CConstaterende datSluis
Koppel je AI →
Document · PDF

07 (omgevingsvergunning).doc

Commissie Ruimte/AB 6 juni 2023, gemeente SluisBij agendapunt: Voorstel tot het afgeven van een verklaring van geen bedenkingen voor het realiseren van een overdekte uitloop op het perceel Margarethaweg 1 te Oostburg.23.730 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Met behulp van de Beleidslijn kan beslist worden of en in welke mate vanwege de technische kenmerken en de geografische ligging van de installatie of vanwege de plaatselijke milieuomstandigheden strengere emissie-eisen Pag. 20/52

opgenomen kunnen worden dan de eisen die volgen uit de toepassing van BBT. De Beleidslijn komt voor op de in bijlage 1 bij de Regeling omgevingsrecht opgenomen lijst met aangewezen BBT-documenten en vormt hiermee een wettelijk toetsingskader. De Beleidslijn is alleen van toepassing als het aantal te houden dieren van een diercategorie toeneemt. Dit is niet het geval in de gevraagde vergunning. De volgende uitgangspunten zijn opgenomen in de Beleidslijn: • bij uitbreiding kan worden volstaan met toepassing van BBT zolang de ammoniakemissie niet meer bedraagt dan 5.000 kg ammoniak per jaar; • bedraagt de ammoniakemissie na uitbreiding bij toepassing van BBT meer dan 5.000 kg ammoniak per jaar, dan dient boven het meerdere een extra reductie ten opzichte van BBT te worden gerealiseerd (strenger dan BBT). De hoogte daarvan hangt af van de uitgangssituatie en de beschikbaarheid van verdergaande technieken in de betreffende diercategorie; • bedraagt de ammoniakemissie na uitbreiding bij toepassing van BBT meer dan 10.000 kg ammoniak per jaar, dan dient voor het deel boven de 10.000 kg een reductie van circa 85% te worden gerealiseerd (veel strenger dan BBT).

Aangezien het huisvestingssysteem en het aantal vleeskuikens met de voorgenomen veranderingen niet wijzigt, past de aangevraagde situatie dus binnen de uitgangspunten van zowel de Beleidslijn IPPC-omgevingstoetsing als binnen het Besluit emissiearme huisvesting. Conclusie BBT dierenverblijven De dierenverblijven voldoen voor het onderdeel ammoniak aan de eisen van het Besluit emissiearme huisvesting. Er is geen reden de gevraagde vergunning te weigeren. 1.9 BBT Directe ammoniakschade De effecten van ammoniak op planten in de directe omgeving van stallen zijn beoordeeld aan de hand van het rapport ‘Stallucht en Planten’ dat in 1981 is opgesteld door het Instituut voor Plantenziektenkundig Onderzoek. Dit rapport is bedoeld ter beoordeling van directe ammoniakschade veroorzaakt door de uitstoot van ammoniak bij intensieve kippen- en varkensbedrijven op gevoelige gewasgroepen (kasteelt, fruitteelt en boomkwekerij). Andere gewasgroepen lopen een verwaarloosbare kans beschadigd te worden. Uit jurisprudentie is gebleken dat minimaal een afstand van 50 meter moet worden aangehouden ten opzichte van kasteelt en coniferen. Ten opzichte van minder gevoelige planten en bomen, zoals een fruitboomgaard, is een afstand van 25 meter toereikend.

Nabij de inrichting is een een veld met coniferen aanwezig maar is gelegen op meer dan 50 meter van het emissiepunt van de stal en draagt niet bij aan mogelijke directe ammoniak schade. 1.10

Geurhinder

Algemeen De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (artikel 3 lid onder c en d van de Wvg). Daarbij is onderscheid gemaakt tussen de ligging van geurgevoelige objecten binnen of buiten de bebouwde kom én binnen of buiten concentratiegebieden. De geurbelasting van een inrichting is o.a. afhankelijk van het aantal en soort dieren dat binnen de inrichting aanwezig is. In de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) zijn voor verschillende diercategorieën geuremissiefactoren vastgesteld. De geurbelasting van deze dieren dient te worden berekend met het hiervoor ontworpen programma 'V-stacks vergunning'. Voor geurgevoelige objecten die deel uitmaken van een andere veehouderij en geurgevoelige objecten die ná 19 maart 2000 nog deel uitmaakten van een andere veehouderij, maar nu niet meer, gelden geen normen voor de geurbelasting. Voor deze geurgevoelige objecten gelden wel minimaal aan te houden afstanden tussen het emissiepunt van de inrichting en de buitenzijde van het geurgevoelig object (artikel 5 van de Wvg). Voor diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld gelden eveneens minimaal aan te houden afstanden. Deze afstanden dienen ook te worden gemeten tussen het emissiepunt van de inrichting en de Pag. 21/52

buitenzijde van het geurgevoelig object. Daarnaast gelden voor alle dierenverblijven, ongeacht de diersoort, eveneens minimaal aan te houden afstanden tussen de buitenzijde van het dierenverblijf en de buitenzijde van geurgevoelige objecten. Ligging geurgevoelige objecten De geurgevoelige objecten liggen niet in een concentratiegebied en liggen zowel binnen als buiten de bebouwde kom van Oostburg. Toetsingskader In de Wgv is bepaald dat voor dieren met een geuremissiefactor, de geurbelasting op buiten een concentratiegebied gelegen geurgevoelige objecten én binnen de bebouwde kom gesitueerd maximaal 2,0 OUE/m3 lucht mag bedragen en buiten de bebouwde kom maximaal 8,0 OUE /m3 (artikel 3 eerste lid van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv)). Bij gemeentelijke verordening kunnen gemeenten afwijken van de wettelijke normen (art. 6 Wgv). Voor het gebied rond de inrichting is bij de gemeente Sluis geen gemeentelijke verordening vastgesteld. Er wordt aangesloten bij de in de Wgv bepaalde maximaal toegestane geurbelasting en aan te houden minimale afstanden. Geuremissie In de nieuwe situatie neemt de geuremissie niet toe ten opzichte van geuremissie volgens de geldende revisievergunning. Stal 2 zal worden voorzien van een uitloop (Wintergarten). Dit leidt niet tot andere emissiepunten.

Zie hiervoor de volgende uitspaken van de ABRvS: 201102875/1/A4, 25 juli 2012 en 200802217/1 van 1 oktober 2008. In de toelichting op de Rgv is vermeld dat het emissiepunt per definitie een punt is op een stalsysteem. Verder is hierin vermeld dat de uitloop die behoort bij het stalsysteem bij het bepalen van het emissiepunt buiten beschouwing wordt gelaten en dat dit slechts anders is in het zelden voorkomende geval dat een dierverblijf uitsluitend bestaat uit een open ruimte, zonder stalsysteem of overkapping. Van dit laatste is geen sprake. Gelet hierop neemt de afstand tot de dichtst bij de inrichting gelegen woning niet af. We hebben dan ook, voor zover het geurhinder betreft, in alle redelijkheid kunnen oordelen dat de verandering van de inrichting geen andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt, dan die de inrichting ingevolge de vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften mag veroorzaken. Omdat het aantal dieren gelijk blijft ten opzichte van de vergunde situatie neemt de geurbelasting nabij de geurgevoelige objecten niet toe. Er wordt ook in de aangevraagde situatie aan de vereisten van de Wgv voldaan. Conclusie geurhinder dierenverblijven De afstanden tot en de geurbelasting op geurgevoelige objecten vormen geen reden de gevraagde vergunning te weigeren. 1.11

Toetsingskader BBT zwevende deeltjes

Voor zover het de toepassing van de BBT in de dierenverblijven betreft, is de aanvraag getoetst aan het Besluit emissiearme huisvesting, de Wet ammoniak en veehouderij (Wav), de Wabo (artikel 2.22, derde lid) en het Bor (artikelen 5.3 en 5.4). Voor diercategorieën waarvoor het redelijk is om emissie-eisen te stellen voor zwevende deeltjes (PM10) zijn maximale emissiewaarden opgenomen in het Besluit emissiearme huisvesting. Het besluit geeft een goed beeld van de 'stand der techniek'. Het principe van het besluit is dat alleen huisvestingssystemen met een emissiefactor die lager is dan of gelijk is aan de maximale emissiewaarde zijn toegestaan. De diercategorie en het tijdstip waarop het dierenverblijf is opgericht bepalen of en welke maximale emissiewaarde van toepassing is. Zoals aangegeven onder paragraaf 3.8 wordt voldaan aan de maximale emissiewaarde vastgesteld in het Besluit emissiearme huisvesting. Het huisvestingssysteem kan daarom worden aangemerkt als BBT.

