CConstaterende datSluis
Koppel je AI →
Document · PDF

b. ruimtelijke onderbouwing

Commissie Ruimte/AB 11 maart 2025, gemeente SluisBij agendapunt: Voorstel tot afgifte van een (verzwaard) advies af te geven omtrent het weigeren van de aanvraag omgevingsvergunning voor een buitenplanse afwijking van het omgevingsplan ten behoeve van een zonnepark aan de Lange Heerenstraat-Maaidijk te Oostburg34.676 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Echter, als de afmetingen in ogenschouw genomen worden van het ovaalvormig patroon binnen het huidige plangebied (circa 100 x 150 m), dan lijkt het erg onwaarschijnlijk dat hier daadwerkelijk een huisplaats heeft gestaan. De huisplattegrond van vondstlocatie 12 kent een oppervlakte van iets meer dan 2000 m2. Samenvattend blijkt uit de geologische, geomorfologische, bodem- en hoogtegegevens dat in het plangebied aan de noord- en oostzijde zich geulafzettingen van het Laagpakket van Walcheren bevinden, die de oudere niveaus hebben aangetast. In het zuidwestelijke deel van het plangebied bevinden zich drie geologische niveaus, te weten het Laagpakket van Walcheren (Formatie van Naaldwijk), het Holland-/Basisveen (Formatie van Nieuwkoop) en het Laagpakket van Wierden (Formatie van Boxtel). Het Laagpakket van Walcheren bestaat uit jongere op oudere afzettingen.

29

2.3

Historie

2.3.1

Historisch-geografische ontwikkeling 27

Het beschrijven van de historische situatie dient meerdere doelen. Er wordt archeologisch inhoudelijk gekeken of eventueel sprake is van historische bebouwing, mogelijke (vaar)wegen en/of subrecent gebruik, waarbij vastgesteld moet worden of sprake is van verstoringen (bijvoorbeeld ontgrondingen, stortingen en verhardingen). Bij het tot stand komen van voorliggend onderzoeksrapport werd gebruikt gemaakt van meerdere historische of oude kaarten. Enkel de kaarten waarop nieuwe, afwijkende of kenmerkende informatie met betrekking tot het plangebied wordt weergegeven, zijn afgebeeld in dit rapport. Hierbij dient opgemerkt dat de projecties die gemaakt op oude kaarten vrij betrouwbaar zijn voor alle kaarten daterend vanaf het midden van de 18 e eeuw, toen, dikwijls voor militaire doeleinden, topografische kaarten ontwikkeld werden met vrij grote schaalnauwkeurigheid. De projecties op de kaarten daterend voor deze periode moeten dan ook als indicatief worden beschouwd. Zoals bij het landschappelijke verhaal reeds geschetst vinden vanaf de laat-Romeinse tijd verschillende processen plaats waardoor Zeeland en dus ook de omving van het plangebied onder hernieuwde invloed van de zee komen te staan. Bij dit proces ontstaan in het veenlandschap nieuwe brede getijdengeulen, maar ook bestaande waterlopen worden op natuurlijke wijze verbreed en uitgediept.

Grote gebieden kwamen geregeld onder water kwamen te staan, waarbij dikke pakketten klei en zand werden afgezet. Pas op het einde van de 7e eeuw lijkt de rust wat te zijn weergekeerd; veel geulen verlandden. Door klink van het omliggende veenlandschap ontstonden in het landschap hoger gelegen kreekruggen die opnieuw bewoning in het gebied toelieten. De sterke invloed van de zee tot de 7e eeuw leidde onder andere tot het ontstaan van een inham, de Sincfal, later bekend als het Zwin. 28 Naar verluidt stichtte de heilige Amandus, tevens stichter van o.a. de St.-Pietersabdij te Gent, in het jaar 643 een klooster ter plaatse van het huidige Oostburg. 29 Waarschijnlijk legde de graaf van Vlaanderen op het einde van de 9e eeuw een ronde burg aan als verdediging tegen de invallen van de Noormannen. Uit historische bronnen is bekend dat in de zone ten noordwesten van Aardenburg en Oostburg een schorrengebied lag, dat hoofdzakelijk werd gebruikt om te laten begrazen door schapen. 30 In sommige gevallen is ook beperkt aan landschapsinrichting gedaan. Naast de eerste bedijkingen en verhoogde wegen werden ook woonhoogtes opgeworpen. 31 Oostburg werd in 949 voor het eerst genoemd en kreeg in 1183 enkele stadsrechten. De stad ontwikkelde zich rond – en vooral ten oosten van – de oude ringwalburg.

Het cirkelvormige grondplan dat in oorsprong terugging tot deze burg, was nog aanwezig in de stadsplattegrond tot 1944, toen het grootste deel van de oude stad werd verwoest. 32 Vanaf de 10e eeuw nam de invloed van de zee op het Zeeuws-Vlaamse kustgebied opnieuw gestaag toe. Naar aanleiding hiervan werden onder impuls van de Vlaamse abdijen vanaf de late 10 e eeuw de eerste defensieve bedijkingen uitgevoerd. Deze bedijkingen, gecombineerd met de ontwatering van het gebied door de zeearmen en het aanleggen van ontwateringssluizen, lieten een economische exploitatie van het kustgebied toe. Was deze exploitatie in eerste instantie gestuurd door lokale en private initiatieven, dan evolueerde dit snel naar een meer centraal georganiseerde ontginning. Vanaf de 11e eeuw werden onder impuls van de Graaf van Vlaanderen, die duidelijk belangen had in dit gebied en deze wilde beschermen en veiligstellen, grote delen van het kustgebied en zijn estuarium ingepolderd,. 33 Dit tekent ook de politieke ambitie van de Graaf van Vlaanderen, die profiteerde van het verbrokkelende centrale gezag door zijn macht over het gebied uit te breiden en hervormingen door te voeren. Zo

27 Deze paragraaf is grotendeels gebaseerd op, en overgenomen uit, Delporte (2020) en, waar nodig, aangepast. 28 Gottschalk, 1983a: 12-19. 29 Wilderom, 1973: 361. 30 Verhulst, 1995: 66. 31 Henderikx, 2012: 92. 32 De Visser, 2017. 33 Verhulst, 1995: 40-41.

30

werd in het begin van de 11 e eeuw de pagus Rodanensis en pagus Flandrensis met een deel van de pagus Mempiscus samengevoegd tot de kasselrij Brugge of het Brugse Vrije, een burggraafschap rechtstreeks in erfleen van de graaf. 34 In 1134 vond een grote stormvloed plaats. De gevolgen van deze stormvloed voor westelijk Zeeuws-Vlaanderen en het Noord-Vlaamse kustgebied waren enorm. De kustbarrière tussen Noordzee en de Honte ging verder verbrokkelen en verbreden. Hierdoor konden inbraakgeulen zich in zuidelijke richting diep insnijden in het pleistocene landschap. Zo ontstond ook de verbinding van een nieuwe Zwingeul tot bij Brugge. Het gebied tussen de in deze periode ontstane geulen werd bedekt met een dikke laag kleiig sediment. Ook de zone rondom het huidige plangebied behoorde op dat ogenblik tot het overstroomd gebied (Figuur 12).

Figuur 12 Landschappelijke situatie in westelijk Zeeuws-Vlaanderen na de stormvloed van 1134. Het overstroomde gebied na de stormvloed is hier gearceerd weergegeven. De locatie van het plangebied is in het rood aangegeven. Bron: Van Hinte 1971, 104.

