkeling bijvoorbeeld kwalificeert als een stedelijk ontwikkelingsproject, is een mer-beoordeling noodzakelijk. Er dient in dat geval te worden beoordeeld of sprake kan zijn van mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen. De initiatiefnemer van een mer-beoordelingsplichtig project moet zijn voornemen schriftelijk mededelen aan het bevoegd gezag (zie ook Omgevingsbesluit artikel 11.10). De mededeling is vormvrij, wel zijn er eisen aan de inhoud. In de praktijk staat de informatie vaak in een aparte notitie (aanmeldnotitie). In deze mededeling staat de informatie die het bevoegd gezag nodig heeft om te bepalen of de initiatiefnemer een MER moet maken. De mededeling en aanvraag kunnen tegelijkertijd, het verzoek om de mer-beoordelingsbeslissing is dan onderdeel van de aanvraag. Het is ook mogelijk om eerst te verzoeken om een merbeoordelingsbeslissing, en daarna de aanvraag te doen. Het bevoegde gezag beslist binnen zes weken of sprake is van aanzienlijke milieueffecten en neemt die boordeling op in de te verlenen omgevingsvergunning (artikel 11.11 Omgevingsbesluit). Relatie tot ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van een zonnepanelenpark op agrarische gronden.

De realisatie van zonnepanelenparken valt niet onder de volgende categorieën uit bijlage V van het Omgevingsbesluit: • C1: centrales voor de productie van elektriciteit of • J11: stedelijk ontwikkelingsproject of • J12: landinrichtingsproject. Onder J11 wordt een stedelijke ontwikkelingsproject genoemd. In de nota van toelichting op het Omgevingsbesluit wordt het begrip ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ ook geduid. Hier wordt over gezegd: “Een stedelijk ontwikkelingsproject is een ruim begrip, waar onder andere woningbouw, de bouw van kantoren, universiteiten, bioscopen, theaters, winkelcentra, woonboulevards, parkeerterreinen, ziekenhuizen en scholen onder vallen. Tot een stedelijk ontwikkelingsproject worden ook alle voorzieningen gerekend die moeten worden getroffen voor dat project, zoals de aanleg van infrastructuur”. Er kan overigens geen misverstand over bestaan dat ook ‘dorpen’ hieronder vallen. Wat ‘stedelijke ontwikkeling’ inhoudt kan van regio tot regio verschillen. Van belang hierbij is of er per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen zijn. Indien bijvoorbeeld een woonwijk wordt afgebroken en er komt een nieuwe voor in de plaats, zal dit in de regel per saldo geen of weinig milieugevolgen hebben. Bij een uitbreiding zal er eerder sprake kunnen zijn van aanzienlijke gevolgen.

Het zonnepanelenpark is daarmee niet mer-plichtig, omdat niet gesproken kan worden van een stedelijke ontwikkeling in de zin van het Besluit mer Dit blijkt daarnaast ook uit een uitspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2019:2770). Gelet op de kenmerken van het project zullen ook geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Mees Ruimte & Milieu | 18094.GOFLO

Pagina | 38

Conclusie Omdat geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject is een mer-beoordeling niet noodzakelijk.

MOBILITEIT EN PARKEREN Algemeen Bij mobiliteit en ruimtelijke planvorming dienen verkeer- en parkeeraspecten in kaart te worden gebracht. Nieuwe ontwikkelingen mogen namelijk niet leiden tot problemen op de omliggende wegen. Mobiliteit speelt op alle schaalniveaus (Rijk, provincie, regio en gemeente). Zo bevat het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) verschillende rijksinstructieregels voor de instandhouding van de rijksinfrastructuur. In de omgevingsvisies, de omgevingsverordening en het omgevingsplan komt het aspect mobiliteit ook terug. Op het moment dat de gemeente of provincie specifieke ambities heeft voor mobiliteit kan dit uitgewerkt worden in een programma, zoals bijvoorbeeld een Regionaal mobiliteitsprogramma (RMP). In deze RMP’s wordt hoofdzakelijk gefocust op verbetering van de duurzame mobiliteit middels een regionale aanpak. Relatie tot ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling betreft de aanleg van een zonnepanelenpark. Een dergelijke ontwikkeling brengt in beginsel nagenoeg geen parkeerbehoefte met zich mee, omdat het een functie is die over het algemeen geen bezoekers en/of publiek aantrekt. Hierdoor is ook de verkeersaantrekkende werking laag. Uitzondering hierop vormen enkele verkeersbewegingen ten behoeve van beheer en onderhoudt (en tijdens de aanleg- en ontmantelingsfase). Indien dit het geval is kan geparkeerd worden op eigen terrein.

