CConstaterende datSluis
Koppel je AI →
Document · PDF

a. Ontwerpbestemmingsplan Camping International 2020.pdf

Raad 23 juni 2022, gemeente SluisBij agendapunt: Voorstel tot gewijzigd vaststellen van het bestemmingsplan camping International21.015 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

4.2

Ecologie

Toetsingskader Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) en het beleid van de provincie ten aanzien van de bescherming van dier‐ en plantensoorten en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland de uitvoering van het plan niet in de weg staan. In elk geval moet aannemelijk zijn dat vergunning of ontheffing van de bij of krachtens deze wet geldende verbodsbepalingen kan worden verkregen voor de activiteiten die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt. Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier‐ en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn, soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn en de bescherming van overige soorten. De provincie kan ontheffing verlenen van de verboden voor overige soorten. In de provincie Zeeland geldt voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden en bestendig beheer en onderhoud een vrijstelling voor een groot deel van de 'overig' beschermde soorten.

Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat. Dit betreft de meest algemene soorten amfibieën en zoogdieren. Voor de Europees beschermde soorten (Vogel‐ en Habitatrichtlijn) is er geen beleidsruimte en is de bescherming onveranderd.

31/112

Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden: Natuurnetwerk Nederland (NNN) en Natura 2000‐gebieden. De minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Voor ieder Natura 2000‐gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn) opgesteld. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Het NNN is in Zeeland uitgewerkt in het Natuur Netwerk Zeeland (NNZ). Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij'‐principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Onderzoek Gebiedsbescherming Natura 2000/Natuurbeschermingswet Het plangebied is geen Beschermd Natuurmonument of Natura 2000‐gebied. De afstand tot een Natura 2000‐gebied bedraagt circa 2.000 m. Dit betreft het Natura 2000‐gebied 'Westerschelde & Saeftinghe' (zie figuur PM).

Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling en de afstand tot natuurgebieden kunnen ook verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten. De gevolgen voor verzuring en vermesting zijn niet op voorhand uit te sluiten, daarom is onderzoek uitgevoerd naar de stikstofdepositie. Om te onderzoeken of er sprake is van stikstofdepositie op stikstof gevoelige Natura 2000‐gebieden is een Aerius‐berekening uitgevoerd, de memo met uitgangspunten en uitkomst is opgenomen in bijlage 2. Uit berekeningen voor de gebruiksfase blijkt dat er geen sprake is van stikstofdeposities die hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j op Natura 2000‐gebied (zie bijlage 3). Uit de berekeningen voor de aanlegfase blijkt dat er eveneens geen sprake is van enige stikstofdepostie binnen de Natura 2000‐gebieden (zie hiervoor bijlage 4). Dit betekent dat geen significante gevolgen optreden en dat de instandhoudingsdoelstelling van de omliggende Natura 2000‐gebieden niet in gevaar komt. Voor projecten die niet leiden tot een toename van depositie is geen vergunning conform de Wet natuurbescherming nodig. De ontwikkeling heeft geen negatieve effecten op de natuurwaarden van Natura‐2000 gebieden.

32/112

Figuur 4.1 Ligging van de planlocatie (rood omcirkeld) ten opzichte van Natura 2000‐gebied (Bron: Provincie Zeeland, bewerking Rho adviseurs) Natuurnetwerk Zeeland Het plangebied ligt in een gebied dat aan de noord‐ en zuidkant is begrensd in het kader van het Natuurnetwerk Zeeland (NNZ). Aan zowel de noord‐ als de zuidzijde van het plangebied grenst beheertype N14.03 'Bestaande natuur binnendijk nieuw'. De geplande activiteit heeft geen negatief effect op de natuurwaarden van de gebieden die zijn begrensd in het kader van het Natuurnetwerk Zeeland.

33/112

Figuur 4.2 Ligging plangebied (rode cirkel) ten opzichte van Natuurnetwerk Zeeland (Bron: Provincie Zeeland, bewerking Rho adviseurs) Soortenbescherming Het terrein waar omzetting van dagrecreatie naar verblijfsrecreatie mogelijk wordt gemaakt, bestaat uit een dierenweide (voormalige boomgaard) die in gebruik is ten behoeve van dagrecreatie en een grondwal. Gezien het huidige intensieve gebruik zijn konijn en haas niet te verwachten. Mogelijk dat er in de hagen broedvogels voorkomen. Indien beplanting gerooid wordt zal dat buiten het broedseizoen plaatsvinden. In het plangebied zijn kleine zoogdieren aanwezig. Het betreft hier dan algemene soorten muizen, egel en mol. Overige beschermde natuurwaarden zijn niet te verwachten. De aangrenzende beplanting blijft gehandhaafd.

34/112

Figuur 4.3 De agrarische gronden die gewijzigd worden naar verblijfsrecreatie (Bron: Rho adviseurs) Conclusie Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet binnen Natura 2000‐gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000‐gebied betreft het 'Westerschelde & Saeftinghe' op circa 2 km ten noordwesten. Uit AERIUS‐berekeningen voor de aanleg‐ en gebruiksfase blijkt dat er geen sprake is van relevante stikstofdeposities (hoger dan 0,00 mol/ha/j) in de omliggende Natura 2000‐gebieden. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland (figuur 4.2). Verder ligt het plangebied niet binnen een waterwin‐, grondwaterbeschermings‐ of milieubeschermingsgebied. De Wnb en het beleid van de Provincie Zeeland staan de ontwikkeling niet in de weg. Soortenbescherming Geconcludeerd wordt dat het onderwerp soortenbescherming geen belemmering vormt voor het vaststellen van het bestemmingsplan.

4.3

Archeologie en cultuurhistorie

4.3.1 Archeologie Toetsingskader In Europees verband is het zogenoemde 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming.

35/112

Op 20 juni 2013 is de Nota Archeologiebeleid gemeente Sluis & Gemeentelijke Onderzoeksagenda Archeologie Sluis vastgesteld. Daarin is het archeologisch beleid van de gemeente verankerd. Dit beleid geldt voor het gehele grondgebied van de gemeente. Op 28 september 2017 heeft er bijstelling van dit beleid plaatsgevonden. Deze bijstelling is beleidsmatig vastgelegd in het document Archeologiebeleid & Onderzoeksagenda Sluis 2017 Eerste herziening. De archeologische beleidskaart is de basis voor het facetbestemmingsplan 'Sluis, parapluplan archeologie'. Op 31 januari 2019 is het bestemmingsplan 'Parapluplan Archeologie, gemeente Sluis' als juridische vertaling van het archeologiebeleid vastgesteld. Toetsing en conclusie De gronden van de camping zijn op de Archeologische beleidskaart gelegen in een gebied van categorie 6 met een lage archeologische verwachting en zijn daarom volledig vrijgesteld van archeologisch onderzoek (zie figuur 4.4). Dat is ook de reden dat er geen dubbelbestemming voor het plangebied is opgenomen in het parapluplan archeologie en dus ook geen Regels. Op basis van het beleid van de gemeente Sluis is aanvullend onderzoek naar archeologische resten in het plangebied niet noodzakelijk. De aanwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig worden uitgesloten.

Indien er tijdens werkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, geldt er conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 een meldingsplicht bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed). Het aspect archeologie staat de ontwikkeling niet in de weg.

