07 (omgevingsvergunning).doc
Tekst van het document
de onderhoudsfrequentie; waaruit het onderhoud bestaat; wie het onderhoud uitvoert; Het onderhoudsprogramma moet altijd op de werkplek van de uitvoerende perso(o)n(en) aanwezig zijn en moet op aanvraag van het bevoegd gezag worden overlegd. De vergunninghouder moet erop toezien dat het programma wordt nageleefd. Na elk uitgevoerd onderhoud moet ten minste worden geregistreerd: datum waarop het onderhoud is uitgevoerd; bevindingen; uitgevoerde reparaties. De registraties moeten gedurende ten minste 3 jaar worden bewaard. 4.1.4
4.1.5
4.1.6
Lekkages moeten direct worden verholpen en de verspreiding van lekkende (vloei)stof moet worden beperkt. Daartoe moeten bij de opslagplaats van vloeibare milieugevaarlijke (afval)stoffen de volgende voorzieningen zijn aangebracht: overmaatse vaten voor lekkende emballage; materiaal om lekkages te stoppen; de mogelijkheid om binnen redelijke termijn volgelopen opvangbakken/ rioleringen leeg te pompen. Gemorste vloeistoffen moeten direct worden geabsorbeerd. Hiertoe moeten nabij de opslagplaats voor vloeibare milieugevaarlijke (afval)stoffen voldoende absorptiemiddelen voor onmiddellijk gebruik aanwezig zijn. Gebruikte absorptiemiddelen moeten als gevaarlijke afvalstof worden behandeld. Ten behoeve van voorschrift 4.1.5 en voorschrift 4.1.6 moet een bedieningsinstructie aanwezig zijn. Tijdens bedrijfsmatige handelingen moet toezicht worden gehouden door een ter zake kundig persoon, die in het geval van calamiteiten handelend kan optreden. Deze persoon moet daartoe schriftelijk zijn geïnstrueerd. 4.1.7 De bodembeschermende voorzieningen, voorgeschreven in deze vergunning, zoals vloeistofdichte vloeren en lekbakken moeten periodiek bedrijfsintern worden geïnspecteerd op lekkages of gebreken. De wijze van inspectie moet in een inspectieprogramma of -plan zijn vastgelegd.
In een inspectieplan moet worden vastgelegd: welke voorzieningen moeten worden geïnspecteerd; de inspectiefrequentie (periodiek, toezicht op specifieke handelingen); de wijze van inspectie (visueel, monstername, metingen, etc.); welke deskundigheid daarvoor nodig is; wie voor de inspectie verantwoordelijk is; welke middelen daarvoor nodig zijn; hoe de resultaten worden gerapporteerd en geregistreerd; welke acties bij geconstateerde onregelmatigheden zullen worden genomen. Het inspectieplan moet altijd op de werkplek van de uitvoerende perso(o)n(en) aanwezig zijn. De vergunninghouder moet erop toezien dat het inspectieplan wordt nageleefd. De uitgevoerde inspecties moeten worden geregistreerd. Hierbij moeten ten minste de volgende gegevens worden vermeld: datum waarop de inspecties zijn uitgevoerd; bevindingen; de eventueel genomen vervolgacties. De registraties moeten gedurende ten minste 2 jaar worden bewaard. Toelichting: Voor de controlefrequentie moet worden aangesloten bij hetgeen elders in de vergunning is voorgeschreven. Als er geen controlefrequentie is genoemd (bijv. voor visuele inspecties) kan een frequentie van eens per half jaar worden aangehouden. Dit geldt niet voor visueel inspecteerbare vloeistofdichte voorzieningen waarvoor een PBV-Verklaring Vloeistofdichte Voorziening moet zijn afgegeven.
Hierbij stelt de Deskundig Inspecteur de frequentie voor de bedrijfsinterne inspectie vast. Pag. 39/52
4.1.8
Degene die de inrichting drijft is verplicht om bij constatering van een bodembelasting de bodem te herstellen gebruikmakend van hersteltechnieken overeenkomstig de Stand der Techniek.
5.
Brandveiligheid
5.1
Blusmiddelen algemeen
5.1.1
Blusmiddelen moeten voor een ieder duidelijk zichtbaar en gemakkelijk bereikbaar zijn, voor direct gebruik gereed zijn en in goede staat van onderhoud verkeren.
5.1.2
In de buitenlucht aanwezige weersinvloeden zijn beschermd.
5.1.3
De in de aanvraag en in de daarbij overgelegde stukken aangegeven blusmiddelen moeten aanwezig zijn.
5.1.4
Brandblusmiddelen, waaronder slanghaspels, moeten ieder tweede kalenderjaar op deugdelijkheid zijn gecontroleerd en in orde zijn bevonden. Slanghaspels moeten voldoen aanNEN-EN 671 deel 1. Het onderhoud van draagbare blustoestellen moet overeenkomstig NEN 2559, NEN-EN 671 deel 3 en ISO 11602-2 plaatsvinden. Onderhoud en inspectie moeten plaatsvinden door bedrijven die beschikken over een REOB-erkenning. Na inspectie moeten blusmiddelen en slanghaspels worden voorzien van een label of sticker met datum. Draagbare blustoestellen moeten bovendien worden voorzien van een zegel.
brandblusmiddelen
moeten
doelmatig
tegen
Toelichting: Een lijst van erkende onderhoudsbedrijven is te vinden op de site van het Nationaal Centrum voor Preventie (www.ncpreventie.nl, onder brandbeveiliging/kleine blusmiddelen.) 5.1.5
Van elke laatste uitgevoerde controle moet een aantekening worden gemaakt op een bij elk toestel ter inzage aanwezige registratie.
