b. ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
Goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving Project Status Projectnummer Kenmerk Datum Auteur Controle
Zonnepanelenpark Oostburg Concept 18094 18094.01 18 december 2024 N.A. Heuseveldt I.M.E. Hazeleger
Mees Ruimte & Milieu | Postbus 854 | 2700 AW Zoetermeer info@meesruimteenmilieu.nl | www.meesruimteenmilieu.nl | IBAN NL94ABNA0587770562 | KvK 34237628
COLOFON Mees Ruimte & Milieu | Postbus 854 | 2700 AW Zoetermeer 085 – 744 08 38 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, elektronisch op geluidsband of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Mees Ruimte & Milieu.
Mees Ruimte & Milieu | 18094.GOFLO
Pagina | 2
INHOUDSOPGAVE 1
2
3
4
5
6
7
Aanleiding en doel
5
Aanleiding Projectgebied Geldend omgevingsplan Leeswijzer
5 5 6 6
Project en toetsing omgevingsplan
7
Projectbeschrijving Toetsing omgevingsplan
7 8
Ruimtelijk beleid
14
Rijksbeleid Provinciaal beleid Omgevingswaarden Regionaal beleid Gemeentelijk beleid
14 16 20 20 22
Omgevingskwaliteit
23
Landschappelijke en stedenbouwkundige inpassing Cultuurhistorie, monumenten en archeologie Duurzaamheid Zorgvuldig ruimtegebruik / Ladder voor duurzame verstedelijking
23 26 29 30
Aspecten fysieke leefomgeving
31
Activiteiten en milieuzonering Bodem Externe veiligheid Geluid Lucht Milieueffectrapportage Mobiliteit en parkeren Natuur Waterbelang
31 32 33 35 37 38 39 39 42
Beschrijving uitvoerbaarheid
45
Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid
45 45
Conclusie ETFAL
48
Mees Ruimte & Milieu | 18094.GOFLO
Pagina | 3
Bijlagen 1 2 3 4 5 6
Landschappelijk inrichtingsplan (Fedde Olthof, 2024) Archeologisch bureauonderzoek (Artefact!, 2024) Stikstofdepostieberekening (MBH Consult, 2024) Quickscan Flora en Fauna (Van der Goes en Groot, 2022) Watertoets (2024) Participatieverslag (SolarEnergyWorks, 2024)
Mees Ruimte & Milieu | 18094.GOFLO
Pagina | 4
1
AANLEIDING EN DOEL AANLEIDING In opdracht van initiatiefnemer Zonnepark Oostburg heeft Mees Ruimte & Milieu een goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving opgesteld voor de gewenste ontwikkeling van een zonnepark in het buitengebied van Oostburg, gemeente Sluis. Omdat de ontwikkeling niet mogelijk is op basis van het geldende omgevingsplan, dient een planologische procedure te worden doorlopen. De planologische procedure wordt doorlopen aan de hand van een omgevingsvergunning voor een ‘buitenplanse omgevingsplan activiteit’ (hierna: BOPA). Onderdeel van deze omgevingsvergunning is de motivatie om af te wijken van het geldende omgevingsplan, de zogenoemde ‘Goede Onderbouwing van (de effecten op) de Fysieke LeefOmgeving’ (hierna: GOFLO). Voorliggende rapportage betreft de GOFLO, waarin wordt gemotiveerd dat sprake is van een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ (hierna: ETFAL).
PROJECTGEBIED De projectlocatie betreft de het landelijk gebied van Oostburg, onderdeel van gemeente Sluis. Het gebied ligt ten noordoosten van de dorpskern Oostburg en is gelegen aan de kruising van de Lange Heerenstraat met de Maaidijk. De Lange Heerenstraat betreft de provinciale weg N253. Figuur 1. Luchtfoto projectgebied
Mees Ruimte & Milieu | 18094.GOFLO
Pagina | 5
GELDEND OMGEVINGSPLAN Ter plaatse van de projectlocatie geldt het “Omgevingsplan gemeente Sluis” (/akn/nl/act/gm1714/2020/omgevingsplan), zoals gepubliceerd op 22 mei 2023 en in werking per 1 januari 2024. De projectlocatie valt onder het tijdelijk deel van het omgevingsplan, aangezien de voormalige bestemmingsplannen nog niet zijn omgezet in een definitief omgevingsplan. In paragraaf 2.2 van deze goflo wordt hier nader op ingegaan.
LEESWIJZER Na dit inleidende hoofdstuk vormen de daaropvolgende hoofdstukken de verantwoording van de activiteit die deze motivering mogelijk maakt. Het betreft de onderbouwing waarom sprake is van een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ (etfal). De hiernavolgende hoofdstukken zijn als volgt opgebouwd: • Hoofdstuk 2: In dit hoofdstuk wordt het project (de beoogde ontwikkeling) beschreven en vindt toetsing aan het geldende omgevingsplan plaats. • Hoofdstuk 3: In dit hoofdstuk worden de relevante beleidskaders beschouwd. • Hoofdstuk 4: Dit hoofdstuk betreft een beschrijving van de omgevingskwaliteit, waarbij onder meer de stedenbouwkundige inpassing, archeologie en cultuurhistorie aan bod komen. • Hoofdstuk 5: Dit hoofdstuk betreft een beschrijving van de aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving, waar omgevingsaspecten zoals bodem, geluid en gezondheid aan bod komen. • Hoofdstuk 6: In dit hoofdstuk wordt de uitvoerbaarheid van het project beschreven. • Hoofdstuk 7: Dit hoofdstuk betreft de conclusie ten aanzien van de ETFAL.
Mees Ruimte & Milieu | 18094.GOFLO
Pagina | 6
2
PROJECT EN TOETSING OMGEVINGSPLAN PROJECTBESCHRIJVING Huidige situatie De projectlocatie bestaat in de huidige situatie uit akkerland. Het beoogde initiatief behelst de realisatie van een zonnepanelenpark van ca. 20 ha op de genoemde locatie, met een geïnstalleerd vermogen van ca. 24 MWp. De duurzame energie die daarmee kan worden opgewekt is te vergelijken met het verbruik van circa 6.560 huishoudens. Voor het volledige projectplan wordt verwezen naar het inrichtingsplan dat is opgesteld door bureau Feddes en Olthof. Deze is toegevoegd aan de bijlagen bij voorliggende onderbouwing en wordt tevens samenvattend besproken in paragraaf 4.1 van dit document. Figuur 2. Schets toekomstige situatie (bron: Inrichtingsplan Feddes Olthof d.d. december 2024)
Mees Ruimte & Milieu | 18094.GOFLO
Pagina | 7
TOETSING OMGEVINGSPLAN In deze paragraaf wordt het initiatief getoetst aan het omgevingsplan van rechtswegen. In het omgevingsplan staan alle regels over wat waar gebouwd mag worden en waarvoor gebouwen gebruikt morgen worden. Op dit moment is het omgevingsplan voor de gemeente Sluis nog tijdelijk. De gemeente heeft tot 2032 de tijd om dit tijdelijke plan om te zetten naar een definitief omgevingsplan. De ontwikkeling wordt in voorliggende paragraaf getoetst aan het tijdelijk deel van het omgevingsplan, te weten aan: 1. Bestemmingsplannen, beheersverordeningen, uitwerkingsplannen, wijzigingsplannen en exploitatieplannen; 2. Bruidsschat.
