07 (omgevingsvergunning).doc
Tekst van het document
Aan De heer D.P.J. Temmerman Margarethaweg 1 4501 NK Oostburg
ons kenmerk uw brief d.d. uw kenmerk behandeld door doorkiesnummer onderwerp bijlage(n)
: : : : : : :
22.-ED-U202129 december 2021 (datum ontvangst aanvraag) L. de Rooij 0117-457000 Omgevingsvergunning Diversen
Oostburg, Verzending
Geachte heer Temmerman, Op 29 december 2021 hebben wij uw aanvraag voor een omgevingsvergunning ontvangen voor de volgende activiteiten: Activiteit Bouw realiseren overdekte uitloop -
Activiteit afwijking bestemmingsplan Activiteit Milieu
bouwen buiten het bouwvlak inrichting wijzigen
De aanvraag gaat over Margarethaweg 1 te Oostburg. Uw aanvraag is geregistreerd onder nummer UV-2022217. In deze brief informeren wij u over de beslissing die wij op deze aanvraag hebben genomen. Verlenen omgevingsvergunning Wij hebben, gelet op artikel 2.1, 2.10, 2.12 en 2.14 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, besloten de omgevingsvergunning te verlenen. De besluitvormingsprocedure is uitgevoerd overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.7 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Wij hebben de aanvraag voor de activiteit bouw getoetst aan artikel 2.10, de activiteit afwijken bestemmingsplan getoetst aan artikel 2.12 en de activiteit milieu getoetst aan 2.14 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en tevens aan het Besluit omgevingsrecht en de Ministeriele regeling omgevingsrecht. Gebleken is dat uw aanvraag voldoet en daarom verlenen wij u de gevraagde omgevingsvergunning. Zienswijzen Wij hebben de aanvraag en de ontwerpbeschikking met bijbehorende stukken overeenkomstig de Algemene wet bestuursrecht met ingang van 16 februari 2023 gedurende zes weken ter inzage gelegd. Tijdens die periode zijn een tweetal zienswijzen ingekomen. De ingediende zienswijze heeft niet geleid tot aanpassingen aan de omgevingsvergunning en de ruimtelijke motivering behorende bij de omgevingsvergunning.
Voor de beantwoording van de zienswijzen wordt verwezen naar de bijlage Notitie zienswijzen behorende bij de omgevingsvergunning.
Voorschriften Pag. 1/52
Aan de vergunning verbinden wij voorschriften. Op grond van artikel 2.31, tweede lid, onder b van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht zijn de voorschriften die doorgestreept zijn van de omgevingsvergunning met kenmerk PZ-U2013-20016 van 17 december 2013 en de omgevingsvergunning met kenmerk UV2019340 van 25 januari 2021 voor het aspect geluid, worden ingetrokken of van rechtswege vervallen en dat de voorschriften die vet zijn gedrukt in hoofdstuk 1 van dit advies worden toegevoegd aan de genoemde vergunning. De wijzigingen zijn is onderstaande tabel weergegeven.
Van rechtswege vervallen voorschriften uit de revisie vergunning van 17 december 2013 (is geregeld in het Activiteitenbesluit) voorschriften 3.1.2 t/m 3.2.1 (Afvalwater)
Ingetrokken voorschriften van de revisievergunning van 17 december 2013 en 25 januari 2021.
Aanvullend voorschriften opgenomen aan de aangevraagde vergunning
Voorschrift 2.1.4 (Afvalstoffen)
Maatwerkvoorschrift (Lozen afvalwater met gewasbeschermingsmiddelen Voorschrift 3.3.1 (Afvalwater) Voorschrift 7.1.2a. 7.1.3a , 7.1.5a en 7.1.6 Voorschrift 11.3.1a t/m 11.3.1c (Bewaren van nitraat houdende kunstmest) Voorschrift 14.1.1a en 14.1.1.( Opslag van vloeistoffen in emballage
t/m
2.1.5
Voorschrift 3.2.2 (Afvalwater) voorschriften (Bodem)
4.1.1
t/m
4.1.8
voorschriften 10.1.1 t/m 10.3.8 (afleverinstallatie voor motorbrandstof) voorschriften 11.2.1 t/m 11.4.3 (Het houden van dieren)
voorschrift 5.1.1 (Brandveiligheid)
t/m
5.3.2
Voorschrift 7.1.1 t/m 7.1.5 en 7.1.7(Geluid) (vergunningsvoorschriften uit 25-12021) voorschriften 9.1.1 t/m 9.1.3 (Elektrische installatie)
Voorschriften 11.5.1 t/m 11.5.7 (Kadaveraanbiedvoorziening/kada verkoeling)
Voorschriften 14.1.1.a t/m 14.1.b (Opslag van vloeistoffen in emballage)
voorschriften 12.1.1 t/m 12.1.4 (Vleeskuikenstal BWL 2009.14.V2)
Voorschriften 14.2.1 t/m 14.2.10 (Bestrijdingsmiddelen)
voorschriften 13.1.1 t/m 13.3.2 (Opslag aardolieprod. in een bovengrondse tank)
Voorschriften 15.1.1 t/m 15.1.4 (Transportmiddelen)
Voorschriften 18.1.1 t/m 18.1.4 (Opslaan van propaan in bovengrondse reservoir van 19 m3) voorschriften 19.1.1 t/m 19.1.4 (Noodstroomaggregaat) voorschriften 20.1.1 t/m 20.2.2 (Verwarming) Voorschriften 16.1.1 t/m 16.1.15 (Lassen) Voorschriften 17.1.1 t/m 17.1.5 (Machineberging
Wij raden u aan om de vergunning met de bijbehorende bijlagen zorgvuldig door te nemen. Dit kan veel misverstanden voorkomen. U moet deze voorschriften naleven. Let op: wij maken u er op attent dat u op eigen risico handelt als u gebruik maakt van deze vergunning voordat deze onherroepelijk is. Bijgevoegde documenten Pag. 2/52
De volgende documenten zenden wij mee met het besluit en hebben wij als gewaarmerkte stukken bijgevoegd: • Overwegingen; • voorschriften; • aanvraagformulier met stempeldatum ontvangst d.d. 29 december 2021; • advies commissie Ruimtelijke Kwaliteit van 27 juli 2022; • tekening activiteit bouwen met stempeldatum ontvangst d.d. 16 augustus 2022; • tekening activiteit milieu met stempeldatum ontvangst d.d. 16 augustus 2022; • ruimtelijke onderbouwing met stempeldatum ontvangst d.d. 16 augustus 2022; • bijlage 1 plattegrondtekening met stempeldatum ontvangst 16 augustus 2022; • bijlage 2 milieuaspecten met stempeldatum ontvangst d.d. 19 mei 2022; • bijlage 3 akoestisch onderzoek met stempeldatum ontvangst d.d. 19 mei 2022; • bijlage 4 landschappelijk inpassingsplan met stempeldatum ontvangst d.d. 29 december 2021; • notitie beantwoording zienswijzen. Beroepsclausule De beschikking treedt in werking na afloop van de termijn voor het indienen van een beroepschrift. Tegen dit besluit kunnen belanghebbenden binnen zes weken na de dag van de bekendmaking daarvan bij de Rechtbank Zeeland-West-Brabant, Team Bestuursrecht, Postbus 90006, 4800 PA Breda een beroepschrift indienen.
Het beroepschrift moet zijn ondertekend en dient ten minste te bevatten: de naam en adres van de indiener, de dagtekening, een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar is gericht en de gronden waarop het beroep rust. Zo mogelijk dient een kopie van het bestreden besluit bijgevoegd te worden. Indien beroep wordt ingesteld kan tevens een voorlopige voorziening worden verzocht bij de voorzieningenrechter van genoemde rechtbank. Een voorlopige voorziening kan door de voorzieningenrechter worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Er wordt een griffierecht geheven. U kunt ook digitaal het beroep- en verzoekschrift indienen bij genoemde rechtbank via http://loket.rechtspraak.nl/bestuursrecht. Daarvoor moet u wel beschikken over een elektronische handtekening (DigiD). Kijk op de genoemde site voor de precieze voorwaarden. Voor meer informatie over de rechtsmiddelen verwijzen wij u naar de brochure “Rechtsmiddelen (bezwaar en beroep) tegen beslissing overheid”. Deze brochure kunt u downloaden van de gemeentelijke webpagina. Betaling leges Overeenkomstig de legesverordening bent u voor het in behandeling nemen van uw aanvraag voor een omgevingsvergunning leges verschuldigd ter hoogte van € 4.190,20. Voor betaling van dit bedrag ontvangt u separaat een gespecificeerde nota.