5.2
Draagbare blusmiddelen
5.2.1
Teneinde een begin van brand doeltreffend te kunnen bestrijden moeten binnen de inrichting in ieder geval in gebouw 1, gebouw 3 en gebouw 5 ten minste één mobiele brandblusser aanwezig zijn.
5.2.2
Een draagbaar blustoestel moet zijn voorzien van een rijkskeurmerk met rangnummer.
5.3
Draagbare blusmiddelen
5.3.1
Op de op tekening als zodanig aangegeven plaats(en) moet een op de waterleiding aangesloten slanghaspel aanwezig zijn die voldoet aan NEN-EN 671 deel 1.
5.3.2
Een leiding voor de aanvoer van bluswater moet tegen bevriezen zijn beschermd.
6.
Energie
6.1.1
Binnen de inrichting dient aandacht te worden besteed aan de mogelijkheden van het terugdringen van het energieverbruik. Hierbij dient de aandacht uit te gaan naar: (bouwkundige) isolatie (wanden, ramen, deuren, vloeren, daken, plafonds, leidingen, tanks); ventilatie en afzuiging (warmteterugwinning); installaties (H R-, Vr-ketels, (klok)thermostaatregelingen); verlichting (energiezuinige armaturen, spaarlampen, condensator- en
Pag. 40/52
transformator loze Tl-verlichting, naderingsschakelaars voor verlichting van ruimten waar weinig gebruik van wordt gemaakt); mogelijke toepassing van warmtekrachtkoppeling; mogelijke toepassing van zonne- en windenergie. Energiebesparingen moeten zoveel mogelijk worden doorgevoerd. 6.1.2
Het jaarlijks energieverbruik moet worden geregistreerd. Er kan worden volstaan met het bewaren van de energienota's. De vergunninghouder houdt deze gegevens drie jaar in het bedrijf ter inzage voor het bevoegd gezag.
6.1.3
Wanneer het bevoegd gezag een onderzoek naar energiebesparende maatregelen nodig acht (bijvoorbeeld bij overschrijding van de grenswaarde uit de circulaire "Energie in de milieuvergunning" (oktober 1999) van meer dan 50.000 kWh elektriciteit of 25.000 m3 propaangas per jaar) moet door of vanwege de vergunninghouder éénmalig een energiebesparingsonderzoek worden uitgevoerd. De resultaten van een dergelijk onderzoek moeten schriftelijk aan het bevoegd gezag worden gerapporteerd. Een opdracht tot uitvoering van een dergelijk onderzoek moet schriftelijk en gemotiveerd door het bevoegd gezag aan de vergunninghouder worden medegedeeld. De resultaten van dit onderzoek moeten worden vastgelegd in een rapport dat ten minste de volgende gegevens bevat: beschrijving van het object; beschrijving van de energiehuishouding, dat wil zeggen een overzicht van de energiebalans van het totale object en een toedeling van tenminste 90% van het totale energiegebruik aan installaties en (deel)processen; een inschatting van het energiebesparingspotentieel van de installaties en (deel)processen die volgens de energiehuishouding de grootste bijdrage in het totale verbruik hebben.
Onder energiebesparingspotentieel wordt verstaan: de gangbare energiebesparende voorzieningen voor het betreffende onderdeel, die het bedrijf nog niet heeft getroffen; een overzicht van energiebesparende maatregelen die in (een gedeelte van) het bedrijf zijn of worden getroffen, en die bijdragen aan een zodanig zuinig gebruik van energie als redelijkerwijs mogelijk is.
6.1.4
De resultaten van het energiebesparingsonderzoek dienen binnen 1 maand na uitvoering aan het bevoegd gezag te worden overgelegd.
6.1.5
Indien uit de resultaten van het energiebesparingsonderzoek blijkt, dat er energiebesparende maatregelen mogelijk zijn, dienen die maatregelen in overleg met het bevoegd gezag te worden uitgevoerd welke een terugverdientijd hebben van minder dan 5 jaar.
7.
Geluid
7.1
Geluidsnormen (vergunning 25 januari 2021)
7.1.1
Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (Lar,LT) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, mag in de representatieve bedrijfssituatie, ter plaatse van de gevel(s) van de woningen van derden, zoals aanwezig op het moment van het van kracht worden van deze vergunning, niet meer bedragen dan: 40 dB(A) op 1,5 m hoogte in de uren gelegen tussen 07.00 en 19.00 uur; 35 dB(A) op 5 m hoogte in de uren gelegen tussen 19.00 en 23.00 uur; 30 dB(A) op 5 m hoogte in de uren gelegen tussen 23.00 en 07.00 uur.
7.1.2.
Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT), veroorzaakt door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, bedraagt in de incidentele bedrijfssituatie Pag. 41/52
(representatieve bedrijfssituatie inclusief de hoofdafvoer van pluimvee (wegladen van vleeskuikens na 6 weken met aansluitend de afvoer van mest)), op de gevels van de in de hierna volgende tabel vermelde woningen, zoals aanwezig op het moment van het kracht worden van deze vergunning, niet meer dan: Woning 07.00 uur tot 19.00 uur 19.00 tot 23.00 uur** Margarethaweg 2 40 dB(A) 35 dB(A) Margarethaweg 4 40 dB(A) 37 dB(A) * Reken- en beoordelingshoogte1,5 meter ** Reken- en beoordelingshoogte 5 meter 7.1.2.a
23.00 tot 07.00 uur** 30 dB(A) 36 dB(A)
Van de in voorschrift 7.1.1 aangegeven geluidniveaus mag, gespreid over een kalenderjaar, gedurende maximaal 6 dagen worden afgeweken voor het wegladen van vleeskuikens in de avond- en nachtperiode met aansluitend de afvoer van mest uit de stallen en het reinigen van de stallen in de dagperiode. Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en/of activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting inclusief het wegladen van vleeskuikens, afvoer van mest en het reinigen van de stallen, bedraagt, op de gevels van de hierna vermelde woningen, niet meer dan:
Margarethaweg 2
Dag 07.00 - 19.00 uur 40 dB(A)
Avond 19.00 - 23.00 uur 35 dB(A)
Nacht 23.00 -07.00 uur 30 dB(A)
Margarethaweg 4
41 dB(A)
39 dB(A)
37 dB(A)
Woning
*Bij de woningen en controlepunten geldt in de dagperiode een beoordelingshoogte van 1,5 meter boven het plaatselijk maaiveld en in de avond- en nachtperiode een beoordelingshoogte van 5,0 meter. 7.1.3
De hoofdafvoer van pluimvee, te weten het wegladen van vleeskuikens na 6 weken met aansluitend de afvoer van mest, mag, gespreid over een kalenderjaar, gedurende maximaal 8 dagen per kalenderjaar voorkomen.