Bestaande bouw- en gebruiksmogelijkheden Ter plaatste van het projectgebied geldt het (voormalig) bestemmingsplan “Buitengebied, zoals vastgesteld door de gemeenteraad van Sluis op 23 juni 2011. Op basis van het bestemmingsplan “Buitengebied” kent de projectlocatie de enkelbestemming ‘Agrarisch’. Daarnaast gelden een aantal dubbelbestemmingen, namelijk ‘Waarde - Archeologie 1’, ‘Leiding – Hoogspanningsverbinding’ en ‘Leiding – Gas’. Tot slot is het gehele projectgebied gelegen in een wro-zone wijzigingsgebied, op basis waarvan burgemeester en wethouders de bestemming kunnen wijzigingen ten behoeve van een landschapscamping. Gelet op de aard van de beoogde ontwikkeling, wordt op dit laatste in voorliggende ruimtelijke onderbouwing niet ingegaan. De overige onderdelen worden hieronder besproken. Artikel 3 – Agrarisch 3.1 Bestemmingsomschrijving De voor Agrarisch aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. de uitoefening van grondgebonden agrarische bedrijven; en tevens voor: a. niet - grondgebonden agrarische neventakken en aquacultuur; b. aan de bestemming ondergeschikte extensieve dagrecreatie met bijbehorende kleinschalige dagrecreatieve voorzieningen; c. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groenelementen, (natuurvriendelijke) oevers, water, laad- en losvoorzieningen, nutsvoorzieningen en parkeervoorzieningen.
3.2 Bouwregels Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: 3.2.1 Binnen het bouwvlak tenzij anders is aangeduid, mogen binnen bouwvlakken worden gebouwd: a. gebouwen, kassen, teeltondersteunende voorzieningen, een paardenbak en / of een stapmolen en voorzieningen voor opslag voor zover aan te merken als bouwwerk, geen gebouw zijnde; b. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde; c. per bouwvlak is ten hoogste één bedrijfswoning toegestaan; d. de afstand van kassen, gebouwen en / of voorzieningen voor opslag – voor zover aan te merken als bouwwerk, geen gebouw zijnde - tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt tenminste 5 m; e. indien gebouwen en overkappingen niet aaneen worden gebouwd, bedraagt de onderlinge afstand tenminste 3 m; f. de afstand van gebouwen en overkappingen tot de bestemming Verkeer bedraagt tenminste 40 m bij de volgende wegen: a. N253 (Rondweg, Oostburgseweg, Nieuwstraat, Commerswerveweg, Lange Heerenstraat); g. de afstand van gebouwen en overkappingen tot de bestemming Verkeer bedraagt bij overige wegen ten minste 20 m; 3.2.2 Buiten het bouwvlak a. buiten bouwvlakken zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, – met uitzondering van overkappingen, stellingen, paardenbakken, stapmolens, schokgolf generatoren en voorzieningen voor opslag - toegestaan met inachtneming van het bepaalde onder b, c en h;
Mees Ruimte & Milieu | 18094.GOFLO
Pagina | 8
b.
c. d. e. f.
per bedrijf is ten hoogste 50 m² aan bedrijfsgebouwen en / of overkappingen buiten het bouwvlak toegestaan met inachtneming van het volgende: 1. de bouw is noodzakelijk voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering; 2. alvorens de omgevingsvergunning te verlenen vraagt het bevoegd gezag hierover schriftelijk advies van de agrarisch deskundige; sleufsilo's zijn aansluitend aan het bouwvlak toegestaan; wateropslag is buiten het bouwvlak toegestaan waarbij de bouwhoogte en de inhoud per wateropslag ten hoogste 6 m respectievelijk 200 m3 mag bedragen; de goot- en bouwhoogte van de bebouwing als bedoeld onder b bedraagt ten hoogste 4 m respectievelijk 8 m; de bouwhoogte van erfafscheidingen bedraagt ten hoogste 2 m; de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 3 m;
3.3 Afwijken van de bouwregels 3.3.1 Bouwen nabij de bestemming Verkeer Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2.1 onder g en lid 3.2.1 onder h voor het bouwen van een gebouw of overkapping binnen een afstand van 40 m respectievelijk 20 m tot de bestemming Verkeer, met in achtneming van het volgende: a. verlening van de omgevingsvergunning leidt niet tot een verkeersonveilige situatie; b. verlening van de omgevingsvergunning leidt niet tot aantasting van de verkeersplanologische functie van de weg 3.3.12 Bouw installatie opwekken duurzame energie (co - vergistingsinstallatie) a. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2 voor de bouw van een installatie voor het opwekken van duurzame energie ten behoeve van het eigen bedrijf, met in achtneming van het volgende: b. de bouwhoogte van silo's en vergistingsinstallaties bedraagt ten hoogste 12 m; c. verlening van de omgevingsvergunning wordt niet toegepast ter plaatse van de aanduiding 'wro-zone - ontheffingsgebied - 1.1'; d. indien de afstand tot gronden met de bestemming Natuur minder dan 100 m bedraagt wordt de omgevingsvergunning uitsluitend verleend indien geen onevenredige aantasting van de landschapsof natuurwaarden van het natuurgebied plaatsvindt; e.
verlening van de omgevingsvergunning leidt niet tot een onevenredige toename van de automobiliteit; f. de verkeersveiligheid wordt niet negatief beïnvloed; g. de reststof (het digestaat) is een meststof; h. ter plaatse wordt voorzien in een adequate landschappelijke inpassing die bestaat uit een beplantingsstrook met een dichte struik- en boomlaag van voornamelijk streekeigen soorten, met een gemiddelde breedte van tenminste 10 m; op basis van een landschapsplan, opgesteld door een gecertificeerde landschapsarchitect of goedgekeurd door de landschaps- en natuurdeskundige, kan volstaan worden met een landschappelijke inpassing met een gemiddelde breedte van 5 m; i. medewerking wordt slechts verleend indien een privaatrechtelijke overeenkomst wordt gesloten over de aanleg, het beheer en het onderhoud van de landschappelijke inpassing; j. de omgevingsvergunning wordt slechts verleend ten behoeve van een reëel of volwaardig agrarisch bedrijf en tot een omvang die is afgestemd op de productie van het agrarisch bedrijf of op de omvang van de gronden die bij het bedrijf behoren; alvorens de omgevingsvergunning te verlenen vraagt het bevoegd gezag hierover schriftelijk advies van de agrarisch deskundige; k.
verlening van de omgevingsvergunning leidt niet tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen; alvorens de omgevingsvergunning te verlenen vraagt het bevoegd gezag hierover schriftelijk advies van de milieudeskundige.
Mees Ruimte & Milieu | 18094.GOFLO
Pagina | 9
Leiding – Gas en Leiding – Hoogspanningsverbinding (resp. artikel 29 en 30) Leiding – Gas Leiding – Hoogspanningsverbinding
Artikel 29 – Leiding - Gas 29.1 Bestemmingsomschrijving De voor Leiding - Gas aangewezen gronden zijn - behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) - mede bestemd voor de aanleg en instandhouding van gasleidingen, waaronder in ieder geval zijn begrepen de aanwezige, bestaande gasleidingen. 29.2 Bouwregels Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 29.1 genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 3 m; b. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag - met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels - uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.
29.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 29.3.1 Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning Het is verboden op of in de gronden met de bestemming Leiding - Gas zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en bomen; b. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; c. het indrijven van voorwerpen in de bodem; d. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage; e. het permanent opslaan van goederen waaronder ook begrepen het opslaan van afvalstoffen. 29.3.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning De werken en werkzaamheden, zoals in lid 29.3.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien het leidingbelang daardoor niet onevenredig wordt geschaad. 29.3.4 Advisering Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 29.3.1 wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in van de leidingbeheerder(s) of aan de voorwaarde als bedoeld in lid 29.3.3 wordt voldaan.