36/112

Figuur 4.4 Archeologische beleidskaart gemeente Sluis, met in het rode vierkant het plangebied aangegeven (Bron: gemeente Sluis) 4.3.2

Cultuurhistorie

Toetsingskader In het Bro (artikel 3.6.1 lid 2) is bepaald dat in de toelichting van het bestemmingsplan een beschrijving moet worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Ook zal aandacht moeten worden besteed aan de molen die op korte afstand van het plangebied staat. Toetsing Cultuurhistorische informatie Aan de Molenweg staat de molen van Nieuwvliet. Het is een naamloze stenen grondzeiler die gebouwd is in 1850 door Charel Cappon. Deze beltmolen is tot 1954 als korenmolen in gebruik geweest. In 1959 is de molen leeggehaald. Van 1979‐1980 werd de molen gerestaureerd en in 1980 werd de molen opnieuw in gebruik genomen. Sinds 1998 is de molen eigendom van de Stichting Molen Nieuwvliet. Begin 2000 zijn er nieuwe natuurstenen in de molen gelegd en nu wordt graan gemalen voor enkele veehouders en volkorenmeel. In 2020‐2021 is de molen opnieuw gerestaureerd. De molen draait iedere woensdag en zaterdagmiddag en is vrij te bezichtigen. De molen staat op een molenberg van ongeveer 2 m hoogte en is tot 1954 in gebruik geweest.

De buitenkant: de romp is het type stenen bovenkruier; de romp is gemetseld van gele baksteen (1 7,5/19 x 8,511 0 x 4 cm); de roeden zijn van staal van het fabricaat DERCKX Beegden (L); de wieken hebben een vlucht van 24 m; de staart, schoren, staartbalk met kruiwiel en spruiten zijn van hout; de staart is afkomstig van een zeilschip; de kap is bedekt met spanen. De binnenkant: de diameter van het grondvlak is 6 m en er zijn drie zolders (steen, lui‐ en kapzolder). Inrichting: 1 koppel estiender klinststenen en 1 luiwerk. De vang is een gewone Vlaamse‐ of blokvang. Molenbiotoop In de provinciale Omgevingsverordening 2018 is opgenomen dat tot 400 m vanuit het middelpunt van de molen regels kunnen worden gesteld om een zekere mate van vrije windvang te waarborgen. Binnen een afstand van 100 m van de molen mag geen nieuwe bebouwing en beplanting worden opgericht die hoger is dan het laagste punt van de verticaal staande wieken. Zoals beschreven is in paragraaf 3.2 is de bestemmingsregeling afgestemd op de provinciale Omgevingsverordening, waarbij rekening is gehouden met de feitelijk bestaande en planologisch toegestane situatie. Overige cultuurhistorische waarden in de omgeving In de provinciale omgevingsverordening zijn naast de molen aan de Molenweg, de St. Bavodijk en de Mettenijedijk als cultuurhistorisch waardevolle elementen aangemerkt.

Deze dijken markeren de ontstaansgeschiedenis van het gebied en zijn landschappelijk en cultuurhistorisch waardevolle structuurelementen in het landschap. De beoogde ontwikkeling van Camping International heeft geen invloed op de landschappelijke en cultuurhistorische waarden van deze lijnelementen in het landschap. Het terrein van de camping en van Pierewiet is met een groenstrook ingepast in de omgeving. Deze groenstroken bepalen mede het zicht van de dijken op het terrein.

37/112

Cultuurhistorische waardenkaart De cultuurhistorische waardevolle objecten zijn door de provincie aangegeven op de cultuurhistorische waardenkaart. Op de uitsnede in figuur 4.5 is te zien dat er op het perceel een bouwhistorisch object aanwezig is, namelijk een historische boerderij. Deze historische boerderij is onderdeel van de camping. De boerderij bestaat uit een woonhuis, een achterliggend bakhuisje en een schuur. Aan de feitelijke situatie zal niets veranderen waardoor er geen invloed is op de cultuurhistorische waarde. Ten westen van het plangebied, aan de Mettenijedijk, bevindt zich een MIP monument. Aan de noordzijde van het plangebied, aan de Molenweg, bevindt zich een Rijksmonument. Ook aan de zuidzijde van het plangebied bevinden zich meerdere Rijksmonumenten en cultuurhistorische boerderijen. De ontwikkeling heeft geen invloed op deze cultuurhistorische waardevolle objecten.

Figuur 4.5 Cultuurhistorische waardenkaart (Bron: Provincie Zeeland) Conclusie Het aspect archeologie speelt geen rol in de plannen voor de camping. In de bestemmingsregeling is rekening gehouden met de belangen van de molen en de bestaande situatie rondom de molen en op de camping (inclusief planologisch toelaatbare gebruiks‐ en bouwmogelijkheden). De beoogde ontwikkeling heeft geen invloed op de cultuurhistorische waarde van de dijken en omliggende cultuurhistorische waardevolle objecten.

38/112

4.4

Relatie met omliggende functies

4.4.1 Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de realisatie van woningen nabij bedrijven of vice versa: 1. een goed woon‐ en leefmilieu kan worden gegarandeerd ter plaatse van de woningen; 2. rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en de milieuruimte van de eventueel in de omgeving aanwezige bedrijven/inrichtingen. Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en woningen in voldoende mate mee te nemen, is de ontwikkeling getoetst aan de hierna genoemde wetgeving en beoordelingskaders. Activiteitenbesluit Voor recreatiebedrijven is het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer, beter bekend als het Activiteitenbesluit, van belang. Dit besluit heeft op 1 januari 2008 het Besluit horeca‐, sport‐ en recreatie‐inrichtingen milieubeheer vervangen. In het Activiteitenbesluit zijn milieuvoorschriften opgenomen ter voorkoming of zo veel mogelijk beperken van gevaar, schade of hinder voor de directe omgeving. Zo dienen de inrichtingen ervoor te zorgen dat de geluidsoverlast van het bedrijf of de accommodatie bepaalde grenzen niet overschrijdt. Tevens zijn meer op preventie gerichte voorschriften opgenomen betreffende verwijdering, preventie en hergebruik van afvalstoffen en zuinig gebruik van energie en water.

De gemeente kan onder bepaalde voorwaarden, als de lokale omstandigheden daartoe aanleiding geven, afwijken van hetgeen in het Activiteitenbesluit staat. Afhankelijk van het type inrichting kan het Activiteitenbesluit geheel of gedeeltelijk van toepassing zijn op de inrichting. In het Activiteitenbesluit wordt onderscheid gemaakt in drie typen inrichtingen. 1. Inrichting type A: dit zijn inrichtingen die onder het zogenaamde lichte regime van het Activiteitenbesluit vallen. Het betreft hoofdzakelijk weinig milieubelastende activiteiten. De algemene milieuvoorschriften uit het besluit zijn op deze bedrijven toepassing. 2. Inrichting type B: dit zijn inrichtingen die onder het volledige regime van het Activiteitenbesluit vallen. Het gaat hierbij om de inrichtingen die voorheen ook moesten voldoen aan algemene milieuvoorschriften of nog een milieuvergunning hadden. Het Activiteitenbesluit is voor deze voorschriften en milieuvergunningen in de plaats getreden. 3. Inrichting type C: dit zijn inrichtingen die niet volledig onder het regime van algemene regels van het Activiteitenbesluit vallen. Voor deze bedrijven geldt de verplichting om een milieuvergunning aan te vragen. Voor enkele, in het Activiteitenbesluit genoemde onderwerpen, zijn de milieuvoorschriften uit het besluit naast een eventuele milieuvergunning van toepassing. Landbouwbedrijven vallen ook in deze categorie.