Nog in de loop van de 12 e eeuw werden in het overstroomde gebied verschillende nieuwe polders aangelegd en nieuwe handelsnederzettingen gesticht en werd er gestart met het moerneren van het veen. 35 In een eerste fase gebeurde de inpoldering langs de nieuwe Zwingeul, maar vanaf de 13 e eeuw ook in het dunnerbevolkte noorden van West-ZeeuwsVlaanderen. 36 De Dierkensteenpolder werd bedijkt in 1400 en werd, na overstroming door de Sint-Elisabethsvloed in 1404 waarschijnlijk in andere vorm herdijkt in 1417. 37 Ten oosten volgde de Cathalijnepolder in 1465. De (oude) Passageule werd voor het eerst vermeld in 1470; deze scheidde de Dierkensteenpolder van de zuidelijker gelegen polders Marguérite en Sint-Joris (dit waren ook herdijkingen van oudere polders). 38

34 Gottschalk, 1983a. 35 Taverne 2003: 3. 36 Verhulst 1995. 37 Encyclopedie van Zeeland: Dierkensteenpolder. 38 Wilderom 1973: 107, 114.

31

In de middeleeuwen had Oostburg al geregeld te maken met oorlogsgeweld, zoals in 1271 (Gentenaars), 1382 en 1452 (Engelsen en Gentenaars) en in 1487 (plunderingen door krijgsbenden van Maximiliaan van Oostenrijk). 39 Het is onduidelijk of de stad in de middeleeuwen al door muren, wallen of een gracht was beschermd. 40 Oostburg had in de late middeleeuwen een scheepvaartverbinding naar het westen, via het Zwarte of Coxysche Gat; deze haventoegang lag ten noordwesten van de stad. 41 Ten zuiden van Oostburg werd in de jaren van 1501 tot 1505 de Brugse Vaart gegraven; deze liep het heden verdronken vissersdorp Coxyde in het westen naar IJzendijke in het oosten. De aanleg gebeurde op initiatief van de stad Brugge, die zo verzanding van het Zwin tevergeefs hoopte tegen te gaan. 42

Figuur 13 Globale ligging van het plangebied (rode ovaal) geprojecteerd op een uitsnede van de Heraldische kaart van het Brugse Vrije van Pieter Claeissens uit 1597, een kopie van een kaart door Pieter Pourbus gemaakt omstreeks 1571. De Pourbuskaart is als inzetstuk toegevoegd rechtsonder. Bron: Van der Herten 1998, Pieter Pourbus, collectie musea Brugge, www.artinflanders.be, Dominique Provoost.

De omvangrijke Heraldische kaart van het Brugse Vrije, vervaardigd door Pieter Claeissens de Jonge in 1597 (Fout! V erwijzingsbron niet gevonden.), geeft een behoorlijk accuraat beeld van de regio, waarbij in afzonderlijke kleuren steden, dorpen, gehuchten, herbergen, molens, kanalen en waterdijken worden afgebeeld. De bestaande dijken staan in het wit aangegeven, geheel of deels afgegraven binnendijken zijn in rood aangegeven, evenals wegen. Bij diverse kernen staan wapenschilden afgebeeld. Sommige hiervan, zoals die van Oostburg en Coxyde, zijn ingekleurd; andere wapenschilden, zoals die van het toen nog niet verdronken dorp Sint-Catharina (‘S. Caterine’), zijn wit gelaten. 43 SintCatharina zou een paar jaar later tijdens een inundatie verdrinken; later werd hier de Cathalijneschans aangelegd. De 39 Wilderom 1973: 361. 40 De Visser 2017. 41 Wilderom 1973: 439. 42 Bauwens et al., 2004; De Klerk 2015. 43 De Klerk 2015: 27.

32

kaart is tot op enkele honderden meters nauwkeurig. Een exacte projectie van het plangebied is niet mogelijk, maar omdat de locatie van Oostburg, Sint Catharina en een aantal (voormalige) dijken wel is aan te wijzen 44 , valt het plangebied met redelijk grote zekerheid te situeren binnen de rode ovaal op bovenstaande figuur. Aan de oostkant van het plangebied is er een weg afgebeeld. Daarnaast zijn er langs beide zijden van deze weg enkele hofstedes zichtbaar. De kaart van Claeissens is feitelijk een kopie van de gelijknamige kaart van Pieter Pourbus, die in de jaren 1561-1571 is gemaakt. Merkwaardig is dat op de originele kaart van Pourbus de hofstedes in de omgeving van het plangebied niet staan weegegeven. Er wordt ter plaatse wel een weg weergegeven die in noordwestelijke richting aansluit bij een ander cluster aan gebouwen, dewelke wel op de kaart van Claeissens staan weergegeven. Zoals gezegd zijn deze kaarten erg gedetailleerd, maar ook slechts tot op enkele honderden meters nauwkeurig. Het is dus mogelijk dat zich binnen het plangebied nog resten bevinden van deze hofstedes uit de 16 e eeuw (volgens Claeissens) of een weg (volgens Pourbus). Dit alles mits deze resten niet zijn weggespoeld tijdens de zware overstromingen in dit gebied aan het einde van deze 16e eeuw.

Tijdens de Tachtigjarige oorlog (1568-1648) lag Zeeuws-Vlaanderen in de frontlinie tussen Spaanse en Staatse troepen. Tijdens dit conflict werden in 1583 de Zwindijken bij Brungheers en Coxyde doorgestoken. Vanaf toen was het hek van de dam en werd het inunderen van het landschap door alle strijdende partijen als militaire tactiek in de regio toegepast. Deze inundaties lieten toe dat de zee, dankzij de getijdenwerking, de polders kon binnen dringen en er enkele nieuwe brede kreken uitschuurde, zoals het Lapscheurse Gat (ten zuiden van Sluis) en het Coxysche Gat. Deze laatste lijkt deels de loop van de oudere watergang beooster Ee te hebben gevolgd. Door deze doelbewuste acties werd een enorm gebied onder water gezet (ook buiten de beddingen van de nieuwe kreken), waarvan de meest zuidelijke grens tot bij het Belgische Sint-Laureins en Middelburg reikte. Veel dorpen moesten eraan geloven. Ten zuiden van het plangebied verdronk in 1583 het middeleeuwse dorp Sint-Catharina, en ten westen van Oostburg verdween het dorp Coxyde onder water. De inundaties van de 16e eeuw zorgden voor grote veranderingen. Aan het eind van de 16 e eeuw was Oostburg weinig meer dan een ruïne. Ook het afdammen van het Zwarte Gat in 1602 droeg bij aan het verval van Oostburg. 45 In 1604 werd Oostburg en omgeving veroverd door Prins Maurits, die er een vesting liet aanleggen.

De restanten van de Sint-Bavokerk, die waarschijnlijk waren gebouwd op de plaats van het klooster uit 643, kwamen buiten de vesting te liggen. De ruïne van de toren werd in 1805 afgebroken; de naam Torenweide herinnert nog aan de plek waar deze heeft gestaan. 46 Rond Oostburg vormden in totaal zeven versterkingen de linie van Oostburg. In de linie werd ook een aantal Spaanse forten opgenomen. Vier versterkingen lagen ten zuiden van de Brugse Vaart: schans Nijevelt, redoute Spek en Brood, de Cathalijneschans en redoute Sint Philip. Ten westen van de toen al bestaande Cathalijneschans werd in 1604 of kort hierna schans Nijevelt (ook bekend als fort Nieuvelt, Nieveltschans, Nieuwveld, Nieuwvliet en Nievliut) aangelegd, genoemd naar ingenieur Abraham van Nievelt. Het was een vierkante gebastioneerde schans met een natte gracht en een contrescarp. Aan de oostzijde lag een ravelijn. De schans is na 1672 geslecht. 47 In 2010-2011 heeft de Dienst Landelijk gebied de contouren van het voormalige fort weer zichtbaar gemaakt. 48 De contouren zijn nu goed te zien op de hoogtekaart. De Cathalijneschans was eveneens een gebastioneerd vierkant en lag tegenover de redoute Kaas en Brood, die zich aan de overzijde van de Brugse Vaart bevond.