Artikel 30 – Leiding – Hoogspanningsverbinding 30.1 Bestemmingsomschrijving De voor Leiding - Hoogspanningsverbinding aangewezen gronden, zijn - behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) - mede bestemd voor de aanleg en instandhouding van bovengrondse hoogspanningsverbindingen waaronder in ieder geval zijn begrepen de aanwezige, bestaande hoogspanningsverbindingen.
Mees Ruimte & Milieu | 18094.GOFLO
Pagina | 10
30.2 Bouwregels Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 30.1 genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd; b. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag - met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels - uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering. 30.3 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van lid 30.2 onder b, indien de bij de betrokken bestemming behorende bouwregels in acht worden genomen en het belang van de leiding(en) door de bouwactiviteiten niet onevenredig wordt geschaad. Alvorens over het verlenen van de omgevingsvergunning te beslissen wint het bevoegd gezag hieromtrent schriftelijk advies in bij de beheerder(s) van de leiding(en).
30.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 30.4.1 Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning Het is verboden op of in de gronden met de bestemming Leiding - Hoogspanningsverbinding zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. het aanbrengen van hoog opgroeiende beplantingen en bomen; b. het aanleggen van andere kabels en leidingen dan in de bestemmingsomschrijving is aangegeven, en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur. 30.4.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning De werken en werkzaamheden, zoals in lid 30.4.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien het leidingbelang daardoor niet onevenredig wordt geschaad. 30.4.4 Advisering Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 30.4.1 wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in van de leidingbeheerder(s) of aan de voorwaarde als bedoeld in lid 30.4.3 wordt voldaan.
Artikel 34 – Waarde – Archeologie 1 34.1 Bestemmingsomschrijving De voor Waarde - Archeologie - 1 aangewezen gronden zijn - behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) - mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. 34.2 Bouwregels Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 34.1 genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 2 m; b. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag - met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels - uitsluitend worden gebouwd, indien: 1. de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld; 2. de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning regels te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door een archeologische deskundige; c.
het bepaalde in dit lid onder b.1 en b.2 is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op een of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken:
Mees Ruimte & Milieu | 18094.GOFLO
Pagina | 11
1. 2. 3.
vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; een bouwwerk met een oppervlakte van ten hoogste 250 m²; een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden dieper dan 40 cm en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst.
34.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 34.3.1 Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning Het is verboden op of in de gronden met de bestemming Waarde - Archeologie - 1 zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte dan 40 cm, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage; b. het verdiepen en afgraven van de zeebodem; c. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of ander wijze indrijven van voorwerpen; d. het verlagen of verhogen van het waterpeil; e. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; f. het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; g. het graven, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren dieper dan 40 cm onder het bestaande maaiveld. 34.3.2 Uitzondering op het aanlegverbod Het verbod van 34.3.1 is niet van toepassing, indien de werken en werkzaamheden: a. werken en / of werkzaamheden die normaal beheer en onderhoud betreffen; b.
werken en / of werkzaamheden die mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende omgevingsvergunning voor het bouwen of omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden of ontgrondingsvergunning; c. een oppervlakte beslaan van ten hoogste 250 m²; d. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan; e. reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende vergunning; f. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. 34.3.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning De werken en werkzaamheden, zoals in lid 34.3.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden aan de hand van nader archeologisch onderzoek kan aantonen dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn. Voorts zijn de werken en werkzaamheden toelaatbaar, indien: a.
de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld; de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden regels te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de activiteiten door een archeologische deskundige.
Strijdigheden met het omgevingsplan De aanleg van een zonnepanelenpark is op basis van het vigerende bestemmingsplan niet mogelijk. Het doorlopen van een planologische procedure is noodzakelijk. Er dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van een tweetal leidingen en archeologische waarden. Voor de gasleiding aan de zuidrand van de projectlocatie geldt dat in het inrichtingsplan rekening is
Mees Ruimte & Milieu | 18094.GOFLO
Pagina | 12
gehouden met de aanwezigheid hiervan. De strook blijft daardoor onbebouwd. Ten aanzien van de hoogspanningsleiding geldt dat met de hoogte van de zonnepanelen (ca. 2,5 m) de werking van de hoogspanningsleiding niet wordt geschaad. Tot slot geldt dat de locatie voor een deel is aangewezen als ‘Waarde – Archeologie 1’, waardoor gelet op de vrijgestelde verstoringsdiepte en oppervlakte, archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Op dit onderdeel wordt in paragraaf 4.3 nader ingegaan.
Mees Ruimte & Milieu | 18094.GOFLO
Pagina | 13
3
RUIMTELIJK BELEID RIJKSBELEID Nationale Omgevingsvisie In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) wordt door het Rijk een langetermijnvisie gegeven op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI bestaat uit een visie, toelichting en uitvoeringsagenda. De combinatie van deze drie documenten zorgt voor een toetsing die leidt tot nationale strategische keuzes en gebiedsgericht maatwerk. De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met de ambities: wat willen we bereiken? Vervolgens worden de 21 nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen. De vier prioriteiten De Uitvoeringsagenda beschrijft de vier prioriteiten. De opgaven uit de toelichting kunnen veelal niet apart van elkaar worden aangepakt. Als een samenhangende, integrale aanpak nodig is over de sectoren heen, vraagt dit een andere inzet. De samenhang tussen opgaven manifesteert zich rond vier prioriteiten. 1. 2. 3. 4.
Ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio’s; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Drie afwegingsprincipes Het doel van de NOVI is het bereiken van een balans tussen: ‘(a) het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en (b) doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften’. Beschermen en ontwikkelen sluiten elkaar niet per definitie uit en kunnen elkaar zelfs versterken. Echter, gaan beschermen en ontwikkelen niet altijd en overal zonder meer samen en zijn soms echt onverenigbaar. Een optimale balans tussen deze twee vergt steeds een zorgvuldige afweging en prioritering van ongelijksoortige belangen. Om dit afwegingsproces en de omgeving inclusieve benadering richting te geven, is in de NOVI een drietal afwegingsprincipes geformuleerd: 1. Combineren boven enkelvoudig; 2. Kenmerken & identiteit; 3. Afwentelen voorkomen. 3.1.1.1 Relatie tot ontwikkeling De beoogde ontwikkeling sluit aan op prioriteit 1 ‘Ruimte voor klimaatadapdatie en energietransitie’. Een van de bijbehorende beleidskeuzes hiervan is om de opgave duurzame energie met oog voor de kwaliteit van omgeving te realiseren en zo veel mogelijk met andere functies te combineren. De beoogde ontwikkeling betreft een zonnepark en sluit hiermee aan op de vraag naar duurzame energie energietransitie.