Hierop zijn het Besluit landbouw milieubeheer, het Besluit glastuinbouw of het Besluit Mestbassins milieubeheer op van toepassing. Bedrijven en milieuzonering In het kader van een goede ruimtelijke ordening vindt afstemming van bestaande en nieuwe functies plaats door het aanhouden van zogenaamde richtafstanden. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' van de VNG (2009). Bij deze richtafstanden wordt rekening gehouden met milieuaspecten als geur‐,

39/112

stof‐ en geluidshinder. De richtafstanden gelden ten opzichte van een rustige woonwijk. Uit jurisprudentie en de genoemde VNG‐publicatie blijkt dat in het geval van een gemengd gebied verkleinde richtafstanden gelden. De richtafstanden worden in dat geval met één afstandsstap verkleind (bijvoorbeeld van 50 naar 30 m). Op basis van nader onderzoek kan onderbouwd worden afgeweken van de richtafstanden. Horeca Voor het reguleren van horecabedrijven is een Staat van Horeca‐activiteiten beschikbaar. In dit bestemmingsplan wordt hiervan gebruikgemaakt. Vergelijkbaar met de Staat van Bedrijfsactiviteiten worden bij de uitwerking van ruimtelijk beleid voor hinderlijke horeca‐activiteiten drie stappen onderscheiden: 1. indelen van activiteiten in ruimtelijk relevante hindercategorieën; 2. onderscheiden van gebiedstypen met een verschillende hindergevoeligheid; 3. uitwerken van een beleid in hoofdlijnen: in welke gebieden zijn welke categorieën in het algemeen toelaatbaar. Mede op grond van bovengenoemde criteria worden in de Staat van Horeca‐activiteiten categorieën horeca‐ activiteiten onderscheiden: 'lichte horeca' (categorie 1), 'middelzware horeca' (categorie 2) en 'zware horeca' (categorie 3). Voor een nadere toelichting op deze categorieën wordt verwezen naar bijlage 4 (toelichting op de Staat van Horeca‐activiteiten).

4.4.2 Toetsing Activiteitenbesluit Camping International is op grond van het Activiteitenbesluit een inrichting type B, de beoogde activiteiten worden dan ook in dit kader bij het bevoegd gezag gemeld. Aan de voorschriften genoemd in het betreffende besluit wordt voldaan. Daarom hoeft geen milieuvergunning te worden aangevraagd. Bedrijven en milieuzonering Gemengd gebied Camping International en dagrecreatiebedrijf Pierewiet maken deel uit van een divers gebied. Dit karakter vloeit voort uit de directe nabijheid van:  woningen;  een sportveld;  dagrecreatief bedrijf Pierewiet;  een camping;  een minicamping;  een opslagbedrijf;  andere bedrijvigheid en voorzieningen op enige afstand;  doorgaande wegen, waaronder de St. Bavodijk. Deze maakt deel uit van een doorgaande route voor ontsluiting van het kustgebied, aan de noordzijde, met diverse (grotere) recreatiecomplexen. In de kern is een diversiteit aan functies aanwezig. Deze zijn verspreid over de kern gelegen. Het gemengde karakter van de omgeving van de camping blijkt uit de functiekaart zoals opgenomen in figuur 4.6 en de verbeelding van http://www.ruimtelijkeplannen.nl (zie figuur 4.7). Hierop zijn de verschillende bestemmingen aangegeven die de verschillende functies in de kern illustreren.

Naast de woonfunctie in enkele straten (gele kleur) geven de andere kleuren, een afwisselend functioneel beeld van een gemengd gebied.

40/112

Deze omgevingskenmerken zorgen ervoor dat niet gesproken kan worden van het gebiedstype 'rustige woonwijk', maar juist van een gemengd gebied. Op basis hiervan kan in de beoordeling van de toelaatbaarheid van de functies in het plangebied worden getoetst aan de richtafstanden voor een gemengd gebied. Daarbij kan een afstandsstap lager worden aangehouden dan de richtafstanden uit de VNG‐publicatie Bedrijven en milieuzonering. In de tussenuitspraak van 21 maart 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:955) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak geconcludeerd dat de gemeente, ondanks enkele veranderingen in de omgeving, terecht de omgeving van het plangebied heeft aangemerkt als gemengd gebied. Daarbij heeft de Afdeling in aanmerking genomen dat de St. Bavodijk, die langs het plangebied loopt, een doorgaande route richting kustgebied vormt en het kustgebied ontsluit. Het relevante gedeelte van de kern Nieuwvliet van het bestemmingsplan Kleine Kernen (vastgesteld 30 april 2014) is hierna opgenomen in figuur 4.8. Tevens is het wijzigingsplan voor het perceel Prinses Wilhelminastraat 20 weergegeven, figuur 4.9 (vastgesteld 28 oktober 2014).

Figuur 4.6 Karakteristiek plangebied en omgeving

41/112

Figuur 4.7 Ruimtelijk‐planologische situatie 2014

Figuur 4.8 Uitsnede bestemmingsplan Kleine Kernen, gedeelte Nieuwvliet

42/112

Figuur 4.9 Wijzigingsplan Prinses Wilhelminastraat 20 Verblijfsrecreatieterrein Op grond van de VNG‐publicatie Bedrijven en milieuzonering is voor de categorie 'kampeerterreinen, vakantiecentra, e.d. (met keuken)' (SBI‐code 552) sprake van een richtafstand van 50 m ten opzichte van reguliere woongebieden vanwege het milieuaspect geluid. Voor de milieuaspecten geur en gevaar geldt een richtafstand van 30 m. Dat betekent dat in een gemengd gebied de richtafstand voor het maatgevende aspect (geluid) 30 m bedraagt. In principe worden conform de VNG‐systematiek de afstanden gemeten tussen de grens van de inrichting en de gevels van woningen. Vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening is in dit geval echter ook het verblijfsklimaat in de tuinen bij de woningen in de afwegingen betrokken.  

De minimale afstand tussen de omliggende woonbebouwing en kampeermiddelen zal op het uitbreidingsterrein ruim 20 m bedragen. De afstand tussen de woningen en het kampeerterrein (op de grens van de geluidswal en het kampeerterrein) bedraagt voor de woningen aan de Wilhelminastraat minimaal 22 m, voor de woningen aan de St. Bavodijk 35 m. Alleen voor het perceel St. Bavodijk 6 bedraagt de afstand van de woning substantieel minder, namelijk 10 m. De afstand van de tuinen tot het kampeerterrein bedraagt 10 m. Zie ook figuur 4.6.