7.1.3.a
Van de dagen waarop vleeskuikens worden weggeladen, mest wordt afgevoerd en stallen worden gereinigd, wordt door de vergunninghouder op een duidelijke manier een registratie bijgehouden en uiterlijk 24 uur van te voren gemeld bij het bevoegd gezag. Deze registratie moet op verzoek worden getoond aan het bevoegd gezag.
7.1.4
De vergunninghouder is verplicht per keer de aanvang van de hoofdafvoer van pluimvee (wegladen van vleeskuikens na 6 weken met aansluitend de afvoer van mest) uiterlijk 24 uur van te voren te melden bij het bevoegd gezag. Tevens dient het optreden van de hoofdafvoer van pluimvee per keer te worden bijgehouden in een logboek.
7.1.5
Het maximale geluidniveau (LAmax = Li - Cm), veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, bedraagt, ter plaatse van de gevel(s) van de woningen van derden, zoals aanwezig op het moment van het van kracht worden van deze vergunning, niet meer dan: 55 dB(A) op 1,5 m hoogte in de uren gelegen tussen 07.00 en 19.00 uur; 55 dB(A) op 5,0 meter hoogte in de uren gelegen tussen 19.00 en 23.00 uur; 55 dB(A) op 5,0 meter hoogte in de uren gelegen tussen 23.00 en 07.00 uur.
Pag. 42/52
7.1.5.a
Maximale geluidniveaus (LAmax = Li-Cm), gemeten in de meterstand 'fast', veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, alsmede door binnen de inrichting uitgevoerde werkzaamheden zijn op de gevels van ten tijde van het van kracht worden van de vergunning aanwezige woningen niet hoger dan: 60 dB(A) op 1,5 meter hoogte in de periode tussen 07.00 en 19.00 uur; 60 dB(A) op 5,0 meter hoogte in de periode tussen 19.00 en 23.00 uur; 60 dB(A) op 5,0 meter hoogte in de periode tussen 23.00 en 07.00 uur.
7.1.6
Binnen zes maanden nadat de vergunning in werking is getreden en de inrichting volledig in werking is gebracht conform de aanvraag, moet door middel van een akoestisch onderzoek (controlerapportage) aan het bevoegd gezag worden aangetoond dat aan de geluidsvoorschriften van deze vergunning wordt voldaan. De resultaten van dit akoestisch onderzoek moeten binnen deze termijn schriftelijk aan het bevoegd gezag worden gerapporteerd. Het bevoegd gezag moet vooraf geïnformeerd worden over datum en tijdstip waarop de geluidmetingen voor bovengenoemde rapportage plaatsvinden. Aan de opzet van het onderzoek kan het bevoegd gezag nadere eisen stellen in verband met mogelijke specifieke omstandigheden.
7.1.7
Het maximale geluidniveau (LAmax) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, en door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten in de representatieve bedrijfssituatie, mag ter plaatse van de gevel van woningen van derden niet meer bedragen dan: 70 dB(A) op 1,5 m hoogte in de uren gelegen tussen 07.00 en 19.00 uur; 65 dB(A) op 5 m hoogte in de uren gelegen tussen 19.00 en 23.00 uur; 60 dB(A) op 5 m hoogte in de uren gelegen tussen 23.00 en 07.00 uur.
7.1.8
Meting en beoordeling van de in de voorschriften opgenomen geluidniveaus geschiedt volgens de "Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai", uitgave 1999.
7.2
Transport laden en lossen
7.2.1
Het in deze vergunning met betrekking tot het maximale geluidsniveau gestelde is niet van toepassing op transportbewegingen en het laden of het lossen ten behoeve van de inrichting voor zover dit plaatsvindt in de tijden en frequenties genoemd in bij de beschikking behorende aanvraag. Toelichting: Onder laad- en losactiviteiten worden ook aanverwante activiteiten verstaan zoals het op en van het terrein van de inrichting rijden, het slaan van autoportieren, het starten en wegrijden van de voertuigen. Het rijden van interne transportmiddelen, zoals vorkheftrucks, met als doel op- en overslag van goederen wordt niet gerekend onder laad- en losactiviteiten.
7.2.2
Verbrandingsmotoren van voertuigen moeten zijn voorzien van doelmatige en in goede staat van onderhoud verkerende geluiddempers.
7.2.3
Het warmdraaien van motoren van vrachtwagens op het terrein van de inrichting mag uitsluitend ten doel hebben het leveren van remlucht en mag niet eerder beginnen dan vijf minuten voor het vertrek van de auto.
7.2.4
Motoren van bevoorradingsvoertuigen mogen alleen in werking zijn, wanneer dit voor het transport, koelen en het laden of lossen strikt noodzakelijk is.
7.2.5
Het laden en lossen van goederen mag uitsluitend plaatsvinden op het terrein van de inrichting.