In het gemeentelijk beleid (paragraaf 3.5) wordt verder ingegaan op de locatie van het beoogde zonnepark. Daarnaast sluit de beoogde ontwikkeling ook aan op belang 1 ‘bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving’. Onderdeel van dit belang zijn de Sustainable Development Goals (SDG). Een van de SDG’s heeft betrekking op betaalbare en duurzame energie. Hierbij gaat het om het realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening,
Mees Ruimte & Milieu | 18094.GOFLO
Pagina | 14
die in 2050 CO2- arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur. De beoogde ontwikkeling draagt bij aan het realiseren van een duurzame energievoorziening. Ten slotte is er aansluiting bij belang 10 ‘beperken van klimaatverandering’. De beoogde ontwikkeling draagt bij aan het beperken van de klimaatverandering door te voorzien in duurzame energie voor velen huishoudens. Met de ontwikkeling kunnen klimaatdoelen (sneller) behaald worden. 3.1.1.2 Conclusie De beoogde ontwikkeling vindt aansluiting bij nationale prioriteiten en belangen zoals beschreven in de NOVI. De NOVI staat de uitvoering van het project verder niet in de weg.
Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan onder meer regels over omgevingswaarden, instructieregels en beoordelingsregels. Het Bkl geldt voor het Rijk en decentrale overheden. Omgevingswaarden Een omgevingswaarde is een van de instrumenten waarmee overheden het beleid van een omgevingsvisie kunnen uitvoeren. Deze moet objectief zijn vast te stellen en meetbaar zijn. De rijksomgevingswaarden zijn vastgesteld in hoofdstuk 2 van het Bkl. De rijksomgevingswaarden luiden als volgt: • • • • • • •
Lucht Waterveiligheid primaire waterkeringen Oppervlaktewaterkwaliteit Grondwater Bronnen voor drinkwater Zwemmen in oppervlaktewater NEC omgevingswaarden
Provincies en gemeenten mogen afwijkende of aanvullende omgevingswaarden stellen voor luchtkwaliteit, zwemwater en waterkwaliteit. Ook kunnen ze omgevingswaarden stellen voor onderwerpen waarover het Rijk geen omgevingswaarden stelt. Hierbij te denken aan omgevingswaarde voor geur- of lichthinder. Instructieregels Een instructieregel is een algemene regel waarmee een bestuursorgaan aan een ander bestuursorgaan aangeeft hoe dat orgaan een taak of bevoegdheid moet uitoefenen. Instructieregels gaan over de inhoud, toelichting of motivering van een instrument dat een bestuursorgaan op grond van de Omgevingswet kan inzetten. Voor deze GOFLO is met name hoofdstuk 8 van het Bkl relevant. Dit hoofdstuk bevat respectievelijk de instructieregels voor omgevingsvergunningen. Regels voor monitoring Bij monitoring verzamelen bestuursorganen gedurende langere tijd op systematische wijze gegevens over de fysieke leefomgeving of onderdelen daarvan. 3.1.2.1 Relatie tot ontwikkeling Hoofdstuk 8 van het Bkl bevat beoordelingsregels voor omgevingsvergunningen. Deze beoordelingsregels gelden voor omgevingsvergunningen waarvoor het Rijk de vergunningplicht bepaalt in de Omgevingswet, het Besluit activiteiten leefomgeving of het Besluit bouwwerken leefomgeving.
Beoordelingsregels voor omgevingsvergunningen waarvoor decentrale overheden de vergunningplicht bepalen staan in het omgevingsplan, de waterschapsverordening of de omgevingsverordening.
Mees Ruimte & Milieu | 18094.GOFLO
Pagina | 15
In relatie tot de beoogde ontwikkeling geldt dat de gemeente het bevoegde gezag is. In het Bkl zijn specifieke beoordelingsregels voor een aanvraag omgevingsvergunning (buitenplanse) omgevingsplanactiviteit opgenomen ( artikel 8.0 t/m 8.0e Bkl). Artikel 8.0b, eerste lid, in hoofdstuk 8 van het Bkl bepaalt dat bij een aanvraag om een buitenplanse omgevingsvergunning de instructieregels in hoofdstuk 5 van het Bkl, de provinciale instructieregels ene eventuele instructies over omgevingsplannen het beoordelingskader vormen van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Voor zover deze regels relevant zijn voor de ontwikkeling wordt daar in de voorliggende GoFlo op ingegaan. 3.1.2.2 Conclusie De relevante randvoorwaarden uit het Bkl komen in deze GoFlo aan bod.
PROVINCIAAL BELEID Zeeuwse Omgevingsvisie deel A en B Deel A en B van de Zeeuwse Omgevingsvisie vormen samen het beleid voor de periode tot 2050. De Zeeuwse Omgevingsvisie is vastgesteld door de Provinciale Staten op 12 november 2021 en gewijzigd op 15 december 2023. Het gaat goed met Zeeland. De Zeeuwse woonomgeving wordt gewaardeerd, net als de natuur en waardevolle landschappen. Het midden- en kleinbedrijf (MKB), de havens, de landbouw en recreatie en toerisme zijn belangrijke pijlers voor de economie, werkgelegenheid en leefbaarheid. Er zijn wel uitdagingen. De klimaatverandering, stijging van de zeespiegel, afname van biodiversiteit, andere bevolkingssamenstelling door vergrijzing. Deels is het de uitdaging te behouden wat er is, deels is het de uitdaging in te spelen op de ontwikkelingen die komen gaan. Om deze uitdagingen het hoofd te bieden en tegelijkertijd te werken aan brede welvaart, beschrijft de Zeeuwse Omgevingsvisie vier Zeeuwse Ambities voor 2050. Hieronder zijn de vier ambities opgesomd: 1. 2. 3. 4.
Uitstekend wonen en leven in Zeeland Balans in de grote wateren en het landelijk gebied Een duurzame en innovatieve economie Klimaatbestendig en CO2-neutraal Zeeland
Bovenstaande ambities zijn strategische ambitites met 2050 als horizon. Ze geven richting aan de beleidsdoelstellingen en acties voor de kortere termijn (2030). Deel B van de Omgevingsvisie beschrijft uitgebreid de beleidsdoelstellingen voor 2030, de acties die daaraan bijdragen en welke partijen daar een rol bij spelen. Een groot deel van de acties in deel B is opgenomen in bestaande (uitvoerings)programma’s van verschillende samenwerkingsverbanden. Doelen voor 2030 zijn: - Woonomgeving is klimaat adaptief en draagt meer bij aan biodiversiteit; - Woningvoorraad is toekomstbestendig en CO2-neutraal, sluit in kwaliteit en kwantiteit aan op de vraag; - Duurzame Triple helix onderwijs- en onderzoeksinfrastructuur; - Gegarandeerde beschikbaarheid van (basis)voorzieningen en evenementen; - Leefomgeving nodigt uit tot bewegen en is veilig en gezond; - De Zeeuwse culturele infrastructuur is structureel op orde - Mobiliteit en digitale bereikbaarheid is snel, slim, veilig, schoon, voldoende dekkend en betaalbaar. 3.2.1.1 Relatie tot ontwikkeling Energietransitie Om klimaatverandering tegen te gaan is wereldwijd, in Europees én in nationaal verband (Klimaatakkoord) afgesproken om de uitstoot van CO2 en andere broeikasgassen in 2030 met 49% te beperken. Hier is een Mees Ruimte & Milieu | 18094.GOFLO
Pagina | 16
transitie in onze energievoorziening voor nodig. Minder energie en warmte gebruiken is de eerste stap. De tweede is omschakeling naar hernieuwbare energie en alternatieve bronnen van verwarming. Voor opwekking van voldoende duurzame energie zijn windparken op zee én zonne- en windparken op land nodig. De provincie heeft de voorkeur voor het plaatsen van zonnepanelen op daken. Dit is vanuit het provinciaal beleid zondermeer toegestaan. De provincie zet zich waar mogelijk in om zon op dak te bevorderen, echter zijn niet alle daken geschikt. Onderkend wordt dat er met alleen zon op dak onvoldoende vermogen gerealiseerd kan worden. Aanvullende ruimte voor zonprojecten wordt daarom geboden in combinatie met andere functies. Hiermee wordt een balans gezocht tussen enerzijds ruimte bieden voor zon energie, maar anderzijds wel met behoud van omgevingskwaliteit, zorgvuldig ruimtegebruik en behoud van de agrarische functie van gronden in het buitengebied. Zonprojecten anders dan op dak zijn daarom toegestaan binnen bestaand bebouwd gebied, in combinatie met windenergieprojecten, in combinatie met infrastructuur zoals dijken, (vaar en spoor)wegen en nutsvoorzieningen, op stortplaatsen en locaties voor glastuinbouw, aansluitend aan bestaand bebouwd gebied en op water. Voor water geldt dan aanvullend dat aangetoond moet worden dat er geen negatieve effecten zijn voor recreatie en visserij.