Op de historiserende kaart door Horenbault uit 1605 (Figuur 14) zijn de gedurende de Tachtigjarige Oorlog geïnundeerde gebieden aangegeven en is te zien dat een groot deel van de wijde omgeving van Oostburg (‘Oostborch’) op enig moment onder water stond. Grote delen land in de buurt van Oostburg waren weggeslagen. Het is echter niet bekend in welke mate de 16e-eeuwse stormvloeden, overstromingen en geulinsnijdingen de oudere middeleeuwse sedimenten hebben aangetast en/of volledig opgeruimd. Op de kaart is zichtbaar dat er reeds talloze grote en kleinere militaire verdedigingswerken verrezen waren. Op de kaart staan drie hiervan aangegeven ten zuiden van Oostburg. Deze drie worden respectievelijk ‘Redout’, ‘S. Cateline’ en ‘Fort S. Philippe’ genoemd. ‘S. Cateline’ (de SintCathalijneschans) heeft een vierpuntige stervorm en ligt recht tegenover een vierpuntig, iets kleiner verdedigingswerk 44 Hierbij is gebruik gemaakt van de situering van oude dijken op het Geoloket Cultuurhistorie. 45 Wilderom, 1973: 339-341. 46 Wilderom, 1973: 361. 47 Bauwens et al., 2004; Geoloket Cultuurhistorie. 48 Krantenbank Zeeland, diverse artikelen in de PZC.

33

aan de overzijde van de Brugse Vaart. Het grotere ‘Fort S. Philippe’ heeft eveneens vier punten en is open aan de binnenzijde. Het is de vraag in hoeverre deze weergave van verdedigingswerken klopt met de werkelijke situatie van dat moment. De Cathalijneschans is op latere kaarten immers aanzienlijk groter dan St. Philip. Het is echter ook mogelijk dat de weergave door Horenbault wel correct is en dat de vormen en afmetingen van een aantal verdedigingswerken in de loop der tijd zijn gewijzigd. Schans Nijevelt, die in die tijd ten westen van Cathalijneschans aan de Brugse Vaart werd/was aangelegd, is nog niet afgebeeld. De redoute die Horenbault aangeeft ten zuidwesten van de Cathalijneschans, kan haast niet schans Nijevelt voorstellen, die immers net als de Cathalijneschans aan de Brugse Vaart lag. In het overzicht van verdedigingswerken in Zeeuws-Vlaanderen van Wilderom komt een redoute ter hoogte van de door Horenbault aangegeven locatie niet voor. 49

Figuur 14 Uitsnede van de kaart van Jacques Horenbault uit 1605 met centraal Oostborch gelegen. Bron: Zeeuws Archief, Zeeuws genootschap, Zelandia Illustrata, Deel I, nr 1598.

Figuur 15 toont een projectie van het plangebied op de kaart van Visscher-Roman uit 1656. Op deze kaart is te zien dat het plangebied in de Willemspolder ligt. De regio ten noordoosten van Oostburg is in deze periode opnieuw ingepolderd met de realisatie van een strak perceels- en wegenplan. Deze Willemspolder werd gerealiseerd in 16511652 en dankte zijn naam aan stadhouder Willem II. Tot deze tijd was de omgeving van het plangebied onder invloed van het water gebleven. De polder wordt ook wel de Generale Prins Willempolder 2 e gedeelte genoemd. Deze naam komt voort uit het feit dat er reeds een Prins Willempolder 1 e gedeelte bestond, bestaande uit herdijkingen van een aantal polders tussen de Passageule en de Brugsche Vaart (ten zuiden van het Grote Gat). 50 Het tweede gedeelte van de Prins Willempolder omsloot een gebied van 1975 ha. De polder kreeg een regelmatig patroon door de aanleg van

49 Wilderom 1973: 40. 50 https://nl.wikipedia.org/wiki/Generale_Prins_Willempolder_2e_deel

34

rechte, elkaar loodrecht snijdende wegen. Er werden twee wegen aangelegd die de polder in de lengte doorsneden. De langste weg die aangelegd werd is de Langen Heeren Wech van Sasput naar Oostburg (over een lengte van 12 km). 51 Deze Langen Heeren Wech is eveneens zichtbaar op de kaart van Visscher-Roman, direct ten zuiden van het plangebied. Grotendeels komt deze weg overeen met de ligging van de huidige Lange Heerenstraat. Een deel van de weg die kaarsrecht op Oostburg liep, is in 1993 verplaatst in noordelijke richting tot op de rand van het plangebied in verband met de aanleg van de rondweg rond Oostburg. Het oude tracé staat tegenwoordig bekend als de Korte Heerenstraat. Parallel aan de Langen Heeren Wech werd iets kortere Groene Wech aangelegd. Deze twee langere parallel lopende wegen werden gekruist door drie wegen die op regelmatige afstand van elkaar werden aangelegd. Op de kruising van den Langen Heeren Wech met de Willems Wech werd een perceel gereserveerd voor de bouw van een nieuw dorp op de plaats van het oorspronkelijke, door inundaties verdronken Schoondijke. Op de kaart van Visscher-Roman staat deze weergegeven als Willems Dorp, maar toch werd het dorpje dankzij de plaatselijke bevolking weer bekend onder de naam Schoondijke. In 1652 werden er 55 kavels verdeeld onder de deelnemers van de bedijking in 1652.

Deze kavels waren zoveel mogelijk rechthoekig en waren elk ruim 33 ha groot. Ten behoeve van de afwatering werden deze kavels doorsneden door greppels en sloten. Door het uitgebreidere wegennet waren de percelen beter te bereiken dan in de vorige eeuw en kwamen er ruimere mogelijkheden om boerderijen te bouwen waar men waar wilde. 52 Doordat de percelen relatief groot waren en rechthoekig van vorm, waren deze makkelijker te bewerken. Binnen het plangebied zijn er op de kaart van Visscher-Roman geen aanwijzingen voor bebouwing of wegen. Wel is er een verdeling in percelen aangeduid. Het plangebied ligt voornamelijk binnen kavel 37 (deze kavel had een omvang van circa 40 ha in totaal).

Figuur 15 Projectie van het plangebied op een uitsnede van de Zelandiae comitatus door Visscher en Roman vervaardigd omstreeks 1656. Bron: Nationale Bibliotheek Frankrijk.

De kaart van Hattinga uit 1753 (Figuur 16) geeft een wat nauwkeuriger beeld van de regio weer dan de kaart van Visscher en Roman. Zo zijn er in de centra van dorpjes vaak meer gebouwen getekend en zijn er langs de wegen meer gebouwen herkenbaar in de vorm van blokjes. Het plangebied is op deze kaart globaal geprojecteerd en blijkt gelegen

51 Van Cruyningen 2000, 20 52 Van Cruyningen 2000, 20

35

te zijn binnen het Ambacht Oostburg. Ook op deze kaart is er geen bebouwing zichtbaar binnen het plangebied. Ter hoogte van de zuidoosthoek bevond zich een T-splitsing van Den Langen Heeren Weg met de Catelyne weg, lopend in de richting van de Cathelijne Schans die zich ten zuiden van het Groote Gad bevond.

Figuur 16 Projectie van het plangebied (rode polygoon) op een uitsnede van de kaart van Hattinga uit 1753. Bron: Zeeuws Archief, Atlassen Hattinga.

Met de invoer van het kadaster vanaf 1811 (onder Napoleon) en de herlancering van het systeem in 1816 door Willem I werden voor het eerst nauwkeurige kaarten van heel Nederland gemaakt. Deze Minuutplannen van de Kadastrale Kaart zijn globaal opgesteld tussen 1812 en 1832; ze geven de omvang van de aanwezige gebouwen, de ligging van wegen, dijken en waterlopen en de grenzen van de verschillende kadastrale percelen nauwkeurig weer. Uit de Oorspronkelijk Aanwijzende Tafels valt op te maken waarvoor de percelen werden gebruikt en wie de eigenaar was. Het plangebied is gelegen op het kaartblad Schoondijke, Zeeland, Sectie B, blad 01 (de bijbehorende Oorspronkelijke Aanwijzende Tafels waren helaas niet inzichtelijk; Figuur 17). Aan het begin van de 19e eeuw was het plangebied gelegen in de Prins Willen Polder en viel onder de gemeente Schoondijke. Volgens het Minuutplan van de Kadastrale Kaart waren de percelen binnen het plangebied onbebouwd. Opvallend is de gewijzigde perceelsindeling. In het midden van de 17e eeuw bevond zich slechts 1 kavel van circa 40 ha binnen het plangebied. Midden 19 e eeuw zijn er echter ongeveer 20 percelen zichtbaar, waarvan er redelijk veel bestaan uit smalle lijnvormige percelen. Deze verkaveling kan een gevolg zijn van erfsplitsing of van de manier van ontginnen. Opvallend is ook de begrenzing van de percelen 16, 18 en 19.