7.2.6
Tijdens het verladen van vleeskuikens: Pag. 43/52
Mogen gedurende de avondperiode geen 'extra' ventilatoren onder de deur in de kopgevel in werking zijn; Mogen geen tractorbewegingen in de avondperiode op het bedrijfsterrein plaatsvinden; Mag de vrachtauto (kuikenslachterij) niet stationair draaien ((met uitzondering van noodzakelijk draaien ten behoeve van remlucht); Moet 'rustig' en 'beheerst' met de Morrett-Kooi vorkheftruck worden gereden; Mag de vrachtauto (kuikenslachterij) niet stationair draaien ((met uitzondering van noodzakelijk draaien ten behoeve van remlucht).
8.
Lucht
8.1
Algemeen
8.1.1
Uitmondingen in de buitenlucht van afvoeren van ventilatiesystemen, luchtbehandelingsinstallaties of afzuigsystemen, ten aanzien waarvan in deze vergunning geen andere voorschriften zijn gesteld, moeten zodanig zijn gesitueerd dat een afdoende verspreiding van de dampen is gewaarborgd, zonder dat hinder buiten de inrichting wordt veroorzaakt.
9.
Electrische installatie
9.1
Algemeen
9.1.1
De elektrische installatie in de inrichting moet voldoen aan NEN 1010.
9.1.2
Voorzieningen moeten zijn getroffen om, bij storingen in de elektrische energievoorzieningen, de installaties veilig in bedrijf te kunnen houden of uit bedrijf te kunnen nemen.
9.1.3
De plaats van de hoofdschakelaar van de elektriciteitsvoorziening moet in onuitwisbaar schrift duidelijk zijn aangegeven op de toegangsdeur of het toegangsluik van de ruimten waarin deze zich bevindt.
10.
Afleverinstallatie voor motorbrandstof
10.1
Algemeen
10.1.1 Binnen een afstand van 2 m van een afleverinstallatie mag geen ander kunstlicht worden gebruikt dan elektrisch licht. 10.1.2 Een afleverinstallatie moet zijn opgesteld op een afstand van ten minste 4 meter van een afwateringssysteem (kolk, lijnafwatering e.d.) of een andere laaggelegen ruimte. Deze afstand geldt niet ten opzichte van afwateringssystemen die zijn aangesloten op een olie-afscheider. 10.1.3 Bij het afleveren van motorbrandstof aan een voertuig mag niet worden gerookt of open vuur aanwezig zijn. Op of nabij een afleverinstallatie moet met betrekking tot dit verbod een veiligheidsteken overeenkomstig NEN 3011 duidelijk zichtbaar zijn aangebracht. 10.1.4 Bij het afleveren van motorbrandstof aan een voertuig mag de motor van het voertuig niet in werking zijn. Op of nabij een afleverinstallatie moet met betrekking tot dit verbod een bord duidelijk zichtbaar zijn aangebracht. 10.1.5 Aflevertoestellen en vulpunten moeten zodanig zijn gelegen dat geen gevaar voor aanrijding noch anderzins gevaar of schade in de omgeving kan ontstaan. 10.2
Handpomp
Pag. 44/52
10.2.1 Een handpomp moet zodanig zijn ingericht, dat slechts gedurende een daartoe strekkende opzettelijke bediening, vloeistof uit de handpomp kan stromen. 10.2.2 Als er geen toezicht wordt gehouden moet een afleverinstallatie zijn afgesloten, zodat onbevoegden de pomp niet in werking kunnen stellen. 10.3
Afleverinstallatie voor motorbrandstof onder toezicht
10.3.1 Een afleverinstallatie voor het afleveren van motorbrandstof onder toezicht moet zijn uitgevoerd en worden gebruikt overeenkomstig hoofdstuk 9.6.1 van POS 28, met uitzondering van het voorschrift 9.6.1.2. 10.3.2 Iedere afleverinstallatie moet zijn voorzien van een schakelaar, waarmee de elektrische installatie van de afleverinstallatie kan worden uitgeschakeld. Bij deze schakelaar moeten de schakelstanden duidelijk zijn aangegeven. Tevens moet op of in een afleverinstallatie een schakelaar zijn aangebracht voor het in- en uitschakelen van de elektromotor van de pomp. 10.3.3 Als er geen toezicht wordt gehouden moet een afleverinstallatie zijn afgesloten, zodat onbevoegden de pomp niet in werking kunnen stellen. 10.3.4 Tijdens het afleveren van motorbrandstoffen moet een ter zake kundige persoon in de inrichting aanwezig zijn, die in het geval van calamiteiten handelend kan optreden. 10.3.5 De greep van een vulpistool van een voor het publiek toegankelijke afleverinstallatie mag niet vastgezet kunnen worden. Een vulpistool van een "high speed" diesel afleverinstallatie (afleverdebiet meer dan 60 liter/min) die bijvoorbeeld is bestemd voor de aflevering aan vrachtwagens en autobussen, mag echter wel worden vastgezet met bijvoorbeeld een vastzetinrichting. 10.3.6 Een afleverinstallatie moet tijdens bedrijf dusdanig zijn verlicht dat voldoende overzicht is gewaarborgd.
10.3.7 De afleverslang moet zijn voorzien van een vulpistool met een automatische afslagkraan. Ook als een handpomp wordt gebruikt moet het vulpistool van een automatische afslag zijn voorzien. Indien het vulpistool buiten gebruik niet hoger is opgehangen dan het hoogste vloeistofniveau in de tank, moet een hevelbreker in de afleverleiding zijn aangebracht. Het vulpistool moet goed weggehangen kunnen worden. 10.3.8 Ter plaatse van het afleverpunt moet de opstelplaats van de voertuigen over een oppervlakte van ten minste 3 X 5 meter zijn voorzien van een aaneengesloten verharding (bijvoorbeeld stelconplaten of aaneengesloten bestrating), waarmee gedurende beperkte tijd het doordringen van gemorst product in de bodem wordt verhinderd. Gemorst product moet met behulp van absorptiemateriaal zo spoedig mogelijk worden verwijderd, tenzij de verharding vloeistofdicht is uitgevoerd en een voorziening is getroffen waarbij het hemelwater via een een olieafscheider wordt afgevoerd. In de nabijheid van het afleverpunt moet een daarop afgestemde hoeveelheid absorptiemateriaal in voorraad worden gehouden. 11.