Bij deze nota vermelden wij op welke wijze u eventueel bezwaar kunt aantekenen tegen de hoogte van het legesbedrag en de gehanteerde grondslagen. Publicatie Wij publiceren het besluit in het Zeeuws-Vlaams Advertentieblad en op de gemeentelijke webpagina. Tevens is het plan digitaal raadpleegbaar via www.ruimtelijkeplannen.nl met planidentificatie: NL.IMRO.1714.ogmargarethaweg1-ON01. Nadere informatie Informatie over het besluit kunt u verkrijgen bij de afdeling Externe Dienstverlening, cluster Vergunningen.
Pag. 3/52
Heien •
Trilling-, en geluidsoverlast: U gaat bouwen in de directe omgeving van bestaande woningen. Daarom wijzen wij u op de regelgeving over trilling-, en geluidsoverlast bij heien (artikel 8.3 en 8.4 van het Bouwbesluit). In onderstaande tabel en verwante artikelen staan de grenswaarden voor geluidsproductie en regels m.b.t. trillingen door bouw-en sloopwerkzaamheden. Deze grenswaarden mogen niet worden overschreden. U dient de productiewaarde van geluid en trilling te vermelden in een bouwveiligheidsplan. Wij adviseren u dringend hiermee rekening te houden bij de keuze van het heisysteem. Doet u dat niet dan loopt u het risico dat de bouw wordt stilgelegd als niet aan de grenswaarden wordt voldaan. Treedt met ons in overleg bij twijfel.
•
Bouwbesluit artikel 8.3 Bouw- of sloopwerkzaamheden die een geluidniveau veroorzaken van ten minste 60 dB(A) op de gevel van een aangrenzende woonfunctie of van een aangrenzende gebruiksfunctie op een ander perceel, worden op werkdagen en zaterdag tussen 7:00 uur en 19:00 uur uitgevoerd. Bij het uitvoeren van die werkzaamheden worden de in tabel 8.3 aangegeven dagwaarden en de bij die dagwaarden aangegeven maximale blootstellingsduur in dagen dat de dagwaarde is bereikt niet overschreden.
•
Tabel 8.3
•
dagwaarde
•
≤ 60 dB(A)
•
maximale blootstellingsduur
•
onbeperkt
•
Bouwbesluit Artikel 8.4.
•
> 60 • dB(A)
> 65 • dB(A)
> 70 • dB(A)
> 75 – ≤ 80 dB(A)
•
50 • dagen
30 • dagen
15 • dagen
5 dagen
Trillingen veroorzaakt door het uitvoeren van bouw- of sloopwerkzaamheden bedragen in geluidsgevoelige ruimten als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder en in verblijfsruimten als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel d, van het Besluit geluidhinder niet meer dan de trillingsterkte, genoemd in tabel 4 van de Meet- en beoordelingsrichtlijn deel B «Hinder voor personen in gebouwen» 2006. Niet gesprongen explosieven Binnen onze gemeente is in de Tweede Wereldoorlog stevig gevochten. Dit betekent dat er in de ondergrond (0 tot circa 10 m diep) niet gesprongen explosieven (NGE) kunnen voorkomen. Bij voorgenomen bouwactiviteiten, waarin niet geroerde grond nu wel wordt geroerd, verdient het aanbeveling vooraf een onderzoek in te stellen naar de aanwezigheid van NGE. Dergelijke onderzoeken moeten op uw kosten worden uitgevoerd door een bedrijf dat daartoe is gecertificeerd. Bij aantreffen van NGE moeten deze ook op uw kosten en door een gecertificeerd bedrijf worden geruimd. U bent niet verplicht een dergelijk onderzoek uit te laten voeren. Echter, vanuit de Arbowetgeving is een opdrachtgever/werkgever verplicht het personeel dat voor hem werkt op een veilige manier zijn/ haar werk te kunnen laten doen. Er zijn binnen onze gemeente bepaalde gebieden aangewezen waarin ten zeerste aanbevolen wordt om een onderzoek te doen naar de risico's van NGE.
U kunt telefonisch informatie aanvragen over de ligging van deze gebieden. Belt u daarvoor naar de gemeente 140117 en vraagt u naar de adviseur openbare orde en veiligheid. Deze kan u meer informatie verschaffen. Pag. 4/52
Indien u besluit om geen onderzoek naar de aanwezigheid van NGE te doen, houdt u er dan rekening mee dat de risico's die de aanwezigheid van NGE met zich brengen, dan voor u en uw eigen rekening zijn. Te denken valt hierbij aan explosiegevaar bij graaf- of heiwerkzaamheden, de schade die ontstaat door het ongewenst exploderen van de NGE en het stilleggen van de werkzaamheden door de arbeidsinspectie etc. Archeologisch onderzoek Als op de locatie geen archeologisch vooronderzoek is uitgevoerd, is het niet bekend of zich in de bodem archeologische resten bevinden, zoals oud muurwerk, grondsporen, houten constructies, beerputten en vondsten van aardewerk, metaal en organische materialen. Indien tijdens het werk archeologische resten worden aangetroffen dient dit, volgens artikel 5.10 van de Erfgoedwet, direct te worden gemeld aan Edufact Advies in Erfgoed, Postbus 331, 4330 AH Middelburg (0118-856040). Vloerpeil U draagt zorg voor het correct aansluiten van de vloerpeilen van het bouwwerk op het straatpeil van de bestaande verhardingen. Indien het straatpeil van de bestaande verhardingen aangepast moet worden, neemt u vooraf contact op met de afdeling Beheer van de gemeente Sluis over de mogelijkheden. De kosten voor het aanpassen van de bestaande verhardingen in de openbare ruimte zijn voor uw rekening.
Kabels en leidingen Met betrekking tot de eventueel in het plangebied aanwezige elektriciteits- en telecom- en datakabels alsmede gas- en waterleidingen, wijzen wij u er op dat: • de ongestoorde ligging van de kabels en leidingen niet in het geding mag komen; de kabels en leidingen te allen tijde vrij toegankelijk dienen te blijven teneinde het beheer en onderhoud uit te kunnen voeren; • voor graafwerkzaamheden de ‘richtlijn zorgvuldig grondroeren’ (CROW 500) moet worden gevolgd. Onderdeel hiervan is het indienen van een graafmelding (Klic). Meer informatie over het indienen van een graafmelding kunt u vinden op www.kadaster.nl. Tevens dient u zich aan de overige bepalingen uit de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse en bovengrondse netten en netwerken (Wibon) te houden; • rekening gehouden moet worden met de transportroutes van zwaar materieel, daar grote druk op de ondergrond schade aan kabels en/of leidingen kan veroorzaken. Neem bij twijfel contact op met de netbeheerder. Gebruik gemeentegrond Voor het gebruik van gemeentegrond voor de opslag van materialen en het plaatsen van een steiger of schutting is toestemming vereist van de gemeente. De daarvoor benodigde formulieren kunt u vinden op de gemeentelijke website www.gemeentesluis.nl, bij het product 'gemeentegrond gebruiken'. Voor het gebruik van gemeentegrond is precariobelasting verschuldigd.