In paragraaf 2.2.4 is er vastgesteld dat er op de kaart van de AHN een ovaalvormig patroon zichtbaar was, welke mogelijk kon wijzen op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats (uit de late

36

middeleeuwen). Echter, de opvallende begrenzing zoals deze is aangegeven op de Kadastrale Minuutkaart van 1832, is niet zichtbaar op eerdere historische kaarten. Dit maakt het waarschijnlijker dat het een uitloop van een waterloop betreft. In dit geval zou het een uitloop van de 17e -eeuwse Tragel betreffen.

Figuur 17 Uitsnede van de gedigitaliseerde versie van het Minuutplan van de Kadastraal Kaart uit circa 1830. Bron: Geoloket Provincie Zeeland/ CHS.

De Topografische (Militaire) Kaarten vanaf circa 1850 laten een aantal ontwikkelingen zien in de nabije omgeving van het plangebied (Figuur 18). Op de kaart van 1850 is er aan de noordzijde van het plangebied bebouwing zichtbaar (mogelijk een schuur). Het plangebied bevindt zich binnen de Prins Willem Polder en de percelen zijn in die tijd in gebruik als akkerland of boomgaard. Aan de oostzijde is een waterloop (kreek) zichtbaar. De bebouwing die zichtbaar is op de kaart van 1850, blijft weergegeven op de kaarten tot aan 1911. Op de kaart van 1908 lijkt een van de structuren wat groter te zijn geworden en is er een kleine structuur bijgekomen ten oosten van de reeds bestaande structuur uit omstreeks 1850. Ter hoogte van deze structuur zijn door SOB Research in 2003 een aantal boringen gezet (boornummers 46, 47, 50-53). In deze boringen zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen op boring 52 na, die ongeveer ter hoogte van de middelste structuur is gezet. Hier is op circa 0,8-0,9 m -mv een bruinrode puinbrok aangetroffen. 53 Aan de zuidzijde van het plangebied is op de kaart van 1908 het traject van de stoomtram zichtbaar die van Breskens naar het Belgische Maldegem liep. Deze lijn is in 1887 geopend door de N.V. Stoomtram-Maatschappij Breskens – Maldeghem.

Het reizigersvervoer werd gestaakt op 1 augustus 1948 en in september 1949 wordt het goederenvervoer over deze lijn stilgelegd. 54 Het vervoersbedrijf was vanaf 1948 volledig een busbedrijf geworden. De tramlijn is vervolgens opgebroken en op de kaart van 1950 is de lijn van de stoomtram dan ook niet meer afgebeeld.

53 Ras 2003, 22 en bijlage 2 boring 52 54 https://nl.wikipedia.org/wiki/Tramlijn_Breskens_-_Maldegem

37

Aan de noord en de zuidzijde van het plangebied zijn er op de kaart van 1950 structuren zichtbaar. In 1972 wordt het trafostation gebouwd (op een luchtfoto uit 1970 zijn de voorbereidingen zichtbaar voor de aanleg hiervan). In 1986 wordt ten noordwesten van het plangebied een zuiveringsinstallatie aangelegd. Op de kaart van 1995 is het verleggen van een deel van de Lange Heerenstraat zichtbaar gemaakt. Het oude traject heet tegenwoordig de Korte Heerenstraat. De verlegging van de weg werd gedaan vanwege de rondweg die aangelegd werd rondom Oostburg.

Figuur 18 Plangebied (rode polygoon) geprojecteerd op Topografische (Militaire) Kaarten vanaf circa 1850 tot 2018. Bron: ESRI 2019.

38

2.3.2

Verstoringsgeschiedenis

Bodemloket In het bodemloket worden de bodemkwaliteit en de status/voortgang van eventueel uitgevoerde onderzoeken weergegeven. Raadpleging van het bodemloket 55 leert dat er binnen het zuidwestelijke deel van het plangebied een verkennend onderzoek is uitgevoerd in het kader van de Wet Bodembescherming door Sagro Milieu advies Zeeland BV (2003). Volgens dit onderzoek is er een hele lichte verontreiniging aanwezig op een diepte van 0,50 tot 2,00 m -mv. De grond mag echter als schoon worden beschouwd en voor de locatie geldt dan ook dat het gebied voldoende onderzocht is. In het noordwestelijke deel van het plangebied is de bovengrond plaatselijk zeer licht verontreinigd met PAK. In de ondergrond bevinden zich hier verder geen verontreinigingen. Alleen bevindt zich plaatselijk licht arseen, chroom, kwik en 1,1,1-trichloorethaan in het grondwater. Er zouden geen risico’s zijn voor de volksgezondheid en/of milieu. Gegevens archief, opdrachtgever In het Zeeuws Archeologisch Archief is met betrekking tot het plangebied en directe omgeving geen aanvullende informatie bekend. 56 Vanuit de opdrachtgever is er tevens geen aanvullende informatie verstrekt. KLIC Ten behoeve van het huidige onderzoek is alleen een graafmelding gedaan voor het zuidelijke deel van het plangebied dat onderzocht zal worden door middel van verkennende boringen (= het onderzoeksgebied in paragraaf 2.6).

De graafmelding (22G184731 en 22G184732) geeft meerdere kabels en leidingen weer binnen het onderzoeksgebied.

Figuur 19 Gestorte grond aan de zuidkant van het plangebied met rechts op de voorgrond een paal van de GASUNIE en rechts op de achtergrond het trafostation met de zogenaamd ‘frietenlijn’. Foto: J. Kiburg.

Aan de oostzijde loopt een hoogspanningsverbinding (150/10 kV) vanaf het hoogspanningsstation gelegen aan de Lange Heerenstraat 91 te Oostburg. Deze verbinding is grensoverschrijdend en loopt tussen Oostburg en het Belgische Maldegem. De hoogspanningsverbinding staat ook wel bekend als de Frietenlijn (Figuur 19). In de jaren ’80 van de 20e eeuw is deze verbinding aangelegd als reservekoppeling voor het Zeeuws-Vlaamse elektriciteitsnet. Door de aanleg van een tweede Westerscheldekabel heeft deze verbinding zijn functie echter verloren. De verbinding is losgekoppeld,

55 www.bodemloket.nl, geraadpleegd op 24 maart 2022. 56 Informatie van dhr. drs. J. Jongepier (Erfgoed Zeeland); e-mailcorrespondentie d.d. 18 maart 2022.

39

maar de lijn is vooralsnog niet gesloopt. Doordat er bij het ontwerp is gekozen voor een rank mastontwerp, gaat de verbinding visueel zoveel mogelijk op in het landschap. 57 Ook de zone rondom Daarnaast loopt er in de zuidwesthoek van het plangebied een hogedruk aardgastransportleiding zie (Figuur 20; Figuur 21).

Figuur 20 In de zuidwesthoek van het plangebied loopt een hogedruk gasleiding (gele lijn A-B). Ter hoogte van de letter A staat Paalnummer P4508, ter hoogte van B Paalnummer P1717 (zie Figuur 21).

57 www.hoogspanningsnet.com/archief/mvdm

40

Figuur 21 In de zuidwesthoek van het plangebied loopt een hogedruk gasleiding (zie gele lijn afbeelding 24). Ter hoogte van de letter A staat Paalnummer P4508, ter hoogte van B Paalnummer P1717.