Aan het zuidoostelijke deel van de projectlocatie komt een in- en uitrit. In figuur 2 is dit weergegeven. Conclusie Het aspect mobiliteit en parkeren vormt naar verwachting geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

NATUUR Algemeen De Omgevingswet regelt per 1 januari 2024 het belang van natuur als onderdeel van de fysieke leefomgeving. De wet borgt het welzijn van de mens, verbetert de bescherming van natuurkwaliteiten en breidt deze zo nodig uit. In de Omgevingswet wordt onderscheid gemaakt tussen de bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden. Bescherming gebieden De Omgevingswet bevat instrumenten om natuurgebieden te beschermen. Hierbij gaat het om Natura 2000gebieden, het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en bijzondere natuurgebieden en landschappen. Natura 2000-gebieden worden beschermd door de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor deze gebieden zijn instandhoudingsdoelstellingen vastgelegd aan de hand van een aanwijzingsbesluit. Instandhoudingsdoelstellingen Instandhoudingsdoelstellingen zoals bedoeld in artikel 2.43 Omgevingswet geven aan of de instandhouding moet zijn gericht op alleen behoud of dat ook herstel moet worden nagestreefd om een habitattype of -soort weer in een gunstige staat te brengen. Herstel in geval van habitattypen kan zowel uitbreiding oppervlakte als verbetering kwaliteit betreffen. In het geval van een herstelopgave voor soorten kan het gaan om uitbreiding van de omvang van het leefgebied en om verbetering van de kwaliteit van het leefgebied voor uitbreiding van de populatie.

Het NNN is een samenhangend landelijk ecologisch netwerk en is gericht op de bescherming, de

Mees Ruimte & Milieu | 18094.GOFLO

Pagina | 39

instandhouding en zo nodig het herstel van aanwezige dier- en plantsoorten, natuurlijke habitats en leefgebieden van soorten die van nature in Nederland voorkomen. Bijna alle aangewezen Natura 2000gebieden zijn onderdeel van het NNN. De provincie wijst in de omgevingsverordening de NNN-gebieden aan. Naast de Natura 2000-gebieden kan de minister van LNV bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen (artikel 2.44 lid 2 Omgevingswet). De provincie kan in de omgevingsverordening bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen aanwijzen (artikel 2.44 lid 5 Omgevingswet). Bescherming soorten Door een groot aantal activiteiten en invloeden staat het voortbestaan van veel dier- en plantsoorten onder druk. Daarom is soortenbescherming een onderdeel van de Omgevingswet. Hierbij gaat het om soorten van Europees belang die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen en om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland. Hier zijn als eerste de provincies verantwoordelijk voor. Ook andere overheden kunnen actief beleid voeren, zo is het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming een mogelijkheid. Bescherming houtopstanden Bomen en bossen vallen onder houtopstanden en vervullen een belangrijke en unieke functie in de fysieke leefomgeving.