43/112

f Figuur 4.10 Afstandsmaten tussen kampeerterrein en woningen 

De maatgevende functies op het uitbreidingsterrein, voor het aspect geluidshinder zijn niet de standplaatsen, maar functies als parkeren, horeca, animatie‐activiteiten, centrale voorzieningen, sportvelden en een zwembad. Om die reden worden deze functies op het uitbreidingsterrein uitgesloten in een zone langs de rand van het kampeerterrein, zodanig dat de afstand tot de woonpercelen voor deze functies minimaal 37 m bedraagt. Daarmee wordt voor deze functies voldaan aan de richtafstand voor een kampeerterrein in gemengd gebied ten opzichte van de tuinen van de aangrenzende woningen. Op kortere afstand zijn alleen verblijfsfuncties (kampeermiddelen, gebouwen voor recreatief nachtverblijf en recreatiewoningen), een dierenweide, een visvijver en een speelterrein toegestaan. Aanvullend wordt voor het noordoostelijke deel van het uitbreidingsterrein achter Sint Bavodijk dagrecreatief gebruik na 19.00 uur beperkt. Daarmee zijn binnen deze zone alleen activiteiten toegestaan die relatief weinig hinder veroorzaken. In dat licht is het ook van belang dat tussen de woonpercelen en het uitbreidingsterrein een geluidswal met een hoogte van 3 tot 3,5 m is gerealiseerd. Deze geluidswal heeft een geluidsafschermend effect, waardoor het afstandseffect wordt versterkt.

44/112

Figuur 4.11 Foto van het aanwezige zwembad  

Bovendien wordt voor de toegestane horeca een minimale afstand van 50 m aangehouden tot de bestemming Wonen. In de huidige situatie is een kleuterbad aanwezig op Camping International (zie figuur 4.11). Voorliggend bestemmingsplan maakt verplaatsing van dit bad mogelijk, onder andere naar het terrein van Pierewiet of het uitbreidingsterrein. Zoals hiervóór aangegeven, zal een nieuw zwembad slechts op een afstand van minimaal 37 m worden toegestaan van de tuinen van de omliggende woningen.

De aangegeven afstanden van het toekomstige kampeerterrein tot de woningen zijn, vanwege de aanwezige geluidswal tussen de woningen en het toekomstige kampeerterrein en met inachtneming van de in de regels opgenomen waarborgen, voldoende om het woon‐ en leefklimaat te borgen. Uit het uitgevoerde akoestische onderzoek blijkt dat de geluidsbelasting ter plaatse van de woonbebouwing en in de tuinen voldoet aan de daarvoor te hanteren richtwaarden. Verwezen wordt naar paragraaf 4.5. Speelboerderij Pierewiet Voor een speeltuin of buitenspeelterrein zijn in de VNG‐publicatie Bedrijven en milieuzonering geen richtafstanden opgenomen. Voor een kinderboerderij (categorie 9253.1) geldt een richtafstand van 10 m in een gemengd gebied (30 m voor het gebiedstype rustige woonwijk) voor de aspecten geluid en geur. Vanwege de samenhang tussen het speelterrein en het verblijfsrecreatieterrein wordt ook voor het speelterrein uitgegaan van een richtafstand van 30 m (gemengd gebied).  De afstand bedraagt minimaal 30 m ten opzichte van woningen. De minimale afstand tot de meest nabijgelegen tuin is wel kleiner dan 30 m.  Ook ter hoogte van het speelterrein is een geluidswal aanwezig, die het geluid van de activiteiten afschermt.  Voor de ontwikkeling is, op verzoek van omwonenden, onderzoek verricht naar het aspect inrichtingslawaai.

Voor een uitgebreide toelichting hierop wordt verwezen naar paragraaf 4.5. Op basis van onderzoeken en advies van de STAB (Stichting advisering bestuursrechtspraak) zijn de volgende maatregelen daar waar nodig geborgd in voorliggend bestemmingsplan: 1. het gebruik van de tokkelbaan en beweegbare brug bij Speelboerderij Pierewiet vanaf de avonduren (na

45/112

19:00 uur) en verplaatsing hiervan naar een plaats op kortere afstand van de bestemming Groen is niet toegestaan; 2. de bouwhoogte van speeltoestellen in de strook langs de woonpercelen wordt beperkt; 3. de hoogte van de geluidswal is samen met de hiervoor genoemde maatregelen toereikend voor het reduceren van het geluid tot een aanvaardbaar geluidsniveau. In de onderzoeken is daarnaast voor het speelterrein uitgegaan van een aantal aanwezige kinderen, dat hoger ligt dan de aantallen die in de praktijk aanwezig zijn (gemiddeld over een dag of avond genomen). Er is geen reden het aantal te begrenzen, aangezien van een relatief hoog gemiddeld aantal is uitgegaan, waarbij nog steeds aan de normen wordt voldaan. Hinder en bouwhinder  De verlichting die op Camping International voorkomt is in hoofdzaak naar beneden gericht. In het bestemmingsplan is bepaald dat verlichting slechts is toegestaan als sprake is van neerwaartse uitstraling. De maximale hoogte van lichtmasten bedraagt 5 m. De regeling die hiervoor is opgenomen, is destijds overeengekomen met natuurorganisaties. De verlichting die Camping International toepast, is niet toereikend voor het veroorzaken van enige lichthinder. Campings zijn ook geen lichtbronnen die van grote afstand waarneembaar zijn.

 Van ontregeling van de natuur door de uitbreiding is dan ook geen sprake, evenmin van energieverspilling, verstoring van het nachtelijk landschap, aantasting van gezondheid, een verbleekte sterrenhemel en gebrek aan duisternis.  Er wordt geen bebouwing met bouwwerkzaamheden verwacht, afgezien van mogelijke sanitair gebouwtjes. De gemeente heeft beleid inzake dergelijke activiteiten en het voorkomen van schade aan woningen. De desbetreffende regeling is ook hier van toepassing.  De eigenaar heeft nadrukkelijk richting omwonenden aangegeven dat als er sprake is van overlast in welke vorm dan ook direct hierover contact op te nemen met het bedrijf. Waar mogelijk zal de overlast vervolgens worden beëindigd. In paragraaf 2.6 wordt hier nader op ingegaan. Horeca  De afstand tussen de centrale voorzieningen en de woonpercelen aan de Prinses Wilhelminastraat bedraagt 63 m, tot de woningen 75 m. De afstand van de horeca op Pierewiet tot de woonpercelen bedraagt meer dan 80 m.  Voor restaurants, cafetaria's, snackbars, ijssalons en cafés geldt op basis van de VNG‐brochure een richtafstand van 10 m. Aan deze afstand wordt ruim voldaan. Daarbij is het van belang dat de horecavoorziening recent is gemoderniseerd. De apparatuur voldoet aan de laatste eisen.  Horeca wordt in het centrale deel van Camping International gehandhaafd, dat is in de regels geborgd.

Ditzelfde geldt voor de beheers‐ en dienstgebouwen die op voldoende afstand worden gerealiseerd. Dit laat onverlet dat kleinschalige sanitaire units op de standplaats passend zijn, zoals dit elders reeds is gerealiseerd. Deze units veroorzaken geen overlast. Dit blijkt in de praktijk op de camping ook niet tot overlast te leiden.  Het campingreglement en de vergunningssituatie zijn toereikend voor de regelgeving inzake de horecagebouwen. Hiervoor is in het bestemmingsplan geen aanvulling nodig.