Meer informatie over de precariobelasting kunt u vinden via www.sabewazeeland.nl. Vooropname openbare ruimte Voordat u start met de uw werkzaamheden, dient u contact te zoeken met de afdeling beheer voor een vooropname van de openbare ruimte. Een vooropname vanuit de afdeling beheer is in te plannen door de heren R. Buitendijk of L. de Rijk te contacteren bereikbaar onder rbuitendijk@gemeentesluis.nl of Lderijk@gemeentesluis.nl. Middels deze vooropname is eventuele schade aan de openbare ruimte te voorkomen. Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming dient te allen tijde gerespecteerd te worden. Indien u tijdens de werkzaamheden beschermde flora- en/of fauna aantreft, dient u direct zelf contact opnemen met de Provincie Zeeland, bereikbaar onder natuurbeschermingswet@zeeland.nl. Burgerlijk wetboek In het Burgerlijk Wetboek (boek 5, titel 4) staan rechten en plichten van burgers vermeld. Wij willen u erop wijzen dat er rechten van derden worden genoemd, die er mogelijk voor zorgen dat u geen gebruik kunt maken van uw omgevingsvergunning. Pag. 5/52
Bijgevoegde brochures: • Brochure ‘Een omgevingsvergunning ontvangen’. • Brochure ‘Aandachtspunten uitvoering activiteiten (ver)bouw’. Hoogachtend, BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN SLUIS, namens dezen, hoofd afdeling Externe Dienstverlening J. van Veen
Pag. 6/52
Overwegingen (behorende bij omgevingsvergunning UV-2022217 Op de locatie aan de Margarethaweg 1 is het landbouwbedrijf van initiatiefnemer gevestigd. Het bedrijf heeft een bedrijfstak akkerbouw en een bedrijfstak pluimveehouderij voor het houden van vleeskuikens. Het bedrijf beschikt over de mogelijkheid om in totaal 45.000 vleeskuikens in een traditionele stal met grondhuisvesting te huisvesten. Het doel van het bedrijf is de opfok van vleeskuikens t.b.v. vleesproductie. Initiatiefnemer wil voor de bestaande stal een overdekte uitloop realiseren, een zogenaamde wintergarden. Om te voldoen aan het Beter Leven Keurmerk dient een stal uit minimaal 20% wintergarden te bestaan. Met voorliggend plan wordt invulling gegeven aan het Beter Leven Keurmerk. De noodzakelijke oppervlakte wintergarden bedraagt 651 m2. Het plangebied wordt landschappelijk ingepast. Het Beter Leven Keurmerk is vanuit de markt met de Dierenbescherming gezamenlijk ontwikkeld. Dit concept is gericht op het bieden van meer ruimte per dier en een verplichte overdekte uitloop. Het is geen wettelijke regeling, maar sluit aan op een maatschappelijk gewenste ontwikkeling. De Zuidelijke Land- en tuinbouworganisatie (ZLTO) en de Dierenbescherming hebben verzocht de pluimveehouderij daarvoor fysieke ruimte te bieden.
Bestemmingsplan Op de gronden is het bestemmingsplan 'Landelijk Gebied' en 'landelijk gebied 6e Herziening' van de gemeente Sluis van kracht. In dit bestemmingsplan is de locatie gelegen binnen de bestemming ‘Agrarische doeleinden met landschappelijke waarden’. Tevens is voor het gehele bedrijf de dubbelbestemming intensieve veehouderij opgenomen. De agrarische activiteiten zijn op basis van het vigerende bestemmingsplan toegestaan. Het huidige bestemmingsplan geeft de exacte bouwmogelijkheden aan. Er is geen bouwvlak opgenomen. De bouw van de bewaarloods is volgens het bestemmingsplan enkel mogelijk binnen de aangeduide agrarische bouwvlakken. Een bouwvlak is echter niet opgenomen voor het plangebied. Dat betekent dat voor de bouw van de loods met een omgevingsvergunning buitenplanse afwijking moet worden afgeweken van het bestemmingsplan Landelijk Gebied. Het bouwplan omvat het bouwen van een bewaarloods. Voor gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - landschapswaarden" is in beide bestemmingsplannen bepaald dat buiten het bouwvlak uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van overkappingen, stellingen, paardenbakken, stapmolens en voorzieningen voor opslag - zijn toegestaan. Een deel van de te bouwen opslagloods bevindt zich buiten het bouwvlak. Hiermee is het bouwplan in strijd met het bestemmingsplan.
Desondanks kan er medewerking worden verleend middels het toepassen van artikel 2.1, eerste lid, onder c en artikel 2.12, lid 1, sub 3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). In artikel 2.1, eerste lid, onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is de mogelijkheid ogenomen tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor de uitvoering van een project, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan. In artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a onder 3° is bepaald, dat zo'n omgevingsvergunning slechts kan worden verleend, indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke' onderbouwing en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat. Bedoelde ruimtelijke onderbouwing is als bijlage bij deze vergunning gevoegd. Ruimtelijke onderbouwing Rijksbeleid Het Rijk heeft in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) nationaal ruimtelijk beleid geborgd. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken. Het Barro omvat 14 onderwerpen. De vergroting van het agrarisch bouwvlak is niet in strijd met een van deze 14 onderwerpen welke zijn opgenomen in het Barro.
Pag. 7/52
Provinciaal beleid Zeeuwse Omgevingsvisie 2021 Op 12 november 2021 hebben Provinciale Staten de Zeeuwse omgevingsvisie vastgesteld. In de Zeeuwse omgevingsvisie zijn de hoofdlijnen voor het provinciaal ruimtelijk beleid uiteengezet. Aangaande het beleid inzake intensieve veehouderijen is in de Zeeuwse Omgevingsvisie opgenomen dat nieuwvestiging en omschakeling naar intensieve veehouderijen is uitgesloten. Bestaande intensieve veehouderijbedrijven verduurzamen en krijgen onder voorwaarden daarvoor gelimiteerde ontwikkelingsruimte waarbij aandacht is voor milieu en omgeving. Er blijft ruimte voor uitbreiding in verband met het toepassen van wettelijke regelgeving voor dierenwelzijn en het Beter Leven Keurmerk (zonder uitbreiding van het aantal dieren). Het initiatief voldoet aan deze uitgangspunten. Omgevingsverordening Zeeland 2018 De Omgevingsverordening van de provincie Zeeland biedt een drietal mogelijkheden om de bedrijfsvloeroppervlakte van een intensieve veehouderij te vergroten. Dit is mogelijk op basis van een verduurzamingsplan bij de uitbreiding van het aantal dieren of in het geval het dierenaantal niet toeneemt op basis van een wettelijke regeling in het kader van dierenwelzijn of het toepassen van het Beter Leven Keurmerk. In dit initiatief wordt de bestaande stal omgezet naar een Beter Leven stal en word teen wintergarden gerealiseerd.
De Omgevingsverordening Zeeland 2018 benoemd deze mogelijkheid in artikel 2.19 lid 10: 10. Indien het toepassen van het Beter Leven Keurmerk (1 ster) ten aanzien van dierenwelzijn een groter bedrijfsvloeroppervlak vergt, is het bepaalde omtrent bedrijfsvloeroppervlak in het vijfde tot en met het zevende lid niet van toepassing. Deze regel is uitsluitend van toepassing indien en voorzover een bedrijf bij toepassing van genoemd keurmerk minder dieren zou mogen houden dan in de huidige planologisch vergunde situatie. Het initiatief voldoet aan deze voorwaarden aangezien het aanbrengen van een wintergarden binnen het bestaand bebouwd volume ten koste gaat van het aantal te houden dieren. Een uitbreiding aan de stal is dan ook noodzakelijk. Gemeentelijk beleid Bestemmingsplan Landelijk Gebied Op de gronden is het bestemmingsplan 'Landelijk Gebied' en 'landelijk gebied 6e Herziening' van de gemeente Sluis van kracht. In dit bestemmingsplan is de locatie gelegen binnen de bestemming ‘Agrarische doeleinden met landschappelijke waarden’. Tevens is voor het gehele bedrijf de dubbelbestemming intensieve veehouderij opgenomen. De agrarische activiteiten zijn op basis van het vigerende bestemmingsplan toegestaan. Het huidige bestemmingsplan geeft de exacte bouwmogelijkheden aan. Er is geen bouwvlak opgenomen.