41

2.4

Archeologische waarden

Archeologische monumenten De Archeologische Monumentkaart (AMK) is een digitaal bestand waarin de archeologische monumententerreinen, waaronder de wettelijk beschermde monumenten, werden bijgehouden. Sinds 2014 wordt dit bestand echter niet meer bijgewerkt, waardoor het als statisch bestand kan worden beschouwd. Binnen het plangebied bevinden zich geen monumenten of terreinen met een archeologische status. In de directe nabijheid van het plangebied bevindt zich op nog geen 25 meter richting het noordwesten een AMK-terrein. Dit AMK-terrein betreft een terrein van archeologische waarde met daarin de resten van een schans of redoute uit de 17e eeuw (mon.nr. 13.563). Het terrein staat bekend als Scherpbier en werd in 1990 onderzocht door onderzoeks- en adviesbureau RAAP. Aan de oppervlakte is de structuur van de schans nog goed zichtbaar dankzij een opvallend cirkelvormig reliëf. De omvang van deze vindplaats betreft zo’n 1.126 m2. Op iets meer dan 500 meter ten noordoosten van het plangebied bevindt zich nog een terrein van archeologische waarde (mon.nr. 2462). Hier bevinden zich de resten van een niet verhoogde huisplaats uit de late middeleeuwen. Deze monumenten zijn tevens opgenomen in het gemeentelijke beleid van Sluis als gemeentelijke vindplaatsen nummer 112 en 88 (Figuur 22).

Op de Archeologische vindplaatsenkaart Sluis zijn daarnaast de gemeentelijke vindplaatsen 7 en 8 zichtbaar. Vindplaats 7 betreft een huisplaats uit de late middeleeuwen die direct vanaf het maaiveld is aangetroffen tot een diepte van 0,85 m -mv (0,37 m +NAP). Vindplaats 8 betreft een huisplaats met een oorsprong in de late middeleeuwen B, maar welke een opvolger kent in de nieuwe tijd A. De resten hiervan werden vastgesteld direct vanaf het maaiveld tot circa 1 m -mv (0,15 m +NAP).

Figuur 22 Projectie van het plangebied (blauwe polygoon) op de Archeologische vindplaatsenkaart Sluis (2017). Bron: De Visser 2017 Bijlage 3.

42

Eerder uitgevoerd onderzoek en vondstlocaties Archis is het geautomatiseerde Archeologisch Informatiesysteem voor Nederland. Het bestaat uit een databank waarin allerlei gegevens over archeologische onderzoeken, vindplaatsen en terreinen in Nederland zijn opgeslagen. Het raadplegen van Archis leert dat binnen het noordelijke deel van het plangebied eerder onderzoek is uitgevoerd door SOB Research in 2002-2003. Tevens zijn er twee vondstlocaties bekend. Daarnaast zijn er in een straal van 1000 m rondom het plangebied meerdere onderzoeken uitgevoerd en vondsten gedaan, die in de onderstaande tabellen worden opgesomd. De nummers in de linker kolom corresponderen met de nummers op Figuur 23.

Figuur 23 Onderzoeken en vondstlocaties. Gegevens ontleend aan Archis 3.

Nr.

Onderzoek nummer

Uitvoerder

Aard en resultaten onderzoek

1

2053660100

SOB Research

Aanvullende Archeologische Inventarisatie i.v.m. de plannen voor de aanleg van een bedrijventerrein ‘Stampershoek’ (2003). Op basis van de AAI werden geen belangrijke archeologische waarden vastgesteld. Op basis van de onderzoeksgegevens wordt aanvullend archeologisch onderzoek niet noodzakelijk geacht.

2

4705277100

Econsultancy BV

Archeologisch bureauonderzoek. Hier zijn geen gegevens van beschikbaar in archis.

3

2084368100

RAAP

Waarderend booronderzoek uitgevoerd in het kader van de verbetering van de Rijksweg 58 (1990). De weg werd buiten Oostburg om gelegd. Het onderzoeksgebied is globaal weergegeven in Archis. In totaal zijn er 12

43

terreinen archeologisch gewaardeerd tijdens dit onderzoek, waarbij er twee huisplattegronden zijn aangetroffen (zie vondstlocatie 1058915). 4

4640639100

Arcadis

Bureauonderzoek uitgevoerd ten behoeve van het realiseren van een zonnepark (2018). Indien de benodigde bodemingrepen dieper reiken dan 0,4 m -mv of indien het bouwwerk een kleiner oppervlak zal beslaan dan 500 m2, wordt vrijstelling voor vervolgonderzoek geadviseerd. Indien deze grenzen overschreden worden, wordt vervolgonderzoek geadviseerd in de vorm van een verkennend booronderzoek. Voor de periode uit de Vroege Middeleeuwen tot de nieuwe tijd worden ontginningssporen verwacht en sporen van destijds ontstane nederzettingen in het grootste deel van het plangebied. Resten hiervan kunnen aangetroffen worden in de vorm van (paal)kuilen, stenen funderingen, beer- en waterputten. Mogelijk zijn de sporen door grondbewerking verstoord, daar de resten zich direct onder de bouwvoor bevinden. In het noordelijke en zuidelijke deel is er een hoge verwachting op het aantreffen van sporen uit de IJzertijd tot Romeinse tijd op een diepte van 0,85 à 1,21 m -NAP en sporen uit de vroege middeleeuwen tot nieuwe tijd op een diepte van 1,15 à 1,19 m +NAP.

5

2237903100

De Steekproef

Inventariserend Archeologisch Veldonderzoek aan de Lange Heerenstraat 56 te Schoondijke (bureau- en booronderzoek 2009). Aanleiding voor het onderzoek was de voorgenomen bouw van een loods en een rundveestal. Het booronderzoek bevestigde de ligging van het terrein binnen een erosiegeul (er zijn brokken verspoeld veen in zandlagen waargenomen in de boringen). Geen vervolgonderzoek aanbevolen.

6

2417804100

De Steekproef

Inventariserend Archeologisch Veldonderzoek aan de Lange Heerenstraat 56 te Schoondijke (bureau- en booronderzoek 2013). In 2009 werd er ten westen van deze locatie reeds een inventariserend archeologisch onderzoek uitgevoerd door De Steekproef (zie nummer 4). Aanleiding voor dit onderzoek was de voorgenomen bouw van een stal. Tijdens dit onderzoek zijn geen cultuurlagen aangetroffen noch archeologische indicatoren (op wat verspoeld materiaal in een boring na). Op basis van de resultaten is er geen vervolgonderzoek geadviseerd.

7

4770693100

Artefact!

Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen (2020) aan de Ondernemersweg te Oostburg. Op basis van het booronderzoek kon gesteld worden dat de bodemopbouw bestaat uit jongere afzettingen van het Laagpakket van Walcheren op oude komafzettingen van het Laagpakket van Walcheren op Holland-/Basisveen op afzettingen van het Laagpakket van Wierden. De bovenzijde van deze afzettingen is aangetroffen op een diepte vanaf 1,75 m NAP (3 m -mv). De top van het veen werd vastgesteld vanaf 0,75 m -NAP (1,95 m -mv).

In de onderstaande tabel worden de vondstlocaties opgesomd binnen een straal van 1000 meter van het plangebied. De nummers in de linker kolom corresponderen met de nummers op Figuur 23. Nr.

Vondst locatie

Datering

Aard van de vondsten

8

1058209

MELA-NT

Terp. Bij het plaatsen van een proefboring op deze locatie is er weinig vondstmateriaal aangetroffen en is er tot circa 0,85 m mv een ophogingslaag vastgesteld.

1058332

MELA-NTL

Huisplaats/terp. Bij een vermoedelijke voormalige geul is een opvallende verhoging aangetroffen. Bij het plaatsen van een proefboring op deze locatie is er vondstmateriaal aangetroffen. Tot circa 0,85 m -mv is een ophogingslaag vastgesteld.

1058210

MELA-NT

Vindplaats waarbij een opvallende dubbele hoek is aangetroffen, zichtbaar op luchtfoto’s. Vermoedelijk gaat het om twee huisplattegronden, waar de grenzen nog van vastgesteld dienen te worden. Er is aardewerk aangetroffen waaronder roodbakkend geglazuurd, grijsbakkend gedraaid, (proto)steengoed en witbakkend aardewerk.

9

44

Nr.