Ook voor zonprojecten geldt dat het maatwerk aan de gemeenten wordt overgelaten. Landschap en erfgoed De kernkwaliteiten van Zeeland gaan verder dan het strand, de duinen en badplaatsen. Aansluitend hieraan liggen tal van gebieden met bijzondere natuur- en landschapswaarden. Ook de karakteristieke openheid van het agrarische landschap draagt bij aan het ervaren van een gevoel van rust, stilte en ruimte. De vele verschillende landschappen en de natuurlijke en cultuurhistorische landschapselementen vertellen het verhaal van het ontstaan van Zeeland en de geschiedenis van Zeeland en haar inwoners. Landschap en erfgoed dragen derhalve in belangrijke mate bij aan de identiteit en de belevingswaarde van Zeeland. Ook spelen ze een belangrijke rol bij het vestigingsklimaat, het toerisme, de leefbaarheid en de biodiversiteit. De provincie wil deze rol behouden en waar mogelijk versterken. Daarbij beoogt zij de identiteit, diversiteit en belevingswaarde van landschap, natuur- en cultuurhistorische waarden te behouden en te versterken. Deze kwaliteiten krijgen een basisbescherming via de ruimtelijke verordening. Ingrijpende aantasting van de kernkwaliteiten is niet toegestaan. 3.2.1.2 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling sluit op hoofdlijnen aan bij de Zeeuwse Omgevingsvisie deel A en B.
Omgevingsverordening Zeeland Op 1 januari 2024 is de omgevingsverordening in werking getreden. Per 28 juni 2024 is de eerste wijziging in werking getreden van de omgevingsverordening. De inhoud van de Omgevingsvisie is voor een groot deel leidend voor de inhoud van de omgevingsverordening. In de verordening zijn de regels over de fysieke leefomgeving van de provincie opgenomen. Gemeentelijke omgevingsplannen dienen aan deze regels te voldoen. Enkele relevante speerpunten uit de omgevingsverordening zijn de regels voor ruimtelijke kwaliteit. Hieronder zijn de voor de ontwikkeling relevante regels uit de verordening opgenomen. 3.2.2.1 Relatie tot ontwikkeling Er zijn diverse regels uit de omgevingsverordening waar de voorgenomen ontwikkeling aan moet voldoen. De voor de beoogde ontwikkeling relevante regels zijn hieronder weergegeven. Gevolgd door een toelichting op de relatie met het project. Artikel 5.12 Zonne-energie 1. Een omgevingsplan kan voorzien in de realisatie van een opstelling voor zonne-energie binnen bestaand stedelijk gebied.
Mees Ruimte & Milieu | 18094.GOFLO
Pagina | 17
2. Een omgevingsplan kan voorzien in de realisatie van een opstelling voor zonne-energie buiten bestaand stedelijk gebied op een locatie: a. grenzend aan bestaand stedelijk gebied; b. op of grenzend aan een bouwvlak; c. op of grenzend aan een bedrijventerrein; d. op of grenzend aan grond waarop glastuinbouw is toegestaan; e. op of grenzend aan grond waarop een nutsvoorziening, stortplaats, opstellingen voor zonne-energie of windenergie is toegestaan; f. op grond waarop infrastructuur is toegestaan; 3. De motivering bij een omgevingsplan waarin wordt voorzien in de realisatie van een opstelling voor zonne-energie buiten bestaand stedelijk gebied maakt aannemelijk dat: a. de opstelling voor zonne-energie ruimtelijk ondergeschikt is aan de inrichting of het gebruik van de grond, bedoeld in het tweede lid, onder a tot en met d; b. op grond waar water is toegestaan: er geen significant nadelige effecten zijn voor natuur, recreatie, waterkwaliteit of visserij; en c. de omgevingskwaliteiten zich niet tegen de opstelling van zonne- energie verzetten. 4. Op locaties waar op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, krachtens een omgevingsplan, kan worden voorzien in de realisatie van een opstelling voor zonneenergie, wordt de afwijking van de regels niet vergroot. De beoogde ontwikkeling behelst een zonnepark. De Provincie wil de ontwikkeling van zonne-energie stimuleren.
Op basis van de Omgevingsverordening Zeeland is het toegestaan een zonnepark in het buitengebied op te richten, mits dit gebeurt in combinatie met of aansluitend op een aantal benoemde andere functies. Eén van deze functies betreft infrastructuur. In dit geval geldt dat de projectlocatie met de zuid- en westzijde aan respectievelijk de N253 en de Maaidijk grenst en daarmee ingeklemd ligt in de oksel van bestaande deels provinciale weginfrastructuur. Daarnaast is in het kader van infrastructuur de projectlocatie grenzend aan een belemmeringszone van een gasleiding gelegen. Ten slotte is de projectlocatie grenzend aan grond waarop een nutsvoorziening is toegestaan volgens het bestemmingsplan ‘buitengebied’ vastgesteld door de gemeenteraad van Sluis op 23 juni 2011. De projectlocatie betreft in het kader van de Omgevingsverordening dan ook een geschikte locatie voor een zonnepark. Artikel 5.36 landschap en erfgoed 1. In de motivering bij een omgevingsplan dat regels stelt voor landschappen, landschapselementen, cultuurhistorisch waardevolle boerderijen of cultuurhistorische elementen als bedoeld in bijlage VII, wordt inzicht gegeven in de landschappelijke respectievelijk cultuurhistorische waarden van de gronden, boerderijen of elementen. 2. In een omgevingsplan worden geen activiteiten toegelaten die: a.