De bouw van de bewaarloods is volgens het bestemmingsplan enkel mogelijk binnen de aangeduide agrarische bouwvlakken. Een bouwvlak is echter niet opgenomen voor het plangebied. Dat betekent dat voor de bouw van de loods met een omgevingsvergunning buitenplanse afwijking moet worden afgeweken van het bestemmingsplan Landelijk Gebied. Vanuit Rijks,- provinciaal en gemeentelijk beleid zijn er geen belemmeringen om medewerking te verlenen aan het plan. Ruimtelijke aspecten Natuur De bescherming van de natuur in Nederland vindt plaats door Europese en nationale wetgeving. In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen aangewezen Vogel- en Habitatrichtlijngebieden of Natura2000 gebieden. Het meest nabij gelegen beschermde Natura2000 gebied is het Groote Gat op een afstand van circa 7 kilometer. Het plangebied is gelegen in de omgeving van gebieden die zijn aangeduid als Natuurnetwerk Zeeland, zijnde Dijken van Zeeuws-Vlaanderen en de Sofiapolder. Beide gebieden zijn gelegen op een afstand van meer dan 100 meter. De gewenste uitbreiding heeft geen nadelige gevolgen voor beide gebieden. Pag. 8/52
Ten aanzien van vogelsoorten geldt dat indien de werkzaamheden buiten het broedseizoen plaatsvinden (april tot half juli), geen overtreding plaats zal vinden van de wetgeving ten opzichte van vogels. Het aanvragen van een ontheffing is dan niet aan de orde. Het gaat er om of er een broedgeval is. De periode april tot half juli kan wel globaal aangehouden worden voor het niet uitvoeren van werkzaamheden. Gezien de aard van het plan en met name aangaande het huidige gebruik van de locatie zijn er geen invloeden op de aanwezige vogelsoorten te verwachten. Compenserende of mitigerende maatregelen worden dan ook niet noodzakelijk geacht. Hoewel de gronden intensief worden gebruikt zal voor aanvang van de werkzaamheden het terrein worden gecontroleerd op eventueel aanwezige broedvogels. Wet natuurbescherming (Wnb) Deze aanvraag gaat over het aanbouwen van een overdekte uitloop aan de bestaande stal voor pluimvee. Op deze manier kan de bestaande stal voldoen aan het Beter Leven Keurmerk. Een overdekte uitloop (wintergarten) is een overdekte scharrelruimte die niet verwarmd is en dus tegen de bestaande stal aanligt. Voor de overdekte uitloop zit een windbreekgaas. Vstacks geeft aan dat bij een goed functionerend mechanisch ventilatiesysteem er sprake is van constante onderdruk in de stal.
Dus de uitloopopeningen fungeren als luchtinlaat en de lucht verlaat de stal via de nok- of gevelventilatoren. De uitloop(openingen) zijn dus geen relevantie emissiepunten. Door de realisatie van de overdekte uitloop wijzigen de emissiepunten dus niet ten opzichte van de huidige situatie. Om die reden is voor de aanbouw en het gebruik van de uitloop geen Wnb vergunning nodig. Cultuurhistorie Het plangebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente Sluis. De omgeving wordt gekenmerkt door het agrarische landschap. De gewenste agrarische bebouwing past in het uitgestrekte gebied. Binnen het plangebied zijn geen Rijksmonumenten aanwezig. Tevens heeft de boerderij geen cultuurhistorische waarden. In de omgeving, Margarethaweg 2 en 4, zijn de twee aanwezige burgerwoningen en bijbehorende bijgebouwen door de provincie Zeeland ingedeeld als cultuurhistorisch waardevol (B-categorie). Het voorliggende plan leidt niet tot aantasting van het cultuurhistorische karakter van de omgeving. De bouw heeft geen directe invloed op de waarden van de omliggende objecten. Tevens zorgt de te realiseren landschappelijke inpassing voor een juiste inpassing van de bebouwing in het landschap en zal daarmee een toevoeging zijn voor het gebied. Archeologie In 2017 is het archeologiebeleid 1e herziening vastgesteld. In dit beleid is een onderscheid gemaakt tussen het buitengebied en de dorpskernen.
De planolocatie is gelegen in het buitengebied. Er geldt in het gehele buitengebied, afgezien van beschermde monumenten waarvoor de minister verantwoordelijk is, een algemene vrijstellingsgrond tot 40 cm bodemverstoring. Op de planlocatie is geen beschermd monument aanwezig. De Archeologische beleidskaart van de gemeente Sluis duidt de planlocatie aan met een lage verwachtingswaarde. Het archeologiebeleid is vervolgens geïmplementeerd in het bestemmingsplan Sluis, Parapluplan archeologie, onherroepelijk geworden 31 januari 2019. Voor het plangebied is geen aanduiding opgenomen. Bij een dergelijke verwachtingswaarde is nader archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. Mobiliteit en parkeren De ontsluiting van de locatie verloopt via de Margarethaweg. Dit is een lokale ontsluitingsweg voor bestemmingsverkeer. Er is geen fysieke scheiding tussen fiets- en autoverkeer. Het profiel van de wegen bestaat uit asfalt en grasbermen. De weg kent een geringe verkeersintensiteit. Het plan leidt niet tot een toename van verkeer. De toename van verkeersbewegingen zal enkel incidenteel toenemen bij de bouw van de wintergarden. Het aantal dieren niet toe, waardoor ook het aantal vrachtbewegingen niet toeneemt voor aan- en afvoer dieren, mest en voedsel.
Op de locatie zelf zijn voldoende parkeervoorzieningen aanwezig en er is er zodoende geen overlast te verwachten voor parkeren op de openbare weg
Pag. 9/52
Technische infrastructuur De omgeving is aangesloten op alle gangbare technische infrastructuur en andere nutsvoorzieningen (gas, water, elektra). Ten behoeve van het plan hoeven hiervoor geen structurele aanpassingen plaats te vinden. Milieuaspecten Bodem In het onderliggende geval betreft dit de bouw van een stal. In deze stal zijn dan ook niet permanent personen aanwezig waardoor een bodemonderzoek niet noodzakelijk is. Geluid De geluidproductie van het bedrijf zelf (bedrijfsactiviteiten en verkeersbewegingen) is in de omgevingsvergunning voor het onderdeel milieu verbonden aan de gangbare voorschriften en geldende voorschriften van de vergunning. De wintergarden heeft geen invloed op de geluidsproductie van het bedrijf. Geur De wintergarden heeft geen invloed op de geuruitstoot van het bedrijf. Emissiepunten blijven ongewijzigd en het dierenaantal neemt niet toe. Luchtkwaliteit De realisatie van de wintergarden resulteert niet in een gewijzigde situatie in het kader van fijn stof. Watertabel Sinds 1 november 2003 is de zogenaamde Watertoets verplicht. Dat wil zeggen dat in elk ruimtelijk plan gemotiveerd moet worden aangegeven hoe met het water in het gebied wordt omgegaan en wat de ruimtelijke veranderingen voor het water betekenen. Aangaande de aspecten omtrent water is een watertoets opgesteld welke is toegezonden aan Waterschap Scheldestromen.
Op 2 augustus 2022 heeft Waterschap scheldestromen aangegeven geen opmerkingen te hebben op het plan. Externe veiligheid De uitbreiding met een wintergarden valt niet binnen de plaatsgebonden risicocontour en/of het invloedsgebied van het groepsrisico van een risicovolle activiteit is gelegen. Een verdere uitwerking van de veiligheidsparagraaf is dan ook niet noodzakelijk. Omliggende functies Om tussen bedrijven en woningen een goede ruimtelijke afstemming te borgen, wordt in de ruimtelijke ordening veelal een milieuzonering gehanteerd. Deze dient er voor te zorgen dat door het in acht nemen van voldoende afstand tussen bedrijven en milieugevoelige objecten (zoals woningen), geen overlast, hinder of schade ontstaat. Deze ruimtelijke zonering is gebaseerd op het in acht nemen van voldoende fysieke afstand. Afhankelijk van bedrijfstype en sector gelden verschillende afstanden. De vermelde afstanden zijn richtlijnen. Deze richtlijnen zijn opgenomen in de handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ van de VNG. Ten aanzien van agrarische bedrijven zijn hierin de volgende richtafstanden opgenomen: 200 meter voor het aspect geur, 30 meter voor het aspect stof en 50 meter voor het aspect geluid. Binnen deze richtafstanden zijn geen bedrijven gelegen. Wel zijn er binnen 200 meter burgerwoningen gelegen.