46/112

4.4.3

Conclusie

Op het recreatieterrein is sprake van een aanvaardbaar verblijfsklimaat. Het recreatieterrein vormt in de huidige en de toekomstige situatie daarnaast geen belemmering voor het woon‐ en leefklimaat van de omliggende woningen. Met het aanhouden van afstanden voor functies, het niet toestaan van activiteiten in bepaalde zones en op bepaalde tijdstippen en de aanwezige geluidswal wordt hinder voor de omgeving zodanig beperkt, dat een goed woon‐ en leefklimaat behouden blijven. Voor een nadere toelichting hoe een en ander is verwerkt in voorliggend bestemmingsplan wordt verwezen naar paragraaf 5.3. Op basis van de voorgestelde zonering, is het niet aannemelijk dat de omliggende woningen hinder zullen ondervinden van de beoogde herstructurering van Camping International. Met de vorenstaande motivering is sprake van een zorgvuldige afweging en een goede ruimtelijke ordening. De eigenaar van het recreatieterrein is zich bewust van de ligging van het recreatiebedrijf nabij de kern van Nieuwvliet. De eigenaar heeft nadrukkelijk richting omwonenden aangegeven dat als er sprake is van overlast in welke vorm dan ook direct hierover contact op te nemen met het bedrijf, waarna zo nodig maatregelen zullen worden genomen.

4.5

Akoestisch onderzoek naar inrichtingslawaai

4.5.1

Inleiding

Voor de ontwikkeling is tijdens de doorlopen (beroeps)procedures meerdere malen (aanvullend) akoestisch onderzoek uitgevoerd naar het geluid dat voortkomt uit de uitbreiding van de camping ter plaatse van de voormalige boomgaard en van Pierewiet. Voor het voorliggende bestemmingsplan is op basis van de eerdere onderzoeken een nieuw en actueel akoestisch onderzoek verricht (zie bijlage 5). Bij het uitvoeren van dat onderzoek is zorgvuldig aangesloten bij de uitgangspunten van de eerdere onderzoeken en het advies dat de Stichting advisering bestuursrechtspraak (STAB‐40701; 5 februari 2019) in het kader van een vorige beroepsprocedure heeft uitgebracht. Deze uitgangspunten betreffen:  het aanmerken van de omgeving als gemengd gebied;  het hanteren van geluidsnormen uit het Activiteitenbesluit behorend bij een gemengd gebied;  realisering van een grondwal langs de randen van de uitbreiding van de camping en een hoek van Pierewiet;  het aantal kinderen en gemiddelde bronvermogenniveaus, maximale bronvermogenniveau en verschillende bronhoogtes van kinderen;  het niet in gebruik zijn van de tokkelbaan en beweegbare brug ter plaatse van Pierewiet en een noordoostelijke hoek van de uitbreiding van de camping gedurende de avondperiode.

Toetsing Voor de beoordeling of bij de geluidsniveaus die voortvloeien uit de uitbreiding van de camping en het gebruik van Pierewiet sprake is van een voldoende woon‐ en leefklimaat is getoetst aan de normen uit het Activiteitenbesluit voor een gemengd gebied. De rekenresultaten zijn voor het gemiddelde geluidsniveau en voor het maximale geluidsniveau in de tabellen 4.1 en 4.2 opgenomen. Het akoestisch onderzoek is als bijlage 5 van deze toelichting opgenomen.

47/112

Tabel 4.1 Rekenresultaten langtijdgemiddelde beoordelingsniveau locatie

gevels van woningen

tuinen van woningen

periode

dag

avond

nacht

dag

avond

nacht

dagrecreatie

43

40

‐

38

36

‐

verblijfsrecreatie

46

44

‐

42

38

‐

totaal

47

45

‐

43

39

‐

geluidsnorm

50

45

40

50

45

40

Tabel 4.2 Rekenresultaten maximaal geluidsniveau locatie

gevels van woningen

tuinen van woningen

periode

dag

avond

nacht

dag

avond

nacht

dagrecreatie

63

63

‐

67

66

‐

verblijfsrecreatie

68

65

‐

68

65

‐

totaal

68

65

‐

68

65

‐

geluidsnorm

70

65

60

70

65

60

4.5.2 Conclusie Voor de uitbreiding van Camping International en voor Pierewiet is akoestisch onderzoek verricht. De activiteiten van Pierewiet zullen niet wijzigen. Op de voormalige boomgaard wordt het gebruik als camping, speelterrein en kinderboerderij mogelijk gemaakt. Op basis van uitspaken over eerdere bestemmingsplannen voor dit gebied en het advies van de STAB, dat in dat kader is uitgebracht, worden in de bestemmingsregeling de volgende maatregelen getroffen voor het aspect inrichtingslawaai om te kunnen voldoen aan een aanvaardbaar woon‐ en leefklimaat: 1. Het gebruik van de tokkelbaan en beweegbare brug bij Speelboerderij Pierewiet vanaf de avonduren (na 19.00 uur) en verplaatsing hiervan op kortere afstand van de bestemming Groen is niet toegestaan. 2. De bouwhoogte van speeltoestellen in de strook langs de woonpercelen aan de noordzijde wordt beperkt. 3. De hoogte van de geluidswal is samen met de hiervoor genoemde maatregelen toereikend voor het reduceren van het geluid. In de onderzoeken is daarnaast voor het speelterrein uitgegaan van een aantal aanwezige kinderen, dat hoger ligt dan de aantallen die in de praktijk aanwezig zijn (gemiddeld over een dag of avond genomen). Er is geen reden het aantal te begrenzen, aangezien van een relatief hoog gemiddeld aantal is uitgegaan, waarbij nog steeds aan de normen wordt voldaan.

Uit het akoestisch onderzoek is gebleken dat indien deze maatregelen gehanteerd worden er ter plaatse van de gevels en in de tuinen van deze woningen van derden voldaan kan worden aan de richt‐ en grenswaarden uit de VNG‐publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' en het Activiteitenbesluit, zoals deze voor een gemengd gebied van toepassing zijn. In paragraaf 5.3 is aangegeven hoe de maatregelen zijn geregeld in de bestemmingsregeling.

48/112

4.6

Verkeer en parkeren

Binnen de beoogde ontwikkeling wordt een kwaliteitsverbetering mogelijk gemaakt. Er is geen uitbreiding beoogd die invloed heeft op de verkeersaantrekkende werking. Parkeren vindt plaats op eigen terrein. De verkeersgegevens zijn opgenomen in bijlage 8. Ten aanzien van de verkeerstoename en parkeren gelden de volgende overwegingen. 1. Voor Camping International is er geen toename van de verkeersstroom als gevolg van een toename van standplaatsen. Op iedere standplaats is ruimte voor één voertuig. Bij de entree van de camping heeft een verbetering van de parkeervoorziening plaatsgevonden. Hiermee komt extra parkeergelegenheid beschikbaar. Aan de Molendijk is ook ruimte voor parkeren. Die strook wordt ook voor langzaam verkeer direct ontsloten via de camping. Het gaat om een parkeervoorziening langs een rustige weg, direct bereikbaar voor de camping. Het is niet bekend bij de gemeente dat campinggasten eventueel langdurig in de dorpskern parkeren en ook zodanig dat hierdoor bewoners verstoken zijn van parkeergelegenheid. Hierover kunnen klachten in voorkomend geval worden gemeld en worden verholpen. 2. Er is geen toename van zwaar vrachtverkeer. Hiertoe ontbreekt ook de noodzaak, ook al zouden er 15 standplaatsen worden toegevoegd. Hoe en waarom het verkeer tot een onaanvaardbaar volume zou toenemen, blijft in de zienswijze overigens onduidelijk. 3.