Pag. 22/52

Toetsing Luchtkwaliteitseisen De meest relevante luchtkwaliteitseisen voor agrarische inrichtingen hebben betrekking op zwevende deeltjes (PM2,5 en PM10). De stof stikstofdioxide komt voornamelijk vrij bij verbrandingsprocessen. Gezien de activiteiten van de inrichting kan worden gesteld dat geen of nauwelijks stikstofdioxide wordt uitgestoten. De andere genoemde stoffen (zwaveldioxide, lood, koolmonoxide, benzeen en ozon) zijn niet relevant bij een agrarische inrichting. Aan de grenswaarden die voor deze stoffen zijn vastgesteld, is niet getoetst. Gezien de aard van de inrichting (veehouderij) zullen deze niet worden overschreden. Gezien de aanvraag blijft de uitstoot van bovenstaande stoffen ongewijzigd. Fijnstof (PM10) Titel 5.2 van de Wet milieubeheer vormt het toetsingskader voor de emissie van fijn stof vanuit dierenverblijven. De fijnstofemissie blijft in de aangevraagde situatie ongewijzigd (990 kg fijn stof /jaar). PM2,5 beoordeling Per 1 januari 2015 dient ook de emissie PM2,5 te worden beoordeeld bij het verlenen van een vergunning. Het rekenprogramma ISL3a van Infomil kan (nog) geen PM2,5 verspreiding berekenen. In een memo van het Ministerie van infrastructuur en milieu van 21 mei 2015 is aangegeven dat als PM10 geen belemmering vormt voor vergunningverlening, dat dan ook geldt voor PM2,5.

Een verdere beoordeling voor PM2,5 is dan ook niet nodig, daar voldaan word aan de PM10 norm, hetgeen hierboven is uiteengezet. Conclusie Luchtkwaliteitseisen De nieuwe situatie van de veehouderij draagt niet in betekenende mate bij aan de concentratie fijn stof in de buitenlucht. Luchtkwaliteit vormt geen reden de gevraagde vergunning te weigeren. 1.12

(Volks)gezondheid en veehouderij

Het aspect bestrijding van besmettelijke ziekten is een aspect dat primair zijn regeling vindt in andere wetgeving. Daarnaast blijft in het kader van verlening van een vergunning krachtens de Wabo ruimte voor een aanvullende toets. Bij een vergunningaanvraag is het van belang om de gezondheid van omwonenden van een veehouderij mee te nemen bij de besluitvorming, ook als daar geen landelijk of wettelijk verankerd toetsingskader voor beschikbaar is. Met andere woorden: indien door het in werking zijn van de inrichting risico's voor de volksgezondheid kunnen ontstaan, moeten deze risico's als gevolg voor het milieu bij de beoordeling van de aanvraag worden betrokken. Toetsingskader Op basis van alle tot nu toe bekende rapporten kunnen geen eenduidige conclusies worden getrokken om duidelijke uitspraken te kunnen doen over de onaanvaardbare gezondheidsrisico’s van wonen in de buurt van veehouderijen. Dit wordt als zodanig ook bevestigd door alle tot nu toe gedane uitspraken door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en rechtbanken, waaruit blijkt dat er geen algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten zijn om de volksgezondheid mee te nemen bij de verlening van de omgevingsvergunning milieu. Voor het opstellen van één beoordelingskader is onvoldoende wetenschappelijke kennis aanwezig.

Uit de onderzoeksrapporten kan geen relatie worden gelegd tussen de afstand tot veehouderijen en de gezondheidsrisico’s voor omwonenden. In 2016 verschenen de volgende onderzoeksrapporten: • Veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO), RIVM, juli 2016, RIVM Rapport 20160058;

Pag. 23/52

• •

Emissies van endotoxinen uit de Veehouderij: emissiemetingen en verspreidingsmodellering, Wageningen UR Livestock Research, juni 2016, rapport 959; Additionele maatregelen ter vermindering van emissies van bioaerosolen uit stallen: verkenning van opties, kosten en effecten op de gezondheidslasten van omwonenden, Wageningen UR Livestock Research, juni 2016, rapport 949.

Op 25 november 2016 is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid de “Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0” opgesteld (hierna: endotoxine toetsingskader). Op 16 juni 2017 verscheen het onderzoeksrapport Veehouderij en Gezondheid omwonenden (VGO) (aanvullende studies); Analyse van gezondheidseffecten, risicofactoren en uitstoot van bio-aerosolen, RIVM, juni 2016, RIVM Rapport 2017-00621. Vervolgens is op 8 oktober 2018 door het Nivel het onderzoeksrapport Veehouderij en Gezondheid Omwonenden III; Longontsteking in de nabijheid van geiten- en pluimveehouderijen; actualisering van gegevens uit huisartspraktijken 2014 – 2016 gepubliceerd. Dit betreft een deelrapport van een reeks vervolgonderzoeken in het kader van het onderzoeksprogramma Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) III. Deze rapporten betreffen de nieuwste wetenschappelijke inzichten die bij de afweging voor gezondheid moeten worden betrokken. In het VGO-onderzoek is aangegeven dat gezondheidsrisico’s aanwezig kunnen zijn bij met name pluimveehouderijen en in gebieden waar veel veehouderijen liggen (veedichte gebieden waar meer dan 15 veehouderijen binnen 1 km van een burgerwoning zijn gelegen). Bij deze inrichting is hier geen sprake van.

Uitgangspunt is dat de gemeenten en de provincie, totdat er een landelijke toetsingskader beschikbaar komt, willen voorkomen dat nieuwe of grotere gezondheidsrisico’s voor omwonenden ontstaan. Anders gezegd, gemeenten en provincie willen uit voorzorg voorkomen dat door lopende en nieuwe aanvragen de endotoxine advieswaarde van de Gezondheidsraad wordt overschreden en daar waar deze al is overschreden er wordt voorkomen dat de overschrijding toeneemt. Maatregelen en voorzieningen Het rapport ‘Additionele maatregelen ter vermindering van emissies van bioaerosolen uit stallen’ geeft inzicht in de maatregelen die door de ondernemer in stallen genomen kunnen worden om een extra reductie van de emissie van bioaerosolen te realiseren, bovenop de reductie die al plaatsvindt door het toepassen van technieken om de fijn stof emissie te reduceren. In het rapport is ook een analyse uitgevoerd welke maatregelen op basis van de kosten en de behaalde reductie het meest perspectiefvol zijn. Maatregelen op bedrijfsniveau Binnen de inrichting worden maatregelen getroffen om de insleep en verspreiding van ziektekiemen te voorkomen en de uitstoot van stoffen te reduceren. Een goed ontwerp van de stal en goede bedrijfsvoering zijn hierbij erg belangrijk. Daarnaast minimaliseert een gezond dierbestand de kans op problemen met volksgezondheid.