De aspecten geluid, geur en luchtkwaliteit wijzigen echter niet naar aanleiding van de toevoeging van de wintergarden en hiermee is dit aspect dan ook geen belemmering om geen medewerking te verlenen. Afwegingen Ten aanzien van de bouw van de stal voor het agrarische bedrijf kan de volgende afweging gemaakt worden: - bouw van de loods past binnen de ruimtelijke beleidskaders van de provincie (Omgevingsplan en Omgevingsverordening) en de gemeente Sluis. Met het plan wordt voor het agrarische bedrijf de economische basis verbreed; - vanuit de omgeving zijn er geen belemmeringen vanuit natuur, landschap, cultuurhistorie, waterhuishouding of milieu die de bouw van de loods op deze locatie in de weg staan; Pag. 10/52
-
het plan leidt niet tot relevante waterhuishoudkundige effecten; ook kan gesteld worden dat er geen onevenredige negatieve effecten zullen optreden naar de omgeving; voor omliggende agrarische bedrijven en burgerwoningen vormt de bouw van de stal geen belemmering; de te verwachten verkeerseffecten zijn zeer beperkt en passen in het lokale verkeersbeeld. Er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen erf.
Geconcludeerd kan worden dat het plan ruimtelijk inpasbaar is in de omgeving. Vvgb Op basis van de Wabo is het verlenen van een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan een bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders. In artikel 2.27 Wabo is bepaald dat een omgevingsvergunning niet verleend wordt zonder een verklaring van geen bedenking van de gemeenteraad. Ingevolge artikel 6.5 van het Besluit omgevingsrecht wordt de omgevingsvergunning niet verleend dan nadat de gemeenteraad van de gemeente, waar het project geheel of in hoofdzaak zal worden uitgevoerd, heeft verklaard dat hij daartegen geen bedenkingen heeft. Op basis van artikel 6.5 Bor kan de raad categorieën van gevallen aanwijzen waarvoor geen verklaring van geen bedenkingenen nodig is. Het onderhavige bouwplan valt niet onder deze categorieën, waardoor de raad een individuele projectgebonden verklaring van geen bedenking dient af te geven. Op 22 december 2022 heeft de raad een (ontwerp)verklaring van geen bedenkingen afgegeven voor de realisatie van een wintergarden op het perceel Margarethaweg 1 te Oostburg. Op DATUM heeft de raad een definitieve verkalring van geen bedenkingen afgegeven. Op grond van het vorenstaande wordt vastgesteld, dat er geen redenen zijn om aan het verzoek tot het verlenen van een omgevingsvergunning geen medewerking te verlenen.
Milieu 1.1 Gegevens aanvrager Op 29 december 2021 is een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid aanhef en onder e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ontvangen. De aanvraag is op 19 mei 2022 aangevuld met de onderdelen ‘bouwen’ (artikel 2.1, eerste lid aanhef en onder a Wabo) en ‘ruimtelijke orde’ (artikel 2.1, eerste lid aanhef en onder c Wabo). Het betreft een verzoek van: Temmerman Agro, voor de inrichting Margarethaweg 1 te Oostburg. 1.2 Projectbeschrijving Het project waarvoor vergunning wordt gevraagd is als volgt te omschrijven: •
het veranderen of veranderen van de werking van een inrichting.
Een uitgebreide projectomschrijving is opgenomen in bijlage 2 bij de aanvraag om vergunning. Gelet op bovenstaande omschrijving wordt vergunning gevraagd voor de uitbreiding met een phytobak, de oprichting van een overdekte uitloop, zichtstal en educatieruimte voor/bij de vleeskuikenstal en een toiletgebouw ten behoeve van de mini camping. 1.3 Omschrijving van de aanvraag De aanvraag bestaat uit de onderdelen genoemd in onderstaande tabel nr. 1:
Pag. 11/52
Tabel 1 Bijlage
Naam
Ons kenmerk
1
Temmerman Margarethaweg 1 Oostburg_1
2021-690396
2
aanvraagformulier_19-05-2022
2022-726447
3
Bijlage_1_plattegrondtekening 4
2022-726437
4
Bijlage_2_milieuaspecten 3
2022-726445
5
Bijlage_3_akoestisch_onderzoek 3
2022-726449
6
Bijlage_4_ruimtelijke_onderbouwing
2022-726440
7
Bijlage_5_bouwtekening
2022-726435
1.4 Huidige vergunningssituatie Voor de inrichting zijn eerder de onderstaande vergunningen en/of ontheffingen verleend dan wel meldingen geaccepteerd: SOORT VERGUNNING
DATUM
KENMERK
ONDERWERP
Revisievergunning
17-12-2013
PZ-U2013-20016
Wijziging pluimvee
Wnb melding
21-03-2017
Rq6JNwuGEuz2
Vergunde situatie
Activiteitenbesluit
17-12-2019
A97076ci9yb
Bewaarloods
Veranderingsvergunning
27-01-2021
19-ED-U2020-
Propaantank en loods
1.5 Vergunningplicht Het betreft een inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort genoemd in Bijlage I categorie 6.6 onder a van de Richtlijn industriële emissies. Om die reden is op grond van artikel 2.1 van het Bor sprake van een vergunningsplichtige inrichting. Daarnaast heeft de aanvraag op basis van artikel 2.1 van het Besluit omgevingsrecht, in samenhang met de onderdelen B en C van bijlage 1 bij het Besluit omgevingsrecht, betrekking op een vergunningsplichtige inrichting. De volgende categorie(ën) zijn van toepassing: Categorie
Omschrijving
Categorie 8.1 onder a
Het kweken, fokken, mesten, houden, verhandelen, verladen of wegen van dieren.
1.6 Bevoegd gezag Wij zijn bevoegd gezag om te beslissen op de aanvraag om een omgevingsvergunning. Dit volgt uit artikel 2.4 eerste lid van de Wabo. 1.7 Wet natuurbescherming Voor de bestaande en aangevraagde bedrijvigheid is een omgevingsvergunning natuur nodig. De ondernemer heeft ervoor gekozen om apart van de Wabo-procedure een aanvraag of ontheffing Wet natuurbescherming (Wnb) aanvragen bij de Provincie Zeeland. Er is daardoor geen aanhaakplicht van toepassing op deze beschikking.
Pag. 12/52
1.8 Toetsing milieueffectrapportage De activiteiten waarvoor vergunning wordt aangevraagd hebben geen betrekking op uitbreiding van het aantal dieren of wijziging van een installatie voor het fokken, mesten of houden van pluimvee. Dit betekent dat er geen milieueffectrapport (beoordeling) nodig is. 1.9 Actualisatie vergunning 17 december 2013 Op 17 december 2013 is een revisievergunning met kenmerk PZ-U2013-20016 verleend onder voorschriften voor de onderhavige inrichting. Een groot aantal activiteiten binnen de inrichting vallen rechtstreeks onder de voorschriften van het Activiteitenbesluit en Activiteitenregeling. Bij de beoordeling van de veranderingsvergunning in relatie met de revisievergunning van 17 december 2013 is geconstateerd dat voor een aantal activiteiten de voorschriften van de vergunning van rechtswege zijn vervallen omdat voor bepaalde activiteiten het Activiteitenbesluit van kracht is. Met dit besluit worden de voorschriften tevens geactualiseerd door een gedeelte van de voorschriften van de revisievergunning van 17 december 2013 te laten vervallen, toe te voegen en/of te vervangen. Onderstaand wordt dat gemotiveerd. Door het vervallen van rechtswege, het toevoegen of vervangen van voorschriften leidt dit niet tot een andere inrichting dan waarvoor vergunning is aangevraagd.
Pag. 13/52
Inhoudelijke overwegingen 1.1 Inleiding De aanvraag heeft betrekking op het veranderen of veranderen van de werking van een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid aanhef en onder e van de Wabo. De Wabo omschrijft in artikel 2.14 het milieuhygiënische toetsingskader van de aanvraag. Een toetsing aan deze aspecten heeft plaatsgevonden. 1.2 Toetsing oprichten, veranderen of revisie Bij onze beslissing op de aanvraag hebben wij:
de aspecten genoemd in artikel 2.14 eerste lid onder a van de Wabo betrokken; met de aspecten genoemd in artikel 2.14 eerste lid onder b van de Wabo rekening gehouden; de aspecten genoemd in artikel 2.14 eerste lid onder c van de Wabo in acht genomen.