Bescherming van houtopstanden is derhalve onderdeel van de Omgevingswet. Door de lange ontwikkelingstijd van bossen is deze bescherming van groot belang. Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) De Omgevingswet regelt in het Besluit activiteiten leefomgeving activiteiten die met natuur te maken hebben. Deze natuuractiviteiten gaan over dieren en planten in het wild en gebieden waarin ze leven. Het doel van de regels is onder meer het beschermen van soorten en gebieden. De activiteiten met betrekking tot de planologie zijn onder te verdelen in: -

Natura 2000-activiteiten; Geen Natura 2000-activiteit, wel nadelig voor Natura 2000-gebied; Flora- en fauna-activiteit (activiteiten met betrekking tot dieren of planten in het wild) Vellen en beheren van houtopstanden

Omgevingswaarden natuurgebieden Depositie van zwaveldioxide (SO2) en stikstofdioxiden (NO2) kan schade veroorzaken aan natuurgebieden. Om kwetsbare vegetatie te beschermen gelden omgevingswaarden (besluit kwaliteit leefomgeving, 2018, paragraaf 2.2.1, art. 2.3 lid 1; art. 2.4 lid 2). Deze omgevingswaarden gelden enkel voor natuurgebieden met een oppervlakte van 1.000 m2 of meer. Bovendien moet het natuurgebied liggen binnen; • 20 km van een aangewezen aaneenschakeling van steden en dorpen; • 5 km van bebouwing, een IPPC- installatie of een andere milieubelastende installatie, of een autosnelweg of autoweg waarvan per dag meer dan 50.000 motorvoertuigen gebruik maken. Relatie tot ontwikkeling In het kader van de planontwikkeling is door ecologisch adviesbureau Van der Goes & Groot een QuickScan Wet natuurbescherming uitgevoerd. De actualisatie van de rapportage is opgenomen in de bijlage bij voorliggende ruimtelijk onderbouwing. De resultaten worden hieronder integraal weergegeven. Bescherming gebieden Het projectgebied is niet gelegen in een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde gebied betreft ‘Groote Gat’ en is gelegen op een afstand van ca. 1,3 kilometer. Gezien de aard van de ontwikkeling worden geen negatieve effecten op dit gebied verwacht. Een nadere toetsing op dit onderdeel is derhalve niet benodigd.

Onderstaand figuur toont de ligging van de projectlocatie ten opzichte van Natura 2000-gebied ‘Groote Gat’.

Mees Ruimte & Milieu | 18094.GOFLO

Pagina | 40

Figuur 11. Natura 2000-gebieden omgeving projectgebied (https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/googlemapszoek2.aspx)

Het deel van het NNN dat binnen Zeeland valt heet ook wel het Natuurnetwerk Zeeland (NNZ). In onderstaand figuur is de ligging van het projectgebied ten opzichte van het NNZ in kaart gebracht. De locatie is niet gelegen in het NNZ, dergelijke gebieden zijn wel in de directe omgeving van de locatie gelegen. Er gelet op de aard van de ontwikkeling en het gegeven dat het zonnepark niet binnen het NNZ wordt gerealiseerd, geen negatieve effecten optreden. De plannen hoeven daarom verder niet getoetst te worden aan beschermde waarden binnen dit netwerk Figuur 12. NNZ, projectlocatie bij benadering rood omlijnd (https://kaarten.zeeland.nl/map/atlasvanzeeland)

Mees Ruimte & Milieu | 18094.GOFLO

Pagina | 41

Bescherming soorten Naast gebiedsbescherming is ook soortenbescherming beoordeeld. Hiertoe heeft een veldbezoek plaatsgevonden. De ontwikkeling van een zonnepark kan negatieve effecten hebben op de instandhouding van beschermde soorten, een en ander afhankelijk van de uitvoering van het project en de (mogelijk) aanwezige beschermde soorten binnen de projectlocatie. In voorliggend geval kunnen vogels en vleermuizen worden verwacht in en rondom het projectgebied. Hieronder worden beide soortgroepen besproken. Vogels met niet-jaarrond beschermde nesten Het plangebied is geschikt voor diverse vogels met niet-jaarrond beschermde nesten. In verband daarmee dient rekening te worden gehouden met het broedseizoen. Dit is goed op te nemen in de planning van de uitvoering. Indien onverhoopt toch werkzaamheden plaats dienen te vinden binnen deze periode, zal dit op voorhand duidelijk zijn. In dat geval wordt het gebied voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt gemaakt voor deze soortgroep. Negatieve effecten worden daarmee voorkomen.