Het houden van dieren
11.1
Algemeen
11.1.1 In de inrichting mogen ten hoogste de volgende aantallen dieren aanwezig zijn: 45.000 stuks vleeskuikens met een emissiearm systeem (diercategorie E 5.10). Toelichting: De genoemde diercategorieën en bijbehorende huisvestingssystemen komen overeen met de Regeling ammoniak en veehouderij (1 mei 2002, Stcrt. 82, laatstelijk gewijzigd october 2011, Stcrt. 18726)
Pag. 45/52
11.1.2 Van de eisen, die in enig voorschrift zijn gesteld, mag niet worden afgeweken tenzij een alternatieve voorziening wordt toegepast, die tenminste even doelmatig en milieuhygiënisch verantwoord is. Een alternatieve voorziening moet worden goedgekeurd door het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen aan een alternatieve voorziening. 11.1.3 Dierlijk afval mag niet op het terrein van de inrichting worden begraven. Het afval moet zo spoedig mogelijk, volgens de bij of krachtens de Destructiewet gestelde regels, uit de inrichting worden verwijderd. Het bewaren van dierlijk afval, in afwachting van afvoer naar een destructiebedrijf, moet zodanig geschieden dat geen geurhinder optreedt, het aantrekken van ongedierte wordt voorkomen en geen vermenging met ander afval of materiaal optreedt. Verder mag het dierlijk afval geen visuele hinder veroorzaken. 11.1.4 Op het terrein van de inrichting mag geen mest worden verbrand. 11.1.5 Het aantrekken van insecten, knaagdieren en ongedierte moet worden voorkomen. Zo vaak de omstandigheden daartoe aanleiding geven, moet doelmatige bestrijding van insecten, knaagdieren en ander ongedierte plaatsvinden. 11.1.6 Ramen en deuren van stallen moeten gesloten worden gehouden voor zover ze geen functie hebben voor luchtinlaat of het doorlaten van personen, dieren, vaste mest of goederen. 11.2
Behandeling en bewaring vaste mest
11.2.1 Vaste mest, compost en organisch afval moeten zijn opgeslagen op een mestdichte mestplaat, die is voorzien van een opstaande rand of een gelijkwaardige voorziening. 11.2.2 Uitzakkend vocht en verontreinigd regenwater mogen niet op of in de bodem terechtkomen. Dit vocht moet door middel van een gesloten, mestdichte riolering worden afgevoerd naar een mestdichte opslagruimte. 11.2.3 Transport van vaste mest moet geschieden in daarvoor geschikte transportmiddelen die op correcte wijze moeten zijn beladen. 11.3
Bewaren van nitraathoudende kunstmest
11.3.1 Binnen 10 m van nitraathoudende kunstmeststoffen mogen zich geen K1-of K2vloeistoffen bevinden en binnen 5 m geen K3-vloeistoffen. 11.3.1.a De opslag van nitraathoudende kunstmeststoffen in de buitenlucht is niet ongecontroleerd toegankelijk voor onbevoegden. 11.3.1.b Nitraathoudende kunstmeststoffen mogen niet in een stookruimte of in een opstellingsruimte van een stookinstallatie worden bewaard. 11.3.1.c Binnen 10 m van nitraathoudende kunstmeststoffen mogen zich geen vloeistoffen volgens ADR-klasse 1 en ADR-klasse 2 bevinden en binnen 5 m geen vloeistoffen volgens ADR-klasse 3 en ADR-klasse 4. 11.4
Opslag van veevoeder in een silo
11.4.1 Het pneumatisch of mechanisch vullen van silo's is verboden tussen 19.00 uur en 07.00 uur, alsmede op zondagen en algemeen erkende feestdagen. 11.4.2 Iedere silo alsmede zijn ondersteunende constructie, moet zodanig zijn geconstrueerd dat alle bij normaal gebruik optredende krachten veilig en zonder blijvende of ontoelaatbare vervorming kunnen worden opgenomen. De silo moet stabiel staan opgesteld op een vvoldoende draagkrachtige fundering.
Pag. 46/52
11.4.3 Hinderlijke stofverspreiding bij het vullen van silo's moet worden voorkomen door het opvangen van het via ontluchting ontwijkende stof. 11.5
Kadaveraanbiedvoorziening/kadaverkoeling
11.5.1 Kadavers moeten worden aangeboden aan de destructor op de kadaverplaats of in een vloeistofdichte mobiele kadaverbak of een kadaverton. 11.5.2 Het reinigen en ontsmetten van de kadaverkap of kadaverton moet plaatsvinden boven een kadaverplaats. Indien de kadavers aan de destructor worden aangeboden op de mobiele kadaverbak of in een kadaverton moeten deze worden gereinigd en ontsmet op een reinigings- en ontsmettingsplaats voor veewagens elders binnen de inrichting. 11.5.3 Behalve tijdens het ledigen moet de kadaveraanbiedvoorziening door middel van een verzwaard en goed sluitend deksel of daaraan gelijkwaardige voorziening gesloten worden gehouden. 11.5.4 Een mobiele kadaveraanbiedingsvoorziening (kadaverton) moet zodanig zijn geconstrueerd dat deze op een doelmatige wijze kan worden vervoerd zodat iedere mogelijkheid tot verspreiding van smetstof en afvalwater naar de omgeving in alle redelijkheid is uitgesloten. 11.5.5 Een kadaverplaats danwel een mobiele kadaverbak of kadaverton, moet vloeistofdicht zijn en moet bestand zijn tegen de inwerking van het toe te passen reinigings- of ontsmettingsmiddel.