In de onderstaande hoofdstukken lichten wij dit nader toe, waarbij wij ons beperken tot die onderdelen van het toetsingskader die ook daadwerkelijk op onze beslissing van invloed kunnen zijn. 1.3 Activiteitenbesluit milieubeheer De inrichting is op basis van artikel 1.2 van het Activiteitenbesluit milieubeheer een inrichting type C. Dit betekent dat bepaalde voorschriften uit dit besluit en de bijbehorende ministeriële regeling rechtstreeks van toepassing zijn. In de vergunning zijn alleen voorschriften voor aspecten en activiteiten opgenomen die niet zijn geregeld in het Activiteitenbesluit en de bijbehorende ministeriële regeling. Binnen de inrichting vinden de volgende activiteiten plaats die vallen onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit:
lozen van hemelwater dat niet afkomstig is van een bodem beschermende voorziening; het in werking hebben van een stookinstallatie het uitwendig wassen en stallen van motorvoertuigen en werktuigen; opslag van mengvoer in silo’s; opslag van vaste mest; opslag van dieselolie in een bovengrondse tank; opslag van propaan in een bovengrondse tank; het houden van landbouwhuisdieren in dierenverblijven; toepassing van emissiearme (huisvestings)systemen.
Voor deze inrichting houdt dit in dat - voor zover deze betrekking hebben op de genoemde (deel)activiteiten - moet worden voldaan aan de volgende artikelen uit het Activiteitenbesluit en de daarbij behorende Activiteitenregeling:
paragraaf 3.1.3 Lozen van hemelwater dat niet afkomstig is van een bodem beschermende voorziening; paragraaf 3.2.1 Het in werking hebben van een stookinstallatie, niet zijnde een grote stookinstallatie; paragraaf 3.3.2 Het uitwendig wassen en stallen van motorvoertuigen, werktuigen of spoorvoertuigen; paragraaf 3.4.1 Opslaan van propaan; paragraaf 3.4.5 Opslaan van agrarische bedrijfsstoffen; paragraaf 3.4.9 Opslaan van gasolie, smeerolie of afgewerkte olie in een bovengrondse opslagtank; paragraaf 3.5.8 Houden van landbouwhuisdieren in dierenverblijven, met uitzondering van de artikelen 3.113 tot en met 3.121; Afdeling 2.4 bodem is op de gehele inrichting van toepassing. Artikel 2.11, eerste lid (onderzoek bodemkwaliteit bij oprichting van de inrichting) is niet van toepassing). Pag. 14/52
Hoofdstuk 1, afdelingen 2.1, 2.2 en 2.10 van hoofdstuk 2 en hoofdstuk 6 (overgangsbepalingen), voor zover dit betrekking heeft op de activiteiten of deelactiviteiten van de inrichting, zoals voornoemd opgenomen en afdelingen 2.3 en 2.4 (met uitzondering van artikel 2.11, eerste lid) met betrekking tot de gehele inrichting. Door de rechtstreekse werking van het Activiteitenbesluit zijn op grond van het bovenstaande de voorschriften van de revisievergunning van 17 december 2013 van rechtswege niet meer van toepassing: - voorschriften 3.1.1 t/m 3.2.2 uit hoofdstuk 3 (Afvalwater); - voorschriften 4.1.1 t/m 4.1.8 uit hoofdstuk 4 (Bodem); - voorschriften 10.1.1 t/m 10.3.8 uit hoofdstuk 10 (Afleverinstallatie voor motorbrandstof); - voorschriften 11.2.1 t/m 11.4.3 uit hoofdstuk 11 (Het houden van dieren); - voorschriften 12.1.1 t/m 12.1.4 uit hoofdstuk 12 (Vleeskuikenstal BWL 2009.14.V2); - voorschriften 13.1.1 t/m 13.3.2 uit hoofdstuk 13 (Opslag aardolieproducten in een bovengrondse tank); - voorschriften 16.1.1 t/m 16.1.15 uit hoofdstuk 16 (Lassen); - voorschriften 17.1.1 t/m 17.1.5 uit hoofdstuk 17 (machineberging).voorschriften 18.1.1 t/m 18.1.4 uit hoofdstuk 18 (opslag van propaan in bovengrondse tank van 19 m3); - voorschriften 19.1.1 t/m 19.1.4 uit hoofdstuk 19 (Noodstroomaggregaat) en - voorschriften 20.1.1 t/m 20.2.2 uit hoofdstuk 20 (Verwarming).
De aanvraag voor een omgevingsvergunning is voor deze activiteiten aangemerkt als melding op grond van het Activiteitenbesluit. Door de rechtstreekse werking van het Activiteitenbesluit kunnen uitsluitend aanvullende maatwerkvoorschriften worden vastgesteld ten aanzien van deze activiteiten. Er worden in dit geval geen aanvullende maatwerkvoorschriften vastgesteld voor genoemde activiteiten. De voorschriften uit het Activiteitenbesluit voldoen voor deze situatie. 1.4 Agrarische activiteiten Dieraantallen en (huisvestings)systemen vergund -
Voor de inrichting is op 17 december 2013 een omgevingsvergunning verleend voorhet veranderen van de werking van een inrichting (revisie).
In tabel 2 zijn het aantal dieren, de ammoniakemissie (kg NH3 per jaar), de geuremissie (OUE/s) en de fijn stofemissie (gram PM10 per jaar) weergegeven op basis van de geldende vergunning. Het maximale aantal te houden dieren is gelijk aan het aantal dierplaatsen. Tabel 2: Geldende vergunning/ aangevraagde situatie. Stal Rav-code Diercategorie/ Huisvestingssysteem
2 E 5.10
Aantal dieren
Vleeskuikens: stal met verwarmingssysteem 45.000 met warmteheaters en ventilatoren (BWL 2009.14.V2) Totaal
Ammo- Totaal Geurniakammo- emissieemissie- niak factor factor
Totaal geur
0,035
14.850
1.575
1.575
0,33
Fijn stof- Totaal emissie- fijn stof factor (kg) gr/dier
22
14.850
Met de voorgenomen veranderingen wijzigt het aantal dieren of het vergunde huisvestingssysteem niet. Aan de bestaande stal zal een overdekte uitloop (Wintergarten) worden gerealiseerd en een ruimte die als zichtstal en educatieruimte fungeert.
Pag. 15/52
990
990
De uitvoering van het huisvestingssysteem in de stal 2 moet overeenkomen met de beschrijving van dat huisvestingssysteem. Dit is opgenomen in artikel 3.123 van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Doordat artikel 3.123 een rechtstreekse werking heeft zijn voor dit onderdeel geen voorschriften in de (geldende) vergunning opgenomen. 1.5 BBT Algemeen In het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu moeten aan de vergunningvoorschriften worden verbonden, die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken (BBT) worden toegepast. Vanaf januari 2013 moet bij het bepalen van BBT rekening worden gehouden met BBTconclusies en bij ministeriële regeling aangewezen informatiedocumenten over BBT. BBT-conclusies is een document met de conclusies over BBT, vastgesteld overeenkomstig artikel 13, vijfde en zevende lid van de Richtlijn industriële emissies (RIE). Het vijfde lid verwijst naar BBT-conclusies vastgesteld na 6 januari 2011 onder het regime van de RIE.
Het zevende lid verwijst naar de BBT-referentiedocumenten (BREF's: Best available techniques Reference documents). Het hoofdstuk uit deze BREF’s waarin de BBT-maatregelen staan (hoofdstuk Best available techniques (BAT)), geldt als BBT-conclusies, totdat nieuwe BBTconclusies zijn vastgesteld. BBT-conclusies worden door de Europese commissie vastgesteld en bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (een uitvoeringsbesluit van de Europese commissie dat gericht is tot de lidstaten). Zij worden daarom niet meer apart aangewezen in de Mor. 1.6 IPPC-installatie De Europese richtlijn industriële emissies (RIE) geeft milieueisen voor de installaties die genoemd staan in de bij de richtlijn behorende bijlage I. Wanneer een installatie daar genoemd is, spreken we van een IPPC-installatie. Voor veehouderijen vallen de volgende installaties onder de werking van de RIE:
meer dan 40.000 plaatsen voor pluimvee, of; meer dan 2.000 plaatsen voor vleesvarkens (van meer dan 30 kg), of; meer dan 750 plaatsen voor zeugen.