Vogels met jaarrond beschermde nesten Voor het mogelijk incidentele gebruik van het plangebied door vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten uit de omgeving van het plangebied (zoals de Buizerd), wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De vogels kunnen derhalve gemakkelijk uitwijken. Haas Het terrein is geschikt als leefgebied voor Haas. Van de soort werden tijdens het veldbezoek ook meerdere individuen waargenomen. Voor deze soort dient een ontheffing in het kader van de Wet Natuurbescherming te worden aangevraagd. Ten behoeve van de bouwaanvraag wordt deze ontheffing aangevraagd. Voor deze ontheffing dient, middels het opstellen van een activiteitenplan, voldoende gedaan te worden aan mitigerende en compenserende maatregelen om deze ontheffing te verkrijgen. Maatregelen kunnen bijvoorbeeld zijn: het tijdstip van bouwrijp maken van het plangebied en het gefaseerd beheren van het zonnepanelenpark waarbij ten allen tijde een substantieel deel van het park hoge grasbegroeiing heeft. Vleermuizen Voor vleermuizen geldt dat het enkel gaat om foeragerende vleermuizen. Van verblijfplaatsen of een vliegroute is geen sprake omdat het projectgebied daartoe geen potentie heeft.

Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep. Na realisatie van het plan zal het plangebied nog steeds uitstekend kunnen dienen als foerageergebied voor vleermuizen. Bescherming houtopstanden Ter plaatse van de projectlocatie zijn geen bomen of bossen aanwezig die zullen worden gekapt. Conclusie Ten behoeve van de bouw zal de ontheffing worden aangevraagd en een activiteitenplan worden opgesteld. Tijdens de aanleg en het gebruik van het zonnepanelenpark wordt rekening gehouden met de Haas. Waardoor sprake zal zijn van een etfal.

WATERBELANG Algemeen Op grond van de Omgevingswet is het wegen van het waterbelang noodzakelijk bij het vaststellen van het omgevingsplan. Met ingang van de Omgevingswet vervangt het begrip 'weging van het waterbelang' de term watertoets. De weging van het waterbelang geldt bij het vaststellen van het omgevingsplan (artikel 5.37 van het Bkl). De regeling voor weging van het waterbelang is geformuleerd als instructieregel. De betekenis van deze instructieregel moet gezien worden in het licht van de belangenafweging die plaatsvindt in het omgevingsplan. Art. 5.37 lid 1 verplicht de gemeente bij die belangenafweging om in het omgevingsplan met Mees Ruimte & Milieu | 18094.GOFLO

Pagina | 42

de relevante waterbelangen rekening te houden en daarbij de opvattingen van de waterbeheerder te betrekken. Daarnaast is de weging ook noodzakelijk bij bijvoorbeeld een buitenplanse omgevingsactiviteit (paragraaf 8.1.1.2 Bkl). De waterbeheerder brengt het waterbelang bij de totstandkoming van een ruimtelijk plan onder de aandacht van het bestuursorgaan dat bevoegd is het betreffende ruimtelijk plan vast te stellen. Daarbij vormt de toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan het kader. De waterbelangen zien met name op het voorkomen en beperken van overstromingen (waterveiligheid), wateroverlast en droogte (waterkwantiteit). Verder strekt de weging van het waterbelang zich uit over het belang van een goede waterkwaliteit. Ook de vervulling van op grond van de wet aan watersystemen toegekende maatschappelijke functies, zoals scheepvaart of zwemwater, is een van deze waterbelangen. Door ontwikkelingen als klimaatverandering, met meer extreem natte en droge periodes, en bodemdaling wegen waterbelangen steeds nadrukkelijker mee bij ruimtelijke beslissingen. Het is aan het daartoe bevoegde bestuursorgaan om in het betreffende ruimtelijk plan rekening te houden met de waterbelangen. In zoverre zijn de opvattingen van de waterbeheerder dus niet doorslaggevend.