het mogelijk maken dat de landschappelijke en cultuurhistorische waarden van de gronden of elementen significant worden aangetast; b. leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte van de gronden; of c. leiden tot een significante aantasting van de samenhang tussen de gronden of elementen. 3. De motivering bij een omgevingsplan dat regels stelt voor nieuwe bebouwing of nieuwe vormen van grondgebruik, maakt aannemelijk dat de in het tweede lid bedoelde aantasting en vermindering zich niet voordoen. 4. Het tweede lid is niet van toepassing op cultuurhistorisch waardevolle boerderijen als bedoeld in bijlage VII. 5. Het tweede lid is niet van toepassing als: a. er sprake is van een groot openbaar belang; b. er geen reëel andere mogelijkheden zijn; c. de negatieve effecten zoveel mogelijk worden beperkt door het treffen van mitigerende maatregelen; en d. de overblijvende effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd overeenkomstig bijlage VI. 6. Tot een groot openbaar belang wordt in ieder geval gerekend:
Mees Ruimte & Milieu | 18094.GOFLO
Pagina | 18
a. telecommunicatievoorzieningen en hulpverleningsdiensten; b. opsporing, winning, opslag en transport van olie, gas en water, transport van elektriciteit en kleinschalige opwekking van elektriciteit met een windturbine; en c. waterbeheer en natuurbeheer. Op basis van de Omgevingsverordening dient gelet op de ligging in buitengebied rekening te worden gehouden met waardevolle landschappen en cultuurhistorische elementen. Deze mogen niet significant worden aangetast. Onderstaand figuur toont een uitsnede van de kaartbijlage met betrekking tot landschap en erfgoed (bijlage VII). Figuur 3. Uitsnede bijlage VII behorende bij artikel 5.36, eerste lid
Opgemerkt wordt dat de ontwikkeling wel resulteert in een afname van de gronden in het buitengebied, met dien verstande dat een park van 20 ha op deze locatie logischerwijs leidt tot 20 ha minder agrarische gronden. Het park is echter van tijdelijke aard (25 jaar) en de gronden komen na ontmanteling van het park weer toe aan het buitengebied. Aanvullend geldt dat een goede landschappelijke inpassing mogelijkheden biedt tot vergroting van biodiversiteit ter plaatse, wat met deze ontwikkeling gebeurt. Daarnaast krijgen de gronden gedurende langere tijd rust, waardoor de onderliggende (landbouw)grond de kans krijgt te herstellen en in kwaliteit zal toenemen. Wanneer de gronden weer ter beschikking komen kan het huidige gebruik (indien gewenst) worden hervat, waarbij sprake zal zijn van een verbetering ten opzichte van de huidige situatie. Wanneer sprake is van een ‘groot openbaar belang’, is afname van gronden bovendien geoorloofd. De provincie zal per project beoordelen of sprake is van een dergelijk belang, maar gelet op het bepaalde in artikel 5.36, zesde lid, mag geconcludeerd worden dat daar in dit geval sprake van is. Vanwege het transport van elektriciteit. 3.2.2.2 Conclusie De beoogde ontwikkeling sluit aan op de Omgevingsverordening Zeeland.
Mees Ruimte & Milieu | 18094.GOFLO
Pagina | 19
OMGEVINGSWAARDEN Een omgevingswaarde is een van de instrumenten om beleid door te laten werken vanuit het Rijk en provincie, maar ook van de gemeente zelf. Omgevingswaarden zijn maatstaven voor de fysieke leefomgeving voor: • • •
de gewenste staat of kwaliteit op een bepaald moment op een bepaalde plaats; de toelaatbare belasting door activiteiten; de toelaatbare concentratie of depositie van stoffen.
De omgevingswaarde moet worden uitgedrukt in meetbare of berekenbare eenheden of anderszins in objectieve termen. Een kwalitatieve omgevingswaarde is mogelijk als zo'n aspect met objectieve termen kan worden omschreven. Bijvoorbeeld: wanneer een rivier moet voldoen aan de normen voor een 'goede ecologische toestand', is een objectieve beschrijving van kwaliteiten nodig in bijvoorbeeld een programma of beleidsregel. Omgevingswaarden hebben geen doorwerking naar andere partijen dan de gemeente die de omgevingswaarde heeft vastgesteld. De gemeente kan omgevingswaarden vaststellen in het omgevingsplan. Het moet dan gaan om omgevingswaarden die het gemeentebestuur kan beïnvloeden of beheersen door de inzet van beleidsinstrumenten, zoals voor geur of geluid.
Relatie tot ontwikkeling In paragraaf 2.2 (toets aan het omgevingsplan) is niet gebleken dat voor de voorgenomen ontwikkeling specifieke omgevingswaarden zijn vastgesteld, waaraan de voorgenomen ontwikkeling moet worden getoetst. Toetsing aan rijksomgevingswaarden voor omgevingsaspecten, zoals luchtkwaliteit, komen in hoofdstuk 4 en 5 van deze GoFlo aan bod.
Conclusie De omgevingswaarden vormen een randvoorwaarde voor de nadere uitwerking van de voorgenomen ontwikkeling. Toetsing aan geldende wet- en regelgeving rondom omgevingsaspecten komt in hoofdstuk 4 en 5 van deze GoFlo aan bod.
REGIONAAL BELEID Regionale Energiestrategie 2.0 Zeeland De RES is een samenwerkingsverband tussen gemeenten, waterschap, provincie en netbeheerders. In de RES 2.0 wordt voort gebouwd op de brede steun, expertise en het netwerk van de RES 1.0. De uitvoering van en de gemaakte afspraken in de RES hebben directe invloed op Zeeuwse organisaties en inwoners, met zichtbare duurzame opwek, elektrisch vervoer en het gebruik van duurzame warmtebronnen. Het streven is om met de RES een evenredige en ambitieuze bijdrage te leveren aan het landelijke klimaatbeleid. Het kabinet heeft in 2022 het nationaal klimaatbeleid aangepast. Om 95% minder CO2 uit te stoten in 2050 ten op zichte van 1990. In de RES 2.0 verschuift de focus van vooral grootschalige wind- en zonne-energie naar een integraal energiesysteem, dat alle energiedragers (zoals elektriciteit, warmte en duurzame gassen) met alle sectoren verbindt. Onderstaande afbeelding toont de ambities en doelstellingen uit de RES 2.0 per sector aangegeven.
Mees Ruimte & Milieu | 18094.GOFLO
Pagina | 20
Figuur 4. Ambities en doelstellingen RES 2.0 per sector (bron: Regionale Energiestrategie Zeeland)
Maatschappelijke veerkracht Vroeger kwam energie (zowel warmte als elektriciteit) uit kolen- en gascentrales op industrieterreinen die men niet direct zag. Zonneparken en windmolens zijn veel meer zichtbaar in het landschap. Duurzame energie voegt zich samen met de lokale leefomgeving. Onderzocht wordt hoe verschillende functies en opgaven, zoals woningbouw en landbouw, handig kunnen combineren. Daarbij wordt rekening gehouden met de landschappelijke kwaliteiten, biodiversiteit, water en bodem en de fijne leefomgeving van Zeeland. 3.4.1.1 Relatie tot ontwikkeling Voor zonne-energie is de gezamenlijke doelstelling 1000 MW op te wekken in 2030. Vooral met zon op dak en eventueel aanvullend met zon op land. Het uitgangspunt van het zonbeleid is: zonne-energie zoveel mogelijk op dak realiseren. Zon op land en zon op water zijn een aanvulling daarop. Voor zonne-energie via zon op dak, respectievelijk zon op land, zijn er géén specifieke zoekgebieden in de RES 2.0 opgenomen. Het streven is om de ruimte zorgvuldig en efficiënt in te richten en te focussen op meervoudig ruimtegebruik. Daarom is gekozen voor een opzet waarbij zonne-energie op land zoveel mogelijk wordt gecombineerd met al bestaande infrastructuur of bebouwing, zoals windturbines, glastuinbouw of bedrijventerreinen. Ook wordt ingezet op zon-op-water.