Vondst locatie

Datering

Aard van de vondsten

1058915

MELB-NTL

Twee huisplaatsen aangetroffen, waarbij er een vermoedelijk te dateren is in de late Middeleeuwen B en de andere in de Nieuwe Tijd. Op luchtfoto’s was er een opvallende dubbele hoek zichtbaar, maar uit het booronderzoek bleek het terrein niet van archeologische betekenis te zijn. De laatmiddeleeuwse huisplaats ligt in de noordwesthoek van het terrein, vlakbij een vermoedelijke geul. Deze huisplaats is aan de oppervlakte herkenbaar aan een zeer lichte verhoging. De huisplaats uit de Nieuwe Tijd ligt ten oosten van de laatmiddeleeuwse huisplaats, tegen de noordoostgrens aan van het terrein. Er is keramiek aangetroffen uit de periode LMEB tot NTC (gedraaid aardewerk, kogelpot, roodbakkend geglazuurd aardewerk, steengoed, witbakkend en grijsbakkend gedraaid aardewerk).

10

1057358

PALEO-NT

Grondspoor/infrastructuur vastgesteld op basis van een luchtfoto/remote sensing. Vondstmelding gedaan in 2015. Datering paleolithicum – nieuwe tijd.

11

1082691

MEL

Voormalig AMK-terrein met sporen van perceling uit vermoedelijk de late Middeleeuwen. De vindplaats is zichtbaar op luchtfoto’s. Er zijn opmerkelijke sporen zichtbaar in de directe omgeving van een middeleeuwse huisterp. Aan de oppervlakte is aardewerk aangetroffen uit de 11 e-13e eeuw. Het zou gaan om een greppel die een laatmiddeleeuwse huisplaats omgeeft. In het zuiden is een donkere plek zichtbaar, waar vermoedelijk water is geweest. Mogelijk zijn de archeologische lagen deels geërodeerd door de geul die hier circa 250 meter ten noorden van gelegen was. Op een kaart uit de 17e eeuw wordt er ter plekke van het perceel bebouwing weergegeven.

12

1058211

MELA-NT

Vindplaats bestaande uit een opvallende, open cirkelvormig patroon die zichtbaar is op luchtfoto’s. Booronderzoek heeft uitgewezen dat de patronen archeologisch van belang zijn. Vermoedelijk gaat het om sporen van een laatmiddeleeuwse huisplaats die omgeven is door een sloot of greppel. Vermoedelijk is de bovenste laag van bewoning binnen de greppel verdwenen door erosie. Een voormalige waterloop begrensd de sporen aan de zuidzuidoost zijde. Waarschijnlijk dateert de waterloop van na de huisplaats en zijn er mogelijk een aantal sporen weggespoeld. De sporen zijn afgedekt door een schone laag die varieert in dikte van 40 tot 70 cm. De sporen zijn aangetroffen op een diepte van circa 1,2 m. Op de meeste plaatsen is de archeologische laag circa 70 cm dik. Er is o.a. Paffrath aardewerk aangetroffen, Pingsdorf, kogelpot, Andenne en grijsbakkend aardewerk.

13

1068190

NTV-NTM

Resten van de voormalige schans Scherpbier.

1058501

NTV-NTM

Funderingsresten van de schans of redoute uit de 17e eeuw met grachten en omwalling. De structuur van de schans is aan de oppervlakte duidelijk zichtbaar door een opvallend cirkelvormig reliëf met een doorsnede van zo’n 70 m. Op basis van boringen kan gesteld worden da de schans omgeven wordt door twee grachten waartussen een wal is gele gen. De grachten en de wal monden uit in een met Duinkerke III opgevulde geul ten westen en ten noorden van het terrein. Oorspronkelijk hadden deze grachten een diepte van circa 1,5 0 m -mv. De totale omvang van het terrein inclusief de grachten en het deel van de geul in het westen is zo’n 120 x 100 m. Binnen het centrum van de cirkel is een depressie gelegen met een doorsnede van zo’n 12 m waarbinnen mogelijk nog funderingsresten aanwezig kunnen zijn van de centrale steenbouw.

14

1076409

NTV-NTM

Oppervlaktekartering uitgevoerd na een afgerond booronderzoek. Hierbij zijn er twee vondstlocatie aangetroffen (1076409 en 1076410). Beide concentraties bevinden zich aan de oever van de aldaar gelegen kreek. Vermoedelijk gaat het om afvaldeposities in of direct aan de kreek. In de nieuwe tijd heeft er geen bebouwing gestaan, waardoor het vondstmateriaal geen indicator lijkt voor de aanwezigheid van archeologische waarden ter plaatse van de vondstlocaties. Op deze vondstlocatie is er gedraaid aardewerk aangetroffen.

15

1076410

NTV-NTM

Oppervlaktekartering uitgevoerd na een afgerond booronderzoek. Hierbij zijn er twee vondstlocatie aangetroffen (1076409 en 1076410). Beide concentraties bevinden zich aan de oever van de aldaar gelegen kreek. Vermoedelijk gaat het om afvaldeposities in of direct aan de kreek. In de nieuwe tijd heeft er geen bebouwing gestaan, waardoor het

45

Nr.

Vondst locatie

Datering

Aard van de vondsten vondstmateriaal geen indicator lijkt voor de aanwezigheid van archeologische waarden ter plaatse van de vondstlocaties.

16

1088468

MELA-NTL

Archeologische waarnemingen in slootkanten. Er zijn resten aangetroffen in een geulvulling van een menselijk skelet op circa 0,4 m +NAP (1,2 m -mv) met de coördinaten 024747/373744. Zes meter ten zuidwesten hiervan is een skelet van een rund aangetroffen

17

1058212

MEL

Melding van een vindplaats die berust op archiefonderzoek. Het zou hier gaan om de nederzetting Bruane of Beiderwa(a)n. De oudste melding hiervan zou dateren uit 1163 volgens Gottschalk. De huidige bewoonde terp Bruane lijkt op basis van een booronderzoek enkel alleen in de nieuwe tijd bewoond te zijn geweest. Op circa 150 m richting het noorden bevindt zich in het landschap een lichte verhoging. Hierop is een concentratie met laatmiddeleeuws materiaal aangetroffen. Boringen op deze locatie toont aan dat de laatmiddeleeuwse bewoningslaag vrijwel geheel is opgenomen in de bouwvoor.

18

1029554

MELA

Vondstmelding van een ophogingslaag en de aanwezigheid van een terp waar de nederzettingen Bruane gelokaliseerd dient te worden. Melding op basis van Gottschalk’s Historische Geografie van Westelijk Zeeuws-Vlaanderen (1955).

Zoals hierboven reeds werd aangegeven, is er binnen het noordelijke deel van het plangebied eerder archeologisch onderzoek uitgevoerd door SOB Research in 2002-2003. Dit onderzoek werd uitgevoerd in opdracht van de Gemeente Oostburg ten behoeve van Bestemmingsplan Bedrijventerrein Stampershoek en bestond uit een Aanvullende Archeologische Inventarisatie met het doel de geologische opbouw, de aardkundige waarden en de archeologische en cultuurhistorische waarden ter plaatse van het plangebied vast te stellen. In eerste instantie is er een bureauonderzoek geschreven, waarna men een verkennend archeologisch veldonderzoek heeft uitgevoerd door middel van 53 boringen. Deze boringen zijn gezet tot op een diepte van 1,6 tot 4,5 m -mv. Op basis van het booronderzoek kan gesteld worden dat zich binnen het plangebied Afzettingen van Duinkerke III (komafzettingen; klei) bevinden op Afzettingen van Duinkerke II (geul-afzettingen). 58 Op basis van de Geologische Kaart van Nederland, werd verwacht dat in het meest oostelijke deel van het plangebied een kleine zone met afzettingen van Duinkerke (ontwikkeld als Duinkerke IIIb transgressie op Duinkerke II afzettingen) zich zou bevinden, bovenop Hollandveen op Pleistoceen. Op circa 2 à 3 m NAP zou volgens het onderzoek van SOB Research de top van het pleistocene dekzand aangetroffen moeten worden.