Het houden van vleeskuikens vereist de nodige hygiëne-maatregelen om insleep en eventuele verspreiding van besmettelijke dierziekten zo veel mogelijk te voorkomen. Hiervoor zijn reeds voorschriften opgenomen in de geldende revisievergunning. Wij kunnen ons dan in redelijkheid op het standpunt stellen, gezien de strikte hygiëne en preventie voorzorgsmaatregelen die binnen het bedrijf worden genomen en de afstand tot de dichtsbijzijnde woning van derden (Margarethaweg 2) en de geclusterde bebouwing van Oostburg, dat er geen risico’s is voor de volksgezondheid. s op 16 juni 2017 aangeboden aan de Tweede Kamer, zie https://www.rijksoverheid.nl/ministeries/ministerie-vaneconomische-zaken/documenten/kamerstukken/2017/06/16/kamerbrief-bij-het-rapport-veehouderij-en-gezondheidomwonenden-aanvullende-studies. 1 Dit rapporten i

Pag. 24/52

4.13

Endotoxine

Er zijn meerdere recente uitspraken door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State en rechtbanken gepubliceerd over endotoxinen. In een uitspraak van 27 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:619) is overwogen dat de ABRvS het van belang acht dat voor endotoxinen niet met een eenduidige wettelijke regeling is bepaald hoe de mogelijke gevolgen van de emissie van endotoxinen bij veehouderijen in een besluit moeten worden betrokken. Het is daarom aan het bevoegd gezag om te bepalen of en zo ja, welke maatregelen bij endotoxinen in het belang van de bescherming van het milieu nodig zijn. Het bevoegd gezag heeft daarbij beoordelingsruimte. De beoordelingsruimte die het bevoegd gezag heeft, kan het bevoegd gezag gebruiken om de risico’s van de emissie van endotoxinen te betrekken. Aangezien de onderhavige situatie geen wijziging van het veebestand of huisvestingssysteem betreft, behoeft dit onderdeel geen nadere beoordeling. Beoordeling en conclusie gezondheidsrisico Voor zover gezondheidsrisico’s kunnen ontstaan door geur-, fijn stof- of geluidemissie wordt erop gewezen dat voor deze emissies wettelijke toetsingskaders beschikbaar zijn. Aan de geldende normstellingen, dan wel bepalingen uit de Wet geurhinder en veehouderij c.q. de gemeentelijke geurverordening, hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer en de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening c.q.

de gemeentelijke Nota industrielawaai wordt voldaan (zie ook de overwegingen in de hoofstukken ‘Geurhinder uit dierenverblijven’, ‘Geluid’ en ‘Luchtkwaliteit’). Gezondheidsrisico’s door deze aspecten worden uitgesloten geacht. Als voorschrift in de geldende revisievergunning is vastgelegd dat de inrichting schoon moet zijn en in goede staat van onderhoud moet verkeren. De (goede) werking van de huisvestingssystemen wordt geregeld via artikel 3.123, tweede en derde lid van het Activiteitenbesluit. De artikelen in hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit hebben een rechtstreekse werking. Wanneer wordt voldaan aan de artikelen uit de hoofdstukken 2 en 3 van het Activiteitenbesluit, de bijbehorende ministeriele regeling en de vigerende wetgeving ten aanzien van volksgezondheid en besmettingsgevaar, zijn er geen redenen om een onderzoekverplichting op te leggen met betrekking tot volksgezondheid. 4.14

Energie

Verruimde reikwijdte Naast het voorkomen van gevaar, schade en hinder moeten onder andere ook de aspecten energie, water, afval en vervoer worden betrokken in de omgevingsvergunning. Deze aspecten vallen onder de term 'verruimde reikwijdte'. Energiebesparing Bij de beoordeling van de vergunningaanvraag is rekening gehouden met het aspect zuinig omgaan met energie. Binnen de inrichting moeten energiebesparingsmaatregelen worden genomen, voor zover deze rendabel zijn. Een rendabele maatregel is een maatregel met een terugverdientijd van ten hoogste 5 jaar. In de toelichting behorende bij de aanvraag is het jaarlijkse elektriciteits- en aardgasverbruik opgenomen. In de aanvraag is aangegeven welke maatregelen en voorzieningen zijn getroffen ten aanzien van energiebesparing. Uit beoordeling van de bij de aanvraag gevoegde documenten blijkt dat de binnen de branche gebruikelijke energiebesparende maatregelen al zijn, dan wel worden getroffen. Het in de vergunning voorschrijven van een energiebesparingsonderzoek is niet nodig mede omdat binnen de inrichting adequaat wordt omgegaan met energie (BBT worden toegepast). Dit blijkt uit de toelichting uit de aanvraag waarin de volgende voorzieningen zijn getroffen: de wanden en dak van de stallen zijn thermisch geïsoleerd; Pag. 25/52

-

de ruimteventilatie is computergestuurd en frequentie geregeld; binnen de inrichting is een HR ketel aanwezig: er wordt gebruik gemaakt van een indirecte gasgestookte modulerende luchtverhitter; er is een duurzame biomassaketel aanwezig; als aanvullende maatregel is een klimaatregeling en weersafhankelijke regeling voor de verwarming geïnstalleerd; binnen de inrichting wordt gebruik gemaakt van energiezuinige verlichting.

Om het energieverbruik te kunnen vergelijken is in de geldende revisievergunning al een voorschrift opgenomen dat het energieverbruik moet worden geregistreerd. 4.15

Afvalpreventie

Bij de beoordeling van de vergunningaanvraag is rekening gehouden met het aspect afvalpreventie. Tot het bedrijfsafval worden alle, al dan niet afzonderlijk, vrijkomende afvalstromen gerekend die niet als gevaarlijk afval kunnen worden aangemerkt. Het betreft een totaal van de afvalstromen onafhankelijk van het feit of ze al dan niet gescheiden worden ingezameld. Ook het afval dat voor recycling wordt aangeboden, wordt hierin meegenomen. Zoals uit de aanvraag blijkt, bedraagt hoeveelheid gevaarlijk afval minder dan 2,5 ton per jaar en de hoeveelheid bedrijfsafval ongeveer 25 ton per jaar. Gelet op de soorten afvalstromen is er binnen de inrichting geen preventiepotentieel aanwezig. Bij het houden van dieren treedt uitval op in de vorm van sterfte. De dode dieren worden als kadavers opgehaald door het destructiebedrijf en vervolgens op milieuverantwoorde wijze verwerkt. Enige mate van uitval komt altijd voor, de hoogte is onder andere afhankelijk van het optreden van gezondheidsproblemen. Het voorschrijven van besparingsmaatregelen gericht op het voorkomen van kadavers is niet nodig. De hoeveelheid kadavers is inherent aan de bedrijfsvoering en het optreden van gezondheidsproblemen. Het in de vergunning voorschrijven van een afvalpreventieonderzoek is daarom niet noodzakelijk. 4.16

Bodem

Het (nationaal) preventieve bodembeschermingsbeleid is vastgelegd in de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten (NRB). In de bijlage bij de Regeling omgevingsrecht is de NRB opgenomen als BTT document. Uitgangspunt van de NRB is dat door doelmatige combinatie van bodembeschermende maatregelen en voorzieningen een verwaarloosbaar bodemrisico wordt gerealiseerd. Zoals blijkt uit de aanvraag vindt binnen de inrichting de volgende bodembedreigende activiteiten plaats nl: opslag van mest en meststoffen; opslag reinigings- en ontsmettingsmiddelen in emballage; opslag gewasbeschermingsmiddelen in emballage; opslag van diergeneesmiddelen; opslag dieselolie; opslag van kadavers; afspuiten van landbouwvoertuigen (wasplaats); opslag minerale oliën. De bodembedreigende activiteiten van onderhavige inrichting kunnen worden beschouwd als reguliere activiteiten van een veehouderijbedrijf. Het betreffen activiteiten die periodiek maar niet frequent nodig zijn en met naleving van voorschriften en gedragsregels de kwaliteit van de bodem niet in relevante mate nadelig zullen beïnvloeden. Gezien de ontwikkelingen in de jurisprudentie, waarin is uitgesproken dat voor veehouderijen onvoldoende reden is om daarnaast een (nieuwe) nulsituatie- en eindsituatiebodemonderzoek te eisen, zijn deze niet in de vergunningvoorschriften opgenomen.