Pierewiet trekt in beperkte mate bussen met kinderen. Het aantal bussen is beperkt, tot één of enkele bussen per dag. Zo'n gering aantal is voor de Mettenijedijk en de locatie geenszins bezwaarlijk. Tot op heden is er geen aanleiding maatregelen te treffen. De beoogde ontwikkeling brengt hier overigens geen verandering in. Er worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt.

4.7

Bodemkwaliteit

Toetsingskader De Wet bodembescherming gaat uit van het principe dat de bodem geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. De gewenste functie bepaalt als het ware de gewenste bodemkwaliteit. Voor alle bestemmingen, waar een functiewijziging of herinrichting wordt voorzien, dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch bodemonderzoek, te worden verricht. Indien op grond van historische informatie blijkt dat in het verleden activiteiten hebben plaatsgevonden met een verhoogd risico op bodemverontreiniging, dan dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Op basis van geconstateerde belemmeringen uit dit onderzoek, kan vervolgens worden nagegaan welke maatregelen moeten worden genomen om die belemmeringen weg te nemen (functiegericht saneren). Onderzoek en conclusie Voor het nieuwe deel van de camping is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd1. De conclusie van dit onderzoek is dat er in de huidige situatie en met betrekking tot de toekomstige activiteiten geen risico's voor de volksgezondheid en het milieu aanwezig zijn. De eigenaar zal geen bouwgrond of iets dergelijks aanvoeren die vervuild is. Hiervoor bestaan vanuit regelgeving belemmeringen. Dergelijke grond is niet verkrijgbaar voor recreatiebedrijf. Anders is er ook sprake van een economisch en een milieudelict.

49/112

4.8

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai

Toetsingskader Wanneer nieuwe geluidsgevoelige voorzieningen worden gerealiseerd, dient op basis van de Wet geluidhinder akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd. Daarbij geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Verblijfsrecreatieve eenheden worden op basis van de Wet geluidhinder niet aangemerkt als geluidsgevoelige functies. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening en een goed verblijfsklimaat, is het echter gewenst om te toetsen of voor de realisatie van nieuwe verblijfsrecreatieve eenheden wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder. Onderzoek en conclusie Hoewel in het kader van de beoogde ontwikkeling van Camping International geen sprake is van een toevoeging van verblijfsrecreatieve eenheden, worden wel eenheden verplaatst. Tegen die achtergrond is in het kader van een goede ruimtelijke ordening ten behoeve van de kwaliteitsverbetering van Camping International akoestisch onderzoek uitgevoerd naar wegverkeerslawaai. In de bijlage 6, 7 en 8 is het akoestisch onderzoek gevoegd waarvan in deze paragraaf een samenvatting van de resultaten en conclusies is weergegeven. Uit berekeningen blijkt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB als gevolg van het verkeer op de Mettenijedijk en de St Bavodijk niet reikt tot aan de locatie waar nieuwe verblijfsrecreatieve eenheden kunnen worden gerealiseerd.

Hiermee wordt de voorkeursgrenswaarde niet overschreden en is derhalve sprake van een aanvaardbaar akoestisch klimaat.

4.9

Luchtkwaliteit

Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm). Dit onderdeel van de Wm bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar‐ en daggemiddelde) van belang. Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden, die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit (zoals de vaststelling van een bestemmingsplan), uitoefenen indien: a. de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden (lid 1 onder a); b. de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft (lid 1 onder b1); c. bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met de uitoefening van de betreffende bevoegdheid samenhangende maatregel of een door die uitoefening optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert (lid 1 onder b2); d.

de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht (lid 1 onder c); e. het voorgenomen besluit is genoemd in of past binnen het omschreven Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een vergelijkbaar programma dat gericht is op het bereiken van de grenswaarden (lid 1 onder d).

50/112

Besluit niet in betekenende mate (Besluit nibm) In het Besluit nibm is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: 1. een project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); 2. een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg of kantoorlocaties met maximaal 100.000 m² bvo bij één ontsluitingsweg en 200.000 m² bij twee ontsluitingswegen. Toetsing De beoogde ontwikkeling zorgt niet voor een toename aan verkeersgeneratie en levert geen bijdrage aan de concentratie luchtverontreinigende stoffen. Het is hiermee vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Uit het oogpunt van luchtkwaliteit is sprake van een aanvaardbaar woon‐ en leefmilieu ter plaatse.

4.10 Externe veiligheid Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: 1. bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; 2. vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Basisnet in werking getreden. Het Bevt vormt de wet‐ en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet.

Met het in werking treden van het Bevt vervalt de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het Bevt en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en in nieuwe situaties. Voor

51/112

bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10‐5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10‐6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10‐6‐waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10‐6‐contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Hiermee wordt geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR rondom een risicovolle inrichting een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10‐6 per jaar. Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet aan deze normen worden voldaan.

Het Bevi bevat geen grenswaarde voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied rondom de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Deze verantwoordingsplicht geldt zowel in bestaande als in nieuwe situaties. Toetsing

Figuur 4.12 Uitsnede risicokaart met het plangebied weergegeven als het linker terrein Uit de risicokaart voor Nederland blijkt dat in de nabije omgeving van het plangebied geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt over de weg, het spoor, het water of door buisleidingen. Ten oosten bevindt zich een propaantank van 3 m³. De PR‐contour is 20 m en reikt niet tot het plangebied. Voor een tank met een inhoud van minder dan 5 m³ is de maximale veiligheidsafstand 25 m voor zeer kwetsbare objecten en 20 m bij een bevoorrading van meer dan 5 keer per jaar. Met een afstand van 186 m tot het terrein en circa 311 m tot de tank wordt hier ruim

52/112

aan voldaan. Ook op het terrein van de beoogde ontwikkeling bevindt zich een propaantank van 3 m³. De kwaliteitsverbetering vindt niet plaats in de PR‐contour. Er wordt voldoende afstand gehouden. Het bedrijf voldoet tevens aan de brandweereisen. Die zijn ook van toepassing op het gebruik van gastoestellen. Aan de voorgeschreven afstandsbepalingen wordt voldaan of er zijn anderszins brandveiligheidsmaatregelen getroffen. Op verblijfsrecreatieterreinen worden controles uitgeoefend. Voor Camping International zijn geen tekortkomingen geconstateerd. Er worden aan de propaantank geen veranderingen aangebracht en tevens worden met de ontwikkeling geen nieuwe risicovolle bronnen mogelijk gemaakt. Belangrijke nadelige milieugevolgen voor het aspect externe veiligheid zijn daarmee uitgesloten. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect externe veiligheid de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

4.11 Leidingen en telecommunicatieverbindingen Planologisch relevante leidingen dienen in het bestemmingsplan te worden bestemd. Tevens dienen relevante zones te worden aangegeven, waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. In en in de directe omgeving van het plangebied zijn geen planologisch relevant aan te merken solitaire leidingen en geen leidingstroken, hoogspanningsverbindingen en optisch vrije paden voor telecommunicatieverbindingen aanwezig die als zodanig dienen te worden opgenomen in het bestemmingsplan. Mogelijk zijn wel diverse niet‐planologisch relevante leidingen (rioolleidingen, leidingen nutsvoorzieningen, drainageleidingen) aanwezig. Deze kabels en leidingen zijn veelal aangelegd langs/in combinatie met aanwezige infrastructuur. Drie werkdagen voor de aanvang van eventuele graafwerkzaamheden in het plangebied zal door degene die de graafwerkzaamheden uitvoert contact (moeten) worden opgenomen met het KLIC2 waarbij dient te worden gemeld waar en wanneer wordt gegraven.