De maximale diepte dat men heeft kunnen boren tijdens dit onderzoek bedroeg 2,5 m -NAP. Tot op deze diepte werd echter geen Hollandveen aangeboord. In het oostelijke deel kon de aanwezigheid van Hollandveen en het pleistoceen dekzand dan ook niet worden aangetoond. Tijdens de uitvoering van de AAI zijn er archeologische indicatoren aangetroffen in een aantal boringen. Deze indicatoren zijn toegeschreven aan het gebruik van het gebied als boomgaard in de 19 e eeuw. Na het afronden van het booronderzoek is er een oppervlaktekartering uitgevoerd. Daarbij zijn twee vondstconcentraties aangetroffen met fragmenten aardewerk uit de nieuwe tijd, waarvan er één concentratie buiten het plangebied is aangetroffen (zie Figuur 24 en tevens Figuur 23 vondstlocaties 14 en 15). Beide concentraties bevinden zich aan de oever van de hier gelegen kreek. Volgens SOB Research betreffen het waarschijnlijk afvaldeposities in of direct aan deze kreek. 59 Op basis van historisch onderzoek bestaat er geen verwachting op bebouwing uit de nieuwe tijd ter plaatse van de vondstlocaties. Op basis hiervan is gesteld dat het aangetroffen vondstmateriaal geen indicatie kan zijn voor de aanwezigheid van archeologische waarden. 60 Echter, uit de topografische kaarten blijkt dat er in dit gedeelte van het plangebied aan het einde van de 19e eeuw een drietal structuren aanwezig waren.

In boring 52 die ongeveer ter hoogte van de middelste structuur is gezet, is op circa 0,8-0,9 m -mv een bruinrode puinbrok aangetroffen. Mogelijk houden de vondstconcentraties verband met deze structuren. De datering van het aardewerk wordt in het rapport van SOB

58 Ras 2003, 21 59 Ras 2003, 22 60 Ras 2003, 22, 25

46

Research toegeschreven aan de nieuwe tijd. 61 Een precieze datering wordt echter niet gegeven. Op basis hiervan is het niet met zekerheid te stellen dat de vondsten gerelateerd kunnen zijn aan de structuren uit de periode 1850 -1911. In de andere boringen in de buurt van waar deze structuren stonden zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen. Alleen in boringen 9, 13 en 33 die in 2003 gezet zijn door SOB Research is een laag veen aangetroffen van circa 40 cm dik variërend tussen 2,08 en 3,6 m -NAP (2,2 tot 4,95 m -mv). Dit bevestigt het beeld van de geologische kaart van Nederland, dat het van oorsprong aanwezige Holland-/Basisveen hier grotendeels geërodeerd is. Uit het booronderzoek dat uitgevoerd werd aan de Ondernemersweg net ten zuiden van het plangebied blijkt dat de ondergrond daar bestaat uit jongere afzettingen van het Laagpakket van Walcheren (Nieuwland) op oude komafzettingen van het Laagpakket van Walcheren (Oudland). De jongere afzettingen zijn vermoedelijk afgezet tijden de inundatie van het gebied tijdens de Tachtigjarige oorlog. In de bovenzijde van het Oudland werden geen vegetatieof bodemvormingshorizonten vastgesteld. Mogelijk is de bovenzijde van dit niveau geërodeerd bij de vorming van het Nieuwland. Onder de komafzettingen werd vanaf een diepte van 1,95 m -mv (0,75 m -NAP) een intact veenpakket aangetroffen.

Ter hoogte van 1 boring (nummer 3) werd een kleine geul aangetroffen onder de komafzettingen die het veen plaatselijk heeft geërodeerd. Aan de basis van de boringen werden de afzettingen van het Laagpakket van Wierden aangeboord vanaf een diepte van 3 m -mv (1,75 m -NAP). Op basis van dit onderzoek geldt er een hoge verwachting op het aantreffen van resten uit de late ijzertijd en Romeinse tijd voor het niveau van het veen (ter hoogte van boring 3 uitgezonderd) en een middelhoge verwachting voor resten uit het laat-paleolithicum tot midden neolithicum voor het niveau van het dekzand. Tenslotte is mon.nr. 13563 noemenswaardig (Figuur 23; tevens vondstlocatie 12). Dit betreft een vindplaats bestaande uit een opvallende, open, cirkelvormig patroon dat zichtbaar is op luchtfoto’s. Booronderzoek heeft aangetoond dat dit patroon archeologisch van belang is en dat het mogelijk de resten betreft van een laatmiddeleeuwse huisplaats die omgeven was door een sloot of greppel. Op het AHN (Figuur 11) is westelijk centraal in het huidig plangebied een gelijkaardig ovaal patroon zichtbaar. Mogelijk gaat het ook hier om een laatmiddeleeuwse huisplaats omgeven door een sloot of greppel of een uitloop van de van oorsprong 17e -eeuwse Tragel. Op de kaarten vanaf de 16 e eeuw zijn er geen aanwijzingen gevonden voor bewoning op deze locatie.

Pas op de Kadastrale Minuutkaart van 1832 worden hier afwijkende perceelsgrenzen aangegeven, daar de perceelsgrenzen in die periode grotendeels rechtlijnig waren.

61 Zie bijlage 3 Ras 2003

47

Figuur 24 Positie van de oppervlakteconcentraties aangegeven met een oranje asterix en geprojecteerd op de boorpuntenkaart van het plangebied van het onderzoek van SOB Research in 2003 (begrenzing van het plangebied in rood). Bron: Ras 2003: 23.

Overige meldingen Navraag bij het Zeeuws Archeologisch Depot (mailwisseling helpdesk archeologie d.d. 18 maart 2022) heeft geen aanvullende informatie opgeleverd met betrekking tot het plangebied. Luchtfotoanalyse Luchtfoto’s kunnen aan de hand van herkenbare soil- en/of cropmarks aanwijzingen geven voor de aanwezigheid van mogelijke archeologische vindplaatsen (of verstoringen) in de bodem, zoals de hierboven genoemde restanten van de laatmiddeleeuwse huisplaats die omgeven werd door een sloot of greppel (mon.nr. 13563; vondstlocatie 13 op Figuur 23). In het kader van dit onderzoek zijn verder luchtfoto’s geraadpleegd uit 1959, 1970 (Geoloket Provincie Zeeland) en 1989 (Foto-atlas Zeeland), 2003 (Luchtfoto-atlas Zeeland) en satellietfoto’s uit 2003 t/m 2020 (Esri Nederland, Geoloket Provincie Zeeland). Op de luchtfoto uit 1959 is de onregelmatige perceelsgrens in het westelijke deel van het plangebied nog goed zichtbaar. Zowel op de luchtfoto uit 1959 als op de satellietfoto uit 2007 lijkt centraal in het westelijke deel van het plangebied een ovaalvormig patroon zichtbaar te zijn. Tot aan 2003 is op de foto’s een deel van deze ovaalvorm nog zichtbaar als perceelsgrens (in de vorm van een kleine sloot). Zoals in paragraaf 2.2.4 geconstateerd is, is deze vorm op het AHN nog steeds zichtbaar.

Op de luchtfoto zijn verder geen duidelijke sporen zichtbaar die duiden op een mogelijke aanwezigheid van archeologische resten. Op de foto uit 2005 lijkt er een wijziging te hebben plaatsgevonden in de indeling van de percelen: het aantal percelen is verminderd (zie de luchtfoto uit 2007).

48

Figuur 25 Luchtfoto uit 1959 met projectie van het plangebied (rode polygoon). Bron: Geoloket Zeeland.

Figuur 26 Projectie van het plangebied (rode polygoon) op een satellietfoto uit 2007. Rechts van het plangebied in de rechthoekige uitsnede is het trafostation zichtbaar. Centraal-westelijk is een ovale vorm zichtbaar. Bron: Geoloket Zeeland.