In Afdeling 2.4 van het Activiteitenbesluit en Afdeling 2.1 van de Activiteitenregeling zijn voorschriften opgenomen die betrekking hebben op: • treffen van bodembeschermende voorzieningen en maatregelen; • signaleren van bodemverontreiniging; Pag. 26/52

• nulsituatieonderzoek bij oprichting van inrichtingen; • eindsituatieonderzoek na beëindigen van bodembedreigende activiteiten; • middelvoorschriften voor bodembeschermende maatregelen; • middelvoorschriften voor bodembeschermende voorzieningen; • maatwerk voor aanvaardbaar bodemrisico; • de verplichting tot het bewaren van documenten. Over deze onderwerpen worden in de vergunning geen voorschriften opgenomen in geval van een IPPC-inrichting. De onderhavige pluimveehouderij betreft een inrichting met een IPPC-installatie. Voor wat betreft het aspect bodembescherming valt het bedrijf hierdoor volledig onder het Activiteitenbesluit. Dit betekent dat de voorschriften direct werkend zijn. In het kader van deze vergunning hoeft daarom geen nadere beoordeling plaats te vinden. Op grond van het Activiteitenbesluit moeten alle bedrijfsactiviteiten worden verricht met voorzieningen en maatregelen die leiden tot een verwaarloosbaar bodemrisico. 4.17

Geluid en trilling

Algemeen De inrichting betreft een bestaande pluimveehouderij annex akkerbouwbedrijf, waartoe een IPPC-installatie behoort. Vanwege de uitbreiding van de inrichting wordt een omgevingsvergunning (milieu: verandering) aangevraagd. Door de aangegeven veranderingen zijn niet alle geluidsvoorschriften uit de vigerende vergunning van 17 december 2013, waarvan in 2020 de geluidsvoorschriften zijn vervangen, nog toereikend. De geluidbelasting op de gevel(s) van de woning Margarethaweg 4 verandert in de incidentele bedrijfssituatie voor wat betreft het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en in zowel de representatieve als de incidentele bedrijfssituatie voor wat betreft het maximale geluidniveau. In het kader en belang van handhaving is het niet wenselijk voorschriften op te stellen puur voor de verandering, maar wordt geadviseerd de voorschriften uit de vigerende vergunning te wijzigen. Dit is juridisch mogelijk en niet in strijd met de wet. Op grond van artikel 2.31, tweede lid, sub b, Wabo kan het bevoegd gezag voorschriften van een omgevingsvergunning voor een inrichting wijzingen. Om deze redenen hebben wij besloten de opgenomen (geluid)voorschriften in voorgaand besluit (2021) te laten vervallen en te vervangen door voorschriften in deze vergunning.

Geluidrapport Naar aanleiding van de aanvraag om een (veranderings)vergunning is voor de gehele inrichting een akoestisch onderzoek uitgevoerd door M&A Milieu Adviesbureau. Het bij de aanvraag gevoegde akoestisch onderzoek is verwoord in het geluidrapport ‘Akoestisch onderzoek Industrielawaai Margarethaweg 1, Oostburg, rapportnummer 222OMa1-il-v2, d.d. 9 mei 2022, hierna aangeduid als geluidrapport bij de aanvraag. Het rekenmodel onderliggend aan het geluidrapport bij de aanvraag is door de opsteller digitaal aan ons ter beschikking gesteld. Hiermee kunnen wij op ieder punt in de omgeving de geluidbelasting als gevolg van de inrichting berekenen. Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) Bij een bestaande inrichting, waarvan de vergunning wordt aangepast wat betreft het aspect geluid in verband met aangevraagde verandering van de inrichting, wordt getoetst aan de vigerende vergunningsvoorschriften. In dit geval zijn dit de vergunningvoorschriften uit 2021. In de vergunning zijn grenswaarden van 40 dB(A), 35 dB(A) en 30 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode opgenomen op de gevels van de omliggende woningen tijdens de representatieve bedrijfssituatie (RBS). Deze waarden sluiten aan bij de richtwaarden voor een landelijk gebied uit de “Handreiking industrielawaai en vergunningverlening’’ (ministerie VROM; oktober 1998), hierna Handreiking. Pag. 27/52

De gemeente Sluis heeft geen eigen geluidsbeleid opgesteld. Maximale geluidniveaus(LAmax) In verband met de aangevraagde verandering dient getoetst te worden aan de vigerende vergunning, hierbij geldt de grenswaarde van 55 dB(A) in alle bedrijfssituaties voor het maximaal geluidniveau tijdens de dag-, avond- en nachtperiode. Mocht hieraan niet voldaan kunnen worden, dan zal bij de toetsing gekeken worden naar de “Handreiking industrielawaai en vergunningverlening”. In de Handreiking is aangegeven dat ter beperking van hinder gestreefd dient te worden naar het voorkomen van incidentele verhogingen van het geluidsniveau. Als grenswaarde, gemeten voor de gevels van geluidsgevoelige objecten, gelden voor de dag-, avond- en nachtperiode niveaus van respectievelijk 70 dB(A), 65 dB(A) en 60 dB(A). Voor specifieke bedrijfsomstandigheden acht de handreiking niveaus van 75 en 65 dB(A) in respectievelijk de dag- en nachtperiode toelaatbaar. Als ondergrens beveelt de handreiking een waarde aan van respectievelijk 50, 45 en 40 dB(A) voor de dag-, avond- en nachtperiode. Incidentele bedrijfssituaties (zogenaamde 12 dagen-criterium IBS) In de vigerende vergunning zijn voor de incidentele bedrijfssituatie op de gevel van de woning Margarethaweg 4 de grenswaarden 40 dB(A), 37 dB(A) en 36 dB(A) opgenomen, in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

In de Handreiking is aangegeven dat ontheffing kan worden verleend om maximaal 12 maal per jaar activiteiten uit te voeren die meer geluid veroorzaken dan de geluidgrenzen voor de RBS. Volgens de Handreiking gaat het daarbij om bijzondere activiteiten (incidentele bedrijfssituaties) die niet bij de RBS horen en waarvan het uitgangspunt is dat het per keer steeds gaat om één, aaneengesloten, periode van maximaal een etmaal. De ontheffing tot maximaal 12 incidentele activiteiten is geen recht. Het bevoegd gezag moet steeds een afweging van belangen maken waarbij ook andere afwijkingen van de RBS en cumulatie een rol spelen. Indirecte hinder Conform de circulaire “Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting” van 29 februari 1996, worden voertuigpassages buiten de inrichtingsgrenzen enkel beoordeeld op basis van de hierdoor veroorzaakte equivalente geluidbelasting. Op basis van deze circulaire geldt een richtwaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde en een grenswaarde van ten hoogste 65 dB(A) etmaalwaarde.

Toetsing Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) Uit het geluidrapport blijkt dat de geluidemmisie vanwege de gehele inrichting in de representatieve bedrijfssituatie voldoet aan de grenswaarde van 40 dB(A) etmaalwaarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau uit de huidige vergunningsvoorschriften, die tevens overeenkomt met de landelijke richtwaarde uit de Handreiking. In voorschrift 7.1.1 uit de vigerende vergunning is deze richtwaarde vergund. Incidentele bedrijfssituatie In het geluidrapport wordt de geluidbelasting in de optredende incidentele bedrijfssituatie inzichtelijk gemaakt. De incidentele bedrijfssituatie betreft samengevat de hoofdafvoer van pluimvee (kortweg wegladen van vleeskuikens na circa 8-9 weken), met 3 vrachtwagencombinaties in de avondperiode en 5 vrachtwagencombinaties in de nachtperiode. Nadat het pluimvee uit de stallen is geladen, wordt in de direct daaropvolgende dagperiode de mest uit de stal afgevoerd en de stal schoongespoten met een hogedrukreiniger. Deze incidentele bedrijfssituatie treedt ten hoogste 6 etmalen, verspreid over een kalenderjaar op. In de thans vergunde situatie rijden 2 vrachtwagencombinaties in de avondperiode en 4 vrachtwagencombinaties in de nachtperiode het terrein van de inrichting op en af. In beide Pag. 28/52

perioden is er dus 1 op- en afgaande beweging extra. In de nieuwe situatie vindt de IBS maar 6 keer per jaar plaats ten opzichte van 8 keer per jaar in de huidige situatie. Tevens is er in de nieuwe situatie een weegbrug aanwezig aan de oostzijde van de stal. Hier worden veewagens, wagens met mest en wagens met landbouwproducten zowel vol als leeg gewogen. Elke weging duurt gemiddeld 1 minuut, hierbij blijft de vrachtwagenmotor stationair draaien. Er wordt in de incidentele bedrijfssituatie ter plaatse van de gevel(s) van de woning aan de Margarethaweg 4 niet voldaan aan de vigerende vergunningsvoorschriften. Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau wordt in de dag-, avond- en nachtperiode met respectievelijk 1 dB, 2 dB en 1 dB overschreden. Deze overschrijding wordt veroorzaakt door het laden van pluimvee en mest, rijbewegingen met de heftruck en vrachtwagens voor de afvoer van de kuikens en mest. Hoewel het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in de avond- en nachtperiode in deze situatie de waarden uit de vigerende vergunning met 1 dB, 2 dB en 1 dB overschrijdt, achten wij dit, omdat het een incidentele bedrijfssituatie betreft, toelaatbaar. Dit wordt hierna nader toegelicht. a. De activiteiten, het verladen van pluimvee in de avond- en nachtperiode en het direct hierna uitmesten en schoonmaken van de stallen in de dagperiode, zijn reeds bestaande en vergunde activiteiten.