Het is nadrukkelijk de bedoeling dat via deze regeling de waterbelangen meer aan de voorkant van het planproces aan de orde komen (Stb. 2018, 292, p. 340). In de Omgevingswet en Besluit kwaliteit leefomgeving geeft het Rijk aan welke vergunningplichten gelden voor verschillende wateractiviteiten. Zo stelt het Rijk een vergunningplicht voor onder andere een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk, een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een installatie in een waterstaatswerk, lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam of op een zuiveringtechnisch werk, stortingsactiviteiten op zee en waterontrekkingsactiviteiten. Waterschappen kunnen ook een vergunningplicht hanteren in hun waterschapsverordening. Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie is gelegen in het beheergebied van het waterschap Scheldestromen. Er is contact geweest met het waterschap en hieruit zijn geen bezwaren gebleken voor de beoogde ontwikkeling in relatie tot het aspect water. Per 1 januari 2024 is de waterschapsverordening waterschap Scheldestromen in werking getreden. Effect op waterkwaliteit Het gebruik van uitloogbare materialen, zoals lood, koper en zink, wordt zo veel mogelijk voorkomen. Zo ontstaat geen negatief effect op de waterkwaliteit.

Effect op waterkwantiteit Als gevolg van de beoogde ontwikkeling wordt geen netto verharding toegevoegd ten opzichte van de huidige situatie. De zonnepanelen worden in een schuine hoek geplaatst, waardoor hemelwater via de panelen de ondergelegen grond in kan lopen. Bestaande watergangen worden bovendien niet gedempt. Compenserende maatregelen als gevolg van verharding of dempen zijn dan ook niet nodig. Effect op beperkingengebieden De projectlocatie ligt niet in beperkingengebieden. Ter plaatse van de projectlocatie zijn er geen andere Beperkingengebiedactiviteiten of beperkingengebieden die invloed hebben op de voorgenomen ontwikkeling. Effect op grondwater Ten behoeve van de planontwikkeling is geen bronnering van grondwater nodig. Er wordt in het plan geen gebruikt gemaakt van bodemenergie, ofwel warmte koude opslag. Bij deze planontwikkeling zal geen grondwater worden onttrokken ten behoeve van beregening, veedrenking of bedrijfsmatige toepassingen.

Mees Ruimte & Milieu | 18094.GOFLO

Pagina | 43

Oppervlaktewater Binnen en rondom het projectgebied is sprake van oppervlaktewater en de daarbij behorende beschermingszones. Binnen deze beschermingszones worden geen handelingen verricht of werken / opgaande houtbeplanting worden geplaatst. Op basis van de waterschapsverordening geldt dat beschermingszones leggerwateren gronden zijn, grenzend aan leggerwateren en dienend voor het uitvoeren van onderhoudt aan en ter bescherming van het profiel van die leggerwateren. Het kunnen beschikken over een beschermingszone is opzichtzelf niet voldoende; de strook dient ook zoveel mogelijk “obstakelvrij” te zijn. Figuur 13. Uitsnede kaart oppervlaktewaterlichamen Waterschapsverordening waterschap Scheldestromen)

Figuur 14. Uitsnede beschermingszone leggerwateren (bron: Waterschapsverordening waterschap Scheldestromen)

De watergang door het midden van het plangebied blijft gehandhaafd, met een vrije zone langs weerszijden (zie ook paragraaf 4.1 en inrichtingsplan Feddes en Olthof). Conclusie In het kader van water is sprake van een etfal.

Mees Ruimte & Milieu | 18094.GOFLO

Pagina | 44

6

BESCHRIJVING UITVOERBAARHEID ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID Het project wordt door initiatiefnemer uitgevoerd. De kosten in verband met de realisatie zijn voor rekening van initiatiefnemer. Er is geen aanleiding om aan de economische haalbaarheid van het plan te twijfelen. Ten behoeve van de ontwikkeling ten Oostburg is een overeenkomst gesloten tussen Gemeente Sluis en de initiatiefnemer. Hierin wordt overeengekomen dat op het moment er sprake is van planschade, voortvloeiend uit voorliggende planologische mutatie, deze schade in zijn geheel ten laste komt aan initiatiefnemer.

MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID Inloopavonden Een belangrijk element in het participatieproces is om omwonenden, de politiek en direct betrokkenen mee te nemen in de planvorming en het proces. Hiertoe is op 20 september 2018 bij de familie Rutjes, op de beoogde locatie aan de Boltenseweg 1 te Enter, een inloopavond gehouden. Het doel van de inloopavond was om inhoudelijk het plan en proces te presenteren en ideeën en bezwaren op te doen van de omwonende. Het algehele beeld van de avond was zeer positief waarbij aandacht is gevraagd voor de landschappelijke inpassing. De tijdens de inloopavond opgedane ideeën zijn verwerkt in de landschapsstudie zoals opgesteld door bureau Feddes en Olthof. Uit het aangepaste plan zal blijken dat er geen significante wijzigingen zijn aangebracht. Tevens is op de informatiebijeenkomst ‘’grootschalige energieopwekking’’ zoals georganiseerd door de gemeente Wierden op 8 november 2018 gebruik gemaakt van de mogelijkheid om na de plenaire sessie van de bijeenkomst het zonnepark te presenteren. Tijdens deze bijeenkomst is er weer een contactmoment geweest met de diverse betrokkenen. Ook daaruit blijkt dat het project positief wordt ontvangen mits het park goed wordt ingepast en er mogelijkheden tot participatie zijn. Hieronder wordt uitleg gegeven hoe initiatiefnemer deze participatie vorm wil geven.

In bijlage 6 is het participatieverslag weergegeven van de bijeenkomsten en

Maatschappelijke uitgangspunten voor participatie 6.2.2.1 Procesparticipatie Het uitgangspunt bij de ontwikkeling van (grootschalige) zonnevelden is de realisatie van een zorgvuldig omgevingsproces door middel van een actieve samenwerking met de betreffende initiatiefnemer en stakeholders. Onder stakeholders wordt verstaan: iedereen die te maken heeft met het zonne-energieproject. Het gaat niet alleen om omwonenden/inwoners, maar ook om bedrijven, natuurorganisaties, belangenorganisaties en energiecoöperaties. In dat kader heeft de initiatiefnemer reeds diverse samenwerkingsverbanden opgericht. De initiatiefnemer staat open voor meerdere samenwerkingsverbanden binnen de regio, zoals met een lokale energiecoöperatie. Zonnepark Oostburg zal voor het zonneproject een aanspreekpunt voor de omgeving aanstellen.

Mees Ruimte & Milieu | 18094.GOFLO

Pagina | 45

6.2.2.2 Financiële participatie Er kan onderscheid worden gemaakt tussen grootschalige commerciële zonneprojecten en zonnevelden die ten gunste zijn van eigen energie opwekking. Bij grootschalige commerciële zonnevelden zoals het voorliggende initiatief, is het van belang dat er wordt ingezet op het maximaal ten goede laten komen van (financiële) voordelen van zonneprojecten aan de eigen gemeenschap. Financiële participatie kent verschillende vormen die in combinatie met elkaar kunnen worden ingezet: 1. Mede-eigenaarschap 2. Financiële deelneming 3. Gebiedsfonds 6.2.2.3 Mede-eigenaarschap Bij mede-eigenaarschap kunnen individuele burgers, omwonenden en lokale ondernemers met eigendom en zeggenschap financieel deelnemen in een zonnepark. Bij mede-eigenaarschap is er niet alleen sprake van financiële deelneming (financiële middelen ter beschikking stellen in ruil voor een vergoeding), maar ook van daadwerkelijk eigenaarschap en zeggenschap. Veelal wordt gebruik gemaakt van een lokale of regionale energiecoöperatie om dit mede-eigenaarschap vorm te geven. 6.2.2.4 Financiële deelneming Financiële deelneming is een andere vorm van financiële participatie waarbij het gaat risicodragend deelnemen in een zonneproject, bijvoorbeeld met aandelen of obligaties of ander financieel voordeel.