4.12 Vormvrije m.e.r.‐beoordeling Toetsingskader Uitbreiding van een recreatieterrein is een activiteit die is vermeld op de D‐lijst bij het Besluit milieueffectrapportage. Dat betekent dat in het kader van het nieuwe bestemmingsplan een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.‐beoordeling' moet worden uitgevoerd waarbij onderzocht wordt of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG‐richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten. Per 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.‐beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.‐beoordeling. Voor de ontwerpbestemmingsplanfase moet een m.e.r.‐beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Bij een (vormvrije) m.e.r.‐beoordeling is een van de aspecten waar naar gekeken moet worden cumulatie van effecten met andere ruimtelijke ontwikkelingen. Uit de wetgeving en bijbehorende toelichting blijkt niet duidelijk wat daar precies onder moet worden verstaan en hoe daarmee moet worden omgegaan.

53/112

Toetsing en conclusie Het plangebied is niet gelegen in kwetsbaar gebied en/of gebied met een beschermde status. Verder leiden de aard en omvang van het project niet tot belangrijke nadelige milieugevolgen, mits een aantal mitigerende maatregelen worden uitgevoerd. Met inachtneming van deze maatregelen is het doorlopen van een volledige m.e.r.‐procedure niet noodzakelijk. Het gaat om de volgende maatregelen:  Ten aanzien van een gunstig woon‐ en leefklimaat dienen er wat betreft inrichtingslawaai de volgende maatregelen te worden getroffen: 1. het gebruik van de tokkelbaan en beweegbare brug bij Speelberderij Pierewiet vanaf de avonduren (na 19:00 uur) en verplaatsing hiervan op kortere afstand van de bestemming Groen is niet toegestaan. 2. de bouwhoogte van speeltoestellen in de strook langs de woonpercelen aan de noordzijde beperken.

4.13 Algehele conclusie Gelet op het voorgaande kan worden geconcludeerd dat de kwaliteitsverbetering van Camping International zoals beschreven in hoofdstuk 2 voorziet in een gewenste ontwikkeling, waarmee het verblijfsrecreatieve aanbod in de regio een positieve impuls krijgt, gericht op jonge gezinnen. De ontwikkeling past in het beleidskader van gemeente en provincie. Bovendien past de ontwikkeling wat betreft ruimtelijke en milieuaspecten in de omgeving. In verband met eerdere procedures heeft met name het aspect van geluidshinder voor de omgeving bijzondere aandacht gekregen bij het toetsen van het initiatief. Naar aanleiding van het uitgevoerde aanvullende akoestisch onderzoek is geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling past in de omgeving. Op een aantal punten worden voorwaarden in de regels opgenomen om dat juridisch te borgen:  locatie en hoogte van een aantal speeltoestellen wordt heel concreet vastgelegd;  de gebruikstijden van de tokkelbaan en de beweegbare brug worden beperkt, zodat gebruik na 19:00 uur 's avonds niet mogelijk is. Gelet op het voorgaande kan worden geconcludeerd dat planologische medewerking kan worden verleend aan de beoogde ontwikkeling. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet daarin.

54/112

Hoofdstuk 5

Bestemmingsregeling

In dit hoofdstuk wordt de bestemmingsregeling toegelicht, waarbij inzicht wordt gegeven in de doorwerking van de beleidsuitgangspunten en in de opzet en methodiek van het bestemmingsplan (plankaart en regels).

5.1

Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP)

Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het daarbij behorende Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in werking getreden. Deze wet vormt het wettelijk kader voor het bestemmingsplan. Sinds 1 januari 2010 moeten alle nieuwe ruimtelijke plannen digitaal, uitwisselbaar en vergelijkbaar worden gemaakt. Het gaat om bestemmingsplannen, provinciale verordeningen, Algemene maatregelen van Bestuur (AMvB's) en structuurvisies. Uitgangspunt hierbij is dat gemeenten, provincies en departementen verantwoordelijk zijn voor het maken en beheren van hun eigen ruimtelijke plannen en verordeningen. Tevens worden deze plannen en verordeningen digitaal beschikbaar gesteld voor burgers, bedrijven en medeoverheden. Een vergelijkbaar ruimtelijk plan is opgebouwd volgens de Standaard Vergelijkbare Bestemmings Plannen, editie 2012 (SVBP2012), die is verankerd in het Bro. Daarnaast is in het Bro een aantal bepalingen opgenomen waaraan de regels van het bestemmingsplan moeten voldoen. Het gaat hierbij om een aantal begrippen, wijze van meten, regels ten aanzien van het overgangsrecht en de anti‐dubbeltelbepaling. Het voorliggende bestemmingsplan is opgebouwd en vormgegeven conform de bindende afspraken van de SVBP2012. Dat is ook de reden waarom er een heel nieuw bestemmingsplan voor de kwaliteitsverbetering van het recreatieterrein gekozen is.

5.2

Opzet van het bestemmingsplan

Ten aanzien van de opzet van het bestemmingsplan (verbeelding en regels) is het volgende van belang. Opzet plankaart Algemeen Het bestemmingsplan moet voldoen aan de eis van rechtszekerheid. Dit betekent dat een bestemmingsregeling duidelijk en voor één uitleg vatbaar is. In aansluiting hierop en in relatie tot digitale ontwikkelingen verdient het de voorkeur de bestemmingsregeling zo veel mogelijk op de plankaart te visualiseren en de planregels zo transparant mogelijk te houden. Uitgangspunt is dat zoveel mogelijk informatie op de plankaart wordt aangegeven en dat de plankaart digitaal wordt opgebouwd. Daarbij is gebruikgemaakt van een combinatie van de GBKN (Grootschalige Basiskaart Nederland) en de digitale kadastrale ondergrond. Bestemmingen Op de plankaart wordt aangegeven welke bestemming geldt en waar bebouwing is toegestaan. Door middel van hoofdletters wordt de bestemming aangeduid, bijvoorbeeld R‐VR voor Recreatie ‐ Verblijfsrecreatie.

55/112

Op het renvooi wordt de betekenis aangegeven van de bestemmingen en de aanduidingen. Tevens wordt in een onderhoek op de plankaart de naam van het bestemmingsplan aangegeven, de datum van terinzagelegging, vaststelling en (eventueel) van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Ook is het identificatienummer van het bestemmingsplan en het kaartblad aangegeven. De kaart bestaat uit 1 kaartblad en renvooi, op een schaal van 1:1.000. Aanduidingen Op de kaart zijn maatvoeringsaanduidingen op de kaart aangegeven zoals de maximaal toegestane hoogtemaat (goothoogte en bouwhoogte). Bij het toekennen van de aanduidingen is zo veel mogelijk gebruikgemaakt van de standaard (en verplichte) aanduidingen uit SVBP2008. Opzet planregels Volgens SVBP2008 hebben de planregels een vaste hoofdstukindeling, in een vaste volgorde. 1. In hoofdstuk 1 (inleidende regels) worden in de regels gehanteerde begrippen, voor zover nodig, gedefinieerd, en wordt de wijze van meten bepaald. 2. In hoofdstuk 2 (bestemmingsregels) worden alfabetisch de regels gegeven waarmee de bestemmingen die op de plankaart voorkomen nader worden omschreven. 3.