De activiteit waarvoor vergunning is afgegeven, heeft betrekking op de een inrichting met meer dan 40.000 dierplaatsen voor pluimvee. De installatie moet daarom worden aangemerkt als een IPPC-installatie. Het toetsingskader wordt gevormd door de betreffende artikelen van de Wabo waarin de RIE is geïmplementeerd. BBT-documenten Er moet worden voldaan aan de BBT-conclusies voor de hoofdactiviteit en aan andere relevante BBT-conclusies. Op grond van bijlage 1 van de Mor moet voor het bepalen van BBT voor de installaties en processen binnen de inrichting aanvullend een toetsing plaatsvinden aan relevante aangewezen informatiedocumenten over BBT. Uit jurisprudentie met betrekking tot het bepalen van BBT bij het toetsten aan BBT-conclusies bij vergunningverlening is gebleken dat het bevoegd gezag bij het toetsten aan BBTconclusies de actualiteit hiervan moet nagaan ten aanzien van de ontwikkelingen van BBT die sinds het vaststellen van de BBT-conclusies hebben plaatsgevonden. Bronnen voor ontwikkelingen ten aanzien van BBT zijn onder andere de concepten van de herziene BREF's.
Pag. 16/52
Wij hebben rekening gehouden met de volgende BBT-conclusies: Categorie in bijlage 1 RIE
Belangrijkste BBT-conclusies
Ook van belang zijnde BBTconclusies/BREF 6.6 Intensieve pluimvee- of BBT conclusies voor intensieve BREF open overslag varkenshouderij: pluimvee- en varkenshouderij bulkgoederen (BREF ESB) c. met meer dan 750 plaatsen voor zeugen BREF Energie-efficiëntie Naast de BBT-conclusies hebben wij rekening gehouden met de volgende in de bijlage bij de Mor aangewezen informatiedocumenten over beste beschikbare technieken: • • •
Nederlandse richtlijn bodembescherming (NRB), maart 2012; Beleidslijn IPPC-omgevingstoetsing ammoniak en veehouderij, juni 2007; Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15: Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen, september 2016.
In dit hoofdstuk is de toetsing van de dierenverblijven in het kader van de toepassing van de beste beschikbare technieken verder uitgewerkt. Een verdere beschouwing van de beste beschikbare technieken is terug te vinden bij de afzonderlijke toetsing van de relevante milieucomponenten. 1.7 BBT-conclusies BBT-conclusies varkenshouderij en pluimveehouderij De BBT-conclusies voor intensieve pluimveehouderij, zoals op 21 februari 2017 gepubliceerd door de Europese Commissie, bevatten de volgende aspecten. Milieubeheerssystemen Een milieubeheerssysteem heeft tot doel om de algehele milieuprestaties van de veehouderij te verbeteren. Het gaat dan onder meer om het opstellen van een milieubeleid, de planning, vaststelling en uitvoering van procedures en het controleren van de prestaties en het nemen van corrigerende maatregelen. Dit aspect vertaalt zich in de zin van een verplichte boekhouding, waarin onder meer water- en energieverbruik, hoeveelheid veevoer en de hoeveelheid afval en meststoffen worden bijgehouden. Hiervoor gelden de registratieverplichtingen voor veevoer en mest op grond van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet, de onderhoudsvoorschriften zoals deze zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit (huisvestingssysteem) en de registratievoorschriften in de geldende revisievergunning (dieraantallen, energie, water en afval).
Goede bedrijfspraktijken Dit aspect vertaalt zich in de ligging van de installatie, noodplannen, voorlichting en opleiding van personeel en het onderhouden van installaties. Hiervoor gelden de voorschriften zoals deze zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit (voor zover dit van toepassing is) en de geldende revisievergunning. Daarnaast zijn hiervoor regels opgenomen in de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet). Dit geldt voor de voorlichting en opleiding van personeel en het onderhoud van gereedschap, machines en installaties (arbeidsmiddelen). Om veilig en gezond te kunnen werken dienen arbeidsmiddelen in goede staat te verkeren en op de juiste wijze te worden gebruikt. Opleiding en voorlichting van personeel is standaard bedrijfspraktijk. Voor specifieke installaties zijn controlevoorschriften opgenomen in het Activiteitenbesluit (voor zover dit van toepassing is) en de geldende revisievergunning. Een ander onderdeel van een goede bedrijfspraktijk is het zodanig situeren van activiteiten om overlast naar de omgeving te beperken. Dit vindt zijn uitwerking in de verschillende toetsingskaders die in deze beoordeling zijn behandeld. Verder gaat het om het zodanig opslaan van dode dieren dat emissies worden voorkomen of verminderd. De regels voor het opslaan van dode dieren (kadavers) staan in de Regeling dierlijke producten. In de omgevingsvergunning is geen verdere toets nodig.
Voorschriften 11.5.1 t/m 11.5.7 van de geldende revisievergunning vervallen in dit kader van rechtswege.
Pag. 17/52
Voedingsbeheer De uitstoot van mineralen uit mest, waar dit aspect betrekking op heeft, is geïmplementeerd in de Meststoffenwet en behoeft in de omgevingsvergunning geen verdere toets. Met een normale landbouwpraktijk wordt voldaan aan deze BBT. Monitoring vindt op landelijk niveau plaats. Water (efficiënt gebruik van water / productie afvalwater / emissies via afvalwater) In de BBT-conclusies worden een aantal waterbesparende maatregelen en afvalwater beperkende technieken beschreven. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om het gebruik van hogedrukreinigers welke zuiniger zijn bij het schoonspuiten van stallen, het ijken, controleren en onderhouden van de drinkwaterinstallatie, het bijhouden van het waterverbruik en de vervuilde zones van het erf zo klein mogelijk te houden. Hiervoor gelden de voorschriften zoals deze zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit (zorgplicht). Een aantal technieken zijn onderdeel van een normale landbouwpraktijk. Verder wordt voor het waterverbruik en de besparende maatregelen verwezen naar de voorschriften zoals opgenomen in de geldende revisievergunning. Voor het uitrijden van afvalwater gelden eveneens de voorschriften uit het Activiteitenbesluit en voor het lozen van afvalwater met meststoffen geldt het Besluit gebruik meststoffen.
Efficiënt gebruik van energie (energiebesparing) In de BBT-conclusies worden enkele aspecten als isolatiewaarden in stallen, ventilatiewijzen en verlichting beschreven. Voor het energieverbruik en de besparende maatregelen wordt verder verwezen naar de voorschriften zoals opgenomen in de geldende revisievergunning. Met het voldoen aan de energiebesparingsverplichting uit het Activiteitenbesluit, die in deze vergunning is opgenomen als voorschrift, wordt aan BBT voldaan. Geluid (geluidsbeheerplan en geluidemissies) Het is BBT om een geluidsbeheerplan op te zetten en na te leven en om één of een combinatie van de technieken te gebruiken om geluidsemissies te voorkomen of te beperken. Een geluidsbeheersplan is alleen van toepassing wanneer geluidshinder wordt verwacht of is aangetoond. Dit is geïmplementeerd in de vergunningverlening door de toetsing aan het gemeentelijk geluidbeleid en/of de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (handreiking). Op basis van deze toetsing wordt geluidshinder voorkomen. Als onderdeel bij de deze aanvraag is een akoestisch rapport opgesteld. Voor de overwegingen wordt verwezen naar de paragraaf Geluid. Huisvesting In de BBT-conclusies zijn, voor wat betreft de diercategorieën waarvoor voldoende bewezen technieken zijn ontwikkeld, huisvestingssystemen beschreven welke voldoen aan het criterium BBT.
De passende maatregelen tegen verontreiniging zijn voor de vergunninghouder hierbij niet alleen op het gebruik van de stallen van toepassing, maar ook op de kosten, bouwwijze, ontwerp, onderhoud en ontmanteling ervan. Hierbij spelen de emissies van ammoniak, geur, stof en geluid een rol, maar ook het energieverbruik en het afvalwater zijn afwegingscriteria. Uit de beoordeling hierna onder het kopje BBT dierenverblijven voor ammoniak en BBT dierenverblijven voor zwevende deeltjes blijkt dat de toegepaste (huisvestings-)systemen voldoen aan het criterium dat het toepassen van de BBT vereist (toetsing op basis van het Besluit emissiearme huisvesting). Opslag van vaste mest en drijfmest Voor de opslag van mest wordt onderscheid gemaakt in vaste en vloeibare mest (drijfmest). BBT voor pluimveemest is dat de gedroogde pluimveemest moet worden opgeslagen in een loods met een ondoordringbare vloer. Waar van toepassing gelden de voorschriften zoals deze zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit (§3.4.5 en §3.5.8).