49

Verder zijn er geen aanwijzingen voor grootschalige verstoringen binnen het plangebied op basis van de lucht- en satellietfoto’s. Alleen in de meest zuidwestelijke hoek bevinden zich een wegverharding waar momenteel grond op gestort wordt.

2.5

Bouw- en cultuurhistorische waarden

Bouw- en cultuurhistorische waarden Om vast te stellen of er binnen, of direct grenzend aan het plangebied, waardevolle bouwhistorische of cultuurhistorische elementen voorkomen, is het Geoloket Cultuurhistorie van de provincie Zeeland geraadpleegd. Hieruit blijkt dat op iets meer dan 100 m ten westen van het plangebied een liniedijk gelegen is, welke onderdeel is van de linie van Oostburg. Deze linie bestond uit verschillende dijken die ten westen, noorden en oosten van Oostburg en langs het Groote gat gelegen waren. In het oosten liep deze linie door tot IJzendijke. Deze linie was aangelegd door prins Maurits ter verdediging tegen de Spanjaarden, nadat hij het land van Cadzand en Sluis had veroverd in 1604. De dijken die onderdeel uitmaakten van deze militaire verdedigingslinie verbonden twee verdedigingswerken en/of als begrenzing van een inundatievlakte aan de binnenzijde. Het merendeel van deze dijken had tevens een waterstaatkundige functie. De linie werd opgeheven in 1673 toen deze haar functie verloor door de aanleg van de Passageullinie en diverse inpolderingen. Op deze liniedijk is thans een deel van de onverharde weg bewaard gebleven (mon.nr. 2321). Dit betreft een weg in het buitengebied, zonder verhard oppervlak en welke dienstdeed als ondergeschikte verbinding tussen andere wegen en/of ter ontsluiting van agrarische percelen.

Tegenwoordig zijn dergelijke wegen een zeldzaamheid. Volgens het kaartblad historisch landschap bevinden zich direct grenzend aan het plangebied een aantal (restanten van) oude dijken. Aan de westzijde betreft dit de Maaidijk die verder richting het noorden doorloopt. Dit is een polderdijk uit 1651, waarbij het octrooi voor de aanleg van deze dijk in 1650 verstrekt werd aan de baljuw Jacob van der Swalme en Willen Pietersen ter Steyn. Beiden waren gecommitteerden der besturen van Aardenburg, Sluis en Oostburg. 62 Volgens het kaartblad historische polders is het plangebied gelegen in de Willempolder. In 1651-52 werd deze polder gerealiseerd, zijn naam dankend aan stadhouder Willem II. De realisatie van de polder gebeurde met behulp van een strak perceels- en wegenplan. De polder wordt overigens ook wel de Generale Prins Willempolder 2 e gedeelte genoemd. Deze naam komt voort uit het feit dat er reeds een Prins Willempolder 1 e gedeelte bestond, bestaande uit herdijkingen van een aantal polders tussen de Passageule en de Brugsche Vaart (ten zuiden van het Grote Gat bij Oostburg). 63 Het tweede gedeelte van de Prins-Willempolder omsloot een gebied van 1975 ha. 64 De polder kreeg een regelmatig patroon door de aanleg van rechte, elkaar loodrecht snijdende wegen. Er werden twee wegen aangelegd die de polder in de lengte doorsneden.

De langste weg die aangelegd werd is de Langen Heeren Wech van Sasput naar Oostburg (over een lengte van 12 km), waarlangs het huidige plangebied gelegen is. 65 Ten oosten van het plangebied is een restant van een kreek gelegen, de Molenkreek genaamd. In het landschap van de Generale Prins-Willempolder bevinden zich meerdere kronkelige kreekrestanten, waarvan de Molenkreek de grootste is. Deze kreken zijn allen restanten van zijgeulen van het Nieuwerhavensche Gat, welke waarschijnlijk is ontstaan in 1585 of 1587 na het doorsteken van de dijken. Op de provinciale kaart met cultuurhistorische waarden zijn binnen het plangebied geen objecten van cultuurhistorische waarde opgenomen. 66 Verder komen er binnen het plangebied geen gebouwen voor die aangemerkt zijn als Rijksmonument, historisch waardevolle boerderij of MIP-object. Wel zijn er in de nabijheid van het 62 Chamuleau 2018; cf. Van Empel en Pieters: 311; Wilderom 1973: 79. 63 https://nl.wikipedia.org/wiki/Generale_Prins_Willempolder_2e_deel 64 Gottschalk 1983b, Wilderom, 1973. 65 Van Cruyningen 2000, 20 66 Geraadpleegd via Geoloket van de provincie Zeeland op 25-06-2019.

50

plangebied een aantal historische boerderijen gelegen. Drie van de vier boerderijen hebben echter geen status (groenen stippen op Figuur 27).

Figuur 27 Oude, nog bestaande dijken (groene lijnen), geslechte dijken (gele stippellijnen), watergang (lichtblauwe lijn) en historische boerderijen (blauwe en groene stippen). Bron: Geoloket Cultuurhistorie Provincie Zeeland.

Militair erfgoed De Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (IKME) 67 geeft een overzicht van de (verwachte) ligging van resten van ondergronds en bovengronds militair erfgoed. Raadpleging van de kaart leert dat het plangebied deel uitmaakt van een gebied waar een slagveld heeft plaatsgevonden, namelijk het Operatieterrein Breskens uit de Tweede Wereldoorlog. In 1944 veroverden de Geallieerden het strategisch belangrijke bruggenhoofd Breskens. Archeologisch betekent de aanwezigheid van een slagveld dat er munitie kan worden aangetroffen, evenals resten van stellingen, versperringen, loopgraven, ondersteunende posten e.d. Ook inslagen van granaten en mortieren kunnen worden verwacht, vaak in de vorm van beschadigingen aan bestaande bouw of bomen en als microreliëf.

67 www.ikme.nl.

51

2.6

Archeologisch verwachtingsmodel

Op basis van de in eerdere paragrafen beschreven informatie over de huidige situatie, de aardwetenschappelijke, de historische situatie en bekende archeologische waarden kan een specifieke archeologische verwachting worden opgesteld. Op basis van de beschikbare informatie over de ondergrond in de regio van het plangebied, afgeleid van de DINO-profiel, de Geologische Kaart, de Bodemkaart en de historische informatie, kan het plangebied opgedeeld worden in twee grote eenheden (Figuur 28): Zone A met diepreikende geulafzettingen (Laagpakket van Walcheren) en Zone B met een gelaagde opbouw van komafzettingen (Laagpakket van Walcheren), intact veen (Basisveen/Hollandveen Laagpakket) en intact pleistoceen dekzand (Laagpakket van Wierden). Gegevens uit het Dinoloket (boring 1 en 3; Figuur 6) laten veronderstellen dat in Zone B mogelijk nog een vrij dik pakket (1,30 m) veen aanwezig kan zijn vanaf circa 0,60 m -NAP (circa 1,80 m -mv). In Zone A zou de top van het pleistocene dekzand aangetroffen kunnen worden op een diepte tussen 5 en 10 m -NAP. In Zone B wordt de aanwezigheid van een intacte dekzandtop verondersteld vanaf circa 1,70 m -NAP (2,80 m -mv). In het noordelijke deel van Zone A heeft SOB Research in 2003 onderzoek uitgevoerd door middel van verkennende boringen (Figuur 28 gearceerd gedeelte).

Dit onderzoek heeft het beeld van de geologische kaart van Nederland binnen dit deel van het plangebied grotendeels bevestigd. Tijdens dit onderzoek zijn er geen oude maaiveldniveaus vastgesteld. Omdat hier reeds een booronderzoek is uitgevoerd, wordt tijdens het huidige onderzoek alleen het zuidelijke deel verder onderzocht door middel van verkennende boringen (Figuur 28).

Figuur 28 Verwachtingskaart met Zone A en Zone B en tevens het reeds onderzochte gebied door SOB Research (zwart gearceerd) en het huidige onderzoeksgebied (blauw gearceerd). Bron: Esri Nederland, Community map contributors.

52

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Sluis&id=3abeb069-5fe6-481d-ab70-222742214050