Hoofdstuk 3 (algemene regels) bevat een aantal regels die voor alle bestemmingen gelden, zoals een anti‐ dubbeltelbepaling, dan wel regels die voor de nodige flexibiliteit kunnen zorgen, zoals algemene ontheffings‐ of wijzigingsbevoegdheden. 4. Hoofdstuk 4 (overgangs‐ en slotregels) ten slotte geeft overgangsrecht voor bestaand gebruik en bestaande bebouwing (artikel 13) en de titel van het plan (artikel 14). Een bestemmingsartikel (Hoofdstuk 2, Bestemmingsregels) wordt als volgt opgebouwd: 1. bestemmingsomschrijving; 2. bouwregels (onderverdeeld in toelaatbaarheid van bouwwerken en bouwhoogte, oppervlakte en inhoud); 3. ontheffing van de bouwregels; 4. specifieke gebruiksregels; 5. ontheffing van de gebruiksregels; 6. aanlegvergunningen; 7. wijzigingsbevoegdheden. Een bestemmingsartikel hoeft niet alle elementen te bevatten. Dit is afhankelijk van de aard van de bestemming. Alle bestemmingen bevatten wel een bestemmingsomschrijving en bouwregels.

5.3

Gehanteerde bestemmingen

5.3.1 Groen De groenzone rondom de camping is bestemd als 'Groen'. In deze bestemming zijn groen, water, voet‐ en fietspaden en nutsvoorzieningen toegestaan. In deze bestemming mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd. In uitzondering daarop zijn voor nutsvoorzieningen, gebouwen tot 15 m² toegestaan. De grondwal met beplanting die dient om de geluidsoverlast te beperken, is voorzien van de aanduiding 'specifieke vorm van groen ‐ 1'.

56/112

Binnen de molenbiotoop mag beplanting niet hoger worden dan 8 m. Er is aangegeven dat de afschermende groenstrook aan de kant van de woningen moet bestaan uit een grondwal met een hoogte van 3,5 m met daarop hoog opgaande beplanting met een hoogte van 1 tot 1,5 m. 5.3.2

Recreatie ‐ Dagrecreatie

Speelboerderij Pierewiet is bestemd als Recreatie ‐ Dagrecreatie. De gronden met deze bestemming mogen worden gebruikt voor een dierenweide (kinderboerderij), sport‐ en spelvoorzieningen en daarmee vergelijkbare voorzieningen. Daarnaast is er horeca uit ten hoogste categorie 1b toegestaan. Voor deze voorzieningen mogen gebouwen worden gebouwd. In totaal mag 10% van het bestemmingsvlak worden bebouwd. In verband met de molenbiotoop mag beplanting niet hoger worden dan 8 m. In verband met de aangrenzende woonbebouwing zijn specifieke aanduidingen opgenomen om er voor te zorgen dat er sprake is van een aanvaard woon‐ en leefklimaat. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar paragraaf 4.4.

Concreet betekent dit dat ter plaatse van de aanduiding:  'specifieke vorm van recreatie ‐ voorwaardelijke verplichting grondwal' geldt dat de gronden alleen gebruikt mogen worden voor dierenweide/kinderboerderij, sport‐ en spelvoorzieningen en daarmee vergelijkbare dagrecreatieve voorzieningen behorende bij de camping nadat een grondwal met groenblijvende beplanting is aangebracht;  'specifieke bouwaanduiding ‐ 1' de bouwhoogte van speeltoestellen ten hoogste 2 m bedraagt;  'specifieke vorm van recreatie ‐ beperking gebruikstijden tokkelbaan' het gebruik van de tokkelbaan en beweegbare brug vanaf de avonduren (na 19:00 uur) en verplaatsing hiervan op kortere afstand van de bestemming Groen niet zijn toegestaan. 5.3.3

Recreatie ‐ Verblijfsrecreatie

Deze bestemming is opgenomen voor de bestaande camping, de minicamping van Pierewiet en de oude boomgaard. In deze bestemming zijn toegestaan: verblijfsrecreatie in kampeermiddelen en gebouwen voor recreatief nachtverblijf, recreatiewoningen en dienstverlening, beheer en onderhoud ten behoeve van de verblijfsrecreatie op hetzelfde terrein. Onder dienstverlening zijn onder andere begrepen horeca, een parkwinkel en sport‐ en spelvoorzieningen. Ook zijn de twee bestaande (bedrijfs)woningen in deze bestemming opgenomen. Er is een specifieke aanduiding opgenomen voor de strook tussen de centrale voorzieningen/Pierewiet en de woningen aan de oost‐ en noordoostrand (de voormalige boomgaard).  Met deze aanduiding is aangegeven dat in die strook nieuwe ontwikkelingen zijn beoogd. Die ontwikkelingen zijn in de regels, gekoppeld aan de bedoelde aanduiding, toelaatbaar gesteld.  Concreet kan daarbij worden gedacht aan een dierenweide, een visvijver en een speelterrein/tuin alsmede eventueel standplaatsen voor enkele tenten en caravans.  Uitgesloten zijn, mede ten behoeve van het bieden van zekerheid aan omwonenden: animatie‐activiteiten, sportvelden, een zwembad, een restaurant, beheers‐ en dienstgebouwen en parkeergelegenheid; daarvoor is de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie ‐ alleen kampeermiddelen en bouwwerken voor recreatief nachtverblijf' opgenomen.

Tussen deze strook en de woonpercelen wordt in ieder geval een groenstrook met een breedte van 10 m aangelegd (bestemming Groen). Binnen de molenbiotoop mag beplanting niet hoger worden dan 8 m.

57/112

Op gronden met de bestemming Recreatie ‐ Verblijfsrecreatie mogen bedrijfsgebouwen worden gebouwd, in totaal tot 10% van het bestemmingsvlak. Binnen de bestemming zijn in totaal ten hoogste 262 standplaatsen voor kampeermiddelen en gebouwen voor recreatief nachtverblijf toegestaan, alsmede 4 recreatiewoningen. Het totaal aantal verblijfsrecreatieve eenheden bedraagt daarmee 266. De bedrijfswoning en de horeca zijn geconcentreerd op het centrale deel van de camping. Daarvoor zijn specifieke aanduidingen opgenomen. In de bestemming Recreatie ‐Verblijfsrecreatie is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Deze maakt het mogelijk standplaatsen te vervangen door recreatiewoningen. De voorwaarden voor het gebruikmaken hiervan zijn overeenkomstig het Gebiedsplan West Zeeuws‐Vlaanderen opgenomen in de wijzigingsbevoegdheid. Binnen de bestemming Recreatie ‐ Verblijfsrecreatie zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan. Om te voorkomen dat op het kampeerterrein onnodige lichthinder wordt veroorzaakt zijn de volgende aspecten relevant. a. De hoogte van een lichtmast op een kampeerterrein bedraagt 4 tot 5 m. Deze hoogte komt overeen met de hoogte van beplanting. Een hoogte van iets meer dan 4 m is veelal nodig voor (toegangs)wegen voor vrachtverkeer (hoogte maximaal 4 m). b. In de praktijk zijn lichtmasten nodig voor met name de veiligheid van gebruikers.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Sluis&id=b857d7c9-84cf-4094-b49b-5d88688716fb