b. De bij a. vermelde activiteiten zijn noodzakelijk en onlosmakelijk met de bedrijfsvoering verbonden. c. Bij het laden van pluimvee zijn vrachtwagens van derden betrokken. Voor de inrichtinghouder is het niet mogelijk om maatregelen aan deze geluidbron te treffen. d. Er wordt gebruik gemaakt van een geluidarme heftruck. e. In het geluidrapport is ingegaan op een maatregel om de berekende geluidbelasting in de avond- en nachtperiode te reduceren. Het betreft het verladen van vee aan de achterzijde van de stal (verder weg van de woningen aan de Margarethaweg). Dit betekent echter enerzijds dat het gehele ventilatiesysteem van de bestaande stal omgebouwd zou moeten worden naar de voorgevel (straatzijde) van deze stal en anderzijds dat erfverharding moet worden aangelegd. Deze maatregel is op zich realiseerbaar, maar brengt relatief hoge kosten met zich mee, te weten circa € 52.000,-- (€ 40.000,-- voor de erfverharding en € 12.000,-- voor het ventilatiesysteem). Met deze maatregel wordt nog een overschrijding van 3 dB van de richtwaarde in de nachtperiode berekend. f. Een andere maatregel waar in het geluidrapport op in wordt gegaan, is het plaatsen van een mobiel scherm over de complete breedte van het bedrijfsterrein (circa 100 meter) met een hoogte van 6 meter.

De kosten voor een dergelijk scherm zijn relatief hoog weten circa € 150.000,--, uitgaande van circa € 1.500,-- per strekkende meter. g. In het geluidrapport zijn maatregelen zoals vermeld bij e. en f. ter reductie van de geluidbelasting overwogen. Wij achten de in het geluidrapport aangegeven argumenten, te weten de noodzaak van afvoer van het pluimvee en de kosten van de maatregelen in relatie tot de frequentie van optreden per kalenderjaar, voor het niet uitvoeren van de overwogen maatregelen, valide. Deze maatregelen kunnen niet worden aangemerkt als Best beschikbare technieken (BBT). Naar onze mening kan het treffen van deze maatregelen in redelijkheid en billijkheid niet van de inrichtinghouder worden gevergd. h. Op de gevel van de woning aan de Margarethaweg 4 vindt de hoogste geluidbelasting plaats met respectievelijk 41, 39 en 37 dB(A) tijdens de dag-, avond- en nachtperiode. Om een akoestisch aanvaardbaar binnenklimaat te bereiken (35 dB(A) etmaalwaarde) dient de geluidwering van de gevel(s) van de woning minimaal 12 dB te bedragen. Op basis van algemene akoestische inzichten geldt, dat bij een woning met enkele beglazing, klepraamventilatie en een enkele kierdichting doorgaans een geluidwering wordt behaald van 20 dB. Aan de hand van een visuele inventarisatie kan worden beschouwd dat de woning aan de Margarethaweg 4 minimaal op deze wijze is opgebouwd.

Gelet op voorstaande kan er vanuit worden gegaan dat de gevelwering van de betreffende woning ten minste 12 dB bedraagt. Hierbij is er een akoestisch aanvaardbaar binnenklimaat van minimaal 35 dB(A) etmaalwaarde. Pag. 29/52

Om te voorkomen dat tijdens de incidentele bedrijfssituatie ongelimiteerd geluid mag worden geproduceerd, zijn in voorschrift 7.1.2 ten hoogste toegestane langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus tijdens de hoofdafvoer van pluimvee opgenomen. Verder zijn, om te voorkomen dat de hoofdafvoer van pluimvee meer dan 6 etmalen per jaar plaatsvindt, in de voorschriften 7.1.2.a en 7.1.3a respectievelijk opgenomen: een maximum aan het aantal keren binnen een kalenderjaar dat de hoofafvoer van pluimvee plaatsvindt en de verplichting tot het bijhouden van een registratie hiervan. Maximale geluidniveaus Uit het geluidrapport blijkt dat de optredende maximale geluidniveaus, gedurende de representatieve bedrijfssituatie respectievelijk de incidentele bedrijfssituatie, op de woningen in de directe omgeving, vanwege de inrichting, ten hoogste 60 dB(A) in de dag-, avond- en nachtperiode bedragen. Dit is een toename van respectievelijk 5 dB op de gevel van de woning Margarethaweg 4 ten opzichte van de vergunde waarde van 55 dB(A). Op de gevel van de woning aan de Margarethaweg 2 kan er voldaan worden aan de grenswaarde van 55 dB(A). De berekende maximale geluidniveaus zijn echter lager dan of ten hoogste gelijk aan de grenswaarden van 70 dB(A), 65 dB(A) en 60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode zoals vermeld in de Handreiking.

Aangezien het niet nodig is om meer geluidruimte te vergunnen dan noodzakelijk, zijn, in voorschrift 7.1.5.a, op de omliggende woningen, de in het geluidrapport ten hoogst berekende waarden voor de dag-, avond- en nachtperiode vergund. Indirecte hinder Uit het geluidrapport en het hieraan ten grondslag liggende rekenmodel blijkt dat de equivalente geluidsbelasting in zowel de representatieve bedrijfssituatie als de incidentele bedrijfssituatie als gevolg van de verkeersaantrekkende werking van de inrichting bij de woningen lager is dan de hiervoor geldende voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A). Best beschikbare technieken (BBT) Op grond van het bij de aanvraag gevoegde geluidrapport en de daarin opgenomen geluidsvermogens van de verschillende voertuigen, machines en installaties hebben wij geconcludeerd dat deze, met betrekking tot de geluidsemissie, overeenkomen met vergelijkbare voertuigen, machines en installaties in soortgelijke inrichtingen. Deze kunnen daarmee worden aangemerkt als Best beschikbare technieken (BBT). Naar onze mening wordt binnen de inrichting dan ook recht gedaan aan het toepassen van de Best Beschikbare Technieken (BBT). Controlevoorschrift Onderhavige vergunning heeft betrekking op een IPPC-installatie.

Op grond van artikel 5.5, vierde lid van het Bor is dan ook voorgeschreven dat, via geluidmetingen en geluidberekeningen, eenmalig dient te worden aangetoond dat de inrichting aan de, in deze vergunning verbonden, geluidvoorschriften voldoet. Daar in het kader van het geluidrapport bij de aanvraag reeds diverse geluidbronnen zijn gemeten, dient het controle-onderzoek zich dan ook met name te richten op de nog niet gemeten geluidbronnen. Dit onderzoek dient plaats te vinden binnen een half jaar na het in werking brengen van de inrichting overeenkomstig de aanvraag. Voor het uitvoeren van het controle-onderzoek is een apart voorschrift opgenomen. Voorgeschreven rekenmethode In voorschrift 7.1.8 hebben wij aangegeven op welke wijze meting en beoordeling van de in de vergunning aangegeven geluidniveaus plaats moet vinden. Daarbij merken wij op dat: de in de voorschriften aangegeven ten hoogste toelaatbare geluidniveaus op de woningen niet altijd afzonderlijk zijn te meten; naast het uitvoeren van immissiemetingen zal controle van deze geluidniveaus daarom plaats kunnen vinden

Pag. 30/52

4.18

door het verrichten van geluidmetingen op bronniveau aangevuld met overdrachtsberekeningen; de in de vergunning opgenomen geluidniveaus door ons zijn berekend met behulp van het computerprogramma Geomilieu van DGMR raadgevende ingenieurs b.v. voor de dagperiode is een waarneemhoogte van 1,5 meter gehanteerd en voor de avond- en nachtperiode 5 meter. Afvalwater

Toetsingskader Het lozen van afvalwater vanuit de inrichting op de riolering valt onder de reikwijdte van de Wabo. Voor een aantal lozingen gelden algemene regels die zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Gevolgen van de aangevraagde activiteiten In de inrichting komen de volgende afvalwaterstromen vrij:  reinigingswater bij het reinigen van de stallen;  reinigingswater bij het schoonmaken van veewagens;  spoelwater spuitapparatuur inwendig/uitwendig;  hemelwater;  overig (bedrijfs)afvalwater van huishoudelijke aard. Maatregelen en voorzieningen De maatregelen en voorzieningen voor de volgende lozingen zijn niet beoordeeld omdat hiervoor in het Activiteitenbesluit milieubeheer in de aangegeven artikelen eisen zijn gesteld:  het lozen van afvalwater dat vrijkomt bij het uitwendig wassen van motorvoertuigen en werktuigen, paragraaf 3.3.2 (artikelen 3.23a tot en met 3.25);  het lozen van afvalwater dat vrijkomt bij het reinigen van dierenverblijven, artikel 3.127. Het vrijkomende afvalwater bij het schoonmaken van veewagens en spuitapparatuur mag niet worden geloosd in de bodem en/of het oppervlaktewater en/of op de riolering. Dit afvalwater wordt via een zandvanger geloosd op een Phytobac, wat is gebaseerd op de werking via een actief bodemleven. Zie hiervoor verder de aanvraag. Het afvalwater afkomstig van de stallen wordt geloosd in een mestkelder.