Pag. 18/52
Verwerking van mest op de boerderij (toepassen van mestverwerkingstechnieken) Het mestbe-/verwerken is geen verplichting vanuit de BBT-conclusies, maar wanneer deze op bedrijfsniveau worden toegepast kunnen hieraan eisen worden gesteld. Afhankelijk van de lokale omstandigheden en regelgeving kan mestvergisting of mestscheiding al dan niet in combinatie met nitrificatie en denitrificatie van drijfmest als BBT worden beschouwd bij varkens. Voor pluimvee zijn dit de nageschakelde mestdroogtechnieken. Binnen het bedrijf worden geen mestverwerkingstechnieken toegepast. Het uitrijden van mest De regels voor het uitrijden van mest zijn opgenomen in het Besluit gebruik meststoffen. Dit behoeft in de omgevingsvergunning geen verdere toets. Het uitrijden van de mest is een aspect dat buiten de inrichting plaatsvindt. Voor wat betreft de emissies (ammoniak, geur, zwevende deeltjes en geluid) wordt hier volstaan met een verwijzing naar de volgende paragrafen waarin dit is beschouwd. Gehele productieproces (berekenen ammoniakemissie) Met de verplichte registratie op grond van de meststoffenwet (aan- en afvoer mineralen) en de gegevens uit de (aanvraag) omgevingsvergunning wordt invulling gegeven aan deze BBTconclusie. BREF Energie-efficiëntie De BREF Energie-efficiency is van toepassing op alle RIE-inrichtingen, behalve degenen die vallen onder het systeem van Emissiehandel.
Deze BREF bevat derhalve richtsnoeren en conclusies inzake technieken voor energie-efficiëntie die voor alle onder de IPPC-richtlijn vallende installaties in het algemeen als BAT-compatibel worden beschouwd. Deze BREF: bevat geen specifieke informatie over processen en activiteiten in sectoren die onder andere BREF-documenten vallen; stelt geen sectorspecifieke BBT vast. Processpecifieke BBT voor energie-efficiëntie en daarmee samenhangende energieverbruiksniveaus worden in de desbetreffende verticale sectorspecifieke BREFdocumenten gegeven. Voor het energieverbruik en de besparende maatregelen wordt verder verwezen naar de toetsing zoals elders in de beoordeling van de aanvraag is opgenomen, onder paragraaf “energie” (paragraaf 4.14). Hieruit volgt dat de aangevraagde activiteiten met de in dit besluit opgenomen voorschriften in overeenstemming zijn met de BREF Energieefficiëntie. 1.8 BBT dierenverblijven ammoniak Toetsingskader Voor zover het de toepassing van de BBT in de dierenverblijven betreft, is de aanvraag getoetst aan het Besluit emissiearme huisvesting landbouwhuisdieren (Besluit emissiearme huisvesting), de Wet ammoniak en veehouderij (Wav), de Wabo (artikel 2.22, derde lid) en het Bor (artikelen 5.3 en 5.4).
Voor diercategorieën waarvoor het redelijk is om emissie-eisen te stellen zijn maximale emissiewaarden voor ammoniak opgenomen in het Besluit emissiearme huisvesting. Het besluit geeft een goed beeld van de 'stand der techniek'. Het principe van het besluit is dat alleen huisvestingssystemen met een emissiefactor die lager is dan of gelijk is aan de maximale emissiewaarde zijn toegestaan. De diercategorie en het tijdstip waarop het dierenverblijf is opgericht bepalen of en welke maximale emissiewaarde van toepassing is. Wanneer een huisvestingsysteem voldoet aan de in het Besluit emissiearme huisvesting gestelde eisen kan ervan worden uitgegaan dat dit huisvestingsysteem een voor de inrichting in aanmerking komende BBT is. Wanneer op basis van dit besluit geen maximale emissiewaarde van toepassing is moet elk huisvestingssysteem worden aangemerkt als de BBT.
Pag. 19/52
De Wav legt een aanvullende toets op bij IPPC-installaties (artikel 3, derde lid). Rekening houdend met de technische kenmerken en de geografische ligging van de inrichting en de plaatselijke milieuomstandigheden kan het nodig zijn om een strengere emissiegrenswaarde dan de maximale emissiewaarde volgens het Besluit emissiearme huisvesting (= het niveau van BBT-technieken) op te nemen in de omgevingsvergunning. De Wav is een op emissie gerichte benadering van de ammoniakproblematiek. Bij de beoordeling van een aanvraag voor een omgevingsvergunning is de ligging ten opzichte van zeer kwetsbare gebieden van belang. Een vergunning moet in principe worden geweigerd indien een dierenverblijf geheel of gedeeltelijk is gelegen in een zeer kwetsbaar gebied, dan wel binnen een zone van 250 meter rond een zodanig gebied (artikel 4) oprichting veehouderij) en artikel 6 (verandering veehouderij) Wav). Als zeer kwetsbare gebieden worden aangemerkt gebieden die deel uitmaken van de ecologische hoofdstructuur (EHS) en onmiddellijk voorafgaand aan het vervallen van de Interimwet ammoniak en veehouderij (Iav) als voor verzuring gevoelig werden aangemerkt. De dierenverblijven van onderhavige inrichting liggen niet binnen een zone van 250 meter van een zeer kwetsbaar gebied.
Voor deze inrichting geldt geen beperking met betrekking tot het ammoniakplafond, voor zover dit de emissie van ammoniak uit dierenverblijven en de invloed daarvan op zeer kwetsbare gebieden betreft. Vanwege de ligging van de veehouderij buiten een 250 meter zone van een zeer kwetsbaar gebied wordt voldaan aan het gestelde in de Wav. Toetsing ammoniak op basis van het Besluit emissiearme huisvesting De aanvraag is getoetst aan het Besluit emissiearme huisvesting. In het Besluit emissiearme huisvesting zijn voor diercategorieën waarvoor het redelijk is om emissie-eisen te stellen maximale emissiewaarden voor ammoniak opgenomen. Het principe van het besluit is dat alleen huisvestingssystemen met een emissiefactor die lager is dan of gelijk is aan de maximale emissiewaarde zijn toegestaan. De diercategorie en het tijdstip waarop het dierenverblijf is opgericht bepalen of en welke maximale emissiewaarde van toepassing is. Wanneer een huisvestingsysteem voldoet aan de in het Besluit emissiearme huisvesting gestelde eisen kan ervan worden uitgegaan dat dit huisvestingsysteem een voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare techniek is. Wanneer op basis van dit besluit geen maximale emissiewaarde van toepassing is moet elk huisvestingssysteem worden aangemerkt als de beste beschikbare techniek.
Met de gevraagde veranderingen wijzigt het bestaande huisvestingssysteem niet. In onderhavige (vergunde) situatie is voor de vleeskuikens in stal 2 het emissiearme huisvestingssysteem met BWL 2009.14.V2 (Rav E 5.10) toegepast. De emissiewaarde voor dit systeem bedraagt 0,035 kg NH3 per dierplaats per jaar. Aangezien een maximale emissiewaarde van 0,045 kg NH3 per dierplaats per jaar maximaal is toegestaan, voldoet het systeem aan het criterium dat het toepassen van de BBT vereist. De technische kenmerken en de geografische ligging van de inrichting of de plaatselijke milieuomstandigheden vormen geen reden een strengere emissiegrenswaarde vast te stellen voor deze IPPC-installatie. De uitvoering, de controle en het onderhoud van de toegepaste huisvestingssystemen wordt geregeld in paragraaf 3.5.8 van het Activiteitenbesluit. Beleidslijn IPPC- omgevingstoetsing ammoniak en veehouderij De 'Beleidslijn IPPC-omgevingstoetsing ammoniak en veehouderij' d.d. 25 juni 2007 (Beleidslijn) kan als handleiding dienen voor het uitvoeren van de omgevingstoetsing die op grond van de IPPC-richtlijn ten aanzien van ammoniakemissie vanuit veehouderijen dient te worden uitgevoerd. Ook is deze verplichting in de Wav (artikel 3, lid 3) en het Besluit emissiearme huisvesting (artikel 2a) opgenomen.