11.5.6 Een kadaverplaats moet afwaterend zijn gelegd naar één punt, zodat het spoel- en ontsmettingswater via leidingen kan afwateren naar een, niet van een overstort voorziene opslagruimte, dan wel rechtstreeks naar de dichtstbijzijnde en binnen de inrichting gelegen mestkelder. 11.5.7 Een mobiele kadaverbak moet zijn voorzien van een opvangbak zodat uittredend vocht de omgeving niet kan verontreinigen. Het ledigen van de opvangbak mag alleen boven de reinigings- en ontsmettingsplaats voor veewagens of een mestkelder. 12.
Vleeskuikenstal BWL 2009.14.v2
12.1.1 Stal 2 moet met het systeem stal met verwarmingssysteem met warmteheaters en ventilatoren zijn uitgevoerd (nummer BWL 2009.14.V2). De stal moet overeenkomstig de bij de vergunning behorende tekening(en) en bijlage(n) worden uitgevoerd, tenzij anders in de voorschriften staat aangegeven. 12.1.2 Alle maatregelen en voorzieningen die een doelmatige werking van het Huisvestingssysteem waarborgen moeten worden getroffen. Het gaat hier tenminste om de maatregelen en voorzieningen die zijn genoemd in de bij dit huisvestingssysteem behorende systeembeschrijving. Dit betreft de beschrijving met het nummer BWL 2009.14.V2 van december 2010. 12.1.3 Het beluchtings- en verwarmingssysteem, met de daarbij behorende onderdelen en leidingen, moet zodanig worden gedimensioneerd en onderhouden dat altijd een goede werking is gewaarborgd. 12.1.4 Lekkende drinknippels moeten direct worden gerepareerd. 13.
Opslag aardolieprod. in een bovengrondse tank
13.1
Algemeen
13.1.1 In de inrichting moeten vloeibare (aardolie)producten met een vlampunt dat hoger ligt dan 55°C, zoals bijvoorbeeld dieselolie, worden opgeslagen in uitsluitend hiertoe bestemde bovengrondse tanks. Pag. 47/52
13.2
Constructie, installatie, gebruik, inspectie en onderhoud
13.2.1 Een tank, opvangvoorziening, leidingen en appendages moeten voldoen aan PGS 30, van welke richtlijn de artikelen 4.1.2, 4.1.5, 4.2.6, 4.2.10 en 4.3.1 niet van toepassing zijn op eenbovengrondse tank die is opgericht voor 1 oktober 2000. 13.2.2 Daar waar in PGS 30 is bepaald dat door of namens KIWA beproevingen en keuringen worden uitgevoerd of certificaten, bewijzen, keuren en dergelijke aan het bevoegde gezag worden overgelegd, moeten mede zijn begrepen andere door de Raad voor de Accreditatie erkende certificerings-instellingen. 13.2.3 Binnen de inrichting dient een exemplaar van de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen PGS 30 "Vloeibare aardolieproducten; Buitenopslag in kleine installaties" aanwezig te zijn. 13.3. Registratie en bewaring van documenten 13.3.1 Van een tank, opvangvoorziening, leidingen en appendages moet een registratie zijn bijgehouden van: de wijze van elke beproeving, meting of inwendige inspectie; de bevindingen van alle keuringen, inspecties, beproevingen en controles.
13.3.2 Voorzover zij voor een tank, opvangvoorziening, leidingen en appendages zijn afgegeven, dan wel zijn voorgeschreven, moeten de onderstaande registraties, documenten of een kopie daarvan, gedurende ten minste vijf jaar na dagtekening in een logboek of kaartsysteem zijn bewaard: onderhoudscontracten; certificaten van leidingen en appendages; installatiecertificaten en bewijzen; bodemweerstandsrapport en KB-controlerapporten; certificaten, bewijzen en verklaringen van onderhoud, (periodieke) inspecties, beproevingen, controles en keuringen. 14.
Opslag van vloeistoffen in emballage
14.1
Algemeen
14.1.1 Voor de bodem schadelijke vloeistoffen moeten worden bewaard in goed gesloten emballage. 14.1.2 Lege, niet gereinigde emballage moet worden behandeld als volle. 14.1.3 De emballage moet zijn opgeslagen in een vloeistofdichte lekbak. De inhoud van de lekbak moet ten minste gelijk zijn aan de inhoud van de grootste in de lekbak opgeslagen emballage, vermeerderd met 10% van de overige emballage. De lekbak moet bestand zijn tegen de inwerking van de opgeslagen vloeistoffen. Toelichting: Een lekbak kan onder meer worden gevormd door een vloeistofdichte vloer met opstaande randen. Het is mogelijk om emballage met brandbare vloeistoffen in een lekbak op te slaan die reeds voor andere opslagen van (licht) ontvlambare of brandbare vloeistoffen is gerealiseerd, zoals bijvoorbeeld de lekbak van een dieselolietank. Voorwaarde hiervoor is dat de stoffen die bij elkaar worden opgeslagen geen gevaarlijke chemische reacties kunnen veroorzaken als zij met elkaar in aanraking komen. 14.1.4 In de inrichting moet nabij de opslag van vloeistoffen in emballage, voor de aard van de opgeslagen stoffen geschikt materiaal aanwezig zijn om gemorste of gelekte stoffen te neutraliseren, indien nodig te absorberen en op te nemen. Gemorste vloeistoffen moeten zonodig worden geneutraliseerd. Zij moeten onmiddellijk worden opgenomen en behandeld als omschreven onder het hoofdstuk Pag. 48/52
gevaarlijke stoffen. De opgenomen gemorste (vloei)stof moet worden opgeslagen in daarvoor bestemde, voor de aard van de stof geschikte, gesloten emballage. Toelichting: Als absorberend materiaal kan worden gebruikt perlite of vermiculite. 14.1.1a De opslag van verpakte gevaarlijke stoffen die vallen onder de ADR-klassen zoals genoemd in de richtlijn PGS15 “Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen” (Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15:2016 versie 1.0 (september 2016)) moet in de speciaal daarvoor bestemde ruimten plaatsvinden en moet voldoen aan de voorschriften: 3.1.1 t/m 3.1.5 3.2.1 t/m 3.2.13 3.3.1 t/m 3.3.4 3.4.1 t/m 3.4.11 3.5.1 t/m 3.5.3 3.6.1 3.7.1 t/m 3.7.8 3.10.1 3.11.1 t/m 3.11.3 3.12.1 3.13.1 t/m 3.13.3 3.14.1 en 3.14.2 3.15.1 en 3.15.2 3.16.1 3.17.1 t/m 3.17.3 3.18.1 3.19.1 en 3.19.2 14.1.1b
14.2.