Het niet verontreinigde hemelwater wordt geloosd op de nabij gelegen sloot. Beoordeling en conclusie Voor een aantal specifieke afvalwaterstromen gelden de eisen van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Doordat de aangegeven artikelen een rechtstreekse werking hebben worden geen voorschriften in de vergunning opgenomen. Met betrekking tot de afvalwaterstroom verontreinigd met gewasbeschermingsmiddelen (afkomstig van de spoelplaats) blijkt uit de beoordeling van de aanvraag dat door de inrichting voldoende maatregelen en voorzieningen zijn getroffen. Het wassen van voer- en/of werktuigen die gebruikt worden bij agrarische activiteiten valt onder het Activiteitenbesluit. Indien binnen een inrichting meer dan twee keer per jaar voertuigen en werktuigen waarmee gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast worden gewassen, dient dit te gebeuren op een bodembeschermende voorziening (artikel 3.23b van het Activiteitenbesluit en artikel 3.27 van de Activiteitenregeling). Op grond van artikel 2.2 van het Activiteitenbesluit is het niet toegestaan hemelwater afkomstig van een bodembeschermende voorziening op of in de bodem te lozen.

Artikel 2.2, derde lid van het Activiteitenbesluit biedt de mogelijkheid om de lozing van het hemelwater vanaf de bodembeschermende voorziening met maatwerk toe te staan, indien het belang van de bescherming van het milieu zich gelet op de samenstelling, hoeveelheid en eigenschappen van de lozing daartegen niet verzet. Noodzaak maatwerkvoorschrift voor lozing op de bodem Binnen de inrichting is een wasplaats gelegen waarop voertuigen en/of werktuigen worden gereinigd waarmee gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast. Het waswater afkomstig van het reinigen dient te worden afgevoerd naar de zuiveringsvoorziening. Het hemelwater

Pag. 31/52

afkomstig van de wasplaats, wanneer deze niet in gebruik is, mag niet op de bodem of oppervlaktewater worden geloosd. Er is verzocht om het afstromende hemelwater van de wasplaats te mogen lozen op de bodem. Het hemelwater kan echter sporen van gewasbeschermingsmiddelen bevatten. Ter bescherming van de bodem wordt via een maatwerkvoorschrift bepaald dat de wasplaats na het reinigen van de werktuigen/voertuigen wordt nagespoeld. Ook dit spoelwater dient naar de zuivering te worden afgevoerd. Door het naspoelen van de wasplaats worden de aanwezige restanten gewasbeschermingsmiddelen tot een minimum beperkt. Het is aannemelijk geacht dat na reinigen van de wasplaats, de sporen gewasbeschermingsmiddelen in het afvloeiende hemelwater, niet zal leiden tot een significante verslechtering van de bodem. Ter bescherming van de waterkwaliteit wordt met een maatwerkvoorschrift 3.1.1 van de bepaald dat voorkomen moet worden dat het afvloeiend hemelwater afspoelt naar het oppervlaktewater. 4.19

Externe veiligheid

Gevaarlijke stoffen en gewasbeschermingsmiddelen/ biociden De processen, de aard en hoeveelheid van de gebruikte gevaarlijke stoffen zoals vermeld in de aanvraag (i.c. gewasbeschermingsmiddelen en gasflessen), kunnen een risico vormen voor de omgeving. Deze risico's worden voldoende afgedekt door het voldoen aan de van toepassing zijnde richtlijnen met betrekking tot de opslag van gevaarlijke stoffen de PGS 15. Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en biociden is geregeld in de Wetgewasbeschermingsmiddelen en biociden. De zorgplicht op basis van artikel 18 van deze wet omvat ook de opslag van gewasbeschermingsmiddelen en biociden, welke opslag tot 400 kg is uitgezonderd van PGS 15. Binnen de inrichting worden 2.500 kg /liter bestrijdingsmiddelen opgeslagen. Hierop is de PGS 15 van september 2016 van toepassing. In deze vergunning zijn daarom voorschriften opgenomen die verwijzen naar relevante passages uit de PGS 15:2016. Voorschriften 14.2.1 t/m 14.2.10 uit hoofdstuk 14 (Bestrijdingsmiddelen) worden met dit besluit ingetrokken. Verder is ook artikel 2a, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (zorgplichtbepaling) van toepassing. Propaantank In de revisievergunning van 17 december 2013 zijn voorschriften opgenomen voor het opslaan van propaan in een bovengrondse reservoir van 19 m3. Inmiddels is deze vervangen door een tank van 13 m3.

Een propaantank met een maximale inhoud van 13 m3 valt van rechtswege onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Voorschriften 18.1.1 t/m 18.1.4 uit hoofdstuk 18 (Opslaan van propaan in bovengrondse reservoir van 19 m3) van de geldende revisievergunning zijn daarom van rechtswege komen te vervallen. Dieselolie In de inrichting wordt 5.000 liter dieselolie opgeslagen in een daarvoor bestemde bovengrondse tank. De tank is dubbelwandig uitgevoerd. De voorschriften voor het opslaan en afleveren van de dieselolie zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit onder paragraaf 3.4.9. De voorschriften werken rechtstreeks. Hiervoor hoeven geen voorschriften aan deze actualisatie te worden verbonden. De voorschriften in het Activiteitenbesluit zijn afgeleid uit de PGS 30 "Vloeibare aardolieproducten buitenopslag in kleine installaties". Kunstmeststoffen Op de inrichting worden kunstmeststoffen opgeslagen in een silo, op een pallet en in bigbags. De kunstmeststoffen behoren tot mestgroep 1 (1.1 t/m 1.3) als bedoeld in PGS 7 "Opslag van vaste minerale anorganische meststoffen". De opslag overschrijdt de ondergrens (=250 ton) in tabel 1.1 van de PGS 7 niet. De PGS 7 is daarom niet van toepassing op de opslag.

Aan dit besluit zijn aanvullende voorschriften verbonden die onder meer moeten voorkomen dat onbevoegden toegang krijgen tot de opslag en dat oneigenlijk gebruik van de kunstmeststoffen mogelijk wordt gemaakt. Voorschrift 11.3.1 uit hoofdstuk 11 (Bewaren van nitraathoudende kunstmest) van de geldende revisievergunning is verouderd en wordt met dit besluit vervangen. Pag. 32/52

Bouwbesluit 2012 Het Bouwbesluit 2012 regelt onder andere het brandveilig gebruik van bouwwerken, het brandveilig opslaan van brandbare niet-milieugevaarlijke stoffen, het brandveilig opslaan van kleine hoeveelheden brand- en milieugevaarlijke stoffen en de aanwezigheid, controle en onderhoud van brandbestrijdingssystemen voor de hiervoor bedoelde situaties. Voor voornoemde situaties hoeven daarom geen voorschriften in de omgevingsvergunning te worden opgenomen. Hoofdstuk 5 ‘Brandveiligheid’ (voorschrift 5.1.1 t/m 5.3.2) en hoofdstuk 9 ‘Elektrische installatie’ (voorschriften 9.1.1 t/m 9.1.3) van de revisievergunning van 17 december 2013, worden met dit besluit ingetrokken. Conclusie Vanuit het toetsingskader dat betrekking heeft op het wijzigen van een inrichting zijn er geen redenen om de omgevingsvergunning te weigeren.