Bij financiële deelneming is er, afgezien van een stem op een aandeelhoudersvergadering geen sprake van mede-eigenaarschap of zeggenschap. 6.2.2.5 Gebiedsfonds Niet iedereen kan of wil geld ter beschikking stellen om te participeren in de vorm van mede-eigenaarschap of financiële deelneming aan een zonne-energie project. Het gebiedsfonds wordt gevuld uit de opbrengsten van de zonnepanelen waarmee maatschappelijk verantwoorde projecten ondersteund worden die maximaal ten goede komen aan de inwoners en bedrijven van de gemeente. Gedacht kan worden aan nieuwe duurzame energieprojecten, ondersteuning van verenigingen of bepaalde activiteiten etc. Het gebiedsfonds zal worden beheerd door een onafhankelijke entiteit, die bestuurd wordt door inwoners van de gemeente.

Invulling financiële participatie door initiatiefnemer Zonnepark Oostburg Zonnepark Oostburg wil de financiële participatie met meerdere instrumenten als volgt mogelijk maken. Financiële deelneming Zonnepark Oostburg stelt voor om 25% van het aandelenkapitaal beschikbaar te stellen aan omwonenden binnen Oostburg in de vorm van preferente aandelen. Dergelijke aandelen ontvangen een vastrentende waarde die bij de uitkering van dividend voorrang krijgen op gewone aandeelhouders. Deze aandelen zullen dan worden ondergebracht in een stichting die wordt beheerd door de lokale energiecoöperatie, die daarmee ook het stemrecht verkrijgt in de AvA. Gebiedsfonds Zonnepark Oostburg werkt mee aan de financiering van een gebiedsfonds tijdens de exploitatieperiode van het zonnepark en stelt een bedrag beschikbaar van € 0,50 per opgewekte MWh. Dit bedrag kan jaarlijks oplopen tot zo'n € 475 per geïnstalleerde MWp. Zonnepark Oostburg stelt daarbij als voorwaarde dat dit bedrag wordt aangewend voor investeringen en/of activiteiten op het gebied van duurzame energie. Om de inwoners van de gemeente te kunnen laten profiteren van de lokaal geproduceerde duurzame stroom, heeft Zonnepark Oostburg de ambitie om samen te werken met een lokale energiecoöperatie.

Mees Ruimte & Milieu | 18094.GOFLO

Pagina | 46

Verkoop van de lokaal opgewekte stroom Zonnepark Oostburg wil met de hiervoor genoemde lokale energiecoöperatie een samenwerking aangaan om de opgewekte stroom te kunnen leveren aan lokale eindgebruikers. Om voldoende waarborgen richting eindgebruikers te garanderen moet gebruik worden gemaakt van gespecialiseerde duurzame energiemaatschappijen, zoals Oranjestroom, Qurrent e.d. Deze partijen verzorgen de administratieve verwerking van abonnementen, de verwerking van de meetgegevens in facturen en verzorgen de incasso van rekeningen. Daarnaast hebben zij samenwerkingen met grotere energiemaatschappijen zoals Engie waardoor zij beschikken over de benodigde vergunningen, licenties 1 en financiële waarborgen, die vereist zijn voor de levering aan consumenten en eindgebruikers. Om de beschikbaarheid van elektriciteit te optimaliseren wordt er gebruik gemaakt van de dealingroom van deze maatschappijen. Indien de stroom van het zonnepark of eventueel toegevoegde batterij-opslag onvoldoende is worden er andere bronnen van duurzame energie aangesproken. Zo kan in elk geval de beschikbaarheid van in Nederland duurzaam geproduceerde energie aan klanten worden gegarandeerd. De overschotten en/of tekorten als gevolg van (tijdelijke) onbalans tussen lokale vraag en aanbod wordt verhandelt op de Nederlandse markt voor duurzame energie.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Sluis&id=3abeb069-5fe6-481d-ab70-222742214050