De opslag van gasflessen (ADR klasse 2) moet in de speciaal daarvoor bestemde ruimte plaatsvinden en moet voldoen aan de voorschriften 6.1.2, 6.1.3 van de paragrafen 6.2 en 6.3 van de richtlijn PGS 15 "Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen” (Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15:2016 versie 1.0 (september 2016)). Bestrijdingsmiddelen
14.2.1 Tengevolge van het opslaan en het aanmaken van bestrijdingsmiddelen mogen geen bestrijdingsmiddelen terecht kunnen komen in de bodem, in het openbaar riool, in het oppervlaktewater of in een afvoerput, -goot of -leiding, die aansluiting geeft op het openbaar riool, op een septictank, op de openbare weg of op het oppervlaktewater. 14.2.2 De verpakking van bestrijdingsmiddelen moet zodanig zijn dat: niets van de inhoud uit de verpakking kan ontsnappen; het materiaal van de verpakking niet door de erin opgeslagen bestrijdingsmiddelen kan worden aangetast. 14.2.3 De bestrijdingsmiddelen moeten in een bestrijdingsmiddelenkast worden opgeslagen.
uitsluitend
daartoe
bestemde
14.2.4 De toegang tot de bestrijdingsmiddelenkast moet, buiten de tijd dat hier door een bevoegd persoon bestrijdingsmiddelen worden ingezet of uitgehaald, met een deugdelijk slot zodanig zijn afgesloten, dat deze door onbevoegden niet kan worden geopend. 14.2.5 Bij de opslag moet met duidelijk leesbare letters de opschriften "BESTRIJDINGSMIDDELEN" en "VUUR EN ROKEN VERBODEN" zijn aangebracht of, voor wat betreft het opschrift "VUUR EN ROKEN VERBODEN", een overeenkomstig genormaliseerd veiligheidsteken volgens NEN 3011, alsmede een afbeelding van een doodshoofd van ten minste 60 mm hoogte.
Pag. 49/52
14.2.6 De bewaarplaats moet doelmatig zijn geventileerd. 14.2.7 Bestrijdingsmiddelen moeten droog, koel en buiten de invloed van zonnestralingen worden opgeslagen. De in voorraad gehouden bestrijdingsmiddelen moeten in de oorspronkelijke verpakking worden bewaard. 14.2.8 Onderlinge vermenging van de bestrijdingsmiddelen en beschadigingen van de verpakkingen moeten worden voorkomen. 14.2.9 Stellingen moeten van een deugdelijke constructie zijn en zodanig zijn bemeten dat het plaatsen en verwijderen van emballage goed en veilig uitvoerbaar is. Toelichting: De bestrijdingsmiddelen moeten bij voorkeur vrij van de vloer zijn opgeslagen op stellingen, schappen of laadborden 14.2.10 Gemorste niet-vloeibare bestrijdingsmiddelen moeten zo snel mogelijk worden aangeharkt of aangeveegd en worden opgeslagen in een daarvoor bestemde container van doelmatig en onbrandbaar materiaal of in daarvoor bestemde doelmatige emballage. Gemorste vloeibare en opgenomen niet-vloeibare bestrijdingsmiddelen moeten direct in een speciaal daartoe bestemd vat worden gebracht. Hiertoe moeten voldoende materialen, absorberende en neutraliserende middelen, voor onmiddellijk gebruik gereed, aanwezig zijn. 15.
Transportmiddelen
15.1
Algemeen
15.1.1 De verbrandingsmotor van een transportmiddel moet zodanig zijn afgesteld dat de uitlaatgassen nagenoeg roet- en rookloos zijn. 15.1.2 De verbrandingsmotor van een transportmiddel moet zijn voorzien van een doelmatige geluiddemper in de uitlaat, en mag alleen in werking zijn voor zover dit voor het laden, het lossen en het rijden noodzakelijk is. 15.1.3 Het bijvullen van een brandstofreservoir van een transportmiddel mag uitsluitend in de buitenlucht plaatsvinden. 15.1.4 Buiten werktijd moet(en) de transportmiddel(en) worden gestald op een vaste plaats binnen de inrichting. 16.