Pag. 33/52

Voorschriften (behorende bij omgevingsvergunning UV-2022217). Aan de omgevingsvergunning zijn de volgende voorschriften verbonden: bouw-algemeen U meldt uiterlijk vijf dagen tevoren het begin van de bouw. U bouwt zoals aangegeven op de omgevingsvergunning en bijbehorende tekeningen en rapporten en bovendien volgens het Bouwbesluit 2012, de Bouwverordening en alle nadere voorschriften waarnaar in die regelingen verwezen wordt. U voorziet het bouwterrein van een doeltreffende afscheiding tenzij de toezichthouder van de afdeling Externe dienstverlening, cluster Handhaving van de gemeente Sluis dit niet nodig acht. Technisch Volgens de Regeling omgevingsrecht artikel 2.7 lid 1 moet u de constructieberekeningen en constructietekeningen later indienen, maar uiterlijk 3 weken vóór het begin van de bouwwerkzaamheden. Met de uitvoering van de desbetreffende onderdelen mag geen aanvang worden gemaakt alvorens daaraan door het bestuur goedkeuring is gegeven. Het gaat om de volgende rapporten: - de gewichts -en stabiliteitsberekening; - een funderingsadvies; - de vloer -en wanden; - de dakconstructie (inclusief spanten en gordingen); - de staalconstructie; - de constructies van geprefabriceerde elementen zoals: fundering, systeemvloeren, systeemdaken, systeemwanden, gevel- en dakbekledingen e.e.a. met inbegrip van bevestigingsmiddelen en sparingen.

Voordat u met de bouw begint, controleert de toezichthouder van de afdeling Externe dienstverlening van de gemeente Sluis de juiste plaats en rooilijn van de bouw. Brandveiligheid Op grond van artikel 2.84 leden 4 en 5 van het Bouwbesluit moet er tussen de nieuw te bouwen uitloop, welke tezamen met de oorspronkelijke kippenstal één brandcompartiment vormt, ten opzichte van de naastgelegen loodsen een WBDBO aanwezig zijn van minimaal 60 minuten. Op de tekening is aangegeven dat de aangrenzende loodsen als afzonderlijk brandcompartiment moeten worden aangemerkt en dat de WBDBO wordt gerealiseerd door de betonnen wanden van de loodsen. Een beoordeling via streetview laat zien dat de aangrenzende gevels inderdaad zijn uitgevoerd met betonnen wanden. Echter, aan de bovenzijde van deze wanden is sprake van damwand. Niet bekend is of achter deze damwand de betonnen wand doorloopt en garant staat voor een WBDBO van 60 minuten. Indien dat niet het geval is zullen aanpassingen moeten worden aangebracht aan deze scheidingswanden zodat alsnog voldaan wordt aan de gestelde eisen. Aanvullend advies Na realisatie van de waterwinning dient u deze aan de Veiligheidsregio door te geven, t.a.v. de heer Moens. Deze informatie zal vervolgens door de brandweer worden verwerkt in de voor de repressie van toepassing zijnde ondersteunende informatiesystemen.

Milieu Leeswijzer: voor het overzicht zijn in dit hoofdstuk alle voorschriften opgenomen die van toepassing zijn op deze inrichting. Onder paragraaf 3.2 “projectomschrijving” van deze vergunning is aangegeven waar daadwerkelijk een besluit op wordt genomen. De voorschriften zijn te verdelen in:

Pag. 34/52

Vet: voorschriften die worden gewijzigd of toegevoegd; Arial (schuin) grijs: Voorschriften die reeds gelden en ter informatie zijn opgenomen (revisievergunning 17 december 2013); Arial schuin blauw: zijn voorschriften die zijn ingetrokken. Arial schuin bruin: Voorschriften die van rechtswege zijn vervallen doordat de activiteiten rechtstreeks vallen onder het Activiteitenbesluit 1.

Algemeen

1.1

Gedragsvoorschriften

1.1.1

De inrichting moet schoon worden gehouden en in goede staat van onderhoud verkeren.

1.1.2

Installaties of onderdelen van installaties welke buiten bedrijf zijn gesteld, moeten zijn verwijderd tenzij deze in een goede staat van onderhoud verkeren.

1.1.3

Alle binnen de inrichting aanwezige machines, installaties en voorzieningen moeten overzichtelijk zijn opgesteld en altijd goed bereikbaar zijn.

1.1.4

Degene die de inrichting drijft is verplicht aan een daartoe door het bevoegd gezag aangewezen ambtenaar op diens eerste verzoek alle berekeningen ten behoeve van leidingen, tanks, appendages, akoestische gegevens, emissiegegevens en dergelijke, en periodieke onderhoudsschema's en inspecties ter inzage te geven.

1.1.5

De in de inrichting aangebrachte of gebruikte verlichting, moet zodanig zijn afgeschermd dat geen directe lichtstraling buiten de inrichting waarneembaar is.

1.1.6

Onderhoudswerkzaamheden, waarvan redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat deze buiten de inrichting nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken, dan wel dat hiervan in de omgeving meer nadelige gevolgen voor het milieu worden ondervonden dan uit de normale bedrijfsvoering voortvloeit moeten ten minste 7 dagen voor de aanvang van de uitvoering aan het bevoegd gezag worden gemeld.

1.1.7

In geval van een langdurige onderbreking van de werkzaamheden (langer dan 3 maanden), bij bedrijfsbeëindiging of bij een faillissement moeten alle in de inrichting aanwezige afvalstoffen c.q. gevaarlijke (afval)stoffen volgens de hierop van toepassing zijnde wet- en regelgeving worden afgevoerd.

1.2

Registratie

1.2.1

In de inrichting moet een centraal registratiesysteem aanwezig zijn waarin informatie omtrent onderhoud, metingen, keuringen, controles en gegevens van relevante milieuonderzoeken worden bijgehouden. In het registratiesysteem moet ten minste de volgende informatie zijn opgenomen:   

landbouwtelingen of boekhoudkundige gegevens met betrekking tot gehouden dieren; de resultaten van in de inrichting uitgevoerde milieucontroles, keuringen, inspecties, metingen; registraties en onderzoeken (zoals afvalpreventie-onderzoek, keuringen van Pag. 35/52

     1.1.2

brandblusmiddelen, visuele inspectie van bodembeschermende voorzieningen, bodemonderzoek, energiebesparingsonderzoek, akoestisch onderzoek, (periodieke) keuring propaaninstallatie, keuringen van tanks, keuringen van stookinstallaties, etc); meldingen van ongewone voorvallen, die van invloed zijn op het milieu, met vermelding van datum, tijdstip en de genomen maatregelen; afgiftebewijzen van (gevaarlijke) afvalstoffen; registratie van het energie- en waterverbruik; registratie van klachten van derden over milieuaspecten en daarop ondernomen acties; een afschrift van de vigerende milieuvergunning(en) met bijbehorende voorschriften en meldingen.

De onderstaande documenten moeten in ieder geval tot aan het beschikbaar zijn van de resultaten van de eerst volgende meting, keuring, controle of analyse, maar ten minste gedurende 3 jaar in de inrichting worden bewaard en ter inzage gehouden voor daartoe bevoegde ambtenaren:  metingen, keuringen en controles aan installaties of installatie-onderdelen welke zijn voorgeschreven in deze vergunning;  registers, rapporten en analyseresultaten welke ingevolge deze vergunning moeten worden bijgehouden.

1.1.3 Degene die de inrichting drijft is verplicht aan een daartoe door het bevoegd gezag aangewezen ambtenaar op diens eerste verzoek het registratiesysteem ter inzage te geven. 1.

Afvalstoffen

2.1

Behandeling van afvalstoffen

2.1.1

De binnen de inrichting aanwezige afvalstoffen mogen slechts worden opgeslagen voor een termijn van ten hoogste één jaar.

2.1.2 In afwijking van voorgaand voorschrift mogen afvalstoffen, waarvoor een nuttige toepassing bestaat en de vergunninghouder kan aantonen dat de opslag van afvalstoffen door een nuttige toepassing wordt gevolgd, binnen de inrichting worden opgeslagen voor een termijn van ten hoogste drie jaar. 2.1.3

Afvalstoffen mogen niet in de inrichting worden verbrand, gestort of begraven.