Het provinciaal beleid voor zonne-energie op land en water is op hoofdlijnen opgesteld. De uitwerking op projectniveau vindt door de gemeenten plaats. Er is geen vooraf vastgestelde opgave per gemeente, gemeenten dragen naar mogelijkheden bij aan de realisatie van de 1000 MW (0,8 TWh) zonne-energie. Het gerealiseerde vermogen zonne-energie op land is eind 2023 ongeveer 442 MW (0,35 TWh). Bij het inpassen wordt er ook rekening gehouden met de beschikbare netcapaciteit. De beoogde ontwikkeling voorziet in een zonnepark. Al een aantal jaar wordt – met medeweten van de gemeente - gewerkt aan het realiseren van zonnepanelen op de projectlocatie. Zoals in het beleid wordt aangegeven is voor projecten die momenteel in de pijplijn zitten nog plek wat betreft de beschikbare netcapaciteit. De aanleg van het zonnepanelenpark resulteert in levering van duurzame energie aan ca. 6.560 huishoudens. Per jaar levert het een CO2 reductie op van ca. 9.700 ton. Daarmee levert de beoogde
Mees Ruimte & Milieu | 18094.GOFLO
Pagina | 21
ontwikkeling een bijdrage aan het gezamenlijke doel de particuliere woningvoorraad in 2045 energieneutraal te laten zijn. De ontwikkeling is daarmee geheel in lijn met de Regionale Energiestrategie. 3.4.1.2 Conclusie De ontwikkeling is in lijn met de Regionale Energiestrategie.
GEMEENTELIJK BELEID Visiedocument Krachtig verbonden Gemeente Sluis beschikt over de Visie Duurzaamheid Sluis 2013-2019 opgesteld. De duurzaamheidvisie beschrijft zowel de gemeentelijke ambities als de wijze waarop de gemeente deze ambities wil realiseren. Hiertoe zijn alle relevante thema’s, doelen en activiteiten benoemd. De duurzaamheidsvisie bundelt de ambities over alle relevante beleidsvelden op het gebied van duurzaamheid. Zij bestaat gedeeltelijk uit nieuw beleid en gedeeltelijk geeft de visie een overzicht van bestaand beleid. Het Visiedocument Krachtig Verbonden is een visie op hoofdlijnen waarmee de gemeente de koers bepaalt ten aanzien van het ruimtelijk-economisch en sociaal-maatschappelijk beleid. Technisch gezien zijn wind- en zonne-energie op dit moment de enige methoden voor het opwekken van duurzame energie, die op grote schaal te realiseren zijn in onze gemeente. Andere methoden zijn nog in ontwikkeling of niet geschikt vanwege de geografische eigenschappen van onze gemeente. Daarom betekent duurzame energie vooralsnog wind- en zonne-energie. Relatie tot ontwikkeling 3.5.1.1 Relatie tot ontwikkeling Wat mogelijk is in de gemeente Sluis baseren we op de opbouw van het elektriciteitsnetwerk en op het provinciale beleid voor wind- en zonne-energie. Op dit moment is het elektriciteitsnetwerk berekend op 14,6 MW (megawatt) extra op te wekken energie.
De potentiële zoeklocatie voor grootschalige opwek van duurzame energie ligt rondom het hoofdverdeelstation van Oostburg. De beoogde ontwikkeling gaat uit van de realisatie van een zonnepanelenpark anders dan op daken van bestaande of toekomstige gebouwen. Door een grondgebonden zonneweide te realiseren, wordt echter een significante bijdrage geleverd aan het behalen van de gemeentelijke doelstelling 10% van het totale gebruik van energie in 2019 uit zonne-energie te laten bestaan. Het park heeft naar verwachting een capaciteit van circa 24 MWp wat bovendien op jaarbasis leidt tot een CO2-reductie van 9.700 ton. Ten slotte wordt in het beleid aangegeven dat de potentiële zoeklocatie voor grootschalige opwek van duurzame energie rondom het hoofdverdeelstation van Oostburg ligt. Dit gebied omvat onder andere de projectlocatie. Daarom ligt de beoogde ontwikkeling in lijn met het visiedocument Krachtig verbonden. 3.5.1.2 Conclusie Krachtig verbonden vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. De realisatie van het zonnepanelenpark levert bovendien een bijdrage aan de gemeentelijke doelstellingen ten aanzien van het gebruik van zonne-energie.
Mees Ruimte & Milieu | 18094.GOFLO
Pagina | 22
4
OMGEVINGSKWALITEIT In de Omgevingswet is een goede omgevingskwaliteit opgenomen als een centrale doelstelling (artikel 1.3 Omgevingswet). Dit duidt op het belang van aspecten als cultureel erfgoed, architectonische kwaliteit van bouwwerken, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van natuur en landschap. Het gaat daarbij om de menselijke beleving van de fysieke leefomgeving.
LANDSCHAPPELIJKE EN STEDENBOUWKUNDIGE INPASSING In de Omgevingswet is een goede omgevingskwaliteit opgenomen als een centrale doelstelling (artikel 1.3 Omgevingswet). Dit duidt op het belang van aspecten als cultureel erfgoed, architectonische kwaliteit van bouwwerken, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van natuur en landschap. Het gaat daarbij om de menselijke beleving van de fysieke leefomgeving. Bij het toedelen van functies aan locaties in het Omgevingsplan moet de landschappelijke kwaliteit worden meegenomen (artikel 2.4 en 4.2 Omgevingswet). Op Rijksniveau zijn er een beperkt aantal instructieregels opgesteld voor landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit van de fysieke leefomgeving. De provincie en gemeente hebben hierdoor vrijheid om de aspecten landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit in te vullen in bijvoorbeeld de Omgevingsvisie en het Omgevingsplan. Eén van de instructieregels waaraan de provincies en gemeenten moeten voldoen betreft het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5 van het Bkl). In de NOVI (zie ook paragraaf 3.1.1) is vastgelegd dat het behouden en versterken van landschappelijke kwaliteiten onderdeel is van de nationale belangen. Sommige landschappen zijn zo waardevol dat ze extra beschermd worden, zoals het Groene Hart.
In de Omgevingsvisie kan ingegaan worden op de kwaliteit van het landschap en hoe dit kan worden behouden en versterkt. Daarnaast is het van nationaal belang om de kernkwaliteiten van stad en land te borgen. Op provinciaal niveau betreft de stedenbouwkundige kwaliteit bijvoorbeeld de grens tussen het open landschap en de verstedelijking. Met beleid voor ruimtelijke kwaliteit kan dit worden beschermd. Op gemeentelijk niveau gaat stedenbouwkundige kwaliteit over bijvoorbeeld de hoofdstructuur van een stad. Stedenbouwkundige kwaliteit wordt afgewogen bij de keuze voor een ontwikkellocatie en de stedenbouwkundige invulling. Relatie tot de ontwikkeling Voor de landschappelijke inpassing wordt gebruik gemaakt van het bureau Feddes en Olthof. In bijlage 1 is de gehele rapportage weergegeven. Voor de volledige inhoud van het landschapsplan wordt verwezen naar de bijlagen bij voorliggende ruimtelijke onderbouwing. Onderstaand figuur toont de inrichting van het beoogde zonnepark.