Lassen
16.1
Algemeen
16.1.1 De emissie van lasrook en de daarin aanwezige componenten moet worden verminderd door optimalisatie van procescondities en toevoegmateriaal: lassen met een rustige boog; lassen met een zo kort mogelijke boogafstand; toepassing van wisselstroom; toepassing van een pulserende stroom; gebruik van toevoegmateriaal met een lagere milieubelasting; gebruik van elektroden waarbij de zware metalen in de draad in plaats van in de mantel of vulling zijn opgenomen. 16.1.2 Ter beperking van bodemverontreiniging moet de ruimte waarin wordt gelast, voorzien zijn van een verharde vloer. 16.1.3 Laskabelisolaties moeten regelmatig, doch ten minste eenmaal per maand worden gecontroleerd op slijtage. Defecte laskabels moeten worden vervangen of worden gerepareerd.
Pag. 50/52
16.1.4 Ter voorkoming van lichthinder buiten de inrichting moet de plaats waar laswerkzaamheden plaatsvinden, worden afgeschermd met bijvoorbeeld schotten, schermen of gordijnen. 16.1.5 Binnen een straal van 10 m van las- en snijwerkzaamheden mogen zich geen licht ontvlambare (vloei)stoffen of brandgevaarlijke stoffen bevinden. 17.
Machineberging
17.1.1 Oliën, vetten of water mogen niet van de vloer van een ruimte waar herstelwerkzaamheden worden uitgevoerd naar buiten worden geschrobd of gespoten. De vloer mag niet afwaterend naar een uitgang zijn gelegd. 17.1.2 Het is verboden in de inrichting: werkzaamheden te verrichten, waarbij vuur wordt gebruikt aan of in de onmiddellijke nabijheid van een brandstofreservoir en andere delen van een motorvoertuig of werktuig, die brandstof bevatten of kunnen bevatten; motorvoertuigen, werktuigen of onderdelen schoon te branden; motorvoertuigen of werktuigen te pletten of te stapelen; buiten het bebouwde deel herstelwerkzaamheden uit te voeren; uitdeukwerkzaam heden te verrichten; motorvoertuigen, werktuigen of onderdelen te verven, te lakken of te plamuren met behulp van een verfspuit; afvalstoffen zoals gebruikte poetsdoeken en lege verfblikken anders te bewaren dan in gesloten bussen, vaten of bakken van onbrandbaar materiaal. 17.1.3 In een ruimte waar herstelwerkzaamheden worden uitgevoerd alsmede in enig ander gebouw van de inrichting mogen geen brandstofreservoirs van motorvoertuigen of werktuigen worden bijgevuld.
17.1.4 In een ruimte waar herstelwerkzaamheden worden uitgevoerd alsmede in enig ander gebouw van de inrichting mogen geen tankwagens aanwezig zijn, bestemd voor het vervoer van gevaarlijke stoffen genoemd in het VLG, tenzij de tank door een door het bevoegd gezag aanvaarde deskundige gasvrij is gemaakt en hiervan een bewijs aanwezig is. 17.1.5 In een ruimte waar herstelwerkzaamheden worden uitgevoerd of motorvoertuigen en/of werktuigen worden gestald, mag niet worden gerookt en mag geen open vuur aanwezig zijn, anders dan voor het verrichten van las- en slijpwerkzaam heden. 18.
Opslaan van propaan in bovengrondse reservoir van 19 m3
18.1
Constructie van het reservoir en toebehoren, alsmede van verdampers en leidingen
18.1.1 Een reservoir en toebehoren, waarvan de eerste keuring heeft plaatsgevonden ná 1 januari 1990, moet zijn uitgevoerd overeenkomstig PGS 21, hoofdstuk 7.3 en 7.7. 18.1.2 Een reservoir en toebehoren, waarvan de eerste keuring heeft plaatsgevonden vóór 1 januari 1990, moet zijn uitgevoerd overeenkomstig PGS 21, hoofdstuk 7.4 en 7.8. 18.1.3 Verdampers en toebehoren moeten zijn uitgevoerd overeenkomstig PGS 21, hoofdstuk 7.9. 18.1.4 Leidingen en toebehoren moeten zijn uitgevoerd overeenkomstig PGS 21, hoofdstuk 7.10. 19.
Noodstroomaggregaat
19.1
Algemeen
Pag. 51/52
19.1.1 Een noodstroomaggregaat met uitlaatdempersysteem moet zodanig zijn opgesteld dat geen gevaar voor brand bestaat. 19.1.2 Een noodstroomaggregaat, met bijbehorende brandstoftank, moet op doelmatige wijze tegen mechanische beschadiging en handelingen van onbevoegden zijn beschermd. 19.1.3 De uitmonding van de afvoerleiding voor verbrandingsgassen moet zodanig zijn gesitueerd dat een afdoende verspreiding van deze gassen in de buitenlucht is gewaarborgd en schadelijke immissies worden voorkomen. 19.1.4 Onder het noodstroomaggregaat moet een lekbak aanwezig zijn, die de inhoud van het smeeroliesysteem en de voorraad aan dieselolie in de dagtank van het aggregaat kan bevatten. 20.
Verwarming
20.1
Algemeen
20.1.1 Stook- en verwarmingstoestellen moeten zodanig zijn afgesteld dat een zo optimaal mogelijke verbranding plaatsvindt. 20.1.2 Een verbrandingsgasafvoersysteem moet zodanig zijn uitgevoerd, dat dit goed kan worden gereinigd. Tevens moeten voorzieningen zijn getroffen dat roet, vuil en condenswater zich niet zodanig kunnen ophopen dat daardoor de goede werking van het verbrandingsgasafvoersysteem kan worden verstoord. 20.1.3 Aan een stook- of verwarmingsinstallatie en een verbrandingsgasafvoersysteem moet ten minste eenmaal per jaar onderhoud worden verricht. 20.2
Butaan/propaan
20.2.1 Een stookinstallatie en eventueel verbrandingsgasafvoersysteem moet zijn uitgevoerd en opgesteld overeenkomstig het gestelde in NEN 3028. 20.2.2 Een installatie voor butaan of propaan moet voldoen aan NEN 1078.
Pag. 52/52