2.1.4

Afvalstoffen mogen niet in de bodem worden gebracht of terecht kunnen komen. Het bewaren of bezigen van afvalstoffen op de bodem moet zodanig plaatsvinden dat geen verontreiniging van de bodem kan optreden.

2.1.5

Afvalstoffen, waaronder met afvalstoffen verontreinigd water of water waaraan warmte is toegevoegd mogen niet in de bodem worden gebracht of terecht kunnen komen. Het bewaren of bezigen van afvalstoffen op de bodem moet zodanig plaatsvinden dat geen verontreiniging van de bodem kan optreden.

2.1.6 Het vervoer van het afval van de plaats van ontstaan/verzamelen in de inrichting naar de afvalcontainer(s) moet zodanig plaatsvinden, dat zich geen afval in de omgeving kan verspreiden. 2.1.7

Verontreiniging van het openbare terrein rond de inrichting door uit de inrichting afkomstige afvalstoffen moet worden voorkomen. Mocht onverhoopt toch verontreiniging van het openbaar terrein rond de inrichting plaatsvinden, dan moeten direct maatregelen worden getroffen om deze verontreiniging te verwijderen.

Pag. 36/52

2.1.8

Gemorste vaste gevaarlijke afvalstoffen moeten zo snel mogelijk worden aangeharkt of aangeveegd en worden opgeslagen in een daarvoor bestemde container van doelmatig materiaal of in daarvoor bestemde doelmatige emballage.

2.1.9

In de inrichting moet nabij de opslag van (vloeibaar) gevaarlijk afval, voor de aard van de opgeslagen stoffen geschikt materiaal aanwezig zijn om gemorste of gelekte stoffen te neutraliseren, indien nodig te absorberen en op te nemen. Gemorste gevaarlijke afvalstoffen moeten zo nodig worden geneutraliseerd. Zij moeten onmiddellijk worden opgenomen en behandeld als omschreven onder het hoofdstuk gevaarlijke stoffen. De opgenomen gemorste (vloei)stof moet worden opgeslagen in daarvoor bestemde, voor de aard van de stof geschikte, gesloten emballage. Toelichting: Als absorberend materiaal kan worden gebruikt perlite of vermiculite.

2.1.10 Afvalstoffen, niet zijnde snoeihout, bladeren en soortgelijke afvalstoffen moeten zo vaak als nodig uit de inrichting worden afgevoerd. Gevaarlijke afvalstoffen moeten ten minste éénmaal per jaar worden afgevoerd. Het afvoeren moet zodanig plaatsvinden dat zich geen afval in of buiten de inrichting kan verspreiden. 2.2

Opslag van afvalstoffen

2.2.1

Het bewaren van afvalstoffen moet op ordelijke en nette wijze plaatsvinden. Van de afvalstoffen afkomstige geur mag zich niet buiten de inrichting kunnen verspreiden.

2.2.2

De verpakking van gevaarlijk afval moet: a. dicht en voldoende sterk zijn en geschikt zijn voor de desbetreffende stof; b. zijn voorzien van een etiket, waarop, op een altijd duidelijk te onderscheiden wijze, is aangegeven welke categorie afvalstof zich in de verpakking bevindt.

2.2.3

Vloeibare gevaarlijke afvalstoffen, zoals afgewerkte olie, moeten worden bewaard in doelmatige emballage of tanks. De emballage moet vloeistofdicht zijn, voldoende stevig, gesloten worden gehouden en bestand zijn tegen de opgeslagen vloeistoffen.

2.2.4 Vloeibare afvalstoffen in emballage moeten zijn geplaatst op een vloeistofdichte vloer of in een vloeistofdichte lekbak. 2.2.5 Een vloeistofdichte lekbak moet, indien het (licht) ontvlambare vloeistoffen betreft, de gehele inhoud bevatten. In de overige gevallen moet de bak een inhoud hebben van ten minste de grootste verpakking vermeerderd met 10% van de inhoud van de overige emballage. 2.2.6 Boven een vloeistofdichte lekbak met vloeibare afvalstoffen in emballage moet, indien deze buiten het bebouwde deel van de inrichting ligt, een afdak aanwezig zijn. Het afdak moet zo groot zijn dat regenwater niet binnen de vloeistofdichte lekbak kan komen. 2.2.7 Afvalstoffen moeten zodanig gescheiden van elkaar worden opgeslagen dat de verschillende soorten afvalstoffen ten opzichte van elkaar geen reactiviteit kunnen veroorzaken. 2.2.8 Verontreinigde emballage moet worden behandeld als gevulde emballage. Voor de bepaling van de opvangcapaciteit van een vloeistofdichte bak hoeft de opslagcapaciteit van de verontreinigde emballage niet meegerekend te worden. 2.

Afvalwater

3.1

Schrobwater stal

3.1.1

Het waterverbruik moet worden beperkt. Hiertoe moet, tenzij dit om technische of Pag. 37/52

organisatorische redenen niet mogelijk is, gebruik worden gemaakt van een hogedrukreiniger. 3.1.2

Afvalwater afkomstig van het schoonmaken van de stal mag niet in de riolering worden gebracht.

3.1.3

Schrobwater afkomstig van het schoonspuiten van de stal moet worden afgevoerd naar de spoelwaterput.

3.2

Schrobwater kadaverkoeling en hygiënesluis

3.2.1

Reinigingswater dat vrijkomt bij het reinigen van de kadaverplaats en de hygiënesluis moet worden afgevoerd naar de spoelwaterput. De leiding en de vloer en de wanden van de opslagvoorziening moeten vloeistofkerend zijn en bestand zijn tegen de inwerking van het toe te passen reinigingsmiddel. De capaciteit van de opslagvoorziening moet voldoende groot zijn om het afvalwater van de kadaverplaats gedurende de winterperiode te kunnen bergen.

3.2.2

Het rechtstreeks lozen van het opgevangen (verontreinigd) afvalwater op of in de bodem (puntlozing), op het oppervlaktewater en/of op de riolering is niet toegestaan.

3.3

Maatwerkvoorschrift (Lozen afvalwater met gewasbeschermingsmiddelen)

3.3.1

Het is toegestaan om hemelwater afkomstig van de bodembeschermende voorziening bij de wasplaats te lozen op of in de bodem met inachtneming van onderstaande: a. De wasplaats dient na het reinigen van werktuigen/voertuigen waarmee gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast grondig te worden nagespoeld waardoor verontreiniging van hemelwater met gewasbeschermingsmiddelen zoveel mogelijk wordt voorkomen. Het hierbij vrijkomende spoelwater moet afgevoerd worden naar de zuiveringsvoorziening voor gewasbeschermingsmiddelen. b.

Er dient ten alle tijden te worden voorkomen dat het hemelwater van de bodembeschermende voorziening, zijnde de wasplaats voor het reinigen van werktuigen/voertuigen waarmee gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast, dat op of in de bodem wordt geloosd afspoelt naar het oppervlaktewater.

4.

Bodem

4.1

Algemeen

4.1.1

Het is verboden vloeistoffen definitief op of in de bodem te brengen. Toelichting: Oppervlaktewater, hemelwater of drinkwater zijn hiervan uitgezonderd, indien daaraan geen verontreinigende stoffen zijn toegevoegd, de concentratie verontreinigende stoffen niet door een bewerking van het water is toegenomen en indien daaraan geen warmte is toegevoegd.

4.1.2

Voor elke bedrijfsactiviteit waarbij volgens de NRB een risico op bodemverontreiniging bestaat, moeten dusdanige bodembeschermende voorzieningen en maatregelen zijn/worden getroffen dat de activiteit, overeenkomstig de NRB, voldoet aan de bodem risicocategorie A (een verwaarloosbaar risico).

4.1.3

Bodem beschermende voorzieningen, voorgeschreven in deze vergunning, zoals vloeistofdichte vloeren en lekbakken moeten periodiek worden onderhouden. Er dient een onderhoudsprogramma te worden opgesteld, afgestemd op de gekozen voorzieningen en bedrijfsactiviteiten. In het onderhoudsprogramma moet ten minste zijn vermeld:  welke bodembeschermende voorzieningen moeten worden onderhouden; Pag. 38/52

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Sluis&id=e24725ef-d11c-4be6-89f0-43074b27112f