Mees Ruimte & Milieu | 18094.GOFLO
Pagina | 23
Figuur 5. Toekomstige sitautie (bron: uitsnede inrichtingsplan Feddes en Olthof)
Het plan gaat uit van een oostwestopstelling (dakjes). De maximale hoogte van de panelen betreft 2 meter, en de tussenafstand tussen de rijen is ook 2 meter. De watergang door het midden van het plangebied blijft gehandhaafd en wordt doorgetrokken richting Lange Heerenstraat. Langs de watergang blijft een zone vrij van panelen. Hierdoor ontstaat een lange zichtlijn en wordt het zonnepark optisch in tweeën gedeeld. Aan de noordzijde blijft een zone tussen de woonkavel en het zonnepark vrij van panelen. Ook aan de westzijde blijft een ruimte zone vrij van panelen. Tegenover de bewoning langs de Maaidijk wordt een groene parkachtige zone ingericht, met kruidenrijk grasland, fruitbomen en een struinpad. Een grondwal beplant met struweel houdt het zonnepark vanaf deze zijde uit het zicht. Nieuwe laanbomen versterken de Maaidijk als belangrijke landschappelijke structuur. Ook langs de Nieuwe Heerenstraat blijft een zone vrij in verband met beperkingen door kabels en leidingen. Daarachter wordt een landschappelijke Zeeuwse Haag aangelegd, die het zonneveld uit het zicht houdt en ecologische waarde aan het plan geeft. De entree voor het zonnepark bevindt zich ofwel aan de noordzijde, bij de insteek van de watergang, of er ontstaat een gecombineerde entree met het trafostation. Benodigde trafokasten vallen zoveel mogelijk binnen de ordening van de rijen panelen.
Overige benodigde bouwwerken worden zoveel mogelijk geconcentreerd en met een haag ingeplant. Aan de zuidzijde van de projectlocatie zal de entree voor het zonnepark komen, waar ook de centrale transformator zal komen. Dit wordt gecombineerd met een zoekgebied om batterijen te plaatsen ten behoeve van een betere balans op het netwerk. Dit wordt ingepast als een erf, met groene rand van struweel en bomen. De zone onder de hoogspanningskabels blijft vrij van panelen. Deze zone wordt beheerd als kruidenrijk grasland. De oostelijke rand van het zonnepark wordt ingeplant met fruitbomen, een verwijzing naar de historische boomgaarden in het gebied. Mees Ruimte & Milieu | 18094.GOFLO
Pagina | 24
Natuurinclusief Het voornemen is om het zonnepark natuurinclusief in te richten. Bij de ontwerpen van het zonnepark is rekening gehouden met de openheid van het landschap als ook met de ruimte tussen de tafels (minimaal 2 meter), er blijft ruimschoots meer dan 25% open ruimte beschikbaar tussen de tafels. Ook tussen de panelen wordt een kleine opening gehouden zodat regenwater beter wordt verspreid over de bodem. Dit komt de ondergrond ten goede waardoor natuur zich beter kan ontwikkelen. De verwachting is juist dat door de aanleg de biodiversiteit zal toenemen. Het huidige landschap is overwegend grasland. Voor de aanleg zal een nulmeting van de bodemkwaliteit, waterkwaliteit en ecologische kwaliteit worden uitgevoerd. Gedurende de instandhouding van het zonnepark zullen periodiek op deze aspecten metingen worden uitgevoerd teneinde de verbetering van deze aspecten te monitoren en zo nodig in te grijpen bij een achteruitgang van de ecologie- en bodemkwaliteit en achteruitgang van biodiversiteit. Dit zal tevens uitgewerkt worden in een beheerplan. Figuur 6. Overzicht doorsnedes
Mees Ruimte & Milieu | 18094.GOFLO
Pagina | 25
Figuur 7. Doorsnede Maaidijk
Figuur 8. Doorsnede Lange Heerenstraat
Conclusie Landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit vormt geen randvoorwaarde voor de beoogde ontwikkeling op de projectlocatie.
CULTUURHISTORIE, MONUMENTEN EN ARCHEOLOGIE Algemeen Onderdeel van de fysieke leefomgeving is het cultureel erfgoed en werelderfgoed. Cultureel erfgoed bestaat uit vijf elementen, namelijk monumenten (dit kunnen gebouwde monumenten zijn maar bijvoorbeeld ook tuinen en parken), archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschap en roerend of
Mees Ruimte & Milieu | 18094.GOFLO
Pagina | 26
immaterieel erfgoed (dit kan bijvoorbeeld een haven met historische schepen zijn). Alle wettelijke regelingen rond de omgang met cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving zijn in de Omgevingswet terecht gekomen. Artikel 5.130 en Artikel 5.131 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat de instructieregels voor het cultureel erfgoed. Het beschermingsregime in het omgevingsplan moet ertoe strekken om in een vroeg stadium inzicht te verschaffen in het cultureel erfgoed dat binnen het desbetreffende gebied aanwezig is en om dit cultureel erfgoed voldoende te beschermen als een activiteit wordt ontplooid. De Omgevingswet vormt samen met de Erfgoedwet (2016) het fundament voor de bescherming van het erfgoed. Monumenten De aanwijzing van rijksmonumenten is opgenomen in de Erfgoedwet en deze monumenten zijn daarmee wettelijk beschermd. In een Omgevingsplan kan een rijksmonument worden opgenomen, maar dit is door de bescherming op grond van de Erfgoedwet niet verplicht. In een Omgevingsplan dienen voor alle beschermde monumenten regels te zijn opgenomen om de omgeving van het beschermde monument te beschermen. In de periode tot eind 2029 geldt een overgangsfase voor gemeentelijke monumenten. Na de overgangsfase worden alle gemeentelijke monumenten beschermd in een Omgevingsplan. Tot die tijd kunnen gemeentelijke monumenten ook beschermd worden via een erfgoedverordening.
Archeologische monumenten In een Omgevingsplan dient rekening te worden gehouden met de (te verwachten) archeologische waarden. Een archeologische onderzoeksplicht in het Omgevingsplan regelt bijvoorbeeld wanneer archeologisch onderzoek moet plaatsvinden en aan welke eisen dit moet voldoen. In beginsel is een project kleiner dan 100 m² vrijgesteld, maar in een Omgevingsplan kan een andere vrijstellingsgrens worden vastgelegd. Stads- en dorpsgezichten & cultuurlandschappen Zowel het Rijk, de provincie als een gemeente kan een stads- of dorpsgezicht met een bijzonder cultuurhistorisch karakter aanwijzen voor bescherming. In een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht zijn de rechtsgevolgen niet gelijk aan die van een gemeentelijk beschermd gezicht. Vergunningsvrij bouwen is in een Rijksbeschermd stadsgezicht bijvoorbeeld ingeperkt. Een landschappelijk waardevol gebied kan beschermd zijn als cultuurlandschap. Roerend of immaterieel erfgoed In de Omgevingswet is bepaald dat in een omgevingsplan regels kunnen worden gesteld aan roerend of immaterieel erfgoed als dit erfgoed direct of indirect voorwerp kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Denk hierbij bijvoorbeeld aan regels voor een haven met historische schepen.
Of het toedelen van een functie aan een locatie die samenhangt met een (lokaal) volksgebruik dat wordt aangemerkt als immaterieel cultureel erfgoed. Werelderfgoed Naast de bescherming van erfgoed via de regels in artikel 5.130, is in artikel 5.131 voorzien in een specifieke regel voor het werelderfgoed. Een Omgevingsplan dient regels te bevatten voor het behoud van de uitzonderlijke universele waarde van werelderfgoed. Daarbij geldt dat een ontwikkeling in een betreffende gemeente invloed kan hebben (bijv. hoogbouw) op de universele waarde van werelderfgoed in een omliggende gemeente. Relatie tot ontwikkeling Archeologie Op basis van het vigerende bestemmingsplan “Buitengebied” (onderdeel van het omgevingsplan) kent een deel van de projectlocatie de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’. Het overige deel kent geen archeologische verwachtingswaarde. Onderstaand figuur toont de gronden waarop de dubbelbestemming van toepassing